Polytheïstische Vereering. Een nationale neiging bij de Egyptenaren, 295.
Porcelein van ’t Middeleeuwsch-China, 332.
Powhatans. Hun geloof aangaande de ziel van hun opperhoofd na diens dood, 9.
Priesters. De “kheri-heb”, de erkende vertegenwoordigers der magie in Egypte, 279; de hoogere ambten bekleed door zonen der Pharaohs, 279; nieuwe orde bekend als “de priesterschap der genadige goden”, 326; de Thebaansche, als wijs bekend staande, 336; vermelding der, uit het oude Rijk, 326.
Priesteressen. In Thebe, gewijd aan den dienst van Amen, 326.
Prins, Den vervloekten. Geschiedenis van den, 244–248; veroordeeld tot drie kwaden, te sterven door een krokodil, een slang en een hond, 244.
Proconnesus. Aristeas van, 7.
Profeet, Eerste. Van Amen, titel van een priester te Thebe, 59.
Profetiën. Het Apis-orakel en, 306.
Pruisen. Vermelding van de expeditie naar Egypte, Nubië, Syrië en Palestina gezonden door, 43.
Psammetichus I. Stichtte de stad Naucratis, 52; geschiedenis uit den tijd van, 211.
Ptah. Een gedaante van den zonnegod, 25; tempel van, 59; Boek der Dooden en, 128; grootste van de goden van Memphis, 155; afleiding van den naam onzeker, 155; toespeling op, in de Pyramiden-teksten, 155; een architect en vervaardiger van alles in het heelal, 156; deelt in de natuur van Thoth en eveneens in die van Shu, 156; vertegenwoordigt als Ptah-seker de vereeniging van de scheppende kracht met die van den chaos of de duisternis, 156; neemt de attributen van Seker aan, eveneens met Tenen vereenigd, 156; had varianten, die de attributen aannamen van Min, Amsu en Khepera, 157; voorgesteld als de god van de wederopstanding, 158; middelpunt van vereering te Memphis, 158; tegenhangster van Sekhmet, 158; Zeven Wijzen en, 158; vermelding van, 161, 165, 184, 222; Pharaoh Manakhprê-Siamon zweert bij, 231; het Apis-orakel in den tempel van, 306; Apis, de stier van den tempel van, 323.
Ptah-ankh. Een van de beeldhouwers uit den Pyramidentijd, 337.
Ptah-hotep. Spreukenboeken, of andere onderrichtingen toegeschreven aan, 201.
Ptah van Ankh’taui. Tempel van, 212.
Ptah-seker. Een van de goden genoemd in het Boek der Dooden, 128; stelt de vereeniging van de scheppende kracht met die van den chaos of duisternis voor, 155.
Path-seker-asar. Andere naam voor Ptah-Seker-Osiris, 157.
Ptah-seker-osiris. Zie Ptah-Seker-Asar.
Ptolemaeus. Dood van koning, voorspeld door het orakel van Sebek, 311.
Ptolemaeïsche Periode. Handelsrechtbanken ingesteld in de, 53; Saïtische lezing gebruikt tot het einde der, 123; kleine beelden van Amen-Ra vervaardigd ten tijde der, 152; vermelding van, 163, 199, 210.
Ptolemaeën. Verwijzing naar den tekst der, 162.
Ptolemaeus II, Philadelphus. Tempel van Mendes hersteld door, 309; Apis en Mnevis verzorgd door, 326.
Ptolemaeus III. Decreet van Canopu, behoorende aan, 199.
Ptolemaeus Soter. Identificeering van Serapis met Pluto, door de overlevering toegewezen aan de regeering van, 327.
Punt. Koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over het land, 263.
Pyramidentijd. Tijd van het z.g. Oude Rijk, 26.
Pyramidion, Huis van het. Tempel gebouwd ter eere van zijn god door Amen-hetep, 170.
Pyramiden. Godsdienstige teksten en tooverspreuken geschreven in de, 196; de Sphinx en de; monumenten uit het Oude Egypte, 335; de Mona Lisa van Leonardo da Vinci en de Elgin-marmerbeelden van Phidias vergeleken bij de, 335; tijd, beeldhouwers; Ptah-Ankh, een der, uit de, 337; dagen; schilderkunst op klei in de zon gedroogd, gedurende de, 337.
Pyramiden-teksten. Toespeling op, 14; vermelding van goden in de, 14; een dubbele groep van, 19; goden, vermeld in de, 18; inscripties, dateerende voor de, 22; materiaal voor de bestudeering van het Egyptisch pantheon gevonden in de, 22; Set vermeld in de, 107; vermelding van de, 69, 119; Ptah vermeld in de, 155; Bast vermeld in de, 159; Sebek vermeld in de, 310; herleving der, 322.
Pythagoreërs. Typho en de, 110.
Q.
Qeb. Een van de eerste gezelschappen der goden, 20.
Qebh-sennuf. De valk; voorgesteld op de z.g. Canopische Kruiken, 33.
Qetesh. Een Egyptische godin, ontleend aan Semitisch Azië, 296; in Syrië, vereerd als een natuurgodin, 298; in Egypte geïdentificeerd met een van de gedaanten van Hathor, 298; door sommige schrijvers beschouwd als een aspect van Asthoreth, 298; een andere benaming “het oog van Ra”, 299; men bad tot haar om giften voor het leven en de gezondheid, 299; vereenigd als een der drieëenheid met Amsuof Min en den god Reshpu, 299.
Quebui. Noordenwind, genaamd, 193.
Querti. Hol, waaruit de Nijlvloed te voorschijn kwam, 166.
Quetzal-coatl. Vermelding van den Mexicaanschen god, 139.
R.
Ra. Boot van, 9; voorstelling van, 15; scheppende macht en, 15; pijlen van, 18; naam vereenigd met dien van Tem, 20; een gestalte van den zonnegod, 25; nachtelijke reis van, 34; vergelijking met Osiris, 69; andere naam voor Helios, 71; sprak een vloek uit over Nut, 71; Thoth maakt den vloek onschadelijk, 71; geïdentificeerd met Osiris, 80; Horus de Oudere, een van de voornaamste gestalten van, 92; Harmachis vertelt, dat hij dezelfde is als, 93; Horus helpt, 96; heiligdom opgericht voor Horus, op verlangen van, 97; gevangenen van Horus gebracht voor, 98; geïdentificeerd met Horus, 100; Horus-legenden en, 102; staat een verzoek van Horus toe, 104; geeft aan Horus de stad Pé, 105; vermelding van 108, 112; oogen van, 114; geestelijke kracht van, 116; vermelding van het oog van, 116; boot van, 118; zonnedienst van, 123; vermeld in het Boek der Dooden, 128; woont in den hemel, 135; helpt Osiris naar den hemel te klimmen, 138; positie in het Egyptische pantheon, 140; een menigte zonnediensten werden vereenigd tot die van, 140; vogel en slang vereenigd in, 140; dagelijksche reis van, 141; vereering van, in Egypte, 142; afstammeling van, maakt zich meester van den Egyptischen troon, 142; vereering van, hoogste in het Nijldal, 143; macht van zijn priesters, 143; tempel te Heliopolis, gewijd aan, 144; zijn spheer is meer op geestelijk gebied dan die van Osiris, 145; strijd tusschen priesters van Osiris en van, 145; vereering van, vreemde elementen in de, 146; overschaduwd door Osiris, 146; vermelding van, 146, 147, 148; fusie met Amen, 149, 150; tempel van, te Memphis, 158; vermelding van, 159, 163, 165, 170, 172, 174, 176, 184, 186, 189, 190, 194, 218, 219, 220; Hathor en mythe van, 178–181; Isis en de heilige naam van, 277; aangeroepen in verband met tooverspreuken, 282; een van de tooverformulieren in Thoth’s Bibliotheek van magische boeken, welke een mensch in staat stelden te zien, 286; het woord “recipe” is naar men zegt een aanroeping van den god, 287; god van licht en gezondheid, een van de namen van, 287; Qetesh, het oog van, 299; vereering van den Ram van Mendes en, 308; Sebek verbonden met, 309; de leeuw, geïdentificeerd met, 311; de Sphinx te Gizeh, het symbool van den zonnegod, 312; de valk geheiligd aan, 317.
Ra-tem. Vereeniging van Ra en Atum, 144.
Ra-harmachis. Vereering van, hersteld door Thothmes IV, 169; obelisk, gebouwd door Amen-hetep IV, 169.
Ra-Her-u-Akhti. Zie Heru-Khuti.
Ra-Her-u-Khuti. Regeerde over een streek der rietvelden, 125; andere naam voor Ra-Heru-Akhti; Aten nam den titel van hooge priester aan, van, 169.
Ra-Hor-Akhti. De regeering van, 95.
Ramses. Pyramide van, kan niet juist bepaald worden, 30; verhaal, dat de genezende kracht van Khonsu illustreert, ten tijde van koning, 189–193.
Ramses II. Anena, een schrijver, die ’t origineel van den d’Orbiney-papyrus vervaardigde, leefde onder, 240; een Baal-tempel bestond in Tanis, onder, 297; noemde een van zijn zonen Mer-Astroth, naar Ashtoreth, 298; tamme leeuw, gehouden door, 313; het Nieuwe Rijk gedurende den tijd van, een model voor de latere periode, 322.
Ramses III. Macht van Amen, ten tijde van, 58; tempel gebouwd voor Khonsu te Thebe door, 189; de samenzwering van Hui tegen, door middel van tooverboeken, 280, 281; godin Anthat geëerd door, 297; tamme leeuw, gehouden door, 313; vermelding van, 339; een tempel van, te Medinet-habu, 341.
Ramessiden. Baal voornamelijk geëerd door, 296.
Ramessiden-dynastie. Hooge-priester van Ra kwam tot koninklijke macht en tegen het einde der, 151.
Ram van Mendes. De vereering van, door Manetho aan Kaiekhos toegeschreven, 308; vereering van in de Delta-steden Hermopolis, Lycopolis en Mendes, 308; Herodotus vertelt, dat Pan met hem vereerd werd, 308; Ptolemaeus II herbouwt den tempel van, 309; andere naam Khnemu, 308; vereerd zoowel door veroveraars als veroverden, 327.
Ram, Den. Vermelding van, 308.
Ra-Osiris. Twee goden, tot een vereenigd, 85; andere naam Afra, 85; straf der boozen in de Duat verzacht door de verschijning van, 132; vijanden van en de zielen der vervloekten, 132.
Ra-Sek-En-En. Nationale vorst in een verhaal geschetst, 208.
Rat. Tegenhangster van Ra, 142.
Rat-Tau-It. Godin vereerd te Hermonthis; moeder van Horus den jongere, 92.
Recensie. De, van Heliopolis Thebe en Saïs van het Boek der Dooden, 122, 123.
Recipe. Naar men zegt een aanroeping van Ra, wiens symbool het is, 287.
Religie. Egyptologen meenen, dat Egyptische magie een lagere vorm is van, 270; de talrijke phases in Egyptische, 275; Egyptische magie, heeft meer overeenkomst met, dan andere systemen, 275; evolutie van, op Egyptischen bodem, 275; Semitische en Afrikaansche invloed op de Egyptenaren, 295, 296; Egyptische, symbolisme van, het meest uitgedrukt door dierenvereering, 303, 304; latere periode, 320–325; onder Perzische heerschappij 325; Ptolemaeïsche periode, 325–327; tijd van verval der, 320; Libysche periode, 320; Egyptische, in vergetelheid geraakt door de belijdenis van den Christelijken godsdienst, 320; de verovering van Alexandrië en Egyptische, 325; onder Grieksch bestuur, 327; vreemde, dringt het land der Pharaohs binnen, de godsdienst, welke ten slotte overwon, was het Christendom, 330.
Renaissance. Op het gebied der architectuur, 333, 334; Italiaansche meesters der, hadden veel aan de Graeco-Romeinsche school te danken, 337; kleuren op verscheidene oude Egyptische werken beter bewaard dan op verschillende Italiaansche frescos der, 341; de Romeinen en de Italiaansche meesters der, 347.
Reret. Godin; booze invloed van Set en, 111; een gestalte van Isis, 111; andere naam Taurt, 189; geïdentificeerd met den Draak, 196.
Reshpu. Een Egyptische god ontleend aan Semitisch Azië, 295; Syrisch god, vereenigd als een van de drieëenheid met Qetesh, 296; zijn cultus in Egypte, 299; Het Reshpu, hoofdplaats van zijn vereering, 299; in Syrië als god van den oorlog beschouwd, 299; stemde met een god overeen, aan de Phoeniciërs bekend en in Cyprus en Carthago vereerd, 299.
Restau. Verborgen dingen in, 63; de andere wereld van Seker, 63.
Rhampsinites. De geschiedenis van, ons door Herodotus overgeleverd, 253–256; Egyptenaren voor den gek gehouden door, 256.
Rhampsinitus, Koning. Vermelding van, 208; zie Rhampsinites.
Rhea. Andere naam voor Nut, 71; vermelding van, 111.
Rhindè. Schotsch archaeoloog, 44.
Rhys, Professor, Keltisch geloof aangaande den naam “ziel” en, 276.
Rietvelden. Andere naam Sekhet Aaru, 125; zeven hallen van, 125; 15 streken van, 125.
Rijk, Nieuwe. Vermelding van, 31, 41; tempelbouw en het, 66; godin Taurt en, 187.
Rijk. Oude-, Midden- en Nieuwe Rijk, 41.
Rodin. Vermelding van den beeldhouwer, 337, 345.
Romeinen. Pantheon der, 23, 24; orakel van Juppiter-Ammon, geraadpleegd door de, 153; Ptah geïdentificeerd met Vulcanus door de, 155; plebeiers, vermelding der, 209; cultus van Serapis verbreid onder de, 308; periode der, vereering van den krokodil reikte ver tot in den tijd der, 311; Italiaansche meesters der Renaissance en de, 343.
Rome. Professor Sergi van, 39; geschiedenis van, nagespoord door de Egyptische geschiedenis, 42; Isisdienst bloeide in, 87; vereering van Isis nam een orgiastisch karakter aan in, 91; de Thebaansche priesters veel bezocht door reizigers uit, 326.
Roodhuiden. Vermelding der, 18.
Roode Zee. Overgestoken door immigranten uit Arabië naar Egypte, 40.
Rosellini. Expeditie van, naar Egypte, 43.
Rosette-steen. Kwam in 1801 in Britsch bezit, 43; ontcijfering van, 43; vooruitgang in ontcijfering vond niet plaats tot de ontdekking van den, 200; inscriptie bestaat uit 14 regels hieroglyphisch, 32 demotisch, 43 Grieksch schrift; door vergelijking en ontcijfering werd het Egyptisch alphabet ontdekt, 200.
Rud-didet. Vrouw van een priester van Ra, 217, 218.
S.
Saa. God van het gevoel en de aanraking, verschijnt in de boot van Ra, 194; zoon van Geb; personificatie van menschelijk en goddelijk vernuft, 194.
Sabaoth. Aartsengel; vermeld met Osiris en de Grieksche goden, 330.
Sackville, Margaret. Vermelding van verzen, geschreven door, 348.
Safekht. De godin van het leeren; het palmblad symbool van, 319; de heilige boom in de Groote Hal van Heliopolis en, 319.
Sahal. Eiland, 115; vereering van Anqet geconcentreerd te, 168.
Sahara. Vermelding van, 38.
Sahra. Een van de drie kinderen van Rud-didet, 219; naam van den tweeden koning der 5e dynastie en, 220.
Saïs. Vermelding van, door Herodotus, 62; middelpunt van Amen-Ra te, 153; Heerscheres van, Neith, godin van, 264.
Saïtische. 1. Recensie; hoofdstuk uit het Boek der Dooden moet opgezegd worden bij bijzondere gelegenheden, 63; vermelding van, 123; datum van, 123; geschreven op kisten en papyri, 123; 2. Periode vermelding van, 163, 197; de laatste der Egyptische kunst, 342, 343; invallen der Perzen, Grieken en Romeinen gedurende de, 341; Egyptische kunstenaars der, 341; gebouwen van den pronaos van Komombos, den tempel van Isis te Philae, de kiosk van Nectanebu, de Mammisi en tempel van Horus te Edfu, 341–342; bouwwerken beïnvloed door ideeën uit den vreemde, 342; schilderwerken uit, 342.
Sakhebu. Heer van, 217.
Sakkara. Andere naam voor Saqqara, 42; Maspero te, 122.
Salcamayhua. Indische schrijver; ontstaan van de stammen en, 11.
Samenzwering. Een, van toovenaars door Hui, tegen Ramses III, 280, 281.
Samotracische Mysteriën; Hecate en de, 188.
Saneha. Geschiedenis van, 204, 205.
Saqqara. Pyramidenbouw gecopieerd te, 28; pyramide van Menkaura te, 30; Assa vermeld op een tablet te, 30; andere naam voor Sakkara, 42; Seker, god van den dood, te, 63.
Serapis. Ontstaan uit Osiris-Apis, 307; in Egypte en Griekenland beschouwd als de tegenhanger van Osiris, 307; de vereering van in Engeland, 308; aan de Egyptenaren als Asar-Hapi bekend, 327; vereerd door Grieken en Egyptenaren als Asar-Hapi bekend, 327; in de oogen der Grieken nam de gestorven stier den vorm aan van, 327; Ptolemaeus Soter en de legende van, 327; een andere lezing der legende, 328; Soteles en Dionysius naar Alexandrië om het beeld te verwijderen van, 328; het volk van Sinope en het beeld van, 328; beeld gebracht naar Egypte, 328; Pluto en het beeld van, 328.
Sa Ren-put I. De zuilengang van, 339.
Satet. God, vereerd te Elephantine, 163; tegenhangster van Khnemu, 164; andere naam voor Setet, god der overstrooming, 167; komt voor in het Boek der Dooden als een vorm van Isis en tegenhangster van Osiris, 167.
Sati. Een kracht, welke de overstrooming deed afnemen; Isis als, 91.
Sati-temui. De verschrikkelijke slang, 125; loert op de dooden, 125.
Saturnus. Benaming van Horus (stier des hemels), 194.
Scandinavische, Mythe, vermelding van, 142.
Scarabaeën. Geplaatst op lijkkisten der dooden, 323.
Scheppingsmythen. Vermelding van, 14.
Schilderkunst. Van Japan, ontleend aan China, 332; in Engeland, Schotland, Duitschland, Frankrijk ontleend aan die der Lage Landen, 333; schildersmateriaal, 337; de Saïtische periode, 341; Fransche, 343.
Schoonheid van Ra. Naam gegegeven aan de vrouw van Ramses, 189.
Schorpioenen. Selk, godin der, 264; geheiligd aan Isis, 316.
Schot. Het karakter van den, vergeleken met dat van den Egyptenaar, 56.
Sculptuur. Beeld ten voeten uit van den Sheikh-el-Beled (eigenlijke naam was Ka-aper), 336; gedurende het Nieuwe Rijk, 339; gedurende de Saïtische periode, 341; vermelding van werken van Chinard en Houdon, 344.
Sebek. De krokodil, de incarnatie van den god, 13, 310; toespeling op, in de Pyramidenteksten, 25, 311; andere naam Sobk, 61; gezicht hersteld door, 310; helper van Horus het Kind, 310; voorstelling in godsdienstige kunst, 311.
Sef en Dua. Andere namen voor “Gisteren” en “Morgen”; twee leeuwenbewakers, 312.
Seker. Heiligdom van, 63; rijk van, 85, 127; oudheid van, 128; geïdentificeerd met de nachtelijke zon, 156; soms verward met Sept en Geb, 156; heerschte over een deel der onderwereld, 156; attributen van, overgenomen door Ptah, 157; tempel van, te Memphis, 156; groepen van Zeven Hathors vermeld in litanieën van, 181.
Sekerboot. Ceremonieën verbonden met, typisch voorbeeld van den loop der zon, 157; bekend als Henu, vermeld in het Boek der Dooden, 157; beschrijving van de; lijk van Osiris en, 157; waarschijnlijke vorm van Mesektet-boot, 157.
Seker-Osiris. Zielen der gestorvenen onder de volgelingen van, 225.
Sekhet-Aaru. Andere naam voor de Rietvelden, aangename verblijfplaats in de Duat, 125; middelpunt van Osiris’ rijk, 125; zielen staan hier onder de heerschappij van Ra-Heru-Khuti, 125.
Sekhet Hetepet. Aangenaam gedeelte van de Duat, 124.
Sekhmet-Bast-Ra. Tempel van, te Memphis, 158; tegenhangster van Ptah; geïdentificeerd met Hathor, personificatie van de vernietigende kracht der zon, 158; andere naam Nesert; attributen der Zeven Wijzen en, 158; Bast vereenigd met, 159; vermelding van, 161; genoemd in de mythe van Ra en Hathor, 179.
Semitisch (E). Woordenschat, gegeven aan de bevolking van het Nijldal, 39; Egyptenaren onder de dynastieën levende, hadden elementen van het proto-, 40; Egyptenaren verwant met de Semieten, 195; gelijkenis tusschen Koptisch en, 196.
Semitische Adonai. De Grieksche Adonis; Aten en, 172.
Semitische Invloed. Afrikaansche en, op Egyptische ideeën, 300.
Seneferu. De cultus der dooden, ten tijde van, 121; tooververhaal uit de dagen van koning, 213–215.
Senegambië. Bijgeloof onder stammen van, aangaande den nieuwen naam, gegeven bij inwijdingsplechtigheden, 276.
Sennacherib. Koning van Assyrië, verslagen door Setnau, 235–236.
Sen-u-sert. Pyramide van, 30; andere naam Usertsen, 144, 205; geschiedenis van Saneha en, 205.
Se-osiris. De zoon van Setne, bekend om zijn wijsheid, 223; verhaalt over de magische boeken aan Setne, 224; leidt Setne naar onbekende plaatsen in de bergen van Memphis, 224; laat Setne een visioen van Amenti zien, 224; geen schrijver of toovenaar is zijns gelijke, 228; leest den verzegelden brief voor aan Pharaoh Ousimares, 227; zijn vroegere gestalte als oppertoovenaar van Pharaoh Manakhpre, 234; verdwijnt plotseling, 234.
Sept. Astronomisch symbool van Isis, 90; Seker en, 156; godin Bast genaamd de meesteres van Sept, 159; andere naam Sothis, 159; Hathor geïdentificeerd met, 181.
Septah Meneptah. Beeltenis van, voorbeeld van een basrelief gedurende de Saïtische periode, 339.
Serapeum. Het beroemde; ontdekt door Mariette, 210; beelden en stelae gevonden in de kapellen van, 310.
Serbonische Meer. Tempel van Ashtoreth, aan de oevers van het, 301.
Sergi, Professor. Vermelding van, 40.
Set. Een van de groote goden van Heliopolis, 20; geboorte van, 72; vijand van zijn broer Osiris, 73; andere naam voor den Griek Typhon, 73; veroorzaakt den dood van Osiris, 74; ontdekt de kist van Osiris, 77; Horus strijdt met, 76; wordt, toen hij gevangen genomen was, door Isis in vrijheid gesteld, 76; het zwijn is waarschijnlijk zijn symbool, 81; Isis gevangen door, 90; stelt de aanblik van den nachtelijken hemel voor, 92; nogmaals vermelding van Horus’ strijd, 94, 95, 96; intrigeert tegen Horus, 97, 105; Horus neemt iemand gevangen, in de meening, dat het Set is, 98; einde van, 100, 102; symbool der duisternis, 101; vermelding van, 20, 99, 107, 112, 113, 114; neemt de gestalte van een zwart zwijn aan, 104, 105; maakt Horus tijdelijk blind, 105; Nephthys, zuster en vrouw van, 106; cultus van, 107; vriend der dooden; hielp Osiris den hemel te bereiken; vijand van Horus den Oudere, 108; afleiding van den naam, 108; god van zonde en boosheid, storm, aardbevingen, eclipsen enz., 108; dieren beschouwd als kinderen van, 109; de Groote Beer woonplaats van, 109; godin Reret en, 109; verval van de vereering van, 109; Plutarchus’ ezel, 110; toespeling op, in het Boek der Dooden, 128; helpt Osiris den hemel te bereiken, 138; vermelding der geboorte van, 186; geïdentificeerd met Mercurius, 194; naam van Baal in de plaats gesteld van dien van, in de teksten van Edfu, 296; Kh, de gewone aanduiding van den naam Set, 300; de booze, die op iederen “Osiris” loert, 310; veranderde opvatting aangaande, 321; broer van Isis en Osiris, 321; verward met de slang Apep, 321; geïdentificeerd met Typhon, door Herodotus, 324, 327.