WeRead Powered by ReaderPub
Mieke cover

Mieke

Chapter 7: HOOFDSTUK VI. LOES TOOVERT.—EENZAAM.
Open in WeRead

About This Book

A young girl balances school and household duties while caring for her ailing grandmother in a small cottage; a changeable summer gives way to gloomy autumn, and the home's usual cheer fades as the elder's health declines. The plot follows the girl's practical efforts to keep the household running, manage meals and chores, and cope with worry alongside her lessons. The narrative emphasizes family devotion, quiet responsibility, everyday domestic life, and the resilience required during the gradual strains of growing up.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

LOES TOOVERT.—EENZAAM.

De dag was om. Elkeen was naar zijn kamer gegaan; de lichten in de gangen waren uit. Het huis lag donker en rustig in de stilte van den komenden nacht. Een enkel vaag geluidje van zacht gehoest, van langzaam pantoffelgeslof, een paar maal onderbroken door een vinnigen tik van laarzen, die buiten de deur werden gezet,—dan vulde weer een hoorbaar zwijgen de ruimten van het tot slapen gereede huis.

Boven, in haar kamertje, zat Mieke nog op bij ’t helle gaslicht. Zij voelde zich moe en dof en een zware hoofdpijn belemmerde haar zich fluks te ontkleeden en behaaglijk onder de wol te kruipen.

Het hoofd gesteund op de hand zat ze bij de tafel, te óp van den ongewonen, emotievollen dag om zich te verzetten tegen de vermoeidheid, die haar beheerschte, er maar niet toe kunnende komen om naar bed te gaan. Ze herdacht in herhaaldelijk weerkeerenden kringloop al ’tgeen zij vandaag had beleefd, nog niet in staat tot samentrekking harer ondervindingen om daardoor tot een zuiver begrip te geraken van haar toestand, die nu nog als een chaos [86]van allerlei gewaarwordingen voor haar bleef.

Het eene moment vertrouwend en hoopvol, dan weer diep verslagen en terneergedrukt, streed het jonge meisje daar alleen op haar nieuw kamertje den grooten, eenzamen strijd met zichzelf en de omstandigheden. Herinnerde zij zich met warmte en blijheid Loes’ spontane voorkomendheid en ongekunstelde hartelijkheid, tegelijkertijd overschaduwde reeds weer de gedachte aan wat daarop volgde dit gouden lichtpunt.

Oom Egbert had, na Loes’ thuiskomst, de damesfamilie aan elkaar overgelaten. Was zijn wachten op de jongste geweest?… In elk geval stond hij na haar binnentreden op om vóór den eten nog even een brief op zijn kamer te gaan schrijven.

Loes met haar kwieke opmerkingsgave, geleid door haar goedhartige, vriendelijke natuur, zelf steeds in strijd met mama’s en Olga’s beginselen, begreep maar al te goed hoe Mieke zich als een kat op een vreemd pakhuis moest gevoelen. Ook hadden de debatten vóór Mieke’s komst haar doen inzien hoe ongeveer de opinie was der toekomstige wederzijdsche verhouding. Moest „het buitenkind” niet tot dame gefatsoeneerd worden?… En dat Olga bij dergelijke hervormingsplannen niet overliep van takt was iets, waar Loes-zelf ruimschoots van mee kon praten. Daarbij mama’s denkbeelden kennende op dit punt, voorzag zij met haar „griezelige burgermansbegrippen” (volgens haar oudste zuster) maar al te duidelijk het lang niet benijdenswaardig te ondergaan [87]proces, dat de nieuwe huisgenoote diende te metamorfozeeren.

Loes redeneerde daarom honderd-uit om aller aandacht wat af te leiden, voelende hoe na vaders vertrek wel onmiddellijk een aanvang zou worden gemaakt met de onvermijdelijke „opvoeding” der nieuw-aangekomene. Druk en humoristisch spon zij een grappig schoolverhaal in den breede uit.

Mieke, geboeid, ging op in de interessante geschiedenis. Hoewel stil en niet beweeglijk, had zij toch geen koele, flegmatische natuur. Haar levendige, bezige geest hield van menschen, die zich vrij en gemakkelijk uitten, al trok zijzelve zich altijd min-of-meer bedeesd terug met een lichte vreesachtigheid belachelijk te worden bij impulsiviteit. Zij had nog niet den durf—en misschien zou ze dien wel nooit veroveren—om zich geheel te geven en onmiddellijk te handelen naar de ingeving van haar warm gevoel, maar zij stond ook nog pas zoo kort, nog zoo schuw en ongewapend tegenover het brutale, overbluffende, onbekende leven. Loes’ ongedwongenheid, hoewel deze haar bevreemding wekte, deed haar plezier, zag ze met groote, héél groote sympathie.

Doch de goed bedoelde pogingen der jongste nicht mochten al eenigen tijd de aandacht afleiden, afdoende bleken zij niet.

„Nu raad ik je eindelijk eens uit te scheiden met je interessante confidenties, Loes,” bracht Olga, na eenige malen tevergeefs haar zuster in de rede te zijn gevallen, op scherpen, ongeduldigen toon in ’t midden. [88]

„Ja,” beaamde mevrouw, maar al te gaarne de bal opvangend, „nu weten wij het wel. Je moest je nu eens gaan klaarmaken voor de tafel, want er komen twee gasten. En Mieke, jij ook.”

„Best, tante;” volgzaam stond de laatste op, weer tot de werkelijkheid terugkeerend nu Loes haar levendig verhaal besloot. „Waar zal ik dan mijn handen wasschen?”

„Niet alleen je handen wasschen,” sprak mevrouw wat afgetrokken. Zij monsterde ’t meisje eens. „Louise zal je je kamertje wijzen, en dan had ik graag, dat je je daar verkleedde.

Mieke schrok.

„Je zult toch nog wel iets anders bij je hebben in je valies?”

„Neen, tante. Alleen mijn nachtjapon en kleinigheden. Is mijn koffer er nog niet?” Mieke raakte in de war.

„Maar lieve kind, je kunt onmogelijk in dit blousje aan tafel verschijnen,” zei tante gedecideerd, Olga een blik van verstandhouding toewerpend.

„Je koffer is nog niet gekomen,” vulde Olga aan.

Mevrouws wenkbrauwen fronsten. Ze werd wat geagiteerd.

„Als ik alles vooruit geweten had …” ze bleef steken.

„U kon ’t immers toch wel nagaan,” kwam Olga vinnig uit den hoek. „Maar u regelt altijd alles zoo gek, mama. Laat Mieke vandaag dan alléén eten,—desnoods.” [89]

„Is … is dit blousje dan niet netjes?” stamelde Mieke, met verschrikten blik op het gestreepte flanellen overhemdje, dat, van een krap en stijf modelletje, haar toch geenszins afkeurenswaardig leek.

Olga, achteloos leunend in haar grooten stoel, een boek in de hand, keek over de bladzijden heen. Ze zei niets, maar om heur mond kwam weer het ironisch trekje, dat Mieke zoo vreesde en dat haar zoo verwarde.

„O zeker,” antwoordde tante op ietwat langzamen, gerekten toon, die steeds zeer duidelijk de belangrijkste zinsdeelen accentueerde, „ik heb ook volstrekt niets tegen de nètheid van je blousje, kind. Maar ik wil je toch even onder ’t oog brengen, dat je hier in een ander milieu leeft dan op je dorpje. Onthoud wel, Mieke, ik moet je als mijn nichtje presenteeren en niet als mijn dienstbode.”

„Tante!” riep Mieke onthutst, in de overtuiging iets zeer verkeerds te hebben gedaan, toch ook duidelijk gevoelend in haar eer te zijn getast, ofschoon nog niet recht vattend op welke manier. Doch zéér pijnlijk trof haar tante’s manier-van-spreken, Olga’s spotlachje, bijna als een smaad.

Daar stak Loes onverwachts haar arm door Mieke’s.

„Als ze eens een blouse van mij aandeed, mama?” vroeg ze levendig.

„Tja …” aarzelde mevrouw bedenkelijk. „Of anders … als Olga meent … dat ’t misschien maar beter is …” [90]

„Kom gauw mee, Mieke,” dreef Loes het ontstelde meisje fluks buiten de kamer. „Ik zal je een van mijn blouses passen.” En vóór mevrouw Van der Hoeve nader kon weerleggen, stonden beiden reeds in de gang.

Nauwelijks sloot de deur zich achter de meisjes of Olga kwam met een ruk in haar stoel overeind, smeet ’t boek over tafel.

„U bedenkt nu ook nooit eens iets vooruit,” verweet zij op bitsen toon haar moeder. „Voor Tilly kan ’t me nog minder schelen, maar voor Erik’s vriend! Iemand, die voor ’t eerst hier komt dineeren, dadelijk met zóó’n kind aan tafel te zetten, ’t is wat moois, Erik ergert zich dood.”

„Ik zei toch nog …” bracht mama in ’t midden.

„U zéí, maar natuurlijk zoo onhandig mogelijk.”

„Had jij ’t dan gezegd,” vervolgde mama op den kibbeltoon, die beiden zoovaak tegen elkander aansloegen.

„Nu nog mooier,” werd Olga heftiger. „Als u iets verkeerds hebt gedaan zegt u altijd, dat ik u dan maar had moeten verbeteren.”

„Precies dan jouw taktiek! Buitendien had ik er wel meer op ingegaan, dat ze alleen zou eten vandaag, als Loes er niet bij was geweest. Zoodra papa hoorde …”

„Hóéfde vader ’t te weten?”

„Loes is in staat er midden onder ’t tafelen over te beginnen.”

„Dan had u haar mond gesnoerd.” [91]

„Maar ik kan nog …”

„Nog! Nog!” viel Olga weer uit. „Waarom kwam u er dan toch ook mee voor den dag op het meest ongelegen moment?”

„Maar als ze nu netjes eet,” begon mevrouw te laveeren.

Good gracious, netjes eet! Zelfs dàt erbij! De mogelijkheid, dat ze misschien toch wel netjes eet!” Olga stampvoette.

„Als we haar nu tusschen Loes en vader zetten?” stelde mevrouw aarzelend voor.

Toen, zonder dat men erop verdacht was, trad meneer Van der Hoeve weer binnen, op den voet gevolgd door Betje, die kwam dekken.

En tegelijkertijd werd er gescheld door Tilly Mertens, de eerste gast.

„Wat is er?… Is er iets?” informeerde vader, van de een naar de ander kijkend met ietwat onrust.

„Niets, niets,” zei mevrouw kortaf.

Olga, haastig opstaande, verschikte gauw nog iets aan haar japon. Toen ging ze juffrouw Mertens tegemoet om even daarna bevallig en vriendelijk Bogaerts, Erik’s vriend, te begroeten in het salon, aan de eetkamer grenzend, waar meneer Van der Hoeve inmiddels het elektrisch licht had aangeknipt.


Toen Mieke en Loes uit de verlichte kamer zoo eensklaps in de half duistere gang waren aangeland, [92]bleef de eerste één oogenblik als versufd staan. Dan brak plotseling een groote drift zich baan in Mieke’s oproerig hartje, een drift, die haar deed trillen van het hoofd tot de voeten. En met bevend mondje vroeg zij schor: „of tante Sophie en Olga zich soms voor haar scháámden?”

Loes trachtte door besliste tegenspraak en hartelijkheid deze veronderstelling te verzachten, haar ongemerkt zoetjes de trap opduwend. En langzaam vloeide bij deze heelende vriendelijkheid en kalmeerende woorden die ongekende drift van haar weg.

Daar opende Loes een deur op het portaal van de bovenste verdieping en reeds verdrong alweer een nieuwe indruk de door Mieke zoo juist ondervonden geringschatting. Zij stond op den drempel van haar kamertje, dat Loes aan haar nieuwe eigenares met veel zwier, zij ’t wat geforceerden zwier, voorstelde.

Het vertrekje had, doordat ’t onmiddellijk onder ’t dak lag, één schuine muur. Ook was het niet hoog van verdieping en had het geen raam, slechts een dakluik, ’twelk op een ijzeren pen open en dicht kon worden gezet. Maar het herinnerde Mieke zóó sterk aan haar slaapkamertje thuis, dat ook zoo weelderig niet geweest was, dat een kreet van blijde verrassing haar ontsnapte. Het weerzien van grootmoeders oude meubelen op een moment, waarop ze er niet in ’t minst aan dacht, brachten haar na de ondervonden pijnlijke „les” tot zóó groote blijdschap, dat deze haar even het spreken belette.

Loes keek haar wat angstig aan. [93]

„Wij hadden werkelijk geen ander kamertje,” trachtte ze te verontschuldigen.

Maar Mieke zei, hoe best ze ’t hier vond … Zag Loes die oude chiffonière? Wist ze wat grootmoeder altijd in die laden bergde? En wat er gewoonlijk op dat ronde tafeltje stond en hoe oud de stoelen waren?… Ach, de vreugde van ’t meisje nam heelemaal ’t unheimische en kille van ’t kamertje weg!… Loes vond ’t er nu opeens ook volstrekt niet akelig meer, zooals gisteren, toen ze er stilletjes inspektie hield en het had vergeleken bij haar eigen gezellig hokje, maar ze zag nu, dat ’t kamertje heusch heel vroolijk was! „En zoo dicht bij de lucht en de zon,” zei Mieke verheugd, en daarin had ze gelijk. ’t Was er veel, véél dichter bij de lucht en de zon dan beneden, waar je zoo tusschen de huizen in de straat keek of in de nauwe tuintjes van de overburen … En wat zouden zij er samen gezellig kunnen zitten studeeren!

Loes begon zich reeds in plannen te verdiepen, zóó zelfs, dat ze bijna het doel vergat waarom zij beiden daar stonden. Tot eensklaps zij ’t zich herinnerde.

„Wij moeten voortmaken,” begon ze te reppen. „Ik zal mijn blouse-patrouille even gaan inspekteeren. Je mag mijn mooiste aan vanavond.” En weg was zij om in een ommezien terug te keeren met een heele bezending.

Hoewel in ’t eerst ietwat onaangenaam verrast bij ’t begrijpen van Loes’ bedoeling, kwam gaandeweg [94]Mieke’s meisjeshart ook een woordje meespreken. Het wat stugge idee liever te blijven als zij was, het volstrekt niet noodig vindend mooier te schijnen dan te zijn, redeneerde Loes al spoedig grootendeels weg. Wat praatte Mieke van „afleggers!” Wist ze wel, dat de meeste van deze nu zoo bewonderde kleeren afkomstig waren van Olga? O, Loes vond ’t vervelend genoeg zoo dikwijls de japonnen harer zuster te moeten afdragen, ze keek gewoonlijk niet eens naar den goeden kant van de stof als Olga een nieuwe japon kocht, alleen maar vanbinnen, omdat ze em toch altijd „gekeerd” moest verslijten.

Komisch en verontwaardigd klonk Loes’ verzuchting, zoodat Mieke ondanks zichzelf om haar lachen moest. Maar Loes’ boosheid luwde spoedig … Ze wou alleen maar zeggen, besloot ze, dat ze Mieke’s ergernis voor „tweedehandsjes” uitstekend plaatsen kon,—maar je ervoor geneeren? Dwaasheid!… En ze paste, rood als een pioen door ’t krachtig pleidooi, Mieke onderwijl met geestdriftige belangstelling heur mooiste blouse, die ’t meisje flatteerde … Zij riep dit, Loes, klappend in de handen.

Ook op Mieke’s wangen verschenen nu hooge blosjes. Ze stonden daar beiden in het kleine, scheeve kamertje met een emotie op de jonge gezichtjes, zooals je dat alleen maar kunt waarnemen, bij héél jonge meisjes.

„Prachtig staat-ie je!” juichte Loes. „Och, toe, houd em aan?”

Dat op- en neergedraaf van Mieke’s willen en niet [95]willen!… Waarom moest ze pronken met een andermans veeren?… Maar ook: nog nooit droeg zij zoo’n fijne, zachte blouse, en hoe dikwijls had zij iets dergelijks niet in stilte begeerd?

„Kom, doe em dan alleen aan voor mijn plezier?” bleef Loes aandringen. „En mag ik dan ook eventjes je haar opmaken?”

Vóór de ander wist wat er nu weer met haar gebeurde, zat ze reeds op een stoel, behoorde de stijve vlecht tot het verleden en golfde aardig, blond haar over een handdoek, die Loes Mieke had omgeslagen bij de kapperij … En zij genoot opnieuw, de kamenier. Ze werkte bij de ooren het strak getrokkene wat weg en bracht daardoor Mieke’s blank, eenvoudig gezichtje in een gansch andere omlijsting. Het natuurlijke, ietwat devote in haar type bleef, maar het scheen minder opgesloten, kreeg iets vrijers, het werd bevalliger.

„Kijk toch eens!” riep Loes weer verrukt. „Ik herken je niet. Nu je rok; wacht,—zóó. Die rok van je staat er niet heel mooi bij, maar de mijne zijn je te kort.” Zij pauseerde nu even, bedacht zich. „Dit moet dan maar,” zuchtte ze. „Maar stil, ik heb nog een breed ceintuur voor je. Ga even mee naar mijn kamertje. Ik gooi daar meteen m’n blauwe jurk over.” Reeds was Loes de trap afgedraafd, Mieke achterlatend opgewonden en in verwarring.

Nog steeds voor den spiegel toevend, zichzelve langzaam-aan ziende, werd Mieke getroffen door de plotse omzetting harer uiterlijke persoonlijkheid. Zelden [96]had zij zich zoo oplettend bekeken, althans nooit met zooveel zelfkritiek, als nu. Zij schrok van de meerdere bekoring, die zij van zich uit zag stralen, een vleug van bewondering schoot door haar voor ijdelheid ontwakend hartje, maar tegelijkertijd zonk in haar een verwijt de oude Mieke zóó gauw ontrouw te zijn geworden. Zij gevoelde, hoe met die veranderde kleeding heel haar wezen veranderen ging. Machteloos stond ze ertegenover. Haar oude zelf was haar zoo dierbaar en toch móést ze het vervormen, ze zag het duidelijk, ze wist, dat het moest, omdat het niet anders kon. Ze wist het plotseling glashelder.

En toen, bij dit zeker weten, daalde langzaam in haar een zekere berusting bij de gedachte aan het onvermijdelijke, dat nog zou gebeuren … Zij moest niet meer omzien! Slechts vooruit den blik!… Zeker, menigmalen zou ze nog terug verlangen naar den eenvoud van haar kalm bestaantje van vroeger, maar zij diende zich los te maken—in den goeden zin—van het verleden, zich niet meer zoo vast te klampen aan het oude.

Dit alles, begonnen met een uiterlijk zelfbeschouwen voor grootmoeders verweerden spiegel, ging gaandeweg over in een innerlijk. Beraadde zij zich zooeven of die uiterlijke nieuwheid haar wel paste, de bezwaren der innerlijke werden nog grooter. Altijd een klein zwaarhoofdje had ze nu, die korte oogenblikken, met zichzelf gevochten als nooit tevoren. En zij overwon. Zij besloot slechts datgene te weigeren om te doen [97]wat haar beslist vernederde of onrechtvaardig toescheen. Had ze eens gevoeld den strijd met de toekomst te durven aanvaarden, nu stonden de moeilijkheden ervan tegenover haar van aangezicht tot aangezicht. En zij besloot ze het hoofd te bieden, vastberaden en dapper. Heur handjes werden vuisten, en tusschen heur oogen kwam een rimpeltje van ernst.

Nog een laatsten blik in den spiegel werpend, ging ze langzaam de steile trap af, nu niet zenuwachtig meer. Alleen was er een strak, gespannen gevoel in haar hoofd.

Het elektrisch licht van Loes’ kamertje overstraalde hel de gang en luid klonk Loes’ stem: „Och toe, maak even mijn jurk dicht, wil je?”

Het groote verschil in gezelligheid van dit vertrekje en ’t hare trof Mieke bij ’t binnentreden onmiddellijk. Maar zij was te moe om hieromtrent groote vergelijkingen te maken. Ook was zij tevreden met „het bescheiden deel” in deze richting. Zij hielp Loes handig, die, geen oogenblik stil staande, een lint uit een vóór haar staande doos opdiepte.

„Je ceintuur, Mieke; asjeblieft … Hoe zit mijn haar?”

„Een beetje slordig,” waagde deze.

Met een vluchtige streek van de kam vond Loes ’t echter reeds in orde.

„Voor mij komt ’t er niet zoo op aan. Ze weten wel, dat er aan mij toch geen eer te behalen is. Maar jij bent nog een proefkonijn.” Toen zweeg ze, als [98]zoekende naar de rechte woorden om nog iets te zeggen. „Daarom,” begon ze te hakkelen, „wil ik je ook nog waarschuwen voor …”

„Waarvoor?”

„Wij … zie je … wij eten met mes en vork …”

„Ja.”

„En Erik …”

„Wat zei Erik?” ’t klonk kortaf. Mieke beet zich op de lip.

„Och niets. Heusch niets … Maar ze houden hier nooit hun bord vast. Ze …” Loes zag, hoe heftig zij Mieke weer bezeerde.

„Het is goed, Loes,” sprak ze stroef.

„Ik wilde je zooveel mogelijk helpen,” zei Loes met tranen in de oogen.

„Ja zeker, ik begrijp je heel goed. Dank je wel.”

Eén oogenblik van stilte. Toen voelde Mieke zich gevangen in twee sterke armen.

„Mij ben je goed genoeg zoo,” hoorde ze fluisteren in een zoen, met een stemmetje, dat oversloeg van ontroering.

„Ja, ik weet ’t immers,” suste Mieke, „ik weet ’t immers, dat ik nog een heel ongemanierd meisje ben, al heeft grootmoeder me toch werkelijk wel beleefdheid en vriendelijkheid geleerd.”

„O,” viel Loes in, zich oprichtend, „maar dat heeft meestal niets met gemanierdheid te maken. Ze zeggen juist dat ik veel te vriendelijk tegen iedereen ben om welgemanierd te zijn. En toen ik je zei van dat bord …” [99]

„Ja, ja,” legde Mieke haar gejaagd het zwijgen op, „ik zal wel afkijken hoe de anderen doen.”

„Asjeblieft,” zei Loes op smeekenden toon. „En ben je niet boos op me?”

„Ik ben je dankbaar,” antwoordde Mieke hartelijk.

Gearmd begaven de meisjes zich naar beneden.


Meneer Van der Hoeve, die met de jongelui in de vóórsuite zat te praten, had nu-en-dan al eens onrustig naar de deur gekeken, en op zijn vraag: „Waar blijven de kinderen?” een vaag en onverschillig antwoord bekomen, daar niet veel wijzer van wordend.

Ook Olga’s innerlijke geagiteerdheid nam toe, vooral toen de vormelijkheid van Bogaerts haar meer-en-meer deed vreezen, dat ’t dorpsche nichtje straks in staat zou wezen met „uilskuikenachtige oprechtheid” de familie te blameeren. En al was zij, Mieke, nu ook tamelijk meegevallen, al was ze niet zóó ongecultiveerd als Erik’s spot had doen vermoeden, het bleef toch nog een gesloten boek de manier hoe ze zich met een gezelschap als dit aan tafel zou gedragen. En hoe grooter Bogaerts’ onverholen belangstelling en bewondering werd, hoe meer zij in hem aantrof—wat haar behaagde—den complaisanten man van geboorte, hoe zenuwachtiger zij opzag tegen ’t oogenblik, dat zij met ’t onpresentabele nichtje (want in haar onrust degradeerde zij Mieke reeds weer tot onpresentabelheid) voor den dag moest komen … Had zij ’t niet altijd voorzien, dat [100]dit kind hier in huis een sta-in-den-weg zou worden? Afschuwelijk!… O, dat onmogelijke, gestreept flanellen blousje met de te korte mouwen, ’t strak gevlochten knoedeltje tegen ’t achterhoofd!… Wat deed zoo’n kind ook juist nú te komen?… Had mama alles toch beter geregeld!

Ze kon niet meer kalm luisteren naar ’tgeen Bogaerts tot haar zei, noch naar Tilly Mertens’ mededeelingen over ’t laatste rechtkundig college. Tilly, evenals Olga, studeerde rechten, ofschoon Olga’s vooraan-staan op velerlei gebied in de studentenwereld hoofdzakelijk betrekking had op de vermakelijkheden, meer dan op de studie. Want twee malen was haar candidaats nu reeds uitgesteld, en hàrd voortmaken met werken deed ze nog niet.

Tilly’s relaas interesseerde haar dan ook maar matig. Zij zat op heete kolen. Zeldzaam onrustig was zij, al maskeerde zij ook voorbeeldig haar gejaagdheid. Hoe hautaine ook gewoonlijk tegenover de haar ’t hof makende jongelui, hoe vaak spelend met hun dikwijls innige gevoelens, spottend en minachtend zich uitlatend over hun „onuitstaanbare gewoonheid”, Erik’s vriend scheen ’t vermogen te bezitten haar te boeien, al geschiedde dit waarschijnlijk minder door zijn niet onedel type dan wel door zijn lichtelijk geaffekteerden toon van supérioriteit, die haar blijkbaar, wat anderen niet hadden gewaagd, áándurfde. Of was de vesting thans niet zóó gepantserd met ongenaakbaarheid en koelen spot als anders? Werd de wetenschap zijner zeer „deftige” familierelaties [101]en van z’n vrij groot vermogen „het” wapen, dat stormloopen overbodig maakte? Hoevelen reeds hadden met hooge idealen, schitterend propaedeutisch- of candidaats-examen (hoewel ook met ledige beurzen en in kale confektiepakjes) zoo’n aanval beproefd? Nutteloos natuurlijk!… Olga, hooghartig en met zéér konservatieve standsbegrippen, was de hulde van Bogaerts echter lang niet onverschillig; begrijpelijkerwijs bleef daarom in deze situatie het presenteeren van ’t nichtje nog een leelijke kink in den kabel.

Zij zat op den sprong, Olga, een gelegenheid af te wachten waarop ze nog eens mama op ’t hart kon drukken de meisjes toch boven te laten, desnoods dan maar op háár kamer te laten eten. Werkelijk, het ging niet, Mieke dezen eersten keer onvoorbereid aan tafel te doen komen. Doch weer werd haar plan verijdeld: daar ging de deur reeds open, verscheen ’t meisje op den drempel, gevolgd door Loes, die zegevierend over haar schouder keek.

In minder dan geen tijd had Olga de binnentredenden gemonsterd. Met een ruk ging haar hoofd op zij. Mieke voelde hoe er schrik lag en geringschatting in die plotselinge, heftige en korte beweging. En ’t werd haar onder dien ongenadig kritiseerenden blik alsof zij slechts een dìng was, naar anderer believen opgetakeld, in plaats van een levend mensch met een eigen wil.

Olga’s mooi gezichtje ontspande zich evenwel oogenblikkelijk na dat eerste moment. Opgelucht [102]ging zij zelfs zóó ver, om, wat ze niet graag openlijk zou hebben bekend, Loes „een handig nest” te noemen. Hoe had ze ’t in een half uur klaar gespeeld het ongeciviliseerde kind er plotseling tamelijk dragelijk te doen uitzien? Zeker, ook zij had geloofd haar op den duur wel te kunnen fatsoeneeren tot iets behoorlijks; zoo dankbaar evenwel als thans bleek had zij die taak niet verwacht. ’t Viel haar op hoe ’t nichtje toch wel een heel verstandig gezichtje had … En een blik wisselend met mama, sprak deze van verwondering, bijna van een zeker soort bevrediging.

En nu de angst om een gek figuur te slaan, zich te moeten geneeren tegenover haar gasten voor een familielid, eenigszins week, en Loes met onovertroffen gemakkelijkheid de voorstelling tot hoogstens dertig seconden beperkte, Mieke veilig loodsend op een stoel tusschen vader en haarzelve, besloot Olga om in vredesnaam maar van den nood een deugd te maken: hoe minder aandacht er aan ’t kind geschonken werd des te beter. En zóó onderhoudend en levendig werd zij, dat Mieke’s begrip erbij stilstond. Was dàt dezelfde Olga, die even te voren nog zoo bits haar meening had gezegd, zoo koel en uit de hoogte iemand geen stap tegemoet kwam met vriendelijkheid of een warm welkom?… Zóó lief en minzaam had zij haar nichtje nog nooit gezien, zóó stralend mooi en bekoorlijk had zij niet geloofd, dat ooit een meisje wezen kon.

Stil en zwijgend zat Mieke maar op haar afgelegen plaatsje, zich bijna niet bewegend, zich voelend [103]in een gansch vreemde, onbekende wereld, ingespannen luisterend naar al wat er gesproken werd.

Dan, onverwachts, sprak Bogaerts haar aan. Zij schrok licht, als ontwakend uit een droom, dien ze langs zich zag trekken, geheel in de beschouwing verdiept van wat ze daarin gebeuren zag. Zij verloor een korte wijle de aan zichzelf toebedeelde rol van toeschouwster. Dit verwarde haar even. Tot ze zich haar voornemen van straks herinnerde: ’t hoofd op. Zij antwoordde nu bescheiden en beleefd, zich met uiterste inspanning verdedigend tegen aansluipende verlegenheid. Doch het viel haar minder moeilijk Bogaerts gepast te antwoordden dan Erik of Olga. Zijn wat overdreven, gekunstelde beleefdheidsvormen mochten haar al zeer intimideeren, hij gaf haar niet dat bijna beleedigende kleine gevoel van zichzelve, dat somtijds, op ’t randje af, haar zelfrespekt aan ’t wankelen bracht. Ook Tilly Mertens’ vragen naar haar leven buiten en naar haar plannen werden niet benauwend, al sprak dit meisje niettemin op rappen gezelschapstoon met gemakkelijkheid, welke het eenvoudige kind ten eenen male ontbrak.

Maar toen op een vraag van Bogaerts zij argeloos inlichtte: „Wij hadden maar een heel klein huisje, grootmoeder en ik,” vond Olga ’t rijkelijk welletjes.

„Ja,” definieerde zij, Mieke het woord ontnemend, „’t was er altijd zoo knusjes bij grootmama. Een echt gezellig nestje. Ik kan me best begrijpen, dat ze het niet grooter wenschte … Vooral den tuin vond ik altijd beeldig.” [104]

„Ik heb toch nooit gehoord, dat je er logeerde,” meende Tilly, en in de manier waarop ze dit zei lag een uitdrukking van onvoorwaardelijke goedgeloovigheid. Haar leelijk gezicht kreeg iets zeer sympathieks. Even ontroerde Mieke ervan. Zij voelde Tilly wáár.

Vooral na wat Olga antwoordde, nonchalant: „Niet? Ik ben er toch vaak geweest.”

Mieke’s oogen vergrootten. Zij opende den mond reeds om verbaasd aan te merken, dat Olga zich vergiste; ook wat ’t tuintje vóór ’t huisje betrof en ’t moestuintje erachter. Doch verdere uitweidingen bleken overbodig en ongewenscht.

„En avant, dames en heeren!” riep Olga vroolijk. „Mama popelt al om ons aan tafel te drijven!”

Het werd nu heel geanimeerd. De gesprekken gingen vlot en gezellig, vooral in ’t hoekje, waar Bogaerts tusschen Olga en Tilly zat, en Erik naast de laatste. Dan volgden Loes, Mieke, vader en mama. Maar aan dit tafeleinde was de geest niet zóó vaardig! De aanhoudende angst voor flaters, het ongewoon hanteeren van mes en vork, heel de toon van het vroolijk gezelschap droeg bij tot Mieke’s enerveering. Olga’s blikken in haar richting waren daarbij ook niet van dien aard om een wat bedeesd schepseltje op haar gemak te stellen, al was Olga voor haar doen zelfs vrij tevreden over Mieke’s gedrag. Maar die aanhoudende contrôle werkte doodelijk vermoeiend op ’t logéetje, wie de eetlust verging. Zij geraakte zóó afgemat, ook door de kleine zijdelingsche [105]wenken van tante, door haar inspanning zich niet te vergissen, zelfs door het hartelijk uit-den-weg-nemen van allerhande moeilijkheden door Loes, dat zij, toen ze van tafel opstond, een gezichtje had zóó kleurig en opgewonden, dat oom Egbert haar aanraadde toch vooral vandaag wat vroeg naar bed te gaan na dezen voor haar zoo vreemden dag.

Tegen half negen verschenen er nog een paar jongelui en gingen allen in ’t salon wat musiceeren, waar Olga, wonderlijk goed geluimd, brillant en geestig, allen betooverde door haar innemendheid met die ongeëvenaarde „Schwung”, waarmede zij zoovele meisjes overschaduwde. O, zij was zeer, zéér in haar schik, en zich haar macht bewust.

Stil verliet Mieke, na een tersluiks „goedennacht” aan oom en tante, de kamer, gevolgd door Loes; maar daar lette niemand op.

Olga zong met meer overbluffende, vrije voordracht dan musikaliteit eenige Fransche liedjes, die zeer werden toegejuicht.

En boven, op’t scheeve kamertje, praatten de beide jonge meisjes nog wat na, of liever trachtten zij wat na te praten, want dit gelukte niet al te best. Mieke was niet spraakzaam; ze was óp.

Tot Loes besloot haar eindelijk maar aan zichzelve over te laten. Ook zij voelde zich moe en niet vroolijk meer na de opgeschroefdheid, waartoe ze zich vandaag zoo dikwijls had genoodzaakt gezien.

„Ga nu maar lekker slapen, Mieke,” zei ze hartelijk. „Je moet me beloven er gauw onder te kruipen, [106]zoodat je morgen flink bent uitgerust.” En na eenige aarzeling, die vraag niet vóór zich kunnende houden: „Vond je ’t èrg vervelend vandaag,—en aan tafel?” Zoo gaarne, zoo innig gaarne, had ze haar een andere ontvangst bereid.

„O, neen,” zei Mieke, heldhaftig pogende opgeruimd te schijnen. „Het was niet zoo vrééselijk naar. Alleen nog ongewoon, maar dat zal wel wennen.”

„Denk je heusch, dat je wel wennen zult?” vroeg Loes blij verrast, maar niet heel stellig geloovend. „Ook aan—Olga?”

Mieke dacht lang na vóór ze antwoordde.

„Ja,” sprak ze toen, duidelijk en niet weifelend meer, „ook aan Olga. Ik denk, dat ik ook aan Olga wennen zal … Ik zal nooit van haar houden, dat weet ik zeker; en zij zal nooit van mij houden, omdat we nu eenmaal heel, héél anders zijn. Ik begrijp ook niets van haar. Maar wèl begrijp ik, nu ik haar gezien heb als vanavond, dat ik haar hinderen moet, sóms.. Ik zal nooit zoo worden als zij; ik zou ook nooit zoo willen worden, het zou me ziek maken,—maar Olga kan óók niet wezen als ik. Dat is even onmogelijk … Ik heb zooveel geleerd, Loes, dezen éénen dag, zooveel als ik nooit geloofde, dat er bestond.” Zij streek met de hand over ’t voorhoofd, als wilde zij haar toenemende opgewondenheid kalmeeren. Zij wist zelve niet wat ze zei, die momenten. Haar gedachten waren verward en vermoeid, schoon gaaf en onbesmeurd. Alleen: zij kon ze niet ordenen. Zij sprak ze uit, ongebonden, zooals ze haar door ’t hoofd woelden. [107]Zij kon zich geen rekenschap geven van de woorden, die zij onbeheerscht uitte, maar toch waren deze volkomen zuiver en kwamen uit den grond van haar hart.

Ze zei dit ook.

„Ik praat nu alles door elkaar, Loes. Ik ben vreeselijk zwaar en vreemd in mijn hoofd,” haar stem klonk schor en mat, „maar ik ben niet ongelukkig, werkelijk niet,—dat moet je niet denken.”

Ze bleef lang zitten met gesloten oogen, Mieke, ’t hoofd geleund op de hand, den elleboog op tafel. Ze vergat heelemaal, dat de ander nog naast haar stond.

Er heerschte een eigenaardige rust in het onooglijke, kleine kamertje. Slechts de klank der piano en die eener hooge zangstem drongen getemperd tot boven door. Een heele poos bleef ’t stil. Tot Loes zuchtte en haar hand op Mieke’s schouder legde.

„Nu ga ik maar,” zei ze zacht.

Toen beurde Mieke heur hoofd op. „Och,” en een snik ontsnapte haar, „ik heb eigenlijk zoo’n medelijden met je zuster.”

Loes stond eenig oogenblikken onthutst. Dan ontleedde zij Mieke’s gezegde; het scheen haar dwaas en misplaatst … Was Olga iemand om medelijden mee te hebben? En toch, zij antwoordde niet weerleggend.

Ook in haar steeg langzaam een ietwat pijnlijke gewaarwording als in Mieke. Het schrijnde ook haar eensklaps als zij terugdacht aan het kleed van bevalligheid, schoonheid en geest, dat zoo sierlijk Olga’s [108]onbeteugelde trots omhulde, haar gevoellooze aanmatiging, haar pijnlijk gemis aan liefde. Bezeerde, na Mieke’s woorden, ook Loes het snijdend onechte, dat Olga’s innerlijk beheerschen moest en waarmede zij anderen zoo flijmend kon kwetsen?… De jonge meisjes wisten ’t niet … Doch Mieke’s zuiver zieltje reageerde, schoon onbewust, nauw op de onzuiverheden in het gemoed van anderen, al kon zij deze niet steeds duidelijk verklaren. En ook Loes, suggestief en warm voelend, ondervond, door haar snel groeiende sympathie voor de ander, mede de weerpijn der Mieke geslagen kwetsuren.

Toch, hoe moe ook en afgetobd, hoe weinig hoopvol en opgewekt nu, ongelukkig, neen, voelde Mieke zich niet.

„Wel te rusten,” wenschte Loes met een verdwaalden zoen op ’t losgeraakte kapsel van ’t achterblijvend nichtje. „Slaap maar lekker.” Behoedzaam verliet zij de kamer en ongewoon bedaard liep zij de trap af.

Niet bij machte op te staan, bleef Mieke nog langen tijd roerloos aan de tafel zitten. Nevelig hoorde zij hoe van lieverlede de muziekklanken beneden verstomden, de stemmen verklonken, tot, buiten op straat, de voetstappen der bezoekers wegstierven in de stilte van den nacht … Vaag dacht zij terug aan de najaarsavonden op het dorp, waar om deze klok elkeen reeds geruimen tijd ter ruste was. Zij dacht aan juffrouw Wije, aan Geert, aan dominee Rensen, aan mevrouw Bos, en zooveel anderen. Het leek haar jaren geleden, dat zij hen kende, met hen sprak. Als [109]behoorende bij een heel, héél ver verleden doemden die herinneringen op. En nochtans scheidden slechts enkele uren haar van het tijdstip, waarop zij afscheid van hen nam. Maar wàt had zij sedert dit niet allemaal doorleefd!… Wat een gansch ander meisje was zij nu dan het meisje, dat vanmorgen een laatst vaarwel wuifde naar de vriendelijke boerin, dat, bedeesd naast Geert Wije gezeten in het gele wagentje, luisterde naar zijn lessen over in- en uitstappen … Had zij dit toen reeds een ding van gewicht gevonden? Ach, dit alles leek nu zoo eindeloos ver.

Zij verlangde zoo naar haar goede buurvrouw, naar Geert’s hartelijken handdruk. Zoo eenzaam, zoo diep verlaten gevoelde zij zich. De vreemde geluiden van de straat en bij de buren naast-an verschrikten haar herhaaldelijk. Zij werd angstig en óp van zenuwachtigheid. Het hoofd op de armen kreunde zij zachtjes, schreien kon ze niet meer. „O, grootmoeder, lieve, lieve grootmoeder,” smachtte haar afgetobd zieltje.

Tot eindelijk zelfs de onophoudelijk weerkeerende gedachten halt hielden in haar kringloop en Mieke zich vermande bij de galmende twaalf slagen der torenklok. Zij ontkleedde zich, draaide het licht uit en kroop in bed, huiverend tusschen de koude lakens. Zwaar en droomloos viel ze kort daarop in een vasten slaap, niet eerder ontwakend vóór Betje haar wekte door een tik op haar kamerdeur met de waarschuwing: „Half acht, jongejuffrouw.” [110]