WeRead Powered by ReaderPub
Mieke cover

Mieke

Chapter 3: HOOFDSTUK II. EEN SLAG.
Open in WeRead

About This Book

A young girl balances school and household duties while caring for her ailing grandmother in a small cottage; a changeable summer gives way to gloomy autumn, and the home's usual cheer fades as the elder's health declines. The plot follows the girl's practical efforts to keep the household running, manage meals and chores, and cope with worry alongside her lessons. The narrative emphasizes family devotion, quiet responsibility, everyday domestic life, and the resilience required during the gradual strains of growing up.

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

EEN SLAG.

Mieke schoot haastig den regenmantel weer aan, zette haar zeildoeken hoedje op en liep met snellen pas over den landweg, voorbij de groote boerderij der Wije’s, die op den hoek lag van het breede pad dat zij afkwam, en verder over de met hooge iepen beplante chaussée, den hoofdstraatweg van de stad naar het dorp.

Het was nauwelijks tien minuten gaans om van haar woning de dorpsstraat te bereiken, maar toch scheen haar de tocht langs de aan weerszijden zoo goed als onbebouwden weg met de onophoudelijke regenvlagen in het gezicht eindeloos.

Aan het doktershuis gekomen, gelegen dicht bij den ingang van het dorp, vernam ze, dat dokter Bos nog niet thuis was, maar op haar aandringen beloofde mevrouw, die Mieke zelf te woord stond, ervoor te zorgen, dat dokter zoo spoedig mogelijk komen zou. Mevrouw Bos, een kleine, bijdehante dame, had altijd op haar manier plezier in het aardige, beleefde meisje met haar grooten ijver en leerlust. Zij was het geweest, die met dominee Rensen en juffrouw Wije het van grootmoeder gedaan had gekregen, dat Mieke [15]voor onderwijzeres ging leeren op de school in de stad. Grootmoeder-zelf had liever gezien, dat haar kleindochtertje over een paar jaar haar brood met naaien zou verdienen; dan behoefde ze haar op den duur niet te missen, wat nu mettertijd best mogelijk het geval kon worden, indien Mieke een aanstelling kreeg op een andere plaats, tenzij zij, grootmoeder, het meisje daarheen volgde, wat natuurlijk z’n groote bezwaren meebracht.

Maar Mieke zat studielust in het bloed: vader was onderwijzer geweest en moeder onderwijzeres; ook grootvader had voor de klasse gestaan en oom Egbert, vaders oudste broer in Amsterdam, die door een toeval in den handel verzeilde en daarin veel geld verdiende, was eveneens als schoolmeester begonnen.

En nu Mieke geen harer pioniers beschaamde, spreekt het vanzelf, dat mevrouw Bos haar gaarne zag, al hield het meisje, als men ’t haar op eerlijkheid af zou vragen, meer van de breed-moederlijke juffrouw Wije en den rustigen dominee Rensen dan van de doktersvrouw, die soms zoo kattig-weg iets kon zeggen.

Nu echter deed mevrouw Bos heel minzaam. Ze wist hoe weinig aanstellerig Mieke was en dat het wel erg met grootmoeder wezen moest, wanneer ze zoo van streek bleek te zijn.

„Ik beloof je dokter zoo gauw mogelijk te zullen sturen,” zei mevrouw nog eens uitdrukkelijk, toen ze de deur achter ’t meisje sloot.

Mieke voelde zich verlicht door het weten, dat [16]dokter Bos nu spoedig komen zou; het gaf haar reeds half het uitzicht op grootmoeders spoedige beterschap.

Nu even nog bij Wije aan!

Denzelfden weg terugkeerend scheen deze haar thans veel vlugger aan te loopen en de triestigheid van den dag ging eenige oogenblikken voor haar schuil bij de vroolijkheid van den sterker wordenden wind, die meehielp haar vooruit te brengen. Mieke hield altijd veel van den wind, die zoo grappig je rokken deed zwiepen en zoo uitgelaten langs je heen kon blazen tot je haren verward om je hoofd hingen en je wangen, warm en toch frisch, je een gevoel gaven van gezondheid en levenslust. Na de geruststelling, zooeven ondervonden, liet zij zich een oogenblik wat meer opgewekt gaan om een drafje te nemen met haar levendigen, duwenden vriend in den rug.

Zoo dreef zij het erf op van de Wije’s.

Het was een kapitale boerenplaats. Het huis was breed en hecht en miste het schilderachtige van een vervallen, ouderwetsche boerderij, maar de Wije’s waren menschen van praktische geaardheid en van vooruitgang, menschen, die meer hechtten aan het comfort van een moderne behuizing dan aan het dikwijls meer artistieke aspekt eener bouwvallige hoeve. Toch droeg het geenszins een stempel van ongezellige nieuwheid; het stond dan ook reeds een goede tien jaren en het lag volstrekt niet zonder bekoring onder het lommer van een paar hooge noteboomen, afgesloten van den weg door een flinken vóórtuin [17]met in het voorjaar en in den zomer bloeiende heesters en meidoornstruiken.

Het ijzeren hek, dat het erf van den weg afsloot, stond gewoonlijk open en verleende toegang tot het breede hoofdpad, dat langs den rechterkant van ’t woonhuis liep, langs den ingang, de paarden- en koeienstallen, de groote voorraadschuren, het karnhuis met de kaasmakerij, en eindigde in den uitgestrekten moestuin.

Het huis-zelf mat in het front een vijftien-zestien meter en had zes hooge ramen aan de voorzijde en drie aan den linker-zijkant, waar de slaapkamers zich bevonden. Door de mooie, bruin gelakte deur met het gekrulde smeedwerk voor de gebrande glasruit, trad men in de zelden gebruikte vestibule; meestal liep men om ’t huis heen en ging door de keuken binnen. Achter de vestibule scheidde een breede, met gekleurde steenen geplaveide gang het huis in ’t dwarse in tweeën. Door de eerste deur rechts kwam men in juffrouw Wije’s groote, vierkante huiskamer; door de tweede in de „mooie kamer” der familie.

Ieder dezer vertrekken had twee ramen aan de voorzijde, terwijl de beide overige vensters uitzicht verleenden aan het door den vroegeren bezitter en sedert diens dood in onbruik geraakte z.g. „kantoor”, door Geert sedert z’n terugkomst echter weer in deze kwaliteit hersteld.

Aan het einde van een zijgang, loopende langs de slaapkamers, bevond zich de kolossale keuken, de bijkeuken en het waschhok, die weer verliepen in de [18]opslagplaatsen en de verdere, bij het bedrijf behoorende ruimten, waarvan ik zooeven sprak.

Mieke ging haastig over ’t met gele klinkertjes bestrate, helder geschrobde plaatsje langs het heele front van ’t huis. Dan sloeg zij den hoek om en trad door de keuken binnen, die als gewoonlijk openstond, doch zij ontdekte niemand. Zelfs Jans, de huismeid, die, als juffrouw Wije niet zelf kookte, op het eten lette, was op geen velden of wegen te zien, ook niet in de bijkeuken, waar Mieke speurend rondkeek.

Toen besloot ze nog verder om ’t huis heen te loopen, allicht zag ze dan wel iemand om haar boodschap in ontvangst te nemen. Kees, de waakhond, sloeg even aan bij haar langs-komen, doch haar herkennend en niets gesteld op den regen trok hij zich fluks, hoewel nog zacht nagrommend, in zijn apartement terug. Ook eenige kippen, die dicht tegen elkaar gedrukt, de koppen in de veeren, onder een afdak zaten te slapen, verschrikte Mieke. Zij tokkelden even, maar overigens bleef het stil.

Zij liep tot aan den moestuin, nog steeds niemand ontdekkend, behoedzaam stappend over de op sommige plaatsen gevormde beekjes uit den overloopenden regenbak, om den terugweg te nemen langs den rechterkant van het huis en verder over de gele klinkertjes op haar uitgangspunt terug te komen, er echter niet aan denkend om aan te schellen, wat nooit iemand deed dan dominee Rensen en dokter Bos. Andere menschen meldden zich steeds aan de keuken, dus besloot Mieke ook nog maar eens op [19]deze gebruikelijke manier haar geluk te beproeven.

De knechts, meerendeels getrouwde lieden, schenen reeds naar huis te zijn gegaan; de melkmeid zat stellig in het karnhuis te slapen, waar men haar als ze zoek was, te pas of te onpas, zei juffrouw Wije, steeds vinden kon in een zalige rust. Maar waar Jans uithing begreep Mieke toch totaal niet. Zij besloot, wanneer ze nog geen mensch zag, eens te roepen en dan maar geduldig te wachten tot er iemand kwam opdagen.

Nogmaals trad zij de keuken binnen, tegelijkertijd dat de huismeid aan den ingang van de bijkeuken verscheen.

„Waar zat je toch?” vroeg Mieke verwonderd.

„In ’t waschhok,” antwoordde Jans, met groote oogen om Mieke’s verbazing.

„Ik zocht je,” zei Mieke.

„Zocht je me?”

„Jou eigenlijk niet. De baas.”

„De baas zal nou wel in ’t kantoortje wezen. Wil je een kop koffie?” en naar het groote, wit-geëmailleerde fornuis gaande, waar de koffie, die een opgewekte geur verspreidde, stond te wachten om ingeschonken te worden, scheen zij van plan Mieke een kopje klaar te maken.

Doch Mieke bedankte gejaagd. Zij begon weer onrustiger te worden door het oponthoud, dat ze gehad had. „Ik moet gauw weer naar huis,” zei ze, „want grootmoeder is ziek. Juffrouw Wije blijft zoolang bij ons. Ik moest zeggen, dat jullie maar met [20]avondeten beginnen zoudt. Ze komt misschien pas laat terug.”

Jans verschrikte. „Meid, och!” riep ze, „is ’t zoo naar met de oude juffrouw? Zoo in éénen?… Wacht maar, ik zal de baas effen waarschuwen, loop maar mee.”

Vóór Mieke had kunnen zeggen, dat Jans de boodschap eigenlijk wel zelf kon overbrengen, had de bijdehante meid haar reeds met een duwtje de keukendeur uit en de gang in naar ’t kantoortje gestuurd. Maar Geert Wije was daar niet.

„In de kamer zeker,” vermoedde Jans.

Daar vond ze hem, z’n pijpje rookend bij ’t raam, al niet begrijpend waar zijn moeder bleef, want de ronde tafel in het midden stond reeds lang hoog-en-breed gedekt. Dit was de eenige maaltijd, die zij samen gebruikten; de overige hielden zij met het personeel.

Deze kamer, die den indruk gaf van welgestelde burgerlijkheid, (behoudens de prachtige porceleinkast, die voornaam was) van zindelijkheid en orde, en ook wel van gezelligheid door het vele licht, dat de hooge ramen binnenlieten, deze kamer was Mieke niet onbekend, want menigmalen kwam ze er met grootmoeder bij juffrouw Wije te visite, reeds als klein kind. Maar toch scheen ze nu eenigszins verlegen bij het binnenkomen. Tegenover Geert, die zoo’n „meneer” was geworden, voelde zij zich, evenals vanmiddag in de tilbury, niet al te best op haar gemak. Hij leek niets meer op den slungeligen boerenjongen, [21]met wien ze, tot voor eenige jaren geleden, nog allerlei kattekwaad uitvoerde, en waar ze—al was hij ook zes jaar ouder—als klein meisje zoo gaarne bij te spelen kwam om z’n dikke konijnen te voederen en om de lekkere koek, die z’n moeder kon bakken. Kleine klaploopster!… Later werd de vriendschap belangeloozer, toen ze op de normaalschool kwam. Dan leenden ze elkander in de vacantie, wanneer Geert thuiskwam van de landbouwschool, boeken, en ook, zelfs tot voor twee jaar nog, sneden ze dan zoo’n beetje tegen elkaar op over wat zij moesten leeren. Maar nu, sedert dien, was Geert zoo heel anders geworden, zoo bezadigd, zoo niets kwajongensachtig meer, zoo volwassen, zoo beslist, eigenlijk al zoo’n groote man, terwijl zij, Mieke, pas zeventien, klein van stuk en tenger en met heur haar nog in een vlecht, nog op school, zich een beetje bedeesd voelde tegenover den grooten, rijken, jongen boer, wiens optreden, zoo gedecideerd en onafhankelijk, haar zeer timide maakte. Zij durfde ook niet meer voluit en hardop „Geert” te zeggen. Straks, onder ’t rijden, had ze ’t ook al niet gedurfd en maar wat gemompeld.

De breede gestalte van den jongen man, die met de handen op den rug naar buiten stond te kijken, genoeglijk z’n korte pijpje rookend, keerde zich langzaam om bij het opengaan der deur, en verwonderd niet zijn moeder te zien maar Mieke en Jans, vroeg hij: „Wat’s dàt?”

Jans, voorbarig, wilde uitweiden, doch hij voorkwam [22]haar, verder vragend: „Wat had je, Mieke?”

Mieke herhaalde haar boodschap, zeer zenuwachtig en op heete kolen staande om weg te komen. Opeens vervulde de angst om grootmoeder haar weer met verdubbelde kracht. Ze zag heel minnetjes en bleekjes en de natte regenmantel deed haar heel smal schijnen. De tranen liepen haar over de wangen.

„Kom, Mieke,” troostte Geert met z’n opgewekte, zware stem, „je moet niet zoo schreien. Och, och, wat ben jij toch nog een klein ding gebleven, zeg.” Nu kwam hij naast haar staan en streelde heur wang als een groote, oudere broer een jonger zusje. Hij stond hoog opgericht en trachtte haar door een grapje even wat op te vroolijken: „Je komt een eind onder m’n schouder, hoor. Je moest meer schoppen gehad hebben.”

Mieke lachte gedwongen en wist niet wat te antwoorden.

Toen zei hij ernstiger: „Zeg aan moeder, dat ze maar blijven moet, zoolang ze helpen kan. Wat vindt dokter?”

„Ik kom zoo juist van hem vandaan. Hij zal straks komen.”

Hij volgde Mieke tot de kamerdeur, waar ze hem de hand toestak. „Dàg,” zei ze. „Nou ga ik maar weer. Ze zullen thuis wel op me wachten.”

„Beterschap, Mieke. Dat grootmoeder maar gauw weer klaar is.”

Fluks liep Mieke de lange gang weer door, de keuken in, waar Jans het meisje nog eens wilde aanklampen, [23]maar met een kort antwoord en een groet verliet ze de boerderij, teruggaande langs den modderigen landweg met meer spoed dan zooeven. Aan de huisdeur trof ze dokter Bos, die tegelijk met haar op z’n motorfiets aankwam in een van den regen druipende oliejas.

„Kijk ’s an,” zei hij, „of ik me ook gerept heb! Mijn vrouw liet me nauwelijks tijd om op adem te komen. „Je moet gauw naar juffrouw Van der Hoeve,” riep ze … En wat is er nu? De oude juffrouw aan den sukkel?” Al sprekende had hij z’n bemodderd rijwiel op Mieke’s schoone stoep gezet, doch daar lette ze in de gegeven omstandigheden maar niet op.

Juffrouw Wije kwam, zoodra zij z’n stem hoorde, te voorschijn, hem met Mieke nadere inlichtingen gevend en ’t vermoeden wekkend, dat ’t hier niet ging zooals het behoorde.

„Blijf jij maar hier, Mieke,” raadde de moederlijke vrouw, die graag den dokter alleen wenschte te spreken.

Mieke, zich inmiddels ontdaan hebbend van den druipenden mantel, dezen ophangend in de gang naast de natte doktersjas, schenen de minuten van alleen-zijn en wachten in de stille, half duistere huiskamer uren. Gestadig hoorde zij de droppels lekken in de plassen en het water gutsen langs de dakgoot in den regenton. De deur tusschen de ziekekamer en het vertrekje waar zij zat had dokter Bos gesloten, en de stemmen van hem en juffrouw Wije, die veraf leken en fluisterden, verhoogden de naargeestigheid [24]van Mieke’s stemming, die, straks wat ontspannen, nu weer zéér neergedrukt werd en treurig.

Eindelijk kwamen de anderen weer binnen. Dokter Bos keek hoogst ernstig, en hij was toch niet iemand om gauw zijn patiënten en hun familie te ontmoedigen. Ook boerin Wije scheen bezorgd.

Mieke, bij het raam zittend, hief gretig het hoofd, de oogen groot-vragend naar de binnentredenden, maar onmiddellijk maakte de levendige vraag, die haar op de lippen brandde, plaats voor een inzinking van hoop: die beiden brachten haar geen gunstige tijding, dat zag zij duidelijk.

„Wat scheelt grootmoeder?” vroeg zij, heesch en zacht, nauwelijks verstaanbaar; zij trilde van nerveusheid.

„Ze moet al eenige dagen ziek zijn,” knorde de dokter. „Waarom mij niet eerder geroepen?”

„Zij wilde het niet. Ze is den heelen morgen nog aan ’t werk geweest, toen ik naar school was. Maar daarna was ze ook op.”

„’t Is zonde!” riep hij boos.

„Is ’t zóó vreeselijk?” vroeg Mieke wederom, als straks aan juffrouw Wije.

„Ik kan er nog niets van zeggen. Ze is altijd een sterke, gezonde vrouw geweest moet je maar denken. Het is dus best mogelijk, dat ze deze ziekte doorstaat. Mevrouw Wije—dokter Bos sprak deze steeds aan met „mevrouw”—en ik hebben afgesproken, dat, als ’t morgen slimmer mocht geworden zijn, ik voor een verpleegster zal zorgen.” [25]

Mieke schrok hevig. „O, dan is het ook wel heel erg,” riep ze wanhopend, „als er een verpleegster moet komen.”

„Ik kan immers nog niets met zekerheid zeggen,” kalmeerde hij. „En je zoudt grootmoeder toch niet alleen kunnen helpen.”

„Jawel, o jawel!”

„Dwaasheid, Mieke … Mevrouw Wije is zoo vriendelijk hier tot den nacht te blijven. Onderwijl loop ik even op de boerderij aan om te zeggen, dat ze den ruststoel hierheen brengen. Dan kan die in de huiskamer uitgezet worden en moet jij vannacht daarop slapen, zoodat je grootmoeder hooren kunt als zij je noodig heeft. Want waken vind ik nog niet noodzakelijk en morgen vroeg komt mevrouw Wije weer.”

Mieke voelde hoe men haar wil geheel had buitengesloten. Zij was door ’t haar zoo plotseling overvallen verdriet geheel haar stuur kwijt en wilde daarom juist het tegenovergestelde als de anderen, ook al om dit gevoel van buitensluiten.

„Neen, neen”, verzette zij zich krachtig, instinktmatig ook beangst om alleen te moeten blijven en verantwoordelijk te zijn voor de zieke.

„Wat is dat nu, Mieke?” sprak juffrouw Wije, gebruik makend van de kracht harer persoonlijkheid. „Heb ik me zóó in je flinkheid vergist? Schaam je! Is dat houden van grootmoeder om je zoo aan te stellen?”

Mieke’s snikken bedaarde. Verschrikt zagen haar betraande kijkers in der boerin’s heldere, blauwe oogen, [26]waarboven de wenkbrauwen thans gefronst waren. Zij keken Mieke ernstig en verwijtend aan, en de klaarte en rust erin gaven het meisje haar zelfbeheersching terug, terwijl ze zich beschaamd matigde. Ach, ze was eenige oogenblikken haar tegenwoordigheid van geest kwijt geraakt!… Ze was zoo overweldigd!… Ze hield zooveel van grootmoeder, en zooveel onverwacht leed en zooveel onoverkomelijke moeilijkheden en mogelijkheden grijnsden haar zóó plotseling van alle kanten aan, dat ze er even door overstelpt werd. De vrees voor het leven van de eenige, die haar na stond in de wereld, de vrees voor een gansch onbekende toekomst indien grootmoeder eens mocht komen te overlijden,—als een eensklaps haar eigen leven kapot slaande zee-van-misère overstroomde deze vrees haar bevende ziel. Want wàt zou er met haar moeten gebeuren, waar moest ze heen, àls het ergste bewaarheid werd?… In een dienst?… Daar zou ze niet sterk genoeg voor wezen en wellicht ook niet bekwaam genoeg, al was ze handig … Of zou oom Egbert, vaders broer, haar komen helpen?… Honderdlei gedachten bestormden haar.

Maar kom, zij mocht zich niet zoo zelfzuchtig over haar eigen leven beangstigen. Zij moest die vrees van alleen te zullen blijven verdrijven; dat alles zou zich wel redden,—of niet redden, om ’t even! Zij moest alleen maar denken aan die arme, lieve grootmoeder, die daar nu in haar slaapkamertje lag met hooger koorts dan toen juffrouw Wije Mieke heur grootmoeder goênacht liet kussen en naar boven [27]stuurde om wat te gaan slapen, totdat zij, de boerin, over eenige uren weer naar de boerderij terug zou gaan en Mieke beneden zou roepen.

Doch in haar eigen donker vertrekje met de gestadig tikkende regendroppels tegen het vensterglas en op het dak, was het onmogelijk voor het meisje om den slaap te vatten en kwamen en gingen de gedachten, die grootmoeders ziekte tot een onoverwinnelijk onheil vergrootten. Ze voelde haar aankomen, de ramp, die haar schaduw reeds vooruit wierp.

En later, toen alles liep zooals het loopen moest—omdat alles in de wereld nu eenmaal moet gebeuren zooàls het gebeurt—toen de slag viel en grootmoeder voorgoed de oogen sloot, toen zei ze wanhopend tot zichzelf: „O, ik wist het wel, dat grootmoeder niet beter zou worden. Ik wist het al dien eersten avond.”

Om twaalf uur beneden geroepen door juffrouw Wije, woelde Mieke nog eenige uren rusteloos op den ligstoel, die van de boerderij gebracht was geworden. Zij look echter geen oog.

Den geheelen nacht lag ze maar te luisteren naar grootmoeders moeilijke ademhaling en haar zacht gekreun, naar de overigens hoorbare stilte rondom, want ook het regenen en waaien had opgehouden. Zij lag zich maar om-en-om te wentelen, transpireerend van angst of er ook iets vreeselijks met grootmoeder gebeuren kon, waartegenover zij machteloos zou staan, den nieuwen dag verbeidend met onrust en verlangen,—totdat het haar tegen half vijf te [28]machtig werd, zij zich kleedde en voor het raam ging zitten, waardoor de vale schemer van den aanbrekenden dag weer weinig zonneschijn beloofde, de boomen en planten slechts vaag omlijnend.

Juffrouw Wije kwam tegen half zeven, een zwarten doek omgeslagen, reeds weer over den eenzamen weg haar buurvrouw te hulp. Ze zou de kerk dezen Zondag maar verzuimen: zij was vroom, doch van een produktieve vroomheid, namelijk steeds vervuld van warm medelijden en hulpvaardigheid, voortkomend deels uit een gevoel van moederlijke liefde, deels uit Christelijk plichtbesef. Zij was iemand, die zich zeer veel rekenschap van haar daden gaf en dezer gevolgen,—en zij was niet spoedig tevreden over zichzelve … Nu ook had zij zich verweten niet den heelen nacht te zijn gebleven bij de zieke, al werd des morgens ook haar tegenwoordigheid op de boerderij reeds vroeg vereischt. Zoo gauw zij kon was zij dan ook weer naar het kleine huisje gegaan, wat heete melk dragend, wetende dat Mieke gisteravond door de drukte vergeten had voor melk te zorgen en vermoedend dat een warm glas het meisje wel goed zou doen.

Ook dokter Bos kwam vroegtijdig. Z’n eerste rit ging, ondanks den Zondag, al om acht uur naar de vriendelijke, oude vrouw, die hij zoo gaarne lijden mocht … Doch bedenkelijker nog dan gisteren keek hij. En ’s middags reeds arriveerde er een pleegzuster uit de stad … Maar wat baadt menschenhulp als ons lot in het boek des levens anders is opgeschreven [29]dan wij en degenen die ons liefhebben zoo vurig hopen?

Drie dagen na dien ongelukkigen Zaterdag telegrafeerde dokter Bos den eenig overgebleven zoon der oude vrouw. Den zevenden dag erna stierf zij. [30]