WeRead Powered by ReaderPub
Mythen en Legenden van Egypte cover

Mythen en Legenden van Egypte

Chapter 160: Amuletten.
Open in WeRead

About This Book

The work surveys ancient Egyptian religion and mythology, beginning with local cults, animistic and totemic origins, and diverse creation myths that shaped a complex pantheon. It examines major deities and narratives, with emphasis on the Osiris cycle and related funerary beliefs, and describes burial practices, mummification, and pyramid architecture. Social and institutional aspects such as priesthoods, temple ritual, and mystery cults are treated alongside magic, amulets, and popular spells. Chapters explore literature, folklore, animal and tree veneration, art, and the transformations brought by later foreign influences on belief and practice.


1 De Steen van Rosette is in drie soorten schrift geschreven: hieroglyphisch, Demotisch en Grieksch.

2 Eigenlijk moest het van rechts naar links geschreven worden. Alleen voor decoratieve doeleinden werd het van rechts naar links, of in kolommen geschreven.

3 Of Usertsen.

4 In een ander deel van het manuscript wordt hij Her-tata-f genoemd.

5 Het Demotisch geeft den naam aan als Setne (of Setme), en den naam van het wonderbaarlijke kind als Si-Osiris (kind van Osiris).

6 Het geheel van dit verhaal is in het oorspronkelijke zeer duister.

Magie.

Aan de volken der oudheid scheen het toe, dat Egypte de moeder der magie was. In het geheimzinnige Nijldal vonden zij een magisch stelsel, dat veel meer ontwikkeld was, dan eenig ander in hun eigen omgeving en het scheen, dat de doodenvereering, waarmede de Egyptische godsdienst zoo nauw verbonden was, een magischen bijsmaak bezat. Afgezien van het materiaal der tooverpapyri, zijn de berichten, welke wij over de Egyptische magie bezitten, bijna alle uit den vreemde afkomstig, zoodat het verstandiger is, onze gegevens dienaangaande van de oorspronkelijke bronnen af te leiden, indien wij tot een begrijpen van de Egyptische toovenarij wenschen te geraken.

Het meerendeel van datgene, wat door Egyptologen over Egyptische magie geschreven is, steunt op de veronderstelling, dat magie, of een vorm van godsdienst is, of de grondslag daarvan. Dit is een van de resultaten van den archaeloog, die een terrein betreedt (n.l. dat van de anthropologie), waarin hij gewoonlijk in verlegenheid geraakt.

Wij vinden b.v. dat Maspero beweert, dat: “de oude magie de werkelijke grondslag van den godsdienst vormde. De geloovige, die van een god een gunst wenschte te ontvangen, had geen kans van slagen, tenzij hij zijn handen op den god legde en dit beslag kon alleen door middel van een bepaald aantal riten, offers, gebeden en gezangen plaats vinden, welke de god zelf ontsluierd had en welke hem verplichtte te doen, wat men hem vroeg.”1

Vervolgens hooren wij, dat Dr. Budge beweert, dat wij uit de godsdienstige teksten en werken zien kunnen, dat de magie de helpster der godsdienst geworden is en dat, terwijl niet-Egyptische rassen hun kunstgrepen tegen de machten der duisternis richtten en een klasse van gunstig gezinde wezens aanriepen, de Egyptenaren er naar streefden, de algeheele controle over hun goden te verkrijgen.

Laat ons voor een oogenblik de kwestie van den oorsprong der magie beschouwen. Onder de tegenwoordige anthropologisten bestaat er op dit punt een groote verscheidenheid van opvatting en de werken van Frazer, Marett, Hubert, Mauss e.a., hebben veel licht over een tot dusver duister probleem doen opgaan, hoewel zij over den oorsprong wijd uiteenloopende gezichtspunten hebben.

Alle schrijvers echter over dit onderwerp, schijnen een belangrijk punt over het hoofd gezien te hebben en wel het element van wonderen, dat inderdaad de oorsprong en bron van de magie is. In overeenstemming met alle verschillende scholen der anthropologie, is bijna alle magie van nature medevoelend, of nabootsend.

Om een voorbeeld te noemen: Wanneer een barbaarsch geneesheer wenscht, dat er regen komt, klimt hij in een boom en sprenkelt water op de verschroeide aarde onder zich, in de hoop, dat de godheid, welke voor het weer verantwoordelijk is, hetzelfde zal doen; indien de onwetende zeeman wind wenscht, bootst hij het gieren van den wind na.

Dit systeem is algemeen geldend, doch indien onze conclusies juist gebaseerd zijn, steunen deze handelingen niet op een magische basis. Het moet in het oog vallen, zooals Frazer aangetoond heeft, dat, wanneer de wilde een handeling van medevoelende magie tot stand brengt, hij deze niet als werkelijk magisch beschouwt, dat wil zeggen, zij bevat in het geheel geen wonderlijk element in zijn wijze van denken. Hij beschouwt zijn handeling als een aanleiding, welke het verlangde effect te weeg zal brengen, juist zooals de man der wetenschap van onze dagen gelooft, dat hij resultaat zal hebben, indien hij zich aan bepaalde formules houdt. Nu redeneert de werkelijke magie van wonderen van uitwerking tot oorzaak; zoo kan het schijnen, dat, evenals medevoelende magie zuiver een soort van proto-wetenschap is, te wijten aan geestelijke processen, geheel gelijk aan die, waardoor wetenschappelijke wetten gevormd worden en wetenschappelijke handelingen verricht worden, er een geest van zekerheid bestaat, welke men b.v. niet in de magie der bezweringen vindt.

Het zou echter te overijld zijn, medevoelende magie geheel en al te scheiden van die, welke ik magie van wonderen zou willen noemen; onze kennis van de grondwetten der magie is inderdaad te gering, om een dergelijke handelwijze te rechtvaardigen.

Wij vinden tusschen de stelsels belangrijke aanknoopingspunten. Een van de manieren b.v. waarop boosgezinde menschen zichzelf in weerwolven veranderen kunnen, bestaat hierin, dat zij zich omgorden met een gordel van wolfsvel.

Wij zien dus, dat bij dit voorbeeld de werkelijke wonder-magie, om zich in een dier te veranderen, in zekere mate met het medevoelende proces verbonden is, daar het denkbeeld bestaat, dat het aantrekken van een wolfsvel, of zelfs het ombinden van een stuk van de huid van het dier, voldoende is de natuur van het dier op den drager zelf over te brengen.

In het voorbijgaan zou ik nog volledigheidshalve op willen merken, dat de magie der wonderen bijna geheel en al spiritistisch van natuur is en dat zij uit bezweringen en dergelijke handelingen bestaat.

Men zou in dit verband tegen mijn redeneering kunnen aanvoeren, dat bepaalde reukwerken, teekens der planeten en andere middelen, van welke men meent te weten, dat zij voor zekere bovennatuurlijke wezens aantrekkingskracht hebben, aangewend worden op het oogenblik, dat zij opgeroepen worden. Nog eens geef ik toe, dat de twee stelsels aanknoopingspunten hebben; dat echter zal mij niet overtuigen, dat zij in wezen dezelfde zijn2.

Oudheid der Egyptische magie.

Evenals alle magie, was die der Egyptenaren van prae-historischen oorsprong. Evenals de onbeschaafde volken van onzen tijd van het medevoelende proces gebruik maken, zoo deden de wilden uit het Egyptisch Steenen Tijdperk eveneens. Dat zij eveneens bekend waren met de spiritistische zijde der magie is zeker. Animisme is de moeder van het spiritisme.

De opvatting over de ziel was op een betrekkelijk laat tijdstip bij den mensch opgekomen. Het verschijnsel van den slaap was hem een raadsel. Waarheen begaf de mensch zich, gedurende de uren van den slaap?

De mensch uit het Palaeolitisch tijdperk keek naar zijn slapenden broeder en het scheen hem toe, dat deze eigenlijk dood was, ten minste met het oog op waarneming en het werkelijke leven. Iets scheen den slaper ontsnapt te zijn, het werkelijk levende en levenmakende element had hem tijdelijk verlaten.

Uit zijn eigen ervaring nu wist de wilde, dat het leven met den slaap niet ophoudt, want in een meer schaduwachtige en onwezenlijke spheer ziet hij de tooneelen van zijn dagelijksch bestaan weer voor oogen.

Indien de mensch, gedurende den slaap, in droomenland, of in ver afgelegen gedeelten, gewaarwordingen had, was de eenige aannemelijke uitlegging van dit feit, dat zijn tweede ik tijdelijk het lichaam verlaten had. Dit toegegeven zijnde, hebt gij twee, van elkander afgescheiden, wezens, lichaam en ziel, in voorkomen gelijk, omdat de laatste in de sfeer der droomen functies verrichtte, welke met die van de eerste in de lichamelijke spheer identisch waren.

De wandelende Geest.

De logica der prae-historische tijden echter stelde zich hiermede niet tevreden. Dit alles vooropstellende, strekte zij haar zielentheorie tot alle levende wezens uit en zelfs tot de onbezielde. Waar gingen b.v. de zielen der menschen, na den dood, heen? Hun lichamen vergingen, daarom was het alleen aannemelijk, dat zij naar andere lichamelijke media voor de ziel zochten. Daar zij niet in staat was, het lichaam van een pasgeboren kind binnen te gaan, nam zij, volgens hun opvatting, haar intrek in een boom, een rots, of een ander passend voorwerp der natuur en de angstige, onbeschaafde mensch meende haar stemmen in het geloei van den wind te ontdekken, of in het ruischen van de bladeren van het woud, terwijl zij waarschijnlijk schreeuwde, of smeekte, om dat voedsel en die beschutting, welke zij in haar onlichamelijken toestand niet verkrijgen kon.

De geheele natuur werd dus voor de eerste menschen bezield en niet alleen voor deze Egyptenaren, maar voor alle prae-historische menschen. Hun leven, voornamelijk aan de jacht gewijd, had hen echter buitengewoon slim en vindingrijk gemaakt en spoedig kwam het bij hen op (op welke manier kunnen wij niet zeggen, daar dit punt nog grootelijks opheldering vereischt), dat zij wellicht van die wandelende en onbeheerde geesten, van welke zij meenden, dat zij op zijn roepen gehoor gaven, gebruik konden maken.

In dit verlangen schijnt het mij toe, (indien de bewering niet oppervlakkig is), dat wij een van de oorsprongen van de magie der wonderen hebben en zeer zeker den oorsprong van het spiritisme. Speculeerende op den wensch van den geest zonder lichaam, om zich te materialiseeren, maakte de prae-historische mensch een fetisch, hetzij in de gestalte van een mensch, of van een dier, of in eenige bovennatuurlijke voorstelling, welke met zijn ideeën over een geestesbestuur overeen kwam.

Gewoonlijk maakte hij dezen fetisch van niet groote afmeting, daar hij niet geloofde, dat zijn tweede ik, of ziel, van een groot formaat was. Door bedreigingen, of vleierijen, had hij de overhand op den wandelenden geest; dezen stelde hij zich, evenals de dooden, koud, hongerig en zonder woning voor; hij dwong hem het kleine beeld binnen te gaan en dit werd zijn lichamelijke woning, terwijl de lippen hiervan op vrome wijze met het bloed van dieren, op de jacht gedood, besmeerd werden en het zelf zorgvuldig vereerd werd. Aan den anderen kant verwachtte men, dat de ziel in den fetisch, door de kracht van haar bovennatuurlijke kennis, haar meester, of helper, op alle mogelijke manieren bij zou staan.

Het bedwingen der Goden.

De Egyptische magie verschilde van de meeste andere stelsels door de omstandigheid, dat de inheemsche toovenaar sommige goden trachtte te dwingen tot een daad ten zijne behoeve.

Voorbeelden hiervan zijn elders zeer zeldzaam en misschien hebben de Egyptische goden, in verschillende gevallen, zich uit zuiver animistische opvattingen ontwikkeld. Dit is inderdaad het geval bij alle godheden, doch de meeste goden komen op een zeker punt in hun geschiedenis tot zulk een hoogte, dat zij zich ver boven de mogelijkheid verheffen, ooit door een toovenaar als ruimer werktuig voor hun persoonlijke doeleinden gebruikt te worden. Dikwijls echter vinden wij de gebroken, of verlaten, godheid door den toovenaar beheerscht.

Beëlzebub kan men als een passend voorbeeld voor deze soort nemen. Een groote reputatie is een hard ding om te verliezen en het is mogelijk, dat de toovenaar in den verlaten en daarom ijdelen, god een passend medium voor zijn doel ontdekt.

Wij vinden echter, dat de Egyptische godheden, door schrikaanjagen, gedwongen zijn hun macht te gebruiken ten behoeve van een nederig tovenaar, zelfs toen zij op het toppunt van hun roem stonden.

Eén ding is natuurlijk onontbeerlijk voor een compleet stelsel van toovenarij en wel het bestaan van een aantal geesten, de overblijfselen van een verdwenen, of in het niet gezonken, godsdienst. Zooals wij weten, waren er verschillende lagen in den Egyptischen godsdienst—meer dan één geloof heeft op de oevers van den Nijl geheerscht—en het kan zijn, dat de vereerders van de godheden van één stelsel, die van een ander als magisch beschouwden, bij de invoering van een nieuw stelsel; dezen kunnen inderdaad afwisselend geweest zijn, en het is mogelijk, dat zij langzamerhand deel kregen aan de gewoonte, welke zoo algemeen was geworden, dat zij onmogelijk in onbruik geraken kon.

Indien onze conclusies juist zijn, is waarschijnlijk de bewering van Maspero, dat de magie de grondslag van den godsdienst is, moeilijk hiermede in overeenstemming te brengen. Wij hebben gezien, dat het grootste deel van de zoogenaamde magie bij de onbeschaafde volken (d.w.z. medevoelende magie) waarschijnlijk in het geheel niet tot de natuur der magie behoort, zoodat de gezichtskring van deze bewering tamelijk verkleind wordt.

Budge’s gezegde, dat de magie van ieder ander volk van het Oude Oosten, behalve die van de Egyptenaren, geheel en al tegen de krachten der duisternis gericht was, en uitgevonden om hun booze plannen te verijdelen, door een klasse van welgezinde wezens aan te roepen, is in zooverre een dwaling, dat de volken uit het Oude Oosten op gelijke wijze kwade en goede wezens aanriepen.

Tevens moet men toegeven, dat de Egyptische magie meer dingen met godsdienst gemeen heeft, dan de meeste andere magische stelsels en dit komt door de buitengewone omstandigheden, waaronder de godsdienst op den Egyptischen bodem zich ontwikkeld heeft.

Krachtnamen.

Een van de meest treffende eigenaardigheden der Egyptische magie was het gebruik van die namen, welke men “krachtnamen” zou kunnen noemen. De wilde stelt zich voor, dat er een zeer groote band tusschen een mensch en diens naam bestaat, dat men inderdaad even gemakkelijk tooverkunst op den man kan uitoefenen door zijn naam, als door het bezit van zijn haar, of zijn nagels.

Isis bezweert Ra haar zijn naam te zeggen.

Evelyn Paul.

De primitieve mensch beschouwt inderdaad zijn naam als een edel deel van zichzelf. Sir John Rhys heeft aangetoond, dat er onder de oude Kelten algemeen het geloof heerschte niet alleen, dat de naam een deel van den mensch uitmaakte, doch het ’t deel van hem was, dat de ziel genoemd wordt en vele barbaarsche stammen uit onze dagen beschouwen hun namen als edele deelen van zichzelf en nemen de zorgvuldigste voorzorgsmaatregelen, hun ware namen te verbergen uit vrees, dat deze aan een heks gelegenheid geeft hun eigenaar leed te doen.

Howitt heeft, in een beschrijving van de Australische medicijnmeesters, aangetoond, dat de inboorling uit Australië gelooft, dat, indien een vijand zijn naam heeft, hij iets heeft, dat hij bij betoovering gebruiken kan ten zijnen nadeele. De Australische neger is er altijd huiverig voor, zijn naam aan iemand te openbaren.

Daarom geeft een man onder verscheidene Australische stammen zijn naam voor goed op, wanneer hij in de plechtigheden ingewijd wordt, welke hem de voorrechten van den mannelijken leeftijd schenken. Dit blijkt uit het gebruik van titels onder de leden der stammen, welke broeder, of neef, beteekenen.

Waarschijnlijk geeft men dus nieuwe namen bij de inwijding en zorgvuldig houdt men dezen geheim, uit vrees voor toovenarij. Sporen van hetzelfde bijgeloof vinden wij in Abessinië, Chili, Senegambië, Noord-Amerika en ontelbaar andere landen.

Doch om tot Egypte terug te keeren, wij vinden, dat verscheidene Egyptenaren twee namen ontvingen, den grooten en den kleinen naam, of den waren en goeden naam; de laatste was die, welke bekend gemaakt werd, doch de ware, of groote naam werd zorgvuldig geheim gehouden.3

Wij vinden het gebruik van deze krachtnamen zeer algemeen verspreid, over het geheele Oosten. Zelfs heden ten dage vertalen de Joden den naam Jahveh, als ze dezen lezen met: Adonai, doch nergens was dit zoo zeer in zwang als in Egypte.

Een zeer goed voorbeeld voor de macht, welke men aan iemand, die een naam in zijn bezit heeft, toekent, kan men vinden in de legende, waarin verteld wordt, op welke wijze Isis er in slaagde, den geheimen naam van Ra te weten te komen.

Daar Isis genoeg had van de wereld der stervelingen, besloot zij, die van de goden binnen te treden en om dit doel te bereiken, vatte zij het plan op, den geheimen naam van den almachtigen Ra op slinksche wijze te weten te komen. Deze naam was aan geen enkel sterveling bekend en zelfs aan geen god, behalve hem zelf.

In dezen tijd was Ra oud geworden en evenals verschillende andere eerwaardige personen, liet hij dikwijls het speeksel uit zijn mondhoeken vliegen. Een gedeelte hiervan viel op den grond; Isis mengde dit met aarde, kneedde het in de gedaante van een slang en legde het op slimme wijze op den weg, welken de groote god iederen dag bewandelde.

Terwijl hij zich, in al zijn pracht, aan de wereld vertoonde en door het geheele pantheon vergezeld werd, was hij ontzettend om aan te zien, toen de slang zich uit zijn kronkelingen verhief en hem stak. Luid schreeuwde hij van pijn en antwoordde niet op de angstige vragen van zijn lagere goden. Het vergif verbreidde zich snel en hevige koorts beving hem.

Hij riep alle goden op bij hem te komen, opdat hun genezende woorden hem weer gezond mochten maken en onder hen kwam Isis, welke hem listig vroeg, wat hem kwelde.

Hij vertelde hun de geschiedenis van de slang en voegde er bij, dat hij hevige pijn leed.

“Zeg mij dan”, sprak Isis, Uw naam, Goddelijke vader, want de man, die bij zijn naam genoemd wordt, moet leven.” Ra beproefde een vergelijk tot stand te brengen, terwijl hij zei, dat hij Khepera des morgens, Ra des middags en Atem des avonds was; het vergif echter werkte heviger in hem, dan tevoren en hij kon niet langer loopen.

Isis bezwoer hem thans zijn naam te zeggen, opdat hij in leven blijven mocht; terwijl hij zich daarop van de andere goden afzonderde, maakte hij haar zijn verborgen naam bekend. Toen deze ontsluierd was, verbande Isis terstond het gif uit zijn aderen en hij werd weer geheel en al gezond.

De schrijver draagt er groote zorg voor den heiligen naam aan zijn lezers niet bekend te maken en het is waarschijnlijk, dat hij, al kende hij de legende, den naam zelf niet kende; deze was waarschijnlijk aan de toovenaars van Egypte niet bekend.

De woorden van Ra: “Ik stem toe, dat Isis in mij zoekt en dat mijn naam uit mijn borst in de hare overgaat”, schijnen aan te wijzen, dat niet alleen de macht van den god onverbiddelijk met zijn werkelijken naam verbonden was, doch tevens, dat men veronderstelde, dat deze in een gedeelte van het lichaam, ergens in zijn borst, huisde; van hier uit kan deze met al zijn bovennatuurlijke krachten in de borst van een ander overgebracht worden.

Waartoe Isis nu in staat was, daarop legde zich ieder Egyptisch toovenaar toe en hij liet niets na, zijn doel te bereiken. Wij vinden, dat toovenaars Osiris dreigen, dat, als hij de wenschen van den toovenaar niet vervult, zijn naam luid in de haven van Busiris zal uitgesproken worden.

Deze handelwijze is in Egypte niet geheel en al verdwenen, want wij zien in Lane’s Manners and Customs of the Ancient Egyptians, dat de man, die den grootsten naam van God kent, alleen door het uitspreken daarvan in staat is den levende te dooden, den doode te doen herrijzen en andere wonderlijke dingen te volbrengen, en indien dit waar is van de Egyptenaren van 60 jaar geleden, kunnen wij er van verzekerd zijn, dat dit evenzoo is met het Egypte van heden ten dage.

Soms openbaarden de goden zelf aan de menschen het geheim van hun namen en maakten de formules bekend, waardoor zij opgeroepen konden worden. Wij vinden hiervan een parallel in de mythologie van sommige Noord-Amerikaansche Indianen-stammen, waar de geheimen van inwijdingsplechtigheden en geneeskunde door goden aan de menschen geopenbaard worden.

De juiste uitspraak.

Er bestaat geen overtuigend bewijs, dat men veronderstelde, dat magische kracht uit een groot centraal reservoir afkomstig was, evenals de orenda van de Noord-Amerikaansche Indianen, de kramat der Maleiërs en de mana der Melanesiërs. Het is echter waarschijnlijk, dat een onderzoek der teksten, dat zich de ontdekking van het geloof in zulk een kracht ten doel stelt, goed resultaat zou opleveren. Toovenarij had haar erkende vertegenwoordigers; dat waren de z.g. kheri-heb-priesters en gedurende het Oude Rijk werden de hoogere functies onder dezen door de zonen der Pharaohs vervuld.

Nu kende men groot gewicht toe aan de wijze, waarop de tooverspreuk uit werd gesproken. Wanneer een toovenaar eenmaal vond, dat een bepaalde formule, op een bepaalden tijd, uitwerking had, droeg hij er zorg voor, dien te herhalen op een volstrekt gelijken toon en onder gelijke omstandigheden. Dit noemde men juist spreken4 en werd eigenlijk door ieder in Egypte toegepast, daar in de andere wereld een juiste kennis van magische woorden en formules absoluut noodzakelijk was.

De wachters der verschillende poorten, welke ons in het Boek der Dooden afgeschilderd worden, openen dezen niet voor hen, die hun namen niet kennen en die dezen niet correct uitspreken. Tenzij bepaald voorgeschreven gebeden op den juisten toon uitgesproken werden, kwam er geen voedsel te voorschijn. Het aantal der formules was zeer groot. Elke deur in de onderwereld had een naam en placht zich niet voor de nieuwaangekomenen te openen, als zij niet op de juiste wijze aangeroepen werd.

Een samenzwering van toovenaars.

Onder deze omstandigheden kunnen wij zien, hoe het geloof in magie algemeen moet geweest zijn en hierover werden vele tooverboeken geschreven en zonder twijfel verkocht. Een van de meest belangwekkende geschriften op dit gebied, welke tot ons gekomen zijn, is de Harris Papyrus; deze bevat vele formules en tooverspreuken.

Het schijnt, dat dergelijke manuscripten in de koninklijke bibliotheken huisden en wij lezen, dat een zeker ambtenaar aan het hof van koning Ramses III (plm. 1200 v.C.), die het toezicht hield op de schatkist, met eenige volgelingen een samenzwering smeedde, om den koning te onttronen.

De samenzwering werd ontdekt en in het officieele bericht hierover lezen wij dat Hui, de opzichter van het vee van den koning een tooverboek uit de bibliotheek van den koning wist machtig te worden en dat hij door middel daarvan den koning kwaad trachtte te berokkenen. Hij begaf zich naar een geheime plaats, vormde afbeeldingen van menschen van was en slaagde er in dezen, met hulp van een ander ambtenaar, het paleis binnen te smokkelen.

Klaarblijkelijk was het de bedoeling, dat deze afbeeldingen den koning kwaad zouden doen. Hij werd belast, alle slechtheid, welke zijn hart verzinnen kon, uit te voeren, tot schrik van de goden en tevens goden van was en menschelijke figuren te vervaardigen, welke zouden maken, dat de personen, die zij voorstelden, lam en hulpeloos zouden worden.

De samenzwering werd met de meeste zorg door twee gerechtelijke hoven onderzocht en de koning beval, dat zij, die schuldig bevonden zouden worden, eigenhandig sterven zouden. Verder verlangde hij, dat men hem niets naders aangaande de zaak vertellen zou. Hui werd met anderen tot zelfmoord veroordeeld.

Zulke figuren van was, als toen gebruikt werden, waren gedurende de Middeleeuwen zeer in zwang en heden ten dage hebben zij nog niet geheel en al afgedaan.

Nog slechts eenige jaren geleden vond men in de Schotsche Hooglanden een leemen beeldje, vol pennen, in stroomend water gelegd. Het was natuurlijk gevormd om de persoon voor te stellen, welke men betooveren wilde en het was daarom in het water gelegd, opdat dit het langzaam mee zou dragen; natuurlijk verwachtte de amateur-toovenaar, dat zijn vijand, door de kracht der medevoelende magie, in een doodelijke ziekte zou storten. De methode, welke men bij de wassen beeldjes volgde, bestond hierin ze dicht bij het vuur te plaatsen, om ze langzaam te laten smelten.

Amuletten.

In geen enkel land werd de amulet meer gebruikt, dan in Egypte. Zij werd en door de levenden en door de dooden gedragen en elk deel van het lichaam bevond zich inderdaad onder de bijzondere bescherming van zulk een talisman. Een aantal amuletten, welke men op mummies vond, zijn met krachtwoorden, of tooverformules, beschreven; dezen zouden hem ten dienste staan in de andere wereld.

Eenige van de meest belangrijke amuletten waren die voor het hart, de scarabaeus, welke het hart beschermde; het kussen, dat onder den nek geplaatst werd, om het hoofd te beschermen; de gouden halsketting, welke ten doel had den gestorvene kracht te verleenen, om zich uit zijn zwachtels te bevrijden; de amulet van het oog van Horus; het gebruik van dit werd algemeen en bracht sterkte, kracht, bescherming en veiligheid aan.

Tooverspreuken.

Het gebruik van tooverspreuken was algemeen heerschend. Het schijnt, dat de toovenaar in de alleroudste tijden zich inbeeldde, dat, voor alles, het er op aan kwam den boozen demon te onderrichten, dat hij van plan was hem te verbannen. Den doode, die een zeker huis kwelde en ziekte daarin bracht, dreigde hij zijn graf te zullen verwoesten en hem van zijn offerande te berooven. Over een ziekte, welke een patiënt aangegrepen heeft, geeft hij een uitlegging, dat zij een zeer onpassend patiënt heeft overvallen, die haar wellicht meer kwaad, dan goed doet.

Later echter zien wij, dat de toovenaar de hulp der goden inroept. Hij roept Ra aan en verzoekt hem een wakend oog op den boozen geest te houden en vertelt aan den god zijn booze daden. Soms neemt hij zelf den naam van een god aan en slingert zijn donders naar den demon of de ziekte, welke den lijder bedreigt, terwijl hij zegt: “Gij hebt niet de overhand; ik ben Amen, ik ben de Verhevene, de Heerscher over het Machtige.

De toovenaar laat zich dikwijls in zijn keus van een helpende godheid door episoden leiden, welke in de legende aangaande dien god bestaan. Een god bijvoorbeeld, die eenmaal over slangen getriumfeerd had, zou waarschijnlijk de beste beschermer tegen dezen vormen.

Wij kennen een bepaalde tooverspreuk, van welke men veronderstelde, dat zij den beet van een schorpioen heelde, waarin Ra verzocht wordt het gif te verwijderen, zooals de Godin Bast de Kat genezen was (een voorval in de geschiedenis van die godin).

De goden, die het dichtst bij den mensch stonden en in hun legenden het leven der menschen voorstelden, werden het meest aangeroepen. De krokodil b.v. zou zich weg spoeden, wanneer men hem vertelde, dat het lichaam van Osiris in het water lag en door de goden bewaakt werd.

Isis en Horus verborgen zich eens in de moerassen der Delta en als dit in herinnering gebracht wordt, zal het als bescherming tegen den beet van een schorpioen gelden, een insect, dat de moerassen bewoont.

Brabbeltaal der tooverkunst.

Dit alles behoort natuurlijk tot de medevoelende magie en hieruit kunnen wij zien, hoe dikwijls het gesproken woord deel kon krijgen aan het karakter der proto-wetenschap. Doch zelfs bij het gesproken woord aanschouwen wij een kloof tusschen de beide stelsels, want wij zien, dat dit, zooals bij de laatste gevallen, bestond uit een medevoelende toespeling op een voorval uit het leven van den god, of ook elders uit een zuivere brabbeltaal, welke dit zeker tot een deel der magie der wonderen stempelt.

Een groot aantal van deze schijnbaar onzinnige tooverspreuken bestaan uit vreemde woorden en uitdrukkingen, terwijl sommige daarvan van Syrischen oorsprong zijn. Het is algemeen bekend, dat de klasse van toovenaars, bij onbeschaafde gemeenschappen, er toe geneigd is er een geheime eigen taal, of dialect op na te houden en dat de woordenschat van een dergelijk jargon gewoonlijk of archaistisch is, of ook uit een naburige taal genomen is.

Wij komen b.v. in een tooverspreuk den volgenden zin tegen: “Ik ben degeen, dien gij in de Syrische taal aanwijst, de groote God, Zaalaêr, Iphphon. Minacht den Hebreeuwschen naam Ablanathanalb, Abrasilôa niet”.

Het verhaal van Setne.

Een verhaal, dat ons een goed inzicht geeft in de hooge positie, welke een toovenaar in Oud-Egypte innam en tevens in het gebruik der toovermodellen, of beeldjes, wordt ons verteld in een papyrus uit den tijd der Ptolemaeën en houdt zich bezig met Setne, die voor een goed deel de handschriften in het Dubbele Huis des Levens, of de Bibliotheek de Tooverboeken, bestudeerd had.

Bij een of andere gelegenheid sprak hij met een van ’s konings wijze mannen, doch deze was zeer sceptisch gezind aangaande zijn kracht. Als antwoord op zijn kritische opmerkingen aangaande de uitwerking der toovenarij, bood Setne hem aan hem naar een plaats te brengen, waar hij een boek zou vinden, dat magische kracht bezat, door Thoth zelf geschreven; het bevatte twee machtige tooverspreuken; de eerste was in staat het gansche heelal te betooveren en was zoo krachtig, dat alle dieren, vogels en visschen door hem bevolen konden worden.

De tweede spreuk stelde een man, in het graf, in staat Ra in den hemel te zien, met zijn gezelschap van goden, de Maan te zien rijzen met alle sterren des hemels en de visschen in de diepte der oceaan.

De wijze man verzocht Setne daarop natuurlijk hem te vertellen, waar dat wonderlijke boek toch verborgen was en hoorde, dat dit in de graftombe van Nefer-ka-Ptah in Memphis was. Daarop ging Setne voor, vergezeld van zijn broers en bracht drie dagen en drie nachten door met het zoeken naar de tombe van Nefer-ka-Ptah en deze ontdekte hij werkelijk. Hij sprak eenige tooverwoorden over deze uit, de aarde opende zich en hij daalde in de kamer af, waar de werkelijke tombe zich bevond.

Het boek, dat in de sarcophaag lag, verlichtte de plaats zoo helder, dat zij geen fakkels noodig hadden en bij het licht daarvan ontdekten zij in het graf niet alleen den oorspronkelijken bewoner, maar ook diens vrouw en zoon; dezen, in Coptos begraven, waren in hun ka-gedaante gekomen, om bij hun echtgenoot en vader te verblijven.

Setne vertelde hun, dat hij het boek wenschte mede te nemen, doch Ahura, de vrouw van Nefer-ka-Ptah verzocht hem dit niet te doen en vertelde hem, dat het bezit daarvan reeds aan anderen ongeluk opgeleverd had.

Haar echtgenoot, zeide zij, had veel van zijn tijd aan de bestudeering der tooverkunst besteed en voor den prijs van een honderd zilverstukken en twee mooi bewerkte sarcophagen, had hij van den priester van Ptah het geheim van de plaats, waar het wonderlijke boek verborgen was, gekocht.

Het boek bevond zich in een ijzeren kist, welke men in het midden van de rivier had laten zinken; in de ijzeren kist bevond zich een bronzen, in die bronzen een doos van palmhout en in deze bevond zich op haar beurt een doos van ebbenhout en ivoor; hierin bevond zich weer een zilveren kist en deze bevatte een sleutel eener gouden kist, de eigenlijke bergplaats van het boek. Zwermen slangen en andere schadelijke reptielen bewaakten het boek en daaromheen kronkelde zich een slang, welke niet kon sterven.

Nefer-ka-Ptah, zijn vrouw en zoon, zetten nu koers naar Coptos en hier verkreeg hij van den hoogepriester een model van een drijvend vlot en figuren van werklieden, van de noodige gereedschappen voorzien. Over dezen sprak hij krachtwoorden uit, zoodat zij levend werden.

Kort daarna vonden zij de kist en door verdere tooverformules noopte Nefer-ka-Ptah de slangen, welke haar omringden, te vluchten. Tweemaal versloeg hij de slang, die rondom de ijzeren kist gekronkeld lag, doch telkens begon zij weer te leven. Den derden keer echter hieuw hij haar in tweeën en legde zand tusschen de twee stukken, zoodat zij zich niet meer vereenigen konden.

Terwijl hij de verschillende kisten opende, nam hij er het geheimzinnige boek uit, dat zij bevat hadden en las de eerste tooverspreuken op haar bladzijden. Dit stelde hem op de hoogte met alle geheimen op aarde en in den hemel. Hij las daarop de tweede bladzijde en zag de zon aan den hemel opgaan, met alle goden, die haar vergezelden.

Zijn vrouw volgde zijn voorbeeld, met gelijk resultaat. Nefer-ka-Ptah schreef daarna de tooverspreuken op een stuk papyrus over en sprenkelde daar wierook over, loste het geheel in water op, dronk het op en maakte aldus, dat de bekendheid met de formules voor altijd bij hem zou blijven berusten.

Een Damspel met de Dooden.

God Thoth echter was boos op hem, dat hij dit gedaan had en stelde Ra met de heiligschennende daad op de hoogte. Ra besloot terstond, dat Nefer-ka-Ptah, zijn vrouw en kind nooit naar Memphis terug zouden keeren en terwijl zij naar Coptos teruggingen, vielen Ahura en haar zoon in de rivier en verdronken. Korten tijd daarna onderging Nefer-ka-Ptah eenzelfde lot. Zij konden echter zeggen wat zij wilden, dit had geen vat op Setne, daar hij zijn zinnen er op gezet had, het boek te bezitten.

De ontzielde Nefer-ka-Ptah echter stelde voor, dat het eigendom vastgesteld zou worden, door een partij dam te spelen, terwijl de winner het boek zou bezitten. Hierin stemde Setne toe.

Nefer-ka-Ptah deed zijn best te winnen, eerst op eerlijke wijze, daarna door valsch te spelen, doch ten slotte verloor hij het spel. Setne verzocht zijn broer, die hem naar het mausoleum vergezeld had, naar boven te gaan en hem zijn tooverboek te brengen. Dit werd gedaan, de tooverspreuk in kwestie werd door Setne opgezegd, hij greep het wonderlijke boek van Thoth en steeg met bewonderenswaardige snelheid ten hemel.

Toen hij echter vertrok, maakte Nefer-ka-Ptah tegen zijn vrouw de opmerking, dat hij zou maken, dat hij spoedig terugkeerde. De voorspelling van Ahura, dat hij ongelukkig zou worden, als hij volhield het boek te willen hebben, kwam volkomen uit, want hij werd op een schoone vrouw “verliefd”, die hem leed berokkende en zoo groot was zijn smart, dat de Pharaoh hem beval het boek aan de hoede van Nefer-ka-Ptah terug te geven.

Geneeskundige toovenarij.

Toovenarij speelde natuurlijk in de uitoefening der Egyptische geneeskunde een groote rol. Men meende, dat verschillende ziekten door den invloed van een demon veroorzaakt werden en nu bestond de eenige zorg daarin den boozen geest, die zijn intrek in het lichaam van den getroffen persoon genomen had, uit te drijven.

De Egyptische geneesheer kon de uitoefening van zijn beroep niet zeer lastig vinden, want theoretisch verdeelde hij het lichaam in 36 deelen en elk van dezen werd door een bepaalden demon bestuurd en indien de demon, die een bepaald gedeelte aanviel, in eigen persoon aangeroepen werd, geloofde men, dat een genezing moest volgen. Er waren heelende goden voor alle verdeelingen van het lichaam.

Er bestaan nog verschillende geneeskundige papyri, welke formules bevatten, welke men tegen de demonen van ziekten in het algemeen en eveneens voorschriften voor de geneesmiddelen, welke men bij bepaalde ziekten gebruiken moest. Gebeden werden voorgeschreven om op te zeggen, terwijl men de kruiden gereedmaakte. Dikwijls moest de ongelukkige patiënt de voorschriften, op papyrus geschreven, inslikken.

Amuletten beschouwde men eveneens als zeer krachtdadig bij ziektegevallen. Men heeft willen beweren, dat de eigenaardige letter, welke men boven recepten schrijft en welken de geneesheeren uitleggen als een afkorting van: “recipe”, in werkelijke een aanroeping van god Ra is, van wien deze letter het symbool is en dat zij zou beteekenen: “in den naam van Ra”, of: “o Ra, god van licht en gezondheid, inspireer mij.

Alchemie.

Men heeft beweerd (en waarschijnlijk is dit zoo), dat de kennis der alchemie in Oud-Egypte ontstaan is. De afleiding van het woord wordt gewoonlijk tot het Arabische woord al khemeia teruggebracht, doch men heeft eveneens beweerd, dat het van het Egyptische woord kemt kan afgeleid zijn; dit beteekent “zwart” of “donker” en dat men dat gebruikte van wege de donkere kleur van het slijk, dat den bodem aan beide zijden van den Nijl vormt.

De Egyptische Christenen, of Kopten, brachten, naar men vermoedt, het woord in den vorm khême naar de Grieken, Romeinen, Syriërs en Arabieren over. Op een vroeg tijdstip hadden de Egyptenaren een groote vaardigheid in het bewerken van metaal en volgens sommige Grieksche schrijvers gebruikten zij kwikzilver bij de afscheiding van goud en zilver uit het natuurlijke erts. De afval, welke uit dit proces overbleef, vormde een zwart poeder en men veronderstelde, dat dit de eigenschappen van de verschillende metalen, welke tot zijn verbinding bij gedragen hadden, bevatte.

Dit poeder werd tot een bepaalden graad met ’t lichaam, dat God Osiris in de onderwereld zou bezitten, geïdentificeerd en aan beiden werd tooverkracht toegekend en men dacht, dat beiden een bron voor licht en kracht waren.

“Aldus”, zegt Budge5, “nam, tegelijk met de toenemende bekwaamheid bij de gewone metaalbewerking in Egypte, in dat land het geloof toe, dat tooverkrachten uit samenstellingen en verbindingen bestonden, en de wijze van behandeling der metalen en de kennis der scheikunde, op het gebied der metalen en hun tooverkracht, werden door den naam khemeia aangeduid, d.w.z. de bewerking van het zwarte erts; die werd als de werkelijke grondslag der gedaanteverwisseling beschouwd”.

Indien deze theorie juist is, hebben wij hier misschien niet alleen de bakermat der practische alchemie, doch tevens het ontstaan van een deel van de alchemistische wetenschap, welke tot kort voorheen vreemd genoeg verwaarloosd is. Bedoeld wordt de geestelijke alchemie, welke van dezelfde symbolen en dezelfde taal gebruik maakte, als de praktische wetenschap en welke, naar men gelooft, vele diepe psychische en mystische geheimen bevat6.

Gedaanteverwisseling.

De idee over een verwisseling in diergestalte was in Egypte klaarblijkelijk zeer oud. Uit de teksten zien wij, dat men geloofde, dat in het toekomstig leven, goden, zoowel als menschen, in staat waren, de gestalten van bepaalde dieren, vogels en planten aan te nemen.

Ongeveer twaalf hoofdstukken van het Boek der Dooden houden zich met tooverformules bezig, welke de gestorvenen in staat stellen, zich in iedere gestalte van een vogel, slang, of krokodil in de andere wereld te veranderen. Eigenlijk was hij in staat iedere mogelijke gestalte aan te nemen en te zwemmen, of te vliegen, in elke richting en over iederen afstand. Vreemd genoeg wordt in de teksten over geen bepaald dier gesproken, als voorbeeld voor mogelijke gedaanteverwisseling.

In zijn belangrijk werk handelende over Egyptische Magie, verreweg het meest duidelijke tekstenboek over dat onderwerp, zegt Budge: “de Egyptenaren geloofden dat, evenals de zielen van de gestorvenen den vorm van eenig wezen, of plant, konden aannemen, zoo ook de goden, die getrouw op hen leken, de gestalten van vogels en andere dieren konden aannemen.

Hier hebben wij de grondgedachte der zoogenaamde Egyptische dierenvereering, welke de vroolijkheid van den beschaafden Griek opwekte en door de oude Christelijke schrijvers belachelijk gemaakt werd.

Hij stelt verder vast, dat de Egyptenaren aan sommige dierengestalten eer bewezen, omdat zij vreesden, dat dezen de eigenschappen der goden, aan wie zij hen wijdden, bezaten.

In een ander hoofdstuk hebben wij de vraag van den totemistischen oorsprong van sommige Egyptische godheden besproken. Er is weinig twijfel mogelijk, of de oorsprong van het geloof, dat de goden een diergestalte konden aannemen, is een totemistische en oorspronkelijk in ’t geheel niet een magische.

Wat betreft de andere bewering van Budge, dat het verkeerd is te zeggen, dat de Egyptenaren dieren vereerden in de gewone beteekenis van het woord, moet men wel verschil maken tusschen de houding van den oorspronkelijken mensch, ten opzichte van zijn persoonlijken of stam-totem en de geheel en al ontwikkelde godheid.

Het is heden ten dage buitengewoon moeilijk, zelfs met het voorbeeld van levende totemistische families voor oogen, het juiste standpunt van den totem, wat betreft de vereering, of aanbidding, vast te stellen. De Egyptische god ontving zeker vereering in alle mogelijke opzichten en indien hij deze in zijn totemistischen vorm ontving, kunnen wij dit opvatten, dat het een gevolg was van zijn toestand als godheid en niet als totem.

De bewering, dat de diergestalte van verschillende Egyptische goden niet van totemistischen oorsprong is, is onjuist en kan in het licht der moderne onderzoekingen niet staande gehouden worden. De stelling, dat de Egyptische goden niet-totemistisch van oorsprong waren, enkel en alleen omdat zij Egyptisch waren, moet als geheel en al onhoudbaar opgevat worden, daar deze zelfs door geen schaduw van waarschijnlijkheid staande gehouden kan worden.

Wij hooren niet veel over dierverwisseling op aarde, d.w.z. er bestaan weinig verhalen, welke de gedaanteverwisseling van een toovenaar, of heks in een gestalte van een dier beschrijven. Voor zoover men beoordeelen kan, was de idee over een weerwolf, of een dergelijke gestalte, in oud-Egypte onbekend. Een daaraan verwant type echter, van grooten ouderdom, ontbrak niet, namelijk dat van den vampier.

Wij vinden den vampier in geen enkelen concreten vorm afgebeeld, doch als een spook, inderdaad als de kwaadaardige dood, welke aan de mythologie der Hindoe’s, Birmanen en Maleiers zoo gemeenzaam is. Het Egyptische spook doodde de slapende kinderen, terwijl het hun adem uitzoog, en, vreemd genoeg, het toovermiddel, dat tegen zulk een wezen gebruikt werd, was hetzelfde, als men in onze dagen op het Balkan-Schiereiland tegen de aanvallen van den vampier gebruikt, namelijk een krans van knoflook, een plant, welke een vampier, naar men weet, verfoeit.

Het schijnt, dat de astrologische kennis der Egyptenaren hoofdzakelijk bij het trekken van horoscopen uitgeoefend is. Bepaalde goden beheerschten bepaalde tijdvakken, terwijl andere met de hemellichamen geïdentificeerd werden en men geloofde, dat allen macht hadden over de gebeurtenissen, welke in de tijdvakken, aan hun toezicht onderworpen, plaats vonden.

In de latere papyri heeft men geboortetafels gevonden; door middel van dezen kon het lot van een mensch uitgerekend worden uit data als het geboorteuur en zoo voorts. Zooals onder de meeste Oostersche volken, waren astrologische kalenders, welke aangaven, welke dagen gunstig varen, of niet, zeer veel in gebruik en steunden eenigszins op mythologische gebeurtenissen, welke op dezen, of dien datum plaats gegrepen hadden en verleenden aan dezen voor altijd een zeker gewicht.

Droomen.

Droomen werden eveneens met menschelijke zaken in verband gebracht. Men geloofde, dat dezen door de goden gezonden werden en het is waarschijnlijk, dat de Egyptenaar, die door zijn particuliere aangelegenheden gekweld werd, rust zocht, in de hoop, dat hem een droom gegeven zou worden, welke hem zijn gedrag in dezen voor zou schrijven.

Zulk een handelwijze is in onze dagen bij sommige Indianen-stammen van Noord-Amerika nog gebruikelijk. Onbeschaafde menschen gaan slapen in het vertrouwen, dat hun totem hun een visioen zal schenken, om hun zaken in de toekomst te regelen.

Indien de oude Egyptenaren zulk een opheldering verlangden, achtten zij het verstandiger, zich in een tempel, welke als orakel beroemd was, te slapen te leggen. Er bestond een klasse van beroepsuitleggers, wier taak het was de problemen van den droom op te lossen. Men dacht verder, dat ziekten genezen konden worden door kwakzalversmiddelen, welke door de goden, in den slaap, aangewezen werden.

Mummie-magie.

De behandeling der mummie en de verschillende ceremoniën, welke met de balseming in verband stonden, waren zonder twijfel magisch van oorsprong. Telkens als een windsel in de juiste ligging gelegd werd, uitte men bepaalde krachtwoorden, van welke men veronderstelde, dat zij de kracht hadden, het ingewikkelde deel te bewaren. Na de wijding riep de priester den gestorvene aan, daarop nam hij een vaas, welke vier reukwerken bevatte en hiermede besmeerde hij het lichaam tweemaal, van hoofd tot voeten, terwijl hij er zorg voor droeg, het hoofd geheel en al te zalven. De inwendige organen werden daarna op het lichaam gelegd en de ruggegraat in heilige olie, van welke men geloofde, dat zij een uitstraling uit de goden Shu en Geb was, gedompeld. Daarop legde men kostbare steenen op de mummie, en elk van dezen had zijn bepaalde magische beteekenis. Zoo verlichtte kristal zijn gelaat en carnelian gaf vastheid aan zijn voetstappen.

Een priester, die god Anubis, met het hoofd van een jakhals, voorstellen moest, trad dan naar voren, volbracht eenige symbolische ceremoniën op het hoofd van de mummie en legde daarover bepaalde windsels. Na nogmaals met olie ingewreven te zijn, verklaarde men, dat de gestorvene “zijn hoofd ontvangen had”.

De linkerhand van de mummie werd daarop met 36 stoffen, welke men bij het balsemen gebruikt had, gevuld, waarschijnlijk een symbolische voorstelling van de 36 gedaanten van Osiris. Het lijk werd daarna met heilige olie ingewreven, de teenen werden in linnen gewikkeld en na een bepaalde toespraak was de plechtigheid geëindigd.