WeRead Powered by ReaderPub
Max Havelaar / Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy cover

Max Havelaar / Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy

Chapter 22: MAX HAVELAAR."
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A narrated work combines a coffee merchant's first-person frame, satirical scenes, and inserted documents to confront abuses within colonial trade and local administration. Through anecdote, courtroom-like exchanges, and moral invective, it contrasts compassionate individuals with systemic hypocrisy, exposing coercion, corrupt officials, and market distortions. Extended digressions examine economic policy, population theory, currency, agricultural practice, and cultural contact, shifting between storytelling, reportage, and polemic. The result is a hybrid of fiction and essay intended to arouse conscience and press for administrative and moral reform.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK

't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zyn Tine in de voorgalery, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps wendde zy zich naar 't hek, en wees daar met vry hevige gebaren een man terug die even te-voren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zy zich verzekerd had dat hy naar-buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs het grasveld naar Havelaars huis terug.

"Ik wil toch eindelyk eens weten wat dit beduidt!" zei Havelaar, en toen de begroeting voorby was, vroeg hy op schertsenden toon, om haar niet te doen meenen dat hy haar een weinigje gezag misgunde, op een erf dat vroeger 't hare was:

—Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de menschen die 't erf betreden, zoo terugzendt? Als die man van zoo-even nu eens iemand was die kippen te-koop had, of iets anders wat noodig kon zyn voor de keuken?

Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pynlyke trek die niet ontsnapte aan Havelaars blik.

—Ach, zeide zy, er is zooveel slecht volk!

—Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de menschen zoo moeielyk maakt, zullen de goeden ook weg blyven. Komaan, mevrouw, vertel me toch eens ronduit waarom ge zoo streng opzicht houdt over 't erf?

Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in haar vochtig oog. Hy drong iets sterker op verklaring aan … de weduw berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten-huize van het distriktshoofd te Parang-Koedjang vergiftigd was.

—Hy wilde rechtvaardig zyn, m'nheer Havelaar, ging de arme vrouw voort, hy wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking zucht. Hy vermaande en dreigde de Hoofden, in vergaderingen en schriftelyk … ge moet zyn brieven gevonden hebben in 't archief?

Dit was zoo. Havelaar had die brieven gelezen, waarvan afschriften voor my liggen.[149]

—Hy sprak telkens met den resident, vervolgde de weduw, maar altyd vergeefs. Want daar 't van algemeene bekendheid was dat de knevelary plaats had ten-behoeve en onder bescherming van den Regent, wien de resident niet by de Regeering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had myn arme man gezegd dat hy, als er geen verbetering kwam vóór 't einde des jaars, zich rechtstreeks wenden zou tot den Gouverneur-generaal. Dat was in November. Hy ging kort daarna op een inspektiereis, gebruikte het middagmaal ten huize van den Dhemang van Parang-Koedjang, en werd kort daarop in deerniswaarden toestand te-huis gebracht. Hy riep, op de maag wyzende: "vuur, vuur" en weinige uren later was hy dood, hy die altyd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.

—Hebt ge den dokter van Serang laten roepen? vroeg Havelaar.

—Ja, maar hy heeft myn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze kort na zyn komst gestorven is. Ik durfde den dokter myn vermoeden niet meedeelen, omdat ik wegens myn toestand voorzag deze plaats niet spoedig te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gy even als myn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heerschen, en daarom heb ik geen gerust oogenblik. Ik had dit alles voor u willen verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde my dus tot het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben tot de keuken.

Nu werd het Tine duidelyk waarom mevrouw Slotering haar eigen huishouding was blyven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken van de keuken "die toch zoo ruim was."

Havelaar liet den kontroleur roepen. Intusschen richtte hy aan den geneesheer te Serang, een verzoek om opgave der verschynselen by Sloterings dood. Het antwoord dat hy op deze vraag bekwam, was niet in den geest der vermoedens van de weduw. Volgens den arts was Slotering gestorven aan een "abcès in de lever." Het is me niet gebleken of zoodanige kwaal zich zoo kan openbaren op-eenmaal, en den dood veroorzaken in weinige uren? Ik geloof hier te moeten achtslaan op de verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altyd gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zoodanige verklaring—omdat de opvatting van 't begrip: gezondheid, vooral in de oogen van niet-geneeskundigen, zeer onderwerpelyk is—blyft toch de gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een "abcès in de lever" zich gister kon te-paard zetten met het doel om een bergachtige landstreek te inspekteeren die in sommige richtingen twintig uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam geneesheer geweest zyn, en zich niettemin vergist hebben in 't beoordeelen van de verschynselen der ziekte, onvoorbereid als hy was op 't vermoeden van misdaad.[151]

Hoe dit zy, ik kan niet bewyzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was, daar men Havelaar den tyd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te brengen. Doch wel kan ik bewyzen dat zyn omgeving hem voor vergiftigd hield, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zyn zucht om onrecht te-keer te gaan.

De kontroleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg kortaf:

—Waaraan is m'nheer Slotering gestorven?

—Dat weet ik niet.

—Is hy vergiftigd?

—Dat weet ik niet, maar …

—Spreek duidelyk, Verbrugge!

—Maar hy trachtte de misbruiken te-keer te gaan, zooals u, m'nheer
Havelaar, en … en …

—Welnu? Ga voort?

—Ik ben overtuigd dat hy … zou vergiftigd geworden zyn als hy langer hier was gebleven.

—Schryf dat op!

Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. Zyn verklaring, ligt voor my![149]

—Nog iets. Is 't wáár of is 't niet waar dat er gekneveld wordt in Lebak?

Verbrugge antwoordde niet.

—Antwoord, Verbrugge!

—Ik durf niet.

—Schryf 't op, dat je niet durft!

Verbrugge heeft het opgeschreven: het ligt voor my.[149]

—Wèl! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je zei me onlangs, toen er spraak was van vergiftiging, dat je de eenige steun was van je zusters te Batavia, niet waar? Ligt dáárin misschien de oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altyd halfheid noemde?

—Ja!

—Schryf dat op.

Verbrugge schreef het op: zyn verklaring ligt voor my![149]

—'t Is wèl, zei Havelaar, nu weet ik genoeg. En Verbrugge kon gaan.

Havelaar trad naar buiten en speelde met kleinen Max dien hy met byzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond hy 't kind weg en riep Tine in zyn kamer.

—Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenschte dat je met Max naar Batavia ging: ik klaag heden den Regent aan.

En ze viel hem om den hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep snikkende:

—Neen Max, neen Max, dat doe ik niet … dat doe ik niet! Wy eten en drinken tezamen!

Had Havelaar ongelyk toen hy beweerde dat zy evenmin recht had op neussnuiten als de vrouwen te Arles?

Hy schreef en verzond den brief waarvan ik hier een afschrift geef. Nadat ik eenigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk geschreven werd, geloof ik niet noodig te hebben op de kordate plichtsvervulling te wyzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de zachtmoedigheid die Havelaar bewoog den Regent in bescherming te nemen tegen al te zware straf. Doch niet zoo overbodig zal 't wezen, daarby zyn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de pas gedane ontdekking om niet het stellige zyner aanklacht te verzwakken door onzekerheid omtrent een wel belangryke, maar nog onbewezen beschuldiging. Zyn voornemen was, 't lyk van zyn voorganger te doen opgraven en wetenschappelyk onderzoeken, zoodra de Regent zou verwyderd zyn, en diens aanhang onschadelyk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de gelegenheid niet gelaten.[152]

In de afschriften van officieele stukken—afschriften die overigens letterlyk overeenstemmmen met het oorspronkelyke—geloof ik de dwaze titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van den goeden smaak myner lezers verwacht ik dat zy in deze verandering genoegen nemen.

"N° 88. Geheim. Spoed. Rangkas-Betoeng, 24 Februari 1856.

Aan den Resident van Bantam.

Sedert ik voor een maand myn betrekking alhier aanvaardde, heb ik my hoofdzakelyk beziggehouden met het onderzoek naar de wyze waarop de Inlandsche Hoofden zich kwyten van hun verplichtingen jegens de bevolking op het stuk van heerediensten, poendoetan en dergelyke.[153]

Zeer spoedig ontdekte ik dat de Regent op eigen autoriteit, en ten zynen-behoeve, menschen liet opkomen, vèr boven het hem wettig toekomend aantal pantjens en kemits.[154]

Ik weifelde tusschen de keus om terstond officieel te rapporteeren, en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, dien Inlandschen Hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten-einde het tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en te-gelyker-tyd dien ouden dienaar van het Gouvernement niet terstond al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwyls gegeven zyn, en in-verband met de byzondere omstandigheid dat hy bezoek verwachtte van twee verwanten, de Regenten van Bandoeng en van Tjanjor, althans van den laatsten—die, naar ik meen, reeds met groot gevolg op weg is—en hy dus meer dan anders in de verzoeking was—en met het oog op den benarden staat zyner geldmiddelen, als-het-ware in de noodzakelijkheid—om door onwettige middelen te voorzien in de noodige toebereidselen voor dat bezoek.

Dit alles leidde my tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was, doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.

Ik drong aan op dadelyke staking van elke onwettigheid.

Van die voorloopige proeve om den Regent door zachtheid tot zyn plicht te brengen, heb ik u onder'shands doen kennis dragen.[155]

My is echter gebleken dat hy met brutale onbeschaamdheid alles in den wind slaat, en ik gevoel my krachtens myn ambtseed verplicht u meetedeelen:

dat ik den Regent van Lebak, Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara, BESCHULDIG van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over den arbeid zyner onderhoorigen, en VERDENK van knevelary, door het vorderen van opbrengsten in naturâ, zonder, of tegen willekeurig vastgestelde, onvoldoende, betaling; dat ik voorts den Dhemang, van Parang-Koedjang zyn schoonzoon—verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten.

Om beide zaken behoorlyk te kunnen instrueeren, neem ik de vryheid u voortestellen, my te gelasten:

den Regent van Lebak voornoemd, met den meesten spoed naar Serang optezenden, en zorgtedragen dat hy noch voor zyn vertrek, noch gedurende de reize in de gelegenheid zy, door omkooping of op andere wyze te influenceeren op de getuigenissen die ik zal moeten inwinnen;

den Dhemang van Parang-Koedjang voorloopig, in arrest te nemen;

gelyken maatregel toetepassen op zoodanige personen van minderen rang, als, behoorende tot de familie van den Regent, geacht kunnen worden invloed uitteoefenen op de zuiverheid van het intestellen onderzoek;

   4° dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van den uitslag
   te dienen van omstandig bericht.

   Ik neem de vryheid u voorts in overweging te geven, de komst des
   Regents van Tjanjor te kontramandeeren.

Ten-slotte heb ik de eer—ten-overvloede voor u, die de Afdeeling Lebak beter kent dan my nog mogelyk is—de verzekering te geven dat uit een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou beducht zyn als ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige my zeide, poessing is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.[156]

Ik heb de kracht tot den moeielyken plicht dien ik door het schryven van dezen brief volbreng, gedeeltelyk geput uit de hoop dat het my vergund zal wezen ter-zyner-tyd een en ander bytebrengen ter verschooning van den ouden Regent, met wiens pozitie, hoezeer door eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelyden gevoel.

De Adsistent-resident van Lebak

MAX HAVELAAR."

Den volgenden dag antwoordde hem … de resident van Bantam? O neen, de heer Slymering, partikulier!

Dit antwoord is eene kostbare bydrage tot de kennis van de wyze waarop het bestuur in Nederlandsch-Indie wordt uitgeoefend. De heer Slymering beklaagde zich "dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in den brief N° 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven." Natuurlyk omdat er dan meer kans ware geweest op "schipperen" En voorts: "dat Havelaar hem stoorde in zyn drukke bezigheden!"

De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb dien brief voor my liggen en vertrouw myn oogen niet. Ik herlees den brief van den adsistent-resident van Lebak ik plaats hèm en den resident van Bantam, Havelaar en Slymering naast elkander…

* * * * *

Die Sjaalman is een gemeene schooier! Ge moet weten, lezer, dat Bastiaans weer dikwyls niet op 't kantoor komt, omdat hy de jicht heeft. Daar ik nu een gewetenszaak maak van het wegwerpen der fondsen van de firma—Last & Co—want in principes ben ik onwrikbaar, kwam ik eergister op 't denkbeeld dat Sjaalman toch een tamelyk goede hand schryft, en daar hy er zoo armoedig uitziet, en dus voor matig loon wel zou te krygen zyn, begreep ik aan de firma verplicht te wezen, op de goedkoopste wys in de vervanging van Bastiaans te voorzien. Ik ging dus naar de Lange-leidsche-dwarsstraat. De vrouw van den winkel was voor, doch scheen me niet te herkennen, schoon ik haar onlangs heel duidelyk had gezegd dat ik_ m'nheer Droogstoppel was, Makelaar in koffi, van de Lauriergracht_. Er is altyd iets stuitends in dat niet herkennen, maar omdat het nu wat minder koud is, en ik den vorigen keer myn jas met bont aanhad, schryf ik het dááraan toe, en trek 't my niet aan … de beleediging, meen ik. Ik zei dus nogeens, dat ik m'nheer Droogsstoppel was, Makelaar in Koffi van de Lauriergracht, en verzocht haar te gaan zien of die Sjaalman thuis was, omdat ik niet weer zooals onlangs wilde te doen hebben met zyn vrouw, die altyd ontevreden is. Maar die uitdraagster weigerde naar-boven te gaan. "Ze kon niet den heelen dag trappen klimmen voor dat bedelvolk, zeide zy, ik moest maar zelf gaan zien." En daar volgde weer een beschryving van de trappen en portalen, die ik volstrekt niet noodig had, want ik herken altyd een plaats waar ik eens geweest ben, omdat ik altyd zoo op alles acht geef. Dit heb ik my aangewend in de zaken. Ik klom dus de trappen op, en klopte aan de bekende deur, die terugweek. Ik trad binnen, en daar ik niemand in de kamer vond, zag ik eens rond. Nu, veel te zien was er niet. Er hing een half broekje met geborduurde strook over een stoel … wat hoeven zulke menschen geborduurde broekjes te dragen? In een hoek stond een niet zeer zware reiskoffer, dien ik in gedachte aan het hengsel vatte, en op den schoorsteenmantel lagen eenige boeken die ik eens inzag. Een wonderlyke verzameling! Een paar deelen van Byron, Horatius, Bastiat, Béranger, en … raad eens? Een bybel, een kompleete bybel, met de apokriefe boeken er in! Dàt had ik by Sjaalman niet verwacht. En er scheen in gelezen te zyn ook, want ik vond veel aanteekeningen op losse stukken papier, die betrekking hadden op de Schrift—hy zegt dat Eva tweemaal ter-wereld kwam … de man is gek!—nu, alles was van dezelfde hand als de stukken in dat verwenschte pak. Vooral 't boek van Job scheen hy yverig bestudeerd te hebben, want daar gaapten de bladen. Ik denk dat hy de hand des Heeren begint te voelen, en daarom door lektuur in de heilige boeken zich wil verzoenen met God. Ik heb er niets tegen. Maar, zoo al wachtende, viel myn oog op een dames-werkdoosje, dat op tafel stond. Zonder erg bezag ik dat. Er waren een paar half-afgewerkte kinderkousjes in, en een tal van zotte verzen. Ook een brief aan Sjaalmans vrouw, zooals uit het opschrift bleek. De brief was geopend, en zag er uit alsof men hem in drift had saamgeknepen. Nu is myn vast principe, nooit iets te lezen dat niet aan my gericht is, omdat ik dit niet fatsoenlyk vind. Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang by heb. Maar nu kreeg ik een ingeving dat het myn plicht was, dien brief eens intezien omdat de inhoud my misschien zou voorlichten omtrent de menschlievende bedoeling die me tot Sjaalman voerde. Ik dacht er aan, hoe toch de Heer altyd naby de Zynen is, daar Hy me hier onverwachts in de gelegenheid stelde, iets meer van dien man te weten te komen, en me dus behoedde voor 't gevaar een weldaad te bewyzen aan een onzedelyk persoon. Ik let nauwkeurig op zulke vingerwyzingen van den Heer, en dit heeft me dikwyls veel nut in de zaken gedaan. Tot myn groote verwondering zag ik, dat die vrouw van Sjaalman van deftige familie was, althans de brief was geteekend door een bloedverwant, wiens naam in Nederland aanzienlyk is, en ik was inderdaad opgetogen over den schoonen inhoud van dat schryven. Het scheen iemand te zyn, die yverig werkt voor den Heer, want hy schreef "dat de vrouw van Sjaalman zich moest laten scheiden van zulk een ellendeling, die haar armoed liet lyden, die zyn brood niet kon verdienen, die bovendien een schurk was, omdat hy schulden had … dat de schryver van den brief met haar toestand begaan was, hoewel zy zich dat lot had op den hals gehaald door eigen schuld, daar ze den Heer had verlaten, en Sjaalman aanhing … dat ze tot den Heer moest terugkeeren, en dat dan de heele familie misschien de handen zou inéénslaan, om haar naaiwerk te bezorgen. Maar vóór alles moest ze scheiden van dien Sjaalman, die een ware schande was voor de familie."

Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te halen dan er in dien brief stond.

Ik wist genoeg, en was dankbaar dat ik op zoo wonderbare wys was gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing toch ware ik zeker weer 't slachtoffer geworden van myn goed hart. Ik besloot dus nogmaals om Bastiaans maar te houden tot ik een geschikten vervanger vind, want ik zet niet gaarne iemand op-straat, en we kunnen op 't oogenblik geen bediende missen, omdat er zooveel by ons omgaat.

De lezer zal wel nieuwsgierig zyn, te weten hoe ik 't gemaakt heb op den laatsten krans, en of ik den triolet heb gevonden? Ik ben niet op den krans geweest. Er zyn wonderlyke dingen voorgevallen: ik ben naar Driebergen geweest, met myn vrouw en Marie. Myn schoonvader, de oude Last, de zoon van den eersten Last—toen de Meyers er nog in waren, maar die zyn er lang uit—had al zoo dikwyls gezegd, dat hy myn vrouw en Marie eens wilde zien. Nu was 't vry goed weer, en myn vrees voor de liefdegeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht my op-eens weer die uitnoodiging in de gedachten. Ik sprak er over met onzen boekhouder, die een man is van veel ondervinding, en me na ryp beraad in overweging gaf, my op myn plan te beslapen. Dit nam ik terstond voor, want ik ben snel in de uitvoering van myn besluiten. Den volgenden dag reeds zag ik in, hoe wys die raad geweest was, want de nacht had my op het denkbeeld gebracht, dat ik niet beter kon doen dan de beslissing uittestellen tot vrydag. Kortom, na rypelyk alles te hebben overwogen—er was veel vóór, maar ook veel tegen—zyn we gegaan, saturdag-middag, en maandag-morgen teruggekeerd. Ik zou dit alles niet zoo uitvoerig verhalen, als 't niet in nauw verband stond met myn boek. Ten-eerste hecht ik er aan, dat ge zoudt weten, waarom ik niet protesteer tegen de zotternyen die Stern den laatsten zondag zeker weer heeft uitgekraamd.—Wat is dat voor een vertelling, van iemand die wat hooren zou als hy dood was? Marie sprak er van. Ze had het van de Rosemeyertjes, die in suiker doen.—Ten-tweede, omdat ik nu op-nieuw de zekere overtuiging heb opgedaan, dat al die vertellingen over ellende en onrust in den Oost, klinkklare leugens zyn. Zoo ziet men, hoe 't reizen iemand in de gelegenheid stelt, de zaken goed te doorgronden.

Saturdag-avend namelyk, had myn schoonvader een uitnoodiging aangenomen by een heer die vroeger in den Oost resident was, en nu op een groot buiten woont. Dáár zyn we geweest, en waarlyk, ik kan de lieve ontvangst niet genoeg roemen. Hy had zyn rytuig gezonden om ons aftehalen, en de koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te guur om de buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in den zomer, maar in 't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was vol-op van alles wat vermaak geeft: een billardzaal, een bibliotheekzaal, een overdekte yzeren glasgalery als broeikast, en de kakatoea zat op een kruk van zilver.[157] Ik had nooit zoo-iets gezien, en maakte terstond de opmerking, hoe toch altyd goed gedrag beloond wordt. Die man had terdeeg op zyn zaken gepast, want hy had wel drie ridderorden. Hy bezat een heerlyke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. Aan 't souper was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden roode vesten aan, net als de koetsier.

Daar ik veel belang stel in indische zaken—om de koffi—bracht ik dáárop het gesprek, en zag al heel spoedig waaraan ik me te houden had. Die resident heeft me gezegd, dat hy 't in den Oost altyd heel goed heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is aan al die vertellingen over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op Sjaalman. Hy kende hem, en wel van een zeer ongunstige zyde. Hy verzekerde my, dat men zeer goed had gedaan dien man wegtejagen, want hy was een zeer ontevreden persoon, die altyd op alles aanmerking maakte, terwyl er bovendien veel viel aftekeuren in zyn eigen gedrag. Hy schaakte namelyk telkens meisjes, en bracht die dan by zyn eigen vrouw, en hy betaalde zyn schulden niet, wat toch zeer onfatsoenlyk is. Daar ik nu uit den brief dien ik gelezen had, zoo juist wist hoe gegrond al die beschuldigingen waren, deed het me groot genoegen, te zien dat ik de zaken zoo goed beoordeeld had, en was ik zeer tevreden met myzelf. Ik ben hiervoor dan ook bekend by myn pilaar … dat ik altyd zoo juist oordeel, meen ik.

Die resident en zyn vrouw waren lieve, gulle menschen. Ze verhaalden ons veel van hun levenswys in den Oost. Het moet daar toch wel aangenaam wezen. Zy zeiden dat hun buitenplaats by Driebergen niet half zoo groot was als hun "erf", zooals ze dat noemden, in de binnenlanden van Java, en dat daartoe wel honderd menschen noodig waren tot onderhoud. Maar—en dit is wel een bewys hoe bemind ze waren—dat deden die menschen geheel om-niet, en alleen uit genegenheid. Ook verhaalden zy, dat by hun vertrek de verkoop hunner meubelen wel tienmaal meer dan de waarde had opgebracht, omdat de Inlandsche Hoofden zoo graag een aandenken koopen van een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later aan Stern, die beweerde dat het door dwang geschiedde, en dat hy dit uit Sjaalmans pak bewyzen kon.[158] Maar ik heb hem gezegd, dat die Sjaalman een lasteraar is, dat hy meisjes heeft geschaakt—even als die jonge Duitscher by Busselinck & Waterman—en dat ik volstrekt geen waarde hecht aan zyn oordeel, want dat ik nu van een resident zelf had gehoord hoe de zaken stonden, en dus van m'nheer Sjaalman niets te leeren had.

Er waren daar nog meer menschen uit den Oost, onder anderen een heer die heel ryk was, en nog altyd veel geld verdiende aan thee, die de Javanen voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de Regeering van hem koopt voor hoogen prys, om de werkzaamheid van die Javanen aantemoedigen. Ook die heer was zeer boos op al de ontevreden menschen, die gedurig spreken en schryven tegen de Regeering. Hy kon 't bestuur van de kolonien niet genoeg roemen, want hy zei overtuigd te wezen dat er veel verloren werd op de thee die men van hem kocht, en dat het dus een ware edelmoedigheid was, by voortduring een zoo hoogen prys te betalen voor een artikel dat eigenlyk weinig waarde heeft, en dat hyzelf dan ook niet lustte, want hy dronk altyd chinesche thee. Ook zeide hy dat de Gouverneur-generaal die de zoogenaamde theekontrakten had verlengd, in weerwil van de berekening dat er door 't Land zooveel verloren wordt op die zaken, zulk een bekwaam braaf mensch was, en vooral zulk een trouw vriend voor wie hem vroeger gekend hadden. Want die Gouverneur-generaal had zich volstrekt niet gestoord aan de praatjes over 't verlies op de thee, en hem, toen er spraak was van de intrekking dier kontrakten, ik geloof in 1846, een grooten dienst gedaan door te bepalen dat men maar altyd zou voortgaan met het koopen van zyn thee. "Ja, riep hy uit, het hart bloedt me als ik zulke edele menschen hoor lasteren! Als hy er niet geweest was, liep ik nu te-voet met vrouw en kinderen."[159] Toen liet hy zyn barouchet voorkomen, en die zag er zóó keurig uit, en de paarden staken zóó goed in 't vleesch, dat ik best begrypen kan, hoe men gloeit van dankbaarheid voor zulk een Gouverneur-generaal. Het doet inde ziel goed, het oog te vestigen op zoo liefelyke aandoeningen, vooral wanneer men die vergelykt met dat verwenschte morren en klagen van wezens als zoo'n Sjaalman.

Den volgenden dag bracht die resident ons een bezoek terug, en ook die heer voor wien de Javanen thee maken. 't Zyn beste menschen, en toch deftig van belang! Beiden tegelyk vroegen zy met welken trein we dachten aantekomen te Amsterdam? Wy begrepen niet wat dit beteekenen moest, maar later werd het ons duidelyk, want toen we maandagmorgen daar aankwamen, waren er aan de station twee bedienden, één met een rood vest, en één met een geel vest, die tegelyk ons zeiden met den telegraaf last te hebben bekomen, ons aftehalen met rytuig. Myn vrouw was konfuus, en ik dacht er aan, wat Busselinck en Waterman zouden gezegd hebben, als ze dat gezien hadden … dat er twee rytuigen tegelyk voor ons waren, meen ik. Maar 't was niet gemakkelyk een keus te doen, want ik kon niet besluiten een der partyen te krenken, door 't afwyzen van een zoo lieve attentie. Goede raad was duur. Maar ik heb my uit die hoogstmoeielyke omstandigheid alweer gered. Ik heb myn vrouw en Marie in 't roode rytuig gezet—in den wagen van 't rooie vest, meen ik—en ik ben in 't gele gaan zitten … in 't gele rytuig, meen ik.

Wat die paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altyd zoo vuil is, vloog de modder rechts en links huizenhoog, en, alsof weer 't spel sprak, daar liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met gebukt hoofd, en ik zag hoe hy met de mouw van zyn kaal jasje, zyn bleek gelaat trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit geweest, en myn vrouw vond het ook.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK

In 't partikulier briefje dat de heer Slymering aan Havelaar zond, deelde hy dezen mede dat hy in weerwil zyner "drukke bezigheden" den volgenden dag te Rangkas-Betoeng zou komen om te overleggen wat er moest gedaan worden. Havelaar, die maar al te goed wist wat zulke overlegging te beteekenen had—zyn voorganger had zoo dikwyls "geaboucheerd" met den resident van Bantam!—schreef den volgenden brief, dien hy den resident te-gemoet zond opdat deze dien zou gelezen hebben voor hy op de Lebaksche hoofdplaats aankwam. Kommentaar op dit stuk is overbodig.

   "N° 91. Geheim. Spoed. Rangkas-Betoeng, 25 Februari 1856,
                                     desavends te 11 ure.

   Gisteren middag te 12 ure had ik de eer tot u aftezenden myn
   spoedmissive N° 88, houdende in substantie:

dat ik na lang onderzoek, en na vergeefs getracht te hebben den betrokkene door zachtheid terugtebrengen van zyn verkeerdheid, my krachtens myn ambtseed verplicht gevoelde den Regent van Lebak te BESCHULDIGEN van misbruik van gezag, en dat ik, hem VERDACHT hield van knevelary.

Ik was zoo vry in dien brief u voortestellen dat Inlandsch Hoofd naar Serang opteroepen, ten-einde na zyn vertrek en na neutralisatie van den bedervenden invloed zyner uitgestrekte familie[160] een onderzoek te doen instellen naar de gegrondheid myner beschuldiging en van myn vermoeden.

Lang, of juister gezegd veel, had ik nagedacht voor ik daartoe besloot.

Het was u door myn zorg bekend dat ik getracht heb door vermaningen en bedreigingen den ouden Regent voor ongeluk en schande te bewarenen myzelf voor de diepe grieve, daarvan—zy 't dan ook alleen de onmiddelyk voorafgaande oorzaak te zyn.

Doch ik zag aan den anderen kant de sedert jaren uitgezogene, diep gedrukte bevolking, ik dacht aan de noodzakelykheid van een voorbeeld—want vele andere vexatien zal ik u te rapporteeren hebben, als niet ten-minste deze zaak door terugwerking daaraan een eind maakt—en, ik herhaal het, na ryp beraad heb ik gedaan wat ik voor plicht hield.

Op dit oogenblik ontvang ik uwe vriendelyke en geachte partikuliere letteren, houdende mededeeling dat gy morgen hier zult komen, en tevens een wenk dat ik deze zaak liever vooraf partikulier had moeten behandelen.

Morgen dus zal ik de eer hebben u te zien, en het is juist hierom dat ik vryheid neem u dezen te-gemoet te zenden, om vóór die ontmoeting het volgende te konstateeren.

Alles wat ik omtrent de handelingen van den Regent onderzocht, was diep geheim. Alleen hyzelf en de Patteh wisten het, want ik had hem loyaal gewaarschuwd. Zelfs de kontroleur weet nu nog maar ten-deele den uitslag van myn onderzoekingen.[161] Deze geheimhouding had een tweeledig doel. Eerst, toen ik nog hoopte den Regent van zyn weg terugtebrengen, was het om, àls ik slaagde, hem niet te kompromitteeren. De Patteh heeft my namens hem—het was op den 12den dezer—expresselyk voor die diskretie bedankt.[162] Doch later toen ik begon te wanhopen aan den goeden uitslag myner pogingen, of beter, toen de maat myner verontwaardiging door een pas gehoord voorval overliep[163] toen langer zwygen medeplichtigheid worden zou, toen moest die geheimhouding strekken ten-mynen-behoeve, want ook omtrent myzelf en de mynen heb ik plichten te vervullen.

Immers na 't schryven der missive van gister, zou ik onwaardig zyn het Gouvernement te dienen, indien het daarin voorkomende, ydel, ongegrond, uit de lucht gegrepen was. En zoude of zal het my mogelyk wezen te bewyzen dat ik gedaan heb: "wat een goed Adsistent-resident behoort te doen"[164] te bewyzen dat ik niet beneden de betrekking sta die my gegeven is, te bewyzen dat ik niet loszinnig en lichtvaardig zeventien moeielyke dienstjaren op 't spel zet, en wat meer zegt, het belang van vrouw en kind … zal 't my mogelyk zyn dat alles te bewyzen, wanneer niet een diep geheim myn nasporingen verbergt, en den schuldige belet zich, zooals men 't noemt, te dekken?[165]

By de minste verdenking zendt de Regent een expresse naar zyn neef die op-weg is, en die belang heeft by zyn maintien. Hy vraagt, ten-koste van wat ook, geld, deelt het met kwistige hand uit aan ieder dien hy in den laatsten tyd heeft te-kort gedaan, en 't gevolg zou wezen—ik hoop, niet te moeten zeggen: zal wezen—dat ik een lichtvaardig oordeel heb geveld, en kortaf: een onbruikbaar ambtenaar ben, om niet erger te zeggen.

Om my tegen deze eventualiteit te verzekeren, dient dit schryven. Ik heb de meeste hoogachting voor u, maar ik ken den geest dien men "de geest der Oost-Indische ambtenaren" zou kunnen noemen[166] en ik bezit dien geest niet!

Uw wenk dat de zaak vooraf beter partikulier ware behandeld geworden, doet me vreezen voor een abouchement. Wat ik in myn brief van gisteren gezegd heb, is waar. Doch misschien zou het onwaar schynen, wanneer de zaak werd behandeld op een wyze als zou kunnen strekken tot openbaarmaking van myne beschuldiging en van myn vermoeden, voor de Regent van hier verwyderd is.

Ik mag u niet ontveinzen dat zelfs uw onverwachte komst, in verband met de gister door my naar Serang gezonden expresse, my doet vreezen dat de schuldige die vroeger niet wilde toegeven aan myn vermaningen, nu vóór den tyd zal wakker worden en trachten, zoo mogelyk, zich tant soit peu te diskulpeeren.[167]

Ik heb de eer my thans nog letterlyk te gedragen aan myne missive van gister, doch neem de vryheid daarby optemerken dat die missive óók het voorstel inhield: om vóór het onderzoek den Regent te verwyderen, en zyn afhangelingen voorloopig, onschadelyk te maken. Ik vermeen niet verder verantwoordelyk te zyn voor wat ik avanceerde, dan voor-zoover gy mocht gelieven intestemmen met myn voorstel betreffende de wyze van onderzoek, dat is: onpartydig, openlyk, en vooral vry.

Die vryheid bestaat niet voor de Regent verwyderd is, en naar myn bescheiden meening ligt hierin niets gevaarlyks. Hem kan immers gezegd worden dat ik hem beschuldig en verdenk, dat ik gevaar loop, en niet hy, wanneer hy onschuldig is. Want ikzelf ben van oordeel dat ik uit de dienst behoor ontslagen te worden, als er blyken zal dat ik lichtvaardig, of zelfs maar voorbarig heb gehandeld.[168]

Voorbarig! Na jaren, jaren, misbruik!

Voorbarig! Als een eerlyk man slapen kon, en leven en genieten, zoo lang zy voor wier welzyn hy geroepen is te waken, zy die in den hoogsten zin zyn naasten zyn, worden gekneveld en uitgezogen!

Het is waar, ik ben hier kort, doch ik hoop dat de vraag eenmaal wezen zal: wat men gedaan heeft, of men het goed gedaan heeft, niet of men het in te korten tyd heeft gedaan. Voor my is elke tyd te lang die gekenmerkt wordt door afpersing en onderdrukking, en zwaar weegt my de sekonde die door myn nalatigheid, door myn plichtverzuim, door myn "geest van schipperen" in ellende zou doorgebracht zyn.

Ik heb berouw over de dagen die ik heb laten verloopen voor ik u officieel rapporteerde, en ik vraag verschooning voor dat verzuim.

Ik neem de vryheid u te verzoeken my in de gelegenheid te stellen myn schryven van gisteren te rechtvaardigen, en my te vrywaren voor de mislukking myner pogingen om de afdeeling Lebak te bevryden van de wormen die sedert menschen-geheugenis knagen aan haar welvaart.

Het is daarom dat ik op-nieuw zoo vry ben, u te verzoeken myne handelingen ten deze—trouwens alleen bestaande in onderzoek, rapport en voorstel[169]—wel te willen goedkeuren, den Regent van Lebak, zonder voorafgaande direkte of indirekte waarschuwing van hier te verwyderen, en voorts te doen instellen een onderzoek naar hetgeen ik meedeelde in myn schryven van gisteren N° 88.[170]

         De Adsistent-resident van Lebak,

           MAX HAVELAAR"

Deze bede om de schuldigen niet in bescherming te nemen, ontving de Resident onderwege. Een uur na zyn komst te Rangkas-Betoeng legde hy een kort bezoek by den Regent af, en vroeg hem by die gelegenheid: wat hy kon inbrengen tegen den Adsistent-resident? en: of hy, Adhipatti, geld noodig had? Op de eerste vraag antwoordde de Regent: "niets, dat kan ik bezweren!" Op de tweede antwoordde hy toestemmend, waarop de resident hem een paar bankbriefjes gaf, die hy—voor de gelegenheid meegebracht!—uit zyn vestzak haalde. Men begrypt dat dit geheel buiten Havelaar omging, en straks zullen wy te weten komen hoe die schandelyke handelwyze hem bekend werd.[171]

Toen de resident Slymering by Havelaar afstapte, was hy bleeker dan gewoonlyk, en zyn woorden stonden verder van elkander dan ooit. Het was dan ook geen geringe zaak voor iemand die zóó uitmuntte in "schipperen" en jaarlyksche rustverslagen, zoo op-eenmaal brieven te ontvangen waarin geen spoor was, noch van 't gebruikelyk officieel optimismus, noch van kunstige omwending der zaak, noch van vrees voor ontevredenheid van de Regeering over 't "bemoeielyken" met ongunstige berichten. De resident van Bantam was geschrokken, en als men my de onedelheid van 't beeld wil vergeven om-den-wille van de juistheid, heb ik lust hem te vergelyken by een straatjongen die zich beklaagt over verkrachting van voorouderlyke gewoonten, omdat een excentriek kameraadje hem zonder voorafgaande scheldwoorden geslagen heeft.

Hy begon met den kontroleur te vragen waarom deze niet beproefd had Havelaar van zyn aanklacht terugtehouden? De arme Verbrugge, wien de geheele aanklacht onbekend was, betuigde dit, maar vond geen geloof. De heer Slymering kon maar niet begrypen dat iemand, geheel alleen, op eigen verantwoordelykheid en zonder langgerekte overwegingen of "ruggespraken" had kunnen overgaan tot zóó ongehoorde plichtsvervulling. Daar evenwel Verbrugge—volkomen naar waarheid—zyn onbekendheid met de door Havelaar geschreven brieven staande hield, moest de resident na veel uitroepingen van ongeloovige verbazing eindelyk wel toegeven, en hy ging—ik weet niet waarom?—tot het voorlezen van die brieven over.

Wat Verbrugge by 't aanhooren daarvan leed, is moeielyk te beschryven. Hy was een eerlyk man, en zou zeker niet gelogen hebben als Havelaar zich op hem had beroepen om de waarheid van den inhoud der brieven te staven. Maar ook zonder deze eerlykheid, hy had in veel schriftelyke rapporten niet altyd kùnnen vermyden de waarheid te zeggen, ook waar die soms gevaarlyk was. Hoe zou 't zyn, als Havelaar daarvan gebruik maakte?

Na 't voorlezen van de brieven betuigde de resident dat het hem aangenaam wezen zou indien Havelaar die stukken terugnam, om ze te kunnen beschouwen als niet geschreven, hetgeen deze met beleefde vastheid weigerde. Na vergeefs te hebben getracht hem hiertoe te bewegen, zei de resident dat hem niets overbleef dan een onderzoek intestellen naar de gegrondheid van de gedane klachten, en dat hy dus Havelaar verzoeken moest de getuigen te doen oproepen die zyn beschuldigingen konden staven.

Arme lieden die u gewond hadt aan de doornstruiken in den ravyn, hoe angstig zouden uw harten geklopt hebben als ge dezen eisch hadt kunnen hooren!

Arme Verbrugge! Gy, eerste getuige, hoofdgetuige, getuige ex officio, getuige uit kracht van ambt en eed! Getuige, die reeds getuigd hàdt op schrift! Op schrift dat dáár lag, op de tafel, onder Havelaars hand …

Havelaar antwoordde:

"Resident, ik ben adsistent-resident van Lebak, ik heb beloofd de bevolking te beschermen tegen afpersing en geweldenary, ik klaag den Regent aan, en zyn schoonzoon van Parang-Koedjang, ik zal de gegrondheid myner aanklacht bewyzen zoodra me daartoe de gelegenheid wordt gegeven die ik voorstelde in myn brieven, ik ben schuldig aan laster, als myn aanklacht valsch is!"

Hoe ruim Verbrugge ademde!

En hoe vreemd de resident Havelaars woorden vond!

Het onderhoud duurde lang. Met beleefdheid—want beleefd en welopgevoed wàs de heer Slymering—trachtte hy Havelaar te bewegen van zoo verkeerde grondbeginselen aftezien. Maar met even groote beleefdheid bleef deze onverzettelyk. Het slot was dat de resident moest toegeven, en als bedreiging zei, wat voor Havelaar een zegepraal was: dat hy zich dan genoodzaakt vond de bedoelde brieven te brengen onder de aandacht van de Regeering.

De zitting werd opgeheven. De resident bezocht den Adhipatti—we zagen reeds wat hy daar te verrichten had!—en gebruikte daarna 't middagmaal aan den schralen disch der Havelaars. Terstond daarop keerde hy terug naar Serang, met grooten spoed: Omdat. Hy. Het. Zoo. By-zonder. Druk. Had.

Den volgenden dag ontving Havelaar een brief van den resident van Bantam, welks inhoud blykt uit het antwoord dat ik hier afschryf:

"N° 93. Geheim. Rangkas-Betoeng, 28 Februari 1856.

   Ik heb de eer gehad te ontvangen uwe spoedmissive van 26 dezer LaO,
   geheim, houdende hoofdzakelyk mededeeling:

dat gy gronden hadt, niet te treden in de voorstellen, gedaan by myne ambtsbrieven van 24 en 25 dezer, Nrs 88 en 91;

dat gy vooraf vertrouwelyke mededeeling hadt gewenscht;

dat gy niet goedkeurt myne verrichtingen in die beide brieven omschreven;

en ten-slotte van eenige bevelen.

Ik heb thans de eer, gelyk trouwens reeds in de konferentie van eergister mondeling geschiedde, nogmaals en ten-overvloede te verzekeren:

dat ik volkomen eerbiedig de wettigheid van uw gezag, waar het geldt de keuze, al of niet te treden in myn voorstellen;

dat de ontvangen bevelen met stiptheid en des-noods met zelfverloochening, zullen worden nagekomen, als waart gy tegenwoordig, by al wat ik doe en zeg, of juister: by al wat ik niet doe en niet zeg.

Ik weet dat gy op myn loyaliteit ten deze vertrouwt.[172]

Doch ik neem de vryheid ten plechtigste te protesteeren tegen den minsten zweem van afkeuring omtrent éénige handeling, éénig woord, éénige zinsnede, door my in deze zaak verricht, gesproken of geschreven.

Ik heb de overtuiging myn plicht te hebben gedaan, in doel en in wyze van uitvoering, geheel myn plicht, niets dan myn plicht zonder de minste afwyking.

Lang, had ik nagedacht voor ik handelde—dat is: voor ik onderzocht, rapporteerde en voorstelde—en als ik in iets het minste zou gefaald hebben … uit overyling faalde ik niet.

In gelyke omstandigheden zou ik op-nieuw—iets sneller echter —geheel, letterlyk geheel hetzelfde doen en nalaten.

Al ware het zelfs dat een hooger macht dan de uwe iets afkeurde in wat ik deed—behoudens misschien het eigenaardige van myn styl die een deel uitmaakt van myzelf, een gebrek waarover ik zoomin verantwoordelyk ben als een stamelaar voor het zyne—al ware het dat … doch neen, dit kàn niet zyn, maar al ware het zoo: ik heb myn plicht gedaan!

Wel doet het my—zonder bevreemding evenwel—leed, dat gy hierover anders oordeelt—en wat myn persoon aangaat, zou ik terstond berusten in wat my een miskenning toeschynt—doch er is een principe in 't spel, en ik heb gewetensredenen die eischen dat uitgemaakt worde welke meening juist is, die van U of de myne.

Anders dienen dan ik te Lebak diende, kan ik niet. Wenscht dus het Gouvernement anders te worden gediend, dan moet ik als eerlyk man eerbiedig verzoeken my te ontslaan. Dan moet ik op zes-en-dertigjarigen leeftyd trachten op-nieuw een loopbaan aantevangen. Dan moet ik, na zeventien jaren, na zeventien zware moeielyke dienstjaren, na myn beste levenskrachten te hebben ten-offer gebracht aan wat ik voor plicht hield, op-nieuw aan de Maatschappy vragen of ze my brood wil geven voor vrouw en kind, brood in ruil voor myn denkbeelden, brood wellicht in ruil voor arbeid met kruiwagen of spade, als de kracht van myn arm meer waard wordt gekeurd dan de kracht myner ziel.

Maar ik kan en wil niet gelooven dat uwe meening door zyne Excellentie den Gouverneur-generaal gedeeld wordt, en ik ben dus verplicht, vóór ik overga tot het bitter uiterste dat ik neerschreef in de vorige alinea, u eerbiedig te verzoeken aan het Gouvernement voortestellen:

den resident van Bantam aanteschryven, alsnog goedtekeuren de handelingen van den adsistent-resident van Lebak, betrekking hebbende op diens missieves van 24 en 25 dezer, Nis 88 en 91.

Of wel:

genoemden adsistent-resident te roepen ter verantwoording op de door den resident van Bantam te formuleeren punten van afkeuring.

Ik heb de eer u ten-slotte de dankbare verzekering te geven, dat wanneer iets me kon terugbrengen van myn lang doordachte, en bedaard maar vurig aangekleefde principes ten dezen … waarlyk, het zou geweest zyn de heusche innemende wyze waarop gy in de konferentie van eergister die principes hebt bestreden.

      De Adsistent-resident van Lebak,

          MAX HAVELAAR."

* * * * *

Zonder uitspraak te doen omtrent de gegrondheid van het vermoeden der Weduwe Slotering, betreffende de oorzaak die haar kinderen tot weezen maakte, en alleen aannemende wat bewysbaar is, dat er in Lebak nauw verband was tusschen plichtsbetrachting en gif—al bestond dan ook dit verband slechts in meening[173]—zal toch ieder inzien dat Max en Tine kommervolle dagen hadden doortebrengen na 't bezoek van den resident. Ik geloof niet noodig te hebben den angst te schetsen van een moeder die by 't reiken van spys aan haar kind, zich gedurig de vraag moet voorleggen of ze misschien haar lieveling vermoordt? En wèl was het een "afgebeden kind" de kleine Max, die zeven jaar was uitgebleven na 't huwelyk, als wist de schalk dat het geen voordeel was ter-wereld te komen als zoon van zulke ouders!

Negen-en-twintig lange dagen had Havelaar te wachten voor de
Gouverneur-generaal hem meedeelde … doch we zyn nog zoover niet.

Kort na de vergeefsche pogingen om Havelaar te bewegen tot de intrekking zyner brieven, of tot het verraden van de arme lieden die op zyn grootmoedigheid vertrouwd hadden, trad eens Verbrugge by hem binnen. De brave man was doodsbleek, en had moeite te spreken.

—Ik ben by den Regent geweest, zeide hy … dàt is infaam … maar verraad me niet.

—Wat? Wàt moet ik niet verraden?

—Geeft ge my uw woord geen gebruik te maken van wat ik u zeggen zal?

—Weer halfheid, zei Havelaar. Doch … goed! Ik geef myn woord.

En toen verhaalde Verbrugge, wat den lezer reeds bekend is, dat de resident aan den Adhipatti had gevraagd of hy iets wist intebrengen tegen den adsistent-resident, en hem tevens geheel onverwachts geld had aangeboden en gegeven. Verbrugge wist het van den regent zelf, die hem vroeg welke redenen den resident hiertoe konden geleid hebben? Havelaar was verontwaardigd, maar … hy had zyn woord gegeven.

Den volgenden dag kwam Verbrugge terug, en zei dat Duclari hem onder 't oog had gebracht hoe onedel het was, Havelaar, die met zulke tegenstanders te stryden had, zoo geheel alleen te laten, waarop Verbrugge dezen kwam ontheffen van zyn gegeven woord.

—Goed! riep Havelaar, schryf het op!

Verbrugge schreef het op. Ook die verklaring ligt voor my.[174]

De lezer heeft immers reeds lang ingezien waarom ik zoo gemakkelyk afstand kon doen van alle aanspraken op juridieke echtheid der geschiedenis van Saïdjah?

Het was zeer treffend optemerken hoe de beschroomde Verbrugge—vóór de verwyten van Duclari—op Havelaars woord durfde bouwen in een zaak die zoo noopte tot woordbreuk!

En nog iets. Er zyn sedert de gebeurtenissen die ik verhaal, jaren verloopen. Havelaar heeft in dien tyd veel geleden, hy heeft zyn gezin zien lyden—de geschriften die voor my liggen, getuigen daarvan!—en 't schynt dat hy gewacht heeft … ik geef de volgende aanteekening van zyn hand:

"Ik heb in de nieuwsbladen gelezen dat de heer Slymering benoemd is tot ridder van den Nederlandschen Leeuw. Hy schynt thans resident van Djokjakarta te wezen. Ik zou dus nu op de Lebaksche zaken kunnen terugkomen zonder gevaar voor Verbrugge."

TWINTIGSTE HOOFDSTUK

't Was avend. Tine zat te lezen in de binnengalery, en Havelaar teekende een borduurpatroon. Kleine Max tooverde een legprent in elkaar, en maakte zich driftig omdat hy niet vinden kon: "het rooie lyf van die mevrouw."

—Zou 't nu zóó goed wezen, Tine? vroeg Havelaar. Kyk, ik heb dien palm wat grooter gemaakt … 't is nu juist the line of beauty van Hogarth, niet waar?

—Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.

—Zoo? En die anderen strooken dan? Max, laat me je broekjen eens zien! Ei, heb je die strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd hebt, Tine!

—Ik niet. Waar dan?

—'t Was in den Haag, toen Max ziek was en we zoo geschrokken waren omdat de dokter zei dat hy een zoo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er zooveel zorg vereischt werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen, juist in die dagen was je bezig aan die strook.

Tine stond op, en kuste den kleine.

—Ik hèb haar buik, ik hèb haar buik! riep 't kind vroolyk, en de rooie mevrouw was kompleet.

—Wie hoort daar een tontong slaan? vroeg de moeder.[175]

—Ik, zei kleine Max.

—En wat beduidt dat?

—Bedtyd! Maar … ik heb nog niet gegeten.

—Eerst kryg je eten, dat spreekt vanzelf.

En ze stond op, en gaf hem zyn eenvoudig maal dat ze uit een goed gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het knippen van vele sloten gehoord.

—Wat geef je 'm daar? vroeg Havelaar.

—O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de suiker is altyd achter slot geweest.

Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren afgebroken.

—Weet je wel, ging hy voort, dat wy de rekening van dien dokter nog niet betaald hebben … o, dat is zeer hard?

—Lieve Max, we leven hier zoo spaarzaam, weldra zullen wy alles kunnen afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles geregeld in weinig tyds.

—Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt, zei Havelaar. Ik zou zoo heel ongaarne Lebak verlaten … dit zal ik je uitleggen. Geloof je niet dat we nog meer van onzen Max hielden na zyn ziekte? Nu, zóó ook zal ik dat arme Lebak liefhebben na de genezing van den kanker waaraan 't lydt sedert zooveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan den anderen kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben …

—Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je later Lebak helpen als je Gouverneur-generaal bent.

Daar kwamen woeste strepen in Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar …

Tine begreep dat ze iets miszegd had.

—Lieve Max … begon ze vriendelyk.

—Vervloekt! Wil je die stumperts zóó lang laten hongeren? Kan jy leven van zand?

—Lieve Max!

Maar hy sprong op. Er werd niet meer geteekend, dien avend. Hy ging toornig op-en-neer in de binnengalery, en eindelyk sprak hy op een toon die ruw en hard zou geklonken hebben aan iederen vreemde, doch door Tine heel anders werd opgevat:

—Vervloekt die lauwheid, die schandelyke lauwheid! Daar zit ik nu sedert een maand te wachten op recht, en intusschen wordt er vreeselyk geleden door dat arme volk. De Regent schynt er op te rekenen dat niemand hem aandurft! Zie …

Hy ging in zyn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een brief die voor me ligt, lezer!

—Zie, in dezen brief durft hy me voorstellen doen over de soort van arbeid dien hy wil laten verrichten door de menschen die hy onwettig heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vèr gedreven?[176] En weet je wie dat zyn? Dat zyn vrouwen met kleine kinderen, met zuigelingen, zwangere vrouwen die van Parang-Koedjang zyn gedreven naar de hoofdplaats om voor hèm te werken! Mannen zyn er niet meer! En ze hebben niets te eten, en ze slapen op den weg, en eten zand! Kan jy zand eten? Moeten ze zand eten tot ik Gouverneur-generaal ben? Vervloekt!

Tine wist zeer goed op wien Max eigenlyk boos was, als hy zoo sprak tot haar die hy zoo liefhad.

—En, ging Havelaar voort, dat loopt alles ter myner verantwoording! Als er op dit oogenblik van die arme wezens ronddwalen daar buiten … als zy 't schynsel zien van onze lampen, zullen zy zeggen: "daar woont de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hy rustig by vrouw en kind, en teekent borduurpatroontjes, en wy liggen hier als boschhonden op den weg verhongeren met onze kinderen!" Ja, ik hoor het wel, ik hoor het wel, dat roepen om wraak over myn hoofd! Hier, Max, hier!

En hy kuste zyn kind met een wildheid die 't verschrikte.

—Myn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen moed had om recht te doen … dat er zooveel moeders zyn gestorven door myn schuld … als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader den zegen wegstal van je hoofd … o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!

En hy berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zy bracht daarop kleinen
Max naar zyn bedjen—een stroomat—en toen ze terugkwam, vond ze
Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoo-even waren binnen
getreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de
Regeering.

—Ik begryp zeer goed dat de resident in een moeielyken toestand is, zei Duclari. Hy kan 't Gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw voorstellen, want dan zou er te veel aan den dag komen. Ik ben reeds lang in 't Bantamsche, en weet er veel van, meer nog dan uzelf, m'nheer Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan komt men zaken te weten die de inlander zoo niet durft zeggen aan de ambtenaren. Maar als nu na een openlyk onderzoek dat alles aan den dag komt, zal de Gouverneur-generaal den resident ter verantwoording roepen, en hem afvragen hoe 't komt dat hy in twee jaren niet ontdekt heeft, wat u terstond in 't oog is gevallen? Hy moet dus natuurlyk trachten zoodanig onderzoek te verkomen …

—Ik heb dit ingezien, antwoordde Havelaar, en, wakker gemaakt door zyn poging om den Adhipatti te bewegen iets tegen my intebrengen—hetgeen schynt aantetoonen dat hy beproeven wil de kwestie te verleggen, door by-voorbeeld my te beschuldigen van … ik weet niet wat—heb ik me hiertegen gedekt door afschriften van myn brieven rechtstreeks aan de Regeering te zenden. In een daarvan komt het verzoek voor, ter verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht worden voorgegeven dat ik iets misdaan had. Als nu de resident my aantast, kan daarop in gewone billykheid geen beslissing worden genomen zonder dat men my vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger schuldig, en daar ik niets misdaan heb …

Daar komt de post aan! riep Verbrugge.

Ja, 't was de post! De post, die den volgenden brief meebracht van den Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie aan den gewezen adsistent- resident van Lebak, Havelaar.

   "Kabinet. N° 54. Buitenzorg, 23 Maart 1856.

De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of vooronderstelling van kwade praktijken van de Hoofden in de afdeeling Lebak, en de houding daarbij door u tegenover uwen Chef, den Resident van Bantam, aangenomen, hebben in hooge mate mijne ontevredenheid verwekt.

In uwe bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg, beleid en voorzichtigheid, zoo zeer vereischt in eenen ambtenaar met uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (sic) als begrippen van ondergeschiktheid aan uwen onmiddelijken superieur.

Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (sic) den Resident, het hoofd van het Inlandsch Bestuur te Lebak te maken tot het doelwit van bezwarende onderzoekingen.

In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uwe beschuldigingen tegen dat Hoofd door feiten, veel minder bewijzen te staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een Inlandsch Ambtenaar van de stempel van den Regent van Lebak, een zestigjarigen doch nog ijverigen Landsdienaar, aan naburige aanzienlijke Regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wien steeds gunstige getuigenissen waren uitgebracht, aan eene hem moreel geheel vernietigende bejegening te onderwerpen.

Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw voorstellen gereedelijk gevolg te geven geweigerd aan het billijk verlangen van uwen Chef te voldoen om volle opening te geven van hetgeen u omtrent de handelingen van het Inlandsch Bestuur te Lebak, bekend was.

Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk gelooven aan ongeschiktheid voor het bekleeden eene betrekking bij het Binnenlandsch Bestuur.

Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der betrekking van Adsistent-resident van Lebak te ontheffen.

Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u het uitzicht op eene wederplaatsing bij het Binnenlandsch Bestuur te benemen. Ik heb u daarom voorloopig belast met de waarneming der betrekking van Adsistent-resident van Ngawi.

Van uwe verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen of gij bij het Binnenlandsch Bestuur zult kunnen geplaatst blijven."

En daaronder stond de naam van den man, op wiens "yver, bekwaamheid en goede trouw" de Koning zeide te kunnen staat-maken, toen hy diens benoeming tot Gouverneur-generaal van Nederlandsch Indie onderteekende. [177]

—We gaan van hier, beste Tine, zei Havelaar gelaten, en hy reikte den kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las tezamen met Duclari.

Verbrugge had tranen in de oogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer beschaafd mensch, berstte in een wilden vloek uit:

—G………. ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien … ze zyn in eere van hier gegaan, en men schryft aan U zulk een brief!

—'t Is niets, zei Havelaar, de Gouverneur-generaal is een eerlyk man: hy moet bedrogen zyn … hoewel hy zich tegen dat bedrog had kunnen hoeden door my eerst te hooren. Hy is verstrikt in 't web van de buitenzorgsche ambtenary. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem aantoonen hoe hier de zaken staan. Hy zal recht doen, ik ben er zeker van!

—Maar, als ge naar Ngawi gaat …

—Juist, ik weet dit! Te Ngawi is de Regent verwant aan het Djokjasche hof. Ik ken Ngawi, want ik was twee jaar lang in de Baglen, dat in de buurt is.[178] Ik zou te Ngawi hetzelfde moeten doen wat ik hier gedaan heb: dat zou nutteloos heen-en-weer reizen zyn. Bovendien, 't is my onmogelyk dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had! En eindelyk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei, geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tusschen de Regeering en my te veel personen die belang hebben by 't loochenen der ellende van de bevolking. Er zyn nog meer redenen die my beletten naar Ngawi te gaan. Die plaats was niet vakant … ze is voor my open gemaakt, kyk!

En hij toonde in de Javasche Courant die met dezelfde post was aangekomen, dat inderdaad by 'tzelfde besluit der Regeering waarby hem het Bestuur van Ngawi werd opgedragen, de adsistent-resident van die provincie verplaatst werd naar een andere afdeeling die vakant was.

—Weet ge waarom ik juist naar Ngawi moet, en niet naar die vakante afdeeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van Madiven, waaronder Ngawi behoort, is de schoonbroeder van den vorigen resident van Bantam. Ik heb gezegd dat de Regent vroeger zulke slechte voorbeelden had gehad …

—Ah, riepen Verbrugge en Duclari tegelyk. Ze begrepen waarom Havelaar juist naar Ngawi verplaatst werd om op de proef te dienen, of hy zich misschien beteren zou!

—En om nòg een reden kan ik niet daarheen gaan, zeide hy. De tegenwoordige Gouverneur-generaal zal spoedig aftreden … zyn opvolger ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt.[179] Om dus nog tydig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik den tegenwoordigen Gouverneur spreken voor zyn vertrek, en als ik nu naar Ngawi ging, zou dat onmogelyk wezen. Tine, hoor eens!

—Lieve Max?

—Je hebt moed, niet waar?

—Max, je weet dat ik moed heb … als ik by je ben!

—Welnu!

Hy stond op, en schreef 't volgend rekwest, naar myn inzien een voorbeeld van welsprekendheid.

                          "Rangkas-Betoeng, 29 Maart 1856.

   Aan den Gouverneur-Generaal    van Nederlandsch-Indie.

   Ik had de eer te ontvangen uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23
   dezer, N° 54.

   Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te
   verzoeken my te verleenen een eervol ontslag uit 's Lands dienst.[180]

MAX HAVELAAR."

Er was te Buitenzorg tot het verleenen van 't gevraagd ontslag niet zoo langen tyd noodig als er scheen vereischt geweest te zyn voor de beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een maand gevorderd, en 't gevraagd ontslag kwam binnen weinig dagen te Lebak aan.

—Goddank, riep Tine, dat je eindelyk jezelf kunt zyn!

Havelaar ontving geen last om 't Bestuur zyner Afdeeling voorloopig overtegeven aan Verbrugge, en meende dus zyn opvolger te moeten afwachten. Deze bleef lang uit omdat hy uit een geheel anderen hoek van Java komen moest. Na byna drie weken wachtens schreef de gewezen adsistent-resident van Lebak, die echter nog altyd als zoodanig was opgetreden, den volgenden brief aan den kontroleur Verbrugge:

"N° 153 Rangkas-Betoeng, 15 April 1856.

    Aan den Kontroleur van Lebak.[181]

   Het is u bewust dat ik by Gouvernements Besluit van den 4den dezer,
   N° 4, op myn verzoek eervol ben ontslagen uit 's Lands dienst.

Misschien ware ik in myn recht geweest, na de ontvangst van die beschikking myn betrekking van adsistent-resident terstond neerteleggen, daar het een anomalie schynt een funktie te vervullen zonder ambtenaar te wezen.

Ik ontving evenwel geen aanschryving om myn betrekking overtegeven, en gedeeltelyk uit besef van de verplichting myn post niet te verlaten zonder behoorlyk afgelost te zyn, gedeeltelyk uit oorzaken van ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van myn opvolger af, in de meening dat die ambtenaar spoedig—althans deze maand—zou arriveeren.

Thans verneem ik van u dat myn vervanger nog niet zoo spoedig kan verwacht worden—ge hebt, meen ik, die tyding te Serang gehoord—en tevens dat het den resident verwonderde dat ik, in de zeer byzondere pozitie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het Bestuur aan u te mogen overdragen.

Niets kon my aangenamer zyn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan ik hier deed … ik die voor deze wyze van dienen ben gestraft met berisping, met een ruïneuze en deshonorante overplaatsing … met den last om de arme lieden te verraden die op myn loyauteit vertrouwden —met de keus alzoo tusschen oneer en broodsgebrek!—dat ik na dit alles met moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan myn plicht, en dat de eenvoudigste zaak my zwaar viel, geplaatst als ik was tusschen myn geweten en de principes van 't Gouvernement waaraan ik trouw schuldig ben zoolang ik niet ontheven ben van myn ambt.

Deze moeielykheid openbaarde zich vooral by 't antwoord dat ik geven moest aan klagers.

Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rankune zyner hoofden! Eenmaal had ik—onvoorzichtig genoeg!—myn woord ten borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't Gouvernement.

De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met myn zucht voor recht en menschelykheid.

En men ging met klagen voort!

Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 Maart, dáár te zitten als vermeende toevlucht, als machtelooze beschermer.