J.
Jakhals, De, Gewijd aan Anubis, 34; vereenigd met den dood, in de Egyptische mythologie, 314.
Jah’veh, Vermelding van, 144; de Joden spreken, indien zij den heiligen naam lezen, dezen uit als: Adonai, 277.
Japanners. God der Ainu van de 158; hun schilderkunst, 332, 333.
Javanen. De ziel en de, 37.
Joppe. Een stad in Palestina, 266–270.
Joyce. Mr. T. Athol, 130.
Juno. Vermelding van, 110.
Juppiter-ammon, 153.
Juppiter. 12-hoek van, 110.
K.
Ka. Eiland der, 208; het lichaam van koningin Hatshepsut’s, 265.
Kag-em’ni. Spreukenboek toegeschreven aan; van grooten ouderdom, 201.
Ka’hun. Armoedige huizen te, 46.
Kai-ek’hos. Een koning der 2e dynastie; Manetho herleidt de vereering van Apis tot, 304.
Ka’ku. Een van de drie kinderen van Rud-didet, 220; werkelijke naam van, 219.
Kalender. Astrologische, 291.
Kambyses. De Apris en, 325; Usa horresnet, geneesheer van, 325.
Kamenophis. Vorst van Mendes; burgeroorlog tusschen Pimoni en 257–262; harnas van Ierharerou genomen door, 257; zijn vier nomen, 257.
Kan. Een god der oude Maya; andere naam voor Hobnil, 33.
Kan-zic-nal. Een godheid der oude Maya; andere naam voor Muluc, 33.
Karmel. Vereerd, 11; hooge plaats der goden, 11.
Karnak. Asso vermeld op de tafeltjes te, 30; tempel van, 67; Imhotep en Amenophis vereerd te, 324; zuilenhal te, 339; de beroemde Sphinxenlaan te, 339.
Kat. Vereering der; een incarnatie van Bast, 313; Egyptische mythologie en, 313; Boek der Dooden en, 313; Diodorus en, 313; straf voor het dooden van een, 313; Herodotus en, 314; gebruiken bij den dood van, 314; begraven in de stad Bubastis, 314.
Kek’u-i en Kek’u-it. Goden, 14.
Kemt. Woord “alchemie” afgeleid van het Egyptische woord, 288.
Kerh en Ker’het. Personificatie
Ke’set. Hathor van, 181.
Kh. Teeken, aanwijzing van den naam Set, 300.
Khaf’ra. Begraven in de tweede pyramide van Gizeh, 29; familie, 29; vertelt tooververhalen aan zijn vader, 212.
Khal’u. Het land, 212.
Kham’o-is. De boden van, 251.
Khar’toum, 43.
Khem-en’nu. Andere naam voor Hermopolis, 120.
Kheme, 288.
Khensu. De Maangod; een gedaante van Amen, 151; zoon van Bast, 159; apen in den tempel van, 315.
Khepera. Godheid, legde den grondslag in Maāt, 15; tooverkunde van, 16; tranen van, 16; zegt, dat hij Osiris is, 17; Nu met hem geïdentificeerd, 17; een vorm der zon, 25; Harmachis, andere naam voor, 93; Af Ra veranderd in, 127; in het Boek der Dooden, 128; Ra als, 146; type der wederopstanding, 147; vermelding van, 157.
Kheriheb. Priesters, 279.
Khnemit. De diadeem en kroon van, 339.
Khemnefert, Koningin. Sarcophaag van, 120; vermelding van, 121.
Khnemu. Vereering van, 21, 163, 164; waarschijnlijk een totemistische godheid, 25; in het Boek der Dooden, 128; schepping van het heelal en; vormde de dieren, 156; symbool van, 164; tegenhangsters attributen, 164; de overstrooming van den Nijl en, 164; koning Theser en, 165; vermelding van, 159, 184; Hekt, vrouw van, 187; vereering van den Ram van Mendes en, 308.
Khnemu-ra. Macht van, 164.
Khnum. Vormt het lichaam van Hatshepsut, 265.
Khnumu. God en de priester Ra-user, 217.
Khnumu-hotep. Kist van, 346.
Khonsu. Maangod, geïdentificeerd met Thoth, 188, duivelbanner, 191–193.
Khonsu In Thebe Nefer-hetep. Een van de gestalten van Khonsu, 191; beschermt den duivelbanner, 192.
Khorp Hemtiu. Titel van een priester, 59.
Khu. De Geest-Zielen, 127.
Khufu. Andere naam voor Cheops, 29; eerste pyramide en, 29; vermelding van, 163; toovergeschiedenis verhaald aan, 212–215.
Khut. Isis genoemd, 90; de slang genaamd, 140.
Kiches. Vermelding van, 15; alle vormen van vereering in één gemengd door de, 144.
Klooster. Het Noordelijk, Tempel opgericht voor koningin Hatshepsut, 265.
Koe. Vereering van de, 304; de Apis begiftigd met, 305; het heiligste der dieren, 324.
Kom-es-sagha. Tempel van, 338.
Kom-om-bos. De pronaos van, 341.
Koning Arthur, 95.
Koptisch(E). De, idee over de bestraffing in de Duat, 133; manuscripten, 195; overeenkomst tusschen Semitisch en, 195; taal, 197.
Koptiten. Vermelding van, 110.
Kopten. Andere naam voor Egyptische Christenen, 288.
Kore. Gestalte in de mysterieuse cultus van, 64; andere naam voor Persephone, 64; mythe van, 84; vermelding der geschiedenis van, 131.
Krachtnamen. Gebruik van, in verband met Egyptische magie, 275; Professor Rhys en, 276; Howitt en, 276; bijgeloof aangaande, bij verschillende Australische stammen en in Abessinië, Chili, Senegambië, Noord-Amerika, 276; verscheidene Egyptenaren ontvingen twee namen, 276; algemeen, in het geheele Oosten, 277; Joden spreken Jahveh uit als Adonai, 277; legende aangaande Isis en Ra’s heiligen naam, 277; Osiris gedreigd luid te worden uitgeroepen, 278; Lane over, 279; geheim van den naam door goden aan menschen geopenbaard, 279.
Kramat. De Maleiers, 279.
Krokodil. Vereering van den, 309; de incarnatie van den god Sebek, 309; vrees voor den, 309; Ra, Osiris en de, 309; jachtmaken op den, 310; een beschermer van Egypte, 310; Herodotus en, 310; voor heilig gehouden, 310; begraven in het onderaardsch labyrinth, 310; middelpunt van vereering, 310; cultus van, 310; Strabo en, 310.
Krokodilopolis. De krokodil, incarnatie van god Sebek, woonde in het meer bij, 13; het middelpunt van de vereering van den krokodil, 310.
Kronos. Bemind door Nut, 71; andere naam van Geb, 71.
Kroon, Witte. Aangetroffen op Egyptische monumenten, 297.
Kunst. Invloed van Bes, 300; productie der groote Egyptische meesters, 333; Egyptische, 332, 347; Egypte aangeboren, 332; Japan en China, de groote Italiaansche meesters, 332; Spaansche, 332; schilderkunst uit laaggelegen landen ingevoerd, 333; schilder- en andere inlandsche kunst in het land van Isis, 333; de Thinitische eerste periode van Egyptische, 333; ruwe beeldjes uit leem vervaardigd, 333; ruwe vormen van architectuur, 334; schildermateriaal, 337; van het Nieuwe Rijk, 339; de Saïtische, laatste periode van Egyptische, 341; verval van Egyptisch juwelierswerk, 341; de avondschemering der Saïtische kunst zag vele groote bouwwerken, 341; vreemde invloeden, 341; schilderwerk uit de Saïtische periode, 342; Egyptische invloed in Spanje, 343; Egyptische invloed in Frankrijk, 343; vermelding van den Comte de Caylus, 343; vermelding van Napoleon’s expeditie, 344; vermelding van Ivan Mestrovic, 345; vermelding van David Edström, 345; Laat-Impressionisten en Impressionisten in Egyptische, 345; overblijfselen der, 345; waarde van Egyptische, 345; vermelding der Salonschool en de Rue de Rivoli, Clouet, Boucher, Lancret, Clodion, Dalou en Rodin, 345; massa der Egyptische overblijfselen ver beneden die van Griekschen oorsprong, 346; de Egyptenaar een van god gegeven kleurder, 346; Egyptische kleurschakeeringen, 346; vermelding van Whistler, 347; eenvoud in Egyptische, 347; groote eenvoud der Egyptische, 347–348; vermelding van Margaret Sackville, 348; genius der Egyptische kunstenaars, 349.
L.
Labyrinth. Krokodillen begraven in het onderaardsch, 310; Herodotus werd niet toegestaan binnen te treden in het, 310.
Land Punt, 207.
Lane. Vermelding van, 279.
Latijn. Suprematie van het, 40.
Lefébure. Vermelding van, 286.
Leonardo da Vinci. Vermelding van, 335.
Leontopolis. Stad, 311.
Lepsius. Onderzoekingen van Egypte door, 43; theorie van, wat betreft Osiris, 80; monumenten ontdekt door, 112; dierenverhalen en, 210.
Letopolis. Kanaal van, 217.
Leeuwen. Vereering der, 311; identificatie van den zonnegod Horus met, 311; de Delta de woning van de Egyptische, 311; Leontopolis het centrum van vereering der, 311; gehouden in den tempel van Heliopolis, 312; de oude leeuwgod Aker, 312; Sef en Dua, twee bewakers, 312; twee beelden van, bekend onder den naam van Sphinxen, 312; Amen-hetep III en zijn pralerij op, 313; Ramses II en III hielden een tammen, 313.
Leven. Dubbele huis van het, andere naam voor de Bibliotheek der Tooverboeken, geschreven door Thoth, 284.
Libye. Orakel van Jupiter-Ammon in, 153.
Libysche afkomst van Osiris, 70; woestijn, 83; Isis van Libyschen oorsprong, 87, 89; aanval in de Delta, 151.
Libysche Periode, 320.
Licht en Gezondheid, 288.
Liefde. Hathor, de godin der, 263.
Lodewijk XIV. Schilderkunst onder, 343.
Londen, 208.
Loskiel, 86.
Loodsgoden. Boot van Osiris, gestuurd door, 127.
Lotus. In Egyptisch symbolisme, 320; het kind Horus ontspruit uit een kelk van den, 320; het symbool der wederopstanding, 320.
Louvre, 221.
Luxor, 339.
Lycopolis. Inwoners van, 110; vereering van den ram van Mendes in, 308; de wolf vereerd te, 314.
Lysander. Raadpleegde het orakel van Juppiter-Ammon, 153.
M.
Maa. God van het gezicht, 194.
Maa Kheru. Juist spreken, 279.
Maangod. Een gestalte van Amen, bekend als Khensu, 152.
Maät. Beteekent: wet enz., 16; godin der rechtvaardigheid, geïdentificeerd met Isis, 59; gelijkt geheel en al op Thoth; een der oorspronkelijke godheden, symbool is de struisveer, 118; benamingen, 118; weg van Ra in de lucht vastgesteld door, 141.
Mac-beth. Vermelding van, 154.
Machiavelli. Vermelding van, 201.
Maftet. Vermelding der godin, 18.
Magie. Hoofdstuk over de, in het verhaal over de toovenaars, 221; kracht der, in Egypte, 275; formules (juiste uitspraak) in Egypte, 279; tegenover magie, verhaal van, 221–234; tooverstok van koning Thothmes, 267; Egypte de moeder der, 269; Egyptische, naar men vermoedt een lagere vorm van godsdienst, 269; Maspero’s bewering aangaande, 269; Budge’s bewering aangaande, 269; de oudheid der Egyptische, 272; Frazer, Marrett, Hubert en Mauss over den oorsprong der, 270; de wilden uit het Egyptische Steenen Tijdperk en, 272; verschil tusschen andere stelsels en Egyptische, 273; bewering van Maspero aangaande, 275; krachtnamen in verband met Egyptische, 276; kracht in Egyptische, 279; vertegenwoordigers der Egyptische, 279; formules, Boek der Dooden en, 280; samenzwering van Hui, 280; krachtwoorden, op amuletten geschreven, 281; de brabbeltaal der, 283; Tooverboeken, het Dubbele huis des Levens, of Bibliotheek der, 284; medische, 287; krachtengeloof aangaande in Egypte 288; mummie, 292.
Mahitouaskhit. Vrouw van Setne; bidt tot Imhetep haar een zoon te schenken, 222; haar gebed wordt verhoord, 223.
Malakka. Vermelding van, 7.
Maleiers. Beelden de ziel af in de gedaante van een vogel, 37; magische kracht in Egypte en de kramat der, 279.
Manakhprê-Siamon. Zie Pharaoh Manakhphre-Siamon.
Manetho. Verdeelde de Egyptische geschiedenis in dynastieën, 40; chronologie van, 40; Apis-cultus teruggebracht tot Kaiekhos door, 304; het Serapisbeeld en, 328.
Mannelijken leeftijd. Bijgeloof aangaande een nieuwen naam bij de plechtigheden, welke de voorrechten geven van den, 276.
Manu. De berg van den zonsondergang, 135.
Manzet. De bark, 141; model van de, in den tempel te Heliopolis, 144.
Marduk. Doodde het Assyrische monster Tiamat, 142.
Mareotis. District, 52.
Mariette. Vermelding van, 43, 181, 307, 308.
Marett. De werken van en de oorsprong der magie, 270.
Mars. God, 23; vermelding van, 110; geïdentificeerd met Horus, 194.
Masai. Vermelding van, 39.
Maspéro, Sir Gaston. Vermelding der gezelschappen van goden, 19; bijdrage tot de Egyptische archaeologie, 44; vermelding van, 47, 70, 120, 121, 275; vertaalde de “Ware Geschiedenis van Setne en zijn zoon Se-Osiris”, 221; zijn bewering aangaande de Egyptische magie, 275.
Mater. Gouverneur van koning Tcheser, 166.
Matkaré, Koningin. Papyrus van, 346.
Maundeville, Sir John. Vermelding van, geschriften van, 204.
Maya of Maya’s. Van Midden-Amerika, 33; gebruik van begrafeniskruiken, 33; geloof in de wederopstanding, 86; woning van den doodsgod en de, 109; struisveer en de, 118; voorstelling van hun Hades, 131.
Medische magie. Egyptische geneeskunde en, 287.
Medinet-habu. Tempel van Ramses III te, 339.
Medum. Eerste pyramide te, 28.
Meer Moeris, 61.
Meesteres van den vijgeboom. Hathor van Memphis werd genoemd de, 319.
Mehemet Ali. Egypte opengesteld voor Europeanen onder, 43; het bewaren van oude monumenten ondernomen door, 43.
Mehurt. Zeven Wijzen, zonen van Meh-urt, 158.
Meiboom. Gewoonte van het planten van den, 79.
Mekka. Vermelding van, 2.
Melanesisch. Toovenaar, zond zijn ziel, in de gedaante van een vogel, uit, 7; tooverkracht in Egypte en de Mana der, 279.
Melcarthus. Koning van Byblos, 74; oudere zoon van, gaat naar Egypte met Isis, 75.
Memnon. Zuilen van, te Thebe, 339.
Memphis. Muren zijn nog over te, 45; een van de middelpunten van Amen-Ra te, 153; Ptah, grootste der goden te, 155; Seker heerschte over, 156; middelpunt van vereering van verschillende goden, 158; vermelding van het drietal van, 161; vereering van I-em-hetep van ouden oorsprong te, 162; Amen-hetep bouwde tempels in, 169; Se-Osiris leidt Setne naar een onbekende plaats in de bergen van, 224; geen schrijver of toovenaar in, gelijk aan Se-Osiris, 226; Nefer-ka-Ptah’s graf te, 284, 285; een priester van, die Ashtoreth met den maangod diende, 298; heilige stieren van, 305; Apis, de stier in den tempel van Ptah in, 323.
Mena. Eerste historische koning van Egypte, 119; Apis en, 304.
Mena’s verovering. Vermelding van, 40.
Mendes. 1. Kamenophis, vorst van, 257; 2. De groote god; Kamenophis zweert bij, 258; stad; titel van den hoogepriester te, 59; middelpunt van vereering van Osiris, 69; een van de middelpunten van Amen-Ra, 153; vereering van den Ram van Mendes, 308; de god Pan vereerd te, 308; de zuil van, door Mariette gevonden, 309.
Menenius Agrippa, 209.
Menkauhor. Pyramide, gebouwd door, 30.
Menkaura. Lichaam van, geplaatst in de Bovenste Pyramide, 30; herziening van gedeelten van het Boek der Dooden, onder zijn regeering ondernomen, 121.
Mentu. Oorlogsgod, 263.
Mentu-hetep. Koning der 11e dynastie, 123.
Menu. Feest van, 63.
Menuqet. Bestuurde de rietvelden, 125.
Merastrot. Een van de zoons van Ramses II, naar Ashtoreth genoemd, 298.
Mercurius. Vermelding van, 161; Set en, 194.
Merenptah. Anena, een schrijver die het origineel van den d’Orbiney-papyrus vervaardigde, leefde onder de regeering van, 240.
Meroe. De stier van; een van de namen van Amen, 230.
Mert. Westersche wateren van; Horus overwint de bondgenooten van Set, bij de, 97.
Meruitensa. Hooge rentmeester van Henenseten, 236–240.
Mesektet. Bark, waarvan men geloofde, dat zij de avondzon bevatte, 141; model in den tempel te Heliopolis, 144; vermelding van, 157.
Mesen. Heiligdom van Heru te, 94.
Meskhent. Godinnen, 217.
Mesnet. Een kamer achter het heiligdom te Edfu, 101.
Mesniu. Andere naam voor Mesnitu; volgelingen van Horus, 101.
Mesti. Hoofden van menschen, voorgesteld op de z.g. canopische kruiken, 33; een van de vier helpers van Horus, 104.
Mestrovic, Ivan. Vermelding van, 345.
Mexican Archaeology. Mr. Joyce’s boek over, 131.
Mexicanen. Teocalli der, 28; pasten de mummificeering toe, 33; hun geloof in de wederopstanding, 86; woonplaats van den doodsgod en de 109; vogel en slang gecombineerd in hun god, 140; feest ter eere van een godin van de, 188
Mexico. Honden heilig in, 112; krijgers van en paradijs van den zonnegod, 145; ongeluksdagen in, 186.
Midden-Amerika. Teocalli van, 28; de Maya van, 33, 118; de Popol Vuh van, 64, 131; geloof der Maya’s in de wederopstanding 87, 131; de Kitches van, 144.
Midden-rijk. Vermelding van, 4; tegen het einde van, werd het gewoonte de muren der pyramiden met teksten te versieren, 27; gebruik van balseming ten tijde van het, 31; omvatte de 9e–18e dynastie, 41, 338; Aten, onbekende plaatselijke godheid onder de, 168; taal van, 196; vermelding van, 196; geschiedenis van Saneha dateert uit het, 204; bouwkunst gedurende het, 338.
Mimir. Odin en, 16.
Min. Symbool van, 8; vermelding van, 156; andere naam voor Amsu, 299.
Minerva. Vermelding van den tempel van, 62.
Minnemai. Vorst van Eupuantine; zoon van Ierharerou, koningpriester van Heliopolis, 262; herneemt het schild van zijn vader, 262.
Mitanni. Tushratta, koning der, 293.
Mnevis. Vereering van den stier, te Heliopolis, 308.
Moeris, Meer. Priestercollege te, 61; krokodillen voor heilig gehouden te, 61, 310.
Mohammedanen. Egyptische verblijfplaatsen der gelukzaligen vergeleken met die der, 138.
Momemphis. Hathor van, 181.
Moravische Broeders. Vermelding van Loskiel, een der, 86.
Moutoubaal. Een Syrisch vorst; Pakrourou ontmoet, 262; overwint de benden van Sebennytus, 262.
Muluc. Een der vier goden der oude Maya, 33; andere naam voor Kanzicnal, 33.
Mummie-magie, 292; olie gebruikt in verband met, 293.
Mut. Tegenhangster van Amen-Ra; vereering te Thebe geconcentreerd; eens vermeld in het Boek der Dooden, 154; vermelding van, 188; de gier het symbool van, 317.
Myceensch. Aardewerk, muurschilderingen, figuren, gecopieerd voor Taurt op, 187.
Mystae. Hal der, 64.
Mythologie. Vermelding van den dood in de, van Hindoestan, Burmesie en Malakka, 291; de Egyptische goden, 300; de kat gevonden door de heele Egyptische, 313; de jakhals in de Egyptische, 314; andere dieren in Egyptische. Zie Dieren.