WeRead Powered by ReaderPub
Mythen en Legenden van Egypte cover

Mythen en Legenden van Egypte

Chapter 220: P.
Open in WeRead

About This Book

The work surveys ancient Egyptian religion and mythology, beginning with local cults, animistic and totemic origins, and diverse creation myths that shaped a complex pantheon. It examines major deities and narratives, with emphasis on the Osiris cycle and related funerary beliefs, and describes burial practices, mummification, and pyramid architecture. Social and institutional aspects such as priesthoods, temple ritual, and mystery cults are treated alongside magic, amulets, and popular spells. Chapters explore literature, folklore, animal and tree veneration, art, and the transformations brought by later foreign influences on belief and practice.

N.

Nahairana. Eerbewijs voor koning Rameses te, 189; de vervloekte prins en het hoofd van, 245.

Napoleon. Militaire expeditie van, naar Egypte, 42, 343.

Narmer. Staf van, 69.

Natchura. Gezellin van Hapi, 183.

Naucratis. Middelpunt van Griekschen handel in Egypte, 52.

Naville. Meening van, aangaande het Boek der Dooden, 121.

Nebhat. Godin, 217.

Nebka. Geschiedenis van, 213.

Nebkanra. Koning; Meruitensa, opperrentmeester van, 238.

Nebseni papyrus. Boek der Dooden en, 120.

Nebt-het. Andere naam voor Nephthys, 106.

Neferaka-ra. Pyramide van, 30.

Neferet. Prinses. Vermelding van het standbeeld van, 346.

Nefer-ka-ptah. Thoth’s Bibliotheek van tooverboeken verborgen in de tombe van, 284; Ahura, vrouw van, 285; speelt een spel dam met Setne, 286; Setne door Pharaoh bevolen Thoths boek te geven aan, 287.

Nefert. Standbeeld van, 56.

Nefertem. Vermelding van, 158; zoon van Ptah, symbolisch voorgesteld door de lotusbloem; een van het drietal van Memphis, 161; de lotus en, 320.

Negers. Vermelding van het land der, in een verzegelden brief, 229234.

Negers van Australië. Vereenigingen en plechtigheden van, 64; inwijdingsplechtigheden van, 131.

Nehaher. Slang in de onderwereld, 126.

Neith. Pijl van, 8; andere naam voor Net, 24; vermelding van, 167; oorsprong, 295.

Nekhbet of Nekhebet. Godin; Horus en, 97; slang, het symbool van, 101; vermelding van, 154; gezellen van Hapi, 183; de gier, symbool van, 317.

Neolithische. Oorsprong; Egyptische mysteriën uit het tijdvak, 65; Nubiërs, 83; wilden, Boek der Dooden en, 132.

Nephthys. Een der groote goden van Heliopolis, 17; vermelding van, 28; geboorte van, 71; zustergodin van Isis, 84; 263; tegenhangster van Set, 105; dochter van Geb en Nut, en moeder van Anubis, helpt Isis, 105; Boek der Dooden en, 106; andere naam voor Nebt-het, 106; tooverkrachten van, 106; beschermt Osiris, 107; personificatie der duisternis, 106; maakte het begrafenisbed van Osiris gereed en bewaarde zijn lichaam, 107; latere voorstelling, 107; vermelding van, 112, 158, 166, 186; Boek der Dooden en, 168.

Nepra. Vermelding van, in de hymne ter eere van Hapi, 184.

Nesert (Vlam). Naam van Sekhmet, 158.

Nieuwe Rijk. Vermelding van, 31; tempelbouw en komst van het, 66; Kunst van het, Beschrijving, 339; voltooiïng van bouwwerken als de zuilenhal te Karnak, den tempel van Ramses III te Medinet-habu en de groote verzameling van tempelgebouwen te Luxor, 339; rotstempels te Bet-el-Wali en Abu-Simbel, 339; Memnon-zuilen te Thebe en de Sphinxen-laan te Karnak, 339; de beelden van Thothmes III, Amenophis de zoon van Hapu en koningin Tyi, 339; bas-relief, beeld van Seti I (Abydos) 339; Septah Meneptah en koningin Aahmes, 339; proces van mummificatie gedurende den tijd van het, 31; rijkdom en macht der goden in het, 58; symbool der gevleugelde schijf, 100; taal, 196.

Nijl. Egyptenaren uit den dynastieken tijd op de oevers van den, 40; beschrijving van het huis op de oevers van den, 47; overstrooming van den, 54, 91; dooden gebracht over den, 68; land, van heiligdommen van Osiris in het 70; Osiris de god van den, 71; kist van Osiris in den, 73; maangod geïdentificeerd met den, 83; Ra vaart langs den, 96; offerdieren geworpen in den, 111; geloof van de oudste bewoners bij den, 138; goden van den, 164, 165; vloed van den, 166; vermelding van den, 173, 180, 182, 218, 215, 220; bron van alle rijkdom en voedsel, 182; Bitou aangesteld tot vorst van den Boven-, 244; tempel voor koningin Hatshepsut opgericht in het dal van den, 265; koeien geworpen in het heilige water van den, 304, 324; de Apis en de, 307.

Nijldal. Godheden vereerd in het, 1; totemisme niet bestaande in het, 4; toovenarij in, 8; begrafenisoptochten in, 34; geloof in het, aangaande de ziel, 37; karakteristieken van, 38; bewoners van, 39; taal in, 39; godsdienst van, 39; bewoners van, door den tijd weinig beïnvloed, 50; feodaal systeem in het, 51; natuur van den bodem, 55; vereering van Ra in het, 143; vereering van Amen in het, 148, 152; Egyptisch systeem van schrijven nagespeurd in het, 198; fabels vroeger populair in het, 209.

Nijlpaard. Het Boek van het dooden van het, 97; vereering van het, in Egypte, 315; godin Taurt, 317; het monster genaamd Amemt, 315.

Noord-Amerikaansche Indianen. Hit-totem vereerd door, 14; feesten van, bijna identisch met die van Eleusis, 64; inwijdingsplechtigheden der, 131; adelaar symbool der zon onder, 140

Noorden, Land in het. Beloofd aan Thothmes door Harmachis, 93.

Noordelijke Marshes. Horus geboren in, 93.

Nu. God van het firmament en den regen, 14; dingen geschapen uit, 15; kinderen van, 15; oog van, 16; geïdentificeerd met Khepera, 17; toespeling op, in de pyramidenteksten, 25; oerwatermassa van, 117; groote massa hemelwater genaamd, 127; zijn plaats in het Boek der Dooden, 128; Pet, tegenstelling van het woord, 135; Mut, origineele tegenhangster van, 155; vermelding van, 182, 185.

Nubië. Onderzoekingen in, 43; monumenten in, 49; strijd tusschen Horus en volgelingen van Set in, 98; macht van Amen-Ra, in 152; Mater, beheerscher van, 166; cultus van Anqet in Noordelijk, 168; vermelding van den koning van, in den verzegelden brief, gelezen door Se-Osiris, 229; koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over, 263.

Nubiërs. Oorsprong van het ras, 39; maangod van de Neolitische, 83.

Nun. De oudste der goden; Ra zoekt raad bij, 178.

Nut. Godheid van het firmament en den regen, 14; een van de groote goden van Heliopolis, 17; vermelding van, 20; andere naam voor Rhea, 71; Thoth en, 71; vijf kinderen van en, 71; dikwijls afgebeeld in een sycamoor, 79; moeder van Horus den Oudere, 91; moeder van Nephthys, 105, 185; moeder van Set, 185; personificatie van den morgen, 127; moeder van Hathor, 177; volgeling van Ra, 178; dochter van Shu en Tefnut, vrouw van Geb en moeder van Osiris en Isis; personificatie der lucht, 185; tegenhangster van Nu, 185; vrouw van Nu en van Geb, 185; voorkomen, 185; veelvuldig in de gestalte van een koe afgebeeld, 186; de sycamoor geheiligd aan, 186; geboorteplaats Denderah, 186; ambt in de onderwereld, 186; afbeelding van, geschilderd op doodkisten als toovermiddel, 187; de godin der lucht, aan het hof van Amen-Ra, 263.

O.

Obelisk. Van Heliopolis, 338.

Ochus. Perzisch heerscher over Egypte en begiftigd met den bijnaam “Ezel”, 111.

Odin. Vermelding van het ei van, 16.

Olympus. Vereering van den, 11; de hooge woning der goden, 11.

On. Andere naam voor Heliopolis, 60, 122; vereering van Ra in, 142.

Oog van Ra. Hathor als, 176, 299.

Oordeelsscene, De. Monster Amemt op de, 315.

Oosten, Het Oude. De volken van, riepen zoowel de goede als kwade wezens aan, 275; woonhuizen in het, 46; krachtnamen bekend door het geheele, 277.

Oosterlingen. Evenals de Egyptenaren fatalisten, 55; evenals de Egyptische werklieden zingen zij bij hun werk, 220.

Oostersche Sprookjes. Vervaardigers van, 1.

Opener der Wegen. Andere naam voor Up-uaut, 114.

Orakels. De Apis, in den tempel van Ptah, 306; niet van Egyptischen oorsprong, 323.

Orenda der Noord-Amerikanen; vermelding van, 279.

Orion. Sterren van, 82.

Osiris. Mythe van, 7, 70; kist van, 7; een der groote goden van Heliopolis, 17; scheppingsverhaal, dat de vereerders van, tevreden stellen moest, 17; oorzaak van het ontstaan der oerstof, 17; een van de eersten van het gezelschap der goden, 20; mummificatie dankte haar ontstaan aan den dienst van, 26; heiligheid van het menschelijk lichaam geleerd door de priesters van, 30; Pharaohs geïdentificeerd met, 31; nachtelijke reis van, 33; godsdienst in het Nijldal en, 39; duistere rijk van, 54; zoon van, 60; jaarlijksch herinneringsfeest aan het lijden en den dood van, 62; geboortedag van, 63; een van de voornaamste figuren in het Egyptisch pantheon, 69; andere naam As-ar, 69; god van de dooden en de onderwereld, 69, 83, 84; oorsprong vrij duister, 69; middelpunt van vereering van, te Abydus, 69; heiligdommen van, 70; woont vreedzaam in de onderwereld, 70; gewoonlijk afgebeeld in mummiewindsels gewikkeld, 70; van Afrikaanschen oorsprong, 70; zoon van Nut, 71; zijn geboorte, 71; Pamyles maakt de geboorte van, bekend, 72; opgevoed door Pamyles, 72; voorspellingen aangaande, 72; zijn vrouw regeert voor hem, 72; Set richt een feestmaal aan, 73; gaat liggen in de noodlottige kist, 73; kist ingesloten in een zuil te Byblos, 74; zijn vele graven, 76; zet zijn zoon Horus aan wraak te nemen, 76; Frazer over de mythe van, 77, 72; gebruik van het koren en; wijnbouw en; korengeest en boomgeest, 78; geïdentificeerd met den zonnegod Ra, 80; de maan en, 81, 82; de big gewijd aan, 82; hymne door Isis aan Osiris gericht, 82; god der vruchtbaarheid, 84; personificatie van Ra, 85; type van de wederopstanding van het lichaam, 85; Boek der Dooden en, 86; in zijn gestalte van koren sterft hij en wordt weer tot het leven teruggeroepen door Isis, 88; vermelding van, 95, 98, 99, 100, 101, 106, 107, 108, 118, 119, 124, 125, 126, 127, 129, 132, 138, 148, 151, 157, 158, 165, 166, 167, 181, 221; stelt den dag van gisteren voor, 103; reis van, in de onderwereld, 126132; zijn reis als Af-Ra door de Duat, 126; voorstelling van zijn rol als dooden-rechter, 129; het paradijs bestond in den omgang met, 145; strijd tusschen de priesters van Ra en die van, 145; overschaduwt Ra; geïdentificeerd met Tem, 146; Hapi geïdentificeerd met, 181; geïdentificeerd met Venus, 194; in een visioen gezien door Setne, 224226; aan de rechterhand van Amen-Ra in het land der goden, 263; bedreigd, dat zijn naam luid zal uitgeroepen worden in de haven van Busiris, 278; aangeroepen in verband met tooverspreuken tegen krokodillen, 283; zwarte poeder geïdentificeerd met het lichaam van, 288; mummie-magie en de god, 292; de Apis en, 304309; de geest van, in den stier overgegaan, 305; vormt met den Apis een dubbelgod, 307; vereering van den Ram van Mendes en, 308; krokodillen, vriend en vijand van, 310; de valk gewijd aan, 317; Set, de booze broeder van, 321; geïdentificeerd met Dionysus, door Herodotus, 324; geïdentificeerd met Pluto, 327; vermelding van het vignet van het Oordeel van, 342; een schets van, in de Saïtische beeldhouwkunst, 342.

Oude Rijk. Andere naam voor den tijd der Pyramiden, 26; omvat de dynastieën, 1–8, 41; huishoudelijke artikels uit het, 48; onthoofding, gedurende het, 53; vermelding van, 146; taal van, 196; monumenten en modellen van het Nieuwe Rijk, 322; vermelding der priesters uit het, 327; standbeelden in het, 338.

Oudheid. Dienst der, 44; de Egyptische magie, 272; vermelding van den Comte de Caylus en, 343.

Oudste Begraafplaatsen. Bewaring van het lichaam in, 26.

Ounamounou. De hoogepriester van den tempel van Amen-Ra, bezoekt de kusten van Egypte, 249; komt te Tanis, 249; te Dora, stad van Zakkala, 249; vorst Badîl zendt spijs naar, 249; bereikt Tyrus, 249; zeilt in de richting van Byblos, 250.

Ousimares, Pharaoh. Koningsnaam in de “Geschiedenis van Setne en zijn zoon Se-Osiris”, 222.

Ousimanthor. Zoon, aan Setne geboren, 235.

Oxford. Vermelding van het museum te, 42.

P.

Paarden, Gebruik van, in den oorlog, door Egyptenaren, 298.

Pachons. Maand; offers van Set, gedurende, 109.

Paheri. Vorst van El Kab, 130.

Pakrourou. Bondgenoot van Ierharerou, priesterkoning van Heliopolis, 257; ontmoet Moutoubaal, een Syrisch vorst, 261.

Palaeolitischen Mensch. Slaap een raadsel voor den, 273.

Palermo-steen. Inscriptie genoemd de, 21.

Palestina. Theorie, dat een ras, hetwelk zich met steenbewerking bezighield in Egypte kwam uit, 39; onderzoekingen tot, 43; buit van overwonnenen, vulde den tempel van Amen, 149; vermelding van 205, 208; Joppe, een stad in, Thoutii en, 266.

Pallas Athene. Vermelding van, 23.

Pamilia. Feest der, 72.

Pamyles. Hoorde stemmen bij de geboorte van Osiris, 72; opvoeding van Osiris toevertrouwd aan, 72.

Pan. Vereerd te Mendes, volgens Herodotus, 308.

Panopolis. Een van de middelpunten van Amen-Ra te, 153.

Pantheon. Egyptisch. Vreemde goden, opgenomen in het, 294; Sebek en de ritus van alle andere goden in het, 310; Taurt, de hippopotamus-godin, geïdentificeerd met iedere godin in het, 315.

Papyri. Medische, inhoudende formules om gebruikt te worden tegen de demonen der ziekten, 289.

Papyrus. Vermelding van, van Ani, 8, 62; de Nebsini, 120; de Turijnsche, 120; van Setne, 284; de Harris, 265, 280; de d’Orbiney-, in het Britsch Museum, 240; “Hoe Thoutii de stad Joppe innam, beschreven in den Harris-, 265269; een verhaal van Setne, verteld in een, uit den Ptolemaeëntijd, 284287; koningin Matkare, 343, 347.

Paradijs. Materieele genietingen van het, 138; gedaanteverwisseling in het, 139.

Parijs. Isis-dienst heden ten dage uitgeoefend in, 87.

Passiespelen. Plechtigheid in de hal der Mystae in den vorm van, 64.

Paüni. Offers in de maand, 110.

PÉ. Stad, door Ra aan Horus geschonken, 105.

Pelusium. De voornaamste toegangsweg naar Egypte; Setuan en zijn leger kampeerden daar, 235.

Pepi. Beschrijving der eerbewijzen aan de godheid in den tekst van bewezen, 18; materiaal voor de bestudeering van het Egyptisch pantheon bij Pepi I, 22; teksten gevonden in de graftombe van, 122; de Pyramide van, 122.

Periode. Godsdienst der latere, 320327; de Ptolemaeïsche, 325; van reactie, 321; de Libysche, 320; de Hellenistische, 327; de Thinitische, de eerste groote der Egyptische kunst, 333; de Memphitische, 335; het Nieuwe Rijk, 339; de Saïtische, 341.

Persephone. Andere naam voor Kore, 64; vermelding van, 84.

Perzen. 1. Geschiedenis der, verbonden met die van Egypte, 42; 2. Verovering door, 40; munten onbekend in Egypte voor de komst der, 51; overheersching der, godsdienst onder, 325.

Peru. Geboorteplaatsen in, 11; gier, typische voorstelling van den dagelijkschen loop der zon in oud-, 140; scheppingsmythen van, 143; zonnevereering in, 144; mummificatie toegepast door de inwoners van, 33; heilige honden in begraafplaatsen, 112; vorm van vereering der inwoners van, 143.

Pesedt. Gezelschap der goden, 19; vreemde goden opgenomen onder de goden van de, 19; geen naam is gegeven aan de derde, 20; geheel en al in Amen vereenigd, 152.

Pet. Egyptische naam voor den hemel, 135.

Petekhousou. Broeder van Pimoni; overwint Anoukhoron, 261.

Petrie, Professor Flinders. Gezaghebbende stem op het gebied der Egyptologie, 40; onderschrijft de theorie van Manetho, 40; dateering der Egyptische geschiedenis volgens, 41; onderzoek op het gebied der kunst onder, 44; Egyptische graven en, 113; monumenten en tempels ter eere van Aten opgericht, ontdekt door, 172.

Petrograd. Egyptisch verhaal, bewaard in de Hermitage Collectie te, 205.

Petubastis. Een portret van, in de Saïtische beeldhouwkunst, 341.

Peun. Hoveling; koning Amasis en, 211.

Phanemoth. Maand, 81.

Phaophi. Offers gedurende de maand, 110.

Pharaoh(S). Begraafplaats, 26; vrouwen, bedienden en honden geslacht op het graf van, 26; geïdentificeerd met Osiris, 31; hoofd van een feodaal systeem, 51; kleeding der, 55; kerkelijke partij en, 58; lotus en papyrus als embleem der eenheid, op den troon der, 182; vermelding van, 206, 208, 209, 216, 222, 227; verleidt Bitou’s vrouw, 242; doodt Bitou in de gedaante van Apis en in die van boomen, 243; stelt Bitou tot zijn opvolger aan, 244; zonen der en de hoogere ambten der kheri-heb priesters, 279; gaf rijkelijk geschenken aan den Apisdienst, 306; verval van den ouden godsdienst der, 330; vreemde godsdiensten dringen het land der binnen, 330; het Christendom overwint ten slotte in het land der, 330.

Pharaoh Manakhphrêsiamon. Vermelding van, in een verzegelden brief, door Se-Osiris opgelezen, 220234.

Pharaoh Mycerinus. Een werk in het Caïro-museum toont zittend, 335.

Pharoah-ousimares. De verzegelde brief en, 226229; Se-Osiris leest den verzegelden brief voor aan, 229234; Setne, zoon van, 227.

Pharaoh Petoubastis. Burgeroorlog in Egypte, gedurende de regeering van, 256262.

Phidias. Vermelding van het Elgin-marmer van, 335; overblijfselen der Egyptische kunst staan lager dan de overblijfselen der Grieksche kunst van, 346.

Philadelphus. Zie Ptolemaeus II.

Philae. Tempels te, 49; groote tempel van Isis te, 77, 79; heiligdom van Heru te, 94; tempel van I-em-hetep te, 162; heiligdom van Anqet te, 168.

Phoenicië. Vermelding van, 208.

Phoeniciërs. Egypte en de, 51; hun alphabet ontnomen aan het Egyptische hieratische schrift, 198; Reshpu komt met een god overeen, bekend aan de, 299.

Phoenix, De, mythische vogel; de bennu gaf het aanzien aan, 317; fabels van, verteld door Herodotus en Plinius, 317; kwam te voorschijn uit den heiligen boom in de Groote Hal te Heliopolis, 318.

Phara-harmakhis. God, die Anapou en Bitou scheidt, 241.

Pimoni, Vorst. Andere naam Pimoni met den sterken vuist, opvolger van Ierharerou, den koningpriester van Heliopolis, 257; Petekhousou broer van, 261.

Plaatselijke Goden. Vereeniging van, 2; onderscheidingen van, 2.

Plannenkamer. Kamer in Heliopolis, teekeningen van het huis van Thoth in de, 216.

Plinius. Bewering van, aangaande de ziel van Aristeas, 7; de profetieën bij den Apis-optocht en, 306; fabels over den phoenix verteld door, 317.

Plutarchus. Godsdienstige verhalen van, 5; voornaamste bron voor de Osiris-legende, 5; aanhaling uit zijn werk “De Iside et Osiride”, 71; geeft bijzonderheden over het graf van Osiris, 79; aanhaling van, 81; geeft licht aangaande de mythe van Nephthys, 106; aanhaling van, aangaande Set en den Ezel, 110; bewering aangaande Anubis, 112; geeft de astronomische beteekenis van Anubis aan, 114; zijn bewering aangaande de gedaante, onder welke Isis den dood van Osiris bejammerde, 317; legende van Serapis en, 327.

Pluto. Een van de hoofdfiguren in de Eleusinische mysteriën, 64; echtgenoot van Persephone, godin van het graan en de groeikracht, 84; vermelding van, 110.

Popol Vuh. Scheppingsverhaal vermeld in de, 15; vermelding van 64, 144; boek van bewoners uit Midden-Amerika, gelijkende op het Boek der Dooden, 131; geschiedenis van ’t wonderlijke maïsveld, 131.