WeRead Powered by ReaderPub
Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag cover

Minnebrieven; Over Vrijen-Arbeid in Nederlandsch Indië; Indrukken van den dag

Chapter 2: Eerste geschiedenis van Gezag.
Open in WeRead

About This Book

A varied collection of intimate letters, satirical sketches, and polemical essays that oscillate between personal reflection on affection and domestic hardship and fierce social critique of free-labor policies in the colonies. Writings shift from conversational, often ironic observations of everyday life and human vanity to direct attacks on political hypocrisy and economic injustice, mixing rhetorical fervor, moral urgency, and lyrical passages. The arrangement alternates correspondence, topical commentary, and impressionistic dispatches to illuminate private feeling alongside public wrongs.

Eerste geschiedenis van Gezag.

—Broeder, gy die grooter zyt dan ik, kunt ge de granaat bereiken, die daar tusschen die vuurbloemen in ’t groen, my aanlacht met geopende lippen, als ’n wenkend meisje? Zie, zy is gebersten van rypheid, en gloeiend rood is de rand van de wonde die zyzelf zich sneed om my te behagen! Ik heb lust in dien granaatappel, myn broeder! Gy, die grooter zyt dan ik, steek uwen arm uit, en pluk opdat ik ete.

En de broeder deed alzoo, opdat de jonger broeder eten zou.

En de oudste ging naar het veld, en zag ’n berggeit die afdaalde in de laagte, en haar jong zocht.

Hebt gy niet myn lam gezien, vraagde zy den leeuw, gy die de vlakte bewoont, en, beter dan ik, de wegen kent in het effen veld, zoo vermoeiend voor my, omdat m’n hoef gespleten is!

—Laat uw jong, uw jong ... uw lam, uw lam, zei de leeuw, en kom hier, opdat ik u verslinde.

En de leeuw deed alzoo.

Maar de oudste broeder vraagde aan den leeuw:

—Wat is dit, dat gy de geit eet, die haar jong zocht?

—Ge hebt gehoord hoe zy klaagde over de ongeschiktheid van hare hoeven, antwoordde de leeuw. Deed ik niet recht haar te eten? Zie myn klauwen, die geschikt zyn! Zie de geschiktheid van m’n tanden. Daarom at ik de geit.

De jongeling dacht na, en bezag z’n armen, die lang, sterk en fors waren. Hy vond die zoo geschikt ... dat hy zich voornam z’n jonger broeder te dwingen tot dienst.

En toen deze hem weder verzocht vruchten te plukken, antwoordde hy:

—Zie myn armen. Hebt ge niet gezegd dat de uwen niet reiken tot de granaat? Dien my, opdat ik u niet verslinde.

Van toen af diende de jongste broeder den ouderen. Maar hy verheugde zich niet over de ontdekking die deze te danken had aan den leeuw.

En dit is alzoo gebleven tot op dezen dag.