Brazilië. Boros van, 7.
Breasted. Professor, 41.
Britannië. Vereering van Isis en, 91.
Britsch. Rosette-steen in — bezit, 42; — suzereiniteit, 43.
Britsch Museum. Papyri in het, 15, 221, 240, 244; oudheden uit Egypte gebracht naar het, 43; vermelding van, 131; Egyptische liefdeszangen in, 221.
Broeders. Geschiedenis van de twee, 240–244.
Brugsch. Osiris en, 70; bewering van, 79; Set en, 108; Ptah en, 155; Khnemu en, 165.
Bubastis. Bast vereerd te, 159, 313, 323; Herodotus en, 160; katten begraven te, 313, 323; Sheshonk’s hoofdstad te, 321.
Budge. Dr. E.A. Wallis. Over godheden van oud-Egypte, 10; totemistische theorie en, 11; bewering van 12, 292; aanhaling van, 70; Osiris en, 70; vergelijkt Isis en Nephthys, 106; idee over Anubis en Up-uaut, 114; Maât en, 117, 119; over het Boek der Dooden, 119; Ptah, 158; over den oorsprong van I-em-hetep, 162, over magie, 269, 275, 290; gedaanteverwisseling en, 296.
Busiris. Inwoners van, gebruiken nooit trompetten, 110; de haven van, 278.
Buto. 1. Godin; de spitsmuis is aan haar gewijd, 315. 2. Stad, Herodotus te, 315.
Byblos. Kist van Osiris te, 7, 74; dood van het kind van den koning van, 88; Ounamounou en, vorst van, 250.
C.
Cabiri. Mysteriën der, 131.
Caïro, 44.
Caïro-museum, 44; vermelding van, 142.
Canopische. Goden bekend onder den naam van, 135; ook kinderen van Horus genaamd, ibidem.
Carthago. Vereering van Reshpu en, 299.
Castor. Beschrijft het stempel der Sphragistae, 111.
Cauac. Een god der oude Maya dezelfde als Hozanek, 33.
Ceres. Vermelding van, 110, 131.
Champollion. Steen van Rosette en, 43; expeditie naar Egypte, 43; verwijzing naar zijn werk, 200.
Cheops. Eerste pyramide toegeschreven aan, 29; andere naam Khufu, 29; vermelding van, 120.
Chili. Bijgeloof onder stammen van, 276.
China. Japansche schilderkunst en, 332; zorg voor de dooden in, 334.
Chineesche mythologie, 142.
Christus, 341.
Christendom. Egyptisch geloof en het, 320, 329.
Christenen. Egyptisch rijk der gelukzaligen vergeleken met dat der, 138; tijdrekening der, fabel van den leeuw en de muis dateert uit den tijd der, 210; Egyptische, of Kopten.
Claudius, Keizer, 221.
Comte de Caylus, 343.
Coptos. Een van de middelpunten van Amen-Ra te, 153; Nefer-ka-Ptah, zijn vrouw en kind te, 286.
Cretensische Mythe. Vermelding van, 84.
Cyprus. Vereering van Reshpu en, 299.
D.
Dacota’s. Geloof van de, betreffende de maan, 81.
Dadefra. Tweede pyramide toegeschreven aan, 29.
Dah’shur. Pyramide van Senusert te, 30.
Dam-spel. Setne en Nefer-ka-Ptah spelen een, 286.
Danaë. Grieksche mythe van, 220.
Darwin. Aanhaling van, 203.
Davis. Monumenten en tempels ontdekt door, 172.
Decreet van Canopu. Zuilen beschreven met hieroglyphische, demotische en Grieksche teekens, 199.
Dedi. Held van een tooververhaal, 215–217.
Deir-el-Behari. Andere naam voor het Noordelijk Klooster; de naam van den tempel opgericht voor koningin Hatshepsut, 265.
De Iside Et Osiride. Godsdienstige verhalen van Plutarchus, 5; legende van Osiris, zooals deze verteld wordt in, 71; passage uit 110.
Delos. Vermelding van, 62.
Delta. Beschrijving van, 38; Isis in de moerassen van de, 103, 204; Lybische inval in de, 151; Bast, godin van, 159; vermelding van, 160, 204; oorlog tusschen Boven-Egypte en, 256–262; vereering van Ashtoreth in, 299; Reshpu’s hoofdplaats van vereering in de, 299; verblijfplaats van den Egyptischen leeuw, 311.
Demeter. Gestalte van, in mysteriëncultus, 64; mythe van, 84; geschiedenis van, 131.
Demonen. Goden als, 110; equivalent genii, 110; genezing van de bezetenen door, 287.
Demonen der Stilte. Tehuti-nekht en de, 237.
Demotisch. Stelt het volksdialect der Saïtische periode voor, 196, 197, 199; papyrus, 200, 208.
Den. Andere naam voor Udy-mu of Hesepti, 69; 5e koning der 5e dynastie, 69.
Denderah. Boom van Osiris te, 79; tempel van Hathor te, 177.
Der-el-ba-hari. Gebouwen te 339.
Dieren. Tooverspreuken in Thoths Bibliotheek der Tooverboeken in staat te betooveren, 284; verwisseling, 289; Dr. Budge en de idee der gedaanteverwisseling, 289; tooverspreuken in het Boek der Dooden, welke dooden in staat stelden zich uit de gestalten van een vogel, slang enz. te veranderen 289; vereering 290; Egyptenaren werden door de Grieken en oude Christelijke schrijvers bespot door hun vereering van, 289; de houding van den primitieven mensch en Egyptenaren, 290; gedaanteverwisseling; ontstaan van, 290; gestalte der Egyptische goden, kwestie aangaande totemistischen oorsprong, 290; heilige, in Egypte, 302–327; vereerd in Egypte, de stier, 303; de krokodil, 309; de leeuw, 311; de kat, 313; de hond, 314; het nijlpaard, 314; de ibis, 316; andere dieren in de Egyptische mythologie, de ezel, het zwijn, de haas, de spitsmuis, de ichneumon, de pharaoh-rat, de vleermuis, de schildpad, de slang, de uraeus, de schorpioen, de kikvorsch (symbool der geboorte en vruchtbaarheid, 315–316); vereering van, gedurende de Hellenistische periode, 325; Strabo en beelden van heilige, 327; ruwe beelden van levende, van leem vervaardigd gedurende de Thinitische periode, 333.
Diana. Equivalent van Bast, of Bubastis, 159.
Dino. Geschiedenis verteld door, 111.
Diodorus. Verhaal verteld door, 111; over den Apis, 305; de krokodil en, 310; zijn bewering aangaande katten, 313.
Dionysius. Soteles en, 328.
Diospolis Parva. Andere naam voor How, 79.
Directeur der Soldaten. Titel van een priester te Mendes, 59.
Dood. Lot der ziel na den, 272.
Dooden. Het oordeel van Anubis over, 225; eerbied der Egyptenaren voor de, 254; een damspel met de, 286; begraven in ondiepe graven in Egypte der prae-dynastieke tijden, 334; welzijn der, in Egypte, 334.
Dora. Een stad van Zakkala, 249.
D’orbiney. Mevrouw Elizabeth, 240.
D’orbiney-papyrus, titel 240; verschillende malen vertaald, 240; eigenaar, Sety Merenptah (Sety II) ; meer dan drieduizend jaar oud; Bitou is de held der geschiedenis, 240.
Draak. Geïdentificeerd met Reret, 194.
Droomen. De goden en, 292.
Dua En Sef. Alternatieven, 312.
Duat. Woonplaats der dooden, 89; vermelding van, 113, 117, 162, 173, 186; men geloofde, dat deze uit het lichaam van Osiris gevormd was, 124; beschrijving van, 126; Osiris’ reis door de, 127; de slechten en de, 132; goden, die de heerschappij hebben over, 137; Ptah en de dooden in, 155.
Duati. Een god uit de Duat, 124.
Dynastie. Eerste. Vermelding van, 21; Pharaoh begraven gedurende de, 26; 5e koning der, 69; middelpunt van Osiris-vereering te Abydos gedurende de, 69; Boek der Dooden in gebruik in de, 122; inscripties behoorende tot, 196; hieroglyphisch karakter ontmoet men voor ’t eerst in inscripties der, 196, 199; 5e, 19; Boek der Dooden, herzien gedurende 5e, 21; Pharaoh begraven gedurende 1e, 26; pyramide gedurende 3e, 28; pyramidenbouw van de 4e tot de 11e, 28; mummificeering in de, 20e, 31; gewoonte der 18e, 33, 34; datum der 12e, 41; verdeeling der dynastieën, 41; 38e, 46; 3e, 51; vereering van Set in 22e, 109; koning der 11e, 121; koning der 1e, 119; 26e, 120; basrelief uit de 2e, 121; Boek der Dooden in de 6e dynastie voltooid, in gebruik in 2e en waarschijnlijk 1e, 122; Thebaansche recensie in gebruik van de 18e tot de 22e, 123; priesters van Ra te Heliopolis, gedurende de 6e, 141; scarabaeën, dateerende vanaf de 4e, 147; Amen, Egyptisch god in de 5e, 147; tempel gebouwd ter eere van Amen, in de twaalfde, 149; tweede, 155; 22e, 157; 3e, 162; 12e, 164; Anqet had een tempel onder de 18e gebouwd, 168; Thebaansche monarchie in het begin der 18e, 169; Vermelding der 18e, 33, 34; huis van een ambtenaar der 18e, 46; koningen der 18e, 149; hieratische papyrus uit de 18e, 196; papyrus uit de 18e, 183; inscripties behoorende tot de 1e, 4e, 5e, 6e, 196; verhalen, brieven uit de 12e, 196; papyri uit de 18e en 21e, 196; Demotisch dialect nagespoord tot de 25e, 197; Egyptisch schriftsysteem in Syrië onder de 18e, 198; hieroglyphisch karakter in inscripties der 1e, feitelijk onveranderd vanaf 4e, 198; demotische vorm van schrift in de 26e, 199; koning der 12e, 204; verhaal uit de 12e, 204; drie zonen van Rud-didet regeerend onder de 5e, 217; verhaal uit de 19e, 240; geschiedenis uit de 18e, 244; opstand van den vorst van Joppe onder de 18e, 266; Baal aan de Egyptenaren bekend onder de 18e, 296; 19e, 297; Qetesh’s naam op inscripties uit de 18e en 19e, 299; cultus van Apis nagespoord tot de 2e, 304; het Midden-Rijk van de 9e tot de 17e, 338; Nieuwe Rijk, tijd van de 18e tot de 31e, 339.
E.
Eter der Dooden. Anubis beschermt den mensch tegen den, 114.
Ed’fu. Heiligdom van Heru te, 94; vermelding van, 96, 100, 101, 188; Horus in den tekst van, 100; naam van Baal in den tekst van, 296; tempel van Horus te, 342.
Edström, David, 345.
Eeuwigheid En Eeuwige Straf, titel gegeven aan Osiris, 86.
Egypte. Oud, 1; Boven, 2; Beneden, 2; godsdienst 2, 3, 4; goden van, 5; oudste bewoners in, 6; oudste graven in, 7; totemistische oorsprong van goden van, 10; standaards van, 10, sommige dieren niet gegeten in, 13; dieren vereerd in, 13; scheppingsmythe van, 14; verdeeld in provincies, 20; godsdienstig denken in, 22; pyramidenteksten van, 27; architectuur, 28; beschrijving van het Nijldal in Boven-, 38; oorsprong van het volk, 37; oudste dynastieke geschiedenis van, 40; dynastieën, 41; overlevering van, 42; expedities gezonden naar, 43, 44; gezondheidstoestand van, 46; Ai besteeg den troon van, 48; onderzoekingen in, 49; pyramiden en necropolis in Boven-, 49; inheemsche monarchie, 49; invallen in, 50; paard en kameel, ingevoerd in, 50; feodaal systeem door, 50; handelsaangelegenheden, 51; koren, stapelproduct van, 51; belasting aan, 51; Grieksche handel in, 52; theologen en wijsgeeren in, 60; geslotenheid aangaande, 62; invloed op Grieken uit, 64; hout in, 51; onder Osiris, 72; lijk van Osiris gebracht naar, 75; graven van Osiris in, 76; opvatting over de opstanding, 85; Isis groote korenmoeder van, 87; haar mythe in werkelijkheid voor het volk van, 89; Thothmes koning van, 92; door Harmachis beloofd aan Thothmes, 93; de zon in oud eene historische koning van, 119; roemrijke oorlogen van, 120; zonnevereering in, 140; cultus van Ra in, 141; ficties der priesters in, 143; vereering van den kever in, 147; vereerders van Amen machtig in, 148; gewijde ganzen in, 152; heerschappij van Amen-Ra in, 153; gier symbool op de kronen van, 154; god der geneeskunde in, 162; hongersnood in, 165; zonnegoden van, 168; staatsgodsdienst van, 168; Tell-el-Amarna in, 170; nieuwe cultus ingevoerd in, 171; cultus van Amen, de hoogste in, 172; pantheon van Oud-, 174; tempel van Hathor in Boven-, 177; verdeeling in Hooger en Lager, 182; vereering van Hapi in, 182; schoone vrouwen in, 189; taal van, 195–198; inboorlingen van, 203; lyrische en volkspoëzie, 220; superioriteit van, in de geschiedenis, 222; de aanzienlijken van, 227; Horus gaat naar, 233; Anapou en Bitou in, 240; Ounamounou bezoekt, 248–253; burgeroorlog in, 256; koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over, 264; Aahmes, vrouw van den koning van, 264; Thothmes III koning van, 266; geen gelijke van Thoutii in geheel, 267; amuletten gebruikt in, 282; alchemie ontstaan in, 288; metaalbewerking in, 288; dierenverwisseling in, 289; Mena, eerste historische koning van, 304; de krokodil een beschermer van, 309; vereering van de kat in, 313; niet rijk aan boomen, 317; de kunsten waren aangeboren aan, 332.
Egyptisch, Egyptenaren Phases van godsdienst, 1; geloof van, 2; pantheon, 2, 23, 70, 140, 151, 168; mythologie 4, 168, 188; godsdienst 3, 4, 8, 16, 22, 25, 55 170, 275, 324; literatuur, 5, 200, 210; godsdienstige verhalen, 5; geloof van, 5,6; manuscripten, 7; fetischisme in, 8; amuletten, 8,9; dierenvereering in, 10; standaards, 13; totemistische natuur van goden, 1; gedaanteverwisseling van goden, 15; opvatting over de schepping, 15; bron van een godsdienstig stelsel, 18; theologie, 20; idee over god, 21; Khnemu en Egyptische godsdienst, 25; idee over de bewaring van het menschelijk lichaam, 25; begrafenis, 26; mummificatie, 30–33; bijzonderheden van het huisraad in het graf, 34; ka, de, 35; aanzien aan de dooden bewezen door de, 37; voorbereiding voor den dood, 37; oorsprong van het ras, 39; priesters; Manetho en, 40; verdeeling der geschiedenis, 41; systeem van dateeren, 42; oudheden, 42; beschrijving der ruïnes, 43; sleutel van het hieroglyphenschrift, 43; bewaren van oudheden, 43; verzameling van oudheden, 44; architecten, 45; monumenten, 45; levenswijze, 49; huisdieren, 50; handel, 51; landbouw, 54; wetten werden overgeleverd, 52; godsdienst in hooge eer, 54; uitvindingsgaven, 54; landbouwers, 55; fatalisten, 55; karakter, 57; voorliefde voor rechtvaardigheid, 57; priesterschap, 58; plichtlievende zoons, 60; bekwaamheid der priesters, 60; mysteriën der priesters, 62; koningen vergrootten de bouwwerken van hun voorgangers, 66; Osiris-teksten; volledige legende van Osiris niet gevonden in, 70; Isis geliefd bij, 87; St. George een held der, 94; Horus het kind geëerd door, 101; mythe aangaande zon- en maan-eclipsen, 105; Set in slechten naam bij, 109; graven, sporen van de jakhals als gidsen naar, 115; versmelting van de attributen van hun goden, 115; teksten, welke zich met het welzijn der dooden bezighouden, 118; oorsprong mysteriën van de Cabiri, 131; altijddurende straf en de, 132,133; idee over tijdelijke bestraffing, 134; voorstelling over onderaardsche streken, 134; beschrijving van hun hemel, 134–136; materieele gedachte der, 145; Tem, een van de eerste goden van, 146; de dag in drie deelen verdeeld door, 146; scarabaeën, 147; vaardigheid in het maken van automaten, 153; scheppingsgoden, 155; prae-dynastieke, 164; de koninklijke stam, 169; kunst, 171; Aten-cultus slaagde er niet in een beroep te doen op de, 174; de maan en de, 175, 177; Hathor en de, 177; Hapi, als god van den Nijl in nauwe betrekking tot de, 182; begrafenisplechtigheden, 187; godinnen; horens door alle gedragen, 187; lagere goden van het pantheon, 193; taal, 195; taal verdeeld in die van het Oude, Midden- en Nieuwe Rijk; Koptisch laatste vorm, welke de taal aannam, 196–187; oudste schriftsysteem van inheemschen oorsprong, 198; door ontcijfering van de steen van Rosette, werd de taal ontdekt, 199; kelebi, bedwelmende drank der, 210; eerbied voor de dooden, 254; Rhampsinites houdt de Egyptenaren voor den gek, 256; controle over de inheemsche goden door, 270; geneeskunde, 287; het woord kemt, 288; alchemie en, 288; goden, kwestie aangaande den totemistischen oorsprong van, 290; spook, tooverformules tegen, 291; astrologische kennis van, 291; houding tegenover de andere goden der, 294; nieuwe goden gegeven aan de, 295; Aziatische goden gegeven aan, 296; godsdienstige ideeën, 296–300; gedaanteverwisseling der zielen, geloofd door de, 323; godenschemering, 331; kunst; de Thinitische, de eerste groote periode van, 333; kunst, de Saïtische, de laatste periode van, 341; kunstenaars der Saïtische periode, 341; juwelierskunst, verval van, 341; schilderkunst der Saïtische periode, 342; kunstenaars beïnvloed door Romeinsche en Italiaansche kunstenaars, 343.
Egyptologen. Werken van, 4; over totemisme, 4; Dr. Wallis Budge, 10; hieroglyphen beschreven door, 21; dynastieke verdeelingen en, 41; Isis als de wind van den hemel niet geloofd door, 88; Egyptische magie als een lagere graad van godsdienst beschouwd door, 269; boomenvereering als een feit aangenomen door, 318.
Elephantine. Stad, andere naam Abu, 163, 166.
Eleusinische. Mysteriën, 64, 86.
Eleusis. Plechtigheden verbonden met, 64; mysteriën van, 131.
El-kab. Paheri, vorst van, 129.
Elohim. Vermelding van, 143.
Engeland. Patroon van, 94.
Enneads. Equivalent “Gezelschappen der Goden”, 18.
Erman. Vermelding van, 61, 195.
Ethiopië. Aso, koning van, 72.
Ethiopiërs. Godsdienst in Egypte en de, 171; oorsprong, Hathor van, 177; Pharaoh Ousimares ziet een, 227; koning van Nubië en 229; de magie der, 232; Horus in de gedaante van een, 234; Se-Osiris en de, 234.