“Wie zijt gij?”
Evelyn Paul.
Daar aangekomen, vond hij zijn broer dood neerliggen op zijn bed. Hij begaf zich daarop naar den acacia, om het hart van zijn broer te zoeken, doch kon slechts een bes vinden, deze echter was het hart. Hij legde deze in koud water en Bitou werd aan het leven teruggegeven.
Zij omarmden elkander en Bitou sprak tot zijn broer: “Ik zal nu een heilige stier (Apis) worden. Leid mij dan voor het aangezicht van den Pharaoh, deze zal je rijkelijk met goud en zilver begiftigen, om je te beloonen, dat je mij bij hem gebracht hebt. Ik zal de middelen uitvinden, om mijn vrouw voor haar verraad te straffen”.
Anapou deed, zooals Bitou aangaf en toen de zon den volgenden morgen opkwam en Bitou de gedaante van een stier aangenomen had, leidde Anapou hem naar het hof. Er heerschte groote vreugde over den prachtigen stier en Pharaoh beloonde Anapou rijkelijk en onderscheidde hem boven alle andere mannen.
Eenige dagen later trad de stier den harem binnen en sprak zijn vroegere vrouw aldus aan: “Gij ziet, ik ben toch nog in leven”. “Wie zijt gij”, vroeg zij. Hij antwoordde: “Ik ben Bitou. Gij wist heel goed, wat gij deedt, toen gij Pharaoh verzocht, den acacia om te hakken”.
De vrouw was hierover zeer verschrikt en verzocht den Pharaoh, haar ieder verzoek, wat zij doen zou, in te willigen. De Pharaoh beminde haar zoo zeer, dat hij haar niets weigeren kon en gaf haar reeds bij voorbaat zijn inwilliging: “Geef mij dan”, zoo sprak zij, “de lever van den heiligen stier, om die op te eten, want niets anders zal mij voldoen”.
Pharaoh was zeer bedroefd, toen hij dit hoorde; hij had echter gezworen en op zekeren dag, toen het volk aan den stier offers bracht, zond hij zijn slagers, om het dier de keel af te snijden. Terwijl de stier geslacht werd, vielen er twee dikke bloeddroppels van zijn nek en terwijl zij verder vlogen, totdat zij de deuropening van het paleis bereikt hadden, schoten zij daar in de gestalte van twee groote boomen op, een aan iedere zijde van het portaal.
Het volk verheugde zich wederom over dit tweede wonder en bracht aan de twee boomen offers.
Langen tijd hierna werd de Pharaoh in zijn stoel van electrum, getooid met de kroon van lapis-lazuli en een krans van bloemen om zijn hals, naar buiten gedragen, om de twee boomen te bezichtigen. Zijn gunstelinge, Bitou’s vrouw, werd achter hem gedragen en zij werden, ieder onder een boom, neergezet. Daarop fluisterde de boom, waaronder de vrouw zat, tot haar: “Trouwelooze vrouw! Ik ben Bitou en nog steeds ben ik in leven. Gij maaktet, dat de Pharaoh den boom omhakte en mij doodde. Daarop werd ik een stier en wederom hebt gij mij laten dooden”.
Later, toen zij met den Pharaoh aan tafel zat, liet zij hem een anderen eed zweren, om, wat zij ook vragen zou, uit te voeren en de Pharaoh zwoer wederom. Daarop zeide zij: “Laat deze twee boomen omhakken en maak er twee balken uit”.
Haar verzoek werd ingewilligd, doch toen de twee boomen omgehakt werden, vloog een splinter in haar mond. Na een tijd bracht zij een kind, van het mannelijk geslacht, voort, dat de Pharaoh buitengewoon liefhad en Prins van den Boven-Nijl maakte; toen Pharaoh stierf, volgde Bitou, want hij was dit kind, hem op. Daarna riep hij alle hooge ambtenaren op, liet zijn vrouw voor zich brengen en vertelde hun alles, wat geschied was. Daarna werd zij ter dood gebracht.
Bitou regeerde nog twintig jaren; daarop regeerde zijn broer Anapou, dien hij tot zijn opvolger aangesteld had, in zijn plaats.
De vervloekte Prins.
Deze geschiedenis kan men in den Harris Papyrus, in het Britsch Museum, vinden. Toen zij voor het eerst ontdekt werd, was zij compleet, doch een ongelukkig toeval vernietigde haar gedeeltelijk, zoodat het eind der geschiedenis verloren gegaan is. Men vermoedt, dat zij uit het einde der 18e dynastie dateert.
Er leefde eens een koning, die bedroefd in zijn hart was, omdat hem geen zoon geboren was. Hij bad tot de goden, hem zijn wensch te vervullen en zooals hij gebeden had, besloten zij, hem ter wille te zijn. Zijn vrouw bracht een zoon ter wereld.
Toen de Hathors over zijn lot beslissen zouden, zeiden zij: “Zijn dood zal door een krokodil, een slang, of een hond plaats hebben.” Zij, die rondom stonden, haastten zich, toen zij dit hoorden, het aan den koning te vertellen; deze was hierover zeer bedroefd en bevreesd.
Met het oog op hetgeen hij gehoord had, liet hij een huis op de bergen bouwen, richtte het rijkelijk in, met alles, wat men begeeren kon, opdat het kind nooit op reis zou behoeven te gaan.
Toen de knaap grooter geworden was, ging hij op zekeren dag naar het dak en van hieruit zag hij op den weg een hond, welke een man volgde. Daarop richtte hij zich tot zijn bediende en zei: “Wat is dat, wat dien man op den weg volgt?” Men vertelde hem, dat dit een hond was.
Terstond begeerde het kind een hond te hebben en toen men den koning zijn verlangen vertelde, kon hij hem dit niet weigeren, uit vrees, dat zijn hart bedroefd zou zijn.
Terwijl de tijd voortsnelde en het kind tot een man opgroeide, werd hij weerspannig en toen men hem het besluit der Hathors vertelde, zond hij terstond een boodschap naar zijn vader en zei: “Komaan, waarom word ik als een gevangene behandeld? Hoewel ik tot drie ongelukken veroordeeld ben, laat mij toch aan mijn verlangens toegeven. Laat God zijn wil vervullen”.
Na dezen tijd was hij vrij en deed hetzelfde als de andere menschen. Men gaf hem wapens en men stond toe, dat zijn hond hem volgde; zij brachten hem naar het Oostelijke land en zeiden tot hem: “Zie, gij zijt vrij om te gaan, waarheen gij wilt”.
Hij richtte zich daarop naar het Noorden, terwijl zijn hond hem volgde en zijn ingeving bepaalde zijn weg. Zij leefden van het uitgezochtste wild der woestijn. Daarop kwamen zij bij den vorst van Nahairana. Deze had slechts één kind, een dochter. Voor haar had hij een huis met zeventig vensters, welke zeventig el van den grond verwijderd waren, laten bouwen. Hier had de vorst alle zonen van de vorsten uit het land Khalu laten brengen en tot hen gezegd: “Hij die één van de vensters bereiken kan van het paleis van mijn dochter, zal haar tot vrouw krijgen”.
Eenigen tijd, nadat de vorst dit bekend had laten maken, was de prins aangekomen en het volk van den vorst van Nahairana nam den jongeling op en behandelde hem met groote onderscheiding en vriendelijkheid.
Toen hij van hun voedsel genuttigd had, vroegen zij hem, vanwaar hij gekomen was. Hij antwoordde hun: “Ik kom uit Egypte; ik ben de zoon van een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd, doch deze begon, toen zij zelf kinderen kreeg, mij te haten. Daarom ben ik haar tegenwoordigheid ontvlucht”. Toen zij dit hoorden, waren zij bedroefd over hem en omhelsden hem.
Op zekeren dag vroeg hij de jongelingen, die aan het klimmen waren, wat zij daar uitvoerden. En toen zij hem vertelden, dat zij één der vensters trachtten te bereiken, om aldus de prinses tot vrouw te krijgen, besloot hij, het waagstuk eveneens te beproeven, want uit de verte had hij het gezicht van de prinses, die vanuit haar venster naar hem gekeken had, gezien.
Hij klom werkelijk naar boven en bereikte het venster. De prinses was zoo verheugd, dat zij hem omhelsde en kuste. Zij zond ook, in de meening, het hart van haar vader te verblijden, een boodschap naar dezen en liet hem het volgende berichten: “Eén van de jongelingen heeft het venster bereikt”. De vorst liet vragen, wie van de jongelingen dit volvoerd had en men vertelde hem, dat het de vluchteling uit Egypte was.
Op dit bericht werd de vorst toornig en beweerde, dat zijn dochter voor een Egyptisch vluchteling geen partij was. “Laat hem daarheen gaan, vanwaar hij komt”, riep hij uit.
Een dienaar haastte zich den jongeling te waarschuwen, doch het meisje hield hem vast en wilde hem niet laten gaan. Zij zwoer bij de goden en zei: “Bij Ra Harakhti, indien hij van mij weggenomen wordt, zal ik noch eten, noch drinken en dan zal ik sterven”.
Men vertelde den vader haar gelofte en toen deze dit hoorde, zond hij iemand om den jongeling te dooden, wanneer hij zich in zijn huis bevinden zou. De prinses echter, had hiervan een voorgevoel en zei wederom: “Bij den grooten god Ra, indien hij gedood wordt, zal ik, voor het ondergaan der zon, sterven. Indien ik van hem gescheiden word, wil ik niet langer leven”.
Wederom bracht men haar woorden aan den vorst over. Hij liet daarop zijn dochter en den jongeling voor zich brengen; in den beginne was deze bevreesd, doch de vorst omhelsde hem hartelijk en sprak: “Vertel mij, wie gij zijt, want nu zijt ge even goed als een zoon van mij”.
Hij antwoordde: “Ik kom uit Egypte, ik ben de zoon van een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd; deze begon mij, toen zij kinderen kreeg, te haten. Daarom ben ik voor haar aangezicht gevlucht”.
Daarop gaf de vorst hem zijn dochter tot vrouw; hij gaf hem een huis, slaven, land, vee en alle andere goede gaven.
Er verliep een tijd. Op zekeren dag vertelde de prins zijn vrouw over zijn noodlot en zeide: “Drie kwade dingen zijn mij beschoren, namelijk te sterven door een krokodil, een slang, of een hond”. Haar hart vervulde zich, op het hooren van deze woorden, met groote vrees. Zij sprak daarop tot hem: “Laat dan iemand den hond, welke u volgt, dooden”.
Hij vertelde haar echter, dat dit onmogelijk was, want hij had dezen zelf grootgebracht.
Ten laatste wenschte de jongeling naar Egypte te reizen en zijn vrouw, voor hem bezorgd, wilde hem niet alleen laten gaan, en daarom ging zij met hem mede.
Zij kwamen bij een stad en daar was de krokodil der rivier. Nu leefde er in die stad een groot en machtig man en deze bond den krokodil vast en liet niet toe, dat deze ontsnapte. Wanneer hij vastgebonden was, voelde de machtige man zich rustig en wandelde naar buiten. Als de zon opkwam, ging de man weer naar zijn huis terug en dit deed hij iederen dag, twee maanden lang.
Hierna, toen de tijd voorbijging, zat de jonge man op zijn gemak, in zijn huis. Toen de nacht inviel, legde hij zich op zijn legerstede en de slaap overviel hem. Zijn vrouw vulde hierop een beker met melk en zette dezen naast hem. Daar kwam een slang uit een hol te voorschijn en beproefde den man te bijten, doch zijn vrouw zat naast hem en hield de wacht.
Toen de bedienden de slang zagen, gaven ze haar melk te drinken en zij dronk deze op en legde zich op haar rug. Toen de vrouw dit zag, doorboorde zij de slang met haar dolk. Hierna ontwaakte haar echtgenoot en was zeer verbaasd, toen hij dit alles hoorde. “Zie”, zei zij tot hem, “uw god heeft u een van uw kwaden in uw hand gegeven. Zonder twijfel zal hij u ook de twee andere geven”.
De jonge man bracht daarop offers aan de goden en prees hen voortdurend.
Op zekeren dag, na deze gebeurtenis, wandelde de jonge man buiten in zijn landerijen en zijn hond volgde hem. Deze zat wild achterna en hij volgde den hond, welke zich in de rivier stortte. Hij ging eveneens in de rivier, doch daar kwam de krokodil plotseling te voorschijn en deze nam hem mee naar de plaats, waar de machtige man leefde. En terwijl de krokodil hem voortsleurde, zei hij tot den jongen man: “Zie, ik ben uw kwaad, dat u volgt”....
Hier is de papyrus zoo buitengewoon verminkt, dat wij waarschijnlijk nooit te weten zullen komen, wat er met den prins gebeurde. Werd hij ten slotte door den krokodil verslonden? Of bracht zijn trouwe hond hem in nog ernstiger gevaren? Laat ieder gerust het einde aan het verhaal maken, dat hij wenscht!
Het Bezoek van Ounamounou aan de kust.
Op den 16en dag van de 13e maand, de oogstmaand, ging Ounamounou, de opperpriester van den tempel van Ra, op reis, om hout te koopen voor het vervaardigen van de heilige boot van de goden.
“Toen ik in Tanis kwam”, zegt hij, “vaardigde ik de edicten van Ra uit; dezen lazen zij en besloten, hieraan te gehoorzamen. Ik bleef tot de 14e maand, Shomou, te Tanis; toen ging ik scheep naar de Syrische zee. Toen het schip te Dora, een stad van Zakkala aankwam, zond de vorst van de plaats, Badil, mij brood, vleesch en wijn.
In deze plaats deserteerde een van van het vaartuig en nam veel goud en zilver met zich mede. Hierna ging ik naar den vorst en deed hem mijn beklag en zei, dat het geld aan Amen-Ra toebehoorde.
De vorst antwoordde, dat hij niets daarvan af wist, doch indien de roover in zijn land was, zou hij mij uit zijn eigen schatkist schadeloos stellen; indien, in het andere geval, de roover tot mijn gezelschap behooren zou, moest ik daar eenige dagen blijven en in dien tijd zou hij naar den dief een onderzoek instellen.
Negen dagen bleef ik in die haven. Daarop begaf ik mij wederom naar den vorst en zei tot hem: “Gij hebt het gestolen geld nog niet gevonden. Ik moet echter vertrekken. Indien gij, in mijn afwezigheid, het geld vinden zult, bewaar het dan tot mijn terugkomst”. Dit werd tusschen ons aldus afgesproken.
Daarop scheepte ik mij weer in en bereikte Tyrus; aan den vorst van die stad, vertelde ik wederom mijn verlies, doch daar hij een vriend van Badil was, wilde hij niet naar mij luisteren en bedreigde mij. Bij het aanbreken van den dag, zetten wij koers in de richting van Byblos en op weg daarheen, haalde ons een schip van Zakkala, dat een kist aan boord had, in.
Toen ik de kist opende, ontdekte ik geld en nam dit in bezit. Ik zei tot hen, dat ik het nemen en bewaren wilde, totdat mijn gestolen geld mij teruggegeven was. Toen zij zagen, dat ik vastbesloten was, schikten zij zich in den toestand en verlieten mij; ten slotte bereikten wij Byblos.
Daar ging ik uit het schip en nam den naos, welke het beeld van Amen-Ra bevatte en ik had den schat daarin gedaan. De vorst van Byblos echter, verzocht mij, weg te gaan. Ik zei tot hem: “Is dit, omdat de mannen van Zakkala u verteld hebben, dat ik hun geld genomen heb? Dat geld is het mijne, want in hun haven werd het goud van Amen-Ra gestolen”. Gedurende negentien dagen bleef ik in hun haven en iederen dag zond de vorst mij een boodschap, met het verzoek, te vertrekken.
Op zekeren avond, toen de vorst van Byblos aan zijn goden offerde en één voor hem danste, bespotte hij mij en verzocht mij, mijn god levend te maken.
Dien nacht ontmoette ik een man, wiens schip voor Egypte bestemd was en ik belastte hem met alles, wat op mij betrekking had. Ik zei tot hem, dat ik mij in wilde schepen en, zonder dat iemand het merkte, vertrekken wilde en dat ik niet twijfelde, of de goden zouden over mij waken.
Terwijl ik aldus redeneerde, kwam de havenmeester bij mij en zei: “Blijf, het is de wil van den vorst”. Ik antwoordde hem: “Zijt gij het niet, die mij iederen dag de boodschap bracht, te vertrekken en mij nooit verzocht te blijven? Hoe komt het, dat gij dit thans wel doet?”
Hij keerde zich om, liet mij staan en ging naar den vorst, die daarna een boodschap zond aan den kapitein van het schip en hem verzocht tot morgen te blijven.
Den volgenden morgen verzocht hij mij, naar het paleis te komen, waar hij zich ophield en dat dicht bij de zee gelegen was. Ik werd naar zijn kamer gebracht en daar vroeg hij mij, hoe lang ik op reis geweest was. Ik antwoordde: vijf maanden, doch hij wantrouwde mij en vroeg, waar de voorschriften van Amen-Ra waren, welke ik in mijn hand behoorde te hebben en waar de brief van den hoogepriester was.
Ik vertelde hem, dat ik dezen aan de andere vorsten gegeven had. Hij werd boos en zei, dat ik zonder bewijzen kwam; wat belette hem, den kapitein van het schip te bevelen, mij te dooden? Wederom antwoordde ik, dat ik uit Egypte gekomen was, om hout voor de heilige bark te koopen. Daarop vertelde hij, dat men vroeger uit Egypte gekomen was, in alle statie, om de stad te bezoeken.
Na een lang twistgesprek met den prins en nadat ik hem verteld had, dat, als hij de bevelen van Amen-Ra volbracht had, vele goede dingen hem geworden zouden, aarzelde hij nog. Daarop vroeg ik, of ik een bode naar de andere vorsten, Smendes en Tantamounou, zenden mocht; hij zou dan zien, hoe zij mijn verzoek beantwoorden zouden en mij helpen.
Het scheen, dat de vorst van gedachte veranderde, want nadat hij mijn brief aan zijn bode gegeven had, beval hij, een schip met hout te bevrachten, zeven stukken in het geheel en het mede te nemen naar Egypte.
Zijn bode ging naar Egypte en keerde in de eerste maand van den winter terug. Spoedig zonden de vorsten, Smendes en Tantamounou, mij schepen, met verschillende giften beladen. Toen de vorst dit zag, was hij verheugd en spoedig daarop liet hij veel hout voor mij hakken.
Toen dit geschied was, zei hij, dat hij dat, wat zijn voorvaderen gedaan hadden, eveneens verricht had en hij bevel gegeven had, het hout in een schip te laden. Hij zei tevens, dat ik niet behandeld was als de gezanten van Khamois, die 17 jaar in het land geleefd hadden en daar gestorven waren. Terwijl hij zich tot een hoveling wendde, verzocht hij hem, mij hun graf te toonen. Ik koesterde echter volstrekt geen verlangen, dit te zien en sprak dit ook uit. Ik sprak daarbij: “De boden van Khamois behoorden slechts tot zijn huishouding, ik echter kwam als bode van den grooten god Amen-Ra”.
Hier verzocht ik hem, een zuil op te richten en het volgende opschrift daarop te laten graveeren:
“Amen-Ra, de groote god der goden, zond mij een goddelijken bode, tezamen met Ounamounou, als zijn menschelijken gezant, om hout te halen voor de heilige bark. Ik liet hiervoor drie boomen omhakken en verschafte de vaartuigen, om het daarop naar Egypte te brengen. Ik deed dit om de onsterfelijkheid van den grooten god Amen te verkrijgen”.
“En”, vervolgde ik, “een bode zal uit het Egyptische land komen, die uw naam op den zuil lezen zal en gij zult het water van Amenti, evenals de goden, ontvangen”.
Hij zei daarop: “Dat is iets wonderlijks, wat gij mij vertelt”. Daarop verhaalde ik hem, dat ik, als ik teruggekeerd was, den hoogepriester van Amen in kennis zou stellen, dat hij, de vorst, alles gedaan had, wat hem bevolen was en dat hij ongetwijfeld de giften ontvangen zou.
Toen ik mij naar de kust begaf, waar het hout ingeladen werd, zag ik elf vaartuigen, welke uit Zakkala gezonden waren, om mij gevangen te nemen en mij te verhinderen, Egypte te bereiken. Daarop was ik bedroefd en protesteerde en een bode van den vorst naderde mij en sprak: “Wat hindert u?”
Ik legde hem uit, wat mij bedreigde en hij ging naar den vorst en vertelde het en deze was zeer bedroefd. Om mij moed te geven, zond hij mij giften, bestaande uit voedsel en wijn en tevens een zanger, Tantnouit, want hij dacht, dat zijn gezangen mijn verdriet zouden kunnen verjagen. De boodschap, welke hij mij brengen liet, luidde: “Eet, drink en wees niet verdrietig. Gij zult morgen mijn plannen hooren.”
Toen de dag aangebroken was, riep de vorst zijn mannen bijeen; dezen gingen naar de mannen van Zakkala, spraken met hen en vroegen hen naar het doel van hun komst. Zij antwoordden, dat zij gekomen waren, om de vaartuigen en hun schelmachtige bemanningen, in bezit te nemen. Hij antwoordde: “Ik heb geen macht, den bode van Amen-Ra in mijn land gevangen te nemen. Ik zal hem laten gaan en daarna kunt gij met hem naar goeddunken handelen.”
Ik scheepte mij in en verliet de haven en de wind deed mij koers zetten naar het land Alasia. Daar kwam het volk van de stad op mij af, om mij te dooden en sleepte mij naar Hatibi, de vorstin van de stad. Ik keek naar de menschen rondom mij en vroeg of er niet één was, die Egyptisch verstond. Eén trad daarop naar voren en zei, dat hij het verstond. Ik zei nu, dat ik gehoord had, dat, zoo ergens, men in Alasia gerechtigheid kon vinden en zij thans op het punt waren, een onrecht te plegen. De vorstin liet vragen, wat ik gezegd had.
Wederom sprak ik en verdedigde mij, dat zij mij niet mochten dooden, daar de wind mij naar hun land gedreven had, want ik was in waarheid een bode van god Amen-Ra. Daarop trachtte ik hun duidelijk te maken, dat, indien mij eenig letsel zou overkomen, men mij zou wreken. Terwijl de vorstin haar mannen riep en hen trachtte over te halen, hun booze plannen te laten varen en tot mij zei: “Wees niet bevreesd”....
Hier eindigt de papyrus. Het is zeer te bejammeren, dat wij niet te weten komen, hoe Ounamounou het inrichtte, naar Egypte terug te keeren, doch wij kunnen er verzekerd van zijn, dat iemand van zulk een vindingrijkheid en vastberadenheid, om niet te zeggen uithoudingsvermogen, in alles, wat hij wenschte, geslaagd is.
De Geschiedenis van Rhampsinites.
De oudste vorm van deze legende is ons door Herodotus overgeleverd. Zij komt in de oude folklore, zoowel van Oostelijke als Westelijke volken, voor en over haar oorsprong heeft men dikwijls geredetwist.
Al is zij ook niet werkelijk Egyptisch van oorsprong, dan is zij toch zeker ver-Egyptischt, toen Herodotus haar ontdekte.
De legende dan vertelt, dat koning Rhampsinites zooveel schatten bezat, dat geen enkele van zijn opvolgers hem overtrof, of nabij kwam.
Om deze schatten veilig te bewaren, had hij een oogenschijnlijk onneembaar steenen huis laten bouwen en hierin had hij zijn geheelen rijkdom laten opbergen. De architect echter, die het huis gebouwd had, wist, door een slim plan, zich toegang tot het gebouw te verschaffen. Hij deelde een van de steenen in twee stukken, zoodat een deel van zijn plaats genomen kon worden; de twee stukken waren echter zoo kunstig tegen elkaar geplaatst, dat zij een geheel effen oppervlak vertoonden, alsof zij een enkelen steen vormden.
Voor zijn dood stelde de bouwmeester zijn twee zonen met het geheim van de schatkamer op de hoogte en na zijn dood talmden zij niet lang, hun wetenschap in praktijk te brengen. ’s Nachts gingen zij naar het gebouw, vonden den steen zonder veel moeite, draaide dezen om, stalen een groote som gelds en brachten den steen weer in zijn vroegeren toestand.
De schatkamer van Rhampsinites.
Evelyn Paul.
Toen de koning bemerkte, dat dieven een bezoek aan zijn schatkamer gebracht hadden, stelde hij een val op. In zekeren nacht kwamen de broers, als gewoonlijk en één van hen raakte in den val vast. Toen hij het gevaar, waarin hij verkeerde, bemerkte, riep hij zijn broer en sprak tot hem: “Wij beiden zullen omkomen en de schat zal voor ons verloren zijn, als jij niet mijn hoofd afsnijdt en het medeneemt, zoodat niemand ons als de dieven herkennen zal.
Toen de koning nu den romp zonder hoofd vond, was hij nog meer met de zaak verlegen, want er was geen spoor van in- of uitgang uit de schatkamer te ontdekken; daarom bedacht hij het volgende: hij liet het lijk op den muur van de stad plaatsen, zette er een wacht bij en gaf aan deze de opdracht, goed acht te geven, of een van de voorbijgangers eenige sporen van verdriet vertoonde, wanneer hij langs het lijk ging. Deze handelwijze was niet in overeenstemming met de gewoonte der Egyptenaren, daar zij gewoonlijk te veel eerbied voor de dooden hadden, om dit toe te staan. Zelfs in geval een misdadiger terecht gesteld werd, gaf men het lijk aan de verwanten terug, om het te laten balsemen.
Desniettemin achtte Rhampsinites zichzelf gerechtigd, een dergelijken maatregel te nemen. Het lijk werd tentoongesteld en de moeder, hoewel zij geen enkel teeken van droefheid gegeven had, toen zij voorbij het lijk ging, drong toch bij haar anderen zoon aan, het lijk van zijn broer bij haar te brengen; zoo niet, dreigde zij hem, het geheim aan den koning te zullen openbaren.
Daar de zoon zag, dat hij zijn moeder gehoorzamen moest, bedacht hij een krijgslist. Hij zadelde eenige ezels en belaadde hen met eenige geitenleeren zakken, met wijn gevuld (leeren zakken gebruikte men in Egypte meestal voor water alleen, terwijl men wijn in kleine kruiken bewaarde). Daarop dreef hij zijn ezels langs de wachters en toen hij voorbijging, maakte hij ongemerkt een van de zakken los; toen de wijn over den grond stroomde, begon hij zich op het hoofd te slaan en groot misbaar te maken.
De wachters kwamen snel met emmers aanloopen, om het kostbare vocht te redden; zij kwamen zelfs op vertrouwelijken voet met den dief en gaven hem voedsel; in ruil hiervoor offerde hij hun een van zijn zakken wijn.
Allen zetten zich daarop bij elkaar, om wijn te drinken en toen zij door den wijn in een vroolijke stemming kwamen, gaf hij hun ook nog den overigen wijn; ten slotte werden zij allen dronken.
Het is onnoodig te zeggen, dat de dief zich alle moeite gegeven had, nuchter te blijven. Toen de wachters in diepen slaap gedompeld waren, wachtte hij, totdat de nacht ingevallen was, maakte het lijk van zijn broer los en nam het op de ezels mee naar het huis van zijn moeder. Bovendien had hij, nadat hij de wachters verliet, al het haar aan de eene zijde van hun gezicht afgeschoren.
Toen de koning van deze schelmenstreek hoorde, was hij buiten zichzelf van woede en vastbesloten, op alle mogelijke manieren den bewerker te ontdekken, verzon hij het volgende plan. Hij beval aan zijn dochter, de prinses, ieder man uit het land, zonder onderscheid, bij zich te ontvangen en hem iedere gunst toe te staan, welke hij van haar vroeg, doch eerst moest hij haar vertellen, wat het slimste en behendigste was, dat hij ooit gedaan had. Indien de dief dan zijn slim plan vertellen zou, moest zij hem vasthouden, voordat hij ontsnappen kon.
De prinses was bereid te doen, wat haar vader haar vroeg, doch de dief, die heel goed begreep, wat de koning in zijn schild voerde, besloot hem voor den derden keer in list te overtreffen.
Hij sneed een arm van zijn dooden broer af, verborg dezen onder zijn kleeren en vroeg, bij de prinses toegelaten te worden. Toen zij daarop tot hem dezelfde vraag richtte als tot alle andere bezoekers, vertelde hij haar eerst, dat hij het hoofd van zijn broer afgesneden had, toen deze zich in den val bevond en daarop vertelde hij haar verder, dat hij de wachters dronken gemaakt had en het lijk van zijn broer medegenomen had.
Toen zij dit hoorde, gaf zij een schreeuw en trachtte hem te grijpen; hij echter legde de hand van den doode in haar hand, deze greep zij stevig vast, in de meening dat het die van den dief was en op deze wijze kon hij ongemerkt uit de kamer, welke donker was, ontsnappen.
De koning gaf thans toe, dat hij geslagen was; hij liet bekend maken, dat hij den dief kwijtschelding van straf schonk en groote belooningen wilde schenken aan den man, die hem op zoo’n brutale wijze verschalkt had. De dief vertrouwde op dit woord van den koning, meldde zich bij dezen aan en ontving niet alleen, wat Rhampsinites beloofd had, doch tevens de hand der prinses, omdat hij den dief voor den slimsten aller menschen hield, daar hij de Egyptenaren, die op hun slimheid prat gingen, daarin nog overtroffen had.
Burgeroorlog in Egypte. Het gestolen Harnas.
Onder de regeering van den Pharaoh Petoubastis waren de Delta en een groot gedeelte van Beneden-Egypte, in twee partijen verdeeld; de eene werd door Kamenophis, vorst van Mendes, aangevoerd en de andere door den koning-priester van Heliopolis, Ierharerou en zijn bondgenoot, Pakrourou, den grooten bevelhebber van het Oosten.
Slechts vier nomen van Midden-Egypte waren aan Kamenophis onderworpen, terwijl Ierharerou er in geslaagd was, of zijn kinderen, of zijn verwanten, in de meeste andere nomen te vestigen.
Nu bezat Ierharerou een harnas, waaraan hij groote waarde hechtte en dat over het algemeen als een talisman beschouwd werd. Bij zijn dood maakte Kamenophis van den algemeenen rouw en verwarring, in Heliopolis, gebruik, nam het harnas en plaatste het in een van zijn vestingen.
Prins Pimoni “de kleine” (“Pimoni met de sterke vuist”, zooals hij somtijds in het verhaal genoemd wordt), de opvolger van Ierharerou, wenschte het harnas terug te hebben. Kamenophis echter weigerde dit en hierdoor ontstond een strijd, waarin alle provincies gewikkeld werden.
Pimoni en Pakrourou wendden zich beiden tot koning Petoubastis en verzochten zijn toestemming, zich op Kamenophis te wreken; de Pharaoh echter, die begreep, dat dit den burgeroorlog ontketenen zou, deed zijn best, Pimoni af te raden, stappen tegen Kamenophis te ondernemen en verbood hem zelfs, zijn plannen uit te voeren; als vergoeding beloofde hij een schitterende begrafenis voor Ierharerou.
Onwillig gehoorzaamde Pimoni voor het oogenblik, doch toen de begrafenisplechtigheden achter den rug waren, woedde de haat in zijn binnenste voort en hij en Pakrourou, “de groote aanvoerder van het Oosten”, richtten zich nogmaals naar het hof van Petoubastis, in Tanis. Hij ontving hen thans onwillig en vroeg hen, waarom zij hem voor de tweede maal lastig vielen en verklaarde, dat hij niet zou toelaten, dat er gedurende zijn regeering een burgeroorlog uitbrak.
Zij namen hiermede echter geen genoegen en zeiden, dat zij niet met het feest, dat op de begrafenisplechtigheden van Ierharerou moest volgen, door konden gaan, indien het harnas niet aan den rechtmatigen eigenaar teruggegeven was.
Phaoraoh zond hierop een bode naar Kamenophis en verzocht hem dringend, het harnas terug te geven, doch hij weigerde dit hardnekkig.
Daarop sprak Pimoni: “Bij Tem, den heerscher van Heliopolis, den grooten god, mijn god, indien het niet uit eerbied voor het besluit van den Pharaoh was, zou ik u op staanden voet dooden”.
Kamenophis antwoordde: “Bij het leven van Mendes, den grooten god, de oorlog, welke in de nomen uit zal breken, de strijd, welke uit zal barsten in de stad, zal den eenen stam tegen den anderen en den eenen man tegen den anderen aanzetten, voordat het harnas uit de vesting, waar ik het gelegd heb, te voorschijn zal gebracht worden.
Oorlogsverschrikkingen.
Pakrourou sprak daarop tot den koning: “Is het rechtvaardig, wat Kamenophis gedaan heeft en worden de woorden, welke hij zooeven gesproken heeft, niet geuit, om ons toornig te maken, zoodat wij onze krachten met de zijne meten moeten? Ik zal maken, dat Kamenophis en de nomen van Mendes, zich over deze woorden, welke uitgesproken zijn, om den burgeroorlog uit te lokken, welken de Pharaoh verboden heeft, zullen schamen; ik zal hen met oorlog verzadigen. Ik zei niets, omdat ik wist, dat de koning den oorlog niet wenschte; indien de koning echter neutraal blijft, zal ik mij niet langer stil houden en de koning zal alle verschrikkingen van den burgeroorlog zien”.
De Pharaoh antwoordde: “Wees noch pralend, noch bevreesd, Pakrourou, groote aanvoerder van het Oosten; laat nu ieder uwer naar zijn nomen en steden in vrede gaan; geef mij slechts 5 dagen en ik zweer bij Amen-Ra, dat ik zal maken, dat het harnas op de plaats, vanwaar het genomen werd, terugkomt”.
Pimoni zei daarop, dat, als het harnas op zijn plaats werd gebracht, er niet meer over gesproken zou worden en er geen oorlog zou zijn; indien het echter gehouden werd, zou hij er voor strijden, zoo noodig tegen geheel Egypte.
Kamenophis vroeg daarop eerbiedig toestemming aan den Pharaoh, zijn mannen te wapenen en met hen naar het Gazellenmeer te gaan, om zich gereed te maken te strijden. Dit werd hem toegestaan.
Daarop zond Pimoni, die door Pakrourou moed gevat had, boodschappen van gelijk gewicht naar al zijn nomen en steden. Pakrourou raadde hem daarop, zich naar het Gazellenmeer te haasten en daar te zijn, voordat Kamenophis al zijn mannen verzameld had; Pimoni volgde zijn raad op en was met slechts een kleinen troep het eerst in het veld met de bedoeling te wachten tot zijn broers, aan het hoofd van hun respectievelijke troepen, zich met hem vereenigen zouden.
Het bericht hierover bereikte Kamenophis en haastig wapende hij zijn vier nomen Tanis, Mendes, Tahait en Sebennytos. Bij het meer gekomen, daagde hij Pimoni terstond tot den strijd uit en Pimoni nam de uitdaging terstond aan, hoewel zijn overige strijdkrachten nog niet aangekomen waren.
Pimoni trok daarop een hemd van byssus aan, met zilver en goud geborduurd, hierover een tweede hemd van goudlaken; eveneens trok hij zijn koperen borstharnas aan en droeg twee gouden zwaarden; daarna zette hij zijn helm op en trok op, om Kamenophis te ontmoeten.
Terwijl zij aan het strijden waren, rende Zinonfi, de jonge dienaar van Pimoni, weg, om naar de strijdkrachten uit te zien, welke op komst waren, om Pimoni te helpen; spoedig ontdekte hij een zoo groote vloot, dat de rivier ternauwernood alle schepen kon bevatten.
Het was het volk van Heliopolis, dat zijn aanvoerder te hulp kwam. Zoodra zij op gehoorsafstand gekomen waren, schreeuwde Zinonfi hen toe zich te haasten, daar Pimoni door Kamenophis in het nauw gebracht werd. Dit was inderdaad waar, want zijn paard was onder hem gedood.
Kamenophis verdubbelde zijn krachtsinspanning, toen hij zag, dat er versche troepen aankwamen, en Petekhousou, de broer van Pimoni, daagde Anoukhoron, den zoon van den koning, tot een tweegevecht uit. In eigen persoon ging hij naar het slagveld en verbood de strijders vooruit te gaan, en kondigde een wapenstilstand af, totdat alle strijdmachten verzameld zouden zijn.
Petoubastis en al de aanvoerders namen hooggelegen posities in, zoodat zij in het oog konden houden, wat geschiedde; de mannen waren even ontelbaar als het zand van de kust, en de woede tegen elkander was niet te bedwingen. De troepen der vier nomen werden achter Kamenophis opgesteld en die van de nomen van Heliopolis achter Pimoni den kleinen.
Daarop gaf Petoubastis een teeken aan Pakrourou, wapende zich zelf en begaf zich onder de strijdkrachten, terwijl hij hen allen tot dappere daden aanzette; hij vuurde den eenen man tegen den anderen aan, en groot was de strijdwoede, welke hij onder hen opwekte.
Hulp van Pakrourou.
Nadat Pakrourou het strijdgewoel verlaten had, ontmoette hij een man, machtig in de wapenen, die veertig galeien en 8000 soldaten aanvoerde. Het was Moutoubaal, een Syrisch vorst, in een droom gewaarschuwd, zich naar het Gazellenmeer te begeven, om mede te helpen het gestolen harnas te hernemen.
Pakrourou gaf hem nog geen plaats, ofschoon alle strijdkrachten nu opgesteld werden; hij beval hem zich niet in het gevecht te begeven, voordat zijn tegenstanders—de mannen van Kamenophis—hun vaartuigen aan zouden vallen.
Moutoubaal bleef daarna in zijn schip en Pakrourou ging naar zijn gunstig gelegen positie, om den loop van het gevecht te volgen. De twee partijen vochten vanaf vier uur in den morgen tot negen uur ’s avonds. Tenslotte zwichtte Anoukhoron, de zoon van den koning, onder den druk van de benden van Sebennytos en dezen renden naar de booten.
Daarop maakte Moutoubaal van de gunstige gelegenheid gebruik, trok tegen de benden van Sebennytos op en haalde hen in. Hij ging door, de strijdkrachten van Kamenophis te vernietigen, totdat Pharaoh hem beval op te houden. Daarna ging hij met Pakrourou naar Moutoubaal en verzocht hem, op te houden en beloofde hem, dat hij er voor zorgen zou, dat het schild teruggegeven werd.
Moutoubaal hield daarna op, nadat hij onder de mannen van Kamenophis groote verwoesting aangericht had. Daarop gingen de Pharaoh en Pakrourou naar de plaats, waar men Pimoni in een strijd op leven en dood met Kamenophis gewikkeld vond. Pimoni had de overhand en was op het punt zijn tegenstander neer te slaan, toen zij hem tegenhielden en Pharaoh beval Kamenophis, op te houden met den strijd.
Hierop werd Anoukhoron, de koninklijke prins, door Petekhousou, den broer van Pimoni, ingehaald; de Pharaoh echter kwam tusschenbeide en overreedde Petekhousou, zijn zoon te sparen en aldus kon de jonge man ongedeerd ontkomen.
De koning sprak thans: “Bij Amen-Ra, de scepter is aan de handen van Kamenophis, den vorst van Mendes, ontvallen. Petekhousou heeft mijn zoon overwonnen en de troepen van de vier sterkste nomen in Egypte zijn overwonnen.
Het Schild wordt teruggegeven.
Daarop naderde Minnemai, de vorst van Eupuantine, de zoon van Ierharerou, den priesterkoning, aan wien het schild toebehoord had, uit Thebe, met al zijn strijdkrachten. Zij wezen hem een plaats naast het schip van Takhos, den hoofdman van Mendes aan en het trof toevallig, dat in de galei van Takhos het harnas zelf lag.
Minnemai riep de goden aan hem te helpen het harnas van zijn vader terug te krijgen, en dit zelf te bewerkstelligen. Hij wapende zich zelf, ging naar de galei van Takhos en stiet daar op negen duizend soldaten, die het harnas van Ierharerou, den zoon van Osiris, bewaakten.
Minnemai plaatste 34 wachters bij de voetbrug van de galei om te beletten, dat iemand daaraf ging, en hij viel de soldaten, die het harnas bewaakten, aan. Takhos vocht dapper, en doodde 54 man; ten slotte echter moest hij den strijd opgeven en trok zich naar zijn vaartuig terug, hier volgde Minnemai hem met zijn Aethiopische strijders. De kinderen van Ierharerou ondersteunden hem en zij namen het harnas van Ierharerou.
Aldus werd de wapenrusting genomen en naar haar vroegere plaats teruggebracht. Er heerschte onder de kinderen van Ierharerou en de troepen van Heliopolis groote vreugde. Zij begaven zich naar den Pharaoh en zeiden: “Groote meester, laat de geschiedenis van den strijd om het harnas opschrijven en daarbij de namen van de strijders, opdat de nakomelingen mogen weten, dat er in Egypte om een harnas een oorlog ontstaan is, zoowel in de nomen, als in de steden. Laat de geschiedenis op een steenen zuil in den tempel van Heliopolis graveeren”. Koning Petoubastis deed, zooals hem verzocht werd.
De geboorte van Hatshepsut.
De volgende geschiedenis over de geboorte van Hatshepsut, de groote koningin, de lievelinge van de goden, de heerscheres over alle landen onder de zon, is niet een letterlijke vertaling van den ouden papyrus, welke deze geschiedenis bevat, doch wordt met de eigen woorden van den schrijver weergegeven. De geschiedenis luidt aldus:
In het land der goden hield Amen-Ra zitting. Amen-Ra was koning van de goden en de schepper der menschen. Aan zijn rechterhand bevond zich Osiris, met de tweelinggodinnen Isis en Nephthys, Hathor, de godin der liefde, Horus en Anubis. Aan zijn linkerzijde bevond zich Mentu, de oorlogsgod, met Geb, den god der aarde en Nut, de godin van de lucht, verder de goden Atmu en Shu en de godin Tefnut. Tot de verzamelde goden sprak Amen-Ra als volgt:
“Ik wil een groote koningin, die over Egypte en Syrië, Nubië en Punt heerschen zal, aanstellen, zoodat alle landen onder haar scepter vereenigd zullen zijn. De vrouw moet haar groote bezittingen waardig zijn, want zij zal de geheele wereld beheerschen”.
Terwijl hij sprak, trad de god Thoth binnen, hij, die de gestalte van een ibis had, zoodat hij sneller dan de snelste vogels kon vliegen. Stilzwijgend luisterde hij naar de woorden van Amen-Ra, den machtigsten onder de goden, den schepper der menschen. Daarop sprak hij:
“O Amen-Ra, er bevindt zich in het Egyptisch land een meisje van buitengewone schoonheid. De zon verlicht in haar loop geen schooner wezen. Het is voorzeker gepast, dat zij de moeder van de koningin zal zijn, over wie gij spreekt”.
“Gij spreekt juist”, antwoordde Amen-Ra. “Waar moeten wij echter die schoone prinses vinden? Wat is haar naam”.
“Haar naam is Aahmes”, antwoordde Thoth, “zij is de vrouw van den koning van Egypte en woont in zijn paleis. Ik zal haar tot u geleiden”.
“Het is goed”, sprak Amen-Ra.
Daarop vloog Thoth, in de gestalte van een ibis, naar het Egyptische land en met hem ging Amen-Ra, in de gestalte van den Egyptischen koning, en alle goden en godinnen met hem, onder welke Neith, de godin van Sais en de schorpioen-godin Selk; op haar hoofd bevond zich een schorpioen, welke in iedere klauw het levenssymbool droeg.
Stilzwijgend traden de goden en godinnen het paleis binnen, dat in slaap verzonken was; door Thoth werden zij naar de kamer van koningin Aahmes geleid.
De koningin sliep op een legerstede, in den vorm van een leeuw vervaardigd en toen zij haar aanschouwden, zagen zij, dat Thoth de waarheid gesproken had; zij was inderdaad de schoonste van alle sterfelijke vrouwen en zij stonden sprakeloos door bewondering over haar schoonheid.
De heerlijke reuk echter, welke zij uit het land Punt medegebracht hadden, deed het meisje ontwaken en vol verbazing keek zij naar de bovennatuurlijke wezens. Schitterend was de aanblik van Amen-Ra, den koning der goden, den schepper der menschen, toen hij voor de koningin stond. Kostbare edelgesteenten versierden zijn persoon en zijn schoonheid was aan die van de zon gelijk, zoodat het hart van het meisje verrukt werd.
Amen-Ra legde in haar hand het levensteeken en het embleem der kracht, en de godinnen lichtten haar legerstede op, opdat zij zich boven de aarde zou bevinden, terwijl zij zich met de goden onderhield.
Ten slotte keerden de goden naar het land Punt terug, en Amen-Ra, liet Khnum, den schepper, den maker van de lichamen der menschen, roepen.
“Maak voor mij”, sprak Amen-Ra, “het lichaam van mijn dochter en het lichaam van haar ka. Ik zal van haar een groote koningin maken, en eer en kracht zullen haar deel zijn, al haar levensdagen”.
“O Amen-Ra”, antwoordde Khnum, de schepper, het zal geschieden, zooals gij gesproken hebt. De schoonheid van Uw dochter zal alle goden overtreffen, en zij zal haar aanzien en roem waardig zijn”.
Aldus vormde Khnum het lichaam van Amen-Ra’s dochter en dat van haar ka, terwijl de twee gestalten volkomen aan elkander gelijk waren en schooner dan de dochters van menschen. Hij maakte haar uit leem, aan zijn pottebakkerswiel en Hekt, de godin der geboorte, knielde aan zijn zijde, terwijl zij het levenssymbool bij het leem hield, opdat de lichamen van Hatshepsut en haar ka met den levensadem gevuld zouden worden.
Daarop lieten de goden de lichamen naar het paleis van den Egyptischen koning brengen. Khnum, de schepper en Hekt, de godin der geboorte, Isis, de groote moeder en haar tweelingzuster Nephthys, Bes, de beschermer, der kinderen, Meskhent en Ta-urt, allen waren tegenwoordig om de geboorte van Hatshepsut, de groote koningin, de dochter van Amen-Ra en koningin Aahmes te begroeten.
Groot was de vreugde, toen het kind geboren werd, en luide klonken de liederen, welke te harer eere aangeheven werden. Na verloop van tijd werd zij heerscheres over alle landen, rijk en machtig, bemind door Amen-Ra, de groote koningin, die door den koning der goden geschetst was.
In het Nijldal werd een tempel ter eere van koningin Hatshepsut opgericht. De tempel staat daar nog heden ten dage en is thans bekend onder den naam van Deir-el-Bahari, het Noordelijk klooster.
Hoe Thoutii de stad Joppe nam.
De fragmenten van deze geschiedenis zijn in den Harris Papyrus vervat. Evenals de geschiedenis van den prins, wiens lot voorbeschikt was, werden zij in 1874 door Goodwin ontdekt; deze ontdekte hen in de overblijfselen van een historisch verhaal en stelde de Archaeological Society met zijn vondst in kennis. Het begin is echter verloren gegaan.
Bij het punt, waarop het verhaal begint, zien wij drie hoofdpersonen: een Egyptisch officier, Thoutii genaamd, den vorst van een stad in Syrië en zijn stalmeester. Het verhaal behandelt de inname van Joppe (een stad in Palestina, welke in den Bijbel vermeld wordt) en wel door een krijgslist van Thoutii. De toegepaste list vertoont eenige gelijkenis met die, welke wij in de geschiedenis van den rooverhoofdman in de Duizend en een Nacht verhalen vinden. Het verhaal luidt aldus:
Onder de regeering van Thothmes III, koning van Egypte (18e dynastie), stond de vorst van Joppe op en doodde alle Egyptische soldaten, die zich in zijn stad bevonden.
De tijding hiervan wekte begrijpelijkerwijs de woede van den Pharaoh op, hij riep zijn edelen, generaals en schrijvers bijeen, om te overleggen, wat er gedaan kon worden. Niemand van hen echter wist raad, behalve Thoutii, een schitterend, jong officier van het voetvolk.
“Geef mij”, zoo sprak hij, “een tooverstok, mijn koning, en een troep voetknechten en voerlieden en ik neem op mij, den vorst van Joppe te dooden en de stad te nemen”.
Pharaoh, die den officier hoogachtte en op zijn woorden vertrouwde, stond alles toe, wat hij vroeg, hoewel het niet gering was; de stok toch was een talisman, van wien men dacht, dat hij iedereen, die hem in bezit kreeg, onzichtbaar maken kon.
Thoutii trok daarop met zijn mannen naar Palestina. Daar aangekomen, liet hij een grooten leeren zak maken, groot genoeg om een man te bevatten; tevens had hij ijzeren hand- en voetboeien laten vervaardigen, terwijl één paar bijzonder groot en sterk was; verder jukken van hout en vierhonderd kisten.
Daarop zond hij de volgende boodschap naar den vorst van Joppe: “Ik ben Thoutii, de Egyptische generaal der infanterie. Koning Thothmes was ijverzuchtig op mij, vanwege mijn dapperheid en zocht mij te dooden; ik ben echter ontsnapt en heb zijn tooverstok gestolen; deze is in mijn bagage verborgen en, als gij er niets op tegen hebt, zal ik dezen aan U geven en mijn strijdkrachten, welke het puikje van het Egyptische leger vormen, met de Uwe vereenigen.
Het is te begrijpen, dat de vorst van Joppe dat bericht zeer aangenaam vond, want hij kende den roep, welken van Thoutii uitging, en wist, dat hij in geheel Egypte zijns gelijken niet had.
Hij zond een bericht naar Thoutii, dat hij zijn aanbod aannam en beloofde hem een stuk van zijn gebied. Daarop verliet hij Joppe, nam zijn ruiterij, vrouwen en kinderen met zich, om den man te begroeten, dien hij als een nieuwen bondgenoot aan wilde nemen. Hij verwelkomde hem hartelijk en noodigde hem in zijn kamp, om met hem het middagmaal te gebruiken. In den loop van het onderhoud, terwijl zij aan het eten en drinken waren, vroeg hij Thoutii over den tooverstok. Thoutii antwoordde, dat deze in de bagage, waarmede zijn paarden beladen waren, verzegeld was. Hij verzocht daarop, dat zijn mannen en paarden naar het kamp gebracht zouden worden, om verfrischt te worden en uit te rusten.
Aldus geschiedde; zijn paarden werden gevoerd, de bagage werd onderzocht en de tooverstok werd gevonden.
De List.
Toen de vorst dit hoorde, was hij zeer begeerig, den tooverstok te zien. Thoutii ging dezen daarop halen; plotseling pakte hij daarop den vorst bij diens kleeren vast en sprak: “Ziehier den tooverstok van koning Thothmes” en met dezen hief hij zijn hand op en sloeg den vorst zoo hevig op zijn voorhoofd, dat hij bewusteloos voor hem neer viel. Daarop deed hij hem in den grooten leeren zak, maakte de handboeien aan zijn polsen vast en de voetboeien aan zijn voeten.
Daar het gelaat van den doode onzichtbaar was, was het Thoutii’s doel, het lijk voor het zijne te laten doorgaan. Hij had de tweehonderd soldaten in een even groot aantal van de 400 kisten gelegd, welke hij met zich mede gebracht had en vulde de overblijvenden met de touwen en houten boeien; daarop verzegelde hij dezen, omwond hen met touwen, gaf hen aan verscheidene sterke soldaten en zei het volgende: “Gaat vlug en vertel aan de ruiterij uit Joppe, dat ik gedood ben. Laat de aanvoerder gaan en aan zijn meesteres, de vorstin van Joppe, zeggen, dat Thoutii overwonnen is en dat zij de poorten der stad opent, om het lijk van den overwonnene en de buitgemaakte kisten, welke men van hem afgenomen heeft, in ontvangst te nemen.
De aanvoerder van de ruiterij ontving deze boodschap en vertelde dit bericht ijlings aan zijn meesteres. De poorten der stad werden geopend en Thoutii’s mannen brachten de kisten, welke zijn overige mannen bevatten, in de stad. Daarop bevrijdden zij de inzittenden, de Egyptische strijdkrachten overvielen de inwoners der stad, namen hen gevangen en bonden hen.
Nadat hij tot rust gekomen was, zond Thoutii een bericht naar den Pharaoh en liet zeggen: “Ik heb den vorst van Joppe gedood en alle bewoners van Joppe zijn krijgsgevangen gemaakt. Laat hen naar Egypte vervoeren, opdat uw huis met mannelijke en vrouwelijke slaven, die u steeds zullen toebehooren, gevuld wordt. Laat Amen-Ra, uw vader, de god der goden, verheerlijkt worden.”