HOOFDSTUK XVII.
SLOT.
Mieke zag er slecht uit. Zelfs tante Sophie, die na Mieke’s besluit vernomen te hebben toch nog zoo’n beetje de verongelijkte bleef spelen, kon haar somtijds wel eens van terzijde opnemen, bezorgd voor een mogelijk herhaald ziek-worden.
Oom Egbert maakte zich zeer beangst, wanneer het hem opviel hoe down en lusteloos het meisje scheen. Wat hemzelf betrof, weer veel kalmer den laatsten tijd, verontrustte Mieke’s weggetrokken gezichtje, haar omkringde oogen, hem in hooge mate. Tante Sophie mocht vrij zijn bezorgdheid àl te overdreven vinden, hij bewees Mieke zijn genegenheid zóó onomwonden, dat Loes hem onlangs plagend vroeg: „Vadertje, vergeet je nu je eigen kind heelemáál om Mieke?”
„Ze is ook een kind van me,” zei hij ontroerd, Mieke’s bleeke wangetjes streelend, en Mieke had weemoedig geglimlacht.
Ondanks tegenstribbelen van tante Sophie bleek het oom Egbert ernst bezuinigingen in huis door te voeren en zegde hijzelf één der dienstmeisjes op, waarom mevrouw een week lang niet tegen mijnheer [266]sprak. Zij stond paf over zulk onbeschaafd despotisme, doch Egbert sprak haar zóó uitdrukkelijk over terugslag in zaken, dat zij ten slotte wel moest zwichten, al zuchtte zij daarbij de meest verongelijkte, ongelukkigste vrouw ter wereld te zijn. Gelukkig echter nu maar, dat Mieke bleef, anders zou ze werkelijk totaal in de war zijn geraakt.
Erik, in z’n laatste studiejaar, kreeg het consigne weer thuis te komen. Natuurlijk verzette hij zich, maar de heer Van der Hoeve bleek zijn zin te willen doordrijven, anders zou hij z’n zoon diens geheele toelaag moeten onthouden om de doodgewone reden, dat Erik’s levenswijze hem, voortgaande op deze manier, te kostbaar werd. Tante Sophie jeremieerde uit den treure en Erik liep met een woedend gezicht, maar meneer Van der Hoeve, hoe ook scènes en geklaag verafschuwend, had niet te kiezen: hij móést optreden en doorzetten.
Meer-en-meer trok hij zich op z’n kamer terug, en meer-en-meer ging ieder lid der familie sindsdien z’n eigen weg.
Tante Sophie, opmerkster genoeg om te bespeuren dat tusschen haar man en Mieke iets belangrijks besproken was, wenschte echter niet te visschen. Al vermoedde zij de reden, weten wilde zij niets. Zij had genoeg andere dingen aan haar hoofd en begeerde zich niet over Egbert’s zaken ook nog druk te maken. Dat Erik weer thuiskwam vond ze heimelijk niet ongeschikt. Het kostgeld van Mieke betaalde Egbert haar geregeld uit, dus per slot van rekening [267]had ze eigenlijk toch grootendeels haar zin gekregen, want Mieke bleef in de huishouding in de hand komen.
Maar Mieke fleureerde niet.
Een paar maanden verliepen weer. Het voorjaar kwam, en hadden oom Egbert en ook Loes gehoopt, dat tegen dien tijd zij wel weer zou opleven, het meisje werd integendeel steeds meer slapjes, down en lusteloos. Loes sleepte haar eens meer hier of daar naar toe, maar ’t werd niet het rechte met Mieke. Zij kwijnde. Ze deed alle moeite zich op te houden, maar het neersmakken harer illusies, den knauw dien haar groot vertrouwen had gekregen, hadden haar geestkracht op een zwaren proef gesteld. Alles wat zij de afgeloopen jaren doormaakte had ze blijmoedig trachten te dragen in het vooruitzicht ééns niet meer gebonden maar zelfstandig haar werk te kunnen beginnen naar den aard, dien ze liefhad,—nu had ze geen wenschen meer, en dat is moordend voor een jonge ziel. Voortleven als nu was ’t eenige, voortleven in een omgeving waar ze zich altijd misplaatst voelde, in een kring waar ze altijd on-thuis was, in een drukke, woelige stad, die haar nooit had gegrepen, hoe gaarne ze ook van haar gehouden had zooals bijvoorbeeld de dametjes Ravenhorst. Mieke’s hart, en vooral nu ze dit verlangen onbereikbaar wist, trok naar buiten, naar haar wijde velden, haar met riet omzoomde plassen, naar haar boomgaarden en de dieren in het veld … O, de menschen in de stad, zij zouden dat verlangen van haar nooit geheel [268]kunnen begrijpen! Ze konden het evenmin begrijpen als zijzelve in de jaren, toen ze nog buiten woonde en dit heimwee haar nog niet overmeesterde.
De stedelingen, moe van het jagen en streven het gansche jaar door, ontvluchten tegen den zomer bij drommen het stof der blakende stad naar bosschen en heide, en vinden daar, in landelijke rust, hun min-of-meer verstoord evenwicht terug, bewonderen de vergezichten en ademen met welbehagen in de frissche, onbesmette lucht. Zij zijn verrukt over het leeuwerikenlied, ze jagen kapellen na en versieren hun kleederen met bloemen. Maar zoodra de avonden langer worden en koeler, komt er over hen een gevoel van verveling, van zwaarmoedigheid, en zij herinneren zich hun comfortabele woning in de stad, zij denken aan de vele genoegens daarginds, aan plezier en gezelligheid, en zij beklagen de arme stakkers, die in zoo’n doodsche afzondering een groot deel van hun leven vegeteeren. De vuil geworden zomerjaponnetjes der dames worden weder ingepakt, de verschoten stroohoed wordt verwisseld voor „iets gekleeders”, en de stedelingen gaan naar hun stad weerom, vertellend, hoe heerlijk het buiten was, maar ook hoe „verduiveld saai” het er werd tegen ’t najaar.
Mieke’s verlangst naar buiten was van geheel anderen aard. Haar waren de velden even lief in den zomer als onder het dikke sneeuwkleed of bij eentonigen regenval. Haar lokten geen geurige rozen noch leeuwerikgezang; kapellen begeerde zij niet te [269]vangen en de betooverende vergezichten,—ach, met de bekoring ervan was zij eenmaal zóó vertrouwd geweest, dat geen sentimenteele bewondering haar daarvoor meer vervulde. Zij behoefde dit alles niet. Haar dorp, vroolijk en mooi, was niet rijk aan natuurschoon, en toch verlangde zij ernaar met onuitsprekelijk verlangen. Zij verlangde naar het onnoembare, dat ze er vinden zou, naar de hoogte en de wijdte, naar al datgene wat in haar kindsche jeugd rondom haar was geweest tusschen de weiden en de boomgaarden, naar de onbeschutte, winderige en zonnige wegen, naar den van zon blakenden, trillenden zomerhemel evenzeer als naar de grijze melancholie der eindelooze regenlucht. Zij verlangde te spreken zooals zij eenmaal sprak, met al die doodgewone menschen over doodgewone dingen. Zij wilde ontvluchten deze sleur van opgeschroefdheid, in het minst niet meer mooi willende doen. Misschien hadden de menschen in de stad gelijk. Dit was hun leven,—niet ’t hare echter. Zij waren er geworteld als zij daarginds. Hun leven kon waarschijnlijk niet anders geleefd worden dan zooals zij het leefden, omdat zij andere begeerten hadden, andere inzichten dan zij. Mieke verweet ook niemand iets,—maar zij hoorde hier niet thuis, zij wist het klaar, nooit zou ze hier heelemaal kunnen aarden. Zoo ze voorgoed terugkeerde naar het land zou ze wellicht blij zijn in de stad zooveel ondervinding te hebben opgedaan; nu ze wist hier te moeten blijven wonen, àltijd, werd die gedachte haar een marteling … O, vele harer vroegere [270]makkertjes zouden dit leven heerlijk vinden; zij kón het niet! Zij meende alles misschien anders gezien te zullen hebben, zoo ze hier meer liefde en meer eenvoud had gevonden, en dan herinnerde zij zich toch ook weer Loes’ hartelijkheid, de vriendschap van de dametjes, van sommige harer schoolkennisjes, en zij noemde zichzelve ondankbaar.
Maar het wilde niet wijken, dat snakken naar daarginds, zij kón haar verlangen niet overwinnen. Zij streed, maar ze won niet. Een nameloos heimwee maakte haar ziek. Haar moe-gestreden geestkracht gaf ’t op.
Oom Egbert liet den dokter komen, die bedenkelijk sprak van overspanning … Had het meisje soms sterke emoties gehad?… Oom keek ernstig, bevestigde dit … Zij moest eens, zei dokter, een poosje in afzondering naar buiten, in een geheel andere omgeving, hoogstnoodzakelijk.
Toen beriep oom Egbert zich op juffrouw Wije’s tot-nu-toe steeds genegeerde gastvrijheid.
Juffrouw Wije schreef een kort, maar hartelijk welkom aan haar jonge vriendin.
„Och,” zei ze tot Geert, „wat ben ik blij ’t lieve kind eens terug te zien. ’t Was altijd zoo’n zacht, behulpzaam hartje. Ze zal leelijke jaren gehad hebben, jongen, dat ze nou ziek weerom komt. We moeten haar maar gauw zien op te knappen.”
[271]
Eerlijk gezegd viel het allereerste weerzien juffrouw Wije een beetje tegen. Mieke was zoo’n dametje geworden, een echt stadsdametje. Al bleef men haar bij tante Sophie altijd „buitenachtig” noemen, juffrouw Wije hoorde en zag de verfijning van Mieke’s spraak en manieren, ze zag die in het dragen van haar kleeding, in kleuren-combinaties van japonnen en hoeden,—en in het eerst voelde zij zich eenigszins teleurgesteld. Was dit nog het eenvoudige, ongekunstelde meisje van eertijds, of zag zij nu van haar standpunt van jonge dame wat néér op het gewone, nederige harer vroegere omgeving, op het alledaagsche van de meeste dorpsmenschen? Kwam zij hier slechts genezing zoeken of was het ook de oude woonplaats, de herinnering, die trok?… Boerin Wije was er nog niet zeker van en ze hield zichzelve nog wat schuil, keek eerst een beetje de kat uit den boom.
Maar gaandeweg kwam herkenning, en al heel spoedig. Zij zag hoe ’t kind hing aan ieder en alles, deel uitmakende van haar jongste meisjesjaren en haar kindschheid. Zij zag hoe Mieke te midden van deze oude, bekende menschen en dingen herleefde, herleefde als een kwijnend plantje, dat te lang lucht en licht ontbeerde en nu verkwikt werd door zachten regen en warme zon. En juffrouw Wije begon al heel gauw heen te zien door den buitenkant, die, goedbeschouwd, eigenlijk toch nog eenvoudig genoeg was, alleen maar wat smaakvoller, moest juffrouw Wije zichzelve toegeven. Was dat te laken? ’t Lieve kind!… [272]Zij, de boerin, zou zich wel wachten haar te misprijzen omdat ze er een beetje mooier en fijner uitzag dan vroeger, ’t poppetje! Zij ontdekte al spoedig, dat het hartje nog even warm klopte als vroeger, en dàt moest men toch het voornaamste vinden nietwaar? Zij ervoer hoe het meisje gegroeid was naar den geest, hoe de ondervindingen der laatste jaren haar rijper en „menschelijker” (zooals ze ’t noemde) hadden gemaakt, al bleek zij ook niet zoo bestand te zijn om reeds gehéél ’s levens tegenstroom te kunnen trotseeren. Juffrouw Wije ontdekte Mieke’s ontwaakt begrip; haar eigen schranderheid trof in Mieke eene verwante. En haar lichte terughoudendheid gaf ze totaal prijs tegenover haar jonge gast, wijd opende zij—en met vreugde!—haar breed moederlijk gevoel voor het meisje, dat reeds als kind een lievelingetje van haar was geweest. Zij verwerkte het vele verzwegene bij Mieke’s verhalen over haar tegenwoordig leven, en zij gaf haar vol en vroolijk de vrouwelijke liefde, zorg en steun, welke ’t meisje zoo lang had ontbeerd en waarbuiten ze, voelde de boerin, het ten slotte niet langer had kunnen stellen … Juffrouw Roosje, ze mocht al zoo lief en geestig zijn als wat,—„God zegene haar,” zei de oudere vrouw—en juffrouw Mance, de brave ziel eveneens, zij gaven, zelfs met Loes erbij, juffrouw Mieke’s „hartje” niet wat deze noodig had: het volle begrijpen van haar verlangens.
Mieke’s gansche ziel ontplooide zich. Alle ondervonden zwarigheden leken haar terug te wijken in [273]een héél verre verte, werden zóó klein, dat zij zich somtijds afvroeg waarom zij zich toch zoo menigmaal zoo nameloos ongelukkig en eenzaam had gevoeld, zoo grenzeloos ontmoedigd, met zoo een klein geloof aan zichzelf, zoo hopeloos onbeduidend. Zoo licht werd het haar; als van een last bevrijd zong zij bij haar werk, schertste, lachte als van ouds, opgeruimd, blijmoedig, in ’t eerst tot haar eigen verwondering, allengs met onbekommerde argeloosheid. Zij hielp de boerin in huis en in de keuken en dikwijls ook in den tuin of bij de verzorging van de beesten. Zij karnde met plezier de boter voor ’t huiselijk gebruik en zong daarbij het hoogste lied. Zij streek mooier dan de juffrouw-zelf de vitrage gordijnen, die, na de schoonmaak waarbij ze hielp, zoo netjes hingen als zelden, en zij poetste der boerins zilver als een spiegel, dat het een lust was. Des avonds las zij dikwijls juffrouw Wije de mooie verhalen voor, welke ze had meegebracht. Dan zat Geert op het kantoortje de boeken bij te houden, want er viel heel wat te administreeren op de groote boerderij; de boekhouder kwam slechts ééns per week uit de stad.
Juffrouw Wije vond het heel gezellig, terwijl zij zat te breien, het meisje te hooren voorlezen. Soms ook bespraken zij het gelezene, of, als dominee Rensen kwam, gingen de onderwerpen dieper over godsdienst en levenswijsheid, en het kleine, vrome filosoofje, dat in Mieke school, luisterde gretig naar zijn rustige, doorleefde overtuiging, naar juffrouw Wije’s [274]soms geestige, klare oppositie of naar haar hartelijke instemming. Bij zacht weer kon men somtijds al buiten zitten, hoewel ’t nog voorjaar was. Dan genoot Mieke, wenschte ze innig hier nooit weer weg te hoeven.
Het werd een heerlijke, wondere tijd voor haar, de weken op de boerderij. Al haar levenslust en levenskracht voelde zij terugvloeien in ziel en lichaam.
Maar toen kwamen de brieven van huis … Wanneer zou Mieke terugkeeren? Hoe dacht dokter Bos daarover? Meende hij, dat Mieke nog niet geheel hersteld was? In dat geval kon ze natuurlijk nog blijven, schreef oom Egbert vriendelijk, maar anders …? Mocht ’t haar plan soms zijn tot na de zomervacantie te blijven en dan meteen weer aan ’t werk te gaan, oom zou het tante zeggen en gaf permissie. Maar wel moest ze bedenken, dat ze niet àl te veel van juffrouw Wije’s gastvrijheid mocht vergen.
„Blijf gerust tot na de vacantie, lieverd”, zei de boerin spontaan en hartelijk, „zoolang je wilt, hoor.”
En de weken gingen … Mieke werd stiller en meer in zichzelf gekeerd; haar hoogste lied werd slechts geneurie, en op den duur zweeg het zelfs geheel. Zij werd onrustig.
De boerin deed moeite haar op te beuren en Mieke trachtte zich groot te houden, maar haar opgewektheid werd geveinsd; een beklemdheid overviel haar zoodra ze van heengaan sprak.
Ook Geert werd onrustig. Wat was het, dat hem [275]beheerschte, zoodra hij dacht, dat haar plaats aan tafel ledig zou wezen? Zij bracht zooveel gezelligheid in huis, je kon zoo aardig met haar praten. Geen enkel meisje uit heel den omtrek trok hem zóó … Zij was handig en arbeidzaam, huishoudelijk en vroolijk, maar—ook een dame, geen boerin. Ze zou nooit een boerin worden, daarvoor was ze veel te fijn en te tenger … Ze hing aan haar geboorteplaats, aan al het overbekende hier, maar zou zij, gewend als ze thans was in de vroolijke, drukke stad, hier ook weer aarden op den duur? Zou ze niet terugverlangen?… Daarginds (het bloed vloog Geert naar de wangen) daarginds had ze jongelui ontmoet als dien neef van haar,—en hij was maar een boer. Hij ontving goed onderwijs, behoefde zeer zeker niet onder te doen voor haar in ontwikkeling, maar ze zag hem het meest op klompen, al haastte hij zich ook, sedert ze hier logeerde, zoo gauw hij met den arbeid klaar was, die voor z’n leeren pantoffels te verwisselen, z’n werkpak voor ’t nettere colbert … Maar kom, en hij gaf z’n gedachte een duw, dwaasheid! wat haalde hij zich in ’t hoofd?… Hij zag echter nog niet verder dan z’n moeder in de eerste dagen van Mieke’s verblijf op de hoeve. Hij zag nog niet heen door Mieke’s uiterlijke verandering; dat had hij, toen hij haar in tante Sophie’s huis bezocht, ook niet gedaan. Hij ondervond slechts haar bekorenden invloed en verzette zich ertegen, meenende dat zij niet tot beider geluk kon leiden. Haar aardig figuurtje, haar vriendelijk, lief gezichtje bewonderde hij met eerbied, haar ongekunstelde [276]zachtheid boeide hem ongemeen, doch deze vormden tegelijkertijd onoverkomelijke bezwaren. Zou zóó’n meisje van hèm kunnen houden, grooten, groven, doodgewonen jongen?… Hij moest niet toegeven aan zulke bespottelijke gevoelens. Hij moest flink zijn en haar ontwijken, zooveel mogelijk, niet sentimenteel en mal doen, maar als een man die dwaasheid overwinnen.
Mieke ontging z’n teruggetrokkenheid niet. Begon het hem te vervelen, dat ze zoolang haar anker neerlegde in z’n huis? Vond hij haar onbescheiden worden, indringerig?… Dit idee beangstigde haar, deed ook haar zich meer terugtrekken. Evenals vroeger zag ze nog altijd tegen hem op. Hem ziende in zijn volle kracht en ijver, met montere werklust en in het kundig beheer zijner rijke bezitting, voelde zij zichzelve maar minnetjes, een arm, simpel onderwijzeresje. Wat was haar weinigje kennis naast zijn vruchtbare praktijk, zijn doorzicht, zijn produktief maken der prachtige plaats! Zij vergeleek haar eigen geploeter der laatste jaren met zijn zuivere levensrichting … Ach, ook hier op ’t dorp zou veel verkeerds te overwinnen zijn, veel plompheid en begriploosheid, maar toch, aan hier hing heur hart! Wanneer ze hier nooit zou zijn vandaan gegaan, zou haar nooit dit gevoel van gehechtheid beheerscht hebben. Nu was ze er opnieuw teruggekeerd als een mensch, die lang van huis is geweest en bij het weder betreden zijner woning deze wel anders terugvindt met veel leelijks, dat hem vroeger niet deerde, met veel verweerds, dat [277]diende te worden afgebroken, maar er hervindend het oude vertrouwde en veel geliefde, dat nergens ter wereld zóó je overtuigde, zóó je blij-doortrilde als juist daar, en zei: „Hier ben je thuis.”
Maar de dagen gingen en ten slotte moest toch het uur van vertrek worden vastgesteld. Een onoverkomelijke tegenzin beving Mieke bij het zeker-weten nu terug te moeten.
„Zou je zoo graag op ’t dorp willen blijven, m’n kind?” vroeg juffrouw Wije, ziende Mieke’s betrokken gezichtje.
„O, zoo graag,” antwoordde zij met hetzelfde weemoedig trekje om den mond, denzelfden blik in de oogen als toen zij kwam.
Juffrouw Wije keek haar eens onderzoekend aan, dacht het hare,—maar zweeg. Even vloog een glimlachje over haar prettig gezicht, dat het een oogenblik wel heel erg ondeugend maakte.
„Nou, meid,” zei ze, „je moet je er niet naar om maken, hoor. ’t Volgend jaar kom je weer. ’t Is ons beiden wel bevallen, is ’t niet?”
„Ja,” zei Mieke, „heel wel.”
Geert, die ook in de kamer zat, stond op en ging de deur uit; hij vergat z’n pijpje, wat een wonder was. Hij wandelde langzaam het erf rond en bleef aan het vóórhek staan om in gedachten verdiept, de handen op den rug, de wazige weiden af te turen, die lagen aan den overkant van den weg, dampend, na een warmen dag, in den zoelen zomeravond. Langen tijd stond hij stil, tot hij, in gepeins nog steeds, [278]terugliep en zitten ging, den rug gebogen, de handen slap tusschen de knieën, op de bank vóór ’t huis, onder de ramen der huiskamer.
„Wel,” sprak juffrouw Wije, nadat het een poos stil bleef in het schemervertrek, waar de lamp nog niet ontstoken was, en waar de beide vrouwen nog zwijgend na Geert’s heengaan bij elkander zaten, „wel, ’t wordt knapjes donker zou ik zoo zeggen.”
„Wil ik licht maken?” vroeg Mieke, opschrikkend van de stem in de stilte.
„Och neen, ’t is nog rijkelijk vroeg en ik heb wel zin in een slaapje … Maar ’t is zoo lekker in den zomeravond buiten, en je bent hier nog maar kort. Ga wat op de bank zitten, meid.”
Een gloeiend rood overtoog Mieke’s gezichtje.
„Ik zit hier best,” antwoordde ze. „Gaat u gerust een beetje slapen.”
„Kom, kom, ga toch, kind. ’t Is mij wat frischjes, maar jij hebt jong bloed. Ga nog een luchtje scheppen, en als je dan weer binnenkomt gaan we naar bed.”
Aarzelend rees Mieke op. Stil ging zij de kamer uit en de gang door, tot ze staanbleef aan de voordeur.
„Ziezoo,” zuchtte de boerin, toen ’t meisje vertrokken was, en wederom overtoog een schalksch lachje haar oolijk gezicht, „nou moeten ze maar zien hoe ze ’t verder klaarspelen. Zóó gaat ’t niet langer. Als ’t toch den jongen z’n zin is, waarom zal ’t [279]dan niet? En zij màg hem … Zonder hulp komen de kinderen er nooit.”
Geert had Mieke in ’t eerst niet bemerkt en stil bleef ze, vol vrees, dat hij haar ontdekken zou. Maar dit kon niet uitblijven … Zou hij denken, dat ze hem naliep?… Zij maakte een onwillekeurige beweging en eensklaps hief hij ’t hoofd, schrok, ontroerde.
Doch hij beheerschte zich. „Zoo,” zei hij, „ben je daar, meisje?”
„Ja,” antwoordde ze haastig en als verontschuldigend, „juffrouw Wije zei, ik moest nog maar eens in den mooien avond gaan; het is nog maar kort, dat ik hier ben.”
„Dat ’s goed. Kom zitten, Mieke,” en hij schikte wat op, op de bank.
Zij nam plaats een eind van hem af, de handen in den schoot slap gevouwen.
In komenden avond lag geheimnisvol de thans volgroeide zomertuin. De kleuren van den dag waren verdoezeld in grijs en zwart. Met volle helderheid teekende het fijne maansikkeltje boven de weiden haar zilver silhouet. Nauw bewogen werd het loover door den zachten zomerwind.
Zwijgend bleven Geert en Mieke. Zij zaten zoo lang, héél lang, en Geert wist duidelijk, dat hij het nooit aan Mieke zou durven vragen of ze bij hem wilde blijven als z’n vrouw. En Mieke wist, dat zij het nooit zou durven toonen, hoe gaarne, hoe zielsgaarne ze nooit weer van hem weg zou gaan. [280]
En de stilte om hen en de zomeravond werd één verlangend lied.
Toen gebeurde het … Of neen, het gebeurde niet, het kwam vanzelf. Het werd een deel van ’t lied, waartoe ook zij behoorden.
Hij had ’t hoofd opgericht, ter zijde, nauwelijks merkbaar, doch zóó dat hij de jonge gestalte naast zich beter waar kon nemen. Geen trek op haar gezichtje bewoog, geen haartje trilde, heur gevouwen handen in den schoot bleven roerloos. Doch heur oogleden schaduwden dieper over de oogen bij zijn zijdelingschen blik, en langzaam overtoog heur gezichtje een gloeiende blos.
Toen scheen het of ze plots onrustig werd. Met een korte beweging hief ze ’t hoofd op en met een schok zagen ze elkander in de oogen. Schuw trokken Mieke’s schoudertjes naar achteren, en weer overschaduwden heur wimpers diep den nederwaartschen blik.
Maar in Geert brak iets open, daverende vreugde! Snel wendde hij zich tot haar, legde z’n groote, sterke hand op de handjes in heur schoot.
„Mieke,” zei hij, terwijl hij haar vol aanzag, te ontroerd om verder te spreken, te beschroomd nog om haar te kussen.
En op dat oogenblik werd behoedzaam het ondergordijntje in de voorkamer ter zijde geschoven, om juffrouw Wije gelegenheid te geven beter in den duisteren tuin te kunnen zien: de kinderen bleven nu toch wel héél lang buiten … Maar toen ze gevonden had, wie ze zocht, toen deed ze de gordijntjes maar [281]weer zoetjes dicht en hernam haar vorig plaatsje in den breeden leuningstoel bij de groote, ronde tafel, de voeten op een hooge stoof, de handen in rust over elkaar, glimlachende, doch met tranen in de oogen,—wachtende tot de kinderen weder zouden binnenkomen.
EINDE.
[283]