WeRead Powered by ReaderPub
Mythen en Legenden van Egypte cover

Mythen en Legenden van Egypte

Chapter 181: De Kat.
Open in WeRead

About This Book

The work surveys ancient Egyptian religion and mythology, beginning with local cults, animistic and totemic origins, and diverse creation myths that shaped a complex pantheon. It examines major deities and narratives, with emphasis on the Osiris cycle and related funerary beliefs, and describes burial practices, mummification, and pyramid architecture. Social and institutional aspects such as priesthoods, temple ritual, and mystery cults are treated alongside magic, amulets, and popular spells. Chapters explore literature, folklore, animal and tree veneration, art, and the transformations brought by later foreign influences on belief and practice.


1 Etudes de Mythologie et d’Archéologie Egyptienne, Parijs, 1893 vol. I, pag. 106.

2 Ik hoop deze theorie in een later werk nog uitvoeriger te bespreken.

3 Zie: Lefébure, La Vertu et la Vie du Nom en Egypte.

4 Deze uitdrukking “maa kheru” beteekent etymologisch: vrij gesproken en is een wettelijke term.

5 Zie Budge, Egyptian Magic, p. 70.

6 Zie A.E. Waite, Hidden Church of the Holy Grail, pp. 533 en volg.

Vreemde goden en goden in diergestalte. De laatste periode.

Vreemde goden.

De houding der Egyptenaren, als natie, tegenover andere goden, schijnt bijzonder vrij van eenige dweperij voor hun eigen goden te zijn geweest, hoewel, zooals te begrijpen is, de priesters in dat opzicht naijveriger en conservatiever waren.

De midden- en lagere klassen echter namen vreemde goden op liberale wijze aan en langzamerhand vond het wijd en zijd verspreide geloof van eenige van dezen officieele erkenning en werd dientengevolge in het Egyptische pantheon opgenomen.

Verschillende redenen voor dit gemis aan uitsluiting zijn zeer in het oog vallend. De staatsgodsdienst namelijk was zuiver en alleen van gewicht voor het godsdienstige hof van edelen en ambtenaren, doch deze had geen permanent, of diep-zetelend effect op het volk in het algemeen, daar ieder district zijn plaatselijken cultus bezat.

Polytheistische vereering was aldus een nationale neiging en toen daarom het volk met vreemde goden, die menschelijke eigenschappen en macht bezaten, in aanraking kwam, was er geen voldoend beperkende kracht, in hun eigen godsdienst, om hen te verhinderen aanhangers van den vreemden god te worden.

Verder schijnt de goddelijkheid van den god van een ander volk nooit betwist te zijn, want indien een volk machtig was, was dit feit een duidelijk bewijs voor de goddelijke en magische kracht van zijn godheid en daarom moest de macht van dien god geëerd en gunstig gestemd worden.

Dat een element van vrees in groote mate bij deze godenadoptie aanwezig was, kan niet betwijfeld worden. Dit wordt vooral bewaarheid bij de soldaten, die die oorlogsgoden gunstig voor zich plegen te stemmen, die aan volken toebehooren, welke zich woest en geweldig in het oorlogvoeren betoond hebben en eveneens bij kooplieden; als dezen hun kostbare vracht vervoeren, zoeken zij de bescherming van de goden, die de zee regeeren.

Er is nog een ander aspect op de zaak en wel een belangwekkend. Volgens de idee der Egyptenaren was een oorlog tusschen volken eigenlijk een oorlog tusschen hun respectievelijke godheden, een meting van hun krachten; evenals de overwonnen koning en het overwonnen volk gevangen genomen werden, zoo konden de goden dit eveneens. Dit was inderdaad noodzakelijk; want zonder het bezit van den god kon men niet zeggen, dat de overwinning volledig en het koninkrijk gewonnen was.

Wij vinden sporen van verschillende van deze aannemingen, niet echter onder de officieele goden, op de talrijke kleine zuilen, welke aan particuliere personen behoorden en door hen aan de vreemde goden gewijd, eveneens op de kleine beelden, welke in de particuliere huizen stonden, terwijl verschillende inscriptie’s op de rotsen der woestijn hun evenredig aandeel voor het bewijsmateriaal leveren.

Libye, Palestina, Phoenicië en Syrië voorzagen de Egyptenaren van nieuwe goden, evenzoo Aethiopië. Sommige schrijvers houden het voor waarschijnlijk, dat de godinnen Bast en Neith van Libyschen oorsprong waren, men kan dit echter niet positief bevestigen.

De vereering van Bast en Neith was hoofdzakelijk in dat gedeelte, waar de meerderheid van de bevolking Libysch was, overwegend en de laatste werd bijna veronachtzaamd, waar de bevolking van zuiver Egyptisch ras was.

Aziatische goden.

Semitisch Azië leverde het grootste aantal goden, die door de Egyptenaars gecopieërd werden, terwijl de voornaamste onder hen Baal, Ashtoreth, Anthat, Reshpu en de godin Qetesh waren. De grootste van allen is natuurlijk de Syrische Baal, de verschrikkelijke oorlogsgod, eveneens een personificatie van de verschikkingen der woestijn, de brandende zonnehitte en den vernietigenden wind.

Deze god werd den Egyptenaren het eerst onder de 18e dynastie bekend, toen zij gedurende eeuwen met de Syriërs in oorlog waren en daar zij zich alles behalve gemakkelijk te overwinnen tegenstanders betoond hadden, moesten hun goden met eerbied en ontzag beschouwd worden.

De Ramessiden vooral achtten dezen god zeer hoog en hadden er een bijzondere voorliefde voor, zichzelf even dapper en machtig als Baal in den hemel te noemen en onder Ramses II bestond er een tempel van dien god in Tanis en daar voerde de koning zijn bouwwerken op zulk een uitgebreide schaal uit.

Baal werd tot in zekeren graad met Set geïdentificeerd, want een gestalte van het fabelachtige dier, waarin de laatste geïncarneerd werd, wordt door de Egyptenaren achter hun vertalingen van den naam Baal geplaatst en hieruit is het evident, dat zij geloofden, dat de twee goden eigenschappen en attributen gemeen hadden. In één geval inderdaad, in de teksten van Edfu, waarin de legende van de gevleugelde schijf verhaald wordt, is de naam van Baal voor dien van Set in de plaats gesteld. Ongelukkigerwijze is van zijn gedaante en ritus niets bekend.

Anthat was een oorlogsgodin, wier cultus in Syrië wijd en zijd verbreid was en ten tijde, dat de Egyptenaren hun Aziatisch Rijk vormden, werd zij natuurlijk een der aangenomen godheden. Het zoo groot aantal Syrische krijgsgevangenen, dat naar Egypte gebracht werd, voerde hun vereering, evenals die van andere, in het land binnen en daarom is het niet te verwonderen, als wij zien, dat onder de regeering van Thothmes III een heiligdom voor Anthat in Thebe opgericht werd.

Ramses II (19e dynastie), eert deze godin meermalen in zijn inscripties en deze gewoonte werd door Ramses III gevolgd, die eveneens een groot krijgsman was; de laatste gaf aan zijn lievelingsdochter den naam Banth-Anth, dochter van Anth. Over den vorm van haar vereering is weinig bekend, doch op Egyptische monumenten wordt zij genoemd: de heerscheres des hemels en meesteres der goden; men beeldt haar, of op een troon gezeten, of rechtop staande, af.

Indien men haar zittend voorstelt, hanteert zij met haar linkerhand een knots en in haar rechterhand houdt zij een speer en schild vast; wanneer zij staat, ziet men haar met een pantervel bekleed, terwijl zij het levensembleem in haar linkerhand houdt en haar rechterhand een scepter van papyrus vasthoudt. Op haar hoofd draagt zij de witte kroon. Haar vereering was in Egypte stevig gegrondvest en langzamerhand werd zij met de inheemsche goden geïdentificeerd en men vertelde zelfs, dat zij door Set voortgebracht was.

Ashtoreth.

Ashtoreth werd door de Egyptenaren de meesteres der paarden, beschermster van den strijdwagen, bewoonster van Apollinopolis magna genoemd. Zij is een Syrische godin en waarschijnlijk is haar eeredienst gedurende de Syrische krijgstochten van Thothmes III in Egypte ingevoerd.

Het schijnt, dat haar dienst voor goed in het land gevestigd is ten tijde van Amen-hetep III, want uit een brief van Thusratta, koning van de Mitanni, aan dezen Pharaoh spreekt deze over “Ishtar van Nineveh, heerscheres over de wereld, die in zijn rijk en dat van zijn vader naar Egypte overging” en hij schijnt opgemerkt te hebben, dat haar vereering daar achteruit gegaan was, want hij verzocht Amen-hetep deze tienvoudig te vergrooten.

Dat haar vereering wijd en zijd verbreid was, kan niet betwijfeld worden. In de delta vooral bloeide zij en was daar tot aan de Christelijke tijdrekening bekend. Het Oostelijk kwartier van Tanis was aan Ashtoreth gewijd en er bevond zich dicht daarbij een tempel, aan de oevers van het Serbonische meer.

Er wordt van een priester melding gemaakt, uit Memphis, die Ashtoreth, tegelijk met den maangod Ah, diende, want zij werd ook als godin der maan beschouwd en geïdentificeerd met een van de gedaanten van Hathor, of Isis—Hathor. In het verdrag, tusschen de Geta en de Egyptenaren gesloten, wordt van haar als van de nationale godin der Syriërs melding gemaakt, hoewel zij in dezen tijd eveneens een godin was, waarmede de Egyptenaren vertrouwd waren, want eigennamen, welke uit haar naam samengesteld waren, kwamen zeer veel voor; Ramses II, die zijn dochter naar Anthat genoemd had, noemde een van zijn zoons naar Ashtoreth, nl. Mer-Ashrot.

Haar benaming: “meesteres over paarden en strijdwagens”, toont ons aan, dat zij op een betrekkelijk laat tijdstip haar intrede in Egypte gedaan heeft, want ongeveer 1800 v.C., op zijn vroegst, gedurende den tijd der Hyksos, leerden de Egyptenaren van de Semieten, uit de Woestijn in het Oosten, het gebruik van paarden in den oorlog, om een aanval te doen, of strijdwagens te trekken. Ashtoreth wordt afgebeeld met den kop van een leeuwin en staande op een vierspan; zij drijft haar onstuimige paarden over ter neer liggende vijanden en was aldus de geleidster van den in razenden vaart voortijlenden strijdwagen over het slagveld.

Qetesh schijnt in haar vaderland Syrië als een natuur-godin vereerd te zijn met een ritus, welke een losbandige strekking had. In Egypte werd zij met een van de gestalten van Hathor, de godin der liefde en schoonheid, geïdentificeerd, eveneens als maangodin. Sommige schrijvers zien in haar een andere vorm van Ashtoreth.

In de Egyptische kunst wordt zij voorgesteld, terwijl zij, geheel naakt, op een leeuw staat; in haar rechterhand houdt zij lotusbloesems en een spiegel vast en in haar linkerhand bevinden zich twee slangen.

In later tijd wordt zij nog in dezelfde gedaante afgebeeld, doch op haar hoofd draagt zij de haardracht van Hathor. In inscripties der 18e en 19e dynastie wordt zij “de heerscheres des hemels, de meesteres over alle goden, het oog van Ra, die haars gelijke niet heeft”, genoemd.

Men bad tot haar om leven en gezondheid en op hoogen leeftijd een goede begraafplaats te ontvangen in het Westen van Thebe; dit bewijst, dat haar vereering in de hoofdstad van het land plaats vond. Soms verschijnt zij in vereeniging met Amsu en Reshpu; met dezen schijnt zij als een van de drieëenheid vereenigd te zijn.

Reshpu is een andere Syrische god, wiens cultus in Egypte bekend werd, terwijl Het-Reshp het middelpunt van zijn vereering vormde (in de Delta gelegen). In Syrië werd hij voor een oorlogsgod gehouden en op Egyptische monumenten en gebouwen wordt hij als soldaat afgebeeld, met schild en speer in zijn linker- en een knots in zijn rechterhand. Boven zijn voorhoofd steekt een gazellekop vooruit; dit is wellicht een oud symbool van den god, dat een aanwijzing is voor zijn heerschappij over de woestijn.

Zijn titels, welke hem in de Egyptische teksten gegeven worden, zooals “de groote god, de heer der eeuwigheid, de vorst van het eeuwige leven, de heer der dubbele sterkte onder het gezelschap der goden”, zijn hem rijkelijk van de inheemsche goden geschonken. Reshpu stemt met den god overeen, die aan de Phoeniciërs bekend was en op Cyprus en in Carthago vereerd werd en sommige schrijvers beschouwen hem als een god van de brandende en vernietigende kracht van het vuur en eveneens van het licht.

Semitische en Afrikaansche invloed.

Behalve dat zij den Egyptenaar van eigenaardige goden voorzag, had de Semitische gedachte grooten invloed op zijn ideeën betreffende de mythologie en de natuur van zijn eigen goden.

Sommige levenlooze voorwerpen, speciaal steenen en in sommige gevallen boomen, begon men onder dezen invloed, als de woonplaats van een god te beschouwen, zooals die van den zonnegod in Heliopolis, terwijl een teeken, dat de archaistische vorm van het symbool Kh voorstelt, de gewone aanwijzing voor den naam Set is.

Het is verder een omstandigheid, welke eenig gewicht in de schaal legt, dat de Aziatische godheden, wat hun lichamelijke verschijning en symbolische voorstelling betreft, in overeenstemming met de Egyptische godsdienstige conventioneele opvatting afgebeeld worden; met de goden van Afrikaanschen oorsprong is dit echter geheel anders gesteld. Zij worden als afzichtelijke, vreeswekkende, misvormde en enorm dikke wezens afgebeeld, geheel en al op den neger-fetish, welke men nog heden ten dage onder Afrikaansche stammen vinden kan, gelijkend.

Bes is de belangwekkendste van de Afrikaansche goden en hoewel hij, in den loop der tijden, vele veranderingen onderging, een omstandigheid, welke een aanwijzing voor andere oorsprongen schijnt te zijn, is de oorspronkelijke opvatting over hem beslist Afrikaansch en zijn cultus in Egypte is even oud als de beschaving der dynastieën.

De voorstellingen van hem duiden een oorsprong onder wilde volken aan. Hij wordt n.1. afgebeeld als een wanstaltige dwerg, met grooten buik, kromme beenen en een groot gezicht, met een baard voorzien. Tusschen zijn dikke lippen komt een uitstekende tong te voorschijn; zijn neus is plat, terwijl zijn wenkbrauwen zeer ruig zijn.

Hij draagt een tiara van veeren1 op zijn hoofd en rondom zijn lichaam een pantervel; het uiteinde daarvan raakt gewoonlijk den grond achter hem aan. Een ander onderscheid is nog, dat hij gewoonlijk en face voorgesteld wordt, terwijl de Egyptische goden gewoonlijk en profil afgebeeld worden.

Hoewel hem later verschillende namen gegeven werden, was Bes zijn gewone benaming, een naam, welke volgens Wiedeman afgeleid is van besa, een woord voor een van de groote felidae, den cynaelurus guttatus, wier vel zijn kleeding vormde.

Zijn cultus heeft langen tijd bestaan, van het Oude Rijk tot den Romeinschen tijd en zijn orakel te Abydos werd tot op een later tijdvak geraadpleegd; zijn invloed kan men nog in de Alexandrijnsche, Hellenistische en Phoenicische kunst naspeuren. De god Bes had verschillende karakteristieke eigenschappen. Hij werd met de geboorte verbonden en een van de oudste voorstellingen van hem kan men op een relief in den tempel van Hatshepsut vinden, waar hij als helper bij de geboorte van de groote koningin verschijnt.

In dit verband zien wij hem in alle “Geboortehuizen” van Egyptische tempels, plaatsen, waarin men veronderstelde, dat de beschermgoden geboren waren. Men geloofde, dat, als het kind opgroeide, Bes het van spelen voorzag en men ziet hem dan ook afgebeeld, terwijl hij tegen een kind lacht, op grappige wijze danst en op de harp speelt.

Hierdoor was hij de god van den dans, de muziek en de vroolijkheid, hierna van de rust, het genoegen en de vreugde; zijn zonderling beeld kan men op het handvat van spiegels, op palets en vaatwerk ingesneden zien.

Hij werd als bewaker van den jongen zonnegod aangewezen en werd daarom de vijand van alle slangen en men ziet hem afgebeeld, terwijl hij dezen in zijn hand vasthoudt, worgt, of hen in stukken bijt.

Langzamerhand werd hij geheel en al met zijn pupil Horus geïdentificeerd en met alle symbolen en attributen van dien god afgebeeld, hoewel zijn bijzondere zonneprovincie het Oosten was.

In de onderwereld onderging Bes een gedaanteverwisseling. Hij werd een god der wrake, droeg een mes, waarmede hij dreigde en hiermede beproefde hij de harten der zondigen uit te rukken; voor de goeden en de waardigen was hij altijd een trouw en dierbaar gezel.

In deze dreigende gestalte werd hij “de krijgsman” genoemd en soms werd hem ook op aarde dit karakter toegeschreven; hier droeg hij een schild en zwaaide een zwaard en nam den strijd op voor hen, die onder zijn bescherming stonden en voor hen, die zijn beeld, als amulet, droegen.

Heilige Dieren.

Uit de vele bronnen, waaruit onze kennis van oud-Egypte stamt, kan men een vrij compleet overzicht over den grooten invloed en uitgebreidheid verkrijgen, welke de dierenvereering, in dit land, bereikt had. Vanaf de oudste tijden had deze de overhand en was veel ouder dan de Egyptische beschaving.

Dat veel hiervan uit totemistische bron stamt, kan niet ontkend worden, een bron, welke men onder de prae-dynastieke stammen, uit welke het Egyptische volk ontsproot, moet opsporen.

De oorzaak van de dierenvereering was ongetwijfeld in den beginne niets meer, of minder, dan vrees, vermengd met een eerbiedige bewondering voor de buitengewone macht en kracht van den schepper. Later ontwikkelde zich de idee over dieren, als voorstelling van goden, de belichaming van goddelijke en bovenmenschelijke eigenschappen.

Aldus stelden de stier en de ram, bezitters van buitengewone vruchtbaarheid, natuurgoden en de verschijnselen van de jaarlijksche herleving voor, zooals Wiedemann opmerkt: “De voortbrengingskracht in het dier was met de kracht, waardoor het leven in de natuur vernieuwd wordt evenals in den mensch, na den dood, identisch”. Door geheel Egypte werden de stier en de koe, de laatste als voorstelling der vruchtbaarheid, als goden van den landbouw, vereerd.

Voor den Egyptischen geest echter, welke zich van een abstract begrip geen voorstelling kon maken, was een onstoffelijke godheid, welke men niet aan kon raken, een onmogelijke opvatting. Een god moest duidelijk te zien zijn en in een werkelijk lichaam functioneeren.

Men geloofde, dat de koning een incarnatie van een god was, doch hij was apart en een enkeling en daar de Egyptenaar overal om de verschijning van en gemeenschap met zijn goden smeekte, kwam het aldus, dat de incarnatie van een godheid en zijn menigvuldige attributen verveelvoudigd werden.

Bepaalde dieren konden dezen in hoogere mate dan de mensch vertegenwoordigen, hoewel natuurlijk voor den Egyptenaar de mensch de maatstaf was, waarnaar alles in het heelal moest afgewogen en gemeten worden. De goden waren slechts een weinig grooter dan menschen; zij waren begrensd en kenden wellicht den dood. Hun onsterfelijkheid werd alleen door hun vermogen, van het eene lichaam naar het andere te verhuizen, verkregen, terwijl zij aan den dood ontsnapten, door over te gaan in op elkander volgende gestalten en door een vernieuwing van de levenskrachten.

Het symbolisme van den Egyptischen godsdienst wordt meestal door middel van dieren voorgesteld. Zoo wordt over den doodsgod als over een jakhals gesproken, over den god van het water als een krokodil, terwijl de lucht een koe, de zon een valk en de maan een ibis is.

Door deze verheffing van sommige dieren, werden geheele soorten voor heilig gehouden en dit leidde tot de zeer vreemde opvattingen en gewoonten onder de Egyptenaren, welke zoo dikwijls door klassieke schrijvers vermeld zijn, zoo hield men b.v. een man voor gelukkig, die door een krokodil opgegeten was.

Wanneer deze dieren stierven, weende de eigenaar over hen, als over verwanten en men besteedde de meeste zorg, hun overblijfselen te bewaren. Koeien ontvingen een zoodanige vereering, dat haar lijken in de heilige wateren van den Nijl geworpen werden en een stier werd buiten de stad begraven, terwijl zijn horens boven den grond uitstaken, om de plaats, waar hij begraven lag, aan te duiden. Nog andere voorbeelden zou men kunnen aanvoeren.

De Apis.

Vanaf de oudste tijden werd de stier in Egypte als de personificatie van sterkte, mannelijkheid en strijdkracht vereerd. Manetho brengt de vereering van den Apis tot Kaiekhos, een koning der 2e dynastie terug; deze maakte een uitgelezen stier, Hap, tot god: Aelianus echter schrijft deze daad aan Mena, den eersten historischen koning van Egypte, toe.

Veel van onze kennis aangaande dezen cultus stamt uit Grieksche bronnen. Herodotus geeft de volgende beschrijving van den Apis: “Hij is het kalf van een koe, welke niet in staat is, verder een jong voort te brengen; de Egyptenaren beweren, dat een licht uit den hemel op de koe neerdaalt en dat zij daardoor den Apis voortbrengt. Het kalf heeft de volgende kenteekenen: het is zwart en heeft een vierkante, witte plek op zijn voorhoofd, op zijn rug een figuur als van een adelaar, in zijn staart dubbele haren en op zijn tong een afbeelding van een kever”.

Diodorus geeft verder een verhaal over het vinden van den Apis en de wijze, waarop hij geïnstalleerd wordt, na den dood en de begrafenis van een vroegere incarnatie van den god Osiris; wij lezen bij hem het volgende:

“Nadat de prachtige begrafenis van den Apis voorbij is, zoeken die priesters, wier taak dit is, een ander kalf, aan het vorige gelijk en als zij een zoodanig gevonden hebben, wordt er een einde aan al het vroegere geweeklaag en gejammer gemaakt en de priesters, die daarmede belast zijn, leiden den jongen stier door de Nijlstad en voeren hem veertig dagen lang.

Daarna plaatsen zij hem in een boot, waarin zich een groote hut bevindt en brengen hem, als een god, naar Memphis en plaatsen hem in het heilige woud van Vulcanus. Gedurende de 40 bovenvermelde dagen worden alleen vrouwen toegelaten om hem te zien en dezen worden, naakt, voor zijn gezicht geplaatst.

Later wordt haar verboden, binnen het gezicht van den nieuwen god te komen. Voor de aanbidding van den stier geeft men verschillende redenen op. Men zegt, dat de ziel van Osiris in een stier overging en daarom wordt vanaf den tijd, waarop de eerste stier gewijd werd, tot op onzen tijd, de ziel van Osiris van den eenen stier in den anderen overgebracht. Anderen echter zeggen, dat de ledematen van Osiris (die door Typhon gedood werd) door Isis in een houten stier, met ossenhuiden bedekt, verborgen werden en hiernaar werd de stad Bubastis genoemd”.

Aan de moeder van het uitgekozen kalf werd eveneens groote eer bewezen en vertrekken in den tempel werden voor haar, naast de schitterende, door den Apis ingenomene afgezonderd. Aan dit dier werd een prachtig bed gegeven om op te rusten, zijn voedsel was het zuiverste en meest uitgezochte, terwijl aan het dier alleen water uit een speciale bron in Memphis voorgezet werd, daar men dacht, dat het Nijlwater het te vet maakte.

Een aantal zorgvuldig uitgekozen koeien werden den Apis aangeboden en dezen hadden weer haar dienende priesters. Gewoonlijk hield men den stier afgezonderd, doch bij sommige gelegenheden verscheen hij in het openbaar, en een menigte jongens schreden in processie naast hem, terwijl zij heilige liederen zongen.

Het Apis-orakel.

In den tempel van Ptah werden dus aan den Apis-stier groote eerbewijzen gebracht en de Pharaohs gaven uit hun rijkdom op verkwistende wijze bijdragen voor dezen eeredienst en vreemdelingen, o.w. Alexander de Groote en Titus, begiftigden hem met geschenken. Men verwachtte van dezen god orakels en de wijze om dezen te verkrijgen, wordt aldus door Wiedemann beschreven:

“Hoofdzakelijk was de Apis vermaard om zijn orakels en dezen werden op verschillende wijze gegeven. Toen de stier de kleeren van den beroemden Eudoxus van Cnidus likte, was dit een aanwijzing voor den naderenden dood van den astronoom; een gelijk lot werd Germanicus voorspeld, toen het dier uit zijn hand weigerde te eten en de verovering van Egypte, door Augustus, was tevoren door zijn geloei aangekondigd.

Sommige vragen werden, door het heen en weer loopen van het dier van de eene kamer naar de andere, welke te zijner beschikking stonden, beantwoord en andere vragen door droomen, welke aan ondervragers gezonden en door heilige uitleggers verklaard werden.

Weer andere vragen, hoewel tot het dier zelf gericht, werden door de stemmen van kinderen, die voor den tempel speelden, beantwoord; hun woorden namen voor den geloovigen ondervrager den vorm van een rythmisch antwoord op de vraag aan. Profetieën van algemeene strekking hadden gedurende de processie van den Apis plaats”.

Hierover lezen wij bij Plinius: “Daarop zongen de jongelingen, die hem vergezelden, hymnen te zijner eer, terwijl de Apis, die alle scheen te begrijpen en te verlangen, dat hij vereerd zou worden. Plotseling maakte de geest zich van de jongelingen meester en zij profeteerden”.

Ook werden er offers aan den Apis gebracht en dezen bestonden, vreemd genoeg, uit ossen, met de grootste zorg uitgekozen. De kop van het geslachte dier werd in den Nijl geslingerd, onder het uitspreken van de volgende woorden: “Indien eenig kwaad op het punt staat dezen, die thans offeren, of het Egyptische land te overvallen, moge dit op dezen kop afgewend worden”.

Sommige schrijvers vermelden, dat de Apis, na een bepaald aantal jaren, gedood werd en men een nieuwen zocht te verkrijgen, doch over het algemeen gelooft men, dat de Apis zijn natuurlijken dood stierf. Zijn lichaam werd gebalsemd en een algemeene rouw werd daarna betracht. De mummie werd in alle pracht en praal begraven2.

In 1851 ontdekte Mariette het beroemde Serapeum, waarin de heilige stieren van Memphis vanaf het midden der 18e dynastie, begraven werden. Hier ontdekte men in de reusachtige sarcophagen, ieder ongeveer 58 ton wegende, eenige overblijfselen van deze dieren.

Klaarblijkelijk waren de kapellen van het Serapeum pelgrimsplaatsen, want verscheidene beelden en zuilen heeft men daar gevonden, aan den dooden Apis gewijd, “in de hoop, dat zij daardoor zijn gunst en de vervulling van hun wenschen verkrijgen zouden”.

De Apis was, zelfs na zijn dood, minstens even krachtig, want zijn ziel werd met die van Osiris vereenigd en aldus ontstond de dubbele god Osiris-Apis, een naam, welke in den Griekschen vorm Serapis meer bekend is.

Aan dezen god schreven de Grieken de eigenschappen van hun eigen god Hades toe, overtuigd, dat hij op Osiris, den grooten god der onderwereld, geleek. Zoowel in Egypte, als in Griekenland, werd Serapis als de tegenhanger van Isis beschouwd. Onder de Romeinen verbreidde de Serapis-cultus zich naar alle richtingen en telde zijn vereerders onder alle klassen en standen. Zelfs drong deze dienst tot York, in het Noorden van Engeland, door.

In Heliopolis werd een andere stier, Mnevis, als voorstelling der zon, in haar levenverwekkende kracht, vereerd. Manetho schrijft de invoering van dezen dienst eveneens aan Kaiekhos der 2e dynastie, evenals die van de vereering van den ram van Mendes, toe.

Deze werd hoofdzakelijk in de steden der Delta vereerd, zooals in Hermopolis, Lycopolis en Mendes, terwijl zich in de laatste plaats de zeer beroemde tempel bevond. De oorsprong van dezen eeredienst was zuiver en alleen die van een localen en stamdiergod, welke zich gedurende de afwisselende beschaving staande hield; hij kreeg meer dan plaatselijken invloed, toen de stad in rijkdom en aanzien toenam, terwijl de priesters tot de rijkste en machtigste in Egypte behoorden; de diergod werd eerstens met den inheemschen god Osiris, ten tweede met den zonnegod Ra en ten derde met den grooten Ramgod van het Zuiden en Elephantine, n.1. Khnemu, geïdentificeerd.

Grieksche schrijvers leveren ons veel materiaal aangaande deze dierenvereering en in sommige gevallen waren zij ooggetuigen van den ritus, welke met hem verbonden was. Herodotus bij voorbeeld vertelt, dat Pan en andere op een bok gelijkende goden, met een rijkelijk symbolisch vertoon en pompeusen ritus, als goden der voortbrenging en vruchtbaarheid, vereerd werden.

Zooals in verscheidene landen, waar de dierenvereering in zwang was, werd het dier, dat voor aanbidding uitgekozen werd, uit een aantal dieren uitgekozen, vanwege eenige bijzondere kenmerken op zijn huid; het werd daarna met groote praal gewijd en ontving, na zijn dood, een indrukwekkende begrafenis van staatswege.

Op den zuil van Mendes, door Mariette ontcijferd, vond men een inscriptie, welke ons vertelt, dat Ptolemaeus II Philadelphus den tempel van Mendes herbouwde en persoonlijk zijn bijstand verleende bij de wijding van twee rammen en op een relief, op het bovenste gedeelte van een zuil aangebracht, kan men de gestalten van twee Ptolemaeën en een Arsinoë zien, die aan den ram en zijn tegenhangster Hatmehit, offers brengen.

De Krokodil.

De krokodil was de incarnatie van den god Sebek. Er is waarschijnlijk weinig twijfel mogelijk, of kruipende vrees was de aanleiding voor de vereering van dit afschuwelijke dier en tevens de gedachte, dat zijn booze en dreigende streken konden afgewend worden, door hem gunstig te stemmen, want in het droge seizoen wandelden deze reptielen over de bebouwde akkers en verslonden allen, die zij tegenkwamen.

Later legde men hem welwillende attributen bij, doch de duistere kant bleef altijd bestaan. Uit een oogpunt van welwillende gezindheid wordt hij met Ra verbonden en dan weer met Osiris, doch in de legenden is hij zoowel de vriend, als de vijand van Osiris.

Een verhaal vertelt, dat een krokodil het lijk van Osiris op zijn rug, naar het land in veiligheid bracht, terwijl een ander bericht verhaalt, dat Isis, door Horus in een kleine ark, uit papyrusriet vervaardigd, te plaatsen, alleen in staat was, hem tegen de aanvallen van den boozen Sebek te beschermen.

Dit verhaal stelt hem duidelijk met Set, den moordenaar van Osiris, op één lijn en in dit verband worden de machten der duisternis symbolisch door vier krokodillen, die men in het Boek der Dooden de gestorvenen ziet dreigen, voorgesteld. De menschen zochten nog gedurende hun leven zich van deze verschrikkelijke gedaanten in de onderwereld te bevrijden door middel van tooverformules.

Tevens echter zegt men, dat hij de dooden goedgezind is en in de Pyramidenteksten geeft Sebek het licht aan de oogen der gestorvenen terug; hij doet inderdaad al hun talenten herleven, is hun gids in de nieuwe wereld en helpt hen om Set, den booze, die op iederen Osiris loert, te overwinnen. In dit karakter is hij de helper en beschermer van Horus het Kind. Zijn karaktertrekken zijn menigvuldig en men ziet, dat hij deel krijgt aan den ritus van alle andere goden van het Egyptische pantheon.

Geheel hiermede in overeenstemming is het feit, dat, terwijl men in sommige deelen van Egypte den krokodil voor heilig hield, hij in andere districten daarentegen gedood werd; ja, het jachtmaken op hem was een populaire sport onder de edelen van het Oude Rijk. Sommigen beschouwden den krokodil als een beschermer van Egypte, zoo beweert Diodorus “dat Arabische en Afrikaansche roovers zonder hem over den Nijl zouden zwemmen en het land in alle richtingen plunderen”.

Ook Herodotus verhaalt ons de verschillende gezichtspunten aangaande den krokodil en tegelijk hiermede verschillende fabelachtige verhalen over zijn wijsheid en gewoonten. Hij vertelt ons, dat men de krokodillen te Thebe en bij het meer Moeris voor heilig hield en het volk hen, wanneer zij tam geworden waren, met juweelen behing, armbanden aan hun voorpooten vasthechtte en hen met de uitgezochtste spijzen voedde. Na hun dood werden hun lichamen gebalsemd, onder veel plechtigheden en in het onderaardsche labyrinth begraven; deze plaats werd voor zoo heilig gehouden, dat men Herodotus niet toestond, er binnen te treden.

Het middelpunt van de vereering van den krokodil was Krokodilopolis in de Fayum en Strabo, die Egypte, onder de regeering van Augustus, bezocht, vertelt ons het volgende verhaal: “de heilige krokodil wordt van andere dieren afgezonderd gehouden in een meer; hij is tam en voor de priesters zacht gestemd. Hij wordt gevoed met brood, vleesch en wijn; vreemdelingen, die naar hem komen zien, bieden hem steeds deze gaven aan.

Onze gastheer, een aanzienlijk man, die onze gids was in de stad, vergezelde ons naar het meer en bracht van den avondmaaltijd een kleine koek, met vleesch toebereid en een kleine kruik, met honig en melk, mede. Het dier lag aan den oever van het meer. De priesters gingen naar het dier, eenige van hen openden zijn bek, één duwde den koek daarin, daarop het vleesch en vervolgens goten zij den honig en de melk daarin. Het dier sprong daarna in het meer en zwom naar de overzijde.

Wanneer er een andere vreemdeling met zijn offeranden kwam, namen de priesters dezen, liepen om het meer naar het dier, en herhaalden de handeling op dezelfde wijze als zoo even.”

Deze cultus hield tot ver in den Romeinschen tijd stand. Sebek had eveneens zijn orakel en voorspelde het overlijden van koning Ptolemaeus, door te weigeren naar hem te luisteren, of de priesters te gehoorzamen.

Op godsdienstige afbeeldingen wordt Sebek dikwijls als een man, met den kop van een krokodil, voorgesteld, terwijl hij de zonneschijf met een uraeus draagt, of bij een andere gelegenheid, een paar horens en de veeren van Amen.

De Leeuw.

De leeuw kon er moeilijk aan ontkomen, het middelpunt van een vereering te zijn en er zijn veel bewijzen, dat hij, vanaf zeer oude tijden uit de dynastieën, om zijn groote kracht en moed, vereerd is. Hij werd met de zonnegoden, met den zonnegod Horus, of Ra, geïdentificeerd.

De Delta was de woonplaats van den Egyptischen leeuw en het voornaamste middelpunt van zijn vereering was de stad Leontopolis, in het Noordelijk deel der Delta en hier werden, volgens Aelianus, de heilige dieren met gedoode dieren gevoed en soms werd een levend kalf in hun hol geworpen, om hun het genoegen te schenken, het te kunnen dooden. Gedurende het voeden zongen de priesters heilige liederen. Dezelfde schrijver echter vertelt, dat men leeuwen in den tempel te Heliopolis hield, evenals in verscheidene andere plaatsen in Egypte.

De Leeuw als Bewaker.

De voornaamste karaktertrek van den leeuw was die van bewaker en dit kan men vinden in de rol, welke de oude leeuw-god Aker speelde, welke de poort van de schemering, waarlangs de zon iederen morgen passeerde, bewaakte. De latere idee, dat de zonnegod langs een duisteren doorgang in de aarde, welke zijn licht verborg, ging en aldus de duisternis van den nacht veroorzaakte, terwijl het daaruit te voorschijn komen het signaal van den dag was, gaf noodzakelijkerwijze het aanzien aan twee leeuwenwachters, genaamd Sef en Dua, dat wil zeggen: “Gisteren” en “Morgen”. Hierdoor ontstond de gewoonte beelden van leeuwen bij de deuren van paleizen en graven te plaatsen, als wachters, zoowel van dooden, als levenden, tegen alle kwaad.

Ramses II door een leeuw vergezeld.

Evelyn Paul.

Aan deze beelden gaf men dikwijls de hoofden van menschen en dezen zijn bij de Grieken onder den naam Sphinxen bekend, hoewel de eigenschappen van het Egyptische leeuwenbeeld zeer verschilden van die van Grieksche sphinx.

De meest bekende van allen is natuurlijk de beroemde Sphinx van Gizeh, het symbool van den zonnegod Ra, of liever zijn kolossale woning, daar opgericht, met het gezicht naar de opkomende zon, om de dooden, die daar in de graven rondom rustten, te beschermen.

Er waren verschillende goden en godinnen, met den kop van een leeuw voorzien, in sommige gevallen de verpersoonlijking van de vernietigende kracht. In de onderwereld bewaakten sommige goden met een leeuwenkop eenige hallen, of pylons, daar ter plaatse en dat de leeuw op een of andere wijze met de dooden verbonden was, bewijst het feit, dat de lijkbaar altijd in den vorm van een leeuwenkop vervaardigd werd, terwijl de pooten niet zelden met een leeuwenklauw versierd waren.

Nu is het merkwaardig, dat het klaarblijkelijk geoorloofd was de leeuwen van een ander land te dooden, want wij lezen, dat Amen-hetep III zich er op beroemde, met zijn eign boog 102 krachtige leeuwen geschoten te hebben.

Ramses II en Ramses III hielden beiden een tammen leeuw; deze vergezelde hen in den strijd en viel zelfs den vijand aan. In dit geval is het echter duidelijk, dat de leeuw oorspronkelijk een symbool van bescherming vormde.

De Kat.

De kat werd zoowel als een incarnatie van Bast, de godin van Bubastis, beschouwd en was daarom aan haar gewijd, doch was tevens een personificatie van de zon. Door de geheele Egyptische mythologie heen, kan men haar vinden en gewoonlijk als welwillend voorgesteld.

In het Boek der Dooden snijdt een kat het hoofd van de slang der duisternis af en helpt bij de vernietiging van de vijanden van Osiris. Aan alle kanten is het zeer duidelijk, dat men de kat door Egypte in groote eere hield, na de 22e dynastie. Hier zijn de klassieke schrijvers wederom onze bronnen.

Diodorus verhaalt, dat de katten met brood, melk en stukjes Nijlvisschen gevoed werden en dat de dieren op een bepaald roepen naar hun voedsel kwamen.

Na hun dood werden de katten zorgvuldig gebalsemd en in linnen lakens gewikkeld, tezamen met specerijen en kruiden. Er stond doodstraf op, indien iemand een kat doodde, hetzij bij ongeluk, of met opzet en wij hooren van een geval, dat een Romein een kat gedood had, door de woedende menigte aangevallen werd en deze daad met zijn leven betalen moest.

Een passage bij Herodotus geeft ons verder een levendig beeld van de achting, welke deze dieren genoten. Hij vertelt het volgende:

“Indien er een brand uitbreekt, maakt zich van de katten een bovennatuurlijke aandrift meester. Want de Egyptenaren, die op een afstand staan, houden het oog op de katten gericht en denken er niet aan, het vuur te blusschen. De katten weten te ontsnappen, springen over de menschen heen en werpen zich zelf in het vuur; wanneer dit geschiedt, ontstaat er onder de Egyptenaren groote weeklacht.

In ieder huis, waarin een kat sterft, scheert de geheele familie zich de wenkbrauwen af, doch indien een hond sterft, scheren zij hun geheele lichaam en ook het hoofd. Alle gestorven katten worden naar bepaalde, heilige huizen gebracht; hier worden zij eerst gebalsemd en daarna in de stad Bubastis begraven”.

De Hond.

Honden stonden bij de Egyptenaren in hooge eer, met name in de stad Cynopolis; vreemd genoeg echter werden zij nooit als de mogelijke incarnatie van eenig god beschouwd, ofschoon er eenige verwarring van den hond met den jakhals geheerscht schijnt te hebben; deze was aan Anubis, die een helper van Osiris was en de zielen van de gestorvenen geleidde, gewijd.

Een ander dier, dat men eveneens verwarde, was de wolf; deze werd in het bijzonder in Lycopolis vereerd. De omstandigheid, dat de jakhals hoofdzakelijk in woestijnen en op bergen gevonden wordt en men daar gewoonlijk graven aanlegde, leidde in de Egyptische mythologie tot zijn vereeniging met de onderwereld en dit wel op een vroeg tijdstip; men schreef hem een goedaardig karakter toe en beschouwde hem als gids.

Het Nijlpaard.

Een andere cultus, waarschijnlijk op vrees gebaseerd, was die van het nijlpaard. Ta-urt, de nijlpaard-godin, werd langzamerhand met bijna iedere godin in het Egyptisch pantheon geïdentificeerd en hoewel haar attributen, die van welwillendheid en bescherming waren, werden de oorspronkelijke trekken van vernietiging niet geheel en al uitgewischt, want wij vinden dezen gepersonificeerd in het monster, half-nijlpaard, Amemt genaamd; deze helpt bij het Laatste Oordeel. Op dezelfde afbeelding vinden wij den aap met den kop van een hond, welke daar bij zit en op de wijzers van de schaal let en het resultaat aan Thoth mededeelt. Dit dier werd door de Egyptenaren grootelijks vereerd. Deze eeredienst is waarschijnlijk zeer oud. Apen hield men in verschillende tempels, voornamelijk in die van de maangodheden, zooals die van Khensu, te Thebe.

Andere Dieren.

Twee dieren, de ezel en het zwijn, verkregen een bijzonder kwaden roep, hoewel men hen in sommige opzichten als onschendbaar beschouwde. Zij werden altijd met de krachten van duisternis en kwaad verbonden. Bij den ezel schijnt de meening niet vast geweest te zijn, want in sommige gevallen doet dit dier als de personificatie van den zonnegod Ra dienst.

Verschillende kleinere dieren treft men verder nog in de mythologie van Egypte aan en onder dezen den haas, die als een god vereerd werd, verder de spitsmuis, aan de godin Buto gewijd, de pharaoh-rat en de vleermuis, terwijl de reptielen door de schildpad, met den nacht en daarom met de duisternis en het kwade verbonden en de slang klaarblijkelijk in den beginne uit vrees gunstig gestemd, doch later van welwillende motieven voorzien.

De uraeus werd het symbool van goddelijkheid en koninklijkheid, een symbool, door goden en koningen gedragen. De kwade zijde was in den geest der Egyptenaren overheerschend, want alle verschrikkingen van den dood en het Onbekende waren in het monster, de slang Apep, vereenigd; deze toch voerde zijn slangengebroed in de duisternis der onderwereld, zoowel tegen goden, als menschen.

Andere dieren waren de schorpioen, die soms met het kwaad verbonden werd, doch ook aan Isis gewijd was en de kikvorsch, in prae-dynastieke tijden als het symbool van geboorte en vruchtbaarheid vereerd. Deze cultus was de oudste in Egypte en werd met de scheppingsmythe verbonden. De godin Heqt, met Hathor vereenzelvigd, wordt met den kop van een kikvorsch afgebeeld.

De Ibis.

Onder de vogels, die door de Egyptenaren vereerd werden, was de ibis een van de belangwekkendste. Zij werd met Thoth en de maan verbonden en in de oudste tijden was de stad Hermopolis het middelpunt van haar vereering. Een passage bij Herodotus geeft veel interessante bijzonderheden aangaande de ideeën, welke men over dien vogel koesterde.

Hij vertelt ons, dat hij naar een plaats in Arabië, dicht bij de stad Buto, ging, om iets te weten te komen aangaande de gevleugelde slangen, welke door de Westenwind naar Egypte gebracht werden; men geloofde, dat dezen door de ibis, tegelijk met andere slangen, die in dat land gewoon zijn, vernietigd werden. Toen hij daar aankwam, zag hij de ruggegraten en ribben van slangen, in ongelooflijk groot aantal; er waren groote hoopen van deze ribben, sommigen groot, anderen klein, anderen weer van een middelmatige hoogte. De plaats, waar deze beenderen lagen, bevindt zich bij den ingang van een nauwen bergpas, tusschen steile bergen, uitkomende op een uitgestrekte vlakte, welke met de groote Egyptische vlakte in verbinding staat.

Het verhaal gaat, dat bij het aanbreken van de lente de gevleugelde slangen uit Arabië naar Egypte komen aanvliegen, doch in den nauwen bergpas op de zoogenaamde ibissen stuiten; dezen versperren hen den toegang en vernietigen hen.

De Arabieren beweren, en de Egyptenaren geven dit toe, dat de Egyptenaren de ibis in zoo’n hooge eer hielden vanwege dezen dienst. De ibis is een vogel van een zwarte kleur, met pooten als van een kraanvogel, zijn bek is buitengewoon krom en zijn vorm die van een spriet. Dit is een beschrijving van de ibis, die met de slangen strijdt”.

Een andere vogel, die groote eer genoot, was de bennu, een vogel van de reigersoort, die het aanzien aan den mythischen vogel, den phoenix, gaf. Hij wordt met de zon, als symbool van de op- en ondergaande zon, geïdentificeerd. Verschillende fabels ontstonden er over dezen vogel, welke door Herodotus en Plinius verhaald worden.

Een andere zonnevogel was de valk, aan Horus, Ra en Osiris gewijd en deze werd door geheel Egypte, gedurende den prae-dynastischen tijd vereerd. In een anderen vorm, met een menschelijk hoofd voorgesteld, werd hij het symbool der menschelijke ziel, een onderscheiding, die hij met den reiger en de zwaluw deelde, daar men geloofde, dat de ziel der menschen zich daarin reïncarneeren kon.

Plutarchus vertelt, dat Isis, in de gestalte van een zwaluw, den dood van Osiris bejammerde. De gans was eveneens aan Isis gewijd, ofschoon één soort van haar aan Amen-Ra gewijd was; de gier was het symbool van de godinnen Nekhebet en Mut. Er is eenige waarschijnlijkheid, dat sommige visschen voor heilig gehouden werden en zij, vanwege hun mythologische verbinding met verschillende goden en godinnen, vereerd werden.

Heilige boomen.

Hoewel Egypte, als land, niet rijk aan boomen was, speelden sommige boomsoorten een niet onbelangrijke rol in den cultus en wel in die mate, dat boomvereering door de meeste Egyptologen als een feit aangenomen is. Het feit dat deze boomen bijzonder vereerd werden, zou dit geloof nog kunnen ondersteunen, hoewel voorbeelden van werkelijke boomvereering zeldzaam zijn.

Wiedemann schrijft dit aan dezelfde reden toe, welke voor de karige vermelding in de Egyptische teksten van de dierenvereering gemaakt, verantwoordelijk is, hoewel wij uit andere bronnen weten, dat het de belangrijkste rol in den populairen godsdienst vervulde.

De reden is, dat de officieele godsdienst slechts weinig notitie van de mindere goden nam; immers het volk richtte zich liever naar de grootere goden en de priesterkaste liet ongaarne de landelijke en plebeische goden tot de lagerere klassen van hun pantheon toe.

Hij gaat verder en zegt: “voor zoover wij kunnen oordeelen, was de opname van boomvereering in tempeldienst en mythologie altijd het resultaat van een compromis; de priester werd genoodzaakt concessies te doen aan het geloof der groote menigte en den eeredienst van de volksgoden in de tempels toe te laten; zij deden dat echter onwillig en dit verklaart de klaarblijkelijke onbeteekenendheid in den officieelen cultus van den plantengroei, in vergelijking met de vereering van de groote goden en hun cyclus.”

In hun godsdienstig symbolisme zien wij den heiligen boom, welke in “de Groote Hal” van Heliopolis groeide, op de plaats, waar de zonnekat de groote slang van het kwaad, Apep, doodde, de plaats, waaruit de Phoenix verrees. De bladeren van dezen boom bezaten tooverkracht, want wanneer Thoth, of de godin Safekht, daarop den naam van den monarch schreef, werd hij met onsterfelijkheid begiftigd.

Daar was verder de wonderlijke boom, de tamarisk, welke zijn stam en zijn takken om de kist, welke het lijk van den dooden Osiris bevatte, wond. Nog hooren wij van een olijfboom, de woning van een god, wiens naam verder onbekend is.

De vijgeboom, waarvan de schaduw zoo welkom was in de helle schittering van het Egyptische land, had zijn tegenhanger in het Land der Dooden, en tegen dezen leunde een Hathor, de Meesteres der Onderwereld, terwijl zij steun en water aan de voorbijgaande zielen verleende. Soms is het een palmboom, bij welke zij de dooden helpt en misschien is het een blad van dezen boom, omgeven door ondersteboven gekeerde horens, welke het gewone symbool van Safekht, de godin van het leeren, beschermt. De vijgeboom schijnt echter eerst in de gunst gestaan te hebben en op sommige monumenten wordt deze afgebeeld, met boeren daaromheen, die hun gebed voor dezen opzeggen en offers, uit vruchten, groenten en kruiken met water gevuld bestaande, brengen.

Men hield den boom eveneens aan Nut en Hathor gewijd en men geloofde, dat haar dubbelgangster hier huisden, terwijl een bepaalde soort beschouwd werd als “het levend lichaam van Hathor op aarde”; Hathor uit Memphis werd inderdaad “de Meesteres van den Vijgeboom” genoemd.

Aangaande de latere ontwikkeling van dit geloof vertelt Wiedemann het volgende: “In den tijd der Ptolemaeën werden er systematisch pogingen aangewend, om dezen vorm van vereering in den tempel van iedere nome in te voeren; volgens de lijsten, welke op dit onderwerp betrekking hebben, vereerden 24 nomen den Nijl-acacia, 17 de Corda myxa, 16 de Zizyphus Spina Christi, terwijl andere boomen, b.v. de vijgeboom, de Juniperus Phoenica en de Tamarisk Nilotica slechts één-, of tweemaal, genoemd worden.

Tien soorten van heilige boomen worden hier vermeld, terwijl op zijn hoogst soms drie in dezelfde nomen vereerd werden. Het is verder waarschijnlijk, dat iedere tempel zijn heiligen boom en heilige boschjes had, terwijl men leest, dat zeldzame boomen, als kostbare buit, uit veroverde landen werden medegebracht; hun wortels werden zorgvuldig in groote bakken, met aarde gevuld, geteeld, om rondom tempels en paleizen geplant te worden.

De Lotus.

Onder de planten is de lotus de eenige soort, van welke men zeggen kan, dat zij heilig was. In het Egyptisch symbolisme en de decoratieve kunst kan men haar overal vinden.

Uit de kelk van een lotus-bloem komt de knaap Horus, de rijzende zon, te voorschijn en verder is zij het symbool der wederopstanding, wanneer Nefer-tem, bekranst met de bloemen, onafgebroken het leven schenkt, om in de wereld te verschijnen. Op de offeraltaren legde men haar bloemen in overvloedig aantal.

Godsdienst van den lateren tijd.

Het einde van het Nieuwe Rijk en de daarop volgende politieke chaos, bekend onder den naam van de Libysche periode, beteekende werkelijk, voor den Egyptischen godsdienst, het begin van het einde.

Vanaf dien tijd is er een gestadig verval in het oude geloof der Pharaohs merkbaar, een verval, dat de groote opleving der 8e eeuw en verder daarna, niet in staat was ongedaan te maken.

De steeds grootere toeneming en invoering van vreemde elementen, zoowel Grieksche als Perzische en Semitische en het bewaren van het droge omhulsel, waaruit de ziel reeds lang verdwenen was, dit alles verminderde de kracht en de mannelijkheid van den Egyptischen godsdienst, verhinderde werkelijke vooruitgang en hielp mede tot zijn verval, totdat hij geheel en al door de aanhangers van het Christendom overwonnen werd en in vergetelheid geraakte.

Bij het begin der Libysche periode was er een aantal onbeteekenende heerschers in het Egyptische land; een monarch regeerde te Tanis, in de Delta; in Thebe regeerden de priesters van Amen, andere districten werden door de opperhoofden onder de Libysche huursoldaten geregeerd.

Een van deze laatsten, Sheschonk genaamd, verkreeg ongeveer in het midden van de 10e eeuw v.C. de suprematie en daar Bubastis zijn hoofdstad was, werd Bast, de godin van die plaats, met den kop van een kat afgebeeld, een tijd lang de opperste godheid van Egypte, terwijl andere delta-goden eveneens in trek kwamen. Een deel der vereering viel ook Amen ten deel.

Nu is het opmerkelijk, dat de godheid zelf de regeerder was van de stad; zij werd door een goddelijke vrouw, steeds de oudste prinses der regeerende familie, voorgesteld. Zoo sterk was het geloof in het goddelijk bestuur van Thebe, dat geen enkele monarch in de latere periode, hoe krachtig hij ook was, eenige poging, de stad te nemen, waagde.

Ondertusschen voltrok zich een geheel veranderde gezindheid van gevoelens ten opzichte van Set, den boozen broeder van Isis en Osiris. Tot dat oogenblik was aan zijn positie onder de goden van het Egyptisch pantheon niet getwijfeld, doch thans werd hij van zijn hoog voetstuk neergehaald en met de slang Apep geïdentificeerd; hij was niet langer een god, doch een duivel.

De orakelvereering bloeide buitengewoon onder de periode van verval en gaf veel speelruimte aan de vindingrijkheid der priesters. De gebruikelijke manier om het orakel te raadplegen bestond hierin, dat men eenige woorden, of om raad, of een oordeel te vragen, op papyrus schreef; men geloofde, dat dezen in de mond van den god gelegd werden en dat hij, door knikken, zijn toestemming gaf.

Een godsdienstige reactie.

Ongeveer in het einde der 8e eeuw v.C. vond er een groote reactie op godsdienstig gebied plaats. Tot dien tijd had de schitterende aanvang van het Nieuwe Rijk, voornamelijk de tijd van Ramses II, een model voor de vromen van den lateren tijd gevormd; thans was echter het Oude Rijk, zijn monumenten, godsdienstige gebruiken en gewoonten, zijn innige vroomheid en zijn fier conservatisme, de modeltijd voor het geheele volk geworden.

Het was echter minder een trouwe copie, dan wel een caricatuur, van het Oude Rijk, dat de periode van verval liet zien. Alles wat het vreemdst en buitengewoonst was in den ouden godsdienst werd opgezocht en nagestreefd. Oude monumenten en godsdienstige literatuur werden bestudeerd; de taal en spellingsleer van lang vervlogen eeuwen herleefden en werden weer aangenomen en hoe meer dit voor het gros van het volk onbegrijpelijk was, des te meer maakte dit het mysterie juist nog heiliger.

In de begrafenisgebruiken van dien tijd kwam de liefde voor het ouderwetsche duidelijk aan den dag. Oude begrafenisliteratuur stond in hooge eere; de pyramidenteksten herleefden, oude lijkkisten en zelfs stukken van dezen gebruikte men bij het begraven der dooden.

Het huisraad in de graven werd mooi bewerkt—tenminste bij rijke personen—terwijl zelfs de armsten nog voor eenige voorwerpen in het graf gezorgd hadden. Ushabti figuren van blauw faience werden met de dooden begraven, om voor hen eenige gedwongen arbeid, waartoe zij in het rijk van Osiris opgeroepen zouden kunnen worden, te verrichten en scarabaeën werden eveneens in hun kist gelegd.

De godsdienstige gebruiken en plechtigheden, bij de mummificatie, waren een navolging van die van het Oude Rijk en werden zeer nauwkeurig uitgevoerd. Zelfs de graven van de leden der koninklijke familie in Thebe waren niet zoo prachtig, als die van particuliere personen in dezen tijd. Omdat hun inscripties bijna zonder uitzondering uit het Oude Rijk geput werden, is het moeilijk voor ons te gissen, wat hun werkelijke denkbeelden over den dood en de onderwereld waren. Misschien waren dezen ook ergens anders aan ontleend.

Uit de graven van vreemden, b.v. van Syriërs, die onder de 5e dynastie v.C. leefden, kan men eenige inlichtingen over den toestand der dooden in de onderwereld, welke waarschijnlijk de algemeene ideeën van dien tijd vertegenwoordigen, verkrijgen.

Herodotus verzekert, dat de Egyptenaren in dezen tijd in een zielsverhuizing geloofden en het is mogelijk, dat zij dit geloof in zekere mate koesterden. Misschien was het een ontwikkeling van de oudere idee, dat de ziel in staat was, zich in verschillende gedaanten, b.v. die van een vogel, of een ander dier, te veranderen.

Dierenvereering.

Een zeer in het oogvallend kenmerk van den godsdienst uit de latere periode, welke de reeds vermelde overdrijving goed in het oog doet vallen, was de dierenvereering, door de vrome Egyptenaren tot een bijna belachelijk hoogtepunt opgevoerd.

Katten, krokodillen, vogels, kevers, rammen, slakken en ontelbare andere dieren werden met een verkwistende praal en ritus, welke de Egyptenaren goed aan konden wenden, vereerd. Voornamelijk aan den Apis, den stier in den tempel van Ptah in Memphis, werd groote eer bewezen. Van den Saitischen koning Amasis, die zich veel met de herstelling van oude monumenten bezig hield, vertelt men, dat hij een groot vereerder van den heiligen stier was en dat hij voor hem de eerste van de kolossale sarcophagen te Saqquara oprichtte.

Deze uitgebreide begrafenisplechtigheden vielen niet aan heilige dieren afzonderlijk ten deel, doch zij werden geheele klassen bewezen. Het was b.v. een daad van vroomheid een doode kat te mummificeeren en de overblijfselen naar Bubastis, waar Bast, met den kop van een kat, regeerde, te brengen; daar werd het dier in een grafgewelf, met passend huisraad voorzien, begraven. Doode muizen en sperwers werden naar Buto gebracht; de ibis vond zijn laatste rustplaats in Esh-munen terwijl de koe, het heiligste van alle Egyptische dieren, na haar dood, in den Nijl geworpen werd.

Nu is het opmerkelijk, dat niettegenstaande de uitsluiting, welke deze phase van den Egyptischen godsdienst kenmerkte en de verachting, met welke de Egyptenaren alles, wat niet uit hun eigen land was, beschouwden, verschillende vreemde elementen hun geloof binnendrongen en zich daarin, gedurende de Saitische en Perzische overheersching, nestelden.

De orakels, welke een overwegende rol in het godsdienstig bestaan van het land speelden, waren waarschijnlijk niet van Egyptischen oorsprong; het brandoffer was een Semitisch gebruik, dat het volk van het Nijldal aangenomen had. Reeds was er in Egypte een belangrijk Grieksch element en ten tijde van Amasis was een Grieksche stad (Naukratis genaamd), daar gesticht.

Daarom is het niet onwaarschijnlijk, dat Grieksche ideeën eveneens den Egyptischen godsdienst binnendrongen, die aan de andere goden kleuren gaven en misschien aan Herodotus aanleiding gaven de goden van Egypte met die van Griekenland te identificeeren, zooals Osiris met Dionysus, Isis met Demeter, Horus met Apollo, Set met Typhon en zoo voorts.

Deze vereenzelviging werd natuurlijk in latere jaren, toen de Grieken in Egypte meesters werden, algemeen. Afgezien van deze vreemde ideeën, op den Egyptischen godsdienst geënt, waren er nog nieuwigheden, welke door de priesters zelf verzonnen waren, zooals het tot god verheffen van sommigen door de bevolking, vanwege hun bekwaamheid in leeren en toovenarij, bewonderd. Zulke heldgoden waren b.v. Imhotep, een bekend schrijver en architect onder koning Zoser, op een vroeg tijdstip van de geschiedenis der dynastiën en Amen-hetep, zoon van Hapu, van wien men geloofde, dat hij de goden gezien en met hen omgegaan had. Beide helden werden met de goden te Thebe en Karnak vereerd.

Godsdienst gedurende de Perzische overheersching.

Terwijl de Saitische heerschers pogingen aanwendden met de priesters op goeden voet te blijven, deden de Perzische monarchen in geen enkel opzicht hierin voor hen onder. Zelfs de vermetelsten onder hen vonden, dat het voordeelig voor hen was, zich voor de inheemsche goden te buigen en dezen te beschermen.

Ondertusschen stond men de Egyptische vorsten, die gelijktijdig met de Perzen regeerden, ongehinderd toe, met het bouwen van tempels en monumenten door te gaan.

Vreemd genoeg werd deze periode door een haat en verachting van den kant der Egyptenaren voor alle vreemden, die in hun steden woonden, gekenmerkt. Kambyses, die den Apisstier met smaad overlaadde en hem ten slotte doodde, werd later door zijn geneesheer Usahor-res-net overreed zijn ketterij te beroepen en verder genoopt vreemdelingen uit de tempelruimten te verbannen en hun huizen te vernielen. Andere heerschers hieven belasting op de Grieksche importwaren en wijdden de opbrengst hiervan aan de godin Neith.

De Ptolemaeën-tijd.

Zooals reeds opgemerkt is, hadden Grieksche denkbeelden reeds hun weg naar den Egyptischen godsdienst gevonden, voordat de verovering van Alexander den Grooten in de 4e eeuw v.C, den Griekschen invloed overheerschend maakte. De oude godsdienst behield nog zijn oude basis en handhaafde zijn eigenlijk karakter.

De Grieksche vorsten wedijverden met hun voorgangers in verdraagzaamheid en eerbied, welken zij aan den godsdienst van het land bewezen. Zij handhaafden de Egyptische godheden in hun schitterenden staat; zij gaven standbeelden, boeken en andere voorwerpen, welke de Perzen uit het land medegenomen hadden, terug; zij vereerden zelfs de dwaze diergoden der Egyptenaren.

Dit was de groote tijd van den tempelbouw in Egypte. De tempels van Dendereh, Edfu, Kom Ombo, Philae en verschillende andere beroemde bouwwerken, verrezen onder de Ptolemaën en de Romeinsche heerschers.

De priesters waren voor de gunsten, hun door de veroveraars bewezen, innig dankbaar, in die mate zelfs, dat zij hun heerschers nog bij hun leven tot goden verhieven. Men sprak b.v. van Ptolemaeus en zijn gezelschap, die de welwillende goden de tempels in het land met weldaden overladen en de waardigheid der goden buitengewoon vergroot hadden. Op alle mogelijke wijzen hadden zij voor Apis, Mnevis en andere heilige dieren, welke vereerd werden, met groote uitgaven en kosten gezorgd. Er werd zelfs een nieuwe priesterorde3, bekend onder den naam van: “de priesterschap van de weldadige goden”, ingesteld.

Gedurende den Romeinschen invloed was de hoogepriester de gewichtigste godsdienstige ambtenaar; hij was de vertegenwoordiger van een nog hoogeren Romeinschen ambtenaar, den hoogepriester van Alexandrië, die boven alle anderen in Egypte stond.

De priesters der groote tempels, die rijkelijk geschenken in geld en land ontvangen hadden, waren waarschijnlijk goed verzorgd, doch in de kleinere tempels was de toestand geheel anders, indien wij uit de ons ten dienste staande gegevens oordeelen kunnen.

De Thebaansche priesters beschouwde men voornamelijk als zeer ervaren in oudheidkunde en daarom werden zij later door reizigers uit Rome veel bezocht. In Thebe vond men eveneens priesteressen voor den dienst van Amen, den god van dat district, bestemd; zoowel de Grieken, als de Egyptenaren, bewezen dien god eer, daar hij met Zeus geïdentificeerd werd.

De dierenvereering ging gedurende den Hellenistischen tijd onafgebroken voort, ja, het is zelfs waarschijnlijk, dat deze phase van den Egyptischen godsdienst onder het Grieksche bestuur meer geprononceerd was, want Strabo, die in Augustus’ tijd schreef, vermeldt, dat afbeeldingen van heilige dieren eigenlijk de beelden der goden vervangen hadden. De heilige ram (Khnemu) van Mendes, werd zoowel door veroveraars, als veroverden, vereerd, evenals de Apis en de heilige krokodil en wellicht werden de inkomsten der tempels soms door het vertoonen van deze dieren aan de nieuwsgierige menigte van vreemdelingen vermeerderd.