Hapi.
Wat zijn verschijning betreft, bezit Hapi tegelijk mannelijke en vrouwelijke karaktertrekken, terwijl deze laatsten dan een aanwijzing zijn voor zijn voedingskracht. Als god van den Noordelijken Nijl draagt hij een kroon van papyrus en als god van het Zuidelijk deel der rivier, een van lotus-planten.
Deze twee vormen van Hapi zijn een gevolg van de aardrijkskundige verdeeling van het land in Boven- en Beneden-Egypte en soms worden zij tot één figuur vereenigd, wanneer men den god met beide planten in zijn hand ziet. Op de kronen van sommige Pharaohs vinden wij dikwijls den lotus en papyrus met het zinnebeeld der vereeniging verbonden, om de souvereiniteit van den vorst over beide streken aan te duiden.
De werkelijke positie van Hapi maakte het zeker, dat hij, als godheid, succes zou hebben. Het geheele land richtte het oog naar den Nijl, als de bron van alle rijkdom en voedsel, zoodat de god, welke dezen beschermde, snel in de achting van allen rees. Aldus werd Hapi snel met de grootere en meer uitstekende figuren in de oude Egyptische mythologie vereenzelvigd.
Op deze wijze kwam hij op gelijke lijn te staan met de groote, oorspronkelijke goden, die de wereld geschapen hadden en ten slotte beschouwde men hem als den maker en vormer van alles in het heelal. Wij vinden hem met de attributen van Nu, de oer-watermassa, voorzien en deze omstandigheden maakten hem inderdaad een vader van Ra, die uit dat element te voorschijn gekomen was.
Hapi stond in meer onmiddellijk verband met de Egyptenaren, dan bijna ieder ander god in het pantheon. Zonder de zon zou Egypte in duisternis gehuld zijn, doch zonder den Nijl zou ieder levend wezen op zijn oevers zonder twijfel te gronde gegaan zijn.
De omstandigheid verder, dat de bronnen van den Nijl aan de Egyptenaren onbekend waren, brachten er veel toe bij om een mysterieus waas om de godheid van deze rivier te weven. Het volk kon het rijzen en val van de rivier niet begrijpen, daar het hen toescheen, dat deze onder bovennatuurlijke auspiciën plaats hadden.
Bij gelegenheid van den jaarlijkschen was van den Nijl werd ter eere van Hapi een groot feest gevierd en beelden van dezen god werd door de steden en dorpen gevoerd.
Het is opmerkelijk, dat in verschillende mythologieën, goden der vruchtbaarheid, door het rondvoeren van hun beelden door de straat, geëerd worden en het is eenigszins moeilijk in te zien, waarom dit geschiedde. Men kan echter niet beweren, dat alleen goden, die op het landbouw betrekking hebben, aldus werden rondgevoerd, maar men kan opmerken, dat dezen het meest van allen dergelijke eerbewijzen ontvingen.
Tegenhangsters van Hapi.
Isis werd in zeker opzicht als de tegenhangster van Hapi beschouwd, doch wij vinden eveneens, dat in het Noorden van Egypte de godin Natch-ura als de gezellin van Hapi werd beschouwd en dat Nekhebet, in het Zuiden, dezelfde functie bekleedde.
De volgende Hapi-hymne, in een papyrus, uit den tijd van de 18e of 19e dynastie, doet het gewicht van zijn vereering in Egypte ten duidelijkste uitkomen; deze luidt aldus:
“Eer zij U gebracht, U, Hapi, Gij verschijnt in dit land, en Gij komt in Vrede om Egypte het leven te geven. Gij zijt de verborgene, de gids in de duisternis, op den dag, waarop het U aangenaam is, den weg te wijzen. Gij zijt de bevochtiger van de velden, welke Ra geschapen heeft, Gij geeft het leven aan de dieren, gij maakt, dat het geheele land onophoudelijk drinkt, wanneer gij van den hemel afdaalt. Gij zijt de vriend van brood en van Tchabu, gij maakt, dat Nepra in kracht toeneemt, gij maakt iedere werkplaats voorspoedig, o Ptah, gij heer der visschen; wanneer de overstrooming komt, strijkt geen watervogel op de velden, welke met tarwe bezaaid zijn, neer.
Gij zijt de schepper der gerst en gij maakt, dat de tempels in stand blijven, want millioenen jaren is de rust van uw vingers voor U een afschuw. Gij zijt de heer der armen en behoeftigen. Indien gij in den hemel overweldigd zoudt worden, zouden de goden op hun gezicht vallen en menschen zouden omkomen. Gij maakt dat de geheele aarde door het vee geopend wordt en vorsten en landbouwers liggen neer en rusten.
Uw gestalte is die van Khnemu. Wanneer Gij op aarde schijnt, stijgen er kreten van vreugde op, immers iedereen is verheugd en elk krachtig man ontvangt voedsel en ieder land wordt van voedsel voorzien. Gij zijt de brenger van voedsel, gij hebt de macht over eten en drinken, gij zijt de schepper van alle goede dingen, de heer van het hemelsche voedsel, aangenaam en heerlijk. Gij laat het voedsel voor het vee groeien en gij let op datgene, wat aan iederen god geofferd wordt. De uitgezochte wierook volgt U. Gij zijt de beheerscher der twee landen. Gij vult de voorraadschuren, gij stapelt de graanzolders hoog op met koren en gij let op de aangelegenheden van de armen en behoeftigen. Gij laat het gras en de groene kruiden wassen, om de verlangens van allen te stillen en gij wordt daardoor niet verkleind. Gij maakt, dat uw sterkte een schild van den mensch is.
Nut.
De godin Nut was de dochter van Shu en Tefnut, de vrouw van Geb en de moeder van Osiris en Isis, Set en Nephthys. Van tijd tot tijd zijn waarschijnlijk een groot aantal andere godinnen in haar opgegaan.
Zij is echter de personificatie van de lucht, bij dag, terwijl een zekere Naut de lucht van den nacht voorstelt, doch deze onderscheiding dateert van veel vroeger Zij werd in werkelijkheid de tegenhangster van Nu en stelde de groote watermassa, waaruit alle dingen in den beginne ontstonden voor, zoodat Nut, de vrouw van Nu, en Nut, de vrouw van Geb, een en dezelfde zijn. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die een vaas met water op haar hoofd draagt en dit is een aanwijzing voor haar karakter. Soms draagt zij de horens en schijf van Hathor, doch zij heeft nog verschillende andere gedaanten als de groote moeder van de goden.
Hare meest voorkomende verschijning echter is die van een vrouw, welke op handen en voeten rust, met gebogen lichaam; op deze wijze stelt zij de lucht voor. Haar ledematen zijn een voorstelling van de vier zuilen, op welke men veronderstelde, dat de lucht rustte.
Oorspronkelijk dacht men, dat zij op Geb, de aarde, steunde, toen Shu haar uit deze houding deed oprijzen. Deze mythe is onder de inboorlingen van Amerika niet zeldzaam, in andere gedaante echter, daar de lucht gewoonlijk de plaats inneemt van den oer-vader en de aarde die van oer-moeder. Gewoonlijk worden dezen door de scheppende godheden gescheiden, juist zooals Geb en Nut, en de allegorie is een voorstelling van de scheiding van de aarde en de wateren, welke zich boven haar bevonden en van de schepping der wereld.
Volgens een andere mythe gaf Nut dagelijks het aanschijn aan den zonnegod en deze ging over haar lichaam, dat een voorstelling der lucht is. In een ander verhaal stelt men het voor, dat hij langs haar rug gaat. De ledematen en het lichaam der godin zijn met sterren bezaaid.
Bij een andere schilderachtige beschrijving van Nut zien wij een tweede vrouwelijke gestalte binnen de eerste afgebeeld en in deze laatste weer het lichaam van een man, de twee laatsten in overeenstemming met de halfronde gedaante van de godin der lucht.
Men legt deze afbeeldingen aldus uit, dat de twee vrouwen de lucht van den dag en den nacht voorstellen, doch van het lichaam van den man geeft men zich geen rekenschap; wellicht stelt dat de Duat voor.
Op een andere plaats lezen wij, dat Nut in een groote koe veranderd werd en herhaaldelijk wordt zij in deze gestalte afgebeeld. In het Boek der Dooden lezen wij, dat de gestorvenen zich op haar verlaten, om frissche lucht te krijgen in de onderwereld, daar men geloofde, dat zij over de wateren hiervan de heerschappij voerde.
Zij bezat een heilige boom, een wilde vijgeboom, welke zich te Heliopolis bevond; aan den voet van deze werd de slang Apep door de groote kat Ra gedood. De takken van dezen boom werden als een toevluchtsoord voor de vermoeide gestorvenen, in den middag, gedurende den zomer beschouwd en in de schaduw van dezen werden zij door het voedsel, waarvan de godin zelf leefde, verkwikt.
Door de priesters te Denderah werd verzekerd, dat Nut uit hun stad afkomstig was en dat zij daar de moeder van Isis werd. Haar vijf kinderen, Osiris, Horus, Set, Isis en Nephthys werden op de 5 dagen geboren, welke aan de 360 toegevoegd waren. Evenals in Mexico, waren sommige van dezen ongeluksdagen.
Nut neemt in de onderwereld een voorname plaats in en de dooden dragen er zorg voor, de plichten jegens haar nauwkeurig te vervullen, waarschijnlijk om voldoende lucht te krijgen. Haar gunst vernieuwde inderdaad hun lichamen en zij waren in staat op te staan en iederen dag met den god te reizen, evenals Ra, de zoon van Nut. Een afbeelding van de godin werd dikwijls op het deksel der lijkkist geschilderd, om zich van hare bescherming te verzekeren en dit werd zelden bij de Egyptische begrafenisplechtigheden nagelaten.
Taurt.
Men beeldt Taurt gewoonlijk als een nijlpaard, dat op zijn achterste pooten staat, af, terwijl zij in haar hand een amulet houdt, waarvoor men tot nog toe geen verklaring heeft kunnen vinden.
Taurt.
Op haar hoofd draagt zij de zonneschijf en twee lange veeren. Op sommige afbeeldingen ziet men haar in menschelijke gestalte, met de horens van een koe voorzien, zooals deze door alle Egyptische godinnen gedragen worden.
Zij werd als de moeder en voedster der goden beschouwd en had een tegenhangster in Apet, de nijlpaard-godin van Thebe, van welke sommige geloofden, dat zij de moeder van Osiris was. In later tijd was Taurt onder den naam van Rert, of Rerert, bekend, het vrouwelijke nijlpaard, doch ook werd zij met Isis, Hathor, Bast en andere godinnen geïdentificeerd.
Haar beeltenis in faience was een zeer geliefkoosde amulet en deze was minstens even populair als die van Bes. Men kan zelfs figuren, welke een copie van die van Taurt schijnen te zijn, zien op Myceensche muurschilderingen, zoo wijd en zijd was haar faam verspreid.
Men geloofde verder, dat zij de wachteres van den berg van het Westen, waarover de weg naar den Hades leidde, was. Het is zeer waarschijnlijk, dat zij van totemistischen oorsprong was. Haar populariteit schijnt onder het Nieuwe Rijk het grootste geweest te zijn en ook in later tijd nam deze nog toe.
Hekt.
Hekt, de godin met den kop van een kikvorsch, werd voor de vrouw van Khnemu gehouden, hoewel men haar wellicht als een vorm van Hathor beschouwen mag. Haar karakter is door schrijvers over Egyptische mythologie niet zeer duidelijk gemaakt, doch de omstandigheid, dat zij met den kop van een kikvorsch afgebeeld wordt, toont duidelijk, dat zij met het water in verband gebracht werd en aldus met de kracht der vruchtbaarheid. Ook schijnt zij met de goden der groeikracht vereenigd te zijn.
Vele graangoden zijn tevens goden der wederopstanding en wedergeboorte. Bij gelegenheid van het feest van een zekere Mexicaansche maïs-godin, werd een kikvorsch op een korenschoof geplaatst, als zijnde het symbool van de godin.
Het zou een weinig te gewaagd zijn, Hekt met de Grieksche Hecate, die misschien een maangodin was en als zoodanig met het water verbonden, te vereenzelvigen. Het is echter opmerkelijk, dat Farnell meent, dat Hecate uit Thracië ingevoerd is. Zij is, natuurlijk, eveneens de godin van de onderwereld, evenals Osiris, de maangod, de god van den dood was. Zij werd ook bij de mysteriën van Samothrace vereerd en dezen waren Egyptisch van oorsprong. Wij vinden verder, dat Hecate eveneens een godin der vruchtbaarheid was.
Khonsu.
Khonsu was een maangod en als zoodanig dikwijls met Thoth geïdentificeerd. Te Hermopolis en te Edfû werden deze twee goden soms zelfs met elkander vereenigd, onder den naam van Khonsu-Thoth. De naam wordt afgeleid van den stam khens, doortrekken en laat ons zien, dat hij de reiziger was, die des nachts langs den hemel ging.
Khonsu.
Hij wordt met den kop van een havik afgebeeld, gekroond met den maansikkel en de zonneschijf. Ramses III bouwde voor hem, te Thebe een grooten tempel, tusschen die van Amen en Mut. Hij had twee verschillende vormen: Khonsu in Thebe Nefer-hetep en Khonsu, de uitvoerder van plannen.
De Grieken vergeleken Khonsu met Heracles, waarom, is moeilijk uit te maken. Soms verwarden de Egyptenaren hem met Horus, Shu en Ra en dit zou kunnen bewijzen, dat hij een zonnekarakter aan kon nemen, zooals ook door den havikkop aangeduid wordt. Misschien werd Khonsu, oorspronkelijk een maangod, later een zonnegod, toen de maankalender overging in, of in den steek gelaten werd voor de zonnetijdrekening.
Het volgend verhaal is een aanwijzing voor de heelende kracht van Khonsu:
De Prinses en de Demon.
Onder de regeering van koning Ramses waren er zeer vele schoone vrouwen in Egypte, doch de dochter van den vorst van Bekhten, een van de vazallen des konings, was de bevalligste van allen.
Slank, schoon gevormd, met fijne gelaatstrekken, bestond er op aarde niets, dat haar in schoonheid kon evenaarden, daarom vergeleken de menschen hare schoonheid met die van Amen-Ra, den zonnegod, den god van het licht van den dag.
Nu was koning Ramses een groot veroveraar en een zeer krachtig man, die onder zijn vazallen vorsten had, die niet gering van aanzien waren. Deze laatsten kwamen ieder jaar naar Naharaina, aan de uitmonding van den Euphraat gelegen, om hun opperheer hun hulde te bewijzen en hem schatting op te brengen. Groot was de schatting, welke de koning ontving, want iedere vorst, die zich voor hem boog, werd door een stoet van slaven vergezeld, die schatten aan goud, kostbare edelgesteenten en welriekend hout, kortom, de meest uitgelezen voorwerpen, welke hun gebied kon aanwijzen, droegen.
Bij een dergelijke gelegenheid waren Ramses en zijn vorsten te Naharaina verzameld en de vazallen wedijverden met elkander in het aanbieden van schitterende geschenken. De vorst van Bekhten echter had een geschenk, dat dat van alle andere overtrof, want hij had zijne schoone dochter medegebracht, zij, wier schoonheid aan die van Ra gelijk was.
Zoodra de koning haar zag, vatte hij terstond een vurige liefde voor haar op en verlangde haar tot zijn vrouw te maken. Om de rest der schatting bekommerde hij zich in het geheel niet en de eerbewijzen van de overige vorsten waren hem lastig. Hij huwde hierna de prinses en gaf haar een naam, welke beteekent: “Schoonheid van Ra”. En toen zij naar huis teruggekeerd waren, vervulde de koningin haar koninklijke plichten en werd door haar gemaal en haar volk bemind.
Nu geschiedde het eens, dat bij gelegenheid van het feest ter eere van god Amen, wanneer de heilige bark in de hoogte wordt gedragen, opdat allen haar zien kunnen, de koning en de koningin zich naar den tempel van den god begaven, om hem de gebruikelijke eerbewijzen te brengen. Terwijl zij bezig waren den god hun hulde te bewijzen, kwamen dienaren met het bericht bij den koning, dat een bode van den vorst van Bekhten buiten wachtte en hem wenschte te spreken. De koning liet hierop den bode binnentreden. Prachtige geschenken bracht hij van den vorst voor diens dochter, de Groote Koningin, mede, en terwijl hij voor den koning een zeer diepe buiging maakte, sprak hij:
“O Koning, de kleine zuster van de Groote Koningin is ziek. Ik verzoek U daarom een geneesheer te zenden, om haar van haar kwaal te genezen”.
Daarom riep de koning zijn wijze mannen bijeen en beraadslaagde met hen, wien zij zouden zenden, om de zuster van zijn vrouw van de ziekte te bevrijden. Ten slotte wezen de wijze mannen een van hen aan, een schrijver, Tehuti-em-heb genaamd; deze werd met algemeene stemmen uitgekozen, om den bode van Bekhten te vergezellen, en daar aangekomen, de zuster van de koningin, Bent-reshy, te genezen.
Maar helaas, toen zij het gebied van den vorst van Bekhten bereikten, vond Tehuti-em-heb, dat de demon, die de oorzaak van de ziekte van de prinses was, te machtig was, om door zijn kunst uit haar lichaam gebannen te worden. Toen de vader van het meisje hoorde, dat de Egyptische schrijver machteloos was, den demon te verdrijven, verviel hij tot wanhoop. Tehuti-em-heb stelde hem echter zooveel mogelijk gerust en ried hem aan, nogmaals een bode naar Egypte te zenden, om de tusschenkomst te verzoeken van Khonsu, den duivelbanner, ten behoeve van zijn dochter. Daarom zond de heerscher van Bekhten nog een anderen bode naar het hof van Ramses.
Het land van Bekhten nu was ver verwijderd van Egypte en de reis daarheen duurde één jaar en vijf maanden. Toen de bode van den vorst van Bekhten Egypte bereikte, vond hij Ramses in Thebe, in den tempel van Khonsu, want het was in de maand, welke aan dien god gewijd was. De bode boog voor den koning en bracht hem de boodschap van den vader der koningin over. In den tempel te Thebe bevonden zich twee beelden van god Khonsu, een genaamd Khonsu van Thebe Neferhetep en de andere Khonsu den duivelbanner en beide stelden den god als een schoon jongeling voor.
Ramses naderde Khonsu in Thebe Neferhetep en smeekte hem, dat hij Khonsu, den duivelbanner zou toestaan, naar het land van Bekhten te gaan, om Bent-reshy, de kleine zuster der koningin, te genezen.
Khonsu in Thebe Neferhetep boog, ten teeken van goedkeuring en gaf aan den duivelbanner zijn bescherming. Toen dit gedaan was, werd Khonsu, de duivelbanner naar Bekhten gezonden, door een groot gevolg, dat een koning past, vergezeld.
Zij reisden een jaar en vijf maanden en ten slotte bereikten zij het land van den vader der koningin. De vorst zelf en zijn geheele volk haastten zich Khonsu te begroeten, hij knielde voor hem neer en begiftigde hem rijkelijk met geschenken, zooals hij aan den Egyptischen koning zelf gegeven zou hebben.
Intusschen had de ziekte van de prinses onverminderd voortgeduurd, want de demon, die haar in zijn macht had, was zeer machtig. Toen echter Khonsu naar haar kamer gebracht werd, zie, daar werd zij terstond beter, tot groote vreugde van haar vader en zijn hovelingen. De demon, die haar lichaam verlaten had, erkende Khonsu als zijn meerdere en zij, die dichtbij stonden, hoorden deze samenspraak tusschen de twee:
Het meisje van Bekhten.
Evelyn Paul.
“O Khonsu”, zei de geest, “ik ben Uw slaaf. Indien Gij beveelt, dat ik van hier ga, zal ik gaan. Doch ik smeek U, verzoek den vorst van Bekhten een feestdag en een offer voor mij in te stellen. Dan zal ik in vrede gaan.”
“Het zal gebeuren, zooals gij gezegd hebt”, antwoordde Khonsu en hij beval den vorst van Bekhten een ofter en een feestdag voor den demon, die Bent-reshy in bezit gehad had, te maken.
Het eerst bracht het volk een groot offer aan Khonsu, den duivelbanner, daarna een aan den demon, die daarom in vrede vertrok.
Toen deze weggegaan was, werd het gemoed van den vorst zeer beangst, want hij dacht: “Misschien zal hij weer naar ons land terugkomen en het volk kwellen, evenals hij mijn dochter, Bent-reshy, gekweld heeft.”
Daarom besloot hij niet toe te staan, dat Khonsu, de duivelbanner, uit Bekhten vertrok, doch dat hij daar steeds gehouden zou worden, uit vrees, dat de demon terug zou komen.
Meer dan drie jaren lang, hield de vorst van Bekhten Khonsu in zijn rijk en stond hem niet toe, weg te gaan. Doch in zekeren nacht had hij een droom, welke hem van meening deed veranderen. In zijn droom stond hij voor het heiligdom van Khonsu, den duivelbanner. En terwijl hij toekeek, zie, daar vlogen de deuren van den tempel wijd open en de god zelf stormde naar buiten, nam de gestalte van een havik aan, met wonderschoone, gouden vleugels en vluchtte naar Egypte.
Toen de heerscher van Bekhten ontwaakte, begreep hij, dat de god werkelijk naar Egypte vertrokken was en dat het thans nutteloos was, zijn beeld langer te houden. Daarbij vreesde hij de wraak van Khonsu. Daarom deed hij het beeld van Khonsu, den duivelbanner, op een wagen laden, met rijke en schoone geschenken en zond hem met een vorstelijk gevolg naar Egypte terug.
Toen de terugreis volbracht was, schonk Khonsu, de duivelbanner al zijn geschenken aan Khonsu Neferhetep en hield niets van alles, wat hij ontvangen had, voor zichzelf.
Lagere Goden.
Er waren honderden lagere goden, welke het Egyptische pantheon omringden en de karakteristieke eigenschappen van slechts eenigen van hen, kunnen behandeld worden. Elk uur van den dag had zijn eigen god, evenals ieder uur van den nacht.
De vier winden waren onder de Egyptische goden evenzeer vertegenwoordigd als bij de Grieken. De Noordenwind werd Qebui genoemd en wordt afgebeeld als een gevleugelde ram, met vier koppen; de Zuidenwind, Shehbui, ziet men in de gestalte van een man, met een leeuwenkop; de Westenwind, Huzayui, heeft den kop van een slang, op het lichaam van een gevleugeld man. De Oostenwind, Henkhisesui, komt ons soms in menschelijke gestalte tegen en heeft, evenals de Noordenwind, den kop van een ram, doch soms ook stelt men hem als een gevleugelde kever, met een ramskop, voor.
De zintuigen werden eveneens door goden voorgesteld. Zoo was Saa de god van het zintuig der aanraking, of het gevoel. Hij wordt in menschelijke gestalte afgebeeld en hij draagt op zijn hoofd een teeken, uit parallel loopende lijnen samengesteld; dezen worden naar boven toe kleiner. In de Thebaansche uitgaaf van het Boek der Dooden, ziet men hem bij het oordeel onder die goden, die toezien op het wegen van de harten der gestorvenen. Soms vaart Saa, met Thoth en andere goden, in de boot van Ra. In een passage spreekt men over hem als zoon van Geb. Hij is de personificatie van het intellect, zoowel van menschen, als goden.
De god van den smaak heette Hu. Hij wordt eveneens als een man voorgesteld en men verhaalde, dat hij uit een bloeddruppel, welke uit Ra gevallen was, voortgekomen was. Hij werd de voorstelling van het goddelijk voedsel, waarvan de goden en de gelukzalige gestorvenen leven.
Maa was de god van het gezicht. Men schildert hem als een man, met een oog boven zijn hoofd, af en dit is eveneens het symbool van zijn naam.
Setem was de god van het gehoor en bij hem wordt zijn hoofd door een oor8 gekroond.
De planeten werden eveneens als goden beschouwd. Saturnus werd Horus, de stier van den hemel, genoemd; Mars werd eveneens met Horus geïdentificeerd, onder den naam van “den rooden Horus”, doch stond, streng beschouwd, onder bescherming van Ra; de god van Mercurius was Set en die van Venus, Osiris. Sommige sterren werden eveneens als goden beschouwd. De Groote Beer was onder den naam “de dij” bekend en de Draak werd met het nijlpaard Reret vereenzelvigd.
De dagen van de maand stonden verder eveneens onder beschermgoden.
1 In de pyramide van Unas (6e dynastie) wordt van een god melding gemaakt, die misschien Amen is, doch die ook kan beteekenen: “de Verborgene” en de toevoeging, welk daarop volgt, schijnt op Osiris te slaan.
2 Zie Budge, The Gods of Egypt, 2, pag. 2.
3 Zie: Budge, op. cit. p. 503.
4 Of Setet (schutter).
5 Ook Thi genoemd.
6 Of Ra-Heru-Khuti.
7 Of Sekhet. Sekhmet is dezelfde persoon, als Hathor in den oorspronkelijken tekst. Het bier werd door de bevolking van On, dat de alruinen daarmede vermengde, vervaardigd en Sekhmet-Hathor dronk het op.
8 Dit waren personificaties der zintuigen, met bepaalde namen.
Egyptische literatuur.
Egyptische Taal en Egyptisch Schrift.
De oudste kennis, welke wij van de Egyptische taal hebben, wordt ons door inscriptie’s verschaft, welke tot de 1e dynastie, ongeveer 3300 v.C., behooren. Vanaf dezen kan de opkomst en het verval verder nagegaan worden, door de verschillende opschriften op tempels, monumenten en papyri, tot de 14e eeuw na C., wanneer de Koptische manuscripten eindigen.
Van de levende taal, afgezien van de zuivere literaire taal van de hieroglyphen-inscripties, krijgt men de zuiverste voorstelling door de volksverhalen, brieven en handelsdocumenten, welke tot ons gekomen zijn, waarin de schrijvers zich natuurlijk aan de gangbare spreekvormen hielden en aldus de veranderingen, welke de taal onderging, ontsluierden.
Dat het Egyptisch aan het Semitisch verwant is, is zeker, hoewel hier een rassenprobleem tusschenbeiden komt, want het Egyptische eigenlijke ras was nooit, voor zoover men kan nagaan, Semitisch van type. Erman tracht deze quaestie door de zeer waarschijnlijke theorie op te lossen, dat in den prae-historischen tijd een horde van krijgshaftige Semieten, een deel van Egypte veroverde en zich daar vestigde, evenals de Arabieren in lateren tijd hun taal aan het land gaven, doch dat dezen, als apart ras, uitstierven, hetzij door redenen, welke met het klimaat in betrekking stonden, of doordat zij in de oorspronkelijke bevolking opgingen; deze laatste echter nam de taal van de vreemdelingen, hoewel onvolmaakt, over.
Onder deze omstandigheden veranderde de taal langzamerhand. De medeklinkers werden verkeerd uitgesproken, daar harde voor zachte plaats maakten en dezen op hun beurt, vormden biliteralen van de triliterale stammen.
Deze neiging, waarbij nog een omschrijvende, inplaats van verbale, vervoeging kwam, duurde tot het eind. Koptisch, de laatste vorm, is dus biliteraal van karakter en tijden van bijzondere nauwkeurigheid werden in het werkwoord, door middel van omschrijving, ontwikkeld; de groote overeenkomst tusschen Koptisch en Semitisch moet eveneens tot den voortdurenden Semitischen invloed van latere tijden teruggebracht worden.
De Egyptische taal kan verdeeld worden naar haar vooruitgaande phases. Deze zijn: Oud-Egyptisch, Midden- en Laat-Egyptisch, Demotisch en Koptisch. Oud-Egyptisch is de taal, welke tot het Oude Rijk behoort. Het gaf het letterkundig model voor de latere tijden aan, zooals men uit de inscripties zien kan; het was onvermijdelijk, dat het door de wisselende vormen van de vigeerende taal beïnvloed werd; doch zijn hoofdkarakter werd bewaard.
De oudste voorbeelden, welke wij hebben, zijn inscripties, welke in de 1e dynastie thuis behooren, doch dezen zijn te kort, om ons veel inzicht in de taal en spreekwijze van dien tijd te geven. Hierop volgen verscheidene inscripties en eenige weinige geschiedkundige teksten, welke tot de 4e, 5e en 6e dynastie behooren. Het grootste aantal, dat tot deze phase behoort, is de uitgebreide collectie ritueele teksten en tooverformules, welke men in de pyramiden der 6e dynastie aantreft.
Midden- en Laat-Egyptisch hooren respectievelijk in het Midden- en Nieuwe Rijk thuis en komen de gebruikelijke spreektaal van het volk nabij. Geschriften uit het Midden-Egyptisch, welke nog bestaan, zijn verhalen, brieven en handelsdocumenten, vanaf de 12e dynastie tot het begin van het Nieuwe Rijk, op papyri, in hieratisch schrift geschreven.
De 18e en 21e dynastie laat ons voorbeelden van Laat-Egyptisch, op verschillende hieratische papyri, zien. Met betrekking tot dezen merkt een gezaghebbend schrijver op: “De spelling van het Laat-Egyptisch is zeer eigenaardig, vol van verkeerde etymologie, vol onbeteekenende teekens, etc., terwijl de oude spellingsleer geheel en al ongeschikt is, zich nauwkeurig aan de geheel en al gewijzigde taal aan te passen. Desniettemin is deze plompe spelling krachtig en formules kunnen ons, wat betreft de uitspraak, inlichten”.
Demotisch vertegenwoordigt het volksdialect van de Saïtische periode en stemt werkelijk met het karakter, waarin het geschreven wordt, overeen. Het kan vanaf de 25e dynastie, (plm. 900 v.C.), nagegaan worden en tot de 4e eeuw n.C. was het voortdurend in gebruik. Documenten van het demotisch zijn voor het meerendeel koopcontracten en wettelijke aangelegenheden, hoewel sommige magische teksten en een merkwaardig verhaal, de Papyrus van Setna, eveneens hierin geschreven zijn.
Het Koptisch is de laatste vorm der Egyptische taal, of liever het is een dialectische vorm van het Egyptisch en hiervan zijn vier of vijf verschillende vormen bekend.
Het Koptisch is met de letters van het Grieksche alphabet geschreven en het is werkelijk de eenige phase der taal, waar de spelling een zuiver beeld van de uitspraak geeft.
Aan de Grieksche letters werden 6, uit het Demotisch genomen, toegevoegd, om klanken uit te drukken, welke meer in het bijzonder tot de Egyptische taal behoorden. Deze omstandigheid, tegelijk met de Grieksche afschrijving van Egyptische namen en woorden, hebben de eenige bestaande middelen, om tot een nauwkeurige uitspraak der Egyptische taal te komen, aangevuld.
Een reden voor deze onwetendheid was in de omstandigheid gelegen, dat het Egyptisch systeem van schrijven alleen de geraamten der medeklinkers van een woord laat zien, nooit de afwisselingen der klinkers en dikwijls de semi-consonanten weglaat.
De Hieroglyphen.
Het oude Egyptische schriftsysteem schijnt naar alle waarschijnlijkheid zuiver inheemsch te zijn. Zijn begin, ontwikkeling en het algeheele verdwijnen, kan binnen het Nijldal zelf nagegaan worden, hoewel dit door verovering, onder de 18e dynastie, tot Syrië doordrong en zelfs nog verder, om de Egyptische inscripties in dat land te graveeren.
Aan den anderen kant hielden sommige schrijvers het voor mogelijk, dat de Phoenicische kooplieden en die uit de Aegeïsche Zee, uit het Egyptische hieratische schrift, het Phoenicische alphabet, ongeveer 1000 v.C., ontwikkeld hebben.
Het hieroglyphisch karakter was oorspronkelijk een beeldenschrift in zijn eenvoudigste gestalte, doch is meer ingewikkeld geworden in den tijd, dat men er het eerst kennis mede maakt, n.l. in inscripties, welke tot de 1e dynastie behooren.
Het onderging weliswaar eenige veranderingen, doch de laatste vorm, welke het aannam, bleef praktisch onveranderd bestaan vanaf de 4e dynastie, tot het in de 4e eeuw n.C. geheel verdween. In dien tijd was alle kennis van de beteekenis der karakters geheel verdwenen en niet voor de ontdekking van den Steen van Rosette1 en de ontcijfering van zijn inscriptie in Grieksch en Egyptisch, kon men eenige vordering in het lezen van hieroglyphenschrift maken.
De teekens zijn van tweeërlei soort, een n.l. welke klanken aanduidt en deze is weer in twee soorten onderverdeeld, n.l. de alphabetische en syllabische, en de andere, welke begrippen voorstelt, de z.g. ideografische. Deze laatsten zijn afbeeldingen van de voorwerpen, waarover men spreekt, welke geplaatst worden achter de phonetisch geschreven woorden, als determinatieve, of typische, symbolen. Deze laatsten bestaan weder uit twee soorten, z.g. generieke, een aanwijzing van één klasse, of specifieke, welke een bijzonder voorwerp aanduiden.
Voor de schikking van den tekst is geen bepaalde regel2. Men leest het van rechts naar links, van links naar rechts, of in kolommen; terwijl het begin daar is, waarheen de vogel- of dierteekens gericht zijn.
Ongeveer 500 teekens gebruikte men. Hieratisch schrift kan men in de 1e dynastie vinden en dit komt het hieroglyphenschrift zeer nabij; doch ten tijde van het Midden-Rijk is deze gelijkenis verloren gegaan.
Het handelstijdvak der 26e dynastie bracht den demotischen vorm meer tot dagelijksch gebruik en vanaf dezen tijd werd het hieratisch schrift voor het copieeren van godsdienstige, overgeleverde teksten gebruikt op papyrus en langzamerhand werd het alleen door de geleerden begrepen, want in den Ptolemaeëntijd werd, ook al werd de tekst van een koninklijk besluit op een zuil gegrift, welke op een publieke plaats moest gezet worden, een vertaling van het uitgevaardigde besluit, in Demotische teekens, er bij gevoegd.
Zuilen met hieroglyphische, Demotische en Grieksche letters, heeft men gevonden en de meest bekenden van dezen zijn het decreet van Canopu, uit den tijd van Ptolemaeus III (247 v.C.) en de Steen van Rosette, welke men stelt in de regeering van Ptolemaeus V Epiphanes, (205 v.C.).
De inscripties van den laatstgenoemden steen verschaften in den afgeloopen eeuw den sleutel van het geheim van het hieroglyphenschrift en herstelden de wetenschap der oude Egyptische taal en literatuur.
Zooals wij gezien hebben, was het hieroglyphisch schrijfsysteem, lang voor het einde der Romeinsche overheersching, in onbruik geraakt en het wijd en zijd verspreide gebruik van het Latijn en Grieksch, onder de aristocratische en beambtenklasse, had het verdwijnen van het Egyptisch, als staatstaal, veroorzaakt.
Dit kwijnde, tegelijk met de bestudeering der hieroglyphen onder de geleerden en priesters in afgelegen districten, doch in de 4e en 5e eeuw n.C. was het verdwenen.
Toen vond men in 1799 de Steen van Rosette, met zijn inscriptie, bestaande uit 14 regels hieroglyphen, 32 regels Demotisch en 54 regels Grieksch. Door vergelijking en ontcijfering van deze lezingen werd het Egyptisch alphabet ontdekt en aldus vond men den leiddraad van de verlorene gegane taal van Egypte.
Aan Akerblad in 1802, Young in 1818 en Champollion in 1822 moet men de eer geven van deze gewichtige ontdekking, welke de wondervolle beschaving, kunst en literatuur van een groot volk voor ons ontsluierde.
Literatuur.
Indien men de bestudeering der Egyptische teksten met een onderzoek van het Boek der Dooden begint en men zich van diens duistere, hoewel schilderachtige, bladzijden tot de rest der nationale literatuur keert, komt men tot ontgoocheling, want het arbeidsveld der Egyptische letteren toont, hoewel het soms heinde en ver verspreid is, een armoede aan vinding en woordenkeus, welke men bij weinig literaturen, hetzij oude, of moderne, aantreft. In de oudste tijden is de stijl, zooals men verwachten kan, eenvoudig, op het banale af, terwijl later een hooge en gewichtige voornaamheid maar al te dikwijls datgene bederft, wat anders verdienstelijk werk had kunnen zijn.
Documenten, van alle denkbare soort, zijn tot ons gekomen, als brieven van zakenmenschen, wettelijke bescheiden, fragmenten van geschiedkundige berichten, magische papyri, verder werken over kunst, theologie en populaire werken, zelfs proza en poëzie.
De meeste standaardwerken, als spreuken, of leerboeken, zooals die, welke men aan Ptah-hotep en Kagemni toeschrijft, schijnen van hoogen ouderdom geweest te zijn en dateeren niet later dan het Midden-Rijk.
De stijl van dezen werd door de meeste schrijvers nagevolgd, evenals de vorm en de kleur van de hieroglyphen en muurschilderingen ijverig door teekenaars en schrijvers gecopieerd werden.
Amenemhat I schreef een boek, dat op Machiavelli’s werk, “de Vorst”, gelijkt; het diende om zijn zoon in de voorschriften van een goed bestuur te onderrichten en de voorschriften van Ani aan zijn erfgenaam droegen hetzelfde kenmerk.
In de Egyptische literatuur vinden wij overeenkomst van woordverbinding, evenals bij de Hebreeuwsche gedichten, en herhalingen zijn gewoon.
Philosophische verhandelingen schijnen, hoewel ze zeldzaam over zijn, eenigszins in trek geweest te zijn en de groote levensraadselen schijnen hierbij in den vorm van een dialoog behandeld te zijn. Een papyrus uit het Midden-Rijk (circa 2500 v.C.), welke zich thans in het Berlijnsch Museum bevindt, wisselt breedvoerig van gedachten over het al dan niet geoorloofd zijn van zelfmoord. De disputeerenden zijn een man en zijn khu, of tweede ik.
De man in quaestie schijnt van zijn bestaan genoeg te hebben en heeft het plan opgevat, zichzelf te dooden. Hij is echter voor de toekomst beducht en schijnt te vreezen, dat zijn lichaam verwaarloosd zal worden.
In dit dilemma richt hij zich tot zijn khu en smeekt hem dringend, voor hem de verplichtingen van een verwant te vervullen. De khu echter weigert botweg dit verzoek en raadt den man aan, zijn verdriet te vergeten en zijn leven zoo gelukkig mogelijk te maken. De khu beweert verder, dat na den dood het geheugen van de gestorvenen spoedig verdwijnt en zelfs monumenten van graniet kunnen dit niet lang bewaren.
De man wijst dezen raad vol bitterheid af en roept uit, dat zijn verwanten hem verlaten hebben en dat zijn naam volkomen veroordeeld is; overal worden de fiere zegepraal en de nederige onderdrukt; de slechten bloeien en algemeen ziet men eerloosheid; rechtvaardige en tevreden menschen zijn er niet. De dood schijnt hem zeer aangenaam toe; in zijn kist zal hij omgeven zijn door myrrhe, hij zal in de koele schaduwen kunnen rusten en offeranden zullen hem gebracht worden.
Na deze uitbarsting weerlegt de khu hem niet langer en verzet zich niet meer tegen de plannen van den man en belooft hem, dat, wanneer hij de rust ingegaan is, hij tot hem zal afdalen en zij tezamen een woonplaats in gereedheid zullen brengen.
De Kat en de Jakhals.
Een andere dergelijke discussie, welke amusanter trekken vertoont, vindt men in een lateren Demotischen papyrus; deze is wellicht met Grieksche ideeën geverfd.
Hierbij zijn de disputeerenden een monsterkat, welke de godin Bast voorstelt en een kleine jakhals. De kat bedient zich van orthodoxe gezichtspunten en geeft als haar meening ten beste, dat de wereld door de goden bestuurd wordt; dit kan iemand duidelijk opmaken uit het feit, dat ondeugd overwonnen wordt en de deugd tenslotte overwint.
Zelfs indien een klein lam onrecht aangedaan wordt, zal het aangedane geweld op den man, die het aandeed, terugvallen. Ook al wordt de zon gedurende een tijd door wolken verduisterd, al rolt de donder en al wordt de zonsopgang door den nevel verduisterd, zal toch het daglicht tenslotte doorbreken en de vreugde tenslotte overheerschend zijn.
De jakhals aan den anderen kant is een realist. Volgens hem is op aarde macht recht. De hagedis, beweert hij, verslindt het insect en wordt op haar beurt de prooi van de vleermuis en deze wordt weer door de slang verzwolgen en op deze schiet weer de havik neer. De natuur is steeds in strijd.
Het schema van de redeneering van den jakhals herinnert ons aan een, welke door Darwin ontwikkeld wordt in zijn theorie over het overleven van de krachtigste individuen: “De natuur bekommert zich niet om het leven van een enkele.”
Hoe kan nu de zondaar gestraft worden en welke smeekbede kan hem afschrikken? De strijd tusschen de twee dieren wordt heeter; zij brengen verschillende spreekwoorden en fabels aan, om de verschillende punten der discussie te illustreeren en soms ook beginnen zij zich tegenover de goden zelf te beklagen.
De schrijver heeft klaarblijkelijk een voorliefde voor den jakhals en diens spitsvondige redeneering brengt de kat soms tot razernij. Het is echter zeer jammer, dat de tekst slecht overgeleverd is en verschillende passages buitengewoon duister zijn; doch het verhaal kan dienen als een oud voorbeeld voor den nooit eindigenden strijd tusschen den optimist en pessimist.
Reisverhalen.
De interessantste passages in de Egyptische literatuur zijn die, welke zich met reizen en avonturen bezighouden. De inboorlingen van Egypte waren in het geheel geen reizigers en beperkten hun reizen voor het meerendeel tot den omtrek van hun eigen land en soms zelfs tot hun eigen nomen, of provincies.
Het leek hun een heele onderneming, de oevers van Khemi te overschrijden. Het was echter noodzakelijk, dat er gezanten gezonden werden naar de omliggende staten en dat de opgelegde belasting ingevorderd werd. Toen de voordeelen van den handel meer en meer in het oog vielen, baanden de kooplieden zich meer een weg naar de naburige landen en misdadigers onttrokken zich door de vlucht aan hun straf. Zij, die een tijd op reis waren geweest, hadden de gewoonte, hun vrienden en buren bij zich te vereenigen en hen op een verhaal van hun wederwaardigheden te onthalen. Sommige van deze verhalen zijn in den besten stijl van John Maundeville geschreven, terwijl andere eenvoudige en nauwkeurige verhalen van mogelijke gebeurtenissen zijn.
De Geschiedenis van Saneha.
Een van dezen, de geschiedenis van Saneha, dateert uit het Midden-Rijk en was gedurende minstens 1000 jaar zeer populair. Het is onbekend, of de hoofdpersoon werkelijk bestaan heeft, of gefingeerd is, daar de naam in dien tijd een heel gewone was.
Saneha nu was een ambtenaar onder den eersten koning der 12e dynastie, Amenemhat I. Toen Amenemhat stierf en zijn zoon Senusert I3 den troon beklom, verborg hij zich, op gevaar af ontdekt te worden, op een plaats, waar dichtbij een zeker gezantschap in het geheim ontvangen werd, terwijl zijn koninklijke gebieder wenschte, dat het daar behandelde onbekend zou blijven. Uit vrees, dat iemand hem zou gezien hebben, vluchtte hij naar het Oosten, naar de overzijde van de Delta, ging zelfs over de grens, reisde naar de Bittere Meren en hier werd hij door dorst gekweld.
Hij voelde, dat hij spoedig van dorst sterven zou, maar hij riep al zijn geestkracht te hulp, haastte zich verder te komen, hoorde het loeien van een koe en begaf zich in die richting.
Hij zag daarop een koeherder, een man uit de woestijn; deze gaf hem water en gekookte melk en een onderdak onder zijn stam. Saneha echter beschouwde zichzelf niet veilig, indien hij nog dicht bij de grens was en ging verder, naar Boven-Tenu, misschien het Zuiden van Palestina.
Hier ontmoette hij een stam en leefde geruimen tijd onder deze, huwde de oudste dochter van hun opperhoofd, werd rijk aan vee en land en genoot bij hen hooge onderscheiding.
Toen hij echter wat ouder werd, beving hem een vurig verlangen, nog eenmaal zijn Egyptisch vaderland te zien. Met koning Senusert werden onderhandelingen aangeknoopt en deze stond Saneha toe, terug te keeren. De koning ontving hem zeer vriendelijk en zijn Bedouïne-kleeding werd voor kostbare Egyptische kleeren verruild. Een prachtig graf werd voor hem gebouwd en nog eens genoot hij de gunst van den koning.
De papyrus, waarin dit verhaal voorkomt, is van groote waarde, door de levendige beschrijving van het leven der stammen, in Zuid-Palestina, de plundertochten der verschillende volken en het schilderachtig barbarendom der nomaden. Het verhaal wordt echter dikwijls, door storende lofredenen op den koning van Egypte, onderbroken.
De Geschiedenis van den Zeeman, die schipbreuk leed.
Een verhaal uit de 12e dynastie, bekend als de geschiedenis van den schipbreukeling, dat bewaard wordt in de Hermitage Verzameling in Petrograd, vormt hiermede een groote tegenstelling.
Een reizend zeeman, die zijn avonturen aan een meerdere vertelt, verzoekt dezen bij den Pharaoh toegelaten te worden. Zijn meester wilde aan de geschiedenis geen geloof slaan, doch de man verzekerde, dat deze de zuivere waarheid bevatte.
Hij vertelde dan, dat hij een contract aangegaan had, om in de mijnen van den koning te werken; hij had zich daarom ingescheept op een vaartuig, dat 150 el lang en 40 el breed was, bemand met de beste zeelui uit geheel Egypte; hun harten waren sterk, als van leeuwen en zij waren gewoon ontberingen te lijden.
Zij lachten bij de gedachte aan storm, doch toen zij het land naderden, zie, daar stak een heftige wind op en reusachtige golven beukten het schip. De zeeman pakte een stuk hout beet en dat was niets te vroeg, want het schip verging en alle opvarenden verdronken.
Drie dagen lang dobberde hij op de golven en hierna werd hij op een eiland aan land geworpen; hier kroop hij in de schaduw van eenige struiken, waaraan vijgen en druiven groeiden.
Ook slaagde hij erin, meloenen, bessen en graan te vinden en wist hij visschen en vogels te vangen. Besloten daar een tijd te blijven, groef hij een put, stak een vuur aan en bracht een offer aan de goden.
Plotseling deed een vreeselijk lawaai, dat op het gerommel van den donder geleek, hem uit zijn rustige stemming opschrikken. In den beginne dacht hij, dat dit het lawaai van den storm was, doch eindelijk bemerkte hij, dat de boomen schudden en dat de aarde hevig geschokt werd.
Juist voor hem lag een groote slang, dertig el lang, met een baard van een lengte van twee el; zijn rug was met gouden schubben bedekt en zijn lichaam had een kleur van lapis-lazuli.
Hevig verschrikt, wierp de zeeman zich voor het monster ter aarde; dit keek hem een oogenblik met zijn vreeselijke oogen aan, opende hierop zijn reusachtige kaken en sprak hem alsvolgt aan:
“Wat heeft u naar dit eiland gevoerd, gij nietig wezen? Spreek snel en als gij niet iets bericht, waarvan ik nooit tevoren hoorde, of wat ik nooit tevoren kende, zult gij evenals vuur verdwijnen”.
Zonder dat het den zeeman tijd gaf, om te antwoorden, tilde het hem in zijn bek op, bracht het naar zijn leger en legde hem daar, zonder hem verder kwaad te doen, zacht neer.
Nog eens vroeg de slang hem, welke macht hem naar dit eiland gebracht had en de zeeman, over alle ledematen bevend, vertelde, dat hij schipbreuk had geleden, toen hij op weg was naar de mijnen van den Pharaoh.
Toen de slang dit hoorde, spoorde zij hem aan, goeden moed te houden en niet bevreesd te zijn; God had hem naar een gelukzalig eiland gebracht, waar aan niets gebrek was en alles vol goede gaven was. Binnen vier maanden zou er een schip komen, om hem te halen; dan zou hij naar Egypte terug kunnen keeren en zou hij in zijn eigen stad kunnen sterven. Om hem op te monteren, beschreef het monster hem het geheele eiland.
De bevolking hiervan bestond uit 75 slangen, oude en jonge, en deze wezens leefden in harmonie en overvloed.
De zeeman, van zijn kant, was niets minder vriendelijk en, goed gestemd als hij was, bood hij de slang aan, den Pharaoh de aanwezigheid van en den toestand op het eiland, te verhalen; hij beloofde aan het monster, het persoonlijk offers te zullen brengen, bestaande uit heilige olie, reukwerken en wierook, waarmede men de goden vereerde. Eveneens zou hij ezels voor hem, als offerdieren, slachten, vogels voor hem plukken en hem schepen, vol met schatten uit Egypte, brengen.
Hierop lachte de slang op toegeeflijke en eenigszins minachtende wijze. “Vertel mij niet”, aldus sprak zij, “dat gij rijk zijt aan reukwerken, want ik weet, dat alles slechts gewone wierook is, welke gij hebt. Ik ben vorst van het land Punt en bezit zooveel reukwerk, als ik verlang; laat mij u verder vertellen, dat, als gij van hier vertrokken zijt, gij dit land nooit meer zien zult, want het zal door de golven verzwolgen worden”.
Het schip naderde het eiland op den bepaalden tijd, zooals de slang voorspeld had en de zeeman klom in een boom, om te zien, door welke lieden het bemand was. Toen het de kust naderde, zei de slang hem vaarwel, voorzag hem met gaven, bestaande uit kostbare reukwerken, welriekend hout, cassia, wierook, ivoren slagtanden, apen, bananen, kortom allerlei soort kostbare koopwaren.
Terwijl hij dezen in het schip laadde, vertelde de genius van het eiland hem ten slotte, dat hij binnen twee maanden zijn vrouw en kinderen zou terugzien. De geredde zeeman voer daarna, door Nubië, den Nijl af, naar de residentie van den Pharaoh en het verhaal eindigt met het verzoek van den verteller aan zijn kapitein, hem een geleide te geven, om zich aan den Pharaoh voor te stellen en dezen zijn geschiedenis te verhalen.
Het eiland nu, waar hij schipbreuk geleden had, was dat van de Ka, d.w.z. de Ziel. Zulk een geschiedenis kon in de oogen der Egyptenaren in het geheel niet verbazingwekkend schijnen, daar onder hen zulke romantische verhalen heel gewoon waren. Dezen waren inderdaad zoo menigvuldig en zulke ongerijmde mededeelingen verspreidden zij, dat wij in een papyrus uit Londen, uit plm. 1250 v.C., den spotgeest tegen hen in beweging gebracht vinden; deze bevat het verhaal over een denkbeeldige reis, door Palestina en Phoenicië; het doel hiervan is niet de beschrijving der reis zelf, doch de gekunsteldheid en de ongerijmdheden van de populaire romans uit die dagen belachelijk te maken en te bespotten.
De Fabel van het Hoofd en de Maag.
Romantische verhalen over het Egyptische leven, zooals die, welke zich met koning Rhampsinitus bezighouden en welke men elders in dit boek vindt, komen veelvuldig voor.
Een papyrus, uit plm. 1250 v.C., heeft, als achtergrond, den oorlog tegen de Hyksos en beschrijft een ontmoeting tusschen twee vorsten, die tegen elkander strijden, n.1. Apepi, aanvoerder der Hyksos en Ra-sekenen, den nationalen vorst, die in Boven-Egypte woont. Zij geven raadsels aan elkaar op en van de oplossing hiervan, hangt het lot van één hunner af.
Fabels waren verder in het Nijldal, vanaf een vroeg tijdstip, zeer populair. In het Turijnsch Museum komt een voorbeeld hiervan, dateerende uit plm. 1000 v.C., voor; deze fabel is op kleine tafels geschilderd en bevat het verhaal van het dispuut tusschen het hoofd en de maag.
Het hof der dertig, het hoogste gerechtshof van Egypte, is vergaderd. De maag bepleit het eerst haar zaak, doch hier is het document gebrekkig overgeleverd. Wij bezitten echter het antwoord van het hoofd; dit tracht, door een grooten omhaal van woorden, te bewijzen, dat het de voornaamste bron van het licht is, dat door het geheele huis schittert. Het is het oog, dat ziet, de mond, welke spreekt en de neus, welke ademhaalt. De rest van de verhandeling en de uitspraak zijn ongelukkigerwijze corrupt.
Het is echter belangrijk, met dezen ouden voorvader van de wijd en zijd verspreide fabel van den strijd tusschen de maag en de leden kennis te maken; men denke slechts aan het verhaal van Menenius Agrippa, die deze fabel, in 494 v.C., aan de Romeinsche plebs vertelde, toen deze er over dacht, Rome voor goed te verlaten, als een symbool, wat er zou gebeuren, als zij tot het uiterste vervielen.
Dit is tevens een doorslaand bewijs, dat het populaire verhaal, evenals een wet, een levensadem over verscheidene eeuwen heeft en dat het, in één bepaald land ontstaan, langzamerhand het eigendom van verscheidene andere wordt.
Dikwijls heeft men zelfs willen vaststellen, dat de fabels van Aesopus naar alle waarschijnlijkheid in Egypte ontstaan zijn, daar dit het land der dierenvereering is en het is zeer zeker opmerkelijk, dat in den Leidschen Demotischen papyrus wij de fabel van de dankbare muis en de leeuw, welke in netten verstrikt is, tegenkomen. Deze papyrus dateert echter uit de Christelijke tijdrekening en is waarschijnlijk Grieksch van opzet.
Wij vinden echter geschiedenissen van dieren, welke geheel en al als menschelijke wezens handelen, zich met spelen vermaken, slaags raken, evenals wij in de folklore van barbaarsche volken zien. Lepsius vermoedt, dat de bedoeling van dezen een satirische is.
De Berisping van Amasis.
In een papyrus, uit den tijd der Ptolemaeën, vinden wij het oude hulpmiddel, een koning te berispen, door hem een passende geschiedenis te vertellen.
De vorst in kwestie was Amasis (plm. 526 v.C.), een pretlievend heerscher, die al te gaarne en te dikwijls zich aan het drinken van een drank, kelebi genaamd, overgaf.
Het geschiedde op zekeren dag, dat hij tot zijn edelen sprak: “Ik heb er veel plezier in, Egyptischen kelebi te drinken”. Zij spraken: “Machtig heerscher, het is moeilijk, Egyptischen kelebi te drinken”. Hij zeide daarop tot hen: “Heeft dat, waarover ik spreek, een slechten smaak?” Zij antwoordden: “Machtig heerscher, laat onze koning doen, waarin hij behagen schept”.
De koning beval hierop: “Laat er Egyptische kelebi naar het meer gebracht worden”; zij deden hierop overeenkomstig den wil van den koning.
De koning wiesch zich daarna met zijn kinderen en er werd hem geen anderen wijn dan kelebi voorgezet. De koning vierde nu met zijn kinderen feest, hij dronk veel wijn, door zijn voorliefde voor den kelebi; op den avond van dien dag, viel de koning bij het meer in slaap, want hij had een rustbank, in een prieël, op den oever van het meer, laten plaatsen.
Toen de morgenschemering aanbrak, kon de koning, door de slaperigheid, tengevolge van het drinkgelag, niet opstaan. Toen er een uur voorbijgegaan was en hij nog niet op kon staan, begonnen de hovelingen te klagen en zeiden: “Kunnen zulke dingen bestaan? Zie, de koning bedrinkt zich, evenals een man uit het volk. Een man uit het volk kan niet bij den koning komen, om over zaken te spreken”.
Daarna gingen de hovelingen naar de plaats, waar de koning lag en zeiden: “O machtige heerscher, welke wensch koestert de koning?” De koning antwoordde: “Het is mijn wensch en genoegen, mijzelf dronken te maken. Is er onder u niemand, die mij een geschiedenis kan vertellen, welke mij uit den slaap kan houden?”
Nu bevond er zich onder de hovelingen een hoog ambtenaar, Peun genaamd; deze kende vele verhalen. Hij ging voor den koning staan en begon aldus te vertellen: “Machtige koning, kent gij de geschiedenis van den jongen zeeman niet? In de dagen van Psammetichus leefde een jong zeeman en deze was gehuwd. Een ander zeeman werd op de vrouw van eerstgenoemden verliefd en zij beantwoordde zijn liefde. Het gebeurde nu, dat de koning hem tot zich riep. Toen het feest voorbij was, beving hem een groote begeerte (hier volgt in den tekst een hiaat) en hij wenschte nogmaals naar den koning te gaan. Hij keerde naar huis terug, wiesch zichzelf met zijn vrouw, doch kon niet als vroeger drinken. Toen het tijd geworden was te gaan slapen, kon hij den slaap niet vatten, vanwege het groote verdriet, dat hem drukte. Daarop vroeg zijn vrouw hem: “Wat is bij u de rivier overkomen?”.....
Het is ten zeerste te bejammeren, dat de rest van den tekst hier ontbreekt en wij niet nauwkeurig kunnen vertellen, op welke wijze het verhaal van datgene, wat koning Psammetichus overkwam, Amasis stichtte.
Tooververhalen.
Zooals men verwachten kan, houdt een zeer groot aantal Egyptische verhalen zich met tooverkunsten op. Voornamelijk is dit het geval met den Westcar papyrus, uit plm. 1800 v.C., welke zich thans in het museum te Berlijn bevindt.
Ongelukkigerwijze zijn het begin en einde van het manuscript gebrekkig tot ons gekomen, doch het overblijvende is voldoende, om ons een indruk te geven aangaande den opzet van het geheel.
Het verhaalt dan, hoe Khufu, of Cheops, de bekende stichter van de groote pyramide bij Gizeh, zijn zoons en raadslieden rondom zich verzamelde en hen vroeg, of iemand van hen in staat was, hem een man aan te wijzen, die hem tooververhalen vertellen kon.
Zijn zoon, Khafra, vertelde, dat hij met zulk een verhaal bekend was; dit was uit de dagen van ’s konings voorvader Nebka overgeleverd en behandelde datgene, wat hem overkomen was, toen hij naar den tempel van Ptah van Ankhtaui ging. Op zijn weg naar den tempel, wendde hij zich zijwaarts, om Uba-aner, zijn hoofd-voorlezer te bezoeken. Hij werd door zijn gevolg vergezeld en hieronder bevond zich een page; op dezen werd de vrouw van Uba-aner verliefd en zij zond een dienares naar hem toe, met een kist vol prachtige kleeren ten geschenke. Zij ontmoetten elkaar daarna, in het geheim, in een zomerhuis, of paviljoen, in den tuin van Uba-aner en hier dronken ze wijn en waren vroolijk.
De hofmeester van het huis echter, achtte het zijn plicht, zijn meester over deze dingen in te lichten en Uba-aner, een man in tooverkunst ervaren, besloot zich hierop te wreken.
Hij vroeg om zijn kistje, uit ebbenhout en barnsteen vervaardigd en toen men hem dit gebracht had, maakte hij een krokodil van was, 7 vingers lang en sprak over dezen een tooverformule uit.
Tegen den avond ging de page naar het meer, dat in den tuin was, om een bad te nemen; hierop wierp de hofmeester, volgens de bevelen van zijn meester, den krokodil van was achter hem. Plotseling werd deze een groote krokodil, zeven el lang, opende zijn vreeselijken bek, pakte den page beet en sleurde hem mede naar beneden.
Gedurende dezen tijd had de koning bij Uba-aner vertoefd en na verloop van 7 dagen ging hij weer weg. Toen hij op het punt stond, het huis te verlaten, verzocht Uba-aner hem, te komen zien, welk wonder er plaats gegrepen had. Zij gingen naar den oever van het meer, de voorlezer riep den krokodil en deze rees terstond uit het water op, terwijl hij den page vasthield.
“O koning, sprak Uba-aner, deze krokodil zal alles volbrengen, wat ik wensch”. De koning verzocht, dat het dier naar het water zou terugkeeren, doch Uba-aner tilde den krokodil met zijn hand op en veranderde hem terstond weer in was.
Daarop lichtte hij den koning over het gebeurde tusschen den page en zijn vrouw in en de vorst beval, verontwaardigd, den krokodil, nogmaals den page te grijpen; deze voerde het bevel terstond uit, dook met zijn prooi onder water en verdween voor altijd. Nebka beval verder, dat de vrouw verbrand en haar asch in de rivier gestrooid zou worden.
Khufu schepte zoozeer in dit verhaal behagen, dat hij beval, dat de schim van Nebka met duizend brooden, honderd teugen bier, een os en twee kruiken wierook begiftigd zou worden en dat de ka van Uba-aner één brood, een kruik bier, een kruik wierook en een portie meel zou ontvangen.