Setem. God van het gehoor, 194.
Seti I. Vermelding van het basrelief te Abydus, dat het beeld vertoont van, 339.
Setnau. Een priester van Vulcanus, 234; verslaat de Assyriërs onder Sennacherib, 235.
Setne. Oude geschiedenis over hem en zijn zoon Se-Osiris, 221–223; Se-Osiris leest voor uit een tooverboek, 223; door Se-Osiris naar een onbekende plaats in de bergen van Memphis geleid, 224; Se-Osiris laat een visioen zien van de goden van Amenti aan, 225, 226; zoon van Pharaoh Ousimares, 227; Mahitouaskhit vrouw van, 227; Se-Osiris, zoon van, 223; Se-Osiris verdwijnt als een schaduw voor, 234; Ousi-manthor, zoon van, 234; een verhaal van, verteld in een papyrus uit den Ptolemaeëntijd, 284–286; zijn studie in de handschriften in de Bibliotheek der Tooverboeken, 284; zijn aanbod aan de wijze mannen van den koning aangaande het boek door Thoth geschreven, 284; Ahura, vrouw van Nefer-ka-Ptah en, 285; speelt dam met Nefer-ka-Ptah, 286; Ahura’s profetie aangaande, 287; door Pharaoh bevolen het tooverboek aan Nefer-ka-Ptah terug te geven, 287.
Setne En Zijn Zoon Se-osiris. De ware geschiedenis van, 221–234.
Setne En De Mummies. Vermelding van de geschiedenis van, 221.
Sety II. Zie Sety Merenptah, 240.
Sety Merenptah (Sety II). Eigenaar van den oorspronkelijken d’Orbiney-papyrus, 240.
Shaïs. Strijd van Horus bij, 98.
Sheik-el-Beled (Ka-Aper). Zie Beeldhouwkunst.
Shemshu-heru. God van den hemel, volgeling van Horus, 135.
Shepses-kaf. Begraven in de pyramide genaamd de Koele, 29.
Sheshonk. Een Libysch gouverneur; hoofdstad te Bubastis, Bast de plaatselijke godin van, 321.
Shomou. Berg, 248.
Shu. Kind van Nu, 16; gevolgd door het oog van Nu, 16; uit hem worden verschillende goden geboren, 17; vertegenwoordigt het licht van den dag, 16; een van de eerste gezelschappen der goden, 20; god van de atmosfeer; Af Ra, en, 127; genoemd in het Boek der Dooden, 128; vermelding van, 165, 166, 169, 178, 177, 189; god aan het hof van Amen-Ra, 263; mummie-magie en de goden Geb en, 292.
Silene. De maangodin; haar spel met Thoth, 71.
Sinaï. Vermelding van den berg, 11.
Sinaï. Schiereiland; Onderzoekingen op het, 49; Hathor van het, 181.
Sinope. Volk van en het Serapis-standbeeld, 328.
Sirius. Overstrooming van den Nijl, aangekondigd door het opkomen van de ster, 54; andere naam Sothis, 181.
Siut. Staf van priesters te, 61.
Slaap. Verschijnsel van den, een raadsel voor den Palaeolithischen mensch, 272; Egyptenaren verlangden opheldering in allerlei zaken door droomen en den, 292.
Smendes. Vorst van; Ounamounou en, 251.
Smith, Dr. Elliot. Vermelding van, 56.
Sobk van het Eiland. Tempel van, 61; andere naam Sebek, 61; genoemd door de Grieken Soknopaios, 61.
Soknopaios. Grieksche naam voor den tempel van Sobk, 61.
Somali’s. Volk op de Zuidelijke kusten der Middellandsche Zee, 39.
Sothis. Andere naam Sirius, 54; vermelding van, 159, 181.
Soteles. Het Serapis-beeld en, 328.
Spanjaard. Karakter van den, vergeleken met dat van den Egyptenaar, 56.
Sphinx. Harmachis de, 93, 94; de Grieksche naam voor de beelden van leeuwen; karakteristiek van het Egyptische leeuwenbeeld verschillend van die der Grieken, 312; bij Gizeh, symbool van den zonnegod Ra, 312; de Pyramiden en de, 335; de Monna Lisa van Leonardo da Vinci en de Elgin marmergroepen van Phidias opgeroepen door de, 335; de beroemde laan van, te Karnak, 339.
Sphragistae. Een priesterorde, 115.
Spiritisme, Animisme, de moeder van het, 273.
Spook. Het Egyptische; tooverspreuken tegen, 291.
Squire. Vermelding van zijn vertaling van Plutarchus’ “De Iside et Osiride”, 110.
St. George. Vermelding van, 94.
Steenen. Boomen en, beschouwd als belichaming van een godheid, 100.
Stier van Meroë, de; een van Amen’s namen, 230.
Stier, Den, Vereering van 304–309; Amasis en de, 322.
Stilte. De demon der; Tehuti-nekht dreigt den sekhti te zenden naar, 223.
Strabo. Oudste Grieksche reiziger in Egypte, 60; zijn verhaal over den krokodil, 310; zijn bewering aangaande de beelden der heilige dieren, 327.
Sumatra. De Batakkers van, en de ziel, 37.
Syrië. Onderzoekingen in, 43, 49; buit uit het veroverde, verrijkte den tempel van Amen, 149; Egyptische godsdienst en, 171; Egyptisch schriftsysteem, in, 198; koningin Hatshepsut aangewezen om te regeeren over, 263; Thoutii de vorst van een stad in, 266; oorsprong woorden en uitdrukkingen van, in tooverspreuken, 285; cultus van Anthat in, 297.
T.
Tafels. Geboorte, gevonden in latere papyri, 291.
Takhos; galei van; Minnemai herneemt het schild van zijn vader van de, 262.
Tanaïtische Monding van den Nijl, waar het lijk van Osiris aandreef, 73.
Tanis. Wetenschappelijk systeem van onderzoekingen voor het eerst toegepast te, 44; heiligdom van Heru te, 94; Ounamounou, hoogepriester van Amen-Ra komt te, 248; onder Ramses II bestond een tempel van Baal te, 296; oostelijk kwartier van, gewijd aan Ashtoreth, 298.
Tantamounou. Vorst; Ounamounou en, 251.
Tantnouit. Een Egyptische zanger, die Ounamounou toezong, 252.
Tatu. Zuil; opgericht bij het einde der jaarlijksche feesten van Osiris, 78.
Taurt. Geïdentificeerd met Mut, 154; moeder en voedster van de goden; tegenhanger in Apet, 187; bekend als Rert of Rerert; geïdentificeerd met Isis, Hathor, Bast, 187; haar beeltenis in faience, geliefkoosde amulet, 187; weg naar den Hades en, 187; populariteit gedurende het Nieuwe Rijk, 187; de nijlpaard-godin, 314.
Taut. Horus het Kind, de dood en rechters van de, 104.
Tchabu. Vermeld in een hymne ter eere van Hapi, 184.
Tcheser. Derde koning der derde dynastie; zoekt de hulp van Khnemu, 165, 166.
Tefnut. Kind van Nu, 16; gevolgd door het oog van Nu, 16; vader van verschillende goden, 17; voorstelling der vochtigheid, 17; een van het eerste gezelschap der goden, 20; vermelding van, 178; godin, aan het hof van Amen-Ra, 263.
Tehuti-em-heb. Schrijver, uitgezonden om de dochter van den vorst van Bekhten te genezen, 191.
Tehuti-nekht. Zoon van Asri, slaaf van den rentmeester Meruitensa, 236; geschiedenis van den boer en, 236–240.
Teka, Heerscheres van. Pseudonym voor de zon, indien zij hoog in het Zuiden staat, 176.
Tell-el-Amarna. Systeem van wateraanvoer, gevonden te, 47; overblijfselen van huizen te, 48; Amen-hetep IV bouwde hoofdstad, gewijd aan Aten, te, 170.
Tem. Hoofd van het eerste gezelschap der goden, 20; naam verbonden met die van Ra, 20; Harmachis vertelt zijn gelijkheid met die van, 92; vermeld in het Boek der Dooden, 128; andere naam voor Atmu, 128; of Atem, 146; oorspronkelijk plaatselijk god van Heliopolis, 146; een van de gestalten van Ra, 146; god van de opkomende zon, 161; de heerscher van Heliopolis, de groote god; Piomi zweert bij, 258.
Tempels. Van koningin Hatshepsut, 265; Egyptenaar verlangde opheldering in, 292; Egyptische; voorstellingen van Bes in de “Geboortehuizen” in, 301; afbeeldingen van Bes in Hatshepsut’s, 301; apen gehouden in, 315; tijd van bouw der, in Egypte, 326; van Denderah, Edfu, Kom Ombo, Philae, etc., 326; Ptolemaeus en, 326; aangaande de van Kom-es-Sagha, 338; van Isis te Philae, 342.
Tenen. Ptah en, 158; verbonden met Ptah, 158.
Tenu, Boven. Vermelding van, 205.
Teta. Pyramiden-teksten van, 19; verschillende goden, vermeld in teksten van, 19; Maspéro en pyramide van, 122; oorspronkelijke teksten in de Heliopolitaansche recensie in de pyramide van, 122; Ptah vermeld in de pyramiden-tekst van, 155.
Tezcatlipoca. Mexicaansche god; vermelding van, 89.
Thalu. Horus strijdt te, 98.
Thebaansche Recensie. Vult de namen der goden aan, 2; andere naam voor het Boek der Dooden, 2; vermelding van, 122, 155; geschreven op papyri en geschilderd op lijkkisten in hieroglyphen, 122; bijzonderheden der Rietvelden in, 124; god Saa vermeld in, 193.
Thebe. Ruïnes van, 49; titel van een priester te, 59; priestercollege te, 60; Pamyles en geboorte van Osiris te, 72; tempel van Amen-Ra te, 141; vermelding van vorsten en priesters te, 149; een van de centra van Amen-Ra te, 149; tempel van Mut te, 169; obelisk ter eere van Ra-Harmachis van, 170; Hathor van, 181; Apet van, 187; tempel van Khonsu te, 188; vermelding van, 191; Minnemai, vorst van Eupuantine, zoon van Ierharerou, komt van, 262; heiligdom gebouwd voor Anthat te, 296; vromen baden tot Qetesh om een goede begraafplaats ten W. van, 299; krokodillen gehouden voor heilig te, 310; aap van Khensu te, 315; priesters van Amen, heerschers te, 320; Amen voorgesteld te, door een Goddelijke vrouw, 321; halfgoden, Imhotep en Amenophis, vereerd te, 325; priesteressen te, gewijd aan den dienst van Amen, 326; Memnon-zuilen te, 339.
Thinitische Periode. Zie Periode.
Thoth. Voorstelling van, 13, 115; feest van, 63; Nut roept te hulp, 71; vloek van Ra en, 71; Grieksche Hermes, 71; vermelding van, 82, 86, 114, 159, 161, 162, 194; Horus zoekt de hulp van, 96; ziet toe op den strijd tusschen Horus en Set en zijn bondgenooten, 97; mythe van, 114; geboorte gelijktijdig met die van Ra; Hermopolis voornaamste plaats van vereering, 115; andere naam Tehuti, 116; oorspronkelijk een maangold, 116; zielerechter, 116; geheim van het succes in gebed en, 116; zijn tooverformule om de poorten der Duat te openen, 118; men geloofde, dat hij de schrijver van het Boek der Dooden en het Boek der Ademhalingen was, 117; godin Maät en Grieksche naam Trismegistos of Hermes de 3 maal groote, 117; Boeken van, 42 in getal, 117; vermeld in het Boek der Dooden, 129; schrijver der goden, 128; hielp Maät in verband met den loop van Ra, 141; uitgelaten feesten in de maand van, 181; Khonsu en, 188; Dedi en huis van, 215; Setne ziet, gezeten op den troon met Osiris en Anubis, 225; wijst Amen-Ra den weg naar de kamer van koningin Aahmes, 263, 264; bibliotheek van tooverboeken, geschreven door, 284; aap met den kop van een hond op de Oordeels-scene, die het resultaat van het wegen opschrijft, 315; de ibis verbonden met, 316; de heilige boom van Heliopolis en, 348.
Thothmes. Legende van een Sphinx, 93; droomt dat de Sphinx spreekt, 93.
Thothmes III. Koning van Egypte (18e dynastie), de vorst van Joppe staat tegen hem op, 266; Thoutii biedt aan den vorst van Joppe te dooden voor, 266, 267; Anthat-heiligdom en, 297; vereering van Ashtoreth en, 297.
Thothmes IV. Vereering van Ra-Harmachis en, 169.
Thoutii. Een Egyptisch officier, 266; geschiedenis aangaande de stad Joppe, 266–269; geschiedenis van de inname der stad Joppe werd beschreven in den Harris-Papyrus, 265; Joppe en de list van, 267, 268; Duizend en één nacht en, 265; geschiedenis van, ontdekt door Goodwin, 265; doodt den vorst van Joppe, 268.
Thracië. Grieksche Hecate, ingevoerd uit, 188.
Thuau. Moeder van Tyi, 169.
Tiamat. Assyrisch monster tegenhanger van Apen, 142; gedood door Marduk, 142.
Tijd. Bepaalde goden stonden aan het hoofd van bepaalde vakken, 291.
Times. Vermelding van een artikel in de, over de Popol Vuh, 144.
Timotheus De Tolk. Het Serapisbeeld en, 328.
Tnahsit. Moeder van Horus, 230, 233.
Toekomstig Leven, 290.
Toovenaar(S). Verhaal van de, 222; geen, opwegende tegen Se-Osiris in Memphis, 226; Pharaoh Ousimares opper-, 233; strijd in betoovering tusschen Horus en Pharaoh’s opper-, 234; bedwingen der goden door, 274.
Tooverspreuken. De Harris-papyrus bevat verscheidene, 280; het gebruik van, algemeen, 282; goden aangeroepen in verband met, 282; Nefer-ka-Ptah copieert de, in Thoth’s Bibliotheek der Tooverboeken, 284; in het Boek der Dooden, stelden de gestorvenen in staat zichzelf te veranderen, 289.
Torrent. Van Portugal, oude romance van, 220.
Toscane. Gouvernement van, 43.
Totemistische. Oorsprong van verschillende Egyptische goden, 290.
Totemisme. Definitie van, 9.
Trismegistos. Grieksche naam voor Thoth, 117.
Trochoïdes. Beschreven door Herodotus, 62.
Tuamutef. De jakhals, op Canopische kruiken, 33; een van de vier helpers van Horus, 104.
Tuat. Duistere hallen van de, 32.
Turijn. Egyptische oudheden gebracht naar, 43; papyrus van, 120; fabel in het museum te, 209, 210.
Tushratta. Koning der Mitanni; vermelding van Ashtoreth in brief van, 297.
Twaalfde Dynastie. Pyramidenbouw eindigt met de, 28; tijd der, 41; tempel gebouwd ter eere van Amen gedurende de, 149; Khnemu en inscripties volgende op den tijd der, 164; verhalen, brieven, enz. der, 196; eerste koning der, 204; verhaal van, in de Hermitage Collectie te Petrograd, 205.
Tweede Dynastie. Vermelding van een basrelief der, 121; Boek der Dooden in zwang in de, 122; vermelding van, 155.
Twintigste, Een en, Dynastie. Mummificatie gedurende de, 31; de dynastie der priesterkoningen, 151; hieratische payri der, 196.
Twee En Twintigste Dynastie. Vereering van Set, gedurende de, III, vermelding der, 157.
Tyi of Thi. Vrouw van Amen-hetep III, 169.
Typhon. Grieksche naam voor Set, 72; vindt het lijk van Osiris, 76; vermelding van, 106, 109; andere naam Typho, 111; verwensching van, 111; leek op den ezel, 116.
Tyrus. Ounamounou, hoogepriester van Amen-Ra bereikt, 249.
U.
Uag. Feest van, 63.
Uazet. Horus wordt gediend door, de godin, 97, 98; voorstelling van, 101.
Uba-aner. Hoofdfiguur in de toovergeschiedenis verteld door Khafra aan zijn vader Khufu, 212, 213.
Udymu. Andere naam voor Den en Hesepti; 5e koning der 1e dynastie, 69.
Uitspraak. Juiste (Maa Kheru), 279.
Uki-yo-e School, De. Vermelding der groote Japansche kunstenaars der, 332.
Unas. Godennamen van het Kleine Gezelschap, gegeven in den tekst van, 20; vermelding van, 22; Pyramidenteksten van, 25; geen tekst beschouwt het Boek der Dooden als een geheel onder de regeering van, 122; sommige teksten identisch met die van Teta; de Pyramide van, bevat oorspronkelijke teksten uit de Heliopolitaansche Recensie, 122; vermelding van een inscriptie van koning, 163; eerste vermelding van Hapi in den tekst van, 182.
Upper Darling. Inboorlingen van, 13.
Upuaut. Helpt Anubis bij het wijzen van den weg aan de zielen der gestorvenen door de onderwereld; personificatie van den winterzonnestilstand, 114; naam beteekent; opener van de wegen, 114; andere naam Ap-uat, 114.
Ur Ma. Onderscheidingstitel voor een priester, 159.
Urnes. Tweede gedeelte der Duat, 126.
Usahorresnet. Kambyses’ geneesheer, 325.
User-kaf. Eerste koning der 5e dynastie, hoogepriester van Ra, 220.
User-ref. Een van de drie kinderen van Rud-didet, 219; naam van den eersten koning der 5e dynastie en, 219.
Usert. Als godin der vruchtbare aarde werd Isis genaamd, 92.
Ushabti-beeldjes. Begraven met de gestorvenen, 322.
Utchats. Oogen van Ra; hun symbolische beteekenis, 114.
Utennu. Hemelsche wezens, 136.
V.
Vallei der Acacia’s. Bitou gaat naar de, 241.
Vampier. De idee over den, van grooten ouderdom; voorgesteld als een spook, 291; tooverspreuk tegen, in onze dagen op het Balkan-schiereiland, 291.
Veld der Graangoden. Osiris in het, 127.
Venus. Vermelding van, 110; Osiris, god van, 194.
Verdrijver van Demonen. Titel aan Khonsu gegeven, 192.
Vereering, Boom- en steen-, beschouwd als woonplaats van een god, 300; vereering van heilige, in Egypte, 317–320; Wiedemann en vereering van, 318, 319; de oude heilige, in de Groote Hal te Heliopolis, 318; Thoth en de godin Safekht en de heilige, 318; de palmboom, symbool van Safekht, 319; de sycamore, gewijd aan Nut en Hathor, 319; de Memphitische Hathor genoemd de meesteres van de sycamore, 319; de Nijl-acacia vereerd in 24 nomen, 319; de Corda myxa; de Zizyphus Spina Christi, de Juniperus Phoenica, de Tamarisk Nilotica, 319; iedere tempel had zijn heiligen boom, 319.
Vernietiger van het Westen. Een monster, beschermer van Osiris, 128.
Verwisseling, Dier-, 289–291; vermelding van Dr. Budge’s “Egyptian Magic” en, 289; tooverspreuken in het Boek der Dooden, welke de gestorvenen in staat stellen zich te veranderen, 289.
Vesta. Vermelding van, 110.
Vierde Dynastie. Pyramidenbouw en, 28; scarabaeën dateerende uit de, 147; inscripties in de taal der, 196; vermelding van, 198, 219.
Virginia. Powhatans van, 6.
Visioen. Se-Osiris laat Setne een visioen zien van de goden van Amenti, 224–227.
Visschen. Betoovering van, 284.
Vijfde Dynastie. Periode der, 19; Egyptisch pantheon en, 22; priesters van Ra, 141; Amen, god van Egypte gedurende de, 146; inscripties in de taal der, 196; drie zonen van Rud-didet regeerden gedurende de, 219.
Vijf en Twintigste Dynastie. Contracten gevonden uit de, 53; Demotisch dialect nagespoord tot, 197.
Vlam der Zon, toegesproken als een persoon, 8.
Vorst, De. Werk van Machiavelli, 201.
Vrouw, Goddelijke. Amen voorgesteld door een, 321.
Vulcanus. Romeinen identificeerden Ptah met, 155; Setnau, priester van, 234; tempel van, 235.
W.
Waite, A.E. Vermelding van zijn “Hidden Church of the Holy Grail”, 289.
Weerwolf. Idee over, onbekend in het Oude Egypte, 291.
Werkman. De Boer en de; geschiedenis, 235–240; zoon van Asri, 236.
West-Aziatische invallers; geschiedenis van, verbonden met de legende van Horus, 102.
Westcar-papyrus. Bevattende een tooververhaal, 212, 213.
Westersche wateren van Mert. Horus overwint de bondgenooten van Set bij de, 97.
Wiedemann. Aanhaling van, 14; Bes afgeleid van Besa, volgens, 301; vereering van heilige boomen, 318.
Wolf, De. Vereerd te Lycopolis, 314.
X.
Xpi-ya-coc en Xmucane. Oude slangen, 15.
Xquiq. Dochter van den heerscher der onderwereld, 131.
Y.
York. Serapisvereering in, 308.
Young. Hielp bij het ontcijferen van den steen van Rosette, 200.
Z.
Zaal-aer. De groote god Iphphon en, aangeroepen in een tooverspreuk, 283; de Joodsche naam Ablanathanalb, Abrasiloa, 283.
Zaczini. Een van de vier godheden der oude Maya, 33; andere naam Ix, 33.
Zakkala. Dora, stad van; Badil, vorst van; Ounamounou komt aan te, 249; vaartuigen gezonden om Ounamounou te beletten in Egypte te komen, 252.
Zazamankh. Oppervoorlezer en schrijver aan het hof van Seneferu, 214.
Zeeman. Geschiedenis van den, die schipbreuk leed, 205–208.
Zesde Dynastie. Egyptisch pantheon en de, 22; Boek der Dooden en, 122; macht van de priesters van Ra op het einde der, 144; inscripties in de taal der, 196.
Zes En Twintigste Dynastie Periode der, 119; vermelding van de, 123; Demotische vorm van schrift in gebruik ten tijde der, 187.
Zeus. Amen geïdentificeerd met 327.
Zeven Hathors, De. Uitgelezen gestalte van de godin Hathor, 181; Bitou’s vrouw en, 241.
Zeven Wijzen. Geboren uit de godin Mehurt, namen de gestalten van zeven havikken aan, 158; tezamen met Thoth hielden zij het toezicht op het leeren en de letters, 159.
Zielen. Der Dooden, overgeleverd aan Amait of Seker-Osiris, 225, 226; prae-historische logica en bestemming der, 272, 273; Herodotus en de verhuizing der, 323.