WeRead Powered by ReaderPub
Mythen en Legenden van Egypte cover

Mythen en Legenden van Egypte

Chapter 207: B.
Open in WeRead

About This Book

The work surveys ancient Egyptian religion and mythology, beginning with local cults, animistic and totemic origins, and diverse creation myths that shaped a complex pantheon. It examines major deities and narratives, with emphasis on the Osiris cycle and related funerary beliefs, and describes burial practices, mummification, and pyramid architecture. Social and institutional aspects such as priesthoods, temple ritual, and mystery cults are treated alongside magic, amulets, and popular spells. Chapters explore literature, folklore, animal and tree veneration, art, and the transformations brought by later foreign influences on belief and practice.

Register.

A.

Aah’mes, Koningin, Vrouw van den Egyptischen koning, 263; bezocht door Amen-Ra, 264; door Neith en Selk boven de aarde omhoog geheven, 264; de moeder van koningin Hatshepsut, 265; beeld van, 339.

Aah-Te-Hu’ti of Te-hu’ti. Equivalent, Thoth, 116.

Aardgod. Geb, de, 263.

Aa-Ru. Onderwereld bekend als, 70.

Aat-ab. Heiligdom van Heru-Behudeti te, 94.

Ab-Tu. Een visch, welke loodsdienst verricht bij de boot van Ra, 141.

Abu. Andere naam voor Elephantine, 164.

Abu Ro’ash. Tweede pyramide, gebouwd te, 29.

Ab-y’dos. Vijf priesters vormden den staf te, 65; middelpunt van vereering van Osiris, 69; orakel van Bes te, 301, 331; beeld van Seti I te, 339.

Abessynië, 276.

Abessyniërs, 39.

Adam, Robert, 344.

A-do’nis. Gelijkenis van mythe met die van Osiris, 77; vermelding van, 172.

Aegeïsche Zee. Kooplieden van, ontleenden hun alphabet aan het Egyptische hieratische schrift, 198.

Aelianus, 304.

Aesopus. Fabels, 209.

Af’a. Wezens in den hemel, karaktertrekken van, onbekend, 136.

Af’ra. Variant van Ra-Osiris, 85; boot van, ontmoet de booten van Osiris in de onderwereld, 126; als Afra vervolgt Osiris zijn reis door de onderwereld, 127; gaat door het lichaam van een monsterachtige slang en komt daaruit als Khepera te voorschijn, 27.

Afrika. Ontstaan van oudsten Egyptischen godsdienst in, 4; Osiris, god van Noord-Oost, 70; oorsprong van Osiris in, 70; ontstaan van Anqet, 167.

Afrikaansche, invloed. Semitische en, op Egyptische godsdienstige ideeën, 300, 301; godheden, Bes de invloedrijkste, 302.

Ah. De maangod; Ashtorethen, 298.

Ah-u’ra. Vrouw van Neper-ka-Ptah, 286; haar voorspelling aangaande Setne, 286; vraagt Setne het boek van haar echtgenoot niet te verwijderen, 286.

. Het paleis van, 48; hymne ter eere van Aten, gevonden in de graftombe van, 173.

Ai’nu, van Japan. God van de, 158.

Ak’er. De leeuwgod; bewaakt de poort der duisternis.

Ak’er-blad. Hielp de steen van Rosetta ontcijferen, 200.

Ak’er-Tet. Viering van de mysteriën van, 63.

Ak’hen-at-en. Zie Amen-hetep IV. 1. Koning; Amen-hetep verandert zijn naam in, 170; godsdienst van, 170; voerde den cultus van Aten in Egypte in, 171; zijn regeering, 172; verwijzing naar, 172; 2. Paleis van, 48; nieuwe hoofdstad gebouwd door Amen-hetep, 170; maatschappelijk leven in, 172.

Al’asia. Ounamounou trekt naar het land van, 252; Hatibi, de prinses van, 253.

Alchemie, 288.

Alexander De Groote, 153.

Alexandrië. Wijn vervaardigd in Mareotis, 52; geschriften van Grieken uit, 117; standbeeld van Serapis te, 328; Serapis, voornaamste god in, 328.

Alexandrijnsche Verovering. De godsdienst van Egypte en, 326.

Al Khe-mei’a, 288.

Am-A’it. De dienaar van den heer van Amenti, 225.

Am-A’sis. Een Egyptisch koning, die 526 v.C. stierf, 210, 211; Saïtisch Koning, 323; richtte sarcophagen op voor den heiligen stier, 323 Naukratis gesticht ten tijde van, 324.

Amélineau, 135.

Amemt. Monster, dat helpt bij het laatste oordeel, 315.

Am’en. Groote rijkdom en macht van god, 58; toespelingen op, in het Boek der Dooden, 128; vereenigd met Ra; tempel te Thebe; Ra en Osiris, vereering wijd en zijd door het Nijldal verspreid, 148; middelpunt van vereering en macht, Thebe; alle attributen van Ra op hem overgebracht, 149, 150; nationale god, fusie van Ra en Amen, 149, 150; koning der goden, 151; zijn vereering en poging tot monotheïsme, 152; werd in het Egyptisch Pantheon als Amen-Ra vereerd, 169; toespeling op, 154, 169, 170, 188; de god, Pharaoh Manakhphrê-Siamon en, 229, 230; genoemd de stier van Meroe, 230; aangeroepen in verband met tooverspreuken, 282; Sebek voorgesteld met de veeren van, 311; deelde in de vereering van Egypte gedurende de Libysche periode, 321; priesteressen van Zeus geïdentificeerd met, 326.

A’men-em-Hat I. Schreef een werk over een goed bestuur, 201; eerste koning der 12e dynastie, 204.

Am’en-em-Hat III. Pyramide van, te Dahshur, 30.

Am’en-Het-Ep III. Tempel van Mut, gebouwd door, 154; tempels van Ra-Harmachis en Aten, gebouwd door, 169; vereering van Ashtoreth ten tijde van, 297; beroemde er zich op, dat hij 102 leeuwen geschoten had, 313; zoon van Hāpu, 324; een halfgod, van wien men geloofde, dat hij met de goden verkeerd had, 324.

A’men-He’tep IV. Cultus van Aten, onder de regeering van; beschouwde Aten als de woning van den zonnegod, 168, 169; bouwde een nieuwe hoofdstad, aan het geloof van Aten gewijd, 170; vermelding van, 172.

Am’en-Ra. Politieke macht van de priesters van, 151; alle attributen van het Egyptisch pantheon werden hem geschonken, behalve die van Osiris, 151; een van zijn gestalten was die van een gans, 152; heerschappij van, 152; Nut, zijn tegenhangster, 154; vereerd onder de 18e dynastie, 169; strijd over de suprematie tusschen aanhangers van en die van Aten; naam van, uitgewischt uit de inscripties, op bevel van den koning, 170; suprematie hersteld bij den dood van Akh-en-Aten, 172; schoonheid van, 189; feest van, 180; Ounamounou, hoogepriester van, 248; goud van, 249; beeld van, 249; heilige bark van, 251; Pharaoh Petoubastis zweert bij, 262; koning der goden en schepper der menschen, 263; koningin Hatshepsut dochter van, door koningin Aahmes, 264, 265; prins Thoutii prijst, 268; ganzen gewijd aan, 317.

Am-en’tet. Een streek, of veld van riet, waarin de zielen woonden, welke van offeranden op aarde leefden, 125; beheerscht door Menuqet, 125; toespeling op, 176.

Am-en’ti. Toespeling op, 224; een visioen van, 224226; de goden van, door Setne gezien, 224226; Amait, de dienaar van den heerscher van, 225.

Amerika. Stam- en diertotems van, 14; inboorlingen van, en ziel, 36; mythe van Nut, algemeen onder inboorlingen bekend van, 185.

Amerika-Noord. Bijgeloof onder stammen van, 276; parallel bij gewoonten van Egyptische goden, gevonden in de mythologie van zekere stammen van, 279; Indianen; de orenda van de, 279; Indianen; droomen en, 292.

Amerikaansche Indianen. Toespeling op het geloof van de, 6; geloof in de wederopstanding der, 86.

Am’het. Een gedeelte der onderwereld, 127.

Am’set. Equivalent, Mesti, 32; een van de vier helpers van Horus, 104.

Am’su. Andere gedaante van Ptah-Seker-Asar, 157; Qetesh vereenigd met, 298.

Amuletten. Gebruik in Egypte, 281; eenige meer belangrijke: het hart (de scarabaeus), het kussen, de gouden halsketting, het oog van Horus etc., 282; kracht van, 282.

An’ap-ou. Broer van Bitou, 240244; doodt zijn vrouw en treurt over Bitou, 241; vereerd door Pharaoh, 244; volgt Bitou op den troon van Egypte op, 244.

An’i. Papyrus van, 8; toespeling op, 63; raadgevingen aan zijn erfgenaam, 201; toespeling op den papyrus van, 346.

Animisme. Oud-Egypte doorliep de phases van, 5; de moeder van het spiritisme, 273.

Ankh-Net’eru. Een groote slang, door wier lichaam Af Ra door twaalf goden getrokken wordt, 127.

An-Ouk-Hor’on. De prins van Tiome; wijkt voor de benden van Sebennytus, 261; wordt door Petekhousou overwonnen, 262.

An-Pu. Equivalent, Anubis 112.

An’qet. Isis, als godin der vruchtbare wateren, werd genoemd, 91; een van drie goden, te Elephantine vereerd, 163; tegenhangster van Khnemu; plaatselijke Nubische godin, 164; zustergodin van Satet; oorsprong, vereering te Sahal; heiligdom te Philae, waar zij met Nephthys geïdentificeerd werd, 168; personificatie, 168.

Ant. Een visch, die bij de bark van Ra loodsdienst verricht, 141.

Anth. Zie Anthat.

An’that. Egyptische oorlogsgodin, 296; haar vereering in Syrië, 296; heiligdom te Thebe voor, 296; naam door Ramses II aan zijn dochter gegeven, 297; benaming “meesteres van den hemel en der goden”, 297; Set en, 297.

An’tuf. Tempel van, 162.

An’u Of An’nu. College te, 60; On, of Heliopolis der Grieken, 60, 122; genoemd in het Boek der Dooden, 128; vereering van Ra te, 142.

An’u-bis. Voorstelling van, 13; masker van, 34; lijk van Osiris en, 86; zoon van Nephthys, 105; een tweede An-pu; gids der dooden, 112; vereerd te Lycopolis, Abt en elders; genoemd in het Boek der Dooden; balsemt het lijk van Osiris, 113; bijgestaan door Up-uaut; personificatie van den zomerzonnestilstand, 114; had vereerders in Rome, 114; weegt de harten der dooden voor Osiris, 114; zijn oordeel over de dooden aan het hof van Amen-Ra, 263; mummie-magie en, 293; de jakhals gewijd aan, 314.

Aap-goden. Gezangen ter eere van Osiris door, 125.

Ap’ep, Ap’epi. Vriend der duisternis, 15; Set neemt zijn gestalte aan, 109; houdt Af Ra tegen, 127; vijand van Ra, verslindt dagelijks de zon; tegenhanger, het Assyrische monster Tiamat, 141, 142; verwijzing naar, 174; gedood te Heliopolis, 186; de monsterslang: verschrikkingen van het onbekende gepersonificeerd in, 316; gedood door de zonnekat, 318; Set geïdentificeerd met, 321.

Ap’epi. Vorst, aanvoerder der Hyksos, 208.

Apen. In tempels gehouden, 324.

Ap’et. Hippopotamus-godin van Thebe; de moeder van Osiris, naar men veronderstelde, 187.

Aphrodite. Hathor geïdentificeerd met, 181.

Aphroditopolis. Hathor van, 181.

Ap’is. Gedood door Ochus, 111; heilige stier; Bitou neemt de gestalte aan van, 242; vereering van, in Egypte, 304; Herodotus beschrijft, 304; verhaal van, door Diodorus, 305; Manetho over de vereering van, 304; Diodorus’ verhaal over het vinden van, 305; begrafenisplechtigheden van, 307; inwijding van, 305; overgebracht naar Memphis, 305; koeien aan de, aangeboden, 306; orakel in den tempel van Ptah, 306; Wiedemann over het orakel van, 306; Plinius over de voorspellingen in verband met, 307; voorspellingen gedurende den optocht van, 307; offers aan, 307; begrafenis van, 307; beelden en zuilen gewijd aan de dooden, 307; na den dood vorming van den dubbelgod Osiris-Apis, 308; eigenschappen van Hades toegeschreven aan, 307; vereering gedurende latere periode, 308; de Saïtische koning Amasis, richt sarcophagen op voor, 323; Kambyses en de, 325; vereerd door onderworpenen en veroveraars, 326.

Apollinopolis Magna. Meesteres der strijdwagens, wonend in—Egyptische benaming voor Ashtoreth, 297.

Ap-u’at. Equivalent, Up-uaut, 114.

Apuleius. Spreekt over Anubis als voorzien van een hondekop, 114.

Arabië. Immigratie uit, naar Egypte, 40.

Arabische Nachten, toespeling op, 266.

Arabieren. Pyramide, mastaba genoemd door 28; toespeling op, 195; Sennacherib, koning der Assyriërs en, 235.

Archaeological Society, 265.

Architectuur. Ruwe vormen van vroegere, in Egypte, 334.

Aristeos. Ziel van, 7.

Ar-sin’oë. Twee Ptolemaeën en een; afbeeldingen van, op een zuil, 309.

Arthur. Koning. Verwijzing naar, 94.

As’ar-Ha’pi. Een gestalte van Serapis, 327, 328.

A’s-en. Boom van, 8.

Ash’emu. Hemelgoden, attributen onbekend, 136.

Ashmolean Museum, 42.

Ash-tar-oth. Zie Ashtoreth.

Ash’tor-eth. Een Egyptische godheid, aan Semitisch Azië ontleend, 297; door de Egyptenaren meesteres der paarden en krijgswagens, bewoonster van Apollinopolis Magna genoemd, 297; de verschrikkelijke oorlogsgodin, 297; haar vereering in Egypte ingevoerd, 297; vermelding van, in een brief van Tushratta aan Amen-hetep III, 297; haar vereering in de Delta, 298; een tempel voor, op de kusten van het Serbonische meer, 298; geïdentificeerd met gestalten van Hathor, of Isis-Hathor, 298; de nationale godin der Syriërs, 298; Ramses II noemde een zijner zoons naar haar (Mer-Astrot), 298; afgeschilderd met den kop van een leeuwin, 298; Qetesh beschouwd als vorm van, 298.

A’so. Koningin van Aethiopië; handlangster van Set, om Osiris te dooden, 72.

As’sa. Pyramide van, genaamd de Schoone, 30.

Ass’uan (spreek uit As-wan). Graven en steengroeven van, 49.

Assyriërs. Verwijzing naar, het monster Tiamat, tegenhanger van Apep, 142; Sennacherib, koning der, 235; Egyptische kunstenaars leeren van de, 341.

As-tar’te. Equivalent Athenais, 74; helpt Isis, 75; door Horus wordt haar het slagveld getoond, 96.

Astrologische. Wetenschap der Egyptenaren, 291; kalenders, 291.

At’ef. De kroon, gedragen door Thoth, 115.

At’en. Zonneschijf, 168; cultus van, gedurende de regeering van Amen-hetep IV, 168; beschouwd als woonplaats van den zonnegod, 169; de koning bouwt een hoofdstad ter eere van, 170; zijn cultus is een natuurdienst, 171; duidde den zonnegod en de zonneschijf aan; in het Boek der Dooden, 172; woorden slaande op, 172; zijn toezicht op den Nijl; titels gegeven aan, 172, 173; zijn cultus was de vereering van den zonnegod, 174.

At’mu. Gelijke van Tem, 128; of Atum, 144; god aan het hof van Amen-Ra, 263.

At’tis. Gelijkenis van mythe met die van Osiris, 77; ritus, 78.

At’um. Oorspronkelijke en plaatselijke god van Heliopolis; vereenigd met Ra-Tem, 144; zijn gelijke Atmu, 128; Atum, of Tem, 144.

Audiëntie-zaal, 227235; Se-Osiris en, 228.

Augustus, Keizer. Het Apis-Orakel en, 306; Strabo bezoekt Egypte tijdens de regeering van, 310; Strabo schrijft ten tijde van, 327.

Australische vereenigingen, bijna met die van Eleusis identisch, 64; inwijdingsplechtigheden, 131; inboorlingen, hebben een afkeer hun waren naam te zeggen, 276, 277; bij geloof aangaande nieuwe namen, 277.

Ayllu. Stam, had haar eigen geboorteplaats, 11.

Az’tecs, Geloof van, 6; pantheon; Tezcatlipoca; hoofd van, 89; toespeling op, 139.

B.

Baal. Egyptisch oorlogsgod, 295; de Ramessiden achten hem hoog, 296; tempel te Tanis voor, 296; geïdentificeerd met Set, 296; naam in de teksten van Edfû, 296.

Babyloniërs. Een volk verwant met, 39.

Bacchus. Toespeling op, 110.

Ba’dîl. De vorst van Dora; Ounamounou en, 249, 250.

Bak’hau. De berg van den zonsopgang, 135.

Banth-an’th (is Dochter van Anth). Naam door Ramses II aan zijn dochter gegeven, 297.

Bas-reliefs. Egyptische, 339; eigenaardigheden van het Nieuwe Rijk, 340.

Bast. Eerst in de gedaante van een kat vereerd, 12; Mut geïdentificeerd met, 154; tempel van, te Memphis, 158; stelt de milde zonnewarmte voor, versmolten met Sekhmet en Ra, 159; vermeld in de Pyramidenteksten en het Boek der Dooden, 159; feest van, 159; toespeling op, 160, 187; geschiedenis, waarin de monsterkat een godin voorstelt, 202; de kat, die genezen werd en, 283; zij werd beschouwd van Libyschen oorsprong te zijn, 295; de kat een incarnatie van, 315; de godin van Bubastis, 321, 324; geïdentificeerd met Artemis, 327.

Batakkers, van Sumatra; de ziel en, 37.

Be’by. Een vreeselijk monster, 129.

Beëlzebub. Een voorbeeld van een vervallen godheid, 274.

Be’hu-det. Horus van, 102.

Bekh’ten. Vorst van, vasal van koning Ramses, 189; dochter van, 189191.

Be’lin. Verwijzing naar, 94.

Ben’i Hass’an. Graven van, 31; een merkwaardige schilderij te, 339

Bent-reshy. Kleine zuster van Ramses’ vrouw, 191.

Beowulf. Verwijzing naar, 95, 142.

Berenice. Basis van Arabische immigratie te, 40.

Berlijn, 43, 201, 212.

Berlijnsche School. Verwijzing naar, 41; dateering der Egyptische geschiedenis volgens, 41.

Bes. Populariteit van, 187; de gewichtigste der Afrikaansche godheden, 331; met de geboorte verbonden, 302; een voorstelling van, 302; men ziet hem in alle “Geboortehuizen” in Egyptische tempels, 301; de god van den dans, enz., 301; geïdentificeerd met zijn pupil Horus, 302; verandering van, 302; genaamd de “Krijgsman”, 302; het orakel van, te Abydus, 331.

Bes’a. Naam, Bes afgeleid van het woord, 300.

Betoovering. Oorlog in, 233.

Bewoner der Hennu-boot. Boek der Dooden en, 120.

Bijbel. Vermelding van, 266.

Bilquila. Opvatting van de, 77; hun geloof, 36.

Bitou. Grieksche god Bitys en, 240; de held in het verhaal der twee broeders, 240244; Anapou, broer van, 240; gaat naar het dal der Acacia’s, 241; vrouw van, 241; de Zeven Hathors en, 241; het verraad van zijn vrouw, 242; Pharaoh verleidt vrouw van, 242; sterft en wordt weer levend, 242; neemt de gedaante van een Apis aan, 242; neemt de gestalte van twee boomen aan, 243; geboren als zoon van Pharaoh, 244; volgt Pharaoh op, 244; doodt zijn vrouw en maakt Anapou tot zijn opvolger, 244.

Bittere Meren. Vermelding van de, 204.

Bit’ys. Grieksch god, misschien met Bitou geïdentificeerd, 240.

Bohemen. Geloof in, 7; ziel als een witte vogel voorgesteld, 37.

Boek der Ademhalingen. Waarschijnlijk een werk van Thoth, 117.

Boek der Poorten. Beschrijving der Duat in, 128; Boek van hem, die in de Duat is en, 128.

Boek van Hem, Die In De Duat Is. Zie Boek der Poorten.

Boek van het Dooden van het Nijlpaard. Horus zegt formules op in, 97.

Boek der Dooden. Vult de Thebaansche recensie aan, 2; herziening van, 21; muren van graftomben bedekt met teksten uit, 34; verzekeren een gelukkige toekomst, als het opgezegd wordt, 57; vermelding van, 63, 70, 124, 155157, 159, 163, 194, 200; aanhaling uit, 63; gezelschap geschetst in, 65; Osiris-Ra in, 80; mythe van Osiris in, 84; gezag van Osiris, 86; helpers van Horus in het, 104; Anubis in, 112, 115; een toespraak door Anubis in, 113; toespeling op Thoth in, 116; men geloofde, dat het een werk van Thoth was, 117; Egyptische naam pert em hru; gecompileerd voor het gebruik der dooden, 118; teksten in, van grooten ouderdom, 118, 119; herziening van, 122; ontdekkingen van Maspéro; drie lezingen van, 122, 123; alle goede menschen bestudeerden het, 124; goden in het, 128; beschrijving van Osiris in, 128; boek, een allegorie, 130; analogie van het, in de Popol Vuh, 131; bevat wellicht prae-historisch ritueel, 131; Egyptisch geloof in, 134; bepaalt het aantal geesten in den hemel, 137; beschrijving van ladders in, 138; Satet verschijnt in, 167; Aten verschijnt in, 172; gestorvenen beschreven in, als zich verlatend op Nut, 186; tooverformules en wachters geschilderd in, 280; tooverformules in, 289; Set symbolisch voorgesteld in, 309; kat genoemd in. 303.

Boek van het Openen der Mond, 35.

Boeken. Bibliotheek van toover-, andere benaming: Het dubbele huis des levens; door Thoth geschreven 284287; Setne’s studie daarin, 284.

Boeken van Thoth. Getal van, 117.

Boeken van het Overwinnen van Apep. Geven tooverspreuken en aanwijzingen, 141.

Booze. De, Set als de, 96.

Borduurwerken uit het oude Perzië, 332.

Borneo. Inlanders van Borneo, opvatting over de ziel door, 37.

Boros of Bororos. Geloof van, aangaande, de ziel, 7, 36.