—Wat een Christenmensch beleven moet,—zuchtte Madame.
—Ik haal brood en boter, zei Snepvangers, als we eens honger krijgen in den nacht.
Amper was hij terug gezeten of daar brak het gehuil en gesis los boven de stad.
—Jezus, Maria!... kermde Madame.
—Gelukkig dat er hier wat te verhapzakken valt!
Snepvangers ontkurkte een flesch cognac en schonk zich een half bierglas in.
—Gij ook wat, Mama?
—Ja, want ik heb zoo'n pijn in mijn buik, kreunde zij.
In de straat kermden voorbijhollende menschen en onophoudelijk floten de bommen.
—Ge kunt ze niet tellen, zei Snepvangers en nam een tweeden slok, terwijl hij de trage wijzers van zijn uurwerk in het oog hield.
Een beetje beverig had hij het van de ketting losgemaakt en op tafel gelegd. Een wijl spraken zij geen gebenedijd woord. Spitsken lag onrustig onder tafel.
—Ons laatste uur is geslagen, jammerde Madame dan akelig.
—Bijlange niet, zei hij zoo luchtig mogelijk en nam nog een slokje om zich op te monteren.
—Jawel, Snepvangers.
—Zeg dat niet, 't is zoo al erg genoeg!
—Mijn hart is geen boontje groot... en Marieken, en de kinderen... Waren wij maar samen!
—Drink eens, moedigde Snepvangers aan die berouw had het verzoek van Antoine te hebben afgewezen.
Hij was zelf zeer aangedaan. Daar zaten zij nu alleen in dezen ongewelfden kelder. Zijn oogen bleven steeds gericht op een spinrag boven in een hoek vol schaduw. Dat was aan het waakzaam oog zijner vrouw ontsnapt. De stad scheen te daveren.
—Wij hebben samen al zooveel doorgemaakt, overwoog hij verteederd.
—Ja, Snepvangers.
—En als er iets moest gebeuren moeten wij niet bang zijn, wij zijn toch samen.
—Ja, Snepvangers.
Zij sufte en hij dronk. Hij bleef bloednuchter, herdacht zijn leven en telde de uren af die met slakkengang wegslopen... Eensklaps hoorde hij haar snikken en was erg ontroerd. Hij kuste haar verrimpeld gezicht.
—Zoo gauw als het licht wordt trekken wij er uit, Moeder, schep maar moed... Kom, wij blijven niet in den kelder, we gaan koffie opschenken, dat zal ons goed doen.
Hij nam de lamp en gehoorzaam volgde zij hem naar de keuken. Spoedig zong de waterketel.
—Hier is het veel beter, zei Madame.
—Ja, bepeinsde Snepvangers, wat zullen die arme kanarievogels schrik hebben uitgestaan!... Seffens, als de dag in de lucht komt, ga ik naar de Torfbrug de kinderen halen... Er hangt een spinneweb in den kelder...
Met den dageraad zonk de verschrikking van den nacht weg. Madame trok naar den kelder om de spin te verdrijven en Mijnheer ging de vogels verzorgen. Rond negen uur dronken zij opnieuw koffie.
—Wat gaan we met Spitsken doen, zei Madame bekommerd.
—Ik breng hem bij Miranda!...
—Ja.., en de vogels?
—'k Heb ze eten en drinken gegeven ... Ze krijgen het niet op al blijven wij een maand weg!
—En wat gaan wij medenemen?
—Al wat waarde heeft, oordeelde Snepvangers, maak de coffre-fort leeg in dat klein valiesje... dat zal ik dragen... neem gij zoo wat mee wat we noodig hebben...
—Pas toch maar op, Snepvangers, een ongeluk ligt op een klein plaatsken!
—Och kom, zei hij moedig en stapte besloten den gang in, opende de voordeur en stak voorzichtig het hoofd naar buiten.
Overal stonden menschen en hielden beraad, anderen sleurden met pak en zak. Juist toen het Snepvangers vrijwel veilig scheen hoorde hij weer het afschuwelijk gefluit... Tzi... Tzi.
—Kom, niet bang, Snepvangers, prevelde hij, en floot op Spitsken.
Hij ging maar dicht langs de huizen en zag naar de keien.
—Wij trekken er uit, mijnheer Snepvangers, riep iemand.
Op de Paddengracht, hingen de winkeliers de luiken weer voor de vitrienen, uit de Kattenstraat trok het volksken weg met beladen stootwagens. Miranda stond hulpeloos aan zijn deur te kijken. Bij elken slag trok hij het hoofd in en rilde.
—Mijn vrouw wil weg, zei Snepvangers.
—Dat begrijp ik...
—Maar we kunnen Spitsken niet meenemen...
—Laat hem maar hier... en de vogels...
—Daar heb ik voor gezorgd... 'k Ga de kinderen halen... We komen rap terug... 't Zal wel zoo erg niet doen.
—'k Ben zoo bang, kreunde Miranda, de gardecivikken moeten niet meevechten.
—Ge moet niet bang zijn, troostte Snepvangers vriendelijk, terwijl hij de Keizerstraat introk en Spitsken hoorde blaffen.
Onderweg ontmoette hij burgerwachten zonder wapens, midden in de straat lag een soldatenmuts.
— Het Zuid ligt plat, hoorde hij een zeggen.
De vluchtelingen togen over de Minderbroedersrui en Snepvangers liep hen onwillekeurig na, sloop langs de huizen door de oude stad en kwam voor het Stadhuis. Hier wierpen de gardecivikken hun wapens ordeloos op een hoop, geweren, ransels, bajonetten en gordels vol kogels. Het volk ijlde voorbij. Snepvangers kreeg een vol besef van den benarden toestand. Waarom had hij een omweg gemaakt? De Suikerrui zag zwart van menschen die over de Scheldebrug wilden vluchten, maar opgehouden werden door het leger in aftocht. Dan spoedde hij zich naar de Torfburg waar de winkel gesloten was. Antoine kwam de deur openen.
—Maakt u maar gauw klaar, zei Snepvangers, 't is maar voor de vrouwen.
—Wij blijven, besliste de Drogist.
—Marieken, riep Snepvangers en schoof zijn schoonzoon op zij, zet uw hoed op en roep de kinderen...
—Wij blijven, zei Marieken kordaat.
—Ik ben niet zot! Moeder sterft puur van angst, en ons leven gaat voor alles...
—Wij blijven, zei Craen, met zijn hoofd even buiten de kelderdeur.
Craen zag zeer rood van in den kelder te verblijven, en Snepvangers scheen het dat zijn tong eenigszins dubbel sloeg.
—Wij zitten in een sterk gewelfden kelder, betoogde Antoine, wij hebben onze voorzorgen genomen... zakken zand...
—Ja, dat ben ik, die flauwskens... zakken zand en emmers water... ieder zijn goesting, meende hij verachtelijk, maar ik denk er het mijne van, zoo uw kinderen aan het gevaar bloot te stellen...
—De kinderen, sprak Antoine lijzig, de kinderen zullen later fier zijn het bombardement te hebben meegemaakt...
—Vooral de zuigelingen, onderbrak Snepvangers ongeduldig, ik laat mijn vrouw niet in dat gevaar,... Saluut!
Hij was zeer verbolgen en dacht niet eens na dat hij zijn gewone schuwheid tegenover Antoine had afgelegd. In een adem stapte hij naar huis, kwam meer en meer onder den panischen schrik die de menschen voortjoeg. De zon scheen uit de teerblauwe lucht waaruit het geweld zong met rekkend gehuil.
Madame stond klaar en gaf hem het handtasje.
—'k Heb het gedacht, snikte zij, willen wij dan ook maar blijven.
—Ze moesten maar zoo koppig niet zijn... Wij trekken er uit... Ik wil niet dat gij ziek wordt van schrik...
Hij draaide den sleutel om, trok nog eens aan het handvatsel en stapte naast zijn vrouw langs den weg die Sander enkele dagen vroeger genomen had. Zij keken niet om en dorsten elkaar niet bezien want zij hadden tranen in de oogen.
Hoe verder zij kwamen hoe meer stootwagens, karren en rijtuigen zij zagen. Mannen en vrouwen zwoegden onder vreemd gepak; kinderen schreiden, er werd geroepen en gekeven. Aan den Dam, voor het station, stond een trein met roode kruisen beschilderd.
De karavaan toog maar traagjes voort naar Merxem. Zij moesten uitwijken voor een kruiwagen en een bakkerskar, stonden plots buiten het gedrang.
—'k Ben zoo moe, kloeg Madame, mijn voeten weigeren mij te dragen.
Snepvangers dacht aan den langen weg, zag weer naar den roodkruistrein en had een gelukkige ingeving. Wie weet was daar geen plaatsken te veroveren! Met geld en schoon woorden bekomt men veel... Zij kwamen op het perron, de trein floot en voor zij het precies begrepen, waren zij in het gedrang opgestuwd in een wagen, tusschen opgetimmerde brancards.
—Ge moet maar uit uw oogen zien, zei Snepvangers voldaan, hier is het beter dan in een kelder.
Madame kreeg een plaatsken naast een dienstmeisje met witten voorschoot die ongeschilde appelen at. Mijnheer nam zijn valiesje als schabel.
—Geef nu maar een boterham, Moeder, zei hij opgewekt.
Zij stak haar taschje naar hem uit.
—Wat is dat?
—Mijn korfken met eten, zei ze.
—Wat?
In haar onthutstheid had zij het leege eiermandje meegenomen....
—Neem een appel, Madame, troostte de meid.
—Wel ja, lachte Snepvangers en nam een appel, geef dat ding hier, dat kunnen we toch niet meesleuren.
Hij wierp het korfje in gevlochten ijzerdraad uit het raampje, zag een vlieger toeren boven den Polder en menschen langs de wegen trekken, een zwarte zwerm gelijk.
—Die arm beestjes, klaagde Madame.
—De beestjes? bedacht de meid.
—Ja, de kanarievogels!
De meid verslikte zich in haar appel, beloerde gichelend de suffe vrouw.
—'t Is niet om te lachen, zei Snepvangers gebelgd en knabbelde aan het klokhuis.
Een burgerwacht in uniform met slappen hoed op het hoofd vertelde luidop zijn wedervaren.... Hij had den nacht op de wallen dienst gedaan en de bommen zien neerslagen. De kapitein en zijn compagnie waren afgetrokken en hadden hem vergeten.
Aan elk station hield de trein stil en kropen er nog menschen in de stampvolle wagons. Zij zaten nu tot op den tender, en men hoorde hun schoenengebons boven het hoofd.
Het duurde uren en uren. Plots werden de raamkens neergelaten en een gejuich steeg uit den trein. Mijnheer jubelde mee.
—Is 't gedaan? vroeg Madame.
—Wij zijn over de grens, zei Mijnheer en stak een sigaar op, ik hoor geen kanon meer!...
—Mijn appelen zijn op, meldde de meid.
Klokslag vier uur stond de trein stil op het rangeerterrein te Rozendael. Met gestommel en lawaai trokken de vluchtelingen over de banen, door Ondergrondsche gangen en stonden plots voor het station op een open plein vol menschen, vol luidruchtige Sinjoren.
—Wel, wie dat we daar hebben, riep een man.
't Was de Verdierenpikker die verheugd en opgewonden, de handen vooruit, op hen toetrad.
—Toch ook weggetrokken?
—Dat geloof ik wel, verontschuldigde zich Snepvangers, heel het Zuid ligt plat.
—En de kinderen die daar in een kelder zitten, griende Madame.
—'t Is dom zoo uw schoon leven te riskeeren, zei de Verdierenpikker.
—Ja, blufte Snepvangers, ik was toch ook gebleven, al was het maar voor mijn kanarievogels, maar ik wou mijn vrouw redden...
—Mijnheer, Mijnheer, jammerde een dik zweetend heerken, staat mijn huis er nog in de Lozanastraat?
—Alles ligt plat, het Justiciepaleis en al de huizen in den omtrek, getuigde Snepvangers heel wreedaardig, we zijn onder de bommen weggeloopen en per mirakel ontsnapt.
—Wat een ongeluk prevelde het blozend manneken ntdaan.
—'t Is oorlog, troostte Snepvangers, ja 't is oorlog, herhaalde hij luchtig, maar dat belet niet dat ik honger heb... Kom, Moeder, we gaan wat eten.
—Kom maar mee, zei de Verdierenpikker, ik weet waar ge zijn moet.
Zij lieten het heerken staan en trokken de markt over naar een hotel, waar zij, na lang wachten en trommelen op de tafel, een biefstuk met gebakken aardappelen bemachtigden.
Zij zaten omgeven van Antwerpenaars die druk hun lotgevallen bespraken en dorstig van ontroering, pintjes dronken. Het leek wel een kermisvolte.
—Garcon, riep Snepvangers, toen hij verzadigd was en zijn derde glas gedronken had.
—Hier heeten de garçons allemaal Jan leerde de Verdierenpikker.
—Awel, Jan, riep Snepvangers, kunnen we hier logeeren.
—Alles is vol, Menheer, nergens vindt u nog onderkomen, beweerde de man terwijl hij het drinkgeld opstreek.
—Ja maar, we moeten toch slapen, verzette zich Snepvangers in zijn zekerheid getroffen.
—Dat zal wel, Menheer, gaf Jan toe en schoof naar een ander tafel.
—Maar die is in mijn botten, kloeg Snepvangers, we kunnen toch niet onder den blooten hemel slapen.
—Of hier op een stoel, vulde Madame aan,—waar logeert Mijnheer?
—Ik, zei de Verdierenpikker genoegelijk, aan mij moet ge niet denken, ik heb een kamer boven een boterwinkel!
—Maar wij?
—Daar hebt ge het kot van den manken hannen.
—Kom, we zullen eens gaan zoeken... een kruier heeft mij geholpen...
—Een kruier, wat is dat?
—Wel, Snepvangers, leerde de Verdierenpikker, 't is te zien dat ge pas in Holland zijt, een kruier dat is zoo'n vent... ge weet wel...
—Neen, ontkende Snepvangers.
—Wel zoo'n vent die commissies doet... een boodschapper.
—Zoo een met een koperen plaat op zijn klak die aan de statie staat? vroeg Madame.
—Precies!
Op het plein, door de rumoerige menigte die er met krijtende kinderen en vreemd gepak bivakkeerden, keerden zij weer naar het station waar vluchtelingen af en aan liepen. De kruier zagen zij niet. Van ontsteltenis kregen zij telkens dorst.
—Wat zijn de soldaten toch braaf, zei Madame, zie maar eens hoe zij de arme menschen helpen.
—Ze dragen de pakken en deelen hun brood uit, zei Snepvangers verteederd, dat heb ik nog nooit gezien...
—De Hollanders hebben zoo'n compassie met ons... ik moest eerlijk niet veel hebben van 'nen kouden Hollander... maar nu, nu ken ik ze beter... Ze staan hun eigen bed af voor vreemde menschen... 't is danig goed volk.
—Hadden wij ook maar een bed, betreurde Snepvangers.
—Maar heel Antwerpen is hier, beweerde de Verdierenpikker, ik vrees dat ge dieper het land zult moeten intrekken!
—Maar heden avond toch niet, jammerde Madame, seffens is het donker en in een vreemd land waar men den weg niet... Was ik maar in onzen kelder gebleven... die arme vogeltjes...
Wanneer zij in de schemering, voor de vijfde maal de trappen van het stationsgebouw bestegen, liepen zij tegen den kruier aan.
—Kruier, riep de Verdierenpikker.
—Menheer, zei de man, en tikte eventjes aan zijn pet.
—Madame en Mijnheer Snepvangers moeten een kamer hebben.
—Ik weet niks meer!
—Dat is gauw gezegd, maar ze kunnen toch niet onder den blooten hemel slapen!
—Het zal wel moeten... of in de wachtzaal...
—Neen, Kruier, 't zijn deftige menschen... Mijnheer was kandidaat voor den Gemeenteraad...
—Het mag kosten wat het wil, steunde Snepvangers en stopte den man een half franksken in de hand.
—Ja, aarzelde de Kruier, mogelijk zou ik iets kunnen doen... ingeval Menheer en Mevrouw met mijn bed zich wilden vergenoegen...
—Wel natuurlijk, zei Snepvangers, 't is oorlog... en wij Sinjoren zijn ongegeneerde menschen... Mijnheer de kruier, ge zijt 'n reddende engel...
—Heb ik het niet voorspeld? triomfeerde de Verdierenpikker.
—Mevrouw zal wel vermoeid zijn,—zei de Kruier laat ons maar opstappen... daarbij moet ik mijn vrouw nog verwittigen...
—En waar zult gij dan slapen? vroeg Madame.
—We hebben nog een zolderkamertje, Mevrouw, en Mevrouw zal het met één matras moeten stellen, wij nemen dan de andere... Rechtuit loopen, Heeren, 't is nog een eindje voorbij de boterzaak waar Menheer logeert.
—Wat beleefde commissionnair, fluisterde Madame.
Nadat de Verdierenpikker afscheid genomen had,—'s anderendaags zouden zij elkaar weer ontmoeten en verder zien wat hen te doen stond,—liepen de echtgenooten naast den kruier voort. Overal aan de deuren stonden vluchtelingen te praten met de gastheeren... De weg scheen lang in het duister. In de verte floten de treinen.
—Er komen er nog meer, beloofde Madame.
—'t Is toch vreeselijk, Mevrouw, en Antwerpen was een mooie stad... Ik was wel eens te Antwerpen...
—Een schoone stad... Dat zou ik gelooven, zei Madame trotsch.
—Heel wat anders dan Brussel of Rozendaal, onderbrak Snepvangers, uw statiegebouw is anders wel schoon... wel mooi wil ik zeggen... ja, Kruier, ik zal gauw Hollandsch spreken, wacht maar een beetje... maar kunt ge u wel voorstellen wat een bombardement is?
Hij hield den man staan en keek hem in het wit der oogen.
—Neen, menheer, alles vliegt kapot of in brand zeker?
—Ja dat is het... de kanonballen huilen in de lucht... ge ziet ze naar beneden komen en trekt in het begin den kop in... maar ge raakt eraan gewoon... het deed ons niks meer... we telden ze...
—Maar Snepvangers toch...
—Mijn vrouw was bang ... maar ik ben onder het bombardement naar mijn dochter geweest om de kinderen te zien... Die waren allemaal zoo moedig dat zij niet eens wilden vluchten.
—Ze zijn misschien al dood, nokte Madame.
—Men mag zich nooit het ergste verbeelden, Mevrouw.
—Dat zeg ik ook... maar nu weten wij van den oorlog mee te spreken...
In een straat, aan weerszijden met kleine arbeiderswoningen bebouwd, woonde de kruier. Hij draaide het gaslicht op in het voorkamertje, verontschuldigde zich dat hij even zijn vrouw ging verwittigen.
—'t Riekt hier naar gebakken haring, vezelde Madame.
—'k Zou er wel een lusten, bekende Snepvangers.
Dan zaten zij stil te kijken naar het tafeltapijt, naar de kleerkast, de potjes op het schouwblad, en naar een portret der Koningin dat aan den wand hing.
—Ik geloof dat het protestanten zijn, zei Mevrouw onthutst.
—Och, Moeder, dat zijn ook menschen, en...
De deur piepte en een magere vrouw met een zwarte muts op het hoofd kwam, gevolgd door den Kruier, binnen.
—Welkom, Mevrouw en Menheer, spijtig dat wij zoo eng behuisd zijn... Mevrouw zal zich moeten behelpen met wat we aanbieden kunnen ...
—Maar 't is van harte gegund... de menschen moeten elkaar behelpen in deze benarde tijden, voegde de Kruier er aan toe.
—Wij behooren maar tot den arbeidenden stand, Mevrouw.
—Ja maar, zei Snepvangers, ik vind het heel schoon... mooi wil ik zeggen, maar ge moet zeggen wat het kost...
—Neen, weerde de huisvrouw af, wij doen wat wij kunnen, elkeen heeft vluchtelingen in huis.
Maar Snepvangers drong aan, wou en zou betalen.
—Ik zou eerst maar een avondboterhammetje eten en het bed eens probeeren, dan kunnen we morgen verder praten, besloot de huisvrouw.
Zij dronken samen een kommetje slappen koffie en aten boterhammen met kaas. Dan ging de Kruier met zijn vluchteling nog een slaapsmutsken drinken in een kroeg in de buurt, waar men de laatste berichten uit de brandende stad vernam.
—Menheer is onder de bommen weggevlucht, pochte de Kruier.
—Ik weet soms niet of ik nog leef, zei Snepvangers bescheiden.
—Zoodra het bombardement gedaan is ga ik eens kijken, bedacht de Waard, terwijl hij kalmpjes zijn pijp rookte, ik ben neutraal!
Toen de mannen thuis kwamen schenen zij oude vrienden. Snepvangers had zijn halve levensloop verteld. De vrouwen zaten gezelligjes in de voorkamer. Madame had de huisvrouw geholpen om de matras af te trekken en het bed te verschoonen. Eventjes zaten zij nog rustig bijeen dan ging de Kruier met zijn vrouw naar boven want het zou weer vroeg dag zijn.
Snepvangers geeuwde terwijl hij de deur afsloot. Madame opende de deuren der alkoof.
—'t Is proper, getuigde zij en sloeg de lakens open.
—Maar 't is benauwd in de kamer, oordeelde Snepvangers, en 't riekt naar haring.
—Ge droomt, Snepvangers,
—Ook goed, onderwierp zich de man.
Hij lei zijn valiesje boven zijn hoofdkussen, vleide zich neer en begon direct te ronken.
Madame kon niet slapen, lag te woelen en te zuchten. Zij dacht aan de kinderen. Wat zou er met hen gebeurd zijn? Snepvangers scheen geen kommer te kennen, die peinsde noch aan zijn huis noch aan hen die achtergebleven waren. In haar verbeelding hoorde zij het gedaver van het vuur dat Antwerpen bestreek. Wat zou er hen nog boven het hoofd hangen. Zij zaten In een vreemd land en genoten de gastvrijheid, sliepen in andermans bed, mochten zich nog gelukkig achten want duizenden hadden geen onderkomen.
Wanneer zij opstonden was de Kruier al de baan op. Het ontbijt stond klaar in de keuken.
—Goed geslapen, Mevrouw en Menheer?
—Heel goed, zei Snepvangers, maar laat ons nu eens condities maken.
—Ge zijt onze gasten!
—Als ik niet mag betalen, dan trek ik er uit, dreigde Snepvangers, ik wil op niemands kap leven...
—Dat zal Menheer niet doen, smeekte de huisvrouw, wat zullen de buren wel denken...
—Laat ons dan accoord maken...
—Wel... laat ons dan zeggen een gulden!... Dat is toch niet overdreven...
—Een gulden? ... En dan vertellen ze dat Holland een duur land is... neen dat gaat niet... ik zeg drie gulden, dat betaal ik overal in een hotel... en dan is het goedkoop... En nu ga ik eens zien naar de statie; gaat ge mee Moeder?
—Ik blijf liever thuis en zal Madame helpen ...
Snepvangers trok blijmoedig op, kocht voor een dubbeltje sigaren en ging dan naar den boterwinkel om zijn vriend af te halen die juist zijn tweede lichtgekookt eitje uitlepelde.
Voor het station was de beweging even druk als den vorigen dag. Wagens en karren kwamen het plein opgereden, mannen zwoegden onder hun gepak, soldaten hielpen, vrouwen sleurden met drenzerige kinderen. Snepvangers sloeg het leven welgevallig gade, liep met den Verdierenpikker rookend van groepje tot groepje om van de vlucht te hooren vertellen en de varende geruchten op te vangen. Soms werden zij aangesproken en dan gaf Snepvangers raad.
—Ge moet dieper Holland intrekken, hier is geen bed meer te vinden...
—Dat hebben de soldaten ook gezegd...
—Spreekt jandorie geen kwaad van de soldaten, en de Hollanders dat zijn menschen...
—Dan zullen we maar naar Amsterdam gaan...
—Mooi zoo, zei Snepvangers dan met een effen gezicht, ingenomen met zijn Hollandsch woord en zijn goedkoope sigaar.
's Namiddags hadden zij tot verpoozing een bijeenkomst van landgenooten. Na het eten zocht Snepvangers weer zijn vriend op en trokken zij naar de vergadering. De voorzitter sprak Fransch, zette de toehoorders aan om goeden moed te houden, want de kansen gingen keeren.
—Waarom moeten die mannen altijd Fransch parleeren, zei de Verdierenpikker misnoegd.
—Och dat is zoo de chic, verzekerde Snepvangers, kom, hij weet er toch niks meer van dan wij ... Holland is toch nog een land ... hier kunt ge altijd sigaren rooken ...
's Avonds ging hij weer een slaapmutsken drinken met zijn gastheer. Snepvangers betaalde... Hij sliep daarna weer godzalig en vermoedde niet eens dat zijn vrouw heel den langen nacht slapeloos lag te dubben.
Hij trok 's morgens weer de stad in alsof hij nooit anders gedaan had, zeer op zijn gemak in de drukte. Op het plein vernamen zij dat Antwerpen gevallen was en het bombardement had opgehouden. Het gaf een opluchting. De vergadering was nog beter bezocht dan den vorigen dag. De voorzitter sprak weer Fransch, hij was een Antwerpsch advokaat, en hij stelde voor een bestuur te kiezen dat de belangen der vluchtelingen zou behartigen en den toestand onderzoeken. Dagelijks zouden zij samenkomen. Snepvangers werd op voorstel van den Verdierenpikker in het bestuur verkozen. Op zijn verzoek werd een dankbetuiging gestemd aan de stedelijke bevolking en de Wethouders van Rozendaal, aan het Magistraat van Antwerpen en aan den Heer Voorzitter voor zijn wijs beleid. Zijn rede werd zeer toegejucht en had voor gevolg dat hij met twee andere heeren aangeduid werd om naar Bergen op Zoom te reizen en aldaar met het plaatselijk Comiteit te Onderhandelen over de te treffen maatregelen van algemeen belang.
's Zondags ging hij met zijn vrouw naar de hoogmis, later alleen naar de vergadering. Daar vernam hij schrikbarende dingen.
—We mogen nog niet terugkeeren, verklaarde hij aan zijn vrouw, terwijl hij in de alkoof stapte.
De reis naar Bergen op Zoom verliep naar wensch. Daar ook vergaderde het Comiteit regelmatig alle dagen, evenals te Breda, in den Haag, te Vlissingen en elders. Hij had er de groeten overgebracht van stad- en Landgenooten die te Rozendaal onderdak hadden gevonden, menig glas gedronken en veel zweet verloren in den stoomtram.
Zijn dagen waren zeer gevuld. Reeds vroeg haalde hij zijn vriend af, ging naar het wisselkantoor Belgisch geld ruilen tegen Hollandsche guldens, daarna kijken en nieuwtjes visschen in den omtrek van het station, eten en vergaderen om den dag te besluiten met zijn gastheer in het gezellig kroegje.
Op Zaterdagavond kwam de Waard hem tegemoet.
—Menheer Snepvangers, zei hij, ik ben te Antwerpen geweest, per fiets heen en weer, en 'k heb het genoegen u mee te deelen...
—Zeg het rap, onderbrak Snepvangers ongeduldig...
—Uw huis is onbeschadigd en uw familie stelt het naar wensch...
—Jongen, dankte Snepvangers ontroerd, als ik ooit voor u iets doen kan... door een vuur loopen...
—Dat is te warm, Menheer, schertste de Waard.
—Dat zal wel, zei Snepvangers droomend, nu ga ik gauw mijne vrouw verwittigen...
—Het kan niet zijn, snikte Madame.
—Van mijn kanarievogels heeft hij niks gezegd...
—Wat zullen zij angst hebben uitgestaan!
—Die arme vogeltjes...
—Neen, de kinderen, Snepvangers!
—Willen wij morgen naar huis gaan?
—En het Comiteit?
—Och Comiteit... Dat doet toch niks als vergaderen... Morgen vertrekken er treinen... 't is er rustig... want er komen Heeren uit Antwerpen spreken om het volk an te zetten weer naar huis te keeren... Ik ga den Verdierenpikker verwittigen...
—Ja, zei Madame gedwee.
—Teruggaan?... Ik terug naar Antwerpen,... nepvangers, gij moogt mij veel vragen, maar dat niet... Ik stierf nog liever... ik trek naar Amerika, naar overal waar niet gevochten wordt, verklaarde de Verdierenpikker.
—Ik ga naar Antwerpen, hield Snepvangers moedig vol.
—Er staat geen huis meer recht... Ze zullen u krijgsgevangen nemen... denk toch na... en het Comiteit...
—Ik ga, morgen vroeg al...
—Als gij uw leven wilt riskeeren... ge zijt oud en wijs genoeg...
—Dat hoop ik!
—Snepvangers, hier is mijn deursleutel...
—Wat zal ik er mee aanvangen?
—We zijn altijd vrienden geweest... ga eens naar mijn huis zien... en naar mijn eigendommen... en schrijf eens een woordje... als ge ginder gezond mocht aankomen...
—Dat zal ik, beloofde Snepvangers.
Nog denzelfden avond rekenden zij af met den Kruier, inviteerden den gastheer en zijn vrouw om eens naar Antwerpen te komen.
Ditmaal sliep Snepvangers ook niet, Het alkoofbed scheen hem hard en bedompt. Madame had medelijden met zijn steunen.
—Morgen slapen wij in ons eigen bed, troostte zij.
—Wat zal ik blij zijn... We kennen Holland nu... 't is een aardig land... de menschen zijn goed... heel goed zelfs... de sigaren zijn goedkoop... maar toch. Oost West, thuis best... Ik begon anders goed Hollandsch te praten en met gulden en dubbeltjes te rekenen... En nu heb ik niks gekocht voor Albertken...
De vrouw van den kruier weende bij het afscheid en Madame had moeite om haar tranen te bedwingen.
Zij kwamen veel te vroeg aan het station, kochten nog een paar doosjes Haagsche Hopjes voor de kinderen...
—Er wagen zich nog maar weinigen, waarschuwde de Kruier die hen vergezelde op het perron.
—Och, misprees Snepvangers, dat is de schuld van die Comiteiten, die maken de menschen bang... er is absoluut geen gevaar meer... al de stadhuisklerken gaan terug...
Eindelijk werden de deurkens toegesmeten.—Snepvangers leunde door het raampje, zag een Antwerpsen kaaiagent, die den dienst van treinwachter deed, opwippen, hoorde het gefluit en gepuf der machine, en de statiechef scheen weg te glijden. Hij riep nog een afscheid aan zijn vriend, lachte omdat deze zoo beleefd tegen zijn pet tikte, en weg joegen zij door het groene landschap dat gedoken lag in den najaarsmist waarop de zon haar goud uitstraalde.
—Wie weet zien we die menschen nog ooit terug, bedacht Madame.
—Ja, wie weet, zei Snepvangers, en de man met wien hij dagelijksborreltjes had gedronken scheen reeds zoo ver weggedrongen in zijn
herinnering.
De trein vertraagde nabij Esschen, stond plots stil. Vreemde marinesoldaten met bloote halzen en kleine potsen stonden op het perron te kijken, één met het geweer op den schouder stond voor den barreel. De vreemde vlag woei op het gebouw.
—Zie eens, fluisterde Snepvangers ademloos.
—Ja, zei Madame schuw.
Stil-angstig keken zij, maar spraken geen enkel woord. Mijnheer hield zijn valiesje krampachtig vastgeklemd. Naast hen zat een bleeke dertiger, die zenuwachtig op zijn snor beet, met verwezen oogen te staren... Achteraf zaten twee dienstmeisjes op hun paaschbest en vezelden.
Zoohaast de trein opnieuw in beweging kwam scheen alleman te verademen.
—Zij komen niet eens zien, zei Snepvangers.
—Duurt het nog lang voor we aankomen? Informeerd een der meisjes.
—Gaat gij zoo samen terug? vroeg Snepvangers
—Ja, mijnheer en Madame vertrekken naar Engeland... en wij moeten op het huis gaan passen...
—Schoon volk, misprees Snepvangers.
Zij passeerden een uitgestrekte vlakte vol stronken van uitgerooide dennen, waarover een net van pinnekensdraad geslingerd lag. De einder klaarde licht nevelig.
Onverpoosd joeg de trein en blies witte stoomwolken langs het raampje. Aan elk station zagen zij mariniers en de vreemde vlag. En hoe dichter zij de stad naderden, hoe benauwder het hen werd.
—Ik ben blij en niet blij, zei Madame.
—Och...
Snepvangers keek verstrooid, hij verlangde naar de straten die hem zoo gemeenzaam waren, maar was tevens gejaagd... Ginder lag Merxem, de trein vertraagde, stopte voor de wallen. Karweizoekers boden zich aan om het gepak te dragen en lanterfanters stonden de terugkeerende stadgenooten te monsteren, riepen wat tot bekenden maar met gedempte stem. De vrouwen mochten zonder formaliteiten de stad binnen, maar de mannen moesten eerst hun paspoort laten afstempelen.
—Wacht maar aan de poort, ried Snepvangers.
—Neen, ik ga mee, verklaarde Madame kordaat.
De marinier floot een deuntje, zag niet eens naar den trouwboek terwijl hij stempelde.
—'t Is 'n goeie, fluisterde Snepvangers.
Zij sjokten terug naar den doorsteek in de wallen. Niemand sprak hen aan, maar hun hart klopte fel; zij hijgden en het zweet droop van hun wezen.
—'t Is warm, meende Snepvangers, en dan onder die winterkleeren.
—Ja!...
Langs de vaart, naast de dokken zeulden zij voort. Alles lag stil en verlaten te broeien onder de zon. 't Was een vredige zondag waarin musschengetjilp weerklonk. Er roerde niks op de schepen en schuiten. Plots aan het goederenstation zagen zij weer soldaten, veldgrijzen met pinhelmen op.
—Hier stonden gardecivikken, bedacht Snepvangers.
Op de leien, waar de boomen vreemde schaduwen wierpen, dwarrelden de eerste herfstbladeren neer. De beide terugkeerenden telden de menschen op hun weg. Naast hen bolde een leege tram voort.
—Er is nog haast geen levende ziel in de stad, Snepvangers.
—Ja... maar de stad is ongeschonden, troostte hij zich, we hebben al vier menschen gezien... de soldaten niet meegerekend ... en de tram rijdt ook al ...
De breede Paardenmarkt lag eenzaam; in de Roodestraat zagen zij een oud wijveken aan het poortje van het godshuis "De seven bloedstortingen".
—Dat is vijf in het geheel, besloot Snepvangers toen hij zijn sleutel op de deur stak ... en wij mogen van geluk spreken in de Hobokenstraat ...
—Weer thuis ... ik dacht dat ik nooit mijn huis meer zou gezien hebben ... we waren arme ballingen ...
—Och, Mama, 't is weeral vergeten ... 't is achter den rug ... laat ons maar denken dat we een reisken naar Holland hebben gemaakt ... maar nu ga ik eens naar de vogeltjes zien ...
—Ik ga mee, zei Madame verteederd.
Toen Snepvangers de deur der kweekkamer openstak klonk hem het lustig gefrazel en gepiep niet tegen. Met twee stappen stond hij voor de kooi waarin niets bewoog. De eetbak en de drinkfonteinen stonden als onaangeroerd, geen vogel bewoog op de roestjes of in de nesten.
Een schemer trok hem voor de oogen, zijn keel snoerde toe, en hij moest zich vastklampen aan het vlechtwerk om niet te vallen.
—Ze zijn allemaal weg, griende hij, allemaal gaan vliegen ...
—Hoe is nu zoo'n ruit gebroken? vorschte Madame, kom, drink eens Snepvangers.
Het glas bibberde in zijn hand, hij klappertande maar voelde de duizeligheid wijken en alles helder en ijl worden in zijn hoofd. Hij sloeg de deurkens open en onderzocht de kooi. Een ruit was kapot, meer viel er niet te zeggen. Dan keek hij in de nesten. In twee mostbeddekens lagen nog eitjes, in een ander geeldonzige jongen die de vlucht niet hadden kunnen volgen. In het laatste nestje vond hij een verstijfd poppeken, doodgebroed op drie eitjes.
Snepvangers nam het vogeltje, streelde het over de bleekgele pluimen, bekeek het bekje, probeerde de oogjes open te trekken.
Madame had medelijden met zijn verdriet.
—Leg het nu maar weg, Snepvangers, 't is toch dood...
—Zij zijn allemaal al lang dood, Mama, die vogeltjes zijn niet bestand om in de wijde wereld rond te vliegen.
—Wij zullen opnieuw beginnen te kweeken!...
—Neen, Mama ... ik herbegin niet meer.... Ik zou altijd denken aan dees moment ... en als ik nog eens vogels wil zien dan ga ik maar naar Miranda ... 't is mijn schuld ... ik had vlechtdraad voor de ruiten moeten spannen ...
—Laat ons nu Spitsken maar gaan halen en naar de kinderen gaan zien ...
—Ja, naar Albertken.... Wat zal hij verschieten ... hij hield ook zoo veel van de kanarievogels ...
—Ja, Snepvangers ... we zullen nog eerst het valiesken in den coffre-fort sluiten....
—En een borreltje drinken, Mama.
HOOFDSTUK V.
VRIEND HEIN IN DE BUURT.
Toen zij de winkeldeur openden, hoorden zij de schel gaan en zagen zij Miranda zitten met Spitsken op den schoot. Hij zat midden van gedraaide tafelpooten, speculatievormen, teemsen en houten keukengerief.
—Dag, mompelde hij dof en keek hen amper aan.
Een kanarie riep piet! piet! Snepvangers, vol van zijn verlies, groette niet, maar Madame werd gewaar dat er iets haperde.
—Wat scheelt er, Miranda?
—Miranda, kloeg Snepvangers en hij kreeg een krop in de keel, al mijn vogels zijn gaan vliegen!...
—Zij is ook weg, fluisterde Miranda.
—Och, zei Snepvangers, die niet geluisterd had, maar al mijn vogels...
—Is zij weg, Miranda? polste Madame die wel iets wist van de vrouw van den houtdraaier.
—Ja,... eerst wou zij niet vluchten... tot Vrijdagmorgen hebben wij in onzen kelder gezeten... dan kwam haar kozijn, de diamantslijper...
—Was dat haar kozijn, Miranda?
—Zoo heeft zij toch altijd gezegd, Madame... en dan sprak zij van weg te trekken... en ze zijn er stillekens uitgemuisd... lieten mij alleen... zij was mij te jong....
—Een poppeken lag dood op den nest, Miranda.
—Ja, de vogels, knikte Miranda.... Ik denk maar dat de vent eens genoeg van haar krijgt en dan.... Mijn arme vrouw!...
—Mijn arme vogels!...
Madame lokte met moeite Spitsken van Miranda's knieën, begon hem te streelen.
—Spitsken heeft zoo'n schrik uitgestaan, leefde
Miranda op, ik heb hem in mijn armen moeten wiegen, hij was als een kind.
—Het was zeker vreeselijk, Miranda?
—Och, Snepvangers, ik weet het niet meer... de hond was mij een troost... en dan zijn de soldaten voorbij getrokken... en dan zijn de stadswerklieden gekomen met wagens en ladders om de vlaggen af te doen... of die kwamen eerst... ik weet het niet meer...
—Het feest was uit, Miranda...
—Dan heb ik een dag en een nacht geslapen.... Ik was zoo triestig dat ik met spijt wakker werd...
—Kom straks bij ons eten, verzocht Madame, ge moet maar verzet zoeken... niet suffen...
—Ja, we zullen malkander troosten, jokte Snepvangers, we hebben allebei wat verloren in 't bombardement. Gij uw wijf en ik mijn vogels... we moeten het maar niet aan ons hart laten komen.
—Ik zal Spitsken straks brengen...
—Hij kan van den hond niet scheiden, zei Snepvangers toen ze buiten kwamen.
—We moesten hem Spitsken maar afstaan, bedacht Madame, hij geraakt anders nog op den dool... met den hond heeft hij aanspraak....
Al de huizen met de gesloten luiken schenen verlaten. Op de minderbroedersrui waren een paar winkels open, een vleeschhouwerij en een bloemenzaak, een kroegje en een tabakswinkel. Aan een vlaggestok hing nog een afgescheurden, zwarten reepel. Veldgrijzen kuierden, met het geweer aan den riem, door de doode straten.
—Ik denk soms dat ik droom, zei Snepvangers.
Op de Torfbrug stond Antoine in den winkel en voerde een praatje met een
soldaat. Hij knikte eventjes alsof zij slechts een half uurtje afwezig waren
geweest. De hangklok in de huiskamer sloeg twaalf toen zij Marieken
en de kinderen beurtelings
omhelsden.
—Albertken, we zullen samen iets koopen, vezelde Snepvangers, in Holland vond ik zoo niks naar mijn goesting.
—Ik heb zoo aan u gedacht, schreide Madame.
—We gaan nu weer allemaal samen aan tafel zitten, troostte Marieken nuchter ... en hebt ge u goed geamuseerd in Rozendaal?
—Daar valt niet over te klagen, verzekerde Snepvangers, maar Antoine, zei hij tot zijn schoonzoon, die juist binnenkwam, hoe kunt ge met zoo'n soldaat staan sjauwelen ...
—Dat is affaire, Papa ...
Craen en zijn vrouw kwamen op dat oogenblik binnen.
—Al mijn kanarievogels zijn weg, Craen.
—Dat is tegenslag, meende Craen overschillig.
—Ik heb u nog gewaarschuwd, Papa ... hadt gij maar liever hier gebleven ...
Snepvangers zei maar niks meer, zat maar stillekens te luisteren naast zijn kleinzoon. Zijn vrouw vertelde van de vlucht, van het eiermandje en den trein, van den Verdierenpikker en den Kruier.
—En ik werd in het Comiteit der vluchtelingen gekozen, kon hij niet nalaten er met een vleugje ijdelheid aan toe te voegen.
—De echte Sinjoren zijn gebleven, misprees Antoine en at weer ongenaakbaar voort.
—Antoine heeft er bij ons den moed ingehouden, zei Madame Craen.
—Ja, bevestigde Marieken, want ik was bang toen het hier krioelde van soldaten ... de eerste nacht mochten de mannen niet in de huizen rond de Groote Markt blijven ... Mama is dan hier gebleven en Antoine met Papa naar de Melkmarkt gaan slapen....
—Ik heb maar altijd een goed glas wijn gedronken, bekende Craen, zoo heb ik mij recht gehouden ...
—Maar 't gaat alles ordelijk, verzekerde Antoine.
—Er zijn nog geen duizend menschen in de stad, zuchtte Madame Snepvangers.
—Wel wat meer, Mama, wel wat meer!
—'t Zal niet veel zijn, Antoine.
—Ik zou nog wel eens willen gaan zien naar het huis van ...
—Ik ga mee, zei Craen,
Samen trokken zij door de eenzame straten en hoe verder zij van den Noordkant afdwaalden hoe meer gebroken ruiten zij vervangen zagen door planken en linoleum en hoe meer getroffen huizen zij telden.
—Het glas is al opgeruimd ... wat ge nu nog ziet blikkeren is de moeite niet ... bergen glasscherven hebben er gelegen ... eigenlijk, Snepvangers, was het verstandig te vluchten ...
—Dat weet ik nog zoo niet, sprak Snepvangers tegen, ik was veel liever hier gebleven ... voor uw plezier moet ge niet gaan vluchten.
Het huis van den Verdierenpikker bleek ongeschonden. Zij onderzochten het van zolder tot kelder, vonden in de veranda een vruchtenschaal met sappige peren die zij profijtelijk begonnen te schillen.
—Die zouden maar rotten, zei Snepvangers, en hij komt toch niet terug.
Achter in de tuinen miauwden verlaten katten.
—Wat een gedacht, herbegon Snepvangers, hij laat zijn huis in den steek en trekt naar Engeland ...
—Elk zijn goesting, meende Craen en sneed een tweede peer.
—Ik moet hem toch een briefken zenden.
—Ja ... ik ken iemand die morgen naar de grens gaat ... daarbij 't wordt tijd ... ge weet na acht uur moogt ge niet meer op straat loopen ...
—Wat nog al meer!...
—'t Is oorlog, Snepvangers.
Hij schreef een briefje dat zij op weg naar huis in een estaminetje der Sudermanstraat bestelden, waar de boodschapper regelmatig kwam. Na koffie Gedronken te hebben gingen Mijnheer en Madame naar huis. In de straat ontmoetten zij Miranda met den hond. Madame liep even naar de "Zoutkeet" en naar den beenhouwer op de Ossenmarkt wat voor het avondeten te halen.
—Ge moogt Spitsken hebben, Miranda.
—Dank u, Snepvangers ... maar ...
—Ge moet niet ongerust zijn ... mijn vrouw heeft er eerst aan gedacht. Ge zijt zeker bang geweest, Miranda?
—Neen, Snepvangers, 'k heb aan niks gepeinsd.
—En als de stad dan precies in brand stond?
—Ik heb niks gezien ... enkel de vlaggen die afgetrokken werden en de soldaten die inrukten ...
—Als we nu gegeten hebben, besliste Madame terwijl zij het vuur aanlegde, dan gaan wij kaart spelen en een borreltje drinken ...
—Maar na acht uur, aarzelde Miranda ...
—Gij blijft hier slapen!
—Dat spreekt van zelf, oordeelde ook Snepvangers.
Lichtjes beneveld gingen zij slapen en 's anderendaags ontwaakte Miranda minder droefgeestig gestemd. Het gezellig avondje had hem over zijn zwaarste leed heen geholpen.
Twee dagen later kwam de Verdierenpikker thuis. Een groot verlangen naar zijn stad had hem van de voorgenomen reis doen afzien.
—'k Had het wel gepeinsd ...
—Oude boomen verplant men niet meer, verontschuldigde zich de Verdierenpikker.
—Dagelijks komen er terug ... Antoine zegt dat het heimwee is, een soort ziekte.... Hoe is 't met den Kruier?
—Goed, denk ik.
—De Hollanders zijn toch nobel geweest ... zoo hulpvaardig ... zoo ...
—Ja, Snepvangers, maar ...
—Wat maar?
—'k Heb toch ook hooren klagen in den trein ... menschen die peperduur hadden mogen betalen ...
—Als 't maar geen stoef is, wantrouwde Snepvangers.
—Ik zeg niet neen ... ik weet het niet ... in mijn boterwinkel waren ze zeer convenabel en toch ...
—Wat?
—Toch hebben ze me drie eieren te veel gerekend ... 'k heb het maar blauw blauw gelaten ...
—En hoe vindt ge de stad?
—Och 't kon veel erger zijn ...
—Ja, zei Snepvangers droomend, maar ik vind het zoo al erg genoeg ...
Met Albertken wandelde hij de volgende dagen rond om de ingeschoten huizen, de puinen en zwartgeblakerde muren te bezichtigen. Soms bleven zij staan luisteren naar de muziekkorpsen die op openbare pleinen speelden, het was een grillige fluitjesmuziek die Snepvangers weinig opwekkend vond.
Doch Albertken moest weer naar school, het herfstweer bracht regen en vroege duisternis en de dagen gleden doelloos voort. Het havenbedrijf lag compleet stil, er liepen geen postboden door de stad en het grensverkeer was gesloten. Onophoudelijk bonkte het kanon. Uit baloorigheid las hij de plakkaten van den bezetter.
Madame had haar gewoon leven hernomen en zij verdeelde haar tijd tusschen haar huishouden en het huishouden van Marieken.
Wanneer Snepvangers toevallig de Verdierenpikker tegenkwam trok deze steeds een geheimzinnig gezicht en wist allerhande nieuwsjes te vertellen.
—Vandaag of morgen, als wij wakker worden zijn ze weg, vertrouwde hij.
—Zijt ge daar zeker van, vroeg Snepvangers dan telkens ...
—Ik weet het uit de beste bron ... van iemand die een officier kent!...
En Snepvangers werd dikwijls wakker zonder dat er iets veranderde. Hij miste nu zijn Münchener bier, zijn kanaries en zijn onbekommerd leven van voorheen. Een bestendige onzekerheid kwelde hem. Dikwijls zocht hij troost op den werkzolder van Miranda. Zijn vriend vergat zijn werk en kwam naast hem zitten voor de vogelkooi. Miranda was zeer gelaten in zijn lot.
—Ik bid veel, zei Miranda, ik bid voor mijn vrouw ...
—Zij is het niet waard, jongen.
—We mogen niet hard zijn in ons oordeel, Snepvangers.
—Ze verdient ransel!
—Niemand is slecht, Snepvangers, de menschen zijn maar ongelukkig... en onverstandig ...
—Toch!... Een pater heeft in de kerk komen prediken dat oorlog een straf is omdat de menschen te slecht geleefd hebben!...
—Dat had hij niet mogen zeggen, Snepvangers...
—Ik geloof u, zei Snepvangers zacht, maar nu is de wereld zot...
—Er komt een nieuwe tijd, Snepvangers.
Antoine was in die dagen dikwijls afwezig, en Marieken verving ham achter den toog.
—Waar zit Antoine toch? vroeg zijn schoonvader.
—Affaires, Papa!... Antoine wint veel geld...
—Veel geld, Marieken?
—Ja, Papa, in zeep, olie en suiker... hij koopt en verkoopt... gunt zich amper tijd om te eten en te slapen...
—Wat ge nu zegt, mompelde Snepvangers verbluft.
—Maar zwijgen, Papa, niemand weet het... het is een verrassing voor nieuwjaar...
Op Oudejaarsavond kwam de familie bijeen op de Torfbrug. Zij vierden het wel niet zooals naar gewoonte, maar dronken toch een glas champagne. Antoine zag er zeer vergenoegd uit.
—Alvorens te drinken op beter dagen, zei hij, moet ik u iets mededeelen... ik heb een tijdje de wetenschap vaarwel gezegd en zal dat nog wel een tijdje doen... ik heb mij op den handel toegelegd en tot heden honderd-vijf-en-zeventig duizend frank gewonnen...
—Antoine!
Craen kon van verteedering niets meer zeggen. De moeders weenden van ontroering en Snepvangers prevelde ondanks zijn verbazing dat hij het altijd verwacht had.
—Eer het nog eens nieuwjaar is woon ik op den boulevard Leopold!....
—Ik gaf mijn affaire over, ried Craen.
—De oorlog is nog voor iets goed, oordeelde Madame Snepvangers.
—Ge moet van de gelegenheid weten te profiteeren, betoogde Antoine, toekomend jaar is het misschien vrede...
Snepvangers kon het nieuws voor Miranda niet verzwijgen. Hij ging hem nieuwjaar wenschen en vond hem in de triestige achterkeuken die op een goor, blauwgekalkt koerken uitzicht gaf. Spitsken zat op een stoel naast hem.
—Een gelukkig nieuwjaar, Snepvangers.
—Van 's gelijken, Miranda.
Zij proefden een borreltje Boonekamp, en de hond kreeg wat melk in een bordje.
—Miranda, onder ons... 'k heb groot nieuws...
—Van...? hakkelde Miranda.
—Van mijn schoonzoon, zei Snepvangers stralend.
—Zoo?
—Hij heeft een fortuin gewonnen... honderd-vijf-en-zeventig duizend frank met speculeeren in zeep en van alles!
—Zoo!
—Ge zegt zoo niks...
—Wat kan ik daarover zeggen...
—Wel dat het toch schoon is...
—Maar het is niet schoon, Snepvangers!
—Niet schoon?... Poddozie, Miranda! Wat is dan schoon?
—Dat is niet eerlijk gewonnen, Snepvangers, dat is woekeren.
Een oogenblik nog keek Snepvangers Miranda aan. Beiden waren bleek en spraken geen woord meer. Snepvangers stond op en verliet zijn vriend voor dat één woord dat hem zoo gegriefd had. Wanneer zijn vrouw hem in den loop der week naar Miranda vroeg, gaf hij geen bescheid. Zij hebben ruzie gehad dacht Madame, 't zal over den oorlog zijn... Na de breuk met Miranda voelde Snepvangers zich eenzaam. Antoine en Craen zocht hij niet. Albertken ontgroeide hem langs om meer, de Speeker was verdwenen. Alleen de Verdierenpikker zag hij soms in de herberg, maar deze disputeerde altijd zoo fel over den "Krieg" en kende zooveel geheime telegrammen die onder de bezetting niet bekend mochten worden! Snepvangers vreesde hem, geloofde en wantrouwde hem te gelijk.
Op het einde van Januari liep het tusschen Snepvangers en zijn schoonzoon weer verkeerd. Snepvangers bewonderde hem om zijn rijkdom, maar kon niet dulden dat hij hem telkens weer herinnerde aan zijn vlucht. Zij waren toch maar eventjes afwezig geweest. Niet zooals die anderen die nu pas terugkeerden kon hij gerekend worden onder de deserteurs. De maat liep over toen Antoine de bronzen medalje in zijn knoopsgat droeg, Antwerpen getrouw.
't Gaf een steek in zijn hart al zei hij geen woord. De volgende zondag kwam ook hij aan tafel voorzien van het eereteeken der dapperen die Antwerpen niet verlaten hadden tijdens het bombardement.
—Wat, Papa, draagt gij ook de medalje? zei Antoine puur ontdaan van verbazing.
—En waarom niet? vroeg Snepvangers loos.
—Maar gij waart Antwerpen niet getrouw...
—Antwerpen niet getrouw? ... We waren amper een paar uurkens buiten de poort, daar was het veel gevaarlijker dan in een kelder, Antoine...
—Maar!
—En wie de medalje betaalt, mag ze dragen... iedereen draagt ze... zelfs de mannen die verleden week terugkwamen.
—Ge hebt gelijk, bekende Antoine, maar dan draag ik ze niet meer...
—Gelijk ge wilt, Antoine! Maar een decoratie staat altijd chic!
Na een week vergat Snepvangers het speelgoed in het schuifken van zijn nachttafeltje.
Om zijn tijd te dooden bezocht hij weer koopdagen of trok naar het Justiciepaleis. Soms ging hij met Madame 's namiddags in een cinema een kop koffie drinken. Hij vond het eigenlijk onaangenaam in het donker te zitten kijken naar de trilbeelden tot het voor de oogen begon te schemeren. Maar heel de stad liep naar de zalen, daarom ging ook hij er luisteren naar de muziek, en zoo passeerde de tijd. De komische tooneelen deden hem schaterlachen, maar Madame trok dan telkens met zijn mouw om hem aan zijn fatsoen te herinneren. De griezelige drama's integendeel verveelden hem geweldig. Hij geeuwde dan, dat kon toch niemand merken, en was verwonderd dat zijn vrouw zich zoo vreeselijk scheen te amuseeren. Hij was blij wanneer bij poozen het licht hel en uitbundig door de zaal spoot in wisselende kleuren, rood en wit. Wat vreemde loop had zijn leven toch genomen! Hij zat hier in zoo'n nieuw ding en 't was oorlog...
Zekeren namiddag, in het voorjaar toen hij van het Justiciepaleis kwam, ging hij een glas bier drinken in een café aan den overkant der leien. Hij nam de N.R. Courant op en las maar wat. Ten slotte verstond hij niks van die telegrammen en militaire beschouwingen. De toestanden waren zoo raar en verward, het bier had geur noch smaak en de menschen leefden in hoop en vrees. De krant zakte neer en Snepvangers staarde naar het ritselend groen der boomen op de leien naar het licht der meizon dat gouden glans rond de grillige schaduwen spon. Een soldaat zat op een bank onder een boom en las een brief. Het zicht der veldgrijzen ontroerde hem niet meer, en hij keek niet eens op wanneer hij een vlieger hoorde snorren in den hemel. Doch de levensonzekerheid sarde hem, knaagde aan zijn hart en peuterde aan zijn humeur.
Snepvangers was blij toen een kranige oude heer in zijn buurt kwam zitten, een glas garsten bestelde en de gazet vroeg.
Het scheen iemand van gewicht. De man liet achteloos zijn monocle vallen, lei zijn grijzen hoed naast zijn wandelstok met gouden appel op de marmeren tafel, dronk een slokje en begon te lezen. Het blad hield hij gevouwen tusschen de zeemlederen gehandschoende vingeren. Onder de opengesperde vleugels van zijn rooddooraderde neus stond zijn witte snor puntig opgestreken met kosmetiek. Door zijn platgekamde haren liep een streep tot achter in den wijnrooden hals. In het knoopsgat van zijn zwarte jacquet pronkte een purperen lintje en op zijn wit piqué vestje bengelde een gouden ketting waaraan een vreemd muntstuk hing.
Snepvangers kon zijn oogen niet afwenden van den eleganten heer, zag hoe deze fijntjes een sigaret opstak, de blauwe rookwolkjes opblies, weer een slokje nam, zijn grijze streepjesbroek optrok om de plooi te bewaren en voortlas.
Een gedistingeerd heer, peinsde Snepvangers, iemand met voorname manieren, zeker een notaris!
Eindelijk legde het heerschap de krant neer, zette zijn monocle op en keek met lichtblauwe oogen eventjes Snepvangers aan.
—Schoon Meiweer, Mijnheer, knikte Snepvangers vertrouwelijk.
—Puik weer, klonk het hoffelijk antwoord.
—Was de oorlog nu maar rap gedaan, praatte Snepvangers, de menschen worden het beu,... het duurt nu al negen maanden.
—De oorlog zal nog lang duren, Mijnheer...
—Denkt ge dat? zei Snepvangers ongeloovig.
—Heel Europa komt nog in den dans, voorspelde de man.
—Mijn vriend had gisteren anders goed nieuws, fluisterde Snepvangers, en schoof dichter bij.
—Uw vriend?... is het een militair?
—Neen!... Een rentenier... Hij heeft eens gewonnen met verdierenpikken en grondspeculaties....
—Ha, zoo!... En u is ook een rentenier?
—Ja, om u te dienen... Mijn naam is Snepvangers, Snepvangers uit de Hobokenstraat....
—Ik ben Generaal van den Bergh....
—Aangenaam u kennis te maken, Generaal, zei Snepvangers toeschietelijk, stond recht en stak de hand uit, excuseer mij, maar dan zult ge er wel meer van weten dan mijn vriend... stiel is stiel... en gij denkt dus dat de oorlog nog lang zal duren...
—De oorlog begint pas, Mijnheer Snepvangers.
—Generaal, Generaal, riep Snepvangers onthutst, en alles kost nu al zoo duur...
—Alles zal nog duurder worden, zei de Generaal ijzig kalm, speelt u soms domino, Mijnheer?
—Ik ben maar een krabber, verontschuldigde zich Snepvangers.
—Een partijtje?
—Om u te dienen, Generaal.
De Generaal trok zijn handschoenen uit, liet zijn monocle zakken terwijl Snepvangers zijn pint leegdronk, tegenover hem plaats nam en de garçon het Groene dominobord en de steenen bracht.
Met zijn witte, mollige vrouwenhanden, streek de Generaal over de zwarte dominoruggen. Een opaal glom in zijn gouden ring aan den linkerpink.
—En hebt ge geen last gehad, prevelde Snepvangers.
—Last?
—Ja, als Generaal meen ik....
—Och neen... Ik kreeg mijn pensioen toen de oorlog pas aan gang was... in September...
—Dat is veel beter, meende Snepvangers met overtuiging.
—Ik had veel liever meegevochten, Mijnheer Snepvangers, maar er werd geintrigeerd... en ik had last van gebarsten aders in de beenen...
—Lang gediend, Generaal?
—Als kind reeds in de soldatenschool... haast vijftig jaar militair geweest. Nu is er vooruitgang voor de jongeren... les jeunes... zij zullen weten wat oorlog is... Opgepast, Mijnheer Snepvangers!
Het spel begon en de Generaal werd zoo stom als een visch. Snepvangers hield de mollige handen in het oog en de roomkleurige bovenkant der domino's, waaruit een koperen pinneken stak. De steenen sloten telkens met doffe tikjes aaneen.
Tot welgevallen van zijn medespeler verloor Snepvangers twee spelletjes. Dan haalde de Generaal zijn gouden repetitiehorloge uit zijn vestzak.
—Ik moet weg, Mijnheer Snepvangers, betreurde hij, een bezoek bij een dame...
—En die mag men niet laten wachten, meende Snepvangers welwijs.
—Natuurlijk, zei de Generaal schalks, komt u hier meer?
—Af en toe, loog Snepvangers.
—Komt ge morgen?... Twee partijtjes... niks meer...
—Volgaarne, Generaal! Neen, ik verlies... ik betaal...
De oude Generaal trok zijn zeemlederen handschoenen aan, nam hoed en stok, groette en ging.
Opgewekt wandelde Snepvangers naar de Torfbrug waar hij zijne vrouw moest afhalen.
—De oorlog zal lang duren, verklaarde hij een beetje ijdel.
—Wie zegt dat? vroeg Antoine uit de hoogte.
—Iemand die het weten kan... een vriend!
—Een vriend van u!
—Ja, Antoine, een Generaal!
—Een Generaal, wantrouwde Antoine...
—Ja, Generaal van den Bergh... en dat is de eerste de beste niet!
—Waar woont die Generaal, Papa?
—Ieverans op 't Zuid tegen het Justiciepaleis, verweerde zich Snepvangers.
—Ik wist niet dat ge een Generaal kendet... Ge hebt er nooit over gesproken...
—Ik heb er nooit aan gedacht er over te spreken... maar ik speel nog al eens domino met hem in 't café... hij spreekt Gentsch...
Dagelijks speelde hij voortaan domino met den Generaal. Soms gingen zij samen wandelen naar het Nachtegalenpark. De galante Generaal waardeerde zijn vriend voor zijn geduldig toeluisteren wanneer hij militaire aangelegenheden besprak. Hij was een vereenzaamd man die met zijn oude zuster onder een dak woonde. Van garnizoen naar garnizoen had zij hem gevolgd en nu leefden beiden stillekens onder vreemde menschen. Snepvangers zag in hem een toonbeeld der voorname wereld. Hij zwoer bij de woorden van den Generaal, droeg ook handschoenen wanneer hij naast hem liep en knikte diepzinnig bij elk betoog. Wanneer Antoine iets zei, haalde hij er maar telkens eene ware of eene ingebeelde meening van den Generaal bij te pas, wat niet naliet Antoine te hinderen.
In het najaar zaten beide heeren menigmaal te kijken naar de zwanen die op den parkvijver dreven.
—Aristocratische vogels, zei de Generaal.
—Zij hebben lange halzen, bemerkte Snepvangers.
—De bladeren vallen al van de boomen, nam de Generaal waar.
—'t Schoon weer zal gauw gedaan hebben, en dan krijgen wij weer regen en wind...
—Ja, Snepvangers, het schoon weer... maar dat komt nog eens terug... toekomend jaar... maar de schoone tijd komt nooit terug zoomin als onze jeugd...
—Meent ge dat, Generaal?
—Weet ge wat de schoone tijd was, Snepvangers?... Toen ik onderluitenant was en in garnizoen lag te Dendermonde...
—De meisjes, fluisterde Snepvangers.
—En de bals en de oefeningen... de kameraden... en later toen ik kapitein was en te Luik verbleef... en nog later als majoor op de manoeuvres... en toen ik kolonel was te Oostende en 's zomers de koning mij feliciteerde omdat mijn regiment zoo prachtig marcheerde...
—En toen ge gedecoreerd werd, vulde Snepvangers aan die reeds meermaals deze ontboezeming gehoord had.
—Ja, droomde de Generaal.
—En als uw muziekkorps zooveel bijval had!...
—Ja, Snepvangers.
—Ik begrijp het, zei Snepvangers, dat was zoo precies wanneer mijn kanarievogels bewonderd werden.