TIENDE HOOFDSTUK
Hoewel ik, waar 't principes geldt, niemand ontzie, heb ik toch begrepen dat ik met Stern een anderen weg moet inslaan dan met Frits, en daar het te voorzien is dat myn naam—de firma is Last & Co, maar ik heet Droogstoppel: Batavus Droogstoppel—in aanraking komen zal met een boek waarin zaken voorkomen, die niet strooken met den eerbied dien elk fatsoenlyk man en makelaar zichzelf verschuldigd is, acht ik het myn plicht u meetedeelen, hoe ik getracht heb ook dien Stern terugtebrengen op den waren weg.
Ik heb hem niet van den Heer gesproken—omdat hy Luthersch is—maar ik heb gewerkt op zyn gemoed en zyn eer. Ziehier hoe ik dit heb aangelegd, en merk daarby op, hoever men het brengt met menschkunde. Ik had hem hooren zeggen: auf Ehrenwort, en vroeg wat hy daarmee bedoelde?
—Wèl, zeide hy, dat ik myn eer verpand voor de waarheid van wat ik zeg.
—Dat is zeer veel, hernam ik. Ben je zoo overtuigd, altyd de waarheid te zeggen?
—Ja, verklaarde hy, de waarheid zeg ik altyd. Als de borst me gloeit …
De lezer weet de rest.
—Dat is waarlyk zeer schoon, zei ik, en ik hield me heel onnoozel alsof ik het geloofde.
Maar hierin lag juist de fynheid van den strik, dien ik hem spande met het doel om, zonder gevaar te loopen den ouden Stern in handen van Busselinck & Waterman te zien vallen, toch dat jonge kereltjen eens goed op zyn plaats te zetten, en hem te doen gevoelen hoe groot de afstand is tusschen iemand die pas begint—al doet dan ook zyn vader groote zaken—en een makelaar die twintig jaar de beurs bezocht heeft. Het was me namelyk bekend dat hy allerlei tuig van verzen uit het hoofd wist—hy zegt: "uitwendig"—en daar verzen altyd leugens bevatten, was ik zeker dat ik hem zeer spoedig zou betrappen op onwaarheid. Dit duurde dan ook niet lang. Ik zat in de zykamer, en hy was in de suite … want we hebben een suite. Marie was aan 't breien, en hy zou haar wat vertellen. Ik luisterde aandachtig toe, en toen 't uit was, vroeg ik hem of hy 't boek bezat, waarin het ding stond, dat hy daar zoo-even had opgedeund. Hy zei ja, en bracht het my. Het was een deeltje der werken van zekeren Heine. Den volgenden morgen gaf ik hem—aan Stern, meen ik—de onderstaande:
Beschouwingen omtrent de waarheidsliefde van iemand die het volgend prul van Heine vóórzegt aan een jong meisje dat in de suite zit te breien.
Auf Flügeln des Gesanges,
Herzliebchen, trag ich dich fort,
Herzliebchen? Marie, jouw Herzliebchen? Weten je ouweluî daarvan, en Louise Rosemeyer? Is het braaf, dit te zeggen aan een kind, dat door zoo-iets al zeer ligt ongehoorzaam zou worden aan hare moeder, door zich in het hoofd te halen dat ze mondig is, omdat men haar: Herzliebchen noemt? Wat beduidt dat: voortdragen op je vleugels? Je hebt geen vleugels, en je gezang ook niet. Probeer 't eens over de Lauriergracht, die niet eens heel breed is. Maar al had je vleugels, mag je dan zulke dingen voorstellen aan een meisje dat haar belydenis nog niet gedaan heeft? En al wàs 't kind aangenomen, wat beduidt dat aanbod van wegvliegen samen? Foei!
Fort nach den Fluren des Ganges,
Da weiss ich den schönsten Ort;
Ga er dan alleen heen, en huur er een optrek, maar neem niet een meisje mee, dat haar moeder moet helpen in 't huishouden! Maar je meent het ook niet! Vooreerst heb je nooit den Ganges gezien, en kunt dus niet weten of 't daar goed leven is. Wil ik je eens zeggen hoe de zaken staan? Het zyn alles leugens, die je alleen dáárom vertelt, omdat je in al dat gevèrs je tot slaaf maakt van maat en rym. Als de eerste regel geëindigd was op koek, wyn, kina, zou je aan Marie gevraagd hebben of ze meeging naar Broek, Berlyn, China, en zoo voort. Je ziet dus dat je voorgestelde reisroute niet oprecht gemeend was, en dat alles neerkomt op een laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Hoe zou 't wezen, als Marie nu eens werkelyk lust kreeg om die malle reis te doen? Ik spreek nu nog niet eens van de ongemakkelyke manier die je voorstelt! Maar zy is, den Hemel zy dank, te verstandig om naar een land te verlangen, waarvan je zegt:
Da liegt ein rothblühender Garten
Im stillen mondesschein;
Die Lotosblumen erwarten
Ihr trautes Schwesterlein;
Die Veilchen kichern und kosen,
Und schau'n nach den Sternen empor;
Heimlich erzählen die Rosen
Sich düftende Märchen in 's Ohr.
Wat wou je in dien tuin by maneschyn met Marie uitvoeren, Stern? Is dat zedelyk, is dat braaf, is dat fatsoenlyk? Wil je dat ik beschaamd moet staan, evenals Busselinck & Waterman, met wie geen fatsoenlyk handelshuis iets te doen wil hebben, omdat hun dochter weggeloopen is, en omdat het knoeiers zyn? Wat zou ik moeten antwoorden, als men my op de beurs vroeg, waarom myn dochter zoo lang in dien rooien tuin is gebleven? Want dit begryp je toch, dat niemand me gelooven zou, als ik zei dat zy daar wezen moest om een bezoek te brengen aan de lotusbloemen die, zooals je zegt, haar al lang gewacht hebben. Even zoo zou ieder verstandig mensch my uitlachen, als ik gek genoeg was om te zeggen: Marie is daar in dien rooien tuin waarom rood, en niet geel of paars?—om te luisteren naar 't snappen en giechelen van de viooltjes, of naar de sprookjes die de rozen elkaar heimelyk in 't oor blazen. Al kon zoo iets waar zyn, wat zou Marie er aan hebben, als het toch zoo heimelijk geschiedt, dat zy er niets van verstaat? Maar leugens zyn het, flauwe leugens! En leelyk zyn ze ook, want neem eens een potlood, en teeken een roos met een oor, en zie eens hoe dat er uitziet? En wat beduidt het, dat die Märchen zoo düftend zyn? Wil ik je dat eens zeggen in goed rond hollandsch? Dat wil zeggen dat er een luchtjen is aan die malle sprookjes … zóó is het!
Da hüpfen herbei, und lauschen
Die frommen, klugen Gazellen;
Und in der Ferne rausche
Des heiligen Stromes Wellen…
Da wollen wir niedersinken
Unter den Palmenbaum,
Und Ruhe und Liebe trinken,
Und träumen seligen Traum.
Kan je niet naar Artis gaan—je hebt immers aan je vader geschreven dat ik lid ben?—zeg, kan je niet in Artis terecht, als je dan volstrekt vreemde dieren zien wilt? Moeten het juist die gazellen aan den Ganges wezen, die toch in 't wild nooit zoo goed zyn waartenemen, als in een nette omheining van gekoolteerd yzer? Waarom noem je die dieren vroom en verstandig? Het laatste laat ik gelden—ze maken althans zulke zotte verzen niet—maar: vroom? Wat beteekent dat! Is 't niet misbruik maken van een heilige uitdrukking die alleen mag gebruikt worden voor menschen van 't ware geloof? En dan die heilige stroom? Mag je aan Marie dingen vertellen, die haar tot een heidin zouden maken? Mag je haar doen wankelen in de overtuiging dat er geen ander heilig water is, dan dat van den doop, en geen andere heilige rivier dan de Jordaan? Is dit niet ondermynen van zedelykheid, deugd, godsdienst, christendom en fatsoen?
Denk over dit alles eens na, Stern! Je vader is een achtenswaardig huis, en ik ben zeker dat hy 't goedvindt dat ik zoo op je gemoed werk, en dat hy gaarne zaken doet met iemand die deugd en godsdienst voorstaat. Ja, principes zyn me heilig, en ik heb geen schroom om ronduit te zeggen wat ik meen. Maak dus geen geheim van wat ik je zeg, schryf 't gerust aan je vader dat je hier in een soliede familie bent, en dat ik je zoo op 't goede wys. En vraag jezelf eens af, wat er van je zou geworden zyn, als je by Busselinck & Waterman waart gekomen? Dáár zou je ook zulke verzen opgezegd hebben, en dáár had men niet op je gemoed gewerkt, omdat het knoeiers zyn. Schryf dit gerust aan je vader, want als er principes in 't spel zyn, ontzie ik niemand. Dáár zouden de meisjes met je meegegaan zyn naar den Ganges, en dan lag je daar nu misschien onder dien boom in 't natte gras, terwyl je nu, omdat ik je zoo vaderlyk waarschuwde, hier by ons kunt blyven in een fatsoenlyk huis. Schryf dat alles aan je vader, en zeg hem dat je zoo dankbaar bent dat je by ons zyt gekomen, en dat ik zoo goed voor je zorg, en dat de dochter van Busselinck & Waterman is weggeloopen, en groet hem zeer van my, en schryf dat ik nog 1/16 procent courtage zal laten vallen beneden hun bod, omdat ik geen onderkruipers lyden kan, die een konkurrent het brood uit den mond stelen door gunstiger voorwaarden.
En doe me toch 't genoegen, in je voorlezingen uit Sjaalman's pak, wat meer degelyks te brengen. Ik heb er opgaven gezien van de koffi-produktie der laatste twintig jaren, uit alle residentien op Java: lees zóó-iets eens voor! Zieje, dan kunnen de Rosemeyers, die in suiker doen, eens te hooren krygen wat er eigenlyk omgaat in de wereld. En je moet ook de meisjes en ons allen niet zoo uitmaken voor kannibalen die wat van je hebben opgeslikt … dit is niet fatsoenlyk, myn beste jongen. Geloof toch iemand die weet wat er in de wereld te koop is! Ik heb je vader reeds bediend voor zyn geboorte—zyn firma, meen ik, neen … ònze firma, meen ik: Last & Co—vroeger was het Last & Meyer, maar de Meyers zyn er lang uit—je begrypt dus dat ik 't goed met je meen. En spoor Frits aan, dat hy wat beter oppast, en leer hem geen verzen maken, en houd je alsof je het niet zag, als hy gezichten trekt tegen den boekhouder, en al zulke dingen meer. Geef hem een goed voorbeeld, omdat je zooveel ouder bent, en tracht hem bedaardheid en deftigheid inteprenten, want hy moet makelaar worden.
Ik ben je vaderlyke vriend
Batavus Droogstoppel.
(firma: Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht, N° 37.)
ELFDE HOOFDSTUK
Zoodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken, dat ik dit hoofdstuk als "essentieel" beschouw, omdat het, naar ik meen, Havelaar beter doet kennen, en hy schynt nu toch eenmaal de held van de historie te zyn.
—Tine, wat is dat voor ketimon?[77] Lieve meid, doe nooit plantenzuur by vruchten! Komkommers met zout, ananas met zout, pompelmoes met zout, al wat uit den grond komt, met zout. Azyn by visch en by vleesch … er staat iets van in Liebig …
—Beste Max, vroeg Tine lachend, hoe lang meen je wel dat we hier zyn?
Die ketimon is van mevrouw Slotering.
En Havelaar had moeite zich te herinneren dat hy pas gister was aangekomen, en dat Tine met den besten wil nog niets had kunnen regelen in keuken of huishouding. Hyzelf was reeds lang te Rangkas-Betoeng! Had hy niet den ganschen nacht doorgebracht met lezen in 't archief, en was er niet reeds te veel door zyn ziel gegaan, dat in-verband stond met Lebak, dan dat hy zoo terstond weten kon dat hy eerst sedert gisteren dáár was? Tine begreep dit wel: zy begreep hem altyd!
—Ach ja, dat is waar, zeide hy. Maar toch moet je eens wat van Liebig lezen. Verbrugge, heb jy veel gelezen van Liebig?
—Wie is dat? vroeg Verbrugge.
—Dat is iemand die veel geschreven heeft over 't inleggen van augurken.
Ook heeft hy ontdekt hoe men gras in wol verandert … je begrypt wel?
—Neen, zeiden Verbrugge en Duclari tegelyk.
—Wèl, de zaak zelf was toch altyd bekend: stuur een schaap 't land in … en je zult zien! Maar hy heeft de manier nagespoord, waaròp het geschiedt. Andere wyzen zeggen weer dat hy er weinig van weet. Nu is men bezig met zoeken naar middelen om 't heele schaap in de bewerking overteslaan … O, die geleerden![78] Molière wist het wel … ik houd veel van Molière.[79] Als je wilt, zullen we samen een leerkursus houden, 's avends, een paar maal in de week. Tine doet ook mee, als Max naar bed is.
Duclari en Verbrugge wilden dit gaarne. Havelaar zei dat hy niet veel boeken had, maar daaronder waren toch Schiller, Göthe, Heine, Vondel, Lamartine, Thiers, Say, Malthus, Scialoja, Smith, Shakespeare, Byron …
Verbrugge zei dat hy geen engelsch las.
—Wat drommel, je bent toch over de dertig! Wat heb je dan al dien tyd gedaan? Maar dat moet nogal lastig voor je geweest zyn op Padang, waar zooveel engelsch gesproken wordt. Heb je miss Mata-api[80] gekend?
—Neen, ik ken dien naam niet.
—'t Was ook haar naam niet. We noemden haar zoo, in 1843, omdat haar oogen zoo schitterden. Ze zal wel getrouwd zyn …'t is al zoo lang geleden! Nooit heb ik zoo-iets gezien … ja toch, te Arles … dáár moet je eens heen gaan! Dat is 't schoonste wat ik gevonden heb op al myn reizen. Er bestaat niets, dunkt me, wat je zoo klaar de schoonheid in 't afgetrokkene voorstelt, als zichtbaar beeld van het ware, van 't onstoffelyk-reine, als een schoone vrouw. Gelooft me, gaat eens naar Arles en Nîmes …
Duclari, Verbrugge en—ik moet het erkennen!—ook Tine, konden een luiden lach niet onderdrukken by de gedachte zoo op-eens uit den westhoek van Java overtestappen naar Arles of Nîmes in 't zuiden van Frankryk. Havelaar, waarschynlyk in zyn verbeelding op den toren staande, die door de Saracenen gebouwd is op den omgang van de arena te Arles, had zich eenigszins intespannen, voor hy de oorzaak van dien lach begreep, en toen ging hy voort:
—Nu ja, ik meen … als je daar in de buurt komt. Zóó-iets heb ik nooit ergens meer ontmoet. Ik was gewoon aan teleurstellingen by 't zien van alles wat zoo hoog wordt opgehemeld. Ziet eens, by-voorbeeld, de watervallen waarvan men zooveel spreekt en schryft. Wat my betreft, ik heb weinig of niets gevoeld te Tondano, te Maros, te Schafhausen, by den Niagara. Men moet zyn boekjen inzien om daarby de vereischte maat zyner bewondering by de hand te hebben, over "zóóveel voeten vals" en "zóóveel kubiek-voeten waters in de minuut" en als die cyfers dan hoog zyn, moet men hè zeggen. Ik wil nooit weer watervallen zien, althans niet als ik er een omweg voor moet maken. Die dingen zeggen me niets! Gebouwen spreken me wat luider toe, vooral wanneer 't bladzyden uit de geschiedenis zyn. Maar hierby spreekt een gevoel van heel anderen aard! Men roept de vergangenheid op, en laat de schimmen van 't verledene de revue passeeren. Hieronder zyn zeer afschuwelyke, en dus, hoe belangryk dit soms wezen moog, men vindt in zyn gewaarwordingen niet altyd voldoening voor schoonheidsgevoel … onvermengd althans nooit! En zonder de geschiedenis er byteroepen, is er wel veel schoons in sommige gebouwen, maar 't wordt gewoonlyk bedorven door gidsen—van papier, van vleesch en been …'t komt overeen uit!—gidsen, die je den indruk wegstelen door hun eentonig: "deze kapel is opgericht door den bisschop van Munster in 1423 … de zuilen zyn 63 voeten hoog, en rusten op … ik weet niet wat, en het kan me niet schelen ook. Dat gebabbel is vervelend, want men voelt dat men dan juist drie-en-zestig voet bewondering moet gereed hebben, om niet in de oogen van sommigen doortegaan voor een Vandaal of geschäfts-reiziger … dàt is een ras!
—De Vandalen?
—Neen, die anderen. Nu zou men zeggen, houd dan je gids in den zak, als hy gedrukt is, en laat hem buiten staan of zwygen in 't andere geval, maar behalve dat men werkelyk tot eenigszins juist oordeelen, dikwyls inlichting noodig heeft, zoude men, ook al kon men die inlichting altyd missen, toch te-vergeefs in eenig gebouw iets zoeken, dat langer dan een zeer kort oogenblik beantwoordt aan ons verlangen naar het schoone, omdat het niet beweegt. Dit geldt, geloof ik, ook voor beeldhouwwerk en schilderstukken. Natuur is beweging. Groei, honger, denken, gevoelen, is beweging … stilstand is de dood! Zonder beweging, geen smart, geen genot, geen aandoening! Beproef eens daar te zitten zonder u te verroeren, ge zult zien hoe spoedig je een spook-achtigen indruk maakt op ieder ander, en zelfs op je eigen verbeelding. By 't mooiste tableau vivant verlangt men al gauw naar een volgend nummer, hoe heerlyk ook de indruk was in 't begin. Daar nu onze schoonheidszucht niet voldaan is met één blik op iets schoons, maar behoefte heeft aan een reeks van opvolgende blikken, op de beweging van het schoone, lyden wy aan iets onvoldaans by 't aanschouwen van die soort van kunstwerken, en daarom beweer ik dat een schoone vrouw—mits geen portretschoonheid die stilstaat—het naast komt aan het ideaal van 't goddelyke. Hoe groot de behoefte is aan de beweging die ik bedoel, kan men eenigszins opmaken uit de walging die een danseres veroorzaakt, al ware zy Elssler of Taglioni, wanneer ze na een dans op haar linkerbeen staat en 't publiek toegrynst.
—Dit geldt hier niet, zei Verbrugge, want dat is absoluut leelyk.
—Dat vind ik ook. Maar zy geeft het toch als schoon, en als climax op al 't vorige, waarin werkelyk veel schoons kan geweest zyn. Ze geeft het als de pointe van 't epigram, als 't aux armes! van de marseillaise die zy zong met haar voeten, als 't ruischen van de wilgen op het graf der zoo-even besprongene liefde. O, misselyk! En dat ook de toeschouwers, die gewoonlyk—zooals wy allen, meer of min—hun smaak gronden op gewoonte en navolging, dàt oogenblik beschouwen als het treffendste, blykt hieruit dat men juist dàn uitberst in toejuiching, alsof men wilde te kennen geven: al het vorige was ook wel heel mooi, maar nu kan ik 't waarachtig niet langer uithouden van bewondering!" je zei dat die slot-pose volstrekt leelyk was—ik ook! doch vanwaar komt dit? Het is omdat de beweging ophield, en daarmee de geschiedenis die de danseres verhaalde. Geloof me, stilstand is de dood!
—Maar, bracht Duclari in 't midden, ge hebt ook de watervallen verworpen als uitdrukking van het schoone. Watervallen bewegen toch!
—Ja, maar … zonder geschiedenis! Ze bewegen, maar komen niet van de plaats. Ze bewegen zich als een hobbelpaard, minus nog het va et vient. Ze geven geluid, maar spreken niet. Ze roepen: hrroe.. hrroe … hrroe … en nooit iets anders! Roep jy eens zesduizend jaar, of langer: hrroe, hrroe … en zie eens hoe weinigen je voor een onderhoudend mensch zullen aanzien.
—Ik zal de proef niet nemen, zei Duclari, Maar ik ben het toch nog niet met u eens, dat de door u gevorderde beweging zoo volstrekt noodzakelyk wezen zou. Ik schenk u nu de watervallen, maar een goed schilderstuk kan toch, dunkt me, veel uitdrukken.
—Wel zeker, maar slechts voor één oogenblik. Ik zal trachten myn meening te verklaren door een voorbeeld. Het is van daag 18 Februari …
—Wel neen, zei Verbrugge, we hebben nog Januari …
—Neen, neen, het is heden de 18de Februari 1587, en je bent opgesloten in 't kasteel Fotheringhay …[81]
—Ik? vroeg Duclari, die meende niet goed verstaan te hebben.
—Ja, gy. Ge verveelt u, en zoekt afleiding. Dáár in dien muur is een opening, maar zy is te hoog om er doortezien, en dit wil je toch. Ge zet uw tafel er voor, en daarop een stoel met drie pooten, waarvan één wat zwak, je zag eens op de kermis een akrobaat die zeven stoelen op elkaar zette, en zich zelf daarop met het hoofd naar beneden. Eigenliefde en verveling dringen u iets dergelyks te doen. Ge beklimt waggelend dien stoel … bereikt uw oogmerk … slaat een blik door de opening, en roept: o, god! En je valt! Weet je me nu te zeggen waarom je: o god! riep, en gevallen bent?
—Ik denk dat de derde poot van den stoel brak, zei Verbrugge sententieus.
—Nu ja, die poot brak misschien, maar niet dáárom ben je gevallen. Die poot is gebroken omdat je gevallen bent. Voor elke andere opening had je 't een jaar lang op dien stoel uitgehouden, en nu moest je vallen, al waren er dertien pooten onder dien stoel geweest, ja, al had je op den grond gestaan.
—Ik neem er genoegen mee, zei Duclari. Ik zie dat ge u in 't hoofd hebt gezet, my coûte que coûte te laten vallen. Ik lig daar nu zoo lang ik ben … maar ik weet waarachtig niet waarom?
—Wel, dat is toch zeer eenvoudig! Ge zaagt daar een vrouw, gekleed in 't zwart, die geknield lag voor een blok. En ze boog het hoofd, en blank als zilver was de hals die afstak by 't zwart fluweel. En daar stond een man met een groot zwaard, en hy hield het hoog, en zyn blik staarde op dien blanken hals, en hy zocht den boog dien zyn zwaard beschryven zou, om dáár … dáár, tusschen die wervels heen, te worden doorgedreven met juistheid en kracht … en toen viel je, Duclari. je viel omdat je dat alles zag, en dáárom riep je: o god! Volstrekt niet omdat er maar drie pooten aan je stoel waren. En lang nadat je uit Fotheringhay werd verlost—op voorspraak van je neef, denk ik, of omdat het de menschen verveelde je daar langer onverplicht den kost te geven, als een kanarievogeltje—lang daarna, ja, tot heden toe, droom je wakend van die vrouw, en in je slaap zelfs schrik je op, en valt met zwaren schok neer op je legerstede, omdat je den arm wilt grypen van den beul. Is dit niet waar?
—Ik wil 't wel gelooven, maar bepaald zeker kan ik 't waarlyk niet zeggen, omdat ik nooit te Fotheringhay door een gat in den muur heb gezien.
—Goed, goed! Ik ook niet. Maar nu neem ik een schildery die 't onthoofden van Maria Stuart voorstelt. Laat ons aannemen dat de voorstelling volmaakt is. Daar hangt ze, in vergulden lyst, aan een rood koord als je verkiest … ik weet wat je zeggen wilt, goed! Neen, neen, ge ziet die lyst niet, ge vergeet zelfs dat ge uw rotting hebt afgegeven aan den ingang van de schilderzaal … ge vergeet uw naam, uw kind, het nieuw-model politiemuts, en dus alles, om niet te zien een schildery, maar om werkelyk daarop Maria Stuart te aanschouwen: geheel juist als te Fotheringhay. De beul staat er volkomen zóó als hy werkelyk moet gestaan hebben, ja, ik wil zóóver gaan dat je den arm uitstrekt om den slag afteweren! Zóó ver dat je roept: "laat die vrouw leven, misschien betert zy zich!" je ziet, ik geef je beau jeu wat de uitvoering van 't schilderstuk aangaat …
—Ja, maar wat dan verder? Is dan de indruk niet even treffend, als toen ik 'tzelfde in werkelykheid zag te Fotheringhay?
—Neen, volstrekt niet, en wel omdat je niet waart geklommen op een stoel met drie pooten. Je neemt een stoel—met vier pooten ditmaal, en liefst een fauteuil—je gaat voor de schildery zitten, om goed en lang te genieten—we genieten nu eenmaal by 't aanschouwen van iets akeligs—en welken indruk meent ge dat zy op je maakt?
—Wèl, schrik, angst, medelyden, ontroering … evenals toen ik door de opening van den muur zag. We hebben gesteld dat de schildery volmaakt is, ik moet dus daarvan geheel denzelfden indruk hebben als van de werkelykheid.
—Neen! Binnen twee minuten voel je pyn in je rechterarm, uit sympathie met den beul die zoo lang dat zwaar stuk staal onbewegelyk omhoog moet houden.
—Sympathie met den beul?
—Ja! evenlydendheid, gelykvoeligheid, weetje? En tevens met de vrouw die daar zoo lang in ongemakkelyke houding, en waarschynlyk in onaangename stemming, voor dat blok ligt. Je hebt nog altyd medelyden met haar, maar ditmaal niet omdat ze onthoofd moet worden, maar omdat men haar zoo lang laat wachten vóór ze onthoofd wordt, en als je nog iets zeggen of roepen zoudt, in 't eind—gesteld dat je aandrift voelt je met de zaak te bemoeien—zou 't niets anders wezen dan: "sla toch in-godsnaam toe, man, 't mensch wacht er op!" En wanneer je later die schildery weerziet, en meermalen weerziet, is zelfs reeds je eerste indruk: "is die historie nog niet afgeloopen? Staat hy, en ligt zy daar nòg?"
—Maar wat is dan voor beweging in de schoonheid der vrouwen te Arles? vroeg Verbrugge.
—O, dàt is iets anders! Zy spelen een geschiedenis uit in haar trekken. Karthago bloeit en bouwt schepen op haar voorhoofd … hoor den Hannibals-eed tegen Rome … daar vlechten zy koorden voor de bogen … daar brandt de stad …
—Max, Max, ik geloof waarlyk dat je te Arles je hart verloren hebt, plaagde Tine.
—Ja, voor een oogenblik …maar ik vond het terug: dat zult ge hooren. Verbeeldt u … ik zeg niet, daar heb ik een vrouw gezien, die zóó of zóó schoon was, neen: allen waren zy schoon, en 't was dus een onmogelykheid daar pour tout de bon verliefd te worden, omdat elke volgende weer de vorige uit je bewondering verdrong, en ik dacht daarby waarlyk aan Caligula of Tiberius—van wien vertellen ze 't fabeltje? —die 't heele menschelyk geslacht maar één hoofd toewenschte. Zóó namelyk kwam onwillekeurig de wensch in my op, dat de vrouwen te Arles …
—Maar één hoofd hadden samen?
—Ja …
—Om 't afteslaan?
—Wel neen! Om.. het te kussen op 't voorhoofd, wilde ik zeggen, maar dat is het niet! Neen, om er op te staren, en er van te droomen, en om … goed te zyn!
Duclari en Verbrugge vonden waarschynlyk dit slot weer byzonder vreemd.
Maar Max bemerkte hun verrassing niet, en ging voort:
—Want zóó edel waren de trekken, dat men iets als schaamte voelde, slechts een mensch te wezen, en niet een vonk … een straal—neen, dat waar stof!—een gedachte! Maar … dan zat daar op-eens een broêr of een vader naast die vrouwen, en … godbewaarme, ik heb er een gezien die haar neus snoot!
—Ik wist wel dat je er weer een zwarten streep over halen zou, zei Tine verdrietig.
—Kan ik 't helpen? Ik had ze liever dood zien vallen! Mag zulk een meisje zich profaneeren?
—Maar, mynheer Havelaar, vroeg Verbrugge, als ze nu eens verkouwen is?
—Wèl, ze moest niet verkouwen zyn met zulk een neus!
—Ja, maar …
Alsof 't booze spel sprak, op-eens moest Tine niezen, en … voor ze er aan dacht, had ze haar neus gesnoten!
—Beste Max, wil je er niet boos om worden? vroeg ze met teruggehouden lach.
Hy antwoordde niet. En, hoe gek het schynt of is … ja, hy was er boos om! En, wat óók vreemd klinkt, Tine was bly dat hy boos was, en van haar vergde meer te zyn dan de Phoceesche vrouwen te Arles[82] al was 't dan ook niet omdat ze reden had grootsch op haar neus te wezen.
Als Duclari nog meende dat Havelaar "gek" was, had men 't hem niet ten-kwade kunnen duiden wanneer hy zich in deze meening versterkt voelde, by 't bemerken der korte verstoordheid die er, na en om dat neussnuiten, op Havelaars gelaat te lezen was. Maar deze was teruggekeerd van Karthago, en hy las—met de snelheid waarmee hy lezen kon, als hy niet te ver van-huis was met zyn geest—op de gezichten van zyn gasten, dat zy de twee volgende stellingen opwierpen:
1° Wie niet wil dat zyn vrouw haar neus snuit, is een gek.
2° Wie gelooft dat een in schoone lynen geteekende neus niet mag gesnoten worden, doet verkeerd dit geloof toetepassen op mevrouw Havelaar, wier neus een beetje en pomme de terre is.
De eerste stelling liet Havelaar rusten, maar … de tweede!
—O, riep hy, alsof hy te antwoorden had, schoon zyn gasten te beleefd waren geweest hun stellingen uittespreken, dàt zal ik u verklaren. Tine is …
—Beste Max! zeide zy smeekend.
Dit beteekende: "vertel toch niet aan die heeren waarom ik in uw schatting verheven moest zyn boven verkoudheid!"
Havelaar scheen te verstaan wat Tine meende, want hy antwoordde:
—Goed, kind! Maar weet je wel, heeren, dat men zich dikwyls bedriegt in 't beoordeelen der aanspraken van sommige menschen op stoffelyke onvolkomenheid?
Ik ben zeker dat de gasten nooit van die aanspraken gehoord hadden.
—Ik heb op Sumatra een meisje gekend, ging hy voort, de dochter van een datoe[83] … welnu, ik houd het er voor dat zy op die onvolkomenheid geen recht had. En toch heb ik haar in 't water zien vallen by een schipbreuk … evenals een ander. Ik, een mensch, heb haar moeten helpen om aan land te komen.
—Maar.. had ze dan moeten vliegen als een meeuw?
—Wel zeker, of … neen, ze had geen lichaam moeten hebben. Wilt ge dat ik u vertel hoe ik kennis met haar maakte? 't Was in '42. Ik was kontroleur van Natal … ben je daar geweest, Verbrugge?
—Ja.
—Welnu, dan weet je dat er peperkultuur in 't Natalsche is. De pepertuinen liggen te Taloh-Baleh, benoorden Natal, aan de kust. Ik moest ze inspekteeren, en daar ik geen verstand van peper had, nam ik in de prahoe[84] een datoe mee, die er meer van wist. Zyn dochtertje, toen een kind van dertien jaren, ging mee. We zeilden langs de kust, en verveelden ons …
—En toen hebt ge schipbreuk geleden?
—Wel neen, t was mooi weer, al te mooi. De schipbreuk waarop je doelt, viel veel later voor. Anders zou ik me niet verveeld hebben. Zoo zeilden we langs de kust, en 't was stikheet. Zoo'n prauw biedt weinig gelegenheid tot afleiding, en daarby was ik juist in een verdrietige stemming, waartoe veel oorzaken het hare bydroegen. Ik had, primo, een ongelukkige liefde, ten-tweede, een … ongelukkige liefde, ten-derde … nu ja, nòg iets van dien aard, enz. Och, dat hoort er zoo by. Maar bovendien bevond ik my in een statie tusschen twee aanvallen van eerzucht. Ik had me koning gemaakt, en was weer onttroond. Ik was op een toren geklommen, en weer op den grond gevallen … ik zal nu maar overslaan hoe dat kwam! Genoeg, ik zat daar in die prauw met een zuur gezicht en slecht humeur, en was, wat de Duitschers noemen: ungeniessbar. Ik vond onder anderen dat het niet te-pas kwam my pepertuinen te laten inspekteeren, en dat ik lang had moeten aangesteld zyn tot gouverneur van een zonnestelsel. Hierby kwam het me voor als zedelyke moord, een geest als den mynen in één prauw te zetten met dien dommen datoe en zyn kind.
Ik moet je zeggen, dat ik anders de maleische Hoofden wèl lyden mocht, en goed met hen overweg kon. Zelfs bezitten zy veel dat my hen doet voortrekken boven de javaansche Grooten. Ja, ik weet wel, Verbrugge, dat je dit niet met my eens bent, er zyn slechts weinigen die 't me toestemmen … maar dit laat ik nu dáár.[85]
Als ik dat reisjen op een anderen dag gedaan had—met wat minder muizenesten in 't hoofd, meen ik—zou ik waarschynlyk terstond met dien datoe in gesprek zyn gekomen, en misschien had ik gevonden dat hy myn omgang wel waard was. Wellicht had ik dan ook het meisjen aan 't spreken gebracht, en dit had my misschien onderhouden en vermaakt, want een kind heeft meestal iets oorspronkelyks … schoon ik erkennen moet dat ikzelf toen nog te veel kind was, om belang te stellen in oorspronkelykheid. Thans is dit anders. Nu zie ik in elk meisje van dertien jaren een manuskript waarin nog weinig of niets is doorgestreken. Men verrast den auteur en négligé, en dit is dikwyls aardig.
Het kind reeg kralen aan een snoer, en scheen al haar aandacht daarby noodig te hebben. Drie rooden, één zwarte … drie rooden, één zwarte: 't was mooi!
Ze heette Si Oepi Keteh. Dit beduidt op Sumatra zooveel als: kleine freule … ja, Verbrugge, jy weet het wel, maar Duclari heeft altyd op Java gediend.[86] Ze heette Si Oepi Keteh, maar in myn gedachten noemde ik haar "stumpert" of zoo-iets, omdat ik naar myn schatting zoo hemelhoog boven haar verheven was.
't Werd middag … avend byna, en de kralen werden opgeborgen. Het land schoof langzaam naast ons weg, en kleiner en kleiner werd de Ophir rechts achter ons.[87] Links in 't westen boven de wyde, wyde zee, die geen grens heeft tot waar Madagaskar ligt, en Afrika daar achter, zakte de zon, en liet haar stralen in gedurig stomper buiging kiskassen[88] over de golven, en zy zocht verkoeling in de zee. Hoe drommel was ook weer dat ding?
—Wat voor ding … de zon?
—Ach, neen … ik maakte verzen in die dagen! O, verrukkelyk! Hoor eens:
Ge vraagt waarom toch de O
Die Natals ree bespoelt,
Schoon elders minzaam en gedwee,
Ontstuimig slechts op Natals ree,
Gedurig kookt en woelt?
Ge vraagt, en de arme visschersknaap
Heeft nauw uw vraag verstaan,
Of wenkend met het donker oog,
Wyst hy u aan d'onmeetbren boog
Het verre Westen aan.
Hy wendt den blik van 't donker oog
En staart naar 't Westen heen,
En toont u, daar ge rondsom ziet,
Slechts water, water, in 't verschiet,
En zee, en zee alleen!
En dáárom schuurt hier de Oceaan
Zoo fel het oeverzand:
't Is zee slechts, waar ge rondsom ziet,
En water, water, anders niet,
Tot Madagaskars strand!
En menig offer werd gebracht
Ten zoen voor d'Oceaan!
En menig kreet, in 't nat gesmoord,
Door vrouw, noch kind, noch maag gehoord,
Werd slechts door God verstaan!
En menig hand voor 't laatst gestrekt
Rees opwaarts uit het meer,
En voelde en greep en plaste in 't rond,
En zocht of ze ergens steunsel vond,
En zonk voor eeuwig neer!
En…
—En … en … ik weet de rest niet meer.
—Die is weertevinden door er om te schryven aan Krygsman, uw klerk te
Natal. Hy heeft het, zei Verbrugge.
—Hoe komt hy daaraan? vroeg Max.
—Misschien uit uw papiermand. Maar zeker is 't, dát hy het heeft! Volgt er niet de legende van de eerste zonde, die 't eiland zinken deed waardoor vroeger de reede van Natal werd beschermd? De geschiedenis van Djiwa met de twee broeders?
—Ja, dàt is waar. Die legende … was geen legende. Het was een parabel die ik maakte, en die misschien over een paar eeuwen legende worden zal als Krygsman dat ding wat veel opdeunt. Zóó begonnen alle mythologien. Djiwa is: ziel, zooals je weet, ziel, geest of zoo-iets. Ik maakte er een vrouw van, de onmisbare, ondeugende Eva …
—Wel, Max, waar blyft onze kleine freule met haar kraaltjes? vroeg
Tine.
—De kralen waren opgeborgen. Het was zes uur, en daar onder de evennachtslyn—Natal ligt op weinige minuten noord: als ik over-land naar Ayer-Bangie ging, stapte ik te paard over de linie heen, of nagenoeg …'t was om er over te struikelen, waarachtig!—dáár was zes uur 't sein tot avendgedachten. Nu vind ik dat een mensch 's avends altyd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan 's morgens, en dit is natuurlyk. 's Morgens houdt men zich te-zamen—ik weet wel dat dit een germanismus is, maar hoe moet ik het zeggen in 't hollandsch? —men is … deurwaarder of kontroleur, of … neen, dit is genoeg! Een deurwaarder hält sich zusammen om dien dag eens terdeeg zyn plicht te doen … god, welk een plicht! Hoe moet dat zusammen gehalten hart er uitzien! Een kontroleur—ik zeg dit niet voor u, Verbrugge!—een kontroleur wryft zich de oogen uit, en ziet er tegen op den nieuwen adsistent-resident te ontmoeten, die een bespottelyk overwicht wil aannemen op een paar jaren diensttyd meer, en van wien hy zooveel zonderlings gehoord heeft … op Sumatra. Of hy moet dien dag velden opmeten, en staat in dubio tusschen zyn eerlykheid—jy weet dit zoo niet, Duclari, omdat je militair bent, maar er zyn werkelyk eerlyke kontroleurs! —dan staat hy te waggelen tusschen die eerlykheid en de vrees dat Radhen Dhemang, zóó of zóó hem den schimmel zal terugvragen, die zoo goed telt. Of wel, hy moet dien dag kordaat ja of neen zeggen in antwoord op missive nummer zóóveel. Kortom, 's morgens by 't ontwaken valt je de wereld op 't hart, en dat is zwaar voor een hart, al is het sterk. Maar 's avends heeft men een pauze. Er liggen tien volle uren tusschen nu en 't oogenblik dat men zyn rok weerziet. Tien uren: zes-en-dertig-duizend sekonden om mensch te zyn! Dit lacht ieder toe. Dit is 't oogenblik waarop ik hoop te sterven, om ginder aantekomen met een inofficieel gezicht. Dit is 't oogenblik waarop je vrouw iets weervindt in je gelaat, van wat haar ving toen ze je dien zakdoek behouden liet met een gekroonde E op de punt …
—En toen ze nog 't recht niet had, verkouwen te wezen, zei Tine.
—Ach, plaag me niet! Ik wil maar zeggen dat men 's avends gemütlicher is.
Toen alzoo de zon langzamerhand verdween, ging Havelaar voort, werd ik een beter mensch. En als eerste blyk van die beterschap moge gelden, dat ik tot de kleine freule zei:
"Het zal nu gauw wat koeler worden."
"Ja, toewan!" antwoordde zy.
Maar ik boog myn hoogheid nog dieper tot die "stumpert" neer, en ving een gesprek met haar aan. Myn verdienste was te grooter omdat zy heel weinig antwoordde. Ik had gelyk in al wat ik zei … dat ook al vervelend wordt, al is men nòg zoo verwaand.
"Zou je graag een volgenden keer weer meegaan naar Taloh-Baleh?" vroeg ik.
"Zoo als toewan kommandeur[89] beveelt."
"Neen, ik vraag u of gy zoo'n reisjen aangenaam vindt?"
"Als myn vader het verkiest." antwoordde zy.
Zegt eens, heeren, was 't niet om dol te worden? Welnu, ik werd niet dol. De zon was onder, en ik voelde my gemüthlich genoeg om nòg niet afgeschrikt te worden door zóóveel domheid. Of liever, ik geloof dat ik begon vermaak te scheppen in 't hooren van myn stem—er zyn weinigen onder ons, die niet gaarne luisteren naar zichzelf—maar na myn mutisme van den heelen dag, meende ik, nu ik eindelyk aan 't spreken geraakt was, iets beters te verdienen dan de al te onnoozele antwoorden van Si Oepi Keteh.
Ik zal haar een sprookje vertellen, dacht ik, dan hoor ikzelf het met-een, en ik heb niet noodig dat ze my antwoordt. Nu weet ge dat, even als by het lossen van een schip de laatst ingeladen krandjang suiker[90] 't eerst weer voor den dag komt, ook wy gewoonlyk die gedachte of die vertelling 't eerst lossen, die 't laatst is ingeladen. In het Tydschrift van Nederlandsch Indie had ik kort tevoren een verhaal gelezen van Jeronimus: de Japansche Steenhouwer …
Hoort eens, die Jeronimus heeft lieve dingen geschreven! Hebt ge zyn Vendutie in een sterfhuis gelezen? En zyn: Graven? En, vooral: de Pedatti?[91] Ik zal 't u geven.
Ik dan had pas de Japansche Steenhouwer gelezen. Ach, nu herinner ik my op-eenmaal hoe ik zoo-even verdwaald ben geraakt in dat liedje, waarin ik 't "donker oog" van dien visschersknaap tot scheelwordens toe "rond-om laat dwalen" in één richting … heel gek! Dat was een aaneenschakeling van denkbeelden. Myn verstoordheid van dien dag stond in verband met het gevaarlyke der Natalsche ree … je weet, Verbrugge, dat geen oorlogschip die reede mag aandoen, vooral niet in Juli … ja, Duclari, de westmousson is daar in Juli 't sterkst, juist andersom dan hier.[92] Welnu, 't gevaarlyke van die reede schakelde zich vast aan myn gekrenkte eerzucht, en die eerzucht hangt weer samen met dat liedjen over Djiwa. Ik had den resident herhaaldelyk voorgesteld te Natal een zeewering te maken, of althans een kunsthaven in de monding van de rivier, met het doel om handel te brengen in de Afdeeling Natal, die de zoo belangryke Battahlanden met de zee verbindt. Anderhalf millioen menschen in 't binnenland wisten geen weg met hun produkt, omdat de Natalsche ree—en terecht!—in zulk een slecht blaadje stond. Welnu, die voorstellen waren door den resident niet goedgekeurd, of althans hy beweerde dat de Regeering ze niet zou goedkeuren, en je weet dat behoorlyke residenten nooit iets voorstellen, dan wat ze vooruit kunnen berekenen dat aan 't Gouvernement bevallen zal. Het maken van een haven te Natal streed in principe tegen 't stelsel van afsluiting, en wel verre van schepen daarheen te lokken, was 't zelfs verboden—tenzy in geval van force majeure—raschepen op de reede toetelaten. Als er nu toch een schip kwam—'t waren meestal Amerikaansche walvischvangers, of Franschen die peper hadden geladen in de onafhankelyke rykjes op den noordhoek[93]—liet ik my altyd door den kapitein een brief schryven, waarin hy verlof vroeg om drinkwater intenemen. De verstoordheid over 't mislukken myner pogingen om iets ten-voordeele van Natal te bewerken, of liever de gekrenkte ydelheid … was 't niet hard voor me, nog zoo weinig te beteekenen dat ik niet eens een haven kon laten maken waar ik wilde? Nu, dit alles, in verband met myn kandidatuur voor 't regelen van een zonnestelsel, had me dien dag zoo onbeminnelyk gemaakt. Toen ik door 't ondergaan der zon eenigszins genas—want ontevredenheid is een ziekte—bracht juist die ziekte my den Japanschen Steenhouwer voor den geest, en misschien dacht ik alleen dáárom die geschiedenis overluid, om, mezelf wysmakende dat ik het deed uit welwillendheid voor dat kind, ter-sluik den laatsten druppel intenemen van het drankje dat ik voelde noodig te hebben. Maar zy, dat kind, genas me—voor een dag of wat althans—beter dan myn vertelling, die ongeveer aldus moet geluid hebben:
"Oepi, er was een man die steenen hieuw uit de rots. Zyn arbeid was zeer zwaar, en hy arbeidde veel, doch zyn loon was gering, en tevreden was hy niet.
Hy zuchtte omdat zyn arbeid zwaar was. En hy riep: och, dat ik ryk ware, om te rusten op een baleh-baleh met klamboe van roode zyde.[94]
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy wàs ryk. En hy rustte op een baleh-baleh, en de klamboe was
van roode zyde.
En de koning des lands toog voorby, met ruiters voor zyn wagen. En ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden pajong[95] boven het hoofd van den koning.
En toen de ryke man dit zag, verdroot het hem dat er geen gouden pajong, werd gehouden boven zyn hoofd. En tevreden was hy niet.
Hy zuchtte, en riep: ik wenschte koning te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy wàs koning. En voor zyn wagen reden vele ruiters, en ook waren er ruiters achter zyn wagen, en boven zyn hoofd hield men den gouden pajong.
En de zon scheen met heete stralen, en verbrandde het aardryk, zoodat
de grasscheut dor werd.
En de koning klaagde dat de zon hem schroeide in het gelaat, en macht
had boven hem. En tevreden was hy niet.
Hy zuchtte, en riep: ik wenschte de zon te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy wàs de zon. En hy zond zyn stralen naar boven, en naar beneden,
naar de rechterzyde en naar de linkerzyde, en alom.
En hy verschroeide den grasscheut op het aardryk, en het gelaat der
vorsten die op de aarde waren.
En een wolk stelde zich tusschen de aarde en hem, en de stralen van
de zon stuitten daarop terug.
En hy werd toornig dat zyner macht weerstaan werd, en hy klaagde dat
die wolk machtig was boven hem. En tevreden was hy niet.
Hy wilde de wolk zyn, die zoo machtig was.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy werd een wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde, en
ving de stralen op, zoodat het gras groen werd.
En de wolk regende in groote druppen op het aardryk, en deed de
rivieren zwellen, en banjirs voerden de kudden weg.
En hy verwoestte door veel waters het veld.
En hy viel neer op een rots, die niet week. En hy klaterde in groote
stroomen, maar de rots week niet.
En hy werd toornig omdat de rots niet wyken wilde, en omdat de
sterkte van zyn stroomen ydel was. En tevreden was hy niet.
Hy riep: aan die rots is macht gegeven boven my. Ik wenschte die rots
te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd
hebt.
En hy wèrd rots, en bewoog niet als de zon scheen, en niet als het
regende.
En daar kwam een man met houweel, en met puntigen bytel, en met zwaren hamer, die steenen hieuw uit de rots. En de rots zeide: wat is dit, dat die man macht heeft boven my, en steenen houwt uit myn schoot? En tevreden was hy niet.
Hy riep: ik ben zwakker dan deze … ik wenschte die man te zyn.
En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zy gelyk gy gezegd hebt.
En hy was een steenhouwer. En hy hieuw steenen uit de rots, met zwaren arbeid, en hy arbeidde zeer zwaar voor weinig loons, en hy was tevreden."
—Heel aardig, riep Duclari, maar nu zyt ge ons nog 't bewys schuldig dat die kleine Oepi imponderabel had moeten wezen.
—Neen, ik heb u dat bewys niet beloofd! Ik heb alleen willen vertellen hoe ik kennis met haar maakte. Toen myn verhaaltjen uit was, vroeg ik:
"En jy, Oepi, wat zou jy kiezen, als een engel uit den hemel je kwam vragen wat je begeerde?"
"Voorzeker, mynheer, ik zou hem bidden my meetenemen naar den hemel."
—Is dat niet beeldig? vroeg Tine aan haar gasten, die 't misschien heel gek vonden …
Havelaar stond op, en vaagde iets weg van het voorhoofd.
TWAALFDE HOOFDSTUK
—Beste Max, zei Tine, ons dessert is zoo schraal. Zou je niet … je weet wel … Madame Geoffrin?[96]
—Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben heesch. De beurt is aan Verbrugge.
—Ja, m'nheer Verbrugge! Lost u Max wat af, verzocht mevrouw Havelaar.
Verbrugge bedacht zich even, en begon:
—Er was eens een man, die een kalkoen stal …
—O, deugniet, riep Havelaar, dat heb je van Padang! En hoe is 't verder?
—'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?
—Wèl, ik! Ik heb hem opgegeten, samen met …iemand. Weet je waarom ik te Padang, gesuspendeerd was?
—Men zei dat er een deficit was in uw kas te Natal, hernam Verbrugge.
—Dit was niet geheel onwaar, doch waar was 't ook niet. Ik was te Natal door allerlei oorzaken heel slordig geweest in myn geldelyke verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar dit viel in die dagen zoo dikwyls voor! De omstandigheden in de Noord van Sumatra waren kort na 't innemen van Baroes, Tapoes en Singkel zóó verward, alles was zóó onrustig, dat men het een jong mensch, die liever te-paard zat dan dat hy geld telde of kasboeken byhield, niet kwalyk nemen kon dat alles niet zoo ordelyk en geregeld ging als men zou kunnen vorderen van een amsterdamschen boekhouder die niet anders te doen heeft. De Battahlanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe altyd alles wat in de Battahs gebeurt, terugwerkt op 't Natalsche. Ik sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig by-dehand te zyn, wat dan ook dikwyls noodig was. Daarby heeft het gevaar—eenigen tyd voor myn komst was er een komplot ontdekt, om myn voorganger te vermoorden en opstand te maken—het gevaar heeft iets aantrekkelyks, vooral wanneer men slechts twee-en-twintig jaren oud is. Dit aantrekkelyke maakt dan iemand wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de styve nauwkeurigheid die noodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei gekheden in 't hoofd …
—Traoessa?[97] riep mevrouw Havelaar een bediende toe.
—Wàt hoeft niet?
—Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken … een omelet of zoo-iets.
—Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van myn gekheden begin? je bent ondeugend, Tine! 't Is my wel, maar die heeren hebben ook een stem. Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?
—Dat is een moeielyke pozitie voor een beleefd mensch zei Verbrugge.
—En ook ik zou liever niet kiezen, voegde Duclari er by, want het is hier te doen om een uitspraak tusschen m'nheer en mevrouw, en: entre l'écorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt.
—Ik zal u helpen, heeren, de omelet is …
—Mevrouw, zei de zeer beleefde Duclari, de omelet zal toch wel zooveel waard zyn als …
—Als de historie? Zeker als ze wat waard was! Doch er is een bezwaar …
—Ik wed dat er nog geen suiker in huis is, riep Verbrugge. Och, laat toch by my halen wat ge noodig hebt!
—Suiker is er … van mevrouw Slotering. Neen, daaraan hapert het niet.
Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zyn, maar …
—Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?
—Ik wou dat het waar was! Neen, ze kan niet in 't vuur vallen Ze is …
—Maar, Tine, riep Havelaar, wat is ze dan toch?
—Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles … wezen moesten! Ik heb geen omelet … ik heb niets meer!
—Dan in 's hemelsnaam de historie! zuchtte Duclari met koddige wanhoop.
—Maar koffi hebben we, riep Tine.
—Goed! Koffidrinken in de voorgalery, en laat ons mevrouw Slotering met de meisjes daarby roepen, zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar buiten toog.
—Ik gis dat ze bedanken zal, Max! je weet dat ze ook liever niet met ons eet, en ik kan haar geen ongelyk geven.
—Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel, zei Havelaar, en dat heeft haar afgeschrikt.
—Wel neen, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen hollandsch. Neen, ze heeft my gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blyven voeren, en dit begryp ik heel goed. Weet je nog hoe je myn naam vertaald hebt?
—E.H.V.W: eigen haard veel waard.
—Daarom! Ze heeft groot gelyk. Bovendien, ze komt me wat menschenschuw voor. Verbeeld je dat zy alle vreemden die 't erf betreden, laat wegjagen door de oppassers …
—Ik verzoek om de historie of de omelet, zei Duclari.
—Ik ook! riep Verbrugge. Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben aanspraak op een volledig maal, en daarom eisch ik de geschiedenis van den kalkoen.
—Die heb ik je reeds gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen van den generaal Vandamme, en heb 't opgegeten … met iemand.
—Voor die "iemand" ten-hemel voer, zei Tine schalk.
—Neen, dat is tricheeren: riep Duclari. We moeten weten waarom ge dien kalkoen … weggenomen hebt.
—Wèl, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van den generaal
Vandamme die me gesuspendeerd had.
—Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgenden keer zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge.
—Geloof me, er stak niets meer achter dan dàt. Hy had zeer véél kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur … ik nam er een, en zei tot den man die zich verbeeldde er op te passen: "zeg den generaal dat ik, Max Havelaar, dezen kalkoen neem omdat ik eten wil."
—En dan dat epigram?
—Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?
—Ja.
—Dat had niets met den kalkoen uittestaan. Ik maakte dat ding omdat hy zooveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op Padang zeker zeven of acht die hy met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De adsistent-resident van Padang zelf was gesuspendeerd, en wel om een reden die, naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit opgegevene. Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzekeren kan dat ik alles juist weet, en alleen òverzeg wat men in de chinesche kerk[98] te Padang voor waar hield, en wat dan ook—vooral met het oog op de bekende eigenschappen van den generaal—waar kan geweest zyn.
Hy had, moet ge weten, zyn vrouw getrouwd om een weddingschap te winnen, en daarmee een anker wyn. Hy ging dus dikwyls 's avends uit, om … overal rondteloopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje naby 't meisjesweeshuis zyn inkognito zóó stipt geëerbiedigd hebben, dat hy hem een pak slaag heeft gegeven even als een gewonen straatschender. Niet ver van daar woonde Miss X. Er liep een gerucht dat die Miss 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat … verdwenen was. De adsistent-resident was als hoofd der politie verplicht, en ook inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en schynt van dit voornemen iets gezegd te hebben op een whistparty by den generaal. Doch zie, den volgenden dag ontvangt hy den last zich naar zekere Afdeeling te begeven, welker gezagvoerende kontroleur wegens ware of veronderstelde oneerlykheid geschorst was in zyn beheer, om in loco zekere zaken te onderzoeken en daarvan "te dienen van bericht." Wèl was de adsistent-resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zyn Afdeeling in 't geheel niet aanging, doch daar hy strikt genomen deze opdracht kon beschouwen als een vereerende onderscheiding, en dewyl hy met den generaal op zeer vriendschappelyken voet stond zoodat hy geen oorzaak had aan een valstrik te denken, berustte hy in deze zending, en begaf zich naar ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem bevolen was. Na eenigen tyd keert hy terug, en biedt een verslag aan dat niet ongunstig luidde voor dien kontroleur. Doch ziet, er was gedurende dien tyd op Padang, door 't publiek—dat is: door niemand en iedereen—ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een gelegenheid te scheppen den adsistent-resident van de plaats te verwyderen, ten-einde zyn voorgenomen onderzoek naar de verdwyning van dat kind te voorkomen, of althans te verschuiven tot een tydstip dat die zaak moeielyker zou optehelderen zyn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of dit waar was, doch naar de kennis die ikzelf later van den generaal Vandamme opdeed, komt deze lezing van 't geval my geloofbaar voor. Op Padang was er niemand die hem niet—wat het peil aangaat, waartoe zyn zedelykheid was afgedaald—tot zoo-iets in-staat keurde. De meesten kenden hem slechts één goede hoedanigheid toe, die van onverschrokkenheid in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien heb, van meening ware dat hy après tout een dapper man was, zou dit alleen my bewegen u deze geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, hy had op Sumatra veel laten "sabreeren" doch wie sommige gebeurtenissen van naby gezien had[99] voelde neiging om wat aftedingen op zyn dapperheid, en, hoe vreemd het schyne, ik geloof dat hy zyn krygsmansroem grootendeels te danken had aan de zucht tot tegenstelling, die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne: 't is waar dat Peter of Paul dit, dit of dit is, maar … dàt is hy, dàt moet men hem laten! En nooit kan men zoo zeker zyn geprezen te worden, dan wanneer men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jy, Verbrugge, bent alle dagen dronken …
—Ik? vroeg Verbrugge die een voorbeeld was van matigheid.
—Ja, ik maak je nu dronken, alle dagen! je vergeet je zóó ver, dat Duclari 's avends in de galery over je struikelt. Dit zal hy onaangenaam vinden, maar terstond zal hy zich herinneren iets goeds in je gezien te hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en ik vind je zoo erg … horizontaal, dan zal hy my de hand op den arm leggen, en uitroepen—"och, geloof toch dat hy overigens zoo'n beste brave knappe jongen is!"
—Dat zeg ik tòch van Verbrugge, riep Duclari, al is hy vertikaal.
—Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dikwyls men hoort zeggen: "o, als die man op zyn zaken wilde passen, dàt zou iemand wezen! Maar … en dan volgt het betoog hoe hy niet op zyn zaken past en dus niemand is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook van de dooden verneemt men altyd goede hoedanigheden waarvan we vroeger niets bemerkten. De oorzaak zal wel zyn dat ze niemand in den weg staan. Alle menschen zyn min of meer mededingers. We zouden gaarne èlk ander geheel en in alles onder ons plaatsen. Dit echter te uiten, verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou niemand ons gelooven ook al beweerden wy iets waars. Er moet dus een omweg gezocht worden, en ziet hier hoe we dit doen. Als gy, Duclari, zegt: "de luitenant Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hy is een goed soldaat, ik kan je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat de luitenant Slobkous is … maar een theoretikus is hy niet …
Heb je niet zoo gezegd, Duclari?
—Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien?
—Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem.
—Wèl, ik schep hem, en zeg het.
—Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jy, Duclari, à cheval bent op de theorie. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen onrecht zoo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden onder ons zyn 't slechte zoo na! Laat eens de volmaaktheid nul heeten, en honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan—wy, die dobberen tusschen acht-en negen-en-negentig!—haro te roepen over iemand die op honderd-en-één staat! En nog geloof ik dat velen dien honderdsten graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede eigenschappen, aan moed by-voorbeeld om geheel te zyn wat men is.
—Op hoeveel graden sta ik, Max?
—Ik heb een loep noodig voor de onderdeelen, Tine.
—Ik reklameer, riep Verbrugge—neen, mevrouw, niet tegen uwe nabyheid aan de nul!—neen, maar er zyn ambtenaren gesuspendeerd, er is een kind zoek, een generaal in staat van beschuldiging … ik vraag: la pièce!
—Tine, zorg toch dat er een volgenden keer wat in huis is! Neen, Verbrugge, je krygt la pièce niet, voor ik nog een beetje heb rondgereden op myn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk mensch in zyn medemensch een soort van konkurrent ziet. Men mag niet altyd laken—wat in 't oog vallen zou!—daarom verheffen wy gaarne een goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker openbaring ons eigenlyk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen, zonder den schyn op ons te laden van partydigheid. Als iemand zich by my beklaagt omdat ik gezegd heb: "zyn dochter is zeer schoon, maar hy is een dief" dan antwoord ik: "hoe kan je dáárover zoo boos wezen! Ik heb immers gezegd dat je dochter een lief meisjen is!" Zieje, dat wint dubbel! Wy beiden zyn kruieniers, ik neem hem zyn klanten af, die geen rozynen willen koopen by een dief, en te-gelyker-tyd zegt men van my dat ik een goed mensch ben, omdat ik de dochter prys van een konkurrent.
—Neen, zóó erg is 't niet, zei Duclari, dàt is wat sterk!
—Dit komt u nu zoo voor, omdat ik de vergelyking wat kort en brusk gemaakt heb. We moeten ons dat: "hy is een dief" eenigszins omzwachteld voorstellen. De strekking der gelykenis blyft waar. Wanneer we genoodzaakt zyn iemand zekere eigenschappen toe te kennen die aanspraak geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons genoegen naast die eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van den verschuldigden cyns voor een gedeelte of geheel ontslaat. "Voor zulk een dichter zou men 't hoofd buigen, maar … hy slaat zyn vrouw!"[100] Ziet ge, dan gebruiken wy gaarne de blauwe plekken van die vrouw als voorwendsel om ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons zelfs pleizier dat hy 't mensch slaat, wat toch anders heel leelyk is. Zoodra wy erkennen moeten dat iemand hoedanigheden bezit die hem de eer van een voetstuk waardig maken, zoodra we zyn aanspraken daarop niet langer kùnnen loochenen zonder doortegaan voor onkundig, gevoelloos, of nayverig … dan zeggen we ten-laatste: "goed, zet hem er op!" Maar reeds onder dat opzetten, en als hyzelf nog meent dat we verrukt staan over zyn uitstekendheid, hebben we reeds den strik gelegd in den lazzo die dienen moet om hem by de eerste gunstige gelegenheid naar-beneden te halen. Hoe meer mutatie onder de inhabers der voetstukken, hoe grooter de kans voor anderen om óók eens aan de beurt te komen, en dit is zóó waar dat wy uit gewoonte en tot oefening—even als een jager die op kraaien schiet, welke hy toch liggen laat—ook die standbeelden gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden. Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing in de klacht: "Alexander wàs niet groot … hy was onmatig" zonder dat er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te konkurreeren in wereldverovering.
Hoe dit zy, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen zyn, den generaal Vandamme voor zoo dapper te houden, als zyn dapperheid niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altyd daarby gevoegde: "maar … zyn zedelykheid!" En tevens, dat deze onzedelykheid niet zoo hoog zou opgenomen zyn door de velen die zelf niet zoo onaantastbaar waren op dit stuk, wanneer men ze niet had noodig gehad tot het opwegen tegen zyn roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen.
Één eigenschap bezat hy werkelyk in hooge mate: wilskracht. Wat hy zich voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlyk. Doch—zie je wel dat ik weer terstond de tegenstelling by-de-hand heb?—doch in de keuze der middelen was hy dan ook wat … vry, en, zooals van der Palm—naar ik geloof, ten-onrechte—van Napoléon zeide: "hinderpalen der zedelykheid stonden hem nooit in den weg!" Nu, dan is 't zeker gemakkelyker zyn doel te bereiken, dan wanneer men zich door zoo-iets wèl gebonden acht.
De adsistent-resident van Padang, dan had een bericht uitgebracht, dat gunstig luidde voor dien gesuspendeerden kontroleur, wiens suspensie hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangsche praatjes duurden voort: men sprak nog altyd over 't verdwenen kind. De adsistent-resident voelde zich op-nieuw geroepen die zaak optevatten, maar voor hy iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hy een besluit waarby hy door den Gouverneur van Sumatra's Westkust werd gesuspendeerd "wegens oneerlykheid in ambtsbetrekking." Het heette dat hy uit vriendschap of medelyden de zaak van dien kontroleur, tegen beter weten aan, in een valsch daglicht had gesteld.
Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen, maar ik weet dat de adsistent-resident niet in de minste betrekking met dien kontroleur stond, hetgeen reeds hieruit blykt dat men juist hem had gekozen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hy een achtenswaardig persoon was, en dat ook de Regeering hem hiervoor hield, hetgeen blykt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die kontroleur is later geheel in zyn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die my 't puntdicht ingaf, dat ik op de ontbyttafel van den generaal liet neerleggen door iemand die toen by hem, vroeger by my in dienst was.
Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert,
Jan Schors-al, Gouverneur, de weerwolf onzer dagen,
Had zyn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd…
Als 't niet voor langen tyd finaal reeds ware ontslagen.
—Neem me niet kwalyk, m'nheer Havelaar, ik vind dat zoo-iets niet te pas kwam, zei Duclari.
—Ik ook … maar ik moest toch iets doen! Verbeeld je dat ik geen geld had, niets ontving, en van-dag tot-dag vreesde te sterven van honger, wat dan ook naby genoeg geweest is. Ik had weinig of geen betrekkingen op Padang, en bovendien, ik had den generaal geschreven dat hy verantwoordelyk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, vernemende hoe 't met my gesteld was, my uitnoodigden ten hunnent te komen, maar de generaal verbood dat men my daarheen een pas zou geven. Naar Java vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en misschien ook dáár als men niet zoo bevreesd ware geweest voor den machtigen generaal. Het scheen zyn plan te zyn my te laten verhongeren. Dat heeft negen maanden geduurd!
—En hoe hebt ge u zoolang in 't leven gehouden? Of had de generaal véél kalkoenen!
—O ja! Maar dit hielp me niet … zoo-iets doet men maar ééns, niet waar? Wat ik gedurende dien tyd uitrichtte? Och … ik maakte verzen, schreef komedies … en zoo al voort.
—En was daarvoor op Padang ryst te-koop?
—Neen, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet hoe ik geleefd heb.[101]
Tine drukte hem de hand, zy wist het.
—Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschreven hebben achter op een kwitantie, zei Verbrugge.
—Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen myn pozitie. Er bestond in die dagen een tydschrift, de Kopiist, waarop ik inteekenaar was. Het stond onder de bescherming van de Regeering—de redakteur was ambtenaar by de algemeene Sekretarie[102]—en hierom werden de inteekeningsgelden in 's lands kas gestort. Men bood my een kwitantie van twintig gulden aan. Daar nu dit geld op de bureaux van den Gouverneur moest worden verhandeld, en dus de kwitantie, als zy onbetaald bleef, die bureaux te passeeren had om te worden teruggezonden naar Batavia, maakte ik van die gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteeren tegen myn armoede:
Vingt-florins… quel trésor! Adieu, littérature,
Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin:
Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin,
Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture!
Si j'avais vingt florins je serais mieux chaussé,
Mieux nourri, mieux logé, j'en ferais bonne chère…
Il faut vivre avant tout, soit vie de misère:
Le crime fait la honte, et non la pauvreté!
Maar toen ik later te Batavia by de redaktie van den Kopiist myn twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schynt dat de generaal zelf dat geld voor my betaald heeft, om niet gedwongen te zyn die geillustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia.
—Maar wat deed hy na 't … na 't … wegnemen van dien kalkoen? 't Was toch … een diefstal! En na dat epigram?
—Hy strafte me vreeselyk! Wanneer hy my voor die zaken had laten terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens den Gouverneur van Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goeden wil had kunnen worden uitgelegd als "pooging, tot ondermyning van 't nederlandsch gezag, en aanhitsing, tot opstand" of aan "diefstal op den publieken weg" zou hy getoond hebben een goedhartig mensch te zyn. Maar neen, hy strafte me beter … akelig! Aan den man die op de kalkoenen passen moest, liet hy gelasten voortaan een anderen weg te kiezen. En myn puntdicht … ach, dàt is nog erger zeide niets, en deed niets! Ziet ge, dit was wreed! Hy gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid! O, Duclari … o, Verbrugge …'t was om eens-voor-al te walgen van puntdichten en kalkoenen! Zo weinig aanmoediging dooft de vlam van 't genie uit tot de laatste vonk … inkluzief: ik heb 't nooit weer gedaan!