WeRead Powered by ReaderPub
Mieke cover

Mieke

Chapter 16: HOOFDSTUK XV. DE BRUILOFT.—STRIJD.
Open in WeRead

About This Book

A young girl balances school and household duties while caring for her ailing grandmother in a small cottage; a changeable summer gives way to gloomy autumn, and the home's usual cheer fades as the elder's health declines. The plot follows the girl's practical efforts to keep the household running, manage meals and chores, and cope with worry alongside her lessons. The narrative emphasizes family devotion, quiet responsibility, everyday domestic life, and the resilience required during the gradual strains of growing up.

[Inhoud]

HOOFDSTUK XV.

DE BRUILOFT.—STRIJD.

Al was Mieke de laatste jaren ook aan luxe en uiterlijk vertoon gewend geraakt, de bruidspartij overtrof toch verre haar verwachtingen. Ditmaal niet gepasseerd, zooals bij het engagementsdiner, bevond ook zij zich te midden der talrijke gasten. Het duizelde haar, luisterde zij naar de vele schoonklinkende woorden als: „het heil van het bruidspaar is ook ons heil”, „onverbrekelijke banden” en „onveranderlijke vriendschapsgevoelens”.—Waren àl deze menschen Olga’s en Bogaerts’ vrienden? Elkanders vrienden? Onveranderlijke vrienden? Zoovelen?… Mieke, gewoonlijk slechts aarzelend haar gevoelens uitend, zich moeilijk gevend en alleen dàn wanneer ze waarachtige sympathie voelde, stond van dit alles versteld.

Zij zag er aardig uit in een lila japonnetje, een geverfd en vermaakt van Olga, maar welk toiletje haar bij heur blonde haar en zacht gezichtje iets heel jongs en onschuldigs gaf. Tot-nu-toe beschouwde elkeen „het nichtje van Van der Hoeve” zoo eenigszins als een nullig, simpel wezentje, dat langs een ieder ging. Nu waren er jongelui, die met verbazing haar begonnen [238]op te merken. Niet geestig kon men haar noemen, doch bevallig of indrukwekkend, maar lief, wel héél lief. Men sprak tot haar op ingehouden en vriendelijke wijze, reflex van haar eigen manier van doen. En Mieke, die ervóór ontzettend tegen het feest had opgezien, viel het nu werkelijk meer-en-meer mee. Zij werd daarom wat vrijer en ongedwongener na de eerste oogenblikken van schroom in die groote, hel verlichte zaal vol luisterrijk gekleede menschen; ze lachte nu-en-dan hartelijk om de een-of-andere grap en begon zich te amuseeren.

Tot Olga, even in de nabijheid toevend van ’t geanimeerd clubje, waarin ook Loes zich vermaakte, luisteren bleef en, met een lachje en een tikje op haar schouder, Mieke toevoegde: „Ik wist heusch niet, zeg, dat jij zoo flirten kon,” Mieke’s vroolijkheid met één slag verdrijvend.

Flirtte zij?… Onmiddellijk betrok Mieke’s warm, opgewekt gezichtje … Deed ze mal, zooals enkele van Olga’s vriendinnen en sommige meisjes van school?… Had ze zich aangesteld?… Een gevoel van schaamte deed haar hevig blozen. Neergeplofd trok ze zich terug, schuchter als altijd. Zij was weer klein tegenover Olga.

Tante Sophie, in haar element als nooit voor dezen, zat als bruidsmoeder op den troon. Alle kwaaltjes en ongemakjes, alle wenkbrauwfronsen van Egbert, alle zuinigheidsplannen waren vergeten. Olga, haar trots, toonde heden onuitwischbaar het stempel van haar moeders opvoeding. Èn het resultaat. Egbert [239]mocht haar altijd bestreden hebben, openlijk of zijdelings, hij mocht herhaaldelijk op het aambeeld hebben geslagen: „Je voert de kinderen te veel de hoogte in. Als het maar goed voor ze is,”—heden werd de kroon gezet op haar werk, deze avond bracht haar den onbetwistbaren, volkomen victorie. Egbert en de kinderen moeten haar dankbaar zijn.

Toen, eenige dagen daarna, de huwelijksinzegening!

Mieke, niet in den familiestoet maar onder de belangstellenden in de kerk, deed moeite zich een stemming van wijding op te dringen, maar haar godsdienstig gevoel détoneerde. Daar ging geen machtige innigheid, geen breede straal van liefde uit van het schoone, bewonderde bruidspaar, geen diepe, vrome bede steeg omhoog van de ouders voor de kinderen. Toch was ’t geheel zeer imponeerend. De deftige pa’s en ma’s, de overige verwanten, zij zaten met ernstige gezichten te luisteren naar de goed gekozen rede van den predikant. Het orgel speelde „de Hochzeitsmarsch”; een dame zong: „Wo du hingehst, da will auch ich hingehen …” maar in de consistorie herinnerden zich waarschijnlijk slechts enkelen het tekstwoord: „En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde.”

Maar: „’t Toucheerde,” zei stralende mama tot mevrouw Bogaerts, met een verrukt glimlachje een traan wegpinkend. „’n Beeldige preek, nietwaar?”

„’t Toucheerde ontzettend. Schitterend; schitterend,” beaamde mevrouw Bogaerts. [240]

Nog een klein déjeuner en-famille thuis, waarna het bruidspaar op reis ging.

En ook deze mijlpaal was geheid,—voor immer.


De eerste dagen volgde op de doorgemaakte emoties natuurlijk een reactie. Allen voelden een leegte. Tante Sophie, wier wilskracht, zoodra zij deze concentreerde, ongeloofelijke dingen kon verrichten, doch wier niet sterk gestel slechts matig bestand was tegen al te groote inspanning, plofte neer. Moe, overmoe werd zij zeer prikkelbaar.

Nu ze haar doel bereikt had, scheen ’t haar toe iets verloren te hebben. Een verwezenlijkt ideaal is somtijds een verloren illusie!… O, zij hoopte zeer zeker nu op Olga’s terugkomst in heur eigen comfortabel home, zij verheugde zich op de bezoeken bij haar getrouwde dochter, maar voor het oogenblik kon tante Sophie de leege dagen, die volgden, nog niet goed verduren, voelde zij zich ontevreden en nerveus.

Mieke verdroeg haar minder aangename humeuren zooals zij ze altijd verdroeg, met geduld, hoewel ook met toenemend verlangen spoedig ervan verlost te zijn. Echter nog niet onmiddellijk na Olga’s heengaan wilde zij tante Sophie opnieuw irriteeren met de mededeeling nu eindelijk eens te gaan solliciteeren naar een plaats, maar toen er een paar weken verloopen waren en zich een goede gelegenheid aanbood erover te beginnen deed zij het.

Evenals na Mieke’s examen en in de daarop volgende [241]drukke maanden gebruikte mevrouw Van der Hoeve haar trucjes van eroverheen-praten en negeeren, doch zóó positief hield Mieke vol, dat tante ten slotte wel luisteren moest.

Wat het meisje voorzien had, tante Sophie toonde zich zeer tegen haar plan gekant en sprak verwijtend van grove ondankbaarheid. Toen ze zag hier weinig mede te bereiken en dat Mieke op haar stuk bleef staan werd zij vinniger, beriep zich op oom Egbert.

In den grond Mieke’s wenschen kunnende plaatsen en er niet op tegen hebbende dat zij een anderen werkkring zocht dan uitsluitend dien van hulp zijner vrouw, mits ze maar bij hem in huis bleef, viel hij het nichtje niet zóó af als mevrouw Sophie wel wenschelijk achtte.

„Het spijt me werkelijk, tante,” zei Mieke aan het eind van het twistgesprek, „dat ik u misschien een beetje in ongelegenheid moet brengen, wanneer ik ’s morgens en ’s middags niet meer thuis kan zijn, maar ik wou, dat u begreep hoe m’n heele toekomst ermee gemoeid is.”

„Heele toekomst!” bitste tante. „Groote woorden. Zei ik niet dat je hier, desnoods, bij mij ook salaris kunt krijgen?”

„Maar wat helpt dat, tante? Ik moet toch eindelijk eens een begin maken met les te geven.”

„Waarom? Je kunt wel degelijk hier blijven, de eerste jaren althans nog. Heb je het hier niet goed?”

„O ja,” kwam er aarzelend.

„Nu dan? Wat wil je? Een plaats,—dat dient [242]voorloopig nergens toe als je bij mij in betrekking kunt zijn.”

„Maar dat wil ik niet,” ontviel Mieke, zeer beslist, echter niet onvriendelijk.

Oom Egbert zat erbij en zei niet veel, keek onrustig van de één naar de ander.

„Ik zal u zooveel mogelijk blijven helpen,” beloofde Mieke bedaarder, „maar ik wil bij ’t onderwijs beginnen, desnoods voor tijdelijk of als kweekeling.”

Tante Sophie’s tegenwerpingen namen toe in scherpte; haar min-of-meer flets gezicht kreeg een verhoogde kleur, wat haar niet goedstond. Zenuwachtig knipperde ze met de oogen.

Oom Egbert zat tusschen twee vuren … Als het kind toch in Amsterdam en bij hen wilde blijven waarom haar dan verder bemoeilijkt? ’t Was waar, Sophie raakte zeer aan Mieke’s hulp en vlugheid gewend, maar als ze nu per se een andere richting uitwilde mocht men haar toch niet tegenhouden?

„Wanneer Mieke nu belooft je niet heelemaal in den steek te laten …” opperde hij aarzelend, ziende hoe het Mieke ernst werd haar wil door te drijven, en kennende dien trek van vastberadenheid op haar gezichtje, welke hem aan zijn moeder herinnerde.

„Dat wil ik,” stemde Mieke nog eens toe, warmer wordend, in tweestrijd komend, meer-en-meer, wàt te doen: te zeggen ’tgeen zij nog verder wenschte als ze meerderjarig was, of nog tot zoolang te zwijgen … Het jonge hart klopte onstuimig. Zoolang [243]verborg zij reeds haar vurigste wenschen, en—de mond liep over. Zij sprak vlugger dan gewoonlijk.

„Tot het volgend jaar,” zei ze, „wil ik hier blijven, tot ik mondig ben. Maar dan, oom, tante, dàn wil ik ook vrij zijn, heelemaal vrij! Ik ben dankbaar voor alles wat u voor me gedaan hebt, maar ik weet ook, dat ik handel in grootmoeders geest als ik eenmaal zelfstandig wil wezen. Ik wil dan een overzicht hebben van wat ik bezit en m’n geld zelf leeren beheeren. Ik wil een plaats zien te krijgen op een mooi dorp of in een kleine stad … Ik …”

Oom Egbert was bleek geworden.

„Dus,” onderbrak hij haar scherp, z’n wenkbrauwen waren gefronst, „dus jij wilt hier beslist wèg?”

„Is dat onze dank?” viel tante grif bij.

„Dank, dank,” weerde oom Egbert af, „dank is niet direkt noodig, maar …”

„Niet noodig? We hadden haar toch niet den kost te geven, waar dit niet behoefde? Maar we zouden het gedaan hebben, als het wèl noodig was geweest; dàt vergeet je!” Driftiger werd mevrouw. „De gedachte te verduren altijd iemand in je huis te hebben gehad, die alles op touw zette om zoo gauw mogelijk bij je vandaan te komen, die het altijd vreeselijk bij je heeft gevonden, ’t is … ’t is …”

„Dat niet, tante, werkelijk niet,” probeerde Mieke haar tevergeefs te overtuigen, het gezichtje rood van opgewondenheid, „ik hèb het hier niet zoo vreeselijk gevonden, als u wel meent, en ik heb er niet [244]altijd over gedacht hier weg te komen. Maar ik wil vrij zijn, eens mezelf worden. Kan u dat niet meevoelen? Kan u niet begrijpen, dat ik ook eens iets anders wil wezen dan, zooals hier …”

„… de sloof,” vulde tante scherp aan. „Zeg maar de sloof, dat bedoel je toch immers.”

„Neen, tante, ik bedoel het afhankelijke nichtje.”

„Afhankelijke nichtje,” sprak oom weer afwerend. „Ben jij hier zoo verschrikkelijk afhankelijk?… Goed,” viel hij eensklaps bij, „ik ben er niet langer op tegen, dat je hier in de stad een school zoekt. Als ’t je aanstaat zoo gauw je wilt. Bèst! Maar wees daar dan ook tevreden mee en praat niet langer over afhankelijkheid en zelfstandigheid en dingen waar je geen verstand van hebt, zooals het beheeren van je geld.” Ongedurig liep hij heen-en-weer.

Mieke stond verslagen.

„Ik zei,” sprak ze nu zacht, met bevend mondje „ik zei, dat ik het wilde lééren beheeren. En daar heb ik toch het recht toe. Het is toch billijk, om op mijn een-en-twintigste jaar te gaan en te doen en te willen waar en wat ik wil.”

Nu viel met harden slag een vuist op tafel. Mieke week achteruit en sidderde. Ook tante Sophie schrok, schoon ze later Egbert’s krachtig optreden als zéér flink had geprezen.

„Recht?” riep hij. „Recht? Natuurlijk heb je recht, maar ik zou mij schamen van zulk recht gebruik te willen maken, tegenover ons.”

Kleintjes kromp Mieke ineen. Zóó verslagen was ze [245]nog nooit geweest … Ook oom Egbert liet haar dus in den steek, als het erop aankwam? Blijven moest ze hier, àltijd blijven onder tante’s regime, altijd de dienares wezen van den schoonen schijn en den liefdeloozen plicht, zonder ooit zichzelf te kunnen ontplooien: het nichtje, dat geduld werd, hoogstens een weinig geapprecieerd omdat haar hulp te pas kwam en, misschien—feller en bitterder werd zij, arme, zachtzinnige Mieke—omdat zij daarenboven nog kostgeld betaalde!

Hoog laaide verzet in haar op. Met Loes sprak ze er echter geen woord over. Zij kende Loes’ impulsiviteit en vreesde onmin voor haar met de ouders. Zij wilde haar niet in moeilijkheden brengen, hoewel: Loes voelde den gespannen voet.

En het bleef werken en woelen in Mieke; snel groeide sindsdien haar vastberadenheid; haar lijdelijkheid gaf zich gansch-en-al prijs, zij ’t nog verborgen. Oom Egbert’s plotse uitbarsting maakte haar voor ’t oogenblik nog krachteloos, doch haar wilskracht won veld. Hier-blijven beteekende onveranderlijke ondergeschiktheid. Hoe meer zij dit inzag, hoe grooter haar verlangen werd naar vrijheid, hoe breeder en sterker haar illusies zich verduidelijkten. Zij wilde buiten tot zichzelf komen, daar eenigen tijd onderwijzeres blijven, om dan frisch voor een middelbare akte of voor een hoofdakte te gaan studeeren … Maar éérst moest zij niet meer gebonden wezen en zichzelve terugvinden als grootmoeders kleinkind. Weg van hier moest ze, het koste wat ’t wilde! [246]In vredesnaam zelfs oom Egbert getrotseerd!

Zij telde de maanden, die nog vóór Januari, vóór haar verjaardag, verloopen moesten, en verbeidde in rusteloos verlangen den dag, waarop zij haar vrijheid eischen kon, met het volste recht.

De maanden verliepen.


In dien tijd kreeg ze, na herhaaldelijk solliciteeren, eindelijk een tijdelijke aanstelling op een school, vrij ver uit de buurt. Ofschoon tante niet ophield te klagen over haar zwak gestel en hoe zij de thans weer op haar rustende veelvuldiger geworden huiselijke plichten nauwelijks dragen kon, nam Mieke toch haar functie van onderwijzeres waar, na de schooltijden tante zooveel mogelijk tegemoet komende. Zij naaide ijverig, verstelde en stopte, hielp des Woensdags en Zaterdags ook aan andere werkjes, deed boodschappen en bediende tante Sophie zoo goed zij kon,—doch mevrouw Van der Hoeve bleef mokken.

Olga, hoewel mama niet overloopend, ingelicht over de inconveniënten voor mevrouw nu Mieke haar zin had doorgedreven, gaf kleine prikjes op fraaie manier. Mieke verdroeg ze als altijd: zij reageerde zoo min mogelijk. [247]