WeRead Powered by ReaderPub
Mijnheer Snepvangers cover

Mijnheer Snepvangers

Chapter 11: HOOFDSTUK IV.
Open in WeRead

About This Book

The narrative follows a modest servant couple who save, open a small shop, and gradually advance through thrift, hard work, and shrewd local investments. One partner becomes involved in notarial business and property speculation, buying and developing rundown houses and plots, while domestic strains—childbirth complications, hired help, neighborhood gossip—shape everyday life. Episodic chapters examine social mobility, practical wisdom, the ethics of small-scale profit, and how reputation, ambition, and compromise interact within a close-knit urban community.

Traag kropen de uren voorbij voor den wakenden Snepvangers, wiens menschelijke ijdelheid zoo deerlijk was gekwetst. Eindelijk toen de morgen begon te dagen en het licht door de neergelaten gordijntjes sijpelde, sliep hij in. Uit zijn onrustige droomen, die kop noch staart hadden, werd hij gewekt door het onbehoorlijk gesnurk van Mie Verbinnen. Madame wreef zich eveneens de oogen uit.

—Seffens zijn wij in Zwitserland, Mama, vezelde hij, ik ga den gids spreken want met haar kunnen wij toch niet geplaagd blijven...

—Neen, Snepvangers.

—Wat moeten de menschen wel denken, ik schaam mij de oogen uit den kop.

—Wij gaan nog liever terug naar huis, Snepvangers.

—Natuurlijk, al moeten wij er al ons eens bij verliezen en niks gezien hebben.

De trein stopte. De slapers ontwaakten, namen hun gepak, stapten uit. Mie met haar kabas aan den arm volgde Snepvangers, die met nijdige wippasjes de reizigers naar het buffet vergezelde. Hij kreeg den gids te pakken.

—Met dat wijf zonder hoed en met een voorschot willen wij niet reizen, verklaarde hij dapper.

—Ik kan het niet verhelpen, Mijnheer, zij heeft betaald en toevallig kent zij u... Daar kan de agentie niets aan doen, verklaarde de gids onverschillig.

—Dan gaan wij terug, Mijnheer... wanneer vertrekt een trein naar Brussel?... Maar ik zal in Antwerpen vertellen wat zoodje gij Zwitserland laat zien...

—'t Is spijtig, Mijnheer, verzoende de gids, maar niemand kan er iets aan doen... en ge zijt uw geld kwijt...

—Mijn geld kwijt?

—Ja, want alles is betaald in de hotels en de treinreis is op voorhand betaald, verwittigde de gids en krabte zich achter het oor.

—'t Zijn allemaal dieven in uw schoon Zwitserland. Wij hebben al genoeg gezien en gaan terug... Wijs mij maar den weg naar den trein...

—Om negen uur vertrekt er een trein, ginder...

—Maar de koffie is betaald en zullen wij drinken! Wij gaan terug, Mama, terug naar Antwerpen, maar eerst gaan wij koffie drinken...

—Ik ben stram van zitten, kloeg Madame.

—Wij moesten in onzen ouden dag ook nog iets aanvangen. Laat ons nu maar smakelijk eten, want het kost peperduur.

Toen de reizigers weer naar den trein gingen, bleven zij zitten. Mie volgde hun voorbeeld.

—Dat is straf... Zij blijft zitten, en keert mee terug.

—Zij weet van toeten noch blozen, misprees Madame.

—Zij zal staan zien, grinnikte Snepvangers boosaardig.

Met zijn kladdeken Fransch wist Snepvangers zich te behelpen. De conducteur keek bevreemd naar de ongeknipte reisbiljetten in het reisboekje, maar zei niets. Mie schoof weer genoeglijk bij in het zelfde compartiment. Zonder een woord te wisselen reden zij in den snikheeten dag naar huis. Aan de stations dronken zij limonade, aten broodjes-met-wat-bij. In grilligen dans schoten dorpen en steden voorbij, velden en weiden, Zij waren verdoofd en uitgeput en zagen Mie maar onafgebroken smullen en snoepen uit haar voorraad. Het vischwijf probeerde zoo genoeglijk den tijd te dooden, want de menschen rond haar verstond zij toch niet en de Snepvangersen zaten statig en waren niet te spreken. Tegen zevenen kwamen zij te Brussel aan.

—Maar... maar dat is Brussel, begot!

—Ja, dat is Brussel, sarde nu Snepvangers, die niet langer zwijgen kon...

—En dat is nu die fameuse reis naar Zwitserland, waar van alles te zien was... die koeien met bellekens en die bergen met sneeuw... Awel, dat is puur afzetterij En dat kost nu zoe maar in de gauwte twee-honderd-vijftig frank... En waar is nu die Riga?

—In den Zwanengang, treiterde Snepvangers.

—Sloebers!... Ha, nu versta ik het ... ze hebben me willen kwijt spelen... zijn moedwillig terug naar huis gegaan... Maar ik heb toch zooveel van Zwitserland gezien als gij... ik beklaag mijn centen niet, want gij zijt ook gefopt... En mee naar huis ga ik ook!

In den avond kwam Snepvangers en zijn vrouw doodmoe thuis in de Hobokenstraat. Mie had hen tergend achterna geloopen tot aan den hoek der Rozenstraat.

—Droomt nu maar niet te veel van Zwitserland ... Ge hebt niet eens gekoleurde postkaarten meegebracht en ik wel, zegevierde zij.

—Wat zal Marieken verschieten als zij ons morgen ziet, jammerde Madame.

—En wat zullen de mannen uit Het Zwart Paard lachen, maar we slapen toch in ons eigen bed!

's Morgens stond Snepvangers weer tegenover Sander. De kousevent hield op met spuwen van verwondering.

—Al terug, Snepvangers?

—Ja, Sander ...

—In Zwitserland geweest?

—Ja!

—Niet veel bijzonders, zeker?

—Neen!

—Maar ge zegt zoo weinig....

—Och!

—Lang in den trein gezeten?

—Een dag en een nacht ... en dan dat smerig vischwijf uit de Rozenstraat, die zonder hoed mee wou naar Zwitserland.... En zij had heur plaats betaald en wou ons niet loslaten ... Maar wij hebben haar beetgenomen en zijn direct terug naar huis gekomen om in ons eigen bed te slapen.

—Ja, zei Sander peinzend en spuwde werktuigelijk, ja, Snepvangers, 'k heb u zoo dikwijls gezegd dat gij moest leeren zwijgen ... Nu zijt ge uw cens kwijt ... 'k heb u gewaarschuwd dat het overal hetzelfde is, en nu hebt ge het zelf ondervonden dat dat Zwitserland de moeite niet waard is, er u zoo muug voor te maken! ... Speek maar liever eens mee, besloot hij welgemutst, en binnen een paar dagen gaan wij opnieuw visschen! ...

—Ja, Sander, stemde Snepvangers in, voelde zich getroost, en spuwde naar den rand van het voetpad.


HOOFDSTUK IV.

DE VLUCHT DER SAKSISCHE KANARIEVOGELS

Snepvangers leefde ingetogen en in vrede met de menschen en de maatschappij. Hij dacht nu het leven te kennen, en door ontgoocheling en ondervinding wijsheid te hebben vergaard. Hij verbeeldde zich dat hij zijn hart gesloten had voor alles en dat zijn verstand wikte en woog om hem voor nieuwe tegensvallers te behoeden.

Goedsmoedig had hij zich verzoend met het leven, en zijn dagelijksche ochtendpraatjes met den Speeker hadden hem teruggevoerd op effen paadjes waar noch ontroering, noch avontuur dreigde. Zijn hondje laten wateren werd hem een aangename bezigheid.

Met de jaren kwam geen verandering. Een rustige glimlach van vergenoegen krulde zijn lippen, want zijn dagen brachten geen ergernissen.

Marieken had hem zes kleinkinderen geschonken, eerst een jongen, dan een tweeling, een meisje en een jongen, daarna nog drie jongens. De baker was bestending op de Torfburg. Een door den hemel gezegend huishouden, meende de onderpastoor van Onze-Lieve-Vrouwe!

Madame Snepvangers schiep groot behagen in de kinderkamer en hielp Marieken in de beslommeringen. De Drogist frutselde in zijn winkel of zat verdiept in wetenschappelijke verhandelingen. Soms praatte hij zeer uitbundig en andermaal kon hij zijn schoonvader zoo verstrooid aankijken dat deze er schuw van werd. Maar hij troostte zich in het besef dat geleerde menschen altijd zoo'n vreemde manieren hebben.

Aan een Zondagsche familiedisch besprak hij het zonderling verschijnsel.

—Ja, oordeelde de Drogist, dat is een kenmerk van de geleerden... Newton lei zoo zijn horlogie in kokend water en hield zijn ei in zijn hand.

—Had die mijnheer Newton dan geen vrouw om eieren te koken, verbaasde zich Snepvangers.

—Lessing, betoogde de Drogist, een beroemd dichter, kwam eens vroeger naar huis en zijn knecht, die hem niet herkende, riep door het raam: "De professor is niet te huis!"—"O zoo, antwoordde Lessing, dat is niets, dan kom ik later wel eens terug!"

—Van dichters verwondert mij niks, overwoog Snepvangers.

—Antoine doet precies zoo, hij kan Mijnheer Newton de hand geven... Eergisteren vraag ik hem om wat suiker in de pap, te doen... Ik geef de pap aan de kinderen en zij willen ze niet eten... Ik proef, en de pap is zoo zout als brak!

—Marieken, Marieken, suste de Drogist gevleid.

—Als hij maar geen gedichten begint te maken, zei de Loodgieter bekommerd.

—Neen, Papa, zoo erg is het niet, stelde Marieken gerust, ten minste dat heb ik nog niet ondervonden.

Snepvangers zag naar zijn kleinzoontje, het sprekend beeld van zijn vader! Meewarig bedacht hij dat het teere ventje ook geestelijk aan zijn vader zou doen denken!... Albertken moest maar liever op zijn grootvader trekken, desnoods op grootvader Craen... Maar niet zoo vies doen als Antoine in zijn geleerdheid.

Albertken was nu zes jaar geworden en ging naar de school der Paterkens in de Everdijstraat. De blonde krullen en de blauwe oogen, het bleeke gezichtje, de snaaksche invallen en het kindergebazel, waren voor Snepvangers een onuitputtelijke stof van overweging en conversatie.

Hij had zich van het kind meester gemaakt met zoete woordjes en listige verleiding. Craen had het te laat bemerkt en liet nu, daarbij te veel met de politiek ingenomen, Snepvangers ook maar betijen. Albertken droeg toch zijn naam!

Het jongsken verborg zijn voorliefde niet; met grootvader Snepvangers kon hij praten, die onderwierp zich geduldig aan zijn spelletjes, had zijn zak steeds gevuld met krakelingen, die nam hem mee naar de estaminets en liet hem van zijn bier proeven wat thuis streng verboden was. Zij hadden zoo hun geheimpjes, hun verdoken plezier en hun kameraadschappelijke verstandhouding.

Als kraaiend kindje had Albertken reeds blijken gegeven van eendere nijgingen die Snepvangers ontroerden. Hij was verzot op honden, riep tegen al de beestjes even vriendelijk: Dag hondeken! Hij kon spelen met spitsken zonder het maar een oogenblik te verbalemonden, was wijs en teeder tevens.

Samen gingen zij dikwijls naar den Dierentuin en werden het nimmer beu de apen, de zeehonden en de olifanten te bekijken. Snepvangers fantaseerde over de warme landen waar de olifanten met hun groote, ivoren slagtanden vrij in 't wild rondloopen en lawaai maken met opgestoken neustrompetten, over de logge zeehonden die op hun vinnen naar boven waggelden en neerplonsden om hun vischbuit te vangen, over de vinnige apen, die kouwelijk bijeenzaten in het apenkot; wier slimme, onrustige oogjes hen aangluurden, en die soms onfatsoenlijk zaten te vlooien.

—Hebben de menschen ook vlooien, Grootva, vroeg Albertken zekeren dag.

—Sommige menschen, leerde Snepvangers,—maar dat zijn vuil menschen...

—Och, dat is spijtig, betreurde Albertken.

—Spijtig?

—Ja...

Snepvangers was zoo verbluft dat hij niet verder aandrong om een reden te kennen.

De volgende maal, toen zij weer voor het apenkot stonden, zei Albertken trotsch:

—Wij hebben thuis ook vlooien!

—Niet waar, Albertken, zei Snepvangers onthutst.

—Ja, heel klein vlooien met heel lang haar!

—Maar, Albertken toch, ge moogt niet beuzelen!

—Ik zou toch zoo gaarne vlooien hebben, zuchtte Albertken, dat moet zoo plezant zijn.

—Maar het is niet waar...

—Ik denk het zoo maar, Grootva, zei de kleine waanwijs, dat is zoo mijn plezier.

Snepvangers zette groote oogen op en vond Albertken een wonder kind. Sinds hij naar school ging en van makkers en meesters te vertellen had opende hij voor zijn grootvader een nieuwe wereld van kinderverbeelding en logica. Haast dagelijks ging Snepvangers hem aan school afhalen en als vertrouwelingen bazelden zij samen. In den zomer gingen zij, na koffie gedronken te hebben, nog op wandel naar het terras om de schepen en het water te zien! Zij zaten op een bank, zagen de kranen werken en hoorden de stoomers toeteren. Grootvader was het vraagbaken dat voor alles een antwoord vond dat het kind voldoening gaf. Grijsaard en kind lieten hun verbeelding vrij spel.

—Pa weet dat allemaal niet, misprees Albertken.

—Foei, strafte Snepvangers gevleid.

Albertken was verbazend knap en slim oordeelde de grootvader die zijn eigen kinderherinnering ter hulp riep om den hoogen dunk van het jongetje te behouden. Maar soms werd hij toch overbluft en was de verrassing hem te groot.

Zoo zaten zij eens in het Park voor den met kroos bedekten vijver waarop de eenden dreven. Albertken zat te peinzen en Snepvangers rookte een sigaar en luisterde naar een merel die aan de overzijde van het water in een boschje verscholen zat.

—Grootva, fluisterde Albertken, is het aardig, altijd getrouwd te zijn?

—Maar manneken toch!... Wat een vraag!...

—Janneken Palincx zei gisteren dat zijn vader tegen zijn moeder gezegd had dat hij het beu is...

—Janneken Palincx is een snotaap, een kwajongen!

—Hij is de sterkste van allemaal, Grootva!... En hij liegt nooit... Vindt gij het aardig altijd met Grootmoe getrouwd te zijn? Zij kan soms toch zagen!...

—Kind, kind, 't is goed dat het niemand hoort... maar zoo'n dingen moogt ge niet zeggen of denken...

Snepvangers zag ongerust rond, maar er was geen mensch in de buurt.

—Als Grootmoe het moest hooren!

—Ik zal het haar toch niet zeggen, troostte Albertken, maar ik zou toch niet altijd met één vrouw willen getrouwd zijn...

Snepvangers begon uitbundig te lachen en Albertken, een oogenblik uit zijn lood geslagen, lachte mee.

—Wij, jongens, zagen nooit, zei hij en verzonk weer in zijn gemijmer.

Toen zij opstonden om naar huis te gaan, gaf Albertken de rest van zijn overtuiging prijs.

—Grootva!

—Albertken?...

—Als ik groot ben trouw ik toch ook!

—Zoo?...

—Ja, met een heel leelijke...

—Maar manneken toch!

—Ja, een heel leelijke, dan kunnen wij er samen goed om lachen!...

Albertken grinnikte genoegelijk en Snepvangers wierp van ontsteltenis zijn sigaar onder de bank.

's Anderdaags vertelde hij Sander wat zijn kleinzoon hem gezegd had.

—Die jongen zal het ver brengen, meende de Speeker, ge moet hem leeren speeken.

—Ja, zei Snepvangers zonder overtuiging...

—Hij heeft gelijk over het huwelijk...

Hij werd onderbroken door zijn vrouw die hem riep.

—Ik kom, antwoordde hij gedwee maar treuzelde nog even, hoe oud is Albertken?

—Zes jaar...

—Dat wordt een advokaat, Snepvangers, let op mijn woorden... dat kind heeft menschenverstand...

Dan haastte hij zich naar binnen en Snepvangers floot blijgezind op zijn hond.

Enkele dagen later waren grootvader en kleinzoon in de weer om grootmoeders verjaardag te vieren. Het trof op een Zondag en heel de familie werd in de Hobokenstraat verzocht.

—Ge zoudt een gedichtje moeten kennen, opperde Snepvangers.

—Is dat wel noodig, weifelde Albertken.

—Natuurlijk, manneken... Het zal grootmoeder zooveel plezier doen, zei Snepvangers, alsof hij berouw over iets had.

—Als het dan toch moet, schikte zich de kleine wijs... Ik vind dat wij moesten paleeren en vuurwerk afsteken op de koer...

—Ballonnekens en vuurwerk... Maar wat zullen de geburen wel denken?...

—Daar moet ge nooit niks om geven, wijsgeerde Albertken.

—Dat is waar, gaf Grootvader toe.

Grootmoeder werd feestelijk gehuldigd met bloemen en geschenken. Een kokin had de zorg voor het eten overgenomen, en nu zat Madame Snepvangers in een leunstoel en hield de kinderen bezig die beurtelings op haar schoot klauterden.

Antoine had zijn vader beet met een onuitputtelijke beschouwing, terwijl Marieken en Madame Craen de kleintjes susten.

Snepvangers en Albertken hingen hun veelkleurige ballonnekens in de veranda, plaatsten de kaarsjes recht, onderzochten het vuurwerk en verlangden naar den avond om de verlichting te kunnen beginnen.

Aan tafel knipoogden zij soms in het vooruitzicht der komende verrassingen. Snepvangers liet Craen gerust aan zijn zoon over en onderbrak Antoine niet in zijn betoog over eetbare en vergiftige paddenstoelen. Zoohaast de taart aangesneden was kon Snepvangers zich niet langer intoomen. Hij dronk in een teug zijn wijnglas leeg, want zijn keel was droog en hij had het gevoel alsof hij zelf een aanspraak moest houden.

—Antoine, zwijg nu eens, zei hij zegevierend, Albertken moet nu iets zeggen.

Antoine keek een beetje donker, zag Albertken van zijn stoel klimmen, een buiging maken voor zijn grootmoeder en hoorde zijn schriel kinderstemmetje verklaren:

"De Pruimenboom"!
Jantje zag eens pruimen hangen,
O! als eieren zoo groot!
't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
Schoon zijn vader 't hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
Noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom zoo volgeladen,
Mist men vijf zes pruimen niet!...

Het ging zonder haperen, maar Snepvangers, wiens lippen, vers na vers, meeprevelden, zweette van angst.

—Waar hebt ge dat geleerd, vroeg Marieken verteederd.

—Van Grootva, zei Albertken, haast stikkend in een stuk taart.

—Ja, dat heb ik in mijn tijd ook geleerd, overwoog Craen, maar hij heeft het goed gedaan... Bravo, manneken!

—En hij heeft er niks van verklapt, zei de Grootmoeder verbaasd.

—De mannen kunnen zwijgen, bedacht Albertken snugger.

—De inlandsche paddenstoelen, herbegon Antoine...

Zoohaast het donker werd stak Snepvangers de kaarsjes aan en een schemerlicht hing in de veranda. Dan, onverwachts, joegen zij een vuurpijltje omhoog in den tuin en deden zij een zevenslager springen. Snepvangers en Albertken juichten van pret, maar binnen in de kamer schrok het gezelschap, en de vijf kinderen begonnen eenparig te krijten.

—Schei toch uit, Snepvangers, riep Madame, wat zijn dat voor kinderstreken; ge jaagt de bloeikens den angst op het lijf!...

—Ge hoort het wel, Albertken, waarschuwde Snepvangers benard.

—En doof de ballonnekens nu maar uit, verzocht Antoine, ik krijg hoofdpijn van den stank der kaarsjes...

—Ge ziet het wel, bedacht Albertken teleurgesteld, zij vinden dat niet plezant... als wij ook eens iets doen dan maakt het lawaai of stinkt het......

—Ja, Albertken, maar dat is toch niks... wij zullen het op een anderen keer probeeren als er niemand thuis is... Oei! Daar vliegt een ballonneken in brand!

—Dat is niks ... dan moeten wij het niet uitblazen, redeneerde Albertken.

Wanneer Snepvangers later, na het vertrek der gasten, alleen tegenover zijn vrouw zat, kon hij niet nalaten te zeggen:

—'t Is toch spijtig voor Albertken geweest...

—Wat?...

—Wel dat vuurwerk... Hij had er zoo op gerekend...

—Gij denkt maar aan Albertken, verweet zij, hebt ge de andere kinderen niet hooren schreeuwen van schrik.

—Dat gaat over, bepeinsde hij, nog een paar slagen en zij waren het gewoon geweest...

—Maar hebt ge nu in uw leven zoo iets gehoord, schuddebolde Madame gebelgd.

—Dat kind is geen gewoon kind... Sander zegt het ook... Albertken moet advokaat worden...

—Och, en ge weet nog niet of het kind daar goesting zal voor hebben...

—Goesting? Goesting... ook gij kent hem niet. Albertken geen goesting hebben... hij wordt nog veel meer dan advokaat... Dat kind is nu mijn leven...

—Ja, dat weten wij, zei Madame nuchter, 't is uw Benjamin... maar 't mag zijn, want het kind ziet u liever dan zijn eigen ouders.

—Als ik hem "De Pruimenboom" hoorde opzeggen, dan dacht ik aan mijn eigen kinderjaren... Ik heb het gedichtje nooit vergeten, en Albertken zal nooit vergeten dat hij het van mij heeft geleerd...

—Neen, zei Madame, dat zal hij niet... maar nu gaan wij slapen, Snepvangers, 't is veel later dan anders...

—'t Is toch allemaal tegengevallen, kloeg Snepvangers nog op den trap, en dan Antoine die niet tegen een vetkaarsken kan!...

Wanneer het buiïg weer aankwam kon Snepvangers met Albertken niet meer geregeld gaan wandelen. Zijn dagen schenen hem langer. Telkens als hij de gelegenheid vond, sloot hij zich bij Sander aan om wat afleiding te vinden.

Op een zonnigen, ijlen najaarsdag stond hij zoo te treuzelen voor de halfdeur van het kousenwinkeltje. De boord van het gaanpad dreef van het speeksel. Een hoopje lanterfanters luierde tegen den met veelkleurige plakkaten bedekten muur...

Boven, ergens in een kamer waarvan het venster openstond, kweelde een kanarievogel. Snepvangers vond het danig schoon.

—Hoor eens, Sander!

—'t Is een sijsken, Snepvangers.

—Neen, neen, 't is veel schooner... 't is een kanarievogel...

—'t Kan zijn, schokschouderde de Speeker onverschillig.

—Een schoone vogel, mijmerde Snepvangers.

—De schoonste vogels zitten in den buiten, zei Sander.

—'k Zou toch wel een goeie zanger willen hebben...

—Och, wat hebt ge er aan?... Dat zingt maar en dat vreet maar!...

—Het zijn zoo'n fijn vogeltjes, Sander, en als zij zingen...

—Koop liever duiven... als zij vet zijn kunt ge ze in 't potteken steken en binnenbas spelen!

—Ik koop een kanarievogel, besloot meteen Snepvangers.

—Ge zult het beklagen, waarschuwde Sander meewarig alsof zijn vriend rampzalige voornemens koesterde.

—Ik moet toch iets hebben om mij te amuseeren, verontschuldige zich Snepvangers.

—Ja! zei de andere zuur, misschien moest ik het niet zeggen... de menschen zijn toch zoo eigenzinnig... maar als vriend, als ge dan toch een kanarievogel wilt koopen, ga dan om raad bij den klakkenmaker van de Paardenmarkt... anders wordt ge nog bedonderd ...

—Dank u, Sander.

Snepvangers sprak er met Albertken over.

—Ik zal het Grootmoe vragen, meende het kind.

—Ja, Albertken, en dan zullen wij ons amuseeren...

—Ik zou toch liever een arend houden!

—Maar dat is een wild beest...

—Die eten rauw vleesch, Grootva, maar een kanarievogel is toch ook goed.

Madame Snepvangers gaf haar toestemming, onder beding dat Mijnheer zelf voor het vogeltje zou zorgen. Dan toog hij naar den klakkenmaker. Hij kende hem van in den tijd toen de politiek hem in beslag nam. In het halfdonkere winkeltje was de man bezig met schikken. In de achterkamer zong een vogel.

—Dus wilt ge een kanarievogel houden, wikte de raadgever met scherpe neusstem.

—Ja!

—Een of meer?

—Ik denk...

—Daar zit het gevaar... één zangvogel is een plezier... meer, het kweeken, wordt een drift... ik kon mijn goesting altijd intoomen, maar dat kunnen weinig menschen...

—Ik zou om te beginnen maar een manneken willen koopen!

—Om te beginnen, zegevierde de klakkenmaker, de drift is u al meester... ge zijt een verloren man, Snepvangers, maar gij moet het weten... ik heb u verwittigd...

—Waar kan ik een vogel koopen, vroeg de ongeduldige Snepvangers, in vertrouwen, want ik ken de mannekens niet uit de poppekens...

—Dat zal ik u leeren, vriend... Als ge voor een kot staat dan moet ge de vogels goed bezien... Als ge ze goed bezien hebt, moogt ge u nooit laten pakken door de schoon pluimen... zoo is het bij de menschen ook...

—Dus een met leelijke pluimen?

—Bijlange niet!... Luister. Als er veel bijeen zitten moet ge een kaalkopken kiezen...

—Zijn dat mannekens?

—Ja... want poppekens en poppekens dat vecht niet... mannekens en poppekens vecht ook niet... maar mannekens en mannekens die pikken elkander de koppekens kaal...

—Maar als de vogels nu eens apart zitten?

—Dan moet ge ze hooren zingen... als zij zingen zijn het mannekens... daarbij kunt ge het zien aan hun houding en manieren en hun koleur is hooger...

—Waar zou ik er een kunnen koopen?

—Overal, meende de klakkenmaker luchtig.

—Ja, maar...

—Het hangt af van de soort die ge wenscht... Een Hollandsche of een Parijsche trompetter, een Brabantsche vogel, een Gentsche postuurvogel of een edelzanger zooals de mijne, een Saksische?...

—Een Saksische dan, de schoonste die te krijgen is, hunkerde Snepvangers.

—Daarin hebt ge gelijk... de beste soort... geen bastaarden... maar 't is een kwestie van goesting... ik ken een liefhebber die Schotsch Fancies kweekt, reuzenvogels van twintig centimeters.

—Dat zijn geen kanarievogels meer, minachtte Snepvangers.

—Volgens mij ook niet, fluisterde de neusstem, ge zult er verstand van krijgen, Snepvangers, dat voorspel ik u... Daarom, een goeie raad, let op de pooten als ge koopt... Die van jonge vogels zijn glad, die van de oude zitten vol schubben en hun klauwen zijn veel dikker en langer... Ga naar den ouden Willems met mijn complimenten, hij is zaalwachter in het Steen en die zal u niet verneuken... Hij kleurt geen wijfkens om ze voor mannekens, te verkoopen... Zorg dat ge uw drift meester blijft en dan zult ge veel plezier in de liefhebberij vinden ... Ik heb hooren vertellen dat een Hollandsch kapitein die veertien jaar te Breda in garnizoen had gelegen zoo verslingerd op het gezang was geworden, dat hij menigmaal vergat 's middags te gaan eten...

—Wel, wel!...

—Van 's morgens vroeg tot middernacht toe deed hij niets anders dan luisteren om de schoonste zangers te onderscheiden... maar zooveel tijd schiet er mij niet over... een kapitein is geen klakkenmaker...

De klakkenmaker hield Snepvangers in het deurgat nog bij den knoop van zijn jas.

—En als hij wat heesch is legt gij een stuksken kalissiehout in zijn "èzer", of als het een valling is dan doet ge eenige druppelen vijgensap in zijn drinken... Als ze vreetziekte hebben moet het aluin of staal zijn, voor den afgang melk en voor de hardlijvigheid kandijsuiker en saffraan...

—Kan een kanarievogel...

—Ja, knikte de klakkenmaker en zijn oogen keken zorglijk, zij kunnen het stiet krijgen en dat moet ge met ongezouten spek genezen, zij kunnen kwijnen in een donkere kamer, vermageren als zij geplaagd worden door roode luisjes, daarom moet ge holle roestjes gebruiken, zij kunnen aan vallende ziekte lijden, aan vetziekte, aan buikkramp, aan natuurdrift, zij kunnen een beenbreuk opdoen...

—Och, och, zuchtte Snepvangers, 't is toch niet waar zeker?

—Jawel, maar laat mij dan maar roepen... Ik zal wel raad weten... ik heb al twee pooten genezen met een saaien draadje in lijnolie gedrenkt en warm zand in het kot...

—Dan hebt ge niet lang plezier van een kanarievogel, wantrouwde Snepvangers.

—Dat weet ik niet, dat hangt af... Wanneer ge katten en ongedierte weert... de vogel goed verpleegt, versch eten en drinken geeft en dagelijks "muur"... bijtijds een bad, en de roestjes driemaal per week uitklopt, dan leeft hij tien tot vijftien jaar... Ik heb zelfs eens gelezen dat een vogel twintig jaar werd...

—Dan koop ik er een, verklaarde Snepvangers opgetogen...

—Doe het, moedigde de klakkenmaker aan.

's Namiddags trok Snepvangers naar het Steen. Er waren geen bezoekers. In een klein zaaltje, naast een paar toonramen vol medaljes en penningen, half verborgen achter verkleurde en geschifte zijden vaandels zat de oude Willems slaperig aan zijn bakkebaarden te pluizen. Hij keek norsch den bezoeker aan, die aarzelend stilstond voor een geel koperen bedpan, voetje voor voetje naderschoof en belang stellend door het venster keek naar den stroom waarop een hooge scheepsromp zwenkte. Hij had nog nooit zoo scherp een kiel van een schip opgenomen, vond het vlak beneden de waterlijn zeer rood gemenied.

—De dag moet hier toch lang duren, polste hij den Zaalwachter.

De man kikte niet, zag norsch naar het grauwe water dat midden in den stroom opschuimde als zog van den overzetter. Meeuwen scheerden rakelings over de baarkens.

Snepvangers was niks op zijn gemak. Hij probeerde het nog eens:

—Een schoon uitzicht op de Schelde...

—Vindt ge dat, zei Willems, dan moet ge maar goed zien en van de gelegenheid profiteeren.

—Ja, maar ik kom om een kanarievogel te koopen... nu weet gij het, ontlastte zich Snepvangers.

—Dat is wat anders, meende Willems levendig, stond op en kwam naast hem staan, waarom hebt ge dat niet direct gezegd?

—De klakkenmaker heeft mij gezonden ...

—Er is niks zoo schoon als de zang der kanarievogels!... Nachtegaalslagers, edelrollers en kollervogels... Hoor hoe ze rollen: woe, woe... ie-rie-rier... ie-lie-liel...arrr... verrr... fi-fi... si-si... wi-wie... wies, wies, sies... toe... toe... tsoem... en hun kleur, zoo teer... zoo fijn... hooggeel, stroogeel, witgeel... bleekgroen... ik heb er roode gekweekt met kleurvoeder...

—Roode?

—Ja ... maar als ge dat probeert moet ge maar een wijfken pakken... die zijn goedkooper en dan is er niks aan verloren... een weinig cayennepeper tusschen het eten... en klaar is Kees! Maar 't lukt niet altijd...

—Wanneer kan ik een vogel koopen?

—Direct... wacht een oogenblik...

De Zaalwachter ging naar een kleerkast, trok de deur open en nam er een kooitje uit.

—Een vogel uit de duizend... 's middags is er geen mensch en dan leer ik hem fluiten... Twee violen en een bas-bas-bas!... Maar deze is volleerd... Alleen hem in 't donker houden... Moet ge soms poppekens hebben?...

—Misschien later, als ik zou kweeken...

—Dat is eigenlijk het plezier. Mijnheer Snepvangers, de vogels kweeken en ze leeren zingen... ik gebruik altijd een flesch en een stop en dat maakt aardige muziek... Ik ken een nachtwaker die er zijn dagen mee doorbrengt...

—Wanneer slaapt hij dan,—verbaasde zich Snepvangers.

—Als hij wat tijd heeft, 's nachts bijvoorbeeld... Ik heb enkel Saksische vogels, maar mijn broer, de kleermaker uit de Keizerstraat, nevens het Kapelleken, die heeft al de soorten van de wereld... Laatst kwamen ze hem roepen terwijl hij het orgel trapte in St.-Jacobskerk, want er was een Engelschman speciaal overgekomen om zijn vogels te zien... Twee vogels heeft hij toen verkocht, die puur kerkmuziek zongen... zij hadden lang tegen den kerkmuur gehangen en zij volgen zoo gemakkelijk na... Maar nu trof het goed... ik gaf voor zoo'n vogel niks... Ik laat u het manneken over omdat de klakkenmaker u gezonden heeft... want eigenlijk kweek ik voor de kunst!

Met zijn kooi en sterk door de raadgevingen kwam Snepvangers in de Hobokenstraat.

—Een kanarievogel, leerde hij aan zijn vrouw, is een slimme vogel die spoedig zijn weldoener herken ... en hem met zijn zang beloont.

Albertken schiep spoedig evenveel zijn behagen als Grootvader in het kwinkeleerende vogeltje... Wanneer Albertken kwam werd de kanarie feestelijk vergast op trosjeszaad of een klontje suiker.

—Ge zoudt er meer moeten hebben, bedacht Albertken, ik zal Grootmoe vragen er voor uw nieuwjaar te koopen.

—Ik zou er moeten kweeken, op de leege kamer boven de keuken is er plaats genoeg.

Grootmoeder had het gehoord en zij was in een goede bui.

—Wel ja, Snepvangers, gaf zij toe, ge moet toch iets voor uw plezier doen en Albertken zal het ook amuseeren...

—'t Is voor Albertken, loog Snepvangers.

Een uur later droeg hij wat rommel van de kamer, begon te passen en te meten en droomde van een modelkooi. Hij zou Willems en de Klakkenmaker eens verbazen. Overvloedig licht viel door het achterraam, een ander raam, buiten het hok, zou toelaten de kamer te verluchten.

Om de kooi te bouwen wendde hij zich tot den houtdraaier, Miranda van de Paddengracht, die ook andere karweikens aannam en daarbij een kweeker bleek te zijn. Deze timmerde een afsluiting die de halve oppervlakte besloeg, spande een gevochten draadnet over de balkjes, lei een dubbele vloer en kalkte de muren. De deur, in vier losse vlakken, kon de dikke Miranda doorlaten, maar beneden, tegen den grond, was een klein poortje om het voedsel door te schuiven, de eetbakken, de èzers en de badschotels.

Snepvangers bracht dagelijks wat mee van zijn wandeling. Houten nesten met losse mandjes,—roesten van vlierhout, verf om het houtwerk op te kleuren. Miranda, die niet jaloersch van aard was genoot zelf van het modelopzet en leerde wat er te leeren viel. Deze lange gesprekken voerden zij, gezeten bij het kleine potkacheltje dat Snepvangers op zijn kamer geplaatst had. Tegen den muur pronkten schabben met steinen potten waarin het zaad zou bewaard worden en waarop hij de namen geschilderd had. Een houten tafel, een waterkraan en een afvoerbak volledigden zijn inrichting. Kleinere kooien hingen links en rechts. In de uren dat Albertken hem gezelschap hield, werd het houtwerk lichtblauw geschilderd en van gouden biesjes voorzien. In hun verbeelding kweekten zij samen met zooveel bijval dat de hokken te klein bleken voor het gevogelte. Intusschen sprenkelde en morste Albertken aan de waterkraan.

—De eerste kanarievogels waren groen, leerde Snepvangers.

—Dat moet ge mij niet wijsmaken, weerde zich Albertken.

—Manneken toch!...

—Ik zeg niet dat ge beuzelt, Grootva, maar dan hebben ze u wat wijs gemaakt...

In het voorjaar ging hij bij Miranda vogels kiezen... Miranda wou niet dat hij naar Willems ging, die maar kweekte voor de cens...

—Is het raadzaam meer wijfjes bij een mannetje te zetten, vroeg Snepvangers.

—Ja, Snepvangers, hier op zolder kan ik het u wel zeggen, niemand hoort ons... bij de kanarievogels kan men het riskeeren, dat gaat meestal... maar bij de menschen loopt het verkeerd...

—'t Is goed dat Albertken het niet hoort.

De dikke Miranda lachte, maar ving onderwijl met zijn vlindernetje een kanarie, nam voorzichtig het schuwtrillend, teere ding in zijn dikke reuzenhand en streelde het zachtjes met zijn linker wijsvinger. Hij blies de veertjes op.

—'t Zijn toch zoo'n broze dingskens, zei hij het beeft van angst in mijn hand...

—Zij hebben zoo niks om zich te verweren.

—Als ik mijn hand toenijp is het dood, droomde Miranda, ik vraag mij af waarom die beestjes geschapen zijn.

—Och, zei Snepvangers, die ongeduldig werd en en aan zijn kooi dacht, we moeten ons niks afvragen, maar voortvangen...

—Dat is één, zei Miranda, bekeek nog even het licht-gele lijfje, de ingetrokken pootjes en het fijne snaveltje, zie Snepvangers, het sluit zijn oogskens van schrik... wie zou nu zoo iets weerloos kunnen kwaad doen...

—De menschen doen niks anders...

Snepvangers begon met vijf mannekens en met twaalf poppekens. Een blaadje sla naast het bad, het raapzaad gemengd met witzaad, de klare fonteintjes en het trosjeszaad, het droge zand op den grond en de vogels op hun roestjes, 't was alles hij zei geen woord.

Madame loofde, ingenomen door orde en netheid, de nieuwe kweekplaats. Marieken werd door Albertken meegetroond, evenals Craen en zijn vrouw. Want het jongsken deelde in den triomf. Zelfs Antoine kwam eens kijken, bleef een tijdje praten, beloofde prima kwaliteit eten te bezorgen en was geen oogenblik verstrooid.

Doch pas toen de eerste eitjes uitgebroed waren en de eerste, bloote, donzige dingskens in het mosnestje wriemelden, kon Snepvangers, bijgestaan door Miranda, Sander bewegen eens te komen zien. Alles nam hij nauwkeurig op, maar zei geen woord.

—Nu krijgen de beestjes harde eieren met fijngestampte beschuit, zei Miranda.

—Een brood in melk geweekt met maan en salaadzaad bestrooid, vulde Snepvangers argeloos aan.

—Ge moet van Lotje getikt zijn om in zoo'n klein geneuk uw cens te steken, misprees de Speeker boosaardig, en zonder nog om te zien slefte hhij de kame uit, de trappen af en de straat op.

—'t Is toch 'n vieze, zei Snepvangers ontsteld.

—Och, elk zijn goesting, troostte Miranda.

Wanneer Snepvangers den volgenden morgen zijn spitsken buiten liet, las hij in de oogen van Sander hoe diep hij in zijn achting gedaald was met het kweeken van "klein geneuk".

Snepvangers had veel meeval in de kanariekweekerij en zijn ambitie groeide er door. Zijn huis was een zangpaleis. Van 's morgens vroeg zongen de vogels en vulden de kamers met blij gekweel. Mijnheer was verrukt over zijn teere raskanaries. Madame, alhoewel zij wel voor de verzorging mocht bijspringen, was zich ook aan de "pietekens" gaan hechten.

Daar Snepvangers voor zijn plezier kweekte schonk hij mild aan familie en vrienden, de edele vogels in zijn broedkamer geboren. Overal zongen zijn Saksische zangers. Het was zijn glorie zijn vogels te hooren roemen. Miranda was goed bedacht geweest, want aan dezes zolder dankte hij de stamouders van zijn kooi. Intusschen was zijn gevederde bevolking toch noch gestegen tot zes-en-negentig mannekens en poppekens.

En weer lagen, in den vierden kweekzomer, de poppekens op hun broze sprikkeleitjes te broeien en gaapten en piepten de jongskens in de nesten.

Op een zomermorgen zaten de echtelingen voor het hok de speelsch wippende kanaries te bespieden. De vogels vlogen van hun roestjes op den vloer, pikten in den eetbak, dronken aan de fonteintjes of lagen te vluggen in de badschoteltjes. Een vreemde vogellucht hing in de kamer.

—Miranda zegt ook dat ik veruit de schoonste vogels kweek, zei Snepvangers.

—Ge krijgt er te veel, oordeelde Madame.

—Ja... maar wat kan ik er aan doen... ik geef er zooveel weg... en ik kan er toch niet mee op de Vogelmarkt gaan staan...

—Neen, dat gaat niet, bekende Madame.

—En ik kan ze toch zoo ook maar niet op straat smijten...

—Neen, dat kunt ge niet, zei peinzend Madame.

—Daarvoor zou men het hart van een deurwaarder moeten hebben, vulde Snepvangers aan, want hij kon niet scheiden van zijn vogels.

Albertken, die pas zijn eerste communie had gedaan, was van lieverlede wat losgeraakt van zijn Grootvader. Nog kwam hij wel af en toe naar de vogels kijken, nog gingen zij wel eens samen wandelen naar den Dierentuin of naar het terras, maar Albertken had n kameraadjes waarmee hij beter praten kon. Snepvangers voelde het wel, maar troostte zich in het besef dat de jongen groot werd, zooveel te leeren had, Fransch en Latijn, en verzot begon te worden op dat nieuwsoortig amusement, het voetbalspel. Antoine vond het wilde stampen en smijten nuttig voor de lichamelijke ontwikkeling, en Antoine was de vader!... Niet alleen de vader van Albertken, maar van nog zes andere spruiten die net als zijn kanariejongskens, gaapten en piepten en leven in huis brachten. Het jongste was weer een meisje en Marieken had pas haar kerkgang achter den rug toen zij de plechtige eerste communie van den oudsten vierden. Snepvangers dacht wel eens over de kinderen zooals zijn vrouw over zijn kanaries, dat er te veel kwam! Maar de Drogist won rijkelijk zijn brood en kon zich de weelde veroorloven, zooals Snepvangers zijn getal kanaries niet moest beperken bij gebrek aan middelen.

Albertken werd echter niet vervangen in de voorliefde van zijn Grootvader, die oud werd en zich geen nieuwe kameraadschap met de kleinkinderen meer scheen aan te passen. Madame kon beter om met het drukke troepje.

Zekeren avond, in de zwoele maand Juli, hij had op zijn stade met Miranda een pintje gedronken in "Het Zwarte Paard", wenkte Sander hem.

—Hebt ge de gazet gelezen?

—Neen, Sander ...

—Er staat: Opgepast voor de Croaten!... en dat wil veel zeggen...

Meer liet de Speeker niet los, vouwde zijn gazet toe en strompelde binnen. Snepvangers rook een frissche hooilucht die den lauwen avond doorgeurde, Hoorde de kinderen joelen op de Ossenmarkt. Alles was zoo rustig en gewoon en hij begreep niks van de waarschuwing.

's Anderdaags hoorde hij de gazettenleurders verwoed op hun koperen trompetten toeteren en gillen.

—Wat is er toch aan gang, vroeg Snepvangers.

—De tijden van Napoleon komen terug, voorspelde de Speeker, en kneep de "Gazet van Antwerpen" in kreukels, er is oorlog tusschen Oostenrijk en Servië...

—Och, meende Snepvangers, 't is altijd ieverans oorlog in de wereld...

—Wacht maar!...

In zijn slaap werd hij opgeschrikt door het luiden van Carolus. Snepvangers wipte zijn bed uit, vergat zijn slaapmuts en zijn bloote beenen en trok het balconvenster open.—Een politieagent stond aan den overkant, hij hoorde het raam knarsen en keek op.

—Wat gebeurt er, vroeg Snepvangers.

—De klassen worden binnengeroepen... straks schiet ik ook mijn soldatentenueken aan, zei de agent.

—Wel, wel, zei Snepvangers verbijsterd, stak zijn hand naar zijn hoofd uit en werd zijn slaapmuts gewaar.

Dan haastte hij zich het venster te sluiten en kroop terug in zijn bed.

—Jezus-Mana, zuchtte Madame, wat gaan we nu nog beleven.

—Dat moeten wij afwachten, oordeelde Snepvangers keerde zich om, sliep koelbloedig snurkend in.

Madame woelde nog lang slapeloos en vol onrust. Zij benijdde haar man die zoo moedig en onverschrokken slapen kon wanneer onbekende gevaren hen bedreigden.

Onder de algemeene paniek moest Snepvangers zich den volgenden dag van den ernstigen toestand rekenschap geven. Hij zag de menschen samendrommen voor de spaarkassen... In winkels en herbergen was plots het pasmunt onvindbaar, bankpapier overstroomde de stad en de gapers lazen de plakkaten omtrent de opeisching van paarden en rijtuigen voor het leger.

Miranda stond bij Sander, die uit het dagblad voorlas: "Gij moogt het gerust zeggen, verklaarde ons een officier, dat de Schelde, hoewel zij er den schijn niet van heeft, verdedigd is gelijk mogelijk geen enkelen stroom van de wereld. Ook is het te voorzien dat men ons langs daar niet zal aanvallen, want daar ligt ons sterktepunt..."

—Alles gaat duur worden, zei Miranda.

—Zou het vogelzaad ook opslagen, vorschte Snepvangers.

—Er komen Turcos gelijk in 't jaar zeventig, beloofde de Speeker, van die half zwarten met roode pofbroeken.

's Zondags, in de kerk, hoorden Mijnheer en Madame de kondschap der Bisschoppen aan de geloovigen: "Het uur is bedenkelijk. Angst en vreeze beklemt de harten. Kinderen, vrouwen en moeders smelten in tranen. Edoch, met vasten stap en moed in het hart trekken onze wakkere soldaten naar de grenzen..."

—Snepvangers, fluisterde Madame, en er blonken tranen aan haar wimpers, wat zullen wij in onzen ouden dag nog moeten onderstaan...

—Ik ben van zins, antwoordde Snepvangers, en zijn gedachten hadden een anderen koers, voor den opslag nog een vijftig liters vogelzaad te koopen ...

Aan tafel gaf Antoine weer moed, verzekerde dat het land geen gevaar liep in den strijd gewikkeld te worden. Op het goed vooruitzicht werd een lekkere flesch geschonken.

Opgemonterd verscheen Snepvangers 's Maandags met zijn spitsken in de straat.

—Er komt niks van, verzekerde hij aan Sander, Antoine heeft het gezegd...

—Wacht maar, gromde de Speeker, en blies door zijn goudsche pijp.

Zij stonden een wijlken stil tot een vent voorbij holde.

—'t Is oorlog, riep hij.

—Watte?...

De Speeker liet zijn pijp vallen en keek verwezen naar de scherven.

—Ik hoor trommelen, Sander.

—Snepvangers, nu valt er op te passen, fluisterde de Speeker geheimzinnig.

—Ze trommelen de gardecivikken op, meldde een straatbengel, 'k heb de tamboers gezien... 't is oorlog...

—Wel, daar gaat er, poddozie, een...

—Ja, Snepvangers, dat is een trompetter die ook nog in den Oost gediend heeft en in Tonkin... een duveltje... anders boodschapper aan de statie...

—Hé, Mijnheer, is het waar, ondervroeg Snepvangers.

—Ja, zei de trompetter van de burgerwacht, terwijl hij zijn gele koorden schikte en naar zijn roodkoperen instrument keek, ja, ik zal mogen blazen... dat heb ik nog gedaan... daar draag ik decoraties van...

—Awel, peilde de Spreeker...

—We moeten misschien naar de grens, blufte de man en liep door.

—Dan kunnen wij gerust zijn, betrouwde de argelooze Snepvangers.

—Onnoozele bloed, verachtte Sander.

Zijn zonnig humeur bleef hem bij terwijl hij door de stad liep te gapen naar de koortsige, opgewonden bedrijvigheid. Overal, aan stations en militaire gebouwen, aan stadspoorten en aan magazijnen stonden burgerwachten, de bajonet op 't geweer, en keken de burgers aan met de brani van oudsoldaten. Geen straat zonder soldaten,—geen kroeg zonder woordvoerders, geen straathoek zonder samenscholing van geburen. De bijzondere edities der dagbladen droegen in vette titels: "'t Kanon aan 't woord!... Antwerpen in staat van beleg!"

—Nu heeft de burgemeester niks meer te zeggen, nu is 't armee baas, leerde Sander, en daar valt niet mee te lachen.

—Maar waarom moesten wij toch in den oorlog komen, treurde Snepvangers,
wij zijn geen vechters...

—We zullen het wel leeren, grimde Sander, en toonde zijn leelijke tanden.

Dinsdags joeg een onrust door de stad en het grauw plunderde de kaberdoeskens in het Schipperskwartier. Snepvangers en zijn vrienden doken vroeg in hun woningen, ontzet door het gehuil der bende. "Wij staan pal!" Dat stond boven het verwarde mengelmoes van berichten. Een dag later scheen de stad plots in feest te staan; aan al de gevels wapperden vlaggen en elkeen droeg een driekleurig strikje. Aan sommige poorten waren echter de tramlijnen opgebroken.

—'k Wist niet dat er zooveel vlaggen in de stad waren, verwonderde zich Snepvangers.

—Dat is om er den moed in te houden, zei Sander, op al de kerktorens steekt nu een vlag.

—'k Heb de eerste verpleegsters van het Rood Kruis gezien, vertelde Miranda, allemaal in 't wit met witte kappekens op en roode kruiskens op de mouw...

—'t Zal 'n slag geven, misprees Sander de ongeluksprofeet, maar als ze rond Antwerpen beginnen dan trek ik er uit...

—Foei, Sander, berispte Snepvangers waardig, ge moet meer vaderlandsliefde toonen, als ik zoo oud niet was ging ik nog als vrijwilliger op.

—Och, Snepvangers!

—Echt waar!... Er is een advocaat bezig met een Scheldekorps bijeen te brengen... daar zou ik nog willen aan meedoen, maar ge moet kunnen zwemmen en dat kan ik niet...

—Ik, aarzelde Miranda, ik blijf bij mijn oud gedacht, geen man, geen kanon! 't Is niet menschelijk elkaar doodschieten!...

—Och kom, dat steekt zoo nauw niet, oordeelde Snepvangers, dat is niks... Hebt ge de nieuw bankbriefjes van vijf frank al gezien?

—De Burgemeester heeft prijzen vastgesteld voor eten en drinken! wist Miranda.

—z'Hebben weer twee spionnen gevangen, ze zaten in een kelderken aan de statie gebakken visch te eten, meldde Snepvangers.

—Ge moet maar lezen wat er allemaal gebeurt, zei Sander, ik zou van 's morgens tot 's avonds niets anders doen dan gazetten lezen.

—Zie, die piotten trekken uit!

Een marschvaardig regiment. Dof klonken de stappen der zwaar bepakte piotten. Zij droegen het geweer aan den riem, de zwartglimmende kepies aachteruitgeschoven de blauwe kapotjassen opengeplooid zoodat de grijze broeken zichtbaar waren. Plots zongen zij "De Vlaamsche Leeuw". Het doorrilde de drie vrienden en onwillekeurig namen zij den hoed af.

Nauwelijks een week later was Snepvangers het reeds beu gazetten te lezen. De toestand bleef immer zeer goed!... Uit al de telegrammen kon hij geen klaar beeld ontwarren en dan trof hem nog de plekken wit of zwart, die het werk van de censuur aantoonde.

Toen gebeurde het dat Snepvangers en Miranda de eerste gekwetsten zagen. Zij kwamen uit het Station en werden in trams vervoerd... Hun gezichten Leken grauwe vertrokken maskers, hun oogen zaten vol koorts, hun hoofden of armen waren verbonden met doortrokken windsels. Zenuwachtig zogen zij op sigaren en sigaretten, knikten de menschen toe of riepen iets. Ze leken wat verdwaasd. Miranda, de groote, stevige houtdraaier, was zeer bleek geworden...

—Ziet ge nu dat bloed, fluisterde hij met een krampachtig gelaat.

—Nu ga ik niet meer zien, Miranda... en die kunnen nog loopen, maar die anderen die op de berrie liggen, zei Snepvangers triestig.

—En zij die ginder in den grond gestopt worden, Snepvangers.

—Kom, laat ons maar stillekens naar huis gaan.

In "Het Zwart Paard" dronken zij een borreltje, waarschijnlijk omdat het schenken van sterke dranken nu verboden was. Zoo kwamen zij terug op hun verhaal. Wanneer zij Sander vertelden wat zij gezien hadden, weerstreefde hij woest:

—Dat is niks, laat ze maar vechten!...

Snepvangers, al huilde hij met de wolven, hield in die dagen het meest van den zachtzinnigen Miranda. Uren zaten zij bij de vogels te kijken en te spieden, te luisteren naar het gefrazel der jonge mannekens... Zij hielden van de fijne, gele donsschakeeringen, van de zoete, weeke kleur.

Aandachtig zagen zij hoe de jongskens gespijsd werden, hoe de schuw-rille vogels op en af vlogen elkaar beriepen, naast elkaar hokten of met vogelwreedheid elkaar bepikten. Zij vergaten er het uitzicht der stad en de gebeurtenissen. Wanneer Miranda zich een beetje te erg verlaat had, ging Snepvangers mee naar huis en kroop mee op den zolder, waar de houtdraaier zijn werkhuis had. Samen wijsgeerden zij over de wereld en over de Saksische kanarievogels.

Zekeren middag kwam Albertken zijn grootvader opzoeken, die door het dwaas bellen opschrok uit zijn middagslaapje. Albertken droeg een soldatenmuts.

—Grootva, riep hij opgewonden, de Koning is in zijn paleis met de Koningin en de Prinskens! We moeten gaan zien!

—Ja, Albertken, onderwierp zich Snepvangers.

Op de Meir, voor het Paleis, stonden zij te glarie-oogen, verloren in de samenscholing. De zon ging onder en de klare hemel verduisterde. Plots jubelden zij mee met de menigte al zagen zij niets.

—Zijn het de Prinskens, Grootva?

—Ja, Albertken!...

Daarna bracht Snepvangers zijn kleinzoon naar huis. Antoine mompelde een verstrooiden groet, verloren in krantenlectuur.

—Ze vechten rond Diest, zei Marieken terloops, sprak dan over den zuigeling, een meisje als een wolk.

Later riep Sander hem om de gazet te toonen... Hij las de bovenschriften: "Vreemde ruiters te Gheel! Dat is geen reden om het hoofd te verliezen!"

—Ze komen naar hier, voorzag de Onheilsbode.

—Nooit, meende Snepvangers waanwijs.

—De Paus is dood!...

—Als het maar waar is!

—En de Generaal der Jezuïeten... En dat beteekent iets als die sterven!...

—Och!...

—Brussel is ingenomen en ze vechten te Aerschot...

—Ge moogt alles zoo zwart niet inzien, Sander!...

—Ik heb mijn duiven verkocht... ik wil klaar zijn om te gaan loopen... Verkoop uw kanarievogels, Snepvangers... Wij verkoopen de kousen en de saai, want wij trekken er uit...

—Ge zijt een bangerik, mompelde Snepvangers en stak ontstemd de straat over.

In zijn eersten slaap werd hij opgeschrikt door een vreemd geronk in de lucht. Voor hij zijn vrouw kon antwoorden daverden ontploffingen... Het huis scheen te beven en de ruiten te trillen.

—Och, Snepvangers, kreunde Madame.

—Blijf maar stillekens liggen, vrouw lief, suste hij, niet bang zijn, 't is niks...

Vol verteedering nam hij haar grijs hoofd in zijn arm, kuste haar en proefde haar tranen.

—Wij hebben nooit iemand kwaad gedaan,—troostte hij.

—Maar de kinderen, nokte zij, de arme kinderen.

—De arme kinderen!...

Zij rilden onder het vreemd geweld dat in den nacht door de lucht joeg en weenden samen... De wereld was uit haar gronden gerukt en boosheid en moordzucht hielden feest. Nu verloren de menschen hun bezinning en wisten wat oorlog was en vrede.

Reeds vroeg kwam Miranda hem halen om te gaan kijken naar de verwoesting.

—Neen, zei Snepvangers, dat wil ik niet zien... Er zijn dooden!...

—Ik ga naar Marieken, verwittigde Madame nog zeer onder den indruk.

Zij stonden op den drempel en zagen Sander en zijn vrouw, elk met een zwaar valies beladen gereed om te vertrekken.

—Awel, Sander?

—Wat heb ik voorspeld, zegevierde Sander, wij trekken er uit, wij gaan naar Ossendrecht... In Holland vechten ze niet...

Ze zagen het koppel wegtrekken, zwoegend onder hun gepak. Het dikke winkelvrouwtje dat nooit buiten kwam, trippelde voor haar man uit en was ook nu weer baas, terwijl Sander, de sluwe bepeinzer, kalm aan zijn pijpje trok en haar gedwee volgde.

—Hardloopers, riep Snepvangers hen na.

—Ik ga dan ook maar niet zien, besloot Miranda.

—Wij zijn nog menschen, Miranda, kom liever eens naar mijn kanarievogels zien.

Dagelijks brachten de gazetten geruststellende tijdingen.

Steeds bleek de toestand uitmuntend en de toekomst hoopvol. Wel stroomden vluchtingen aan, maar zij werden in treinen gepakt en dieper in Vlaanderen gezonden. Niemand scheen zich erg om die dakloozen te bekommeren, elk had genoeg met zijn zorgen en zijn onrustige nachten. Menigeen lag geregeld te turen naar den helderen sterrenhemel. De Russen waren nu de mannen die hen uit den nood zouden helpen. Sommige sinjoren hadden permentelijk Russen op de Paardenmarkt gezien.

—'t Gaat goed, verzekerde Snepvangers, de Russen zijn kleppers.

Nu de Speeker hem met zijn zwartgalligheid niet meer verschrikken kon, zwom hij weer onbekommerd in zijn gelukzalig optimisme. Hij wist dat er een nieuwe Paus gekozen was, dat er te Leuven en in de buurt van Mechelen gevochten werd, stortte zijn penning voor "Het Kind van den Soldaat" zorgde voor zijn vogels en luisterde naar hun gefrazel, vreesde niet voor Antwerpen en sliep weer ongestoord en rustig. Hij begreep niet waarom Madame haar zenuwen zoo overstuur bleven en zij heelder nachten wakker lag.

Na acht uur waren de herbergen thans gesloten en stond de stad in 't duister. In het begin stak hem dat erg tegen. De stad geleek een dorp waar men met de kippen naar bed moest! Doch Snepvangers schikte zich spoedig in de nieuwe regeling.

Op een donkeren avond, nadat hij voor de deur van "Het Zwart Paard" van Miranda afscheid had genomen, beleefde hij een vreemd avontuur.

Het was heerlijk Septemberweer en de hemel zat doorweven met klare sterren. De najaarskoelte klom amper door de straten. Het kanon donderde in de verte. Snepvangers mijmerde!... Er werd fel gevochten... Wat vreeselijke dingen... Hij had weer talrijke autos zien rijden, soldaten... en burgerwachten zien door de stad trekken, menschen van het Rood Kruis ontmoet in de straten vol roerlooze vlaggen. Een geluk voor Marieken dat Antoine vroeger een karot getrokken had om geen gardecivik te moeten spelen... want nu bleef hij er fijntjes tusschen uit...

Iemand liep hem op dat oogenblik tegen het lijf, zoodat hij er van schrok. Hij rook een zwoele geur en dacht aan een barbierswinkel.

—Gij deugniet, fluisterde een vrouwenstem.

—Pardon, verontschuldigde zich Snepvangers.

—'t Is niks, lieve jongen, gaat ge mee?... Ik ben zoo benauwd in 't donker...

—Ik ben geen lieve jongen, zei Snepvangers ernstig.

—Och kom...

—Ik ben geen lieve jongen, hield hij vol, ik ben een deftig oud man!...

—Ik zie het liefst oude heeren... Kom...

—Wat denkt ge wel... ik ben getrouwd...

—Dat is ook al niks... 't Is oorlog!...

Toen was Snepvangers bang geworden voor de verleiding. In zijn hulpeloosheid had hij een plotselinge ingeving.

—Komt ge van God "sprekt", komt ge van den "duvel" vertrekt, sprak hij rad en sloeg een kruis.

De schaduw gleed luid lachend naast hem weg, opgeslorpt in de duisternis. Hij was van streek thuis gekomen en had den koffiepot leeg gedronken om Op adem te komen.

—Wat is er toch gebeurd, vroeg Madame.

—'t Is gevaarlijk in het donker...

—Tegen een lantaarnpaal geloopen?

—Neen... maar menschen zijn soms gevaarlijker...

De vooruitzichten bleven gunstig. Er werd gevochten te Wetteren en te Ninove, te Waelhem en te Kathelijne-Waver, te Duffel en te Lier, maar de Toestand heette bevredigend.

Snepvangers en Miranda kenden geen spanning, Antwerpen was veilig en de gazetten erg bemoedigend. In de ijle Octoberluchten bulderde het reeds zoo wel bekend kanon. Op Zondagavond kwam een agent in "Het Zwart Paard" den waard aanzeggen direct te sluiten. Waarom, wist niemand... De stad was volledig in 't donker. 's Anderdaags riep men dringend de jongens op om soldaat te worden.

—Ik geloof toch... aarzelde Miranda.

—Ja, zei Snepvangers, 't is een rare tijd.

Met beklemd gemoed namen de vrienden afscheid om Woensdag morgen te vernemen dat de toestand ernstig was.

Snepvangers ging Antoine raadplegen.

—Antwerpen wordt gebombardeerd, verklaarde de Drogist zeer laconisch terwijl hij een rekening schreef en den winkelknecht bevelen gaf.

—Maar dat is gevaarlijk, hakkelde Snepvangers, die zijn hart feller voelde kloppen.

—Och, schokschouderde Antoine, strategisten hebben berekend dat er 34 bommen moeten vallen om één huis te treffen!... De autoriteiten zeggen ons: "Kalmte!... Kalmte zal ook vrijwaren voor onvoorzichtigheid en roekeloosheid. Wie een koel hoofd bewaart, redt zich waar anderen verloren gaan..." Let maar op de voorzorgsmaatregelen!... Ik zal ze u nog eens voorlezen: "Zich niet op straat wagen, doch binnenshuis blijven, bij voorkeur in de kelderingen. Water in het bereik houden op elke verdieping om een begin van brand te blusschen. De kelderopeningen opstoppen, 't zij met matrassen, 't zij met zakken zand. En dan op Gods genade..."

—'k Wou toch liever...

—Vluchten, misprees Antoine, en lachte verachtelijk.

—Neen, dat precies niet... maar ik dacht dat Antwerpen...

—Kom, kom... Wie vluchten wil wordt verzocht in den kortsten tijd weg te gaan in de richting van het Noorden of Noord-Oosten... want het bombardement heeft geen invloed op den duur van onzen weerstand... Nu zult ge de hazen zien loopen, hoonde Antoine, terwijl hij profijtelijk een pakje jujube woog voor een snoepziek juffertje.

—Nu komt de kat op de koord, wijsgeerde Snepvangers, en probeerde onbevangen te kijken, ik ga Moeder maar gauw gerust stellen.

—Komt tegen avond naar hier, verzocht Antoine, Papa en Mama komen ook... hoe meer zielen hoe meer vreugde in onzen kelder...

—Wij hebben ook 'n kelder, weigerde Snepvangers kort en ging korzelig heen.

Thuis vond hij Miranda die op hem zat te wachten.

—De situatie was altijd goed, spotte Miranda bitter.

—Ik heb me nooit laten beetnemen, loog Snepvangers met overtuiging, vraag het maar aan mijn vrouw... Maar ik wou niemand ontmoedigen...

Madame zat suf met de handen in den schoot en gaf geen bescheid.

—Als ik maar wist waarheen, bekende Miranda, al was het naar het einde der wereld.

—Neen, zei Snepvangers, zoo erg is het ook niet... er zijn zooveel bommen die verkeerd springen...

—Ja, ik ben bang, zei de openhartige Miranda, maar mijn vrouw lacht mij uit ... Ik kwam om u te helpen... Hebt ge zakken?

Wanneer de zakken zand op de keldergaten lagen en de wateremmers klaar stonden, trok Miranda weg. Na het eten, dat niet smaakte, kwam Snepvangers op den huisdrempel zijn pijp rooken en kijken naar de zenuwachtige menschen die door de straat trokken. Een paar buren zochten zijn gezelschap en samen dreven zij den spot met de hardloopers...

Een vlieger ronkte in de lucht en de kinderen zongen leuk:

En komt er nog 'n Zeppelin.
'n Zeppelin!
Dan kruipen wij den kelder in,
den kelder in!

In de schemering kwam Madame terug van Marieken en de kinderen. Zij aten in stilte, hoorden de klok tiktakken en bleven treuzelen.

—Gaan we naar boven, polste Snepvangers.

—Seffens zal het beginnen, zei Madame, laat ons maar liever in den kelder gaan zitten.

Zij namen een lamp en gingen naar beneden. Er stond een tafel en twee fauteuils.