WeRead Powered by ReaderPub
Mieke cover

Mieke

Chapter 10: HOOFDSTUK IX. EIGENAARDIGE TOESPELINGEN.
Open in WeRead

About This Book

A young girl balances school and household duties while caring for her ailing grandmother in a small cottage; a changeable summer gives way to gloomy autumn, and the home's usual cheer fades as the elder's health declines. The plot follows the girl's practical efforts to keep the household running, manage meals and chores, and cope with worry alongside her lessons. The narrative emphasizes family devotion, quiet responsibility, everyday domestic life, and the resilience required during the gradual strains of growing up.

[Inhoud]

HOOFDSTUK IX.

EIGENAARDIGE TOESPELINGEN.

Het liep tegen Kerstmis; de donkere dagen waren donkerder dan ooit, en guurder en triester. Tante Sophie, wat verkouden en influenza-achtig, hield het grootste deel van den dag het bed. Haar ongesteldheid gaf veel drukte, en Mieke, op wie de extra bediening van ziekesoepjes, warme kruiken, heete melk met poedertjes, en drankjes hoofdzakelijk neerkwam, hoopte van harte op de aanstaande kerstvacantie. Mocht tante dan nóg ziek zijn, zoo zou ’t voor Mieke in ieder geval toch gemakkelijker wezen, omdat ze haar dag dan minder behoefde te verdeelen en slechts de veelvuldiger huishoudelijke bezigheden te verrichten had zonder daarbij nog zorgen te hebben voor schoolgaan en lessen-leeren. Nu liep haar hoofd dikwijls om van de massa’s ongelijksoortige beslommeringen, en spreekt het vanzelf, dat Mieke hartgrondig verlangde naar de vacantie, waarin ze tenminste van een gedeelte harer veelzijdige plichten zou bevrijd zijn.

Ondanks de ziekte van mevrouw Van der Hoeve heerschte er in huis echter niet de minste droefgeestigheid. Wel-is-waar waren vele van Olga’s en Erik’s kennissen naar hun familie buiten de stad vertrokken, [151]zoodat er minder gasten kwamen dan vóór de studenten-vacantie, maar daarentegen verschenen tante Sophie’s vriendinnen des te vaker om, naar het heette, de zieke wat op te vroolijken. Zij hadden dan boven op de slaapkamer langdurige en min-of-meer geheimzinnige conferenties, die, wanneer Mieke onverwachts binnenkwam met thee voor de dames en ’t een-of-ander voor de zieke, eensklaps overgingen in voor ’t meisje onbegrijpelijke toespelingen en wonderlijke knipoogjes. Tante Sophie kon soms ook zeer eigenaardige dingen tot Mieke zeggen over „een buitengewoon groote verrassing” en „een groote, op handen zijnde verandering”, waarvan Mieke geen syllabe begreep, iets wat tante dan blijkbaar niet prettig vond, terwijl ze toch niet duidelijker mocht zijn naar haar zeggen, omdat ’tgeen, waarop zij doelde, nog een geheim moest blijven,—het geheim van anderen.

De mevrouwen echter schenen dit geheim toch allen te doorgronden. Zij lachten althans met verstandhouding—sommigen ook wat gedwongen—en stelden allerlei fluisterende vragen aan tante Sophie, die deze weer op raadselachtige wijze beantwoordde en van eigenaardige lachjes deed vergezeld gaan.

Bijwijlen liep Mieke over al die geheimzinnig-doenerij te prakkizeeren, daar ook Olga vreemd deed, zéér tot ongenoegen van Loes.

„Kind, wat praat je toch gekke dingen!” riep zij eens geïrriteerd uit. „Zeg dan wat je bedoelt,” en met [152]verbazing keek Loes haar zuster aan, stil wordend opeens. Want wat haar nog nimmer overkwam: de indruk harer zusters uiterlijke bekoring trof haar eensklaps in hooge mate en onverhoeds. Eigenlijk had zij nooit zoo precies op Olga gelet. Zij hoorde wel haar schoonheid roemen, en bemerkte, hoe velen haar trachtten te imiteeren, maar zij was groot geworden met haar zuster en zag niets buitengewoons aan haar. Het verwonderde haar zelfs menigmalen, dat velen Olga zoo zochten. Waarom?… Zij wist maar al te goed, dat Olga’s vriendschap op-en-neerging met de omstandigheden harer vriendinnen: het waren slechts gefortuneerde, voorname of eminente meisjes, (of jongens) die mochten bogen op Olga’s sympathie. O, zeker, Olga kon charmant en hartelijk zijn tegen hen op wie ze het begrepen had, maar Loes vroeg zich wel eens af, of dan niemand in haar trekken las hoe nukkig, hoe koel en hard zij wezen kon. Of zou dat hen allen niet deren?… Háár deed zij dikwijls pijn en zij adoreerde Olga niet. Ze kon het niet helpen, zij verweet ’t zichzelve soms, maar ze hield niet van haar zuster, niet innig tenminste, zooals haar hart ’t verlangde. Een zekere band van gewoonte en gemeenschappelijke belangen bond haar-beiden, ook vaders liefde voor z’n twee meisjes, die Loes zich verplicht voelde te moeten deelen,—maar tevergeefs zocht de jongere naar een teeder sentiment, een sterk vertrouwen als ze aan de oudere dacht, en zij voelde daarin maar al te vaak gemis, verdriet zelfs somtijds. [153]

Nooit hadden de zoo algemeen geroemde gaven harer zuster dus in die mate indruk op haar gemaakt als op buitenstaanders. Thans evenwel kwam ook zij eenige oogenblikken onder de macht ervan, werd ook zij voor een korte wijle geboeid door Olga’s nog nooit zóó overbluffend uitkomende schoonheid en houding als nu. Voor de eerste maal zag zij haar zooals anderen haar zagen, en Loes’ blik ging één moment in sterke bewondering langs haar zuster. Zij was onthutst. Evenals Mieke gevoelde zij zich nietig worden; maar ook in háár kwam die felle onwil als in Mieke, toen deze nog vocht om haar standpunt van gelijkheid met het bevoorrechte nichtje … Doch dit alles duurde slechts kort. Loes werd spoediger nuchter dan Mieke; zij had zich ook niet voor ’t vervolg te beveiligen, gelijk deze. Zij ging zich afvragen, waaróm Olga haar zoo opeens getroffen had. Hoe kwam het, dat zulk een overweldigende triomf van haar afstraalde?… Loes verdiepte zich in mogelijkheden, meer nog dan Mieke, wier aandacht door honderderlei andere kleine en groote beslommeringen in beslag werd genomen. Loes had een hekel aan die geheimzinnige apartjes van Olga met mama … En papa deed net of hij van den prins geen kwaad wist, maar z’n jongste geloofde daar niets van. Doch hij zag nu niet zoo buitengewoon glorieus, integendeel; door z’n aan de slapen reeds grijzend haar woelden dikwijls, terwijl hij in blijkbaar niet zeer opgewekte gedachten verzonken was, z’n vingers, afglijdend langs z’n voorhoofd om lang de gesloten oogen te bedekken. [154]

Dan deed Loes jolig, aaide eens over z’n hoofd, en zei: „Vertel eens, wat eraan scheelt? Wat mankeert jullie toch allemaal?”

En vader herstelde zich, deed ook jolig, luchtig zelfs. „Ach,” zei hij, afwerend, „je droomt een beetje. Wat zou ons mankeeren?”


Na een ongesteldheid van omstreeks veertien dagen kwam in mevrouw Van der Hoeve’s toestand (als je ’t zoo noemen wilt) schielijk een onverwachtsche beterschap. Het verwonderde Mieke reeds verscheidene dagen, dat tante Sophie nog maar steeds niet naar beneden ging en haar kamer bleef houden, want naar haar meening was de verkoudheid en de lichte influenza-aandoening reeds lang geweken. Zij zag er best uit en at met smaak, maar liet zich nog altijd bedienen en Mieke het vuur uit de sloffen loopen. Tante bleef echter nog wat pruilen van pijntje-hier en pijntje-daar, totdat eensklaps, een week voor Kerstmis ongeveer, zij besloot naar beneden te gaan, welk plotseling besluit Mieke met bevreemding maar ook met een zucht van verlichting vernam, hopende nu eens een paar uurtjes voor zichzelf te zullen krijgen.

Hoeveel inniger en vromer echter ging zij andere jaren het Kerstfeest tegemoet, als in de pastorie of in het vriendelijk kerkje de Kerstboom brandde; hoe hadden haar dan de tranen over de wangen geloopen van vreugde om aller blijdschap. Wat hadden de warme woorden van den ouden predikant haar [155]zulke uren ontroerd en hoe vaak had zij zich—dagen van heel jong kind doemden op in haar herinnering—niet voorgenomen beter te worden dan zij was, zich waardig te toonen, dat ook om háár het groote Licht geboren werd, dat gansch de menschheid het duister zou verhelderen en den weg zou wijzen naar liefde en vrede, zoo men dien weg maar gaan wilde met zelfverloochening, volharding en geestdrift. En hoe menigmalen had Mieke het hart van zulk een geestdrift geklopt! Altijd, àltijd had haar vóór het groote feest die stemming van wijding en vrede beheerscht, kwam haar, vooral de laatste twee jaren, altijd opnieuw het krachtig voornemen doordringen zichzelve te volmaken naar het welbehagen van den Schepper, Die het Licht gezonden had. Thans echter, afgetobd en zonder groote blijdschap, hoopte zij slechts op eenige kalme uurtjes, alleen aan zichzelf te zijn overgelaten, om èven te kunnen nadenken over wat haar andere jaren zoo spontaan en innig verheugde, en wat haar nu wel niet onverschillig, nochtans zonder diepe ontroering liet. Iets van vroeger wilde ze trachten terug te vinden boven, tusschen grootmoeders oude meubeltjes op ’t scheeve kamertje.

Doch, leek het of eenige verpoozing voor haar niet uitgesloten was, spoedig begon die vreemde stemming in huis, welke ze al sedert eenige dagen waarnam, die geheimzinnigheid, over te slaan naar toenemende agitatie.

Tante, gedurende haar ziekte vrij geduldig en [156]niet onvriendelijk voor haar verzorgster, bleek meer-en-meer nerveus te worden, en ook Olga’s hoog gespannen zelfbewustheid scheen te verslappen tot prikkelbaarheid en ongedurigheid. Zij zag er nu moe en kribberig uit, en om een haverklap bitsten er meeningsverschillen tusschen mama en haar.

Tot eindelijk, twee dagen vóór ’t Kerstfeest, de onrust in huis haar toppunt bereikte. De meiden werden gejacht, de suite moest, op Olga’s uitdrukkelijk verlangen, geheel-en-al worden uitgehaald en opgepoetst. Het werd een gestof en gewrijf en gedraaf, waaraan de heele dames-familie, behalve Loes, die met een sierlijken wuif éclipseerde, deelnam. En Mieke merkte geen ziertje van haar inmiddels aangebroken vacantie.

Olga voerde de leiding, totdat bij een tijdelijke viering der strakke teugels de werkpaardjes herademden.

De suite kreeg, onder deze geduchte behandeling, echter een aspekt van weelde en van zeldzamen glans; de zenuwachtigheid der beide dames leek, na deze prestatie van buitengewone netheid, eenigszins bekoeld, verslapt bijna. Ze schenen mat en lusteloos, hoewel toch den volgenden dag beider agitatie weer toenam.

Men zou dien dag zeer vroeg aan tafel gaan. „Er wordt bezoek verwacht,” zei mama, en Loes, die zich door al die vreemde toespelingen in het hoofd had gezet: „Er komt zeker een Kerstboom, dat is de verrassing,” [157]liet teleurgesteld die hoop varen … Bezoek!… Was dat alles?

Mieke zei bij zichzelf, dat ze blij zou wezen als dit zoo onrust-barende bezoek nu maar goed-en-wel achter den rug was, wanneer dit althans ’t einde beteekende van de inspanning der laatste dagen en van dat eigenaardig gefluister, ’twelk haar een gewaarwording gaf van onbehagen, alsof ze heimelijk in ’t ootje werd genomen, wat echter, wist ze, toch volstrekt niet ’t geval was.

Olga zat vreeselijk te drijven aan tafel: men moest zoo vlug mogelijk af-eten om tijd over te houden zich te verkleeden; en ondertusschen ontdekte zij, dat, in de overgroote drukte van gisteren en vandaag, men er niet op had gelet, dat de banketbakker de kersttaart niet had gebracht, die besteld was voor vanavond en morgen, terwijl er ook nog eenige kleinere boodschappen vergeten waren af te doen. Dit werd een chapiter voor nieuwe onrust … Betje kon onmogelijk gemist worden. Zij moest opendoen, bedienen en dergelijks. Johanna, ’t keukenmeisje, mocht niet binnenkomen. Zij was veel te lomp en had roode winterhanden. Bovendien bestelde mevrouw voor den eersten Kerstdag een uitgebreid menue, daar de gasten dien dag ook nog zouden blijven, dus was Johanna’s arbeid zóó noodig in de keuken, dat …

Olga’s doorgaans zoo beheerschte, bijna flegmatische manier van doen sloeg over naar zenuwachtige gejaagdheid en spanning. Mieke echter, hoe moe [158]ook, sprong dadelijk bij. Ze voelde, hoe dit ook van haar verlangd werd.

„Laat mij maar gaan,” onderbrak zij de kijverige bespiegelingen van Olga en tante Sophie, die elkaar verweten, dat zij dit-en-dat konden vergeten. „Zeg maar waar ik naar toe moet en wat ’t wezen zal.”

„’t Is ’t eenige wat erop zit,” oordeelde mevrouw verlicht.

„Maar zóó wil ik Mieke vanavond niet presenteeren,” bleef Olga recalcitrant nog hindernissen speuren.

„Dat begrijp ik wel; dat begrijp ik wel,” viel Mieke haastig bij, uit vrees dat aan dit onderwerp weer uitbreiding zou worden gegeven. „Ik verkleed me, zoodra ik thuiskom, in een wip. En ik zal wel hard loopen.”

„Of laat mij gaan,” stelde Loes, hoe anders ook ’t land hebbende aan boodschappen-doen, gewillig voor, ziende de donkere kringen om Mieke’s oogen.

„Welneen,” weerde Mieke af, wetende, hoe dit niet in tante’s bedoeling lag.

„’t Is beter dat Mieke gaat,” vond tante Sophie dan ook. „Want jij moet nog een ceintuur op je jurk naaien.”

Nu luwde de onrust wat bij die bevredigende oplossing en tante begaf zich naar boven om haar toilet te maken, waar ze gewoonlijk nogal veel tijd voor noodig had en Loes ging naar haar kamertje om zich zuchtende op de visite te prepareeren, want ze had nu eenmaal een gruwelijken hekel aan visite. [159]

Olga draaide intusschen de elektrische kroon op in het salon, en in het sterke, schitterende licht gaf het volle vertrek wederom dien glans van overdadige luxe, welke Mieke zoozeer trof dien eersten dag van haar komst hier in huis. En terwijl zij nog gauw even alles in gereedheid bracht voor de thee, zoodat, als het water kookte, men maar behoefde op te schenken, legde Olga de laatste hand aan het salon door ’t met wat door vader meegebrachte bloemen te verfraaien en vervroolijken, haar nichtje ondertusschen diverse commissies opdragende. In de eerste plaats moest ze dus de koekjes halen, die Tenback vergeten had te bezorgen, en vooràl de juffrouw een standje geven over de taart!… Uitdrukkelijk diende zij te zeggen, dat die vanavond nog bezorgd moest worden. „Verder …” en nu volgden er nog een viertal andere boodschapjes … Zou Mieke die maar niet liever even noteeren?—En Mieke noteerde.

Olga, ten laatste klaar met haar opgaven en het bloemen-schikken, sloot de schuifdeuren, het verlichte salon dus van de huiskamer scheidend, wat Mieke verwonderde … Deed Olga dit per ongeluk? Altijd, als er gasten kwamen, stond de suite open. Ze maakte er haar attent op.

„Het licht brandt nog in de voorkamer,” zei ze.

Doch Olga, geheel bekomen van haar wrevel om de vergeten boodschappen, lachte. Ze lachte overmoedig. „Ja,” riep ze, „de schuifdeuren blijven éérst gesloten.” Er was nu geen ironie in haar manier van doen, niet de minste geringschatting ook. Integendeel [160]zag zij Mieke bijna vroolijk in ’t verwonderde gezicht, en eensklaps klonk daar voor deze, in die schertsend uitgesproken woorden, èven een klankje van gemeenzaamheid; zij voelde zich verward een oogenblik. Maar dan scheen zij de ander nader te komen, zag zij een slagboom opgeheven tusschen haar-beiden, een heel smal bruggetje, dat een kloof overspande. Er ging iets van Olga tot haar uit, dat moment, wat Mieke aandeed als een vriendschappelijk hand-reiken, terwijl tot-nog-toe al Olga’s uitingen haar hadden beroerd als aangezichtslagen. Mieke beefde; zij kreeg een lichten schok … Kon ’t dan tóch misschien ééns zoo worden, dat zij elkander waardeeren zouden als gelijken, elkander niet meer bestrijdend in heimelijke tournooien, maar achtend, zij ’t dan ook niet liefhebbend. Mieke’s zoo door haar gevreesde en bestreden zelf-onderschatting verdween gansch bij deze toenadering, welker grondslag echter waarlijk toch zoo groot niet was als zij meende in het blijde opleven harer verwachting. Want die grondslag werd er op verre na niet één, waarop ooit een gebouw van vriendschap zou kunnen rijzen,—de vermeende toenadering werd gansch verkeerd uitgelegd. Zij hief geen slagboomen op, evenmin als zij kloven overbrugde. Twee elkander geheel vreemde naturen, twee tegenstrijdige sentimenten vinden nergens de slagboomen geheven, vinden nergens een overbrugging om elkander te bereiken. Olga dacht geen seconde aan Mieke. Maar zij vergat haar ditmaal, en wel totaal. Haar eigen verwachtingen deden [161]haar zelfs zichzèlve vergeten, en bij het in spanning tegemoet zien van wat komen zou liet zij, onbewust evenwel, haar laatdunkendheid varen, haar spot- en geringschatting, doch trad daarvoor in plaats een onbeteugelde vreugde om datgene, wat Mieke nog maar niet begreep. Deze vreugde overschaduwde de door Mieke zoo gevreesde eigenschappen en belichtten daarentegen Olga’s onbetwistbare bekoorlijkheden, onder welker invloed zelfs Loes onlangs zwichtte. Laat staan dus Mieke … O, hoe innig hoopte deze steeds op wèrkelijke verbetering in beider verhouding, niet een schijnbare voor welke zij toch steeds op haar hoede moest zijn … Eensklaps meende zij daar nu het begin van te ontdekken! En het verheugde haar. Het verheugde haar buitengewoon … Zij sloeg dadelijk over in een toon van vroolijke verrassing en vroeg, wat het dan toch wel wezen mocht, dat Olga zoo opgewekt maakte? Zij was wel zeer benieuwd naar het geheimzinnige bezoek.

Olga, zeldzaam lief in haar grootere natuurlijkheid, riep, dat ze daar onderweg maar eens goed over denken moest, en dat ze maar gauw terug moest komen om zelf te zien! „De hooge gasten,” en heel Olga’s persoontje tintelde van overmoed, „komen omstreeks half acht. Dan moet je kant en klaar beneden wezen, denk erom. Prakkizeer maar eens heel flink, wie er dan zijn zullen!” Lachende gleed zij de kamer uit.

Mieke zag haar na, onwillekeurig meelachend,—[162]maar toen begon ze te peinzen … Doelde de verrassing misschien op háár?… ’t Bloed vloog haar naar de wangen … Zou Geert soms komen?… of dominee Rensen?… of misschien juffrouw Wije?… Maar neen, dat zou onmogelijk wezen. [163]