Onder uitbundig gejuich verliet hij het podium, drukte handen, ontving gelukwenschen. Van dat moment af en voor altijd wist Snepvangers wat hij voor had op den gewonen sterveling: hij was een spreker! Hij was direct vergeten dat zijn hart geen boontje groot was vóór de begeestering over hem kwam! Het baarde hem geen verwondering, met groote meerderheid, te worden aangeduid naast acht andere kandidaten. De partij zou met een onvolledige lijst optreden, berekend naar de omstandigheden en naar de stemming onder de kiezers. 's Morgens aan de koffietafel feliciteerde hem Marieken.
—Nu zullen de geburen het gauw weten, Papa.
—Het kan niet anders, kind, oprecht, ik ben niet rap content over mezelf, maar ik heb gisteren avond goed gesproken.
—Snepvangers, zei Madame, ik heb er over nagedacht, nu ge kandidaat zijt, zult ge uw rang moeten ophouden.
—Dat spreekt!
—Ja, en daarom zoudt ge maar alle dagen uwe redingote moeten dragen, dat staat zoo deftig!
—En 's Zondags dan?
—Ge laat er 'n nieuwe maken bij een anderen kleermaker... dat zijn weeral stemmen.
—En 'k zou mijn buis maar dragen, Papa.
—Alles behalve dat... zij is voor 's Zondags en blijft voor 's Zondags... maar ge moest nog eens aan het bad denken dat, met al die stroebeling, in den vergeethoek is geraakt.
—Ja, Papa.
Drukke dagen volgden. Met den verdierenpikker, de leden van het bestuur en de andere kandidaten schreven zij adresbanden om De Noodkreet te verzenden, bezochten winkeliers, herbergiers, beenhouwers, bakkers, kleermakers en andere neringdoenden, menschen die niet bij den bond waren aangesloten. Ook onder de leden zelf moest het heilig vuur onderhouden worden, want de tegenpartijen vielen hen reeds aan in eigen kamp.
Snepvangers vermagerde zichtbaar van inspanning, onrust en slapeloosheid. Laat duurden de vergaderingen waar plakkaten en vlugschriften werden opgesteld, kiezerslijsten uitgeplozen en stemmen berekend. De secretaris, een gewezen onderwijzer, wiens ambt betaald werd, gaf uitleg over de kieswet, leerde hen wat zij te doen hadden als getuige in de kiesbureelen en cijferde de ingewikkelde kansen na om de kandidaten gekozen te zien.
Toen Snepvangers hun lijst op de aanplakplaatsen in de stad zag prijken, en zijn eigen naam en al zijn voornamen las, toen oordeelde hij de kansen gunstig. De lijst hing naast de roode der socialisten, de blauwe der liberalen, de driekleurig omkranste der katholieken.
De politieke strijd begon thans voor goed. Meetings zouden zij niet houden, vermits zij niet op de massa maar wel op de eigen standgenooten steunden. De dagbladen mengden zich in 't gevecht met al de klem en de kracht van het gedrukte woord. Snepvangers las alles en raakte soms de kluts kwijt, werd haast wanhopig onder de aantijgingen tegen menschen die, al waren zij niet van den bond, hem toch eerbiedwaardig schenen. Zijn simpele ziel duizelde onder het schelden en bezwadderen, hij had nooit zooveel kwaad in de wereld vermoed, en hij begreep niet dat journalisten zoo wat durfden te schrijven. De mannekens der eigen partij werden opgehemeld, alle deugden en bekwaamheden hun toegeschreven. De verdierenpikker moest hem steunen in zijn moedeloosheid.
—Dat is politiek, Snepvangers, politiek, anders niks... Geloof niet dat zij dat zelf meenen... Zij zijn er voor betaald juist gelijk onzen sekretaris... Als de kiezing voorbij is spelen zij weer samen smousjes op 't Groenkerkhof in hun café, en de mannen die in den gemeenteraad zitten van de verschillende koleuren zijn dan weer dikke vrienden.
—Neen, maar zoo versta ik het niet!
—Gij zijt 'n brave vent, Snepvangers, en neemt dat veel te serieus op... Ze spelen allemaal komedie in de politiek... Trek het u vooral maar niet aan wanneer ge vandaag of morgen door 't slijk gesleurd wordt.
—Ik doe een ongeluk als er een het hart heeft mij zoo te affronteeren!
—Doe liever niks, anders wordt gij nog veroordeeld tot schadeloosstelling en de kosten, en de menschen zullen met u lachen omdat ge niet meer van de politiek verstondt en toch kandidaat hebt willen zijn. Een kandidaat moet tegen alles kunnen; als zij schrijven dat ge 'n dief zijt, dan moet ge er nog uw botten aan vagen... Om kandidaat te wezen, moet ge 'n filosoof zijn. Wacht maar, uw beurt komt wel. In de Gazet van Allen beginnen ze portretten te geven van de mannen der "nief partie". Bakker Janssens hebben ze vandaag uitgekleed, ze noemen hem 'n vermomden geus en doen verstaan dat hij zich rijk gestolen heeft met te pooteren op het gewicht!...
Dag aan dag verschenen nu portretten der medekandidaten in het frutkrantje, dat overal gratis verspreid werd. Morgen werd het nu zijn beurt; hij was de laatste om afgetakeld te worden. Heel de stad zou het lezen, velen zouden er een heimelijk plezier in hebben of het voor waarheid verslijten. Ja, men moest filozoof zijn om dat alles te verdragen voor zijn overtuiging! Vooral niks toonen, waardig doen gelijk iemand die het gewoon is, porde hij zich zelf aan.
Hij hoorde de gazettenleurders toeten en gillen in de straten, toen hij aan het lokaal van den Bond kwam. Nauwelijks zat hij tusschen de strijdmakkers, of de deur vloog geweldig open en President en verdierenpikker verschenen in zeer opgewonden toestand. Zij hielden de gazet in de vuist geklemd.
—'t Is schandalig, Snepvangers!
—Trek het u toch vooral niet aan. Snepvangers, 't is te gemeen!
—Laat maar eens zien, zei de kandidaat zoo bedaard mogelijk; die dat geschreven heeft, is toch een tienstuiversgast!
Hij nam het dagblad, keek nog eens naar den President, die rood zag van oprechte verontwaardiging, naar den verdierenpikker, die hem met zeemzoet mededoogen aankeek, en voelde aller oogen—die der medekandidaten—vol nieuwsgierigheid op zich gevestigd. Taai blijven! Hij las:
De Baaskens der Nief Partie!
"Nu gunnen wij onze lezers het plezier kennis te maken met den laatste der fameuze pateekens, die gaarne in den raad zouden zitten en er niet bekwaam voor zijn.
"Een dezer vermomde geuzen is Snepvangers, die de neringdoenden zal gaan verdedigen, precies alsof wij dat niet altijd hebben gedaan.
"Deze framasson stinkt van pretentie en is zijnen tijd vergeten toen hij bij Notaris Boeykens de deur mocht open en toe doen, of korenten verkocht in "De Zoutkeet".
"Hij is rijk geworden met den strooman te spelen in de Roepzaal voor geuzenaffaires die het daglicht niet mochten zien.
"Hij is bekend in al de garstencafés, waar hij stoeft alsof hij reeds gekozen was.
"Het eerste deel van zijn naam is snep, en die beesten hebben gaarne een natten bek. Het tweede deel, vangers, beteekent dat hij de kiezers zou willen vangen, maar de kiezers zijn allemaal geen jongens uit "De Gaper"!
"Moest hij gekozen worden, wat de verstandige kiezers wel zullen beletten, dan wordt de Gemeenteraad herdoopt in Sneppenraad! Wij willen serieuse menschen!
"De kiezers mogen lachen, maar zich niet voor den aap laten houden door de vijanden van den godsdienst of door anarchisten! De deftige kiezers stemmen onder nr 1!"
Snepvangers hield zich kranig onder de mokerslagen. Zoo iets monsterachtigs schreef men tegen een deftigen burger, die altijd, naar behooren, zijn kerkelijke plichten vervuld had. Wat al leelijke aantijgingen, wat vuige beschuldigingen door een naamlooze uitgekraamd! Hij moest de stilte verbreken, toonen dat Snepvangers door zoo iets niet in zijn eer kon gekrenkt worden.
—Ik een framasson, zei hij schouderophalend, ik weet niet eens wat een framasson is!... Het kunnen misschien heel deftige menschen zijn. Als zij denken Snepvangers bang te maken, dan zijn zij er nog niet half... Ik ben onafhankelijk en niemand kan mij deren!... Zij zijn bang van ons.
—Wij moeten onze mannen verdedigen, schreeuwde de President.
-Ja! Ja!
—Tegen dat janhagel verdedigt men zich niet, verklaarde Snepvangers kalm, maar inwendig kookte hij van machtelooze woede.
—Ik ben zeker dat het van dien fijnen jezuiet komt, die op den Kauwenberg woont en secretaris is van de spaarmaatschappij, meende de verdierenpikker, hij schrijft in de gazet.
De vergadering duurde laat in den avond. In den frisschen herfstnacht ging Snepvangers alleen naar huis. De volle maan lei een zilveren glans over de stad. De gewogen Snepvangers, verstrikt in het geharrewar van de politiek, kwam in de stille haast tot bedaren.
Uit de eenzame Keizerstraat klonken stappen en een lange slungel scheerde hem voorbij. De man groette.
—Halt! vriendje, riep Snepvangers en greep den man stevig vast aan zijn ondervest, gij hebt mij dus dat affront gebakken, gij leelijke, lange slingeraap! Ik ben dus 'n framasson, 'n zatlap en 'n stoeffer!
—Wat wilt gij, Mijnheer Snepvangers, ik begrijpt u niet, verweerde de slungel angstig.
—Wij zijn nu onder vier oogen, niemand ziet ons, span nu maar een proces in zonder getuigen, deugniet, sjamfoeter, vuile jezuiet!
Snepvangers moest telkens opwippen om met zijn vuist te kunnen bonken op de tronie van den lange. Jammerend probeerde deze zich los te rukken, maar de kandidaat hield wraakgierig vast, wipte maar en bokste op neus en oogen tot hij hijgend niet meer kon. De slungel griende.
—Zoo tem ik de gazettenmannekens, triomfeerde Snepvangers, zeg na maar gerust aan de andere sloebers wat zij van mij verwachten kunnen, en zeg dat ik mijn botten vaag aan die smeerlappekens! En als zij niet oppassen dan wordt ik nog framasson! Slaap wel en droom van zoetekoek! Maar in de spaarmaatschappij vliegt ge zeker buiten ...
Hij liet zijn slachtofter in den steek. Niemand had het gezien en niemand kon getuigen! 't Zal morgen 'n schoone jongen zijn, peinsde hij. Zegevierend kwam hij thuis waar de vrouwen, die ook de gazet gelezen hadden, angstig op hem zaten te wachten. Aan zijn kneukels kleefde bloed.
—Arme Papa, kreet Marieken, en hebben zij u daarbij nog willen vermoorden!
—Maar Snepvangers toch!
—Ik heb den deugniet zijn zaligheid gelezen achter den hoek, morgen loopt hij gelijk 'n karnavalzot met twee blauwe oogen, en hij kan mij niks, want hij heeft geen getuigen! 't Is de secretaris der spaarmaatschappij die mij dat gelapt heeft.
—Maar, Snepvangers, wat zullen de menschen denken van zoo in de gazet te figureeren, en dan nog vechten op den koop toe...
—En dan over De Gaper, snikte Marieken.
—Van 't vechten zal hij wel zwijgen en dan weet niemand iets... en de gazet dat is politiek, dat is maar comedie!... In de politiek moet ge filosoof zijn, en 't is niet zoo gemakkelijk om in den Gemeenteraad te komen.
—'k Wou dat de kiezing maar voorbij was!
—Ik ook, beaamde Marieken en zij dacht aan haar huwelijk.
—Ik ook, zuchtte Snepvangers terwijl hij zich het bloed van de hand wiesch.
De verdierenpikker en de President, in het geheim der tuchtiging ingewijd, verkneuterden zich van plezier. In hun brieventesch bewaarden zij het uitknipsel der gazet. Zij herlazen menigmaal het relaas van het voorval verschenen onder de rubriek Stadsnieuws:
"Gisteren avond was onze getrouwe medewerker A.S. het slachtoffer van een bandietenaanval. De lafaard mishandelde en kwetste onzen vriend zoodanig dat hij er bedlegerig van is. Politie was natuurlijk weer niet in den omtrek. Onder de regeering der mannen van "licht, immer licht" heeft onze stad niets meer te benijden aan Parijs en zijn apachen. De kiezers moeten er paal en perk aan stellen!"
Terwijl de kiesstrijd in volle hevigheid woedde, zorgden de dames voor den uitzet der kinderen. De mannen waren niet te spreken zoodat de moeders vrij waren alles naar eigen smaak te bedisselen. Antoine en Marieken gingen vrijend wandelen in den valavond, zoohaast de winkeldrukte voorbij was. In den loop van den dag wipte Marieken, dikwijls, onder een of ander voorwendsel, in De Gaper binnen. Zij was verzot op drop, snoepte regelmatig aan den bokaal "jappekens", in de buurt als de beste befaamd. De reuk der specerijen, gedroogde kruiden en verfstoffen was haar haast reeds een behoefte geworden, en zij snuffelde in kasten en schuiven, in bakken en vaten. Den winkel, den aantrekkelijken winkel wou zij leeren, zij telde de dagen af die haar nog van het oogenblik gescheiden hielden dat zij de klanten zou te woord staan. Zij liet de moeders maar betijen; wanneer zij eenmaal bazin in De Gaper was, dan zou zij alles wel naar eigen zin inrichten. In zijn drogerij was Antoine ernstig, een bijdehandsche winkelier.
Den vooravond der verkiezingen werden de laatste woorden aan de kiezers per post verzonden of nog in de brievenbussen gestopt. Een kort en bondig woord: "Wie zijn eigenbelang bemint en de groote concurrentie wil kapot maken, stemt onder Nr. 3!" De teerling was geworpen. Dien nacht sliep Snepvangers niet. Zeer vroeg stond hij op, trok zijne nieuwe redingote aan om zijn burgerplicht te gaan vervullen. Overal waren de muren bedekt met plakkaten, op de voetpaden nabij de kiesbureelen waren de strijdcijfers geschilderd, aan de deuren stonden de reclamedragers met een "Stemt onder Nr..." Na zorgvuldig zijn kiesbriefjes bewerkt te hebben ging hij een pintje drinken.
De roes der laatste weken viel weg wanneer hij zoo rustig achter eene herbergtafel zat. Ja, hij was vermagerd onder de zenuwachtige opwinding, en voor geen geld wou hij de geschiedenis opnieuw beginnen. Zou hij nu gekozen zijn? In geval het hem tegenviel zouden zijne vijanden niet weinig lachen! Anders kwam er weer een serenade met brabançonne, dan het huwelijksfeest, daarna de vergadering van den Gemeenteraad waarin hij den eed zou afleggen. Aan tafel praatte hij opgewekt en onbekommerd met Antoine en Marieken, met Madame Craen en zijn vrouw. Maar de tijd viel hem lang. Hij verlangde naar en vreesde de komst van den President om den uitslag te kennen, 't Werd avond en de stemming een beetje gedrukt. Dan klonk de huisschel onzeker, 't Is mis, peinsde Snepvangers. Beschroomd stonden President en verdierenpikker voor hem. Hun begrafenisgezichten waren welsprekend.
—Wij zijn helaas geklopt, fluisterde de President.
—Wij moeten den volgenden keer herbeginnen, beweerde de verdierenpikker, de kiezers werden misleid, zij hebben hun belang niet begrepen... En de anderen hadden gazetten!
—De kiezers zijn stommerikken, oordeelde Snepvangers die zijn luchtkasteelen zag ineenstorten, er is niks mee aan te vangen... en daar heb ik mij voor opgeofferd, mijn tijd, mijn centen en mijn ambitie in gesteld, mij door de goot laten sleuren! ...
—Ja, wij hebben er ons voor opgeofferd, getuigden ook de vrienden.
—Schreeuw niet, Marieken, 't is allemaal niks... ik vaag er nu toch mijn botten aan... 't Is nu gedaan met de politiek... Ik trek er uit... Ik geef mijn ontslag aan al de maatschappijen... dat zij het karreken maar zelf kruien, ik ben het beu... ik zet geen voet meer op de vergaderingen... ik ga rusten en van het leven profiteeren... 'n mensch is zot zich muug te maken voor al die vodden... De politiek is een smerige komedie, en ik wil geen komedie spelen in mijn ouden dag!... Ik ben er mager van geworden... Wij gaan nu samen een lekker glas wijn drinken in familie, om te toonen dat wij niks geven om hunnen Gemeenteraad... Antoine, jongen, als ik u 'n goeien raad mag geven, doe dan nooit aan politiek... 't Is puur zottigheid! De wereld wil bedonderd worden, awel voor mij is 't ook goed... En, Marieken, dat bad wil ik ook niet meer in mijn huis... ik heb mij nooit in een bad gewasschen en ik zal het zeker nu nog niet doen, ik geef het u cadeau in uw huishouden... en ik blijf van den ouden eed en wasch mijn voeten in een tobbeken!... Mama, haal maar een lekkere flesch op, ik ben blij dat alles voorbij is!... Niemand sprak de wrevelige rede tegen, vrucht van ondervinding en ontstemming.
En zoo werd de verloving nogmaals gevierd, en de rust gehuldigd, die voortaan in het gezin zou heerschen.
Wanneer de gasten uitgeleid werden en in leutige opgewektheid afscheid namen, hoorden zij in de verte schorre stemmen weergalmen. Hij voelde zelfs geen bitterheid meer bij het kiesliedje der overwinnaars: "Van 't ongediert der papen, verlost ons vaderland?"
HOOFDSTUK III.
WIJSHEID EN LEVENSKUNST.
Marieken was met pralende plechtigheid getrouwd om de geburen en kennissen te doen biskeeren. De zingende mis in St.-Jacobskerk, het orgelmuziek op het Stadhuis en het Bruiloftsfeest bij Weber hadden heel wat opschudding verwekt en het aanzien der familie Snepvangers weer hersteld, dat door het mislukt kiesavontuur gedaald was.
Wanneer de wijnroes was opgeklaard, hernam Snepvangers zijn rustig renteniersbestaan. Madame, in eeuwige ongedurigheid, dribbelde in huis rond of winkelde in de buurt.
's Zondags dineerden zij met de familie Craen bij de kinderen. Heimelijk zonden beide moeders een en ander om de dischkaart een fraaier uitzicht te bezorgen. De winterzondag-namiddagen werden met lekker eten en drinken, in famillie-gezelligheid, doorgebracht.
Het jonge paar had, voor het oog der menschen en omdat men toch een huwelijksreis moet doen, enkele dagen te Brussel doorgebracht. Daarna werd Mariekens blanke bruidstooi voorzichtig in een koffer geborgen, haar bruidskrans en ruiker onder een glazen stolp, op de schouw der slaapkamer te prijken gesteld, en Marieken nam haar plaats in achter den toog der drogerij op de Torfbrug. De oude meid liet zij baas in de keuken, de winkelknecht verontrustte zij niet in kelder of magazijn. Zij regeerde dus met wijsheid, en troonde naast Antoine met groot zelfgenoegen. De uren vlogen voorbij met het gerammel op den beiaard van Onze-Lieve-Vrouw-toren, 's Maandags ging zij in den namiddag met de moeders op boodschappen uit; 's Woensdags woonden zij de avondconcerten in den Dierentuin bij; Vrijdag morgen gaf als afwisseling het druk geloop van buitenlieden in de drogerij tot het beiaardspel van twaalf uur verpoozing bracht; de Zaterdag werd besteed aan schoonmaak en de rustdag volgde dan met groote eetpartij.
Snepvangers had woord gehouden, zich teruggetrokken uit het vereenigingsleven. Craen bleef President van den Bond der Neringdoenden en verweet zijn vriend de verregaande onverschilligheid tegenover de openbare belangen. Maar Snepvangers, openlijk gesteund door zijn vrouw, was niet van zijn stuk te brengen. Met den verdierenpikker was het haast tot een breuk gekomen daar deze aan hetzelfde zeel trok met den President. De critiek van een ouden vriend kan men natuurlijk minder dulden! Hij vergaf daarbij zijn kameraad niet hem in dat spoor te hebben gevoerd, ontmoette hem nog slechts in de herberg om den wille van het kaartspel.
Hij schiep groot behagen in zijn schoonzoon die, 's Zondags na het eten, nooit naliet uit te pakken met zijn wetenschappelijken ballast te Leuven opgedaan. Antoine noemde zijn kruiden met hun latijnsche namen die Snepvangers niet onthouden kon. Hij sprak over sterrekunde en delfstoffen, over scheikunde en filosofie.
De geneeskunde was hem niet vreemd, zijn zalf tegen brandwonden, eigen uitvinding, vond wonderlijk veel afzet. En hij peinsde, hij peinsde maar door op nieuwe uitvindingen, middelen om het menschdom te helpen en zijn inkomsten te verhoogen. Om op de hoogte te blijven der jongste wetenschappelijke gegevens, las hij geregeld populaire tijdschriften, want in zijn vak was er voortdurend nieuwigheid en vooruitgang.
De belangwekkende beschouwingen werden gewoonlijk in den winkel gehouden. Marieken bewonderde haar echtgenoot en snoepte onderwijl drop, de dames Kauwden jujube, en de heeren rookten hun sigaar. Antoine ploos zijn geitenbaardje, zijn gelaat stond ernstig en zijn woorden klonken beslist en doctoraal. Het was verbazend vreemd voor Snepvangers en Craen die gretig luisterden, wat de dames niet deden. Marieken knikte telkens alsof zij het fijne van de zaak verstond.
—De zon wordt kleiner, verzekerde eens Antoine.
—Maar jongen wat ge nu zegt, schuddebolde zijn vader.
—'k Heb het altijd gepeinsd, bevestigde Snepvangers diepzinnig, de zomers worden korter.
—De zon wordt dagelijks ouder, orakelde Antoine die zich door geen onderbreking liet afleiden, de zon neemt af en verliest in warmte.
—Precies zooals ik gedacht heb, zei Snepvangers, deed een zware haal aan zijn sigaar en blies kwaadaardig een rookwolk op.
—Zij verliest haar zelfstandigheid, ja zij verliest haar zelfstandigheid en vermagert, als ik mij zoo doodgewoon mag uitdrukken, zij vermagert door ons haar stralen toe te zenden! De geleerde J. Bosles,—er klonk eerbied in zijn stem—heeft berekend dat de zon elk jaar door uitstraling een gewicht van 18 maal 10.20 gram verliest...
—Dat moet een cijferaar zijn, betwijfelde de President.
—Met andere woorden, hield Antoine vol, in dertig millioen jaren zal de zon een hoeveelheid stof uitgestraald hebben die gelijk is aan de aardmassa.
—'t Is kolossaal, bedacht Snepvangers en hij voelde dat Antoine hem doordringend aankeek.
—Ja Papa!... Als nu de zonnemassa vermindert, dan wordt haar aantrekkingskracht kleiner: de aarde, minder sterk door haar aangetrokken, moet minder snel van het aphelium naar het perihelium afdalen en minder snel van het perihelium naar het aphelium opklimmen!... De duur van deze dubbele beweging, met andere woorden het sterrekundig jaar, moet langer worden.
—Zoo is 't Antoine, M. Boskes heeft gelijk, ik ben er zeker van, gaf de President toe, verheugd dat de uitleg voorbij was.
—Ik versta niks van ofelium en perium, bekende Snepvangers schuchter, maar ik wil u wel gelooven op uw woord... maar hoeveel langer moet volgens u het sterrekundig jaar wel worden?
—Elk millioen jaar, en hij lei den klemtoon op millioen, elk millioen jaar zes seconden.
—'t Is niet veel, meende Snepvangers teleurgesteld, en dan moeten wij er ons nog niet ongerust in maken, wij hebben nog al den tijd...
—Laat ons maar liever gaan soupeeren in plaats van daar den kop mee te breken, stelde Madame Craen voor.
—De vrouwen hebben geen verstand van wetenschap, misprees Antoine.
—Neen jongen, troostte Snepvangers. Terwijl zij eens aan een goudbruin-gebraden kip peuzelden, lei Antoine eene echte geloofsbelijdenis af:
—Wat is een mensch tegenover het heelal?
Bedenkelijk vaagde hij de vettige vingers aan zijn servet; hmde genoegelijk en bekeek strak zijn schoonvader.
Snepvangers verschrok, liet het kippen boutje, waaraan hij zoo blijhartig te kluiven zat, terug in zijn bord vallen, loerde bedeesd naar zijn teljoor en vond in zijn bedremmeling geen antwoord. Met zijn plakkerige hand streek hij zich over zijn kort-grijs stekelhaar, voelde aller oogen op hem gevestigd.
—Ja, wat is een mensch tegenover het heelal?
—Niet veel, waagde Snepvangers en wou zijn boutje weer vastgrijpen.
—Neen, niks, Papa, niks, absoluut niks, klonk vernietigend het betoog uit den mond van den drogist, zoodat Snepvangers de hand van het kippenboutje aftrok.
—Dat is wat straf, Antoine, verweerde hij zich.
—Neen, niks, niks, niks! Een korreltje zand in de woestijn, een druppel water in de zee... een molecule...
—Watte?
—Een molecule, dat is de kleinste denkbare hoeveelheid stof die op zichzelf kan bestaan!...
—Toch iets meer, Antoine, toch iets meer, hield Snepvangers, rood van ontroering, vol, nu ben ik het niet akkoord.
—Ha, ik weet wat ge zeggen wilt, zegevierde de drogist, ge wilt zeggen dat wij een ziel hebben, dat wij redelijke schepselen Gods zijn! ...
—Ja, stemde Snepvangers direct in, gelukkig dat hij zich aan dat argument kon vastklampen, en hij greep weer naar zijn bord, ja Antoine.
—Maar dat is een ander kwestie... ik ben het met u eens op dat punt... maar gesproken volgens absolute stelling, onder wetenschappelijk oogpunt beschouwd, zijn wij tegenover het heelal niet meer dan een mier, een zandkorrel of een druppel regenwater!...
Snepvangers voelde zich angstig onbehagelijk, hij begreep niet waar zijn schoonzoon heen wou met zijn smakelijk gepeuzel te onderbreken.
—Wetenschappelijk mag dat waar zijn, antwoordde hij gebelgd maar waardig, doch 'n mensch is geen mier, 'n mensch is een mensch!.. Ja een mensch!... Geen regenwater!... Hij is naar God geschapen!... Zoo is 't! ... De geleerden kunnen ons wijs maken wat zij willen!... Ik blijf bij het geloof, Antoine.
—Maar Papa toch, kreet Marieken.
—Papa heeft gelijk, koos Madame Craen partij.
—Wij moeten tot stof vergaan, probeerde Madame Snepvangers te verzoenen.
—Mama begrijpt mij, draaide Antoine bij. Hij had de tafel vergeten en zag niet in waarom de fraaie, wetenschappelijke bespiegeling niet beviel. Ja, wij moeten helaas tot stof vergaan.
—Ja, dat is zoo, gaf Snepvangers toe, in het besef dat er een eind moest aan komen.
—Ja, rotten moeten wij allemaal, verzekerde ook Craen.
—Papa heeft me verkeerd begrepen, ik ook verbind de wetenschap aan den godsdienst... geloof sluit geen wetenschap uit...
—Ja, 't is wat te zeggen in de wereld, gaf Snepvangers nu berustend toe en begon ditmaal opnieuw te kluiven. Het woord molecule moet ik onthouden, dacht hij, terwijl hij wat appelmoes op zijn bord nam.
—Ik ben neo-thomist, speelde Antoine onverstoord uit.
—Een neo-thomist? vroeg Marieken benauwd.
—Die partij ken ik niet en wil ik niet kennen, weerde Craen zich.
—Gelooven die dat we van de apen afstammen? Vroeg Snepvangers bekommerd, maar bleef voortpeuzelen.
—Dat kan niet, zei Madame Craen angstig.
—Ik wil van geen apen afstammen, weigerde Marieken.
—Neen, maar zij oordeelen... Darwin...
—Och dan is het goed, Antoine, besloot Snepvangers onverschillig, en nam nog een stukje van de borstkas, dan zullen ze wel gelijk hebben.
—Snepvangers, ik geloof dat het nu een goed oogenblik is om petrool-fondsen te koopen... die gaan stijgen, man!
Hierdoor gaf de President het gesprek een andere wending, want hij ook was bevreesd voor de wetenschappelijke invallen van zijn zoon. Hij had verschrikkelijk veel geleerdheid opgedaan, doch Craen sprak liever over koetjes en kalfjes zooals het een gewoon, ordentelijk man past. Antoine benuchterd, liet zijne benarde zaak in den steek, daalde af tot de gemeenschap en sprak over fondsen en beurskoersen.
Snepvangers bewonderde de kundigheden van zijn schoonzoon, maar was toch tevreden, na de zondagsche hoogvliegerij, weer zonder inspanning te kunnen praten met geburen en herbergvrienden.
Tot zijn overbuur voelde hij zich bijzonder aangetrokken. Zoohaast het weer eenigszins beter werd, liet hij 's morgens vroeg zijn spitsken weer de dringende wandeling doen in de straat. Hoe vroeg hij ook opstond, steeds lag de man uit het kousen winkeltje aan den overkant, met gekruiste armen over de halfdeur te loeren en riep hem, immer welgemutst een goeden morgen toe. Hij dampte uit zijn goudsche pijp en hield den steel tusschen de dikke worstvingertjes geklemd. Steeds spuwde hij regelmatig, met pletsend geluid, juist op den kant van het voetpad voor zijn deur. Ssnepvanger kende hem sedert lang als een zwaarlijvig wezen, van gelijkmatig humeur. De vrouw regeerde in den kousenhandel. De baas mocht de vitrien wasschen en de uitstalling van kousen, roode snuifzakdoeken, sajet en garen onderhouuden, soms een boodschap doen uit visschen gaan of bij zijn duiven zitten op zolder. In zijn vrije oogenblikken lag hij maar altijd over de halfdeur te rooken en te spuwen. Snepvangers die jaren de welvarende nering kende, vermoedde wel dat het koppel dikkerds er warmpjes in zat. Zij leefden afgetrokken en vergenoegd, de man wist dat de vrouw de broek droeg, maar 't verhinderde hem niet vermits hij op tijd zijn natje en zijn droogje had. Het huisje was nog antieker dan zijn ouderwetsche bewoners, al was het trapgeveltje weggebroken om plaats te maken voor een kroonlijst. De halfdeur was gebleven om overbuur van zijn gemakje niet te berooven.
Het bleef bij wederzijdsche beleefdheid. Snepvangers had maar gaarne geweten wanneer overbuur opstond; hij deed heimelijk zijn best om eens voor hem te zijn, doch steeds lag de vent, die hem mogelijk doorzag, reeds rustig te rooken en groette hem met een welwillend gegrinnik. Hij slaapt niet, oordeelde Snepvangers, er zijn menschen die niet slapen kunnen omdat zij wat op den lever hebben. Maar het geweten van den man zou wel door niets bezwaard zijn, hij was steeds te vergenoegd. De duiven zullen hem wekken, veronderstelde hij, hij zal juist onder het duivenhok slapen. Hij moet een droge keel krijgen met al zijn speeksel zoo te vermorsen, bedacht hij verder. Nooit had het doen en laten van een mensch zoozeer zijn belangstelling gewekt. Aan de koffietafel zelfs praatte hij over de eigenaardigheden van den buurman, over zijn spuwkracht. Nooit ontvingen de menschen uit het oude kousenwinkeltje bezoek, vertelde Madame, de vrouw, het mafkoeiken, zei geen schamel woord meer dan noodig was in de winkels, en rijk waren zij gewis, want ook het huisje was hun eigendom. Propere, stille menschen, die jaarlijks hun geveltje laten schilderen de deur in eik zetten! Op een voorjaarsmorgen, de zon koesterde reeds warm den spinnenden, grijzen kater vóór het huis van Sander, bood zich de gelegenheid om nader kennis te maken. Spitsken joeg in lente-overmoed achter de poes, die over de halfdeur naast het hoofd van haar meester wegsprong. Snepvangers stak de straat over en zocht zijnen hond te verontschuldigen.
—Dat doet hij anders nooit, Sander.
Neen, schuddebolde de kousenvent, maar hij zei geen woord, verbluft door den plotsen aanval. De mogelijkheid van een gesprek met Snepvangers te voeren had hij nimmer bedacht. Onthust staarde Snepvangers in den klaren hemel, Sander vergat te rooken.
—Schoon lenteweer, teemde Snepvangers.
—Ge wordt weer vetter... ge krijgt weer buik... dat is goed, antwoordde Sander en spuwde tot bevestiging.
—Ja, Sander!
Schuw was hij, hij had berouw den man gestoord te hebben in zijn ochtendbezigheid. Met inspanning en ontzetting zag hij Sander spuwen, prevelde iets en trok zich terug. Eenige dagen gingen voorbij zonder dat hij een poging waagde, hoe toeschietelijk Sander ook glimlachte en lustig knikte wanneer hij aan de deur verscheen. Maar Spitsken joeg weer achter den kater, en het beest wipte weer binnen over de halfdeur.
—Hij kan hem niet krijgen, pochte Sander.
Snepvangers stak de straat over en ging tegen de oude deurlijst leunen, van waar hij aandachtig het waterspel van Sander gadesloeg.
—Ge speekt toch zoo vreeselijk veel, Sander, oordeelde hij vol ontzetting, is dat van 't smooren?
—Bijlange, niet, Snepvangers, ik kan speeken zonder smooren... ik kan altijd speeken als ik aan de deur sta.
—Maar waarom dan toch, Sander?
—Omdat mij dat amuseert!
—Amuseert u dat?
—Ja kolossaal... ik speek nooit in de goot, altijd op 't kantje van den trottoir.
—Wat de zegt!
—Ja, dat is zoo'n gewoonte en ge kunt niet gelooven hoe plezant het is!... ik doe het nu al jaren... en toen ik eens in mijn bed stak met flerecijn was ik ziek omdat ik niet speeken kon!...
—Ge zult te veel speeksel hebben, Sander.
—Dat kan wel, maar ik doe het toch meer om het verzet... ieder mensch heeft zoo'n liefhebberij... gij hebt de politiek gehad, ik speek liever... en loer naar de menschen.
—Ja, gaf Snepvangers verlegen toe.
—Ik loer naar mijn speeksel en naar de menschen, en denk na!...
—Ge zijt 'n filosoof, Sander.
—Dat kan wel, al ben ik er niet zeker van... soms tel ik de keeren dat ik speek, 't zijn cijfers, Snepvangers! Soms zie ik van alles in mijn speeksel, allemaal dingens om te lachen, want ik ben nooit triestig.
—Ik heb u al zoolang in 't oog gehouden, ik was bang dat het speeken een ziekte was!...
—Ik had het wel in de gaten, maar 't is geen ziekte, al zou dat wel kunnen bestaan; de speekziekte! Het komt omdat ik zoo weinig tegen de menschen spreek, weet ge, daarom speek ik. De mond moet toch beweging hebben.
—Dat zal wel, Sander.
—Ik kan maar niet verstaan waarom de steenen niet verslijten!
—Verslijten?
—Ik heb eens gelezen van een steen in een gevangenis, en de steen was door een waterlek uitgesleten, fluisterde Sander geheimzinnig.
—Onmogelijk is het niet, bedacht Snepvangers.
—Maar ik zou nog veel meer moeten speeken om het zoover te brengen, zuchtte Sander, en in den dag heb ik nog wat anders te doen.
De volgende dagen kwam Snepvangers, zonder belet te vragen, leunen tegen den buitenkant der halfdeur. Zijn nieuwsgierigheid was nu bevredigd, maar de belangstelling bleef bestaan voor het onderhoudend spuwen. Zij spraken niet veel, zoo wat over kat en hond, over weer en wind, luisterden naar het tampend klokje der paterkens op de Ossenmarkt. Het gebeurde wel dat Snepvangers aangehitst, betrapt werd dat hij poogde mee te spuwen.
—Niet ver genoeg, keurde Sander af, in de goot, klonk het anders minachtend.
Beschaamd zweeg Snepvangers dan, maar wanneer hij toevallig in den plas kon treffen, dan zegevierde hij:
—'t Is er in, Sander.
—Ge leert bij, moedigde de kousenvent aan, 't is niet zoo gemakkelijk als het wel schijnt... Ge begint er ook al plezier in te krijgen, niet waar?
Zoo ging de lente voorbij en de zwoele zomer woog op de stad. Snepvangers leefde genoeglijk en stil. In De Gaper werd een kleine gaper verwacht en op de gezellige, zondagsche eetpartijen werd haast over niet anders meer gesproken. Antoine en Marieken lazen boeken over kinderkweek, over het verzorgen van zuigelingen, over de verpleging der kraamvrouw, raadpleegden werken over gezondheidsleer voor pasgeborenen en moeders, over de kunst om kinderen op te voeden.
—Dat is de nieuwe tijd, stelde Madame Snepvangers vast. Zij was inschikkelijk nu zij naar hartelust haar leven had ingericht.
—In onzen tijd, meende Madame Craen, werden er zooveel babbelguigjes niet gemaakt, en kinderen kwamen er ook.
—De wetenschap heeft veel verbeterd, verzekerde Marieken.
Craen en Snepvangers profiteerden van de gelegenheid om stillekens naar de kroeg te sluipen. De vrouwen en Antoine zouden dat wel bedisselen, van wetenschappelijken kinderkweek hadden zij geen begrip, en ook het verzorgen van den kindskorf viel buiten hun bevoegdheid. Eens dat zij langer dan naar gewoonte hadden blijven plakken in Het Nachtlicht, kochten zij, om zich te verontschuldigen, een prachtige wieg.
Een morgen in Oogst stond Snepvangers weer aan den buitenkant der halfdeur naast Sander aan den binnenkant. Het zou weer erg warm worden zoodat men niet wist waar kruipen, overwoog Snepvangers.
—Morgen ziet ge mij niet, bedreigde Sander.
—Wat is er gebeurd? ondervroeg Snepvangers verschrikt.
—Er is nog niks gebeurd, maar er gaat iets gebeuren!
—Wat zegt ge, Sander?
—Er gaat iets gebeuren!
Snepvangers keek verstomd naar den talmenden, vergenoegden kousenvent. Deze lachte sluw en pinkoogde.
—Wat gaat er dan gebeuren, Sander?
—Ik ga uit visschen!
—Och anders niet, ontviel het den teleurgestelden Snepvangers.
—Ik ga uit visschen en zal dus niet speeken!
—Wel, wel toch!
—En ik ken iets van visschen! Ik vang baars, brasem, snoek, karpel en paling... Ik weet ze zitten, ik ken de beestjes, ik weet wat ze gaarne eten. Ik heb het leven van de visschen bestudeerd!...
—Ik ook, zei Snepvangers, die niet wou onderdoen in kennis, ik heb ze bestudeerd in het aquarium van de Zoologie.
—Waar? In het aq... wat?
—Ja, daar zitten zij achter glas... en ge ziet ze eten en permentelijk ademen want de luchtblaasjes broebelen boven het water uit.
—Achter glas. Snepvangers, visschen achter glas? Snepvangers, wij zijn goeie vrienden en 'k heb u leeren speeken met plezier, maar ge moet mij niks willen wijsmaken, betoogde Sander ongeloovig.
—Toch is het zoo, hield Snepvangers vol.
—Ik ben wel eens in de Zoologie geweest in mijn jonge jaren, en 'k heb er leeuwen, tijgers, vogels en andere wilde beesten gezien... maar visschen achter glas!... Neen, dat is geen echte visch, dat is zoo'n komieke uitvinding...
—'t Is echt!
—Geloof het niet, Snepvangers, 'k heb er ook vogels gezien, opgevulde vogels... en 't zal wel zoo iets zijn in karton of blik... ze probeeren alles om de menschen te verneuken. En dat gij u laat beetnemen?
—Ge moet eens mee gaan zien, Sander, we zullen eens samen gaan...
—Neen, Snepvangers, dat nooit, ik ben te oud om mij voor den aap te laten houden!...
—Maar Sander toch!
—Gij moet eens met mij gaan visschen, ik zal u eens echte, serieuse visch laten zien.
—Ik wil wel, zei Snepvangers.
—Nog niemand heb ik meegenomen, want ik vertrouw niemand... Maar u, Snepvangers, u zal ik eens leeren visschen... Alleen moet ge mij beloven te zwijgen en u niks meer te laten wijsmaken... Koop uw gerief, en zorg dat ge om drie uur klaar zijt, want we trekken vroeg naar buiten.
—Ik zal klaar zijn, beloofde Snepvangers vermits hij zeer belust was op de nieuwe uitspanning.
In den namiddag voorzag hij zich van zijn gereedschap. Hij kocht een rieten inschuifhengelroede, snoeren, haken, loodjes, kurken dobbers, een wormbakje en een vischmand. Op den koop toe kocht hij een handboekje: De Hengelaar.
Daar hij vroeg wou gaan slapen liet hij de vrienden van de kaarttafel uit Het zwart Paard in den steek. Vlijtig las hij de algemeene beschouwingen over zijn sport en de bepaling van den besten vischtijd:
"De hengelaar is iemand die er nooit tegen opziet, om zich met zonsopgang in het veld te bevinden.
"De sport werkt volgens geneeskundigen kalmeerend op de overspannen zenuwen. In Engeland wordt veel gehengeld door heeren en dames, die veel geestelijken arbeid verrichten.
"De hengelaar moet er steeds naar streven met de politie op goeden voet te blijven.
"De kenner weet bij instinct altijd de beste plekjes op te sporen.
"Door oefening wordt de kunst verkregen.
"De eigenlijke hengelperiode begint met Augustus...
"De visch houdt van een licht gedekt luchtje... maar men lette ook op den wind ..."
Dan las hij hoe men zich moet kleeden. Een kostuum met veel zakken, vetleeren kaplaarzen om natte voeten te vermijden en een regenjas tegen... regen! Daar zou hij moeten overheen stappen, want noch een noch ander had hij in zijn garderobe. Dus ook zijn regenscherm moest hij thuis laten!
Belangwekkend waren de mededeelingen over de voorbereidende maatregelen: het voederen van den visch en de verboden geheimmiddelen. Vooral het aas vergde al zijn aandacht. Wormen, kaas, brood, zoetekoek, aardappel, garnaal, kleine visch van zes tot twaalf centimeters, kikkers! Hij peinsde na, onderbrak zijn lectuur, ging pieren steken in een vochtig hoekje van zijn tuintje, lei ze zorgvuldig in het wormbakje. Dat ik nu geen peterselie heb, betreurde hij, het peterselievocht prikkelt danig hun huid! Het vangen van de verschillende vischsoorten alsmede de wettelijke bepalingen kon hij niet meer doorwerken, dat zou iets voor later zijn, want nu was het bedtijd.
Toen Sander aanbelde stond hij kant en klaar, beladen met zijn vischtuig en zijn boterhammen. De buurvriend was nog erger beladen, men zag het aan zijn uitrusting dat hij een oud visscher van beroep was. Hij droeg een breedgeranden zonnehoed.
Zij togen door de stille stad in den lichtenden ochtend, voorbij het begijnenhof der Roodestraat, langs de Rijnpoortvest, naast het Stapelhuis en de dokken vol schepen en schuiten. Onder weg tjilpten de musschen. Een dronken matroosje lag ergens in een goot zijn roes uit te slapen. Nu en dan zagen zij een politieagent, een douanier of een nachtwaker. Zoo verlaten en stil had Snepvangers de stad nog nooit gezien. Sander voerde hem over bruggen, doorheen een doolhof van houtstapels, tot zij eindelijk, naast een sas, over de brug der Royerssluis, den Scheldedijk optrokken. Voor hen lag de kabbel-klotsende rivier in den morgensmoor, waarop het Licht reeds straalde.
Achter hen lag de stad met de torens en de huizen zonder leven. Rechts, in de laagte, liep breed en diep de donkere gracht van het Noordkasteel, waarvan de groene wallen heuvelend opstaken. Maar hun blikken gingen naar den grooten Scheldeplas, waarin mogelijk zooveel visch moest verscholen zitten! Een paar kleine garnaalknotsen met bruine zeilen laveerden naar de stad, een driemaster lag voor anker achter den hoek. Aan Oosterweel, verscholen tegen den dijk, volgden zij den steenweg door den Polder. Hier, onder den oneindigen hemelkoepel, was het rustig. Zij hoorden alleen het geloei der koebeesten in de weiden en het klimmend gezang der vogels over de groene, bedauwde vlakte. Sander onderbrak door geen onvertogen woord het zwijgen vol verlangende verwachting. Nu trokken zij door binnenwegen tot in 't hartje der groene weiden en der stilte van den vreedzamen ochtend. Eindelijk bleef Sander staan, haalde uit een zijner zakken een sleutel te voorschijn, opende het slot van een hek, trok de slagboom open, wenkte Snepvangers.
—Hoor de leeuwerik klimmen, zei hij en bleef even luisteren.
Nu sprak hij weer, floot een lustig deuntje terwijl hij voorop liep door het vochtige gras. Wanneer hij weer stilstond was het airken uit, en wees hij op een wiel bedekt met waterplanten en kroos.
—Dat is mijn eigen visscherij, en op de weide laat ik geen koeien grazen om de vischkens niet bang te maken!
—Sander dat had ik nooit gedacht!
—'n Mensch moet niet alles aan 't klokzeel hangen, mijn vrouw eet gaarne visch en ik vang hem gaarne... daarom kochten wij grond en water... Maar zwijgen, Snepvangers.
—Ja Sander, en Snepvangers droomde van de verborgen genoegens van den kousenvent.
—Ik speek gaarne, maar ik visch nog liever!
—Dat geloof ik.
—'t Is een oud Scheldewiel, en diep, och zoo diep! Doch wij moeten zwijgen want de visch is zoo slim, hij hoort alles.
Sander bracht zijn hengelroede in orde, liet zachtjes zijn haak zakken tusschen het kroos, lei een steen op het uiteinde van den stok. Daarna monsterde hij de uitrusting van zijn vriend, schoof de stokken op elkaar, bond de snoer aan een zorgvuldig gekozen haak, zag misprijzend op de pieren neer, maar nam toch dit aas, wierp de lijn een paar meter verder te water, en lei weer een steen op den stok. Zonder vrees voor den dauw hurkte hij neer aan den waterkant, nam een platte flesch uit een binnenzak, dronk een slokje, smakte genoegelijk, gaf gemoedelijk knikkend het fleschje aan den buurman.
—'t Is voor de wormen, fluisterde hij, er is niks zoo goed tegen de wormen als een borreltje op de nuchtere maag, vooral in open lucht.
Snepvangers proefde, keek bekommerd naar de dobber.
—Laat dat maar, verzelde Sander, ge kunt zien dat ge van visschen niks kent... zij vinden het zelf wel... als zij ons maar niet hooren...
—Wat gaan wij nu vangen, Sander?
—Wat God belieft! 'n Mensch mag nooit te rap zijn en vooruit willen denken... wat wij vangen dat zullen wij moeten afwachten... soms vangt men veel, soms vangt men niks!
—Maar 'k heb een boeksken gekocht waarin staat hoe men de verschillende vischsoorten moet vangen.
—Een boeksken? Geloof toch vooral geen boekskens! Kunt ge nu in een boeksken leeren visschen of zwemmen? De ondervinding leert het, Snepvangers... Gij hebt dat boeksken toch niet gelezen zeker? Wantrouwde hij.
—Neen, Sander, 'k heb nog geen tijd gehad.
—Ha! dan is het goed... Lees het vooral niet... Daar is niks goed van te verwachten... Beloof me dat ge het niet zult lezen!...
—Als ik u daar plezier mee doen kan...
—Ja, groot plezier, vriend Snepvangers, want als ge het boeksken leest, dan neem ik u niet meer mee... En ik zal u leeren visschen zooals ik u heb leeren speeken, omdat ik u genegen ben... Kom, laat ons nu een boterhammeken eten, want er is niks zoo slecht als nuchter te blijven in de dauw van den Polder!
—Maar de lijnen?
—Laat de lijnen maar liggen ... als wij beet krijgen zullen wij het wel zien... Wij moeten den visch zijn goesting laten doen, weet ge... Dat is slim!...
Zij aten hun boterhammen en dronken een slok koude koffie. De morgen klaarde over den wijden Polder. Een kikvorsch wipte voor de voeten van Snepvangers weg en Sander lachte omdat buurman zoo schrok, maar hij lachte gedempt, als inwendig.
—Hier ben ik nog liever dan aan mijn deur ... hier denk ik niet aan speeken ... ik denk aan mijn jonge jaren, want ik ben ook een boerken uit den Polder... Hier ben ik nog beter gezind dan thuis...
—Ja, het buitenleven, mijmerde Snepvangers, in een opwelling van oude herinneringen.
—Ik houd van gras en water ... en van de beestjes in de natuur... Mijn vrouw houdt alleen van haar winkel ... daarom kom ik hier altijd maar alleen, ... maar ik ben gaarne alleen ... ik ben altijd even blij.
—Hij bijt, kreet plots Snepvangers, die zijn hengelroede zag trillen.
—Ssst! Ssst! Maak toch geen leven! Voorzichtig!
—Maar hij bijt, zeg ik.
—Ja, en nu zal ik hem eens properkens voor u ophalen; een visch ophalen is de groote kunst, moet ge weten....
—Spoed u dan toch, dwong wanhopig Snepvangers.
Traag en behoedzaam stond Sander recht, pakte de hengelroede beet en trok zachtjes-aan. Het drijvertje kwam omhoog, de strak-gespannen snoer volgde, en een spartelende brasem met zilverbruine schubben hing aan den haak. Behendig werd hij op de wal geloodst, losgemaakt en in de vischmand gestopt. De twee visschers hurkten er bij neer, keurden en bewonderden.
—Hij weegt zeker 'n kilo, meende Snepvangers.
—Dat kan, willigde Sander in, ik zeg niet neen of ik zeg niet ja, dat moeten wij wegen!... Leer ik u niet goed visschen? ging hij blijhartig voort, 'k had het anders met zoo'n aas niet durven denken, voltooide hij bekommerd.
—Deugt mijn aas niet?
—Och, wat zal ik zeggen, ja en neen, dat hangt af hoe men het wil beschouwen... mijn aas is natuurlijk beter.
—Ja, dat zal wel, gaf Snepvangens toe, grootmoedig door zijn schoonen inzet.
De vischhaak werd opnieuw van aas voorzien en te water gelaten. Sander zweeg nu, frutselde aan andere snoeren, nachtlijnen die hij in den dag maar plaatste en aan kleine paaltjes vastknoopte, ging dan onverschillig gelukzalig liggen droomen. Hij werd opgeschrikt toen Snepvangers weer beet had. Ditmaal haalde hij een fraaie karper op.
—'k Heb meer last met uw lijn dan met de mijne, verweet hij genoeglijk; uw aas moet toch goed zijn ... men is nooit te oud om te leeren in de visscherij ... of uw plek is beter ... ik moet seffens uw aas eens gebruiken.
—Gebruik gerust, of ge komt nog platzak thuis!
—Och, dat kan den besten overkomen ... schoone visch ... er is ook wel wat geluk bij in 't visschen, kalmeerde hij; er zijn menschen die er niks van kennen en toch vangen.
—Ja, bekende zijn buurman deemoedig.
Nu begon ook Sander beet te krijgen, en de pen van Snepvanger trok telkens weg, zoodat hij voortdurend in de weer was om op te halen en nieuw aas te bevestigen.
—Voor twee visschen is toch te veel!... Maar nu ik er aan denk, Snepvangers, hebt gij een vischverlof?
—Neen, Sander.
—Dan kunt ge in de boet zijn als de veldwachter komt.
—Daar heb ik niet aan gedacht, prevelde Snepvangers onthutst, en de vreugd der vangst was bedorven; gij hebt me niet gewaarschuwd.
—Och, ik dacht dat gij de wetten kendet, lachte de kousenvent en ging voort aan zijn werk.
Snepvangers ging wat achteraf zitten, niets op zijn gemak door de bedreiging met den veldwachter, waardoor zijn plezier bedorven werd. Sander kreeg medelijden.
—Wees maar niet bang, de veldwachter komt wel niet en dan zeg ik maar dat ik met twee lijnen visch... daarbij ik ken hem... ik zei het maar om de aardigheid.
—Een boet is geen aardigheid... Ik wil voor geen vischken op 't tribunaal komen.
—Kom, kom, neem nog een borrel, Snepvangers; weeral baars, nu vangt ge niks meer dan baars...
—Lekkere genever, vergoeilijkte nu ook Snepvangers.
—Straks leggen wij ons gerief op den kant en vangen een uil... Als het te warm wordt, dan bijt de visch toch niet meer... Daarna gaan wij spek met eieren eten bij den boer, dan wandelen wij stillekens naar huis. Zij zullen niet weinig verschieten als ge met zoo'n mand visch thuis komt... Maar zwijgen, zulle... Ik neem niemand mee dan u...
Toen de vischmandjes vol waren, werden de snoeren opgerold en de lijnen uiteengenomen. Men zou eerst eten en dan slapen.
—Meer kunnen wij niet opeten, zei Sander, en ik vang nooit meer dan wij eten kunnen... van weggeven houd ik niet en daarbij ik ken geen menschen.... Overmorgen kom ik opnieuw.. en gij, Snepvangers?
—Als het u niet geneert!
—Zeker niet, met twee is het nog veel plezanter om den weg te korten... kom, nu gaan wij naar de hoeve.
Hier was Sander thuis. In afwachting dat het eten klaar was, liep hij in wagenkot en stal, in schuur en huis. Behagelijk snoof hij de scherpe stallucht op, had plezier in den fellen haan en zijn hennen, in de eendjes en de duiven. Na zich rond gegeten te hebben, gingen zij, achter den boomgaard, tegen een kleine hooiopper liggen slapen.
—'k Wou dat ik thuis een koe kon houden, wenschte Sander.
—Ja, wenschte Snepvangers mee, doch hij voelde wel dat de woorden van zijn vriend hem in zijn slaperigheid ontglipten.
Laat in den middag werd Snepvangers gewekt door een gemeene vlieg, die hem op den neus kittelde. Sander snurkte nog zalig, zoodat zijn vriend hem met tegenzin wekte.
—'t Is tijd, Sander
—'k Lag er juist aan te denken....
Zij keerden langs den dijk, over de bruggen, in het tierig havenleven der stad weer, namen afscheid aan de halfdeur. Snepvangers vond het keffend spitsken alleen thuis. Hij lei zijn vischtuig neer en met het mandje waarin zijn vangst geborgen zat trok hij naar de Torfbrug, want hij veronderstelde dat zijn wederhelft bij Marieken op bezoek was.
In den winkel stond de knecht achter den toog. De man vertrok zijn gelaat, grijnslachte en wees met dwaas gebaar naar de deur der huiskamer. Hij is van lotje getikt of zat, dacht Snepvangers. In de kamer zat Craen, rood van opwinding, te proeven aan een flesch wijn. Spraakloos stond hij op, vulde een tweede glas, tikte prosit en zei:
—'t Is 'n jongen, Snepvangers.
—Wat, 'n jongen?...
—Ja, met al hun boeken over kinderkweek hebben zij zich nog misrekend.
—En Marieken?...
—Alles in orde, Snepvangers, drink maar eens, we zullen ze seffens gaan bezoeken... Ik ben peter, Snepvangers, en 't zal sapperdeboeren feest zijn!
—En ik die uit visschen ging!
—We konden er toch geen hand aan uitsteken... laat uwen visch maar eens zien! Wel, wel! Zelf gevangen, niks uit den vischwinkel?
—Wat denkt ge wel! Hij ademt nog!...
—Kom laat ons nu maar naar Albertken en zijn moeder gaan zien.
De visch werd in de kraamkamer bewonderd, evenals het kind en de moeder. De vrouwen vertelden van het kraambed, Snepvangers bevestigde keer op keer dat de kousevent een "aardige", een zonderling was. Marieken, bleek onder de kanten slaapmuts, lag gelukzalig te staren; Antoine zag verwezen naar de wieg, waarin de boorling te leven lag. De baker eindigde met het gezelschap naar de huiskamer te verwijzen.
Het doopfeest en Mariekens kerkgang gaven aanleiding tot vette familiefeestjes, waarna het dagelijksch leven hernam. Marieken stond weer achter den toog en een kindermeid voerde den kinderwagen straatjes om in de buurt.
Snepvangers had een vischverlof en ging, zoolang het seizoen het duldde, mee uit visschen. Toen het najaar stillekens naar den winter liep, moest hij zich weer bepalen met 's morgens het waterspel van Sander na te kijken dat wel iets van zijn aantrekkelijkheid verloren had. Hij sprak nu dikwijls over Albertken dat reeds slim uit zijn oogjes begon te kijken en zijn grootvader erkende.
—Ge zijt 'n gelukkige vent, Snepvangers, zei eens de kousevent, en voor de eerste maal scheen hij niet vroolijk, gij hebt een dochter en een kindje dat grootvader zal leeren zeggen.
—Ja, Sander!
—Ge weet niet hoe gelukkig gij zijt... de menschen waardeeren niet genoeg wat zij hebben... Wij hebben geen kinderen en zitten moedermensch alleen in onzen ouden dag...
Sander hield op met spuwen, aarzelde nog een oogenblik, ging toen plots zonder groet naar binnen.
De dagen sleten en 't werd telkens avond en tijd om kaart te spelen. De zondag bracht den familiekring samen, en Albertken was de held van het gesprek. Het kind groeide met den dag en allen vonden het schoon, slim en groot.
In het voorjaar, een dag dat het buiïg regenweer, het volle genot der kachel schonk en de huiselijkheid deed waardeeren, vond Madame Snepvangers in de brievenbus het aanlokkend prospectus eener Brusselsche reisagentie. Zij lei het zorgvuldig bij de gazet om na het avondmaal, wanneer het licht ontstoken en het huishouden aan kant zou zijn, het druksel te lezen. De ordelievende vrouw wierp nooit een reklaambiljet ongelezen weg, zat met den bril op den neus en de ongestopte kous in den schoot, aandachtig te spellen. Was het een simpele inval of een lang sluimerend verlangen, dat plots wakker werd?
—Snepvangers, wat moet dat Zwitserland toch schoon zijn!
—Ja, zei Snepvangers, die rustig in zijn zetel zat te rooken.
—Wij hebben gewerkt en gespaard en niks van de wereld gezien!...
—Ja!...
—We moesten toch ook eens een reis naar Zwitserland doen in den zomer.
—Och!
—Veel geld kost het niet en de gidsen zorgen voor alles, tot zelfs voor het drinkgeld.
—Och!
—De hooge bergen vol sneeuw, die schoone valleien en meren... die koeikens met bellekens aan den hals, dweepte madame.
—Maar Mama toch, bracht Snepvangers verbluft in 't midden.
—Ja, vóór ik sterf wil ik Zwitserland gezien hebben, bekende Madame in vervoering, en gij gaat mee, zei ze verteederd, want zonder u zou ik niet gerust zijn tusschen al die vreemde menschen in de hotels.
—Waar zijn uw gedachten toch, Mama, Zwitserland ligt zoo ver van hier.
—Lees het zelf maar eens... het staat er allemaal in!
Snepvangers las en zei geen woord meer. Tegen den wil van zijn vrouw kon hij niets doen, en 't was nog geen zomer. Maar Madame sprak weldra over niets anders meer dan over Zwitserland. Stilaan begon Snepvangers er ook minder tegen op te zien, zijn bezwaren vielen weg, de reislust werd ook in hem gewekt en de prospectus begon ook hem aan te lokken. Hij nam den kousenvent in zijn vertrouwen, sprak hem van zijn reisplan.
—Niet doen, Snepvangers.
—Waarom niet, Sander?
—Niet doen, zeg ik.
—Maar waarom niet?
—Als ik u 'n raad mag geven, blijf dan in uw straatje, ge gaat u weder onnoodig moe maken om sneeuwbergen te zien... wat hebt ge nu aan sneeuwbergen en koeien met bellekens rond den nek?... Niks! En er kan een ongeluk met den trein gebeuren, dat leest ge toch dagelijks in de gazet... Ge kunt in een afgrond vallen en morsdood zijn! Ge kunt bestolen worden... Ge slaapt niet in uw eigen bed... De Zwitsers zijn natuurlijk slimme vogels die hun land laten zien om centen te winnen... Ik zeg, als vriend, niet doen! Maak u toch niet onnoodig muug, 't is overal hetzelfde in de wereld... de menschen eten en slapen... de zon komt op en 't wordt er nacht... sneeuwbergen kan ik in de wolken zien!
—Maar mijn vrouw wil absoluut Zwitserland zien!
—Dan is er geen zalf aan te strijken, jongen, dan is er niets aan te doen, dan moet ge naar Zwitserland... Ik zie er niks goed in... als het u maar niet berouwt.
Hij knikkebolde bedenkelijk en spuwde met geweld. Heel zijn wezen drukte afkeuring uit.
—Dat verandert de zaak, als ik dat geweten had... zoo, zoo, uw vrouw wil naar Zwitserland... awel, goede reis!...
Na dit beslissend onderhoud begon Snepvangers over de voorgenomen reis te praten in "Het Zwart Paard". De stamgasten bespraken de gebeurtenissen even hartstochtelijk alsof zij zelf den grooten tocht gingen ondernemen. Een meubelmaker was eens met een pleziertrein naar Parijs geweest. Een boodschapper uit de Rozenstraat toonde buitengewone belangstelling. Wanneer de anderen weer door het kaartspel of de teerlingen in beslag werden genomen, bleef hij geduldig luisteren naar den omslag en de herhalingen van Snepvangers uitleg, 'n Verstandige vent, oordeelde hij, spijtig dat hij het niet verder gebracht heeft in de wereld!... Gelukkig dat zijn vrouw, die met visch leurt, ruim den kost helpt verdienen!
Craen en zijn vrouw hadden na lang aarzelen geweigerd mee te gaan, zij zagen op tegen het lange treinrit en bleven liever in de nabijheid van Albertken, Er werd geschreven aan de reisagentie, zij ontvingen bericht dat het geld was toegekomen en het vertrek uit Brussel vastgesteld op 20 Juli. De laatste dagen vóór het vertrek brachten beslommeringen van allen aard. Spitsken werd besteed bij Craen, nieuwe reiszakken werden gekocht en gevuld met nieuwe spullen, afscheid werd genomen van de kinderen en Albertken, van de kennissen.
De kousenvent, die niet meer over de reis gesproken had, werd niet vergeten. Hij zou een oogsken in 't zeil houden en met Marieken waken op het huis. Snepvangers had zijn waarden, eigendomtitels en fondsen, goud en zilverwerk veilig geborgen in een brandkast op de bank. Alleen Mijnheer nam zijn hologie mee.
Toen zij 's namiddags reisvaardig stonden, sloten zij water- en gasleiding zorgvuldig af, speetten hun touristen herkenningsteeken op de borst en togen, zwoegend onder hun handkoffers, naar het station. Gelukkig dat een gids hen opwachtte in de spoorhalle te Brussel! Slechts tweemaal hadden zij zich in de hoofdstad bar kunnen vervelen in hun leven: aan die stad vonden zij als treffelijke sinjoren geen aardigheid.
Snepvangers ontving de reisboekjes, en zij volgden den gids naar den doorgaanden trein. Daar zaten zij nu in een tweede klassewagen te wachten op het vertrek, een beetje verslagen door eigen durf en ongemakkelijk in hun reiskleederen.
—'t Is toch gemakkelijk reizen, verklaarde Madame zelfgenoegzaam.
—Nu zijn wij op weg naar Zwitserland, zei Snepvangers flauw.
Andere dragers van het herkenningsteeken stapten in, maar de gids hield zorgvuldig een plaatsken open. De deuren waren reeds toegeworpen, toen hijgend een dik vrouwwensch zich binnen werkte.
—Oef, is me dat zoeken!...
—Jezus! Maria! fluisterde Madame Snepvangers haar echtgenoot in het oor, dat is Mie Verbinnen uit de Rozenstraat... En die gaat ook mee naar Zwitserland.
Snepvangers verschrok, bekeek in grenzenlooze verbazing het opgedirkt vischwijf dat vóór hen neerzat. De vrouw van den boodschapper was blootshoofds, een fluweelen jurk vol kanten volants omspande haar zware borsten, een zijden voorschoot hing over haar gemooireerden rok, en gelakte schoentjes had zij aan de voeten. Op haar schoot hield zij een zwart teenen korf, een reuzenkabas!
—Wel, wel, Mijnheer en Madame Snepvangers, eindelijk heb ik u gevonden... in Antwerpen zijt ge mij ontsnapt, maar nu laat ik u niet meer los...
—Waarom? vroeg Madame angstig.
—Och mensch lief, ik versta geen woordje Fransch, enkel Antwerpsch... en 'k dacht bij mezelf, die brave menschen zullen mij wel helpen... Mijn vent sprak van niks anders dan van Zwitserland... en toen dacht ik: dat moet ik toch ook eenns zien... 'n mensch moet toc ook eens van het leven profiteeren en wat verder gaan dan naar de kermis van Contich!... En als ge geen kinderen hebt, kunt ge er wel een 215 franken aan besteden om Zwitserland te zien met den Riga er bij ...
—Rigi, verbeterde Snepvangers voornaam.
—Rigi of Riga is voor mij hetzelfde als het maar geenen Zwanengang is!... Ik wil ook eens reizen gelijk chik volk!...
Het gefluit van de locomotief onderbrak haar, de trein ging traagjes vooruit, versnelde en joeg dan voort met dommelend geluid. De medereizigers begluurden het vreemdsoortig drietal.
—'t Is toch gemakkelijk op de kussens zitten in plaats van met vischkorven door Antwerpen te sjouwen, zei Mie, mijn vent zal er eentje meer pakken nu ik weg ben en hem aan zijn lot moest overlaten.
Een der medereizigers gichelde in zijn hoekje, de twee dames keken strak door het ander raampje. Snepvangers werd rood van ergernis.
—Alleen zou ik het nooit geriskeerd hebben... maar toen ik wist dat twee deftige menschen uit de buurt meegingen heb ik mijn kaartje maar besteld.
Madame zat verslagen. Snepvangers nam geen verder notitie van de opdringerige vischleurster.
—De trein stopt slechts te Luxemburg, te Straatsburg, te Mülhausen en morgen vroeg om half zes zijn wij te Bazal... daar drinken wij koffie, zei Snepvangers.
—Ja, fluisterde Madame, die niet wist waar de blikken te vestigen en ten slotte naar buiten keek, naar het wisselend avondlandschap.
—Ben ik van geenen tel, Madammeken, kent ge mij niet meer?... Ik ben Mie Verbinnen uit de Rozenstraat, ik leur met visch en mijn vent speelt 's Avonds kaart met Mijnheer in Het Zwart Paard, op de Paddegracht. Waar of niet waar, Mijnheerken?
Sprakeloos en nijdig zaten man en vrouw voor haar.
—Maar Seminis kinderen toch, die spreken nu geen gebenedijd woord... plezant gezelschap om mede te voyageeren... Of is 't uit hoovaardigheid dat gij mij niet wilt kennen?... Wel, fijne Mijnheer, zijt gij uwen tijd vergeten?... En dat heeft in den gemeenteraad willen zitten... zeker om ook te zwijgen!... Maar dat kan ik ook... Ik had een lekker stuksken visch meegebracht om u te trakteeren, maar als gij het zoo verstaat dan vreet ik alles zelf op!...
Triomfantelijk opende zij haar kabas en begon te smullen. Madame bemerkte terluiks dat de gebakken pladijs er appetijtelijk uitzag. Mijnheer keek naar de nieuwe reiszakken in het net boven Mie. Dat wijf kwam nu het spel verbroddelen, het plezier bedreven! Wat moesten de medereizigers van hen wel denken! De trein zong en dommelde, en nu en dan klonk een waarschuwend gefluit. Sander had gelijk, zij hadden maar liever moeten thuis blijven, in hun bed slapen in plaats van in den trein. Madame knabbelde nu voorzichtig aan een reepje chocolade. En al die ellende zou veertien dagen duren, veertien dagen lang zouden zij geplaagd zijn met dat vischwijf! En in dezen wagon was het rooken verboden.
Het schemerde nu en plots werd het treinlicht ontstoken. Ginder verre was nog een kleurige weerschijn van de zon na haar ondergang. Dan kwam de nacht, de donkere, lange nacht. Mie, moe gegeten en gedronken, sloot haar mandje, veegde zich welgevallig den mond af, zei giftig:
—Slaapt wel, fiere Madame en fijne Mijnheer, maar ik ben bij u en blijf bij u... ik laat u niet meer los... en wij zullen eens zien wie het langst kan koppen. Zoo'n twee poesjenellen heb ik nog nooit op 't Vlaamsch theater gezien.
Zij vleide zich in haar hoekje, kruiste de armen op den kabas en sloot de oogeen. Even had de trein gestopt joeg nu weer voort, rusteloos voort door den nacht. Het licht door een gordijn getemperd schemerde vaag over de slapende Mie, de knikkendebollende Madame, den heer en de twee dames. Snepvangers kon niet slapen van verbeten woede. En er was niets tege te doen, zij had haar reis betaald en zou hen op de hielen volgen. Het treffelijk volk zou zich van hen afwenden en hem en zijn vrouw op den koop toe nog uitlachen. Hij zou den gids raadplegen over wat hen te doen stond. Dat gemeen wijf!