Het was hartverscheurend de klachten aantehooren over mishandeling, uitzuiging, armoede, honger … terwyl ikzelf nu met vrouw en kind honger en armoede te-gemoet ga.
En ook 't Gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme lieden niet zeggen: "gaat en lydt, want het Bestuur wil dat gy gekneveld wordt!" Ik mocht myn onmacht niet erkennen, één als ze was met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van den Gouverneur-generaal.
Ziehier wat ik antwoordde:
"Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik zal den Grooten-Heer spreken over uw ellende. Hy is rechtvaardig, en hy zal u bystaan. Gaat voorloopig rustig naar huis …verzet u niet …verhuist nog niet … wacht geduldig: ik denk, ik … hoop dat er recht zal geschieden!"
Zóó meende ik, beschaamd over de schending myner toezegging van hulp, myn denkbeelden in overeenstemming te brengen met myn plicht omtrent het Bestuur dat my nog deze maand betaalt, en ik zou aldus tot de komst van myn opvolger zyn voortgegaan, indien niet een byzonder voorval my heden in de noodzakelykheid bracht aan die dubbelzinnige verhouding een eind te maken.
Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zy keerden naar hun woonstede terug. Onder-weg ontmoet hen hun dorpshoofd. Hy moet ze verboden hebben hun kampong weder te verlaten, en nam ze—naar men my rapporteert—hun kleederen af, om hen te dwingen tehuis te blyven. Één hunner ontsnapt, vervoegt zich weder by my en verklaart: niet naar zyn dorp te durven terugkeeren.
Wat ik nu dien man moet antwoorden, weet ik niet!
Ik kan hem niet beschermen … ik mag hem myn onmacht niet bekennen … ik wil 't aangeklaagd dorpshoofd niet vervolgen, daar zulks den schyn zou meebrengen alsof deze zaak pour le besoin de ma cause door my was opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen …
Ik belast u, onder nadere goedkeuring des Residents van Bantam, vanaf morgen-ochtend met het bestuur der afdeeling Lebak.
De Adsistent-resident van Lebak,
MAX HAVELAAR."
Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van Rangkas-Betoeng. Hy weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd by 't afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hy op de eerste wisselplaats eene talryke menigte vond, die weggeslopen was uit Rangkas-Betoeng om hem daar te begroeten voor het laatst.
Te Serang stapte de familie by den heer Slymering af, die haar met de gewone indische gastvryheid ontving.[182]
's Avends kwam er veel bezoek by den resident. Men zeide zoo beteekenisvol mogelyk, gekomen te zyn om Havelaar te begroeten, en Max ontving menig welsprekenden handdruk …
Maar hy moest naar Batavia om den Gouverneur-generaal te spreken …
Dáár aangekomen, liet hy om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd omdat er een fytzweer was aan den voet van zyn Excellentie.
Havelaar wachtte tot die fytzweer genezen was. Toen liet hy andermaal verzoeken gehoord te worden.
Zyn Excellentie "had het zoo druk dat zy zelfs aan den Direkteur-generaal van financien een audientie had moeten weigeren" en kon dus ook Havelaar niet ontvangen.
Havelaar wachtte tot zyn Excellentie zou heengeworsteld zyn door die drukte. Intusschen voelde hy iets als nayver op de personen die aan zyn Excellentie waren toegevoegd in den arbeid. Want hy werkte gaarne snel en veel, en gewoonlyk smolten zulke "drukten" weg onder zyn hand. Hiervan echter was nu natuurlyk geen spraak. Havelaars arbeid was zwaarder dan arbeid: hy wachtte!
Hy wachtte. Eindelyk liet hy op-nieuw verzoeken om gehoord te worden. Men gaf hem ten-antwoord "dat zyn Excellentie hem niet kon ontvangen, wyl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand vertrek."
Max beval zich aan in de gunst van zyn Excellentie om één half uur gehoor, zoodra er een kleine ruimte wezen zou tusschen twee "drukten."
Eindelyk vernam hy dat zyn Excellentie den volgenden dag vertrekken zou! Dit was hem een donderslag. Nog altyd hield hy zich krampachtig vast aan 't geloof dat de aftredende Landvoogd eerlyk man, en … bedrogen was.[183] Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om derechtvaardigheid zyner zaak te bewyzen, en dit vierendeel uurs scheen men hem niet te willen geven.
Ik vind onder Havelaars papieren de minuut van een brief dien hy aan den aftredenden Gouverneur-generaal schynt geschreven te hebben op den laatsten avend voor diens vertrek naar 't moederland. Op den rand staat met potlood aangeteekend: "niet juist" waaruit ik opmaak dat sommige zinsneden by 't afschryven veranderd zyn. Ik doe dit opmerken, om niet uit het gemis aan letterlyke overeenstemming van dit stuk, twyfel te doen geboren worden aan de echtheid der andere officieele stukken die ik meedeelde, en die allen door een vreemde hand voor eensluidend afschrift zyn geteekend. Misschien heeft de man aan wien deze brief gericht was, lust den volkomen-juisten tekst daarvan publiek te maken.[184] Men zou door vergelyking kunnen zien hoever Havelaar is afgeweken van zyn minuut. Zakelyk korrekt was de inhoud aldus:
"Batavia, 23 Mei 1856.
Excellentie! Myn ambtshalve by missive van 28 Februari gedaan verzoek om aangaande de Lebaksche zaken te worden gehoord, is zonder gevolg gebleven.
Evenzoo heeft Uwe Excellentie niet gelieven te voldoen aan myn herhaalde verzoeken om audientie.
Uwe Exellentie heeft dus een ambtenaar die gunstig by het Gouvernement bekend stond—dit zyn uwer Excellentie's eigen woorden!—iemand die zeventien jaren het Land in deze gewesten diende, iemand die niet alleen niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede beoogde en voor eer en plicht alles veil had … zóó iemand heeft Uwe Excellentie gesteld beneden den misdadiger. Want dien hoort men ten-minste.
Dat men Uwe Excellentie omtrent my misleid heeft, begryp ik. Maar dat Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding te ontgaan, begryp ik niet.
Morgen gaat uwe Excellentie van hier, en ik mag haar niet laten vertrekken zonder nog eenmaal gezegd te hebben dat ik myn PLICHT heb gedaan, GEHEEL-EN-AL MYN PLICHT, met beleid, met bezadigdheid, met menschlievendheid, met zachtheid en met moed.
De gronden waarop gebazeerd is de afkeuring in Uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23 Maart, zyn geheel-en-al verdicht en logenachtig.
Ik kan dit bewyzen, en dit ware reeds geschied, als Uwe Excellentie my één half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie één half uur tyd had kunnen vinden om recht te doen!
Dit is zoo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot den bedelstaf gebracht …
Hierover evenwel klaag ik niet.
Maar Uwe Excellentie heeft gesanktioneerd: HET STELSEL VAN MISBRUIK VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT, en dáárover klaag ik.
Dàt schreit ten hemel!
Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dùs ontvangen indisch traktement, Excellentie![185]
Nog éénmaal vraag ik om een oogenblik gehoor, zy het dezen nacht, zy het morgen vroeg! En alweder vraag ik dit niet voor my, maar voor de zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menschelykheid, die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.
Als uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier te vertrekken zonder my te hooren, het myne zal gerust zyn by de overtuiging al het mogelyke te hebben aangewend om de treurige, bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen wezen van de eigenwillige onkunde waarin de Regeering wordt gelaten tenopzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking.[186]
MAX HAVELAAR."
Havelaar wachtte dien avend. Hy wachtte den gansche nacht.
Hy had gehoopt dat misschien verstoordheid over den toon van zyn brief bewerken zou, wat hy vergeefs getracht had te bereiken door zachtheid en geduld. Zyn hoop was ydel! De Gouverneur-generaal vertrok zonder Havelaar te hebben gehoord. Er was weder een Excellentie ter-ruste gegaan in 't moederland!
* * * * *
Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hy zocht …
Genoeg, myn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zyt niet geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schryven. Ik heb u in 't leven geroepen … ik liet u komen van Hamburg … ik leerde u redelyk goed hollandsch schryven, in zeer korten tyd … ik liet u Louise Rosemeyer kussen, die in suiker doet … het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!
* * * * *
Die Sjaalman en zyn vrouw …
Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlyke femelary! Ik heb u geschapen … ge zyt opgegroeid tot een monster onder myn pen … ik walg van myn eigen maaksel: stik in koffi en verdwyn!
* * * * *
Ja, ik, Multatuli "die veel gedragen heb" neem de pen op. Ik vraag geen verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel.
Dit doel is tweeledig:
Ik wilde in de eerste plaats het aanzyn geven aan iets dat als heilige poesaka zal kunnen bewaard worden door kleinen Max en zyn zusje, als hun ouders zullen zyn omgekomen van ellende.
Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van myne hand.
En in de tweede plaats:ik wil gelezen worden.
Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die verplicht zyn te letten op de teekenen des tyds.. door letterkundigen, die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zooveel kwaads spreekt … door handelaren, die belang hebben by de koffiveilingen … door kameniers, die me huren voor weinige centen … door Gouverneurs-generaal in-ruste … door Ministers in bezigheid[187] … door de lakeien van die Excellentien … door bidpredikers, die more majorum zullen zeggen dat ik den Almachtigen God aantast, waar ik slechts opsta tegen 't godje dat zy maakten naar hun beeld … door duizenden en tienduizenden van exemplaren uit het droogstoppelras, die—voortgaande hun zaakjes op de bekende wys te behartigen—'t hardst zullen meeschreeuwen over de mooijigheid van m'n geschryf[188] … door de leden der Volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in 't groote Ryk over zee, dat behoort tot het Ryk van Nederland …
Ja, ik zal gelezen worden!
Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zyn. Want het was me niet te doen om goed te schryven … ik wilde zóó schryven dat het gehoord werd. En, even als iemand die roept: "houdt den dief!" zich weinig bekommert over den styl zyner geïmprovizeerde toespraak aan 't publiek, is 't ook my geheel om 't even hoe men de wyze zal beoordeelen waarop ik myn "houdt den dief" heb uitgeschreeuwd.
"Het boek is bont … er is geen geleidelykheid in … jacht op effekt … de styl is slecht … de schryver is onbedreven … geen talent … geen methode …
Goed, goed, alles goed! Maar … DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!
Want: wederlegging der HOOFDSTREKKING van myn werk is onmogelyk! [189]
Hoe luider overigens de afkeuring van myn boek, hoe liever 't my wezen zal, want des te grooter wordt de kans gehoord te worden. En dit wil ik!
Doch gy, die ik stoor in uw "drukten" of in uw "rust" gy Ministers en Gouverneurs-generaal, rekent niet te zeer op de onbedrevenheid myner pen. Ze zou zich kunnen oefenen, en met eenige inspanning misschien geraken tot een bekwaamheid die ten-laatste zelfs de waarheid zou doen gelooven door 't Volk! Dan zou ik aan dat Volk een plaats vragen in de Vertegenwoordiging[190] al ware 't alleen om te protesteeren tegen certifikaten van rechtschapenheid, die door Indische specialiteiten vice versa worden uitgereikt[191] misschien om op 't vreemd denkbeeld te brengen dat men zelf waarde hecht aan die hoedanigheid …
Om te protesteeren tegen de eindelooze expeditien en heldendaden tegen arme ellendige schepsels, die men vooraf door mishandeling dwong tot opstand.
Om te protesteeren tegen de schandelyke lafhartigheid van cirkulaires die de eer der Natie schandvlekken door 't inroepen van publieke liefdadigheid voor de slachtoffers van kronischen zeeroof.[192]
't Is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die zeeroovers zyn weerbare mannen!
En als men my die plaats weigerde … als men my by voortduring niet geloofde …
Dan zou ik myn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de vele talen die ik leeren kan, om te vragen aan Europa, wat ik vruchteloos zou hebben gezocht in Nederland.
En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen als dit: er ligt een roofstaat aan de zee, tusschen Oostfriesland en de Schelde!
En wanneer ook dit niet baatte?
Dan zou ik myn boek vertalen in 't maleisch, javaansch, soendasch, al-foersch, boegineesch, battaksch …
En ik zou klewang-wettende krygszangen slingeren in de gemoederen van de arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.
Redding en hulp, op wettelyken weg, waar het kan … op wettigen weg van geweld, waar het moet.
En dit zou zeer nadeelig werken op de Koffiveilingen van de Nederlandsche
Handelmaatschappy![193]
Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige droomer, zooals de getrapte Havelaar die zyn plicht deed met den moed van een leeuw, en honger lydt met het geduld van een marmot in den winter.
Dit boek is een inleiding …
Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het noodig zal wezen …
God geve dat het niet noodig zy!
Neen, 't zal niet noodig zyn! Want aan U draag ik myn boek op, Willem den derden, Koning, Groothertog, Prins … meer dan Prins, Groothertog en Koning … KEIZER van 't prachtig ryk van INSULINDE dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd …
Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't uw keizerlyke wil is:
Dat Havelaar wordt bespat met den modder van Slymeringen en Droogstoppels?
En dat daarginds Uw meer dan dertig millioenen onderdanen worden
MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN UWEN NAAM?[194]
* * * * *
AANTEEKENINGEN EN OPHELDERINGEN
by de
UITGAAF VAN 1875
(Herzien, gewyzigd en aangevuld in 1881)
* * * * *
De vertraging in 't verschynen van dezen druk is aan my te wyten, en waarlyk niet aan myn zeer voortvarenden uitgever. Het blyft evenwel twyfelachtig of 't woord: wyten goed gekozen is? Recht tot verwyt immers veronderstelt schuld, en ik vraag of dit van toepassing wezen kan op myn byna onverwinnelyken tegenzin om, bladzy voor bladzy, woord voor woord, letter voor letter, op-nieuw het treurig drama te doorleven, dat aan dit boek het aanzyn gaf? Dit boek! Iets anders immers ziet de lezer er niet in. My evenwel zyn deze bladen 'n hoofdstuk uit m'n leven … my was de korrektie 'n marteling, één marteling! Telkens ontviel de pen m'n hand, telkens schemerde my 't oog by 't herlezen der —nog altyd onvolmaakte en verzachte!—schets van wat er uit meer dan vyf-en-twintig jaar geleden voorviel in 't vroeger onbekende plekje gronds dat Lebak heet. En dieper nog was de indruk van treurigheid by 't bedenken van wat er uit sedert ruim twintig jaren op de uitgaaf van 't boek Havelaar gevolgd is. Gedurig wierp ik de proefbladen terzyde, en trachtte het oog myner ziel te richten op minder tragische voorwerpen dan die welke Havelaars tot-nog-toe onbekroond streven my voor den geest roept. Weken en soms maanden lang—myn uitgever kan 't getuigen!—had ik den moed niet, de my gezonden proefvellen intezien. By vallen en staan ben ik nu de korrektie doorgeworsteld, een korrektie die me meer kost dan 't schryven zelf. In den winter van 1859 immers, toen ik, gedeeltelyk in een kamertje zonder vuur, gedeeltelyk aan een waggelend en smerig herbergtafeltje te Brussel, omringd van goedmoedige maar tamelyk onaesthetische faro drinkers, m'n Havelaar schreef, meende ik iets te zullen bewerken, iets uitterichten, iets tot stand te brengen. De hoop gaf me moed, de hoop maakte my hier-en-daar welsprekend. Nog herinner ik my den indruk die me bezielde toen ik aan háár schreef: m'n boek is af, m'n boek is af! Nu zal alles weldra goed gaan! Vier lange, vier moeielyke jaren had ik doorgeworsteld—en vruchteloos verloren, helaas!—in pogingen om zonder publiciteit, zonder opzien, zonder schandaal vooral, iets te bewerken dat tot verbetering zou kunnen leiden van den toestand waaronder de Javaan gebukt gaat. De ellendige Van Twist die, voor 't minst zoo er eenig besef van eer en plicht in hem huisde, m'n natuurlyke bondgenoot had moeten zyn, was niet te bewegen geweest 'n hand uittesteken. De brief dien ik tot hem richtte, is ontelbare malen gepubliceerd, en bevat nagenoeg alles wat in de Havelaarszaak de hoofdmomenten uitmaakt. De man heeft nooit geantwoord, nooit blyk gegeven van welwillendheid om zooveel mogelyk te herstellen wat door zyn schuld bedorven is. Door die gewetenlooze lauwheid ten-laatste gedwongen tot publiciteit, tot het kiezen van een anderen weg dan ik tot dien tyd toe betrad, wees verontwaardiging my eindelyk de middelen aan om te bereiken wat onbereikbaar scheen: een oogenblik gehoor. Wat de luie Van Twist niet wilde toestaan, wist ik aftepersen van de Natie: de Havelaar werd gelezen, men … hoorde my. Helaas, hooren en verhooren is twee! Dat boek was "mooi" verzekerde men, en als de schryver eens weer zoo'n vertellinkje had …
Zeker, men had zich by de lektuur "geamuzeerd" en dacht er niet aan—of ontveinsde te begrypen—dat niet ik op middelbaren leeftyd m'n loopbaan, die schitterend beloofde te worden, opgaf tot vermaak. Dat niet ik amuzement beoogd had in 't trotseeren van den gifdood voor my, voor myn trouwe dappere vrouw, en voor ons lief kind. De Havelaar was zoo'n onderhoudend boek, durfde men my zeggen, en onder zulke lofredenaars waren er die gillen zouden van angst by 't minste dagelyksch gevaartje, ik zeg niet voor gezondheid en leven, maar voor 'n gering deel van hun welstand. De meeste lezers schenen te meenen dat ik my en de mynen had blootgesteld aan armoed, vernedering en dood, om hun 'n prettig lektuurtje te verschaffen.
Deze dwaling … doch genoeg hiervan. Zéker is 't, dat ik van zoo'n naïf-wreede Jokrissiade geen voorgevoel had toen ik zoo verheugd uitriep m'n boek is af, m'n boek is af! De overtuiging dat ik waarheid zeide, dat ik gedaan had wat ik bezig was te schryven, en het voorbyzien hoe 't lezend en luisterend Publiek zoo gewoon is geraakt aan cant, aan zinledige praatjes, aan byna doorgaande tegenstelling van zeggen en doen … dit alles vervulde my in 1859 met zooveel hoop als inderdaad noodig was om 't pynlyk schryven van den Havelaar mogelyk te maken. Maar thans, nu me twintig jaar later al te voldoende gebleken is dat de Natie party trekt vóór de Van Twisten en konsorten—d.i. voor schelmery, roof en moord—tegen my, d.i. tegen Recht, Menschlievendheid en wèlbegrepen Staatkunde, nu viel my 't behandelen dezer bladen oneindig zwaarder nog dan in 1859, al zy 't dan dat ook toen reeds de pynlyke bitterheid herhaaldelyk dreigde de overhand te nemen. Hier-en-daar komt ze—op bladz. 131, byv. (zie de alinea die begint met: "Maar weet ge dan niet", M.D.)—hoe gaarne ook teruggehouden, voor den dag. Wie overigens begeert m'n stemming te kennen by de oprakeling der herinneringen die 't gebeurde te Lebak en wat daarop gevolgd is, in my opwekt, wordt verwezen naar m'n eerste brochure over Vryen-arbeid.(*)
(*) Uitgaaf van 1873, blz. 97, vlgg. waar tevens de oorzaak wordt verklaard die, nà den Havelaar, me dwong tot het betreden van breeder terrein dan de zaken in India.
En … by al 't verdriet over de aanhoudende mislukking van m'n pogingen, de smart over 't verlies van háár die aan m'n zyde zoo heldhaftig den stryd tegen de wereld opnam, en niet dáár wezen zal wanneer eindelyk het uur van triumf geslagen is!
Het uur van triumf, lezer. Want, het moge u bevreemden of niet, overwinnen zàl ik! Ten-spyt van 't gekunstel en geknoei der Staatsmannetjes aan wien Nederland z'n hoogste belangen toevertrouwt. Ten-spyt onzer zotte Grondwet die premien uitlooft op middelmatigheid of erger, een instelling die alles weert wat de nu alom erkende verrotting in ons Staatswezen zou kunnen genezen. Ten-spyt van de velen die belang hebben by Onrecht. Ten-spyt van laaghartige afgunst op m'n "schryftalent" … heet het zoo niet? Ik ben geen schryver, heeren boekenmakers die volstrekt in my een kollega en konkurrent wilt zien, gelooft me toch! Ten-spyt van plompen laster die niets te grof en te ongerymd acht om m'n stem te smoren en m'n invloed te breken. Ten-spyt eindelyk van de jammerlyke flauwhartigheid der Natie die dat alles by voortduring blyft gedoogen … overwinnen zàl ik!
Er zyn in den laatsten tyd schryvers opgestaan, die me verwyten dat ik niets of niet genoeg heb uitgericht, niets of niet genoeg veranderd, niets of niet genoeg tot-stand gebracht. Straks zal ik terugkomen op de bron waaruit zulke beschuldigingen voortkomen. Wat de zaak zelf aangaat … ik erken volmondig dat er in Indie niets verbeterd is. Maar … veranderd? De lieden die, eerst onmiddelyk na den Havelaar, en vervolgens uit kracht van ons armzalig grondwettelyk baskule-systeem, gebruik maken van de door dat boek opgewekte beweging om zich op 't kussen te zetten, hebben niets gedaan dan veranderen. Dit moest immers wel? Hun staatkunstenmakersmétier bracht het mee. Het gedeeltelyk onbekwame, gedeeltelyk niet zeer intègre volkje dat na '60 "naar boven viel uit gebrek aan zwaarte" begreep dat er iets gedaan moest worden, al deden ze liever 't goede niet, dat dan ook—dit erken ik mèt hen—maar zelfmoord zou gesmaakt hebben. Recht-doen aan den mishandelden Javaan was gelyk beteekenend met Havelaars verheffing, en dit ware den meesten een vonnis.(*) Toch moest er schyn geleverd worden van werkzaamheid in nieuwe richting, en aan 't van verontwaardiging "rillend" Volk werd gedurig een been toegeworpen, niet waarlyk om den honger naar verbetering te stillen, maar om de kaken in bezigheid te houden, al ware 't dan ook maar met vermeend ekonomisch-politisch gewawel. De regeermannen wierpen aan hun kieskollegien, krantenfabrikeurs en verder koffihuispubliek successievelyk de kluifjes toe, die ik eens-voor-al doopte met den naam van duitenplatery. "Vrye-arbeid" was jaren lang—en vóór den Havelaar reeds—de hoofdschotel, de pièce de résistance van 't verraderlyk menu. Ter afwisseling dienden de heeren hun onnoozelen gasten opgeworpen kwestien over 't Indisch muntstelsel toe. Daarop volgden de kadaster-kwestie, de Preanger-kwestie, de kultuur- emolument-kwestie, de komptabiliteits- kwestie, agrarische- wetkwestie, de partikuliere-grondbezitkwestie, en nog een-en-ander van dien aard. De eene nieuwe wet volgde op de andere, en telkens wisten de mannen en place—behoudend of liberaal, om 't even! —aan 't Volk diets te maken dat de eenig mogelyke ontknooping van de door allen erkende moeielykheid nu eigenlyk en eindelyk geheel alleen in 't allerlaatst voorgesteld heilmiddeltje lag. Heusch, nu zou 't probaat wezen!
(*) Zeker! Zie de laatste bladzyden van "Pruisen en Nederland."
Zoo volgde na elk versleten experiment een nieuw experiment. Na elke verbruikte kwakzalvery, een nieuwe kwakzalvery. By elk nieuw ministerie een nieuw arkanum. Voor elk nieuw arkanum nieuwe ministers, bestemd gewoonlyk meer jaren den overladen pensioenstaat te bezwaren, dan ze maanden op 't kussen hadden gezeten. En de Tweede-Kamer aan 't redevoeren! En de kieskollegien aan 't opvyzelen of zwartmaken! En 't Volk aan 't luisteren! Al die nieuwigheden werden onderzocht, beproefd, toegepast, ingevoerd. In Indie maakte men de Hoofden, de europeesche ambtenaren, en vooral de Bevolking biengoeng met de onophoudelyke changements-à-vue … en er zou niets veranderd zyn na den Havelaar? Ten-gevolge van den Havelaar? Allons-donc! Er is nà en ten-gevolge van dat boek, in Indie geschied wat er met Jan Klaassen's horloge gebeurde. Men had dien wysgeer de opmerking gemaakt dat het werk vuil was en daarom verkeerd liep. Fluks wierp hy 't in de goot, en reinigde het met 'n stalbezem. Volgens andere traditien van de haagsche poppenkast zette onze politikus er den hak van z'n klomp op. Ik kan den lezer verzekeren dat er werkelyk veel veranderd is in dat horloge!
* * * * *
Nederland heeft niet verkozen recht te doen in de Havelaarszaak. Zoolang tweemaal twee vier zal wezen, blyft het zeker dat dit verzuim—dat deze misdaad!—het punt van uitgang worden zal van 't verlies zyner indische bezittingen. Wie deze voorspelling wantrouwt omdat heden, en dus slechts twintig jaar na m'n zeer gedwongen optreden, de hollandsche vlag nog altyd te Batavia waait, verraadt de nauwte van z'n politieken blik. Meent men dat omkeeringen als die welke Insulinde te-gemoet gaat, en waarmee faktisch reeds 'n aanvang gemaakt is—ziet ge dit niet, Nederlanders?—kunnen plaats grypen in 'n bestek als voldoende wezen zou voor 'n dagelyksch voorvalletjen uit het byzonder leven! In 't leven der Staten is twintig jaar minder dan 'n oogenblik.
Toch zal de katastroof een betrekkelyk snel verloop nemen. De onbesuisde oorlog met Atjeh was een der laatste duitenplateryen die 'n minister noodig had om de aandacht afteleiden van z'n onbekwaamheid, en zal blyken even noodlottig te zyn van uitslag en invloed, als ze lichtvaardig en misdadig was van opzet. Het wankelend nederlandsch gezag is tegen échecs als dáár door ons geleden worden, niet bestand.(*) Doch reeds vóór de openbaring der gevolgen van wyder strekking, die deze wreedaardige en dure zotterny na zich slepen moet, waar blyft in deze zaak de zoo hooggeroemde ministerieele verantwoordelykheid. Moet nu de Natie er maar in berusten, dat zekere Fransen van de Putte goedgevonden heeft haar in 'n toestand te brengen, die—om nu niet te spreken van 't schromelyk verlies aan prestige in den Indischen Archipel!—op zóóveel millioenen schats, op zóóveel menschenlevens te staan komt? Wel zeker! Ook de naam van dien man bekleedt 'n plaats op den staat van pensioenen. De nederlandsche belastingschuldigen hebben geld te veel, naar 't schynt.
(*) Dat Atjeh zou veroverd en de Atjinees overwonnen zyn, is 'n leugen.
Wat overigens den oorlog met Atjeh aangaat, ik zal straks by de aanteekeningen op den Havelaar wel genoodzaakt wezen daarop nu-en-dan terug te komen. Nu reeds de opmerking echter, dat me ook in dit opzicht gebleken is, hoe slordig dat boek gelezen werd. Zelden of nooit ontving ik blyk dat men den tegenwoordigen oorlog, en myn voorspelling daarvan, in verband wist te brengen met den inhoud van 't dertiende hoofdstuk. By de groote verspreiding van den Havelaar, is 't inderdaad vreemd dat, toen in September '72 m'n waarschuwende brief aan den Koning verscheen, en in 't volgend voorjaar de oorlog verklaard werd, zoo weinigen zich herinnerden dat ik reeds in '60 op onze gespannen verhouding met het atjinsche Ryk gedoeld, en bewys geleverd had iets meer van die zaken te weten dan onze krantenschryvers en Kamerleden. Ware dit ànders geweest, misschien zou myn welmeenende waarschuwing van September '72 beter vrucht gedragen hebben! Nog altyd maakt de oude Jupiter de Koningen en Natien die hy verderven wil, blind doof, krankzinnig en behoudend of … liberaal. Want dat komt overeen uit. Hoofdzaak is en blyft: waarheid zoeken, 't gewicht der waarheid erkennen en vooral handelen naar de gegevens die men, aldus te-werk gaande, voor waar houden mag. Wat daarbuiten gaat is uit den booze, en Holland zal Indie verliezen omdat men my geen recht heeft gedaan in myn streven om den Javaan te beschermen tegen mishandeling. Er zyn er nog altyd die 't verband tusschen deze beide stellingen niet vatten, maar is dit myn schuld? Het smoren van myn klachten is bescherming van onwaarheid, aanmoediging van leugen. Is 't nu zoo moeielyk te begrypen dat het ommogelyk is, by-voortduring die zoo uitgestrekte bezittingen te beheeren, wanneer men omtrent Land en Bevolking geen andere dan onware berichten gelieft te ontvangen? Om iets te regelen, te besturen, te regeeren, behoort men dan toch in de eerste plaats te weten in welken toestand zich de te behandelen zaken bevinden, en zoolang men de in den Havelaar verstrekte gegevens ter-zyde schuift, weet men dit niet!
En nog iets. Er blykt uit dat boek dat de bestaande wetten niet worden gehandhaafd. Eilieve, wat baat het dan of men in den Haag en by verkiezingen zich aanstelt alsof er aan 't maken van nieuwe wetten iets gelegen lag? Ik blyf er by dat de oude bepalingen wat de hoofdzaken aangaat zoo slecht niet waren. Maar men verkoos ze niet optevolgen. Dáár ligt de kwestie!(*) Daar, en niet in 't eindeloos redeneeren over onderwerpen van vermeend of voorgewend-politisch belang, een gekibbel dat wel dienen kan om kranten-schryvers aan teksten voor hoofdartikels te helpen, om ministers een week langer op 't kussen, en de geheel overbodige talenterigheid van Kamerdebattisten bezig te houden, maar geen voetstap nader brengt aan 't eenig ware doel: bescherming van den Javaan tegen de hebzucht zyner Hoofden in medeplichtigheid van een bedorven Nederlandsch Bestuur.
(*) Zie ter toelichting der karakteristieke frekwentie van dusdanig misvatten, het aardig voorval op 'n audientie by den Keizer van Rusland, medegedeeld in m'n brochure over Vryen-arbeid, uitgaaf 1873, blz. 137.
* * * * *
Wat nu deze nieuwe uitgaaf betreft, ik stond by de Noten die straks volgen, gedurig in twyfel over de meer of mindere behoefte aan toelichting. Dit bezwaar is tweeledig, en betreft zoowel het ophelderen van 'n maleische of vreemdklinkende uitdrukking, als de staving der feiten die in den Havelaar worden meegedeeld. Ik weet nog altyd niet hoe diep het door de Van Twisten uitgestrooid praatje "dat ik maar 'n roman had geschreven" wortel heeft geschoten? Durft men de door my overgelegde officieele stukken voor onecht houden? Hiervan is me niets ter-oore gekomen. Dewyl men echter by-voortduring weigert my de plaats interuimen die me zou toekomen indien ze voor echt worden erkend, viel 't my moeielyk het juiste midden te vinden tusschen te veel en te weinig rechtvaardiging. Ik liep telkens gevaar het justificeeren overteslaan van iets dat in de oogen van sommige lezers bewys kon noodig hebben, en elders iets met bewyzen te staven dat alle verdere toelichting missen kon, een fout die me zou blootstellen aan de—gewoonlyk verkeerde!—toepassing van 't bekende: qui s'excuse s'accuse. Te excuzeeren nu heb ik, die m'n plicht deed, niets. Nederland deed z'n plicht niet, en heeft zich te verontschuldigen dat het tegen Havelaar party trekt voor schelmery. Zoo is de zaak!
De weifeling dan tusschen te veel of te weinig justificatie der aangevoerde feiten, hinderde my zeer. Maar zie, tamelyk ver reeds gevorderd met het afwerken der Noten, bleek me dat ik bezig was de grenzen der my gegunde ruimte—een ruimte die ik zelf vroeger voldoende had gerekend—zeer ver te overschryden. Myn aanteekeningen, toelichtingen en ophelderingen op filologisch, land-en volkenkundig of historisch terrein, dreigden weldra den oorspronkelyken tekst in uitgebreidheid te-boven te gaan. Het hierdoor noodzakelyk geworden knotten was my een verdrietig werk, en ik ben zoo vry te gelooven dat de lezer er iets by verliest.
De vervloekte puntjes waarmee de heer Van Lennep goedvond m'n werk te bederven, zyn in deze uitgaaf natuurlyk door leesbare woorden in letters vervangen. De pseudoniemen Slymering, Verbrugge, Duclari en Slotering heb ik onveranderd gelaten omdat die namen nu eenmaal populair zyn geworden. Myn vermoorde voorganger heette Carolus. De namen van den kontroleur Verbrugge en den kommandant Duclari waren Van Hemert en Collard. De Resident van Bantam heette Brest van Kempen, en Michiels was de naam van 't Napoleonnetje te Padang. Wat my bewoog tot verandering dezer namen in 't handschrift dat ik aan den heer V.L. toevertrouwde? Met verwyzing naar het slot van 't XIXe hoofdstuk, zy hieromtrent de opmerking voldoende, dat ik den eerlyken maar niet heldhaftigen kontroleur wilde vrywaren tegen rankune. Al steunde hy me niet in m'n streven, hy had me dan toch niet tegengewerkt en zelfs, waar ik 't verzocht, ronde verklaringen afgegeven. Dit was reeds zeer veel, en zou hem kunnen aangerekend zyn als misdaad. De benaming Slymering voorts diende my tot het typizeeren van m'n model. En 't veranderen eindelyk van de namen Carolus en Collard in Slotering en Duclari vloeiden uit de vorige substitutien voort. Geheimhouding was waarlyk m'n zoeken niet, wat trouwens uit de geheele strekking van m'n werk blykt, maar ik vond het stuitend bepaalde personen prys te geven aan het oordeel van 't gewoon lezend Publiek. In de officieele wereld, meende ik—en háár ging de zaak aan—zou men wel weten tot wien men zich te richten had om inlichting aangaande de zaken die ik openbaarde. Dit hééft men dan ook geweten, want na ontvangst van den Havelaar in Indie, is de Gouverneur-Generaal Pahud terstond naar Lebak gereisd om daar eenige klachten over misbruik te onderzoeken."
Op den titel van 't boek zal ik in een later aanteekening terugkomen. Die titel is noch 'n farce, gelyk sommigen voorgeven te meenen, noch 'n uithangbord, ein aushängeschild das in Holland nöthig schien um Käufer zu locken, beweerde zeker publicist in de Deutsche Jahrbücher für Wissenschaft, Kunst und Politik. O, neen, die titel is 'n epigram.
Wat de spelling aangaat, even als in m'n andere werken volg ik nagenoeg de mode van den dag. "Niet, zooals ik zeide in 't Voorbericht by den vyfden druk myner Ideen, omdat ik den minsten eerbied voel voor de taalkennis der personen die heden-ten-dage zoo goed als officieel belast schynen met de bearbeiding van dat veld, doch om niet het oog des lezers aftestooten door vreemdheid van spelling. De soep zou de kool niet waard zyn." Zeker, wezenlyke taalkunde is heel wat anders! Toch heb ik ook hier de leelyke i-j die door sommigen als y-klank gebruikt wordt, voor goed congé gegeven. Tant pis voor de Hilaridessen die er om treuren. Dezelfde soort van lettermannen zullen waarschynlyk geen vrede hebben met m'n interpunktie. Ik met de hunne niet. Welnu, evenals—ik meen—Hildebrand ergens, geef ik hun een paar mud komma's ten-geschenke, om die te plaatsen waar ze goedvinden, tot er de verlangde slymerigheid en hun voldoening op volgt, amen.
De heer Mr. C. Vosmaer maakt in z'n "Zaaier"de opmerking dat de Havelaar blyken draagt van nog onvolkomen beheersching der taal, en van 't worstelen om vormen voor de veelvuldige stof. Ik stem dit volmondig toe. Ook my hinderde onder de korrektie herhaaldelyk iets gewrongens in den zinbouw, dat waarschynlyk tot de kritiek van den heer V heeft aanleiding gegeven. Naar m'n beste weten heb ik die fout in de tegenwoordige uitgaaf verbeterd.
* * * * *
En, alsnu terugkomende op de beschuldiging dat ik tot-nog-toe zoo weinig heb tot-stand gebracht … dit verwyt is zoo dom niet. Men wordt Doctor in de letteren door zulke wapenfeiten. Eilieve, dit heb ik dan toch bewerkt, niet waar, dat personen die bezig waren met kouvatten uit verregaande lauwerloosheid, op-eenmaal hun kalen schedel gedekt voelden met den doktershoed, alleen omdat ze de handigheid hadden gebruikt my 'n paar kwajongensachtige insolenties te zeggen? In een land waar de officieele distinkte zóó wordt te-grabbel gegooid …
Het zy zoo! Wat ik gedaan heb, heeren? Wel, ik dééd wat in den Havelaar geschreven staat. Is dit niet genoeg? Wat deedt gy?
Wat ik gedaan heb, nogeens? Ik ving, geheel alleen staande, in dreigend levensgevaar en met opoffering van allen welstand, den stryd aan tegen lieden van uwe soort, d.i. tegen het Onrecht. Gaat heen en doet desgelyks!
Dat overigens m'n streven niet bekroond werd … dat ik nog altyd het gemakkelyk te raken—en debiet belovend—mikpunt ben van de eerste de beste nulliteit die 't ambacht van frazenmaken eenigszins meent te verstaan—al zy 't dan ook dáármee vaak povertjes gesteld—en dat, wat meer zegt, de toestand in Indiën ellendiger is dan ooit … mag men dit my wyten? Ik deed, meen ik, wat 'n mensch in de gegeven omstandigheden doen kòn, en zeker meer dan eenig Nederlander. Het schimpen op de betrekkelyke onvruchtbaarheid van m'n pogen herinnert aan den wrevel der matrozen van Columbus in September 1492. Ook dàt gepeupel schold z'n admiraal uit. Of ze doktoren in de letteren geworden zyn, weet ik niet.
Geen vrucht alzoo van m'n werk? Het is hier de plaats niet, den invloed nategaan dien ik uitoefende op heel ander terrein dan de zaken van Indie. Ik ben zoo vry te gelooven dat m'n geschriften heilzame beweging hebben uitgewerkt op zedelyk en godsdienstig … laat me liever zeggen op intellektueel gebied. Van vele zyden ontving ik blyken dat ik menigeen tot denken heb gebracht. Wie 't betwyfelt of ontkent, gelieve het te zeggen, en noeme evenals de zeer edele heeren A.B. Cohen Stuart en Van Vloten, z'n naam er by, om behoorlyk de schande te dragen van z'n platte jalouzie.
Aan afgunst namelyk meen ik voor 'n groot deel den toon te moeten toeschryven, waarop sedert eenigen tyd sommige publicisten—of luî die 't worden willen—m'n werken en m'n persoon aanvallen. Die toon is gewoonlyk wat te laag voor 't onderwerp.
Dat ik niet de eenige ben, die by 't lezen van stukken als die van Doctor Van Vloten aan jaloersheid denk, blykt o.a. uit het hartig artikel van den heer J. Versluys, in 't Schoolblad van 19 Januari 1875, waar de animoziteit van dien godgeleerde in verband wordt gebracht met het stuk over Vrye Studie dat in m'n IIIn bundel Ideen voorkomt. Dat onderwerp namelyk was ook door Dr Van Vl. behandeld, en schynt onder zyn handen niet veel opgang gemaakt te hebben. Kan ik dit helpen? Zeker is 't dat ik na 't verschynen myner verhandeling sporen begon waartenemen van de hatelyke stemming die nu blykt jegens my te bestaan. Vroeger was ik 't allerliefst gekwalificeerd: "slachtoffer van indisch wanbestuur en hollandsche lamlendigheid." Wat ik nu ben, weet ik niet recht. Een prulschryver, denk ik, wiens werken moeten verdrongen worden om wat ruimte te verschaffen aan de hyperaesthetische produkten der pen van Dr V. Vl. Wie z'n "Bloemlezing" onderzoekt, zal deze gissing nog-al aannemelyk vinden. Op de blykbare oneerlykheid in dat prachtstuk van letterkundigen arbeid wyst dan ook zeer ten-rechte de heer Versluys. Zelfs Mr Vosmaer—gewis toch een onzer eerste dichters, als-i niet de eerste is—wordt door den verheven Bloemlezer in den ban gedaan. Die auteur had zich verstout myn werk in z'n "Zaaier" te pryzen, en mocht dus geen bloemen leveren.
Doch ook zonder eigenlyken broodnyd, sedert eenigen tyd is 't schelden op my 'n métier en 'n tic geworden. Het aantal brochuretjes en "Overdrukjes" dat aan dusdanige spekulatie z'n aanzyn te wyten heeft, is legio, en levert een treurig blyk van armoed aan scheppingsvermogen. Wie niet in-staat is zelf iets degelyks voorttebrengen, tracht evidentie—en honorarium!—optedoen door 't knagen aan den arbeid van 'n ander. Men zou haast op 't denkbeeld komen dat ikzelf hiertoe den weg wees in m'n Idee 219, wanneer men niet wist dat wespen, rupsen, en paalwormen zoo oud zyn als vruchten, loof en zeeschoejing.
Maar jammer is 't! Dat de Van Vlotens, e.d. zulke manoeuvres noodig hebben om 'n uitgever te bewegen tot het riskeeren van "Overdrukjes" uit hun niet zeer verspreide tydschriften, is begrypelyk. Ook vereert het me zeer, zóóveel opgang te maken dat daarvan nog altyd iets kan afvallen om 'n ander te helpen aan relief, al schikt het me niet altyd dat teeren op afval in de hand te werken door serieuze beantwoording van dergelyk geschryf. Toch verbind ik me niet tot voortdurend zwygen, maar 't zou me aangenaam zyn indien anderen de niet moeielyke taak op zich namen … het verschil te doen in 't oog vallen tusschen wespen en ooft. My wordt door zulke àl te goedkoope bewysvoering de stemming bedorven, en dit is jammer voor myzelf en den lezer. Men begrypt immers hoe ik, bezig met het schetsen van iets liefelyks, met viesheid de pen wegwerp zoodra my de gedachte overvalt dat wezens als Van Vloten zich gereed maken m'n werk te bevuilen?(*) Ik meen te goed te zyn om zulk volkjen aan verkoopbare kopie te helpen, en zeker zou 't my 'n kwart-eeuw geleden, toen ik den Lebakschen stryd streed, bevreemd hebben indien iemand my voorspeld had dat er nà 't openbaren van m'n pogen en streven, aanleiding zou bestaan tot zoo'n verklaring! Het strekt waarlyk 't lezend Publiek niet tot eer, dat sommigen een toon tegen my durven aanslaan alsof Havelaar een der hunnen was. Zoolang dit opgaat, beweer ik dat men—ouder gewoonte—slecht gelezen heeft. Anders toch zou men niet gedoogen dat 'n stryd die zoo ridderlyk werd aangevangen en voortgezet, ten-behoeve van zeker soort van belanghebbenden werd overgebracht op 'n mestvaalt. Hartelyk dank!
(*) Ik kan op m'n woord verzekeren dat dit in de meest letterlyken zin een der oorzaken is van de herhaalde vertraging in de Geschiedenis van Woutertje.
Volgens de laatste berichten uit Indiën is Lebak een woesteny. Geheele dorpen zyn uitgestorven.
NIEDER-INGELHEIM
Augustus, 1881.
* * * * *
1. De verdeeling in hoofdstukken is 'n toevoegsel van den heer Van Lennep. Ikzelf namelyk was, vooral in 1860, niet schryversachtig genoeg om zooveel reglement te brengen in m'n pleidooi, en blyf gelooven dat die indeeling, uit 'n letterkundig oogpunt zonder schade kon gemist worden. Juist in de onafgebroken opvolging der stukken van Droogstoppel en van Stern, ligt iets pikants dat door 't onverwachte van den overgang den lezer wakker houdt of … maakt. Doch de ondervinding leerde my dat het aanhalen van zekere passages gemakkelyk wordt gemaakt door de nummering der hoofdstukken, en ik laat daarom die indeeling bestaan.
2. Het "Poolsche koffihuis" was, of is nog, 'n druk bezochte inrichting in de Kalverstraat te Amsterdam, en vooral 'n verzamelingspunt voor zekere klassen van beursgangers.
3. "Dass er—de jonge Stern—bei uns speisen kann." Aldus heeft zekere Herr Stromer, in z'n zoogenaamde vertaling van den Havelaar deze woorden overgezet. Wanneer men nu nog daarby verneemt dat die snuggere letterman blyk geeft geen verschil te kennen tusschen de woorden pantalon en pantoffel, dat hy "witte mieren" verandert in schweinsnieren, enz. enz. zal men de waarde van z'n werk kunnen beoordeelen. Hy heeft bovendien omstreeks 2/5 van 't boek mir nichts dir nichts doodeenvoudig weggelaten, en alzoo 't heele boek tot onzin gemaakt. Ik stel voor, hem tot beroemde buitenlandsche schryver te benoemen.
Ook de fransche vertaling van Nieuwenhuis en Crisafulli laat zeer veel te wenschen over, maar zóó slecht als de duitsche kon ze nu eenmaal niet worden. Onbereikbaar!
De engelsche bewerking van myn nobelen Alphons Nahuys daarentegen is goed, en wordt ook in Engeland geprezen.
4. Het is er ver vandaan dat ik alles zou afkeuren wat ik Droogstoppel in den mond leg. Hy "hield zich niet op" met versjes van de soort als hier volgt. Welnu, ik ook niet! 't Verschil ligt in den grond waaruit zoodanige tegenzin voortspruit. Dat een jong vurig naar poëzie dorstend hart, misleid door de biologie van opgedrongen letterkundery, misgrypt in z'n eerste pogingen tot uiting, en voor iets wezenlyks houdt wat ten-slotte blykt slechts ydele klank te zyn—"getingel en gejingel" noem ik 't in m'n Naschrift op de Bruid daarboven—dit is te vergeven niet alleen, maar een zeer noodzakelyk verschynsel. Il faut passer par là! De eikenstam die bestemd is om gaaf droog hout te leveren moest z'n bestaan aanvangen als sappige tak. Maar de Droogstoppels hadden nooit sap te veel, en hoefden niet te veranderen om te worden wat ze zyn: dor en onbruikbaar. Ze staan niet boven maar beneden de fout van die anderen, en zouden bovendien terstond waarde gaan hechten aan "versjes en zulke dingen" wanneer die produktjes genoteerd stonden op de beurs.
Voor-zoo-ver Droogstoppel's realistische ontboezemingen dienen kunnen om valsche poëzie in de gemoederen onzer jongelingschap te knotten, beveel ik z'n boutades van harte in de aandacht van ouders, opvoeders en recensenten aan. Wat my aangaat, als ik kiezen moest tusschen hem en zeker soort van verzenmakers … nu, toch koos ik hèm niet! Maar ik erken dat die rechtvaardigheid me zwaar vallen zou.
5. Welk gedicht kan hier bedoeld zyn? De chronologische volgorde verbiedt ons hier te denken aan: "de laatste dag der Hollanders op Java", door Sentot, want dat stuk is nà den Havelaar geschreven, en misschien wel onder den indruk van den Havelaar. Daar ik Sjaalmans pak niet by de hand heb, en toch gaarne den lezer in staat stellen wil zich 'n denkbeeld te vormen van Droogstoppels verontwaardiging, neem ik verlof dien arbeid van Sentot aan de Natie voor oogen te leggen. Het zal den toekomstigen geschiedschryver aangenaam zyn te kunnen bewyzen dat het niet aan waarschuwingen ontbroken heeft.
Er zyn er die beweren dat myn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga om 't vervaardigen van dit stuk uit Indie verbannen is. De heer Van der Wyck, Raad van Indie en als zoodanig een der voorstanders van die uitzetting, heeft dit ontkend. Ook andere regeeringsmannen loochenen het verband tusschen Sentots profetengaaf en Roorda's verdrietig en onverdiend omzwerven. Sommige waren van gedachte dat deze duisterheid zou opgehelderd worden by de behandeling van Roorda's zaak in de Tweede Kamer, waar overlegging kon verwacht worden en geëischt, want het Regeerings-Reglement schryft dat overleggen voor van 't besluit waarby de gezagsdaad was uitgevoerd. Maar de Minister Fransen v.d. Putte meende te kunnen volstaan met de aanbieding van een extrakt uit die beschikking, en de leden der Kamer berustten alweer in die onwettigheid. Vrage: wat stond er in 't achtergehouden deel van dat dokument? Iets over Sentot's Vloekzang? Misschien die Vloekzang zelf? Bestond er wellicht zeker schuldbesef dat angstig maakte voor de openbaring van dat stuk? In dit geval is de toeleg niet gelukt, want—al zy 't dan dat R.V.E. zelf nooit de hand leende tot de publikatie—het verscheen herhaaldelyk in druk, en ikzelf vond het meer dan eens opgenomen in provinciale blaadjes. Zoowel om de edele verontwaardiging die er in schittert, als om de letterkundige verdiensten, vinde het hier een blyvende plaats. Reeds elders maakte ik de opmerking dat het in gloed en in kracht van uitdrukking zegevierend de vergelyking kan doorstaan met de beroemde imprekatie van Camille.
"DE LAATSTE DAG DER HOLLANDERS OP JAVA
DOOR SENTOT
Zult gy nog langer ons vertrappen.
Uw hart vereelten door het geld,
En, doof voor de eisch van recht en rede,
De zachtheid tergen tot geweld?
Dan zy de buffel ons ten voorbeeld,
Die sarrens moê, de hoornen wet,
Den wreeden dryver in de lucht werpt
En met zyn lompen poot verplet.
Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden,
Dan roll' de wraak langs berg en dal,
Dan styg' de rook uit uw paleizen,
Dan trill' de lucht van 't moordgeschal.
Dan zullen wy onze ooren streelen
Aan uwer vrouwen klaaggeschrei
En staan, als juichende getuigen,
om 't doodsbed van uw dwinglandy.
Dan zullen wy uw kindren slachten
En de onzen drenken met hun bloed
Opdat der eeuwen schuld met rente,
Met woekerwinste word' vergoed.
En als de zon in 't Westen neerdaalt,
Beneveld door den damp van 't bloed,
Ontvangt zy in het doodsgerochel
De laatste Hollandsche afscheidsgroet.
En als de nachtelyke sluier
De rookende aard heeft overdekt,
De jakhals de nog lauwe lyken
Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt…
Dan voeren wy uw dochters henen,
En elke maagd wordt ons een boel,
Dan rusten we aan haar blanke boezems
Van moordgetier en krygsgewoel.
En als haar schand zal zyn voltrokken,
Als wy ons hebben moê gekust,
Als elk tot walgens toe verzadigd,
Het hart van wraak, het lyf van lust…
Dan tygen wy aan 't banketteeren,
En de eerste toast is: "'t Batig Slot!"
De tweede toast: "aan Jezus Christus!"
De laatste dronk: "aan Neêrlands God!"
En als de zon in 't Oosten opdaagt,
Knielt elk Javaan voor Mahomed,
Wyl hy het zachtste volk der aarde
Van Christenhonden heeft gered."
De opmerkzame lezer ziet dat de brave Droogstoppel ongelyk had in z'n verontwaardiging over dit—of 'n dergelyk—stuk. Ook had Fransen van de Putte het besluit der Regeering, waarby de heer R.v.E. verbannen werd, in alle gerustheid integraal kunnen overleggen. Sentot zegt immers niet dat dit alles zoo wezen zàl. Hy waarschuwt slechts dat het geschieden zou, indien de Hollanders voortgingen hun "hart te laten vereelten door 't geld, en den Javaan te vertrappen." Daar nu dit geval —vooral na de oprichting der Javaannutmaatschappy en al 't geredekavel in de Kamer—ondenkbaar is, zal de zaak veel beter afloopen dan Sentot in 'n wanhopig oogenblik meende.
Voor wien 't niet weet, hier de mededeeling dat de pseudoniem Sentot niet byzonder ongepast de herinnering in 't leven roept aan den javaschen oorlog. Sentot namelyk was in zeer letterlyken zin de nom de guerre van Alibassa Prawiro Dirdjo, 't uitstekendst legerhoofd van de "muitelingen" zooals de party van Diepo Negoro in chauvinistisch hollandsch genoemd werd, een vertalingsfout waaraan zich ook de Spanjaarden schuldig maakten jegens de Nederlanders, toen dezen zich van indelikate vreemdelingen trachtten te ontslaan. De meer of mindere juistheid van zoodanige uitdrukkingen hangt dikwyls af van geografische ligging, dagteekening, huidskleur, geloof, en behoefte aan batige saldo's. De muiters van gister zyn dikwyls de helden en martelaren van vandaag.(*)
(*) De moedige Atjineezen die hun land verdedigen, heetten tegenwoordig "kwaadwilligen."
Wat overigens die Sentot betreft, men heeft hem na afloop van den Javaschen oorlog te vriend gehouden. Hy heeft z'n laatste levensjaren gesleten als gepensionneerde van den nederlandschen Staat, en z'n krygslieden werden by 't ned. ind. leger ingelyfd, doch niet en corps … wat zyn goede reden had. Nog in myn tyd—die wat Indie aangaat, een aanvang nam in Januari 1839—onderscheidden zich de uit Sentot's Barissan (geregelde troepen) afkomstige soldaten door goed gedrag, tucht en militaire houding. Het was niet zeldzaam, by inspektien of parades, een hoofdofficier, by 't wyzen op 'n flinken kerel, te hooren zeggen: Ienie apa lagie orangnja Sentot! "Dat is nog een man van Sentot!"
6. Romancen in 't maleisch. Ik laat nu daar wat Droogstoppel kan onder de oogen gehad hebben, doch zeker is 't dat ik den zang van Saïdjah die in deze uitgaaf voorkomt op blz. 281, (alinea die begint met: "zie hoe de badjing", M.D.) oorspronkelyk in 't maleisch geschreven heb. Waar dat stuk beland is, weet ik niet, en op dit oogenblik zie ik geen kans het in die taal te maken. Waarschynlyk ligt het in een der koffers of pakken papieren die ik na m'n vertrek van Lebak, op m'n verdrietige Odyssee hier-en-daar moest achterlaten, en wieromtrent ik den lezer verwys naar Idee 951. Ik denk dat bedoeld stuk voor den dag zal komen na m'n dood, als ik niet meer daar wezen zal om te vragen hoe men er aan gekomen is? Dat er overigens zal gespekuleerd worden in nagemaakt-posthume artikelen, spreekt in onze eeuw van vervalsching vanzelf. En wanneer het te voorzien was dat die sofistikatie zich bepalen zou tot schryvery, kon men de zaak dragelyk vinden voor 'n doode. Maar de goocheltoeren die men aan den man brengen zal omtrent m'n leven, handelwys, karakter! Reeds nu lees en verneem ik dagelyks voorvallen die my betreffen, gebeurtenissen waarin ik 'n hoofdrol speel, en die myzelf grooter verrassing baren dan ze ooit kunnen teweegbrengen by ieder ander. De vertellingen die over my in omloop zyn—ook de niet boosaardige—loopen voor ieder die me werkelyk kent, in 't koddige … neen, in 't idiote! Geenszins nu ter adstraktie hiervan, maar alleen om te doen blyken comment on écrit l'histoire, hier de opmerking dat zekere Bloemlezer nu reeds, slechts zeven-en-dertig jaar na m'n vertrek naar Indie, goedvindt dat vertrek 'n paar jaar te verschuiven. Vrage welke stiptheid is er te wachten in de chronologische rangschikking der chinesche dynastien, en vooral welke wetenschappelyke en moreele integriteit in karakterbeschryving? Toch is er leering te trekken uit de hier bedoelde fout. Door 't opmerken van zulke blunders, gewenne zich de lezer aan de vraag: "man, bloemlezer, weet je wel wat je beweert ons te willen leeren? Zoo neen, waar bemoei je je mee?
7. Voor gelykluidend met het oorspronkelyke geteekend. Dit is werkelyk het geval met de bewysstukken die ik zoowel in den Havelaar als in de Minnebrieven overleg, Op gelyke wys heb ik de echtheid van meer andere stukken doen staven, in de meening dat men eenmaal daarnaar onderzoek zou doen. Maar nooit heeft iemand die moeite genomen, wat me zeer karakteristiek voorkomt. Het spreekt vanzelf dat ik nog altyd bereid ben inzage van bedoelde stukken te geven aan ieder die blyk zal geleverd hebben dat het hem om waarheid te doen is. Voorloopig bepaal ik my tot herhaling der sommatie aan Duymaer van Twist om te beweren dat de door my als echt voorgestelde stukken verdicht zyn. Zoolang hy dit niet durft, blyf ik eischen dat er op die stukken Recht worde gedaan.
8. Wettig eigendom van den Havelaar. Droogstoppel voelde berouw dat-i den onnoozelen Sjaalman z'n recht op eigen werk niet ontfutseld had. Waarschynlyk kwam me by 't schetsen van den huichelenden schelm, deze trek noodig voor. En zie, ik wist niet dat ik hier—in zeer beperkten zin altoos—profeet was. Juist op de manier die Droogstoppel hier betreurt niet gevolgd te hebben, is de beschikking over 't boek Havelaar in andere handen overgegaan. De my aangeboden en eigenlyk opgedrongen ondersteuning die strekken zou om me zes maanden rust teverschaffen na m'n ellendig omzwerven, en om den uitslag van m'n pleidooi aftewachten, is gebruikt als voorwendsel om den Havelaar zóó te behandelen dat het pleidooi z'n kracht verloor. En dit geschiedde opzettelyk. In een aan my gerichten "Brief" verklaart de heer Van Lennep: dat hy 't populair worden van m'n arbeid wilde tegengaan, hy die met zooveel vertoon van vurige sympatie my verzocht had de uitgaaf daarvan aan hem optedragen! Toch ben ik aan de rechtvaardigheid verplicht den lezer te waarschuwen tegen zekere vereenzelviging van den heer V.L. met den afzichtelyken Droogstoppel. Toen V.L. begon zich met de Havelaarszaak intelaten, was-i oprecht. Maar gaande-weg begon hy berouw te voelen, en z'n zwakheid nam zóó de overhand dat-i weldra liever my verraadde—'t moet hem zéér gedaan hebben, want slecht was-i niet!—dan in zyn kring doortegaan voor den beschermer eener zaak die, zeer ten onrechte, werd uitgekreten voor iets revolutionnairs. Men zie over dit alles, blz. 17 van Vrye-arbeid, uitgaaf 1873, en de Noot op Idee 289.
9. Wapen van Bern. In een aldus genoemd gebouw, staande op 't Spui te Amsterdam, werden in myn jeugd boekverkoopingen gehouden. Ik weet niet of dit nog zoo is, en zelfs niet of die inrichting nog bestond in den tyd waarvan Droogstoppel verondersteld wordt te spreken, d.i. een paar jaar na den datum der officieele stukken die in den Havelaar opgenomen zyn.
10. Pandeglang en Lebak. Hier voor 't eerst had ik 't genoegen een paar namen voluit te schryven, die in vorige uitgaven met puntjes verminkt waren. Tot op dit oogenblik toe kende een zeer groot getal lezers den naam niet van de provincie waar de in Havelaar behandelde voorvallen plaats grepen. Men moest zich vergenoegen met den klank Leb. En dat zoo'n storende terughouding nadeelig gewerkt heeft, zoowel op het schilderachtige der voorstelling als op 't betrouwbare van m'n beweringen, spreekt vanzelf. Dit was dan ook 't doel van dat verraderlyk kastreeren. Men zie hierover de zoo-even aangehaalde Noot op Idee 289. De Engelschman Wallace—die nota bene de engelsche vertaling van den Havelaar niet onder de oogen gehad heeft, want dáárin staan namen en datums voluit gedrukt—ontzegt aan m'n werk alle waarde omdat ik geen plaatsen en dagteekeningen opgeef.
Men heeft my verzekerd—of 't waar is, weet ik niet—dat de heer Van Lennep m'n handschrift ten-geschenke heeft gegeven aan de Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Indien ik hierin wèl geïnformeerd ben, zou dat Genootschap in de gelegenheid zyn te onderzoeken of 't myn schuld is, dat in vorige uitgaven de namen van plaatsen en personen of de dagteekeningen met lafhartige puntjes gespeld zyn?
11. Groote weg over Java. Deze weg loopt van Anjer, aan straat Soenda gelegen en dus een der westelykste punten, tot aan Banjoewangie, dat aan 't Zuidoostelyk uiteinde des lands, tegenover Bali ligt, en is 270 uur gaans lang. Het aanleggen daarvan was een reuzenwerk, en kon dan ook slechts ten-einde worden gebracht door 'n man als Daendels die aan groote wilskracht, verregaande minachting voor byzondere belangen paarde. De blyken die van z'n ruwheid worden verteld, loopen in 't ongelooflyke. Toch zyn er in zekere gevallen menschen van die soort noodig. Ik beweer dat er ook thans behoefte is aan personen die moed en kracht hebben om op eigen verantwoordelykheid te breken met den sleur. Waarlyk, er zyn heden-ten-dage in ons Indie dingen te verrichten, waarby die postweg kinderspel is! Of de Daendels die daartoe verwacht en gewenscht wordt, zou kunnen volstaan met de eigenschappen die 'n zeventig jaar geleden aan de eischen beantwoordden, blyft te betwyfelen. Ik spreek in den tekst van "bezwaren die z'n tegenstanders in 't Moederland hem in den weg legden." Wat is in ònzen tyd het lot van iemand die in Indiën iets verbeteren wil? Hoe zwaar Daendels taak ook moge geweest zyn, hy had niet te worstelen met 'n wysneuzige Tweede Kamer en de ministerschappen die uit zoo'n Kamerregeering voortvloeien.
Wat overigens onzen "Maarschalk" aangaat—maréchal de Hollande, namelyk, want na de inlyving werd-i teruggezet tot generaal—ook ten zynen opzichte is het te betreuren dat wy Hollanders zoo schraal voorzien zyn van Mémoire-litteratuur, een fout die onze Geschiedenis dor maakt, en slechts begrypelyk voor de zoodanigen die, geen oordeel genoeg hebbende tot niet-begrypen, volkomen tevreden zyn met ongerymdheid. De levensloop van Daendels was 'n drama. Dit is optemaken uit het weinige dat officieel van hem bekend is, en uit de vele vertellingen die in de Chinesche kerk [98] omtrent hem in omloop zyn. Een goedgeschreven levensgeschiedenis van dien man zou licht werpen op 'n belangryk tydvak onzer historie van den patriottentyd af tot de restauratie toe. Op z'n armzalig knoeien by gelegenheid der inlyving van ons landje, wees ik reeds in m'n Idee 515. Wie by 't lezen van die bydrage in 't oog houdt dat onze "Maarschalk van Holland" een gewezen patriot was—en een van de vurigsten!—zou verbaasd staan over 's mans verregaande karakterloosheid, indien niet zyn verbazing uitgeput ware door 't letten op de algemeenheid van die kwaal. Ook in 't zeer belangryk werk van den heer Van Lennep (het leven van Mr. C.v.L. en Mr. D.J.v.L.(*)) vindt men kostbare maar bedroevende bydragen tot deze waarheid. Wie de Geschiedenis grondiger bestudeert dan uit officieel-goedgekeurde schoolboekjes mogelyk is, zal erkennen dat men zeer zelden in de rei der personen die zy ons te aanschouwen geeft, een karakter aantreft.
Toch blyft het de vraag of men Daendels goed zou beoordeelen, indien men alleen achtsloeg op z'n lamlendig gedrag in de maand Februari 1811. Het wantrouwen waarmee eenige jaren later Willem I hem onderscheidde, schynt aantetoonen dat men hem tot iets buitengewoons in-staat achtte. Z'n benoeming tot gouverneur der Bezittingen op de Goudkust—die heele bezitting stond in belangrykheid beneden menige kontroleursafdeeling op Java!—die benoeming was 'n soort van gevangenschap. Ik weet van goederhand dat hyzelf de zaak dan ook als zoodanig beschouwde. By gelegenheid zal ik eenige staaltjes meedeelen van z'n inborst. Al verdient hy geen plaats onder beroemde mannen, een vreemde verschyning was-i zéker. Dit is al iets in onzen tyd van jammerlyk ordinarisme!
(*)Ziedáár Mémoires! Toch blyft het by de onmiskenbare waarde van dat werk te betreuren dat de schryver gemeend heeft … hoe zal ik me uitdrukken? Godbewaarme dat ik schandaal zou aanpryzen, maar de menschkundige lezer voelt by 't volgen van de biografien der beide van Lennepen, dat er hier-en-daar iets moet overgeslagen zyn. Hoe dankbaar ook voor de kostbare bydragen tot de kennis der zeden van dien tyd, wordt toch het oog vermoeid van de vlekkeloosheid der twee brave Hendrikken waaraan de auteur 't aanzyn dankt. Het gekste is dat Jakob van Lennep zelf noch "brave Hendrik" was, noch lust had er voor doortegaan. Ik gis dus dat de gapingen waarop ik doel, voldoen moesten aan den smaak en de eischen van zeker soort van Publiek, aan welke invloed Mr. Jakob V.L. zich—jammer genoeg!—nooit wist te onttrekken. Juist 'n menschenvrees van zóódanigen aard belette hem de Havelaarszaak dóórtezetten zooals aanvankelyk inderdaad z'n plan was.
12. Radhen Adhipatti Karta Natta Negara. De drie laatste woorden zyn de naam, de twee eersten drukken den titel uit. Het spreekt vanzelf dat de juiste vertaling van zoodanigen titel moeielyk is. Toch heeft het de oude Valentyn in z'n werken over Oost-Indie beproefd. Hy spreekt van "hertogen" en "graven." Hierin ligt voor iemand die de Inlandsche Hoofden kent, iets zonderlings. Na de velerlei titels van meer of min schynbaar-onafhankelyke Vorsten is die van Pangérang de hoogste. Zoo'n Pangérang zou men met eenigen kans op juistheid, Prins kunnen noemen, omdat deze rang ontleend is aan verwantschap met een der regeerende huizen van Solo (Soerakarta) en Djokja (Djokjakarta) schoon hierop, naar ik meen, uitzonderingen bestaan, waarmee we nu niet te maken hebben. De naastvolgende titel is die van Adhipatti, of voluit: Radhen Adhipatti. Radhen alleen duidt 'n rang van lager orde aan, doch die nog vry hoog boven 't gemeen staat. Iets lager dan Adhipatti staan de Tommongongs.
De adel speelt in de javasche huishouding een groote rol. Het Gouvernement heeft zich 't recht aangematigd adelyke titels toetekennen, iets dat eigenlyk met het grondbegrip van onderscheiding door geboorte in stryd is. Ook in Europa evenwel zien wy 'tzelfde verschynsel. Stipt genomen kan een Regeering iemand toestaan zekeren titel te voeren, de voorrechten te genieten die aan zekeren stand verbonden zyn. maar geen macht ter-wereld kan bewerken dat iemand wiens voorouders onbekend waren, op-eenmaal de afstammeling wordt van een geslacht dat reeds eeuwen geleden in aanzien was. Wat Java aangaat, de gebeneficieerden berusten vry geduldig in 't hun toegeworpen voordeel. Men beweert echter dat er onder de minder gunstig bedeelden—en misschien ook onder de Bevolking, die voor echte stamregisters religieuzen eerbied heeft—plan bestaat om de diplomen welke de oude O.I. Kompagnie uitreikte, en die welke door de Buitenzorgsche Sekretarie verleend werden, by de eerste gelegenheid te herzien. Er zyn weinig of geen adelyke geslachten op Java—de regeerende vorsten van Solo en Djokja niet uitgezonderd —welker titels en officieele pozitie geen stof leveren zouden tot kontroverse en verzet. Dit wacht maar op 't breken van een der mazen van 't net waaronder de geheele javaansche huishouding gevangen ligt.
13. Mechanismus van 't Bestuur. Jonge lieden die den Havelaar voor eerst lezen in deze uitgaaf, kunnen zich geen denkbeeld maken, hoe volstrekt noodig in 1860 de schets was van de inrichting onzer heerschappy in Indie, die in de volgende bladzyden van den tekst gegeven wordt. En meer nog: op de hoofdplaatsen in Indie zelf was, kort geleden nog, 't mechanisme van ons Bestuur een gesloten boek. Van deze onkunde zou ik vreemdklinkende voorbeelden kunnen aanhalen. Tot juist begrip evenwel van de zeer kunstige—en toch eenvoudige!—wyze waarop 't machtig Insulinde door een zwakke natie onder de knie wordt gehouden, verwys ik naar m'n beide brochures over Vryen arbeid.(*) De fout der Nederlanders is dat ze aan 't vreemde in onze verhoudingen daarginds zoo gewoon zyn geraakt, dat ze er niets byzonders meer in zien, en meenen dat alles vanzelf zoo blyven zal.
(*)(Vooral naar de tweede: Nog eens Vrye-arbeid, Delft by J. Waltman Jr.)
Wat overigens de inrichting van het Binnenl. Bestuur aangaat, mag ik niet onvermeld laten dat sedert eenige jaren de Residenten als Voorzitters van den Landraad vervangen zyn door z.g.n. rechterlyke ambtenaren. Deze splitsing van gezag—ook vooral noodlottig uit 'n politiek oogpunt—draagt ruimschoots het hare by tot den ellendigen toestand waarin 't Inlandsch Rechtswezen op Java verkeert. Veiligheid van personen en goederen heeft sedert dien baarschen maatregel schrikbarend afgenomen. Het Ketjoe-wezen neemt by den dag in omvang toe.
14. Nederlandsch Indie. Sommigen rekenen de eilandengroep die misschien eenmaal Nieuw-Holland aan de vaste kust van Indie verbond, mèt dit laatste tot Australie. Anderen spreken van Polynesie en Melanesie. Elders weer lezen wy van Oceanie. In al deze gevallen staat het aan ieders willekeur om de toepassing van zulke benamingen al dan niet uittestrekken tot de Gezelschaps-en Markiezen-eilanden. Maar die verdeelingen zyn en blyven konventionneel. Van meer gewicht is de vraag of onze bezittingen in die streken Nederlandsch zyn? In politieken zin, ja. In socialen zin echter even weinig als in geografische beteekenis. Niets is minder nederlandsch dan de bodem, 't klimaat, de fauna, de flora, van al die eilanden. Niets ook is minder nederlandsch dan de geschiedenis der bewoners, dan hun traditien, hun godsdienst, hun begrippen, hun karakter, hun zeden en … hun belangen. Ook zonder de minste politieke nevengedachte stuitte my altyd een kwalifikatie die zulke onjuiste denkbeelden in 't leven roept, en daaraan heeft men de invoering te danken van 't woord Insulinde, waarmee de lezer nu wel eenigszins gemeenzamer wezen zal dan Droogstoppel bleek te zyn, toen hy die benaming voor 't eerst ontmoette in Sjaalmans pak. (blz. 33) (zie de alinea die begint met: "Over een konstitutie …", M.D.)
15. Sawah's, gagah's, tipar's. Rystvelden, onderscheiden naar ligging en wyze van bewerking, vooral met het oog op de mogelykheid om ze al of niet van water te voorzien.
16. Padie. Ryst in den bolster.
17. Dessah. Dorp. Elders: negrie. Ook: kampong.
18. Kultuur-emolumenten. Deze zyn, wat de europesche ambtenaren aangaat, afgeschaft. 't Spreekt vanzelf dat ik, die op de noodlottige werking van deze perspompmekaniek gewezen had, niet genoemd werd by de beraadslagingen over dat onderwerp. Of de maatregel overigens de bedoelde verlichting voor den Javaan ten-gevolge heeft, valt te betwyfelen, daar men verzuimd heeft de vaste inkomsten der europesche ambtenaren in de binnenlanden te verhoogen. Ze zyn en blyven genoodzaakt diensten en leveringen van den Javaan te vorderen, die nergens beschreven staan.
19. Geheele distrikten uitgestorven van honger. Waarschynlyk doelde ik hier op den hongersnood die 't Regentschap Demak en Grobogan ontvolkte. Na '60 evenwel—en thans vooral niet minder dan vroeger—zyn de berichten omtrent dergelyke kalamiteiten zoo menigvuldig, dat het de moeite niet loont daarvan geregelde opgave te doen. De bewering dat er op Java telkens hongersnood heerscht, is 'n truism geworden. Wat Lebak in 't byzonder aangaat, daar waren ze geregeld-periodisch. Hierop zal ik terugkomen.