De Ka.
De gestorvene was eigenlijk voor het bestaan in de onderwereld aan de genade van de levenden overgeleverd. Indien zijn nabestaanden niet doorgingen met offers te brengen, dan was hij inderdaad in een ellendigen toestand, want zijn ka moest in dat geval sterven. Deze ka was zijn dubbelganger en kwam op hetzelfde tijdstip als hij op de wereld.
De ka moet scherp onderscheiden worden van de ba, of ziel, welke gewoonlijk na den dood van hem, die haar bezat, de gedaante van een vogel aannam en zij was inderdaad in staat de gedaante aan te nemen, welke zij wenschte, indien de begrafenisplechtigheden correct in acht genomen waren.
Sommige Egyptologen zien in de ka een bijzondere, actieve kracht, welke het menschelijk wezen met leven vervult en zien hierin een equivalent met de Hebreeuwsche uitdrukking voor “geest”, in onderscheid met “ziel”. In het boek Genesis hooren wij, dat God den levensadem in den mensch blies en hij leefde. Op gelijke wijze legde de God der Egyptenaren zijn arm achter de oergoden en terstond kwam zijn ka over hen en zij leefden.
Als de mensch stierf, verliet zijn ka het lichaam, maar hield toch niet op hierin belang te stellen en bij gelegenheid bezielde hij het weer. Het was voor de ka, dat de Egyptische graven zoo goed voorzien waren van eten en drinken en alle noodzakelijke behoeften, om niet te zeggen weelde, voor het bestaan.
De Ba.
De ba bleef niet, zooals we reeds zagen, bij het lichaam, maar nam na den dood vleugels aan. Onder onbeschaafde volken—b.v. de inboorlingen van Amerika—heerscht dikwijls de opvatting, dat de ziel de gedaante en eigenschappen van een vogel bezit. Het gemak, waarmede de vogel zich door het onmetelijk luchtruim voortbeweegt, zijn vermogen om te vliegen, hetwelk men niet begrijpt, zijn geheimzinnig gezang, zijn verwantschap met den hemel zijn oorzaak, dat hij tegelijk een vreemd en benijdenswaardig wezen is.
Zulk een vrijheid, aldus redeneeren primitieve menschen, moet de bevrijde ziel hebben, wanneer zij niet meer gekluisterd is aan het lichaam, dat haar belemmert. Evenzoo moeten goden en geesten van vleugels voorzien zijn en zoo zal het met hem zelf zijn gesteld, hoopt hij, wanneer hij zijn sterfelijk omhulsel heeft afgeschud en op vleugels naar de hemelsche woningen zal opstijgen.
Zoo gelooven de Bororos van Brazilië, dat de ziel de gestalte van een vogel bezit. De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia koesteren het geloof, dat de ziel in een ei huist, dat zich in den nek bevindt en dat bij den dood het ei wordt geopend en de vogel, door dat ei uitgebroed, wegvliegt.
Uit de Boheemsche folklore leert men, dat men onder het volk zich de ziel als een witten vogel voorstelt. De Maleiers en Battakkers van Sumatra beelden het onsterfelijk deel van den mensch eveneens in de gestalte van een vogel af, zoo ook de inboorlingen van Java en Borneo. Wij zien dus, dat de Egyptische opvatting in verschillende landen haars gelijke heeft. Nergens echter vinden wij een zoo diep gevestigd geloof, dat zich gedurende een onafgebroken tijdperk heeft staande gehouden, als in het Nijldal.
Geen enkel volk heeft zooveel gewicht gehecht aan de vereering der dooden, noch dezen in zoo hoog aanzien gehouden, als de Egyptenaren. Wij overdrijven niet, indien wij zeggen, dat het leven van een Egyptenaar, tenminste van een, die tot de hoogere standen behoorde, een voortdurende voorbereiding tot den dood was. Het is echter waarschijnlijk, dat hij, door de kracht der gewoonte en omgeving, zich van deze omstandigheid niet bewust was. Het is gevaarlijk een stelling op te werpen met betrekking tot een geheel volk. Doch indien ooit eenig volk het leven beschouwde zuiver en alleen als een oefenschool, of voorbereiding tot de eeuwigheid, dan was het zeker wel dit geheimzinnige en bekoorlijke menschenras, waarvan de uitgestrekte ruïnes de oevers van de oudste rivier van de wereld bedekken en als het ware met minachting neerzien op de minder majestueuze ondernemingen van een beschaving, welke zich van het tooneel van hun myriaden verwonderlijke dooden heeft meester gemaakt.
1 Eenige mythologen spreken ook nog over een vorm van geloof, welke door hen wordt aangeduid met den naam van prae-animistisch. Deze vormen zijn echter niet voldoende gedefinieerd, om ze tot een bepaalde klasse te brengen. Zie Marett, “The Threshold of Religion”.
2 Zie: K. von den Steinea, Unter den Naturvölker Zentral-Brasiliens (Berlijn 1894).
3 Zie: Myths and Legends of the North American Indians, pag. 87.
4 Zie: Handbook of North American Indians, bij hoofdstuk: Cheyenne.
5 Zooals dit voorkomt bij verschillende primitieve bovennatuurlijke wezens over de geheele wereld.
6 Dit is een eigenaardigheid van vele watergoden in Amerika en Australië (verg. Lang. Myth, Rutual and Religion (deel I, pag. 43).
7 Zie: Gomme, Ethnology in Folklore.
8 Men vergelijke hiervoor Lang “The Making of Religion” en “The New Mythology”.
9 Zie H. de Charency, Le Mythe de Votan, pag. 39. Er is slechts weinig grond voor het laatste gedeelte van deze bewering. De bacabs werden zuiver geïdentificeerd met de chach, of regengoden.
10 Zie L. Spence, Myths of Mexico and Peru.
Onderzoekingen, geschiedenis en gebruiken.
Het Nijldal.
De rivier de Nijl is de oorzaak van het speciale karakter van Egypte en onderscheidt het van de overige deelen van de Sahara. Bij zijn jaarlijksche overstrooming laat deze rivier rijkelijk slib achter, dat de vruchtbare vlakten aan beide oevers vormt, welke zulk een contrast vormen met de eentonige, bruine woestijn.
Oostelijk en Westelijk van den Nijl strekken zich groote woestijnen uit, hier en daar door groene oases onderbroken en terwijl het landschap, in het algemeen genomen, te eentonig is om interessant te zijn, vertoont de Delta zelf den aanblik van een rijkelijk bebouwde vlakte, bezaaid met de hooge, sombere en donkere wallen van oude steden en dorpen, omzoomd door palmboomen.
In Boven-Egypte is het Nijldal nauw en ingesloten door tamelijk hooge bergen, welke echter nergens in bergspitsen uitloopen. Soms naderen dezen de rivier in den vorm van voorgebergten en worden door de beddingen van oude stroompjes verdeeld. Dezen zijn vrij schilderachtig, doch overigens is het landschap niet bekoorlijk voor de oogen. Wel echter wat de kleur betreft. “Het heldere groen van de velden, de roodachtig bruine of de donkergroene kleur van de groote rivier, welke een contrast vormt met de kale, gele rotsen, onder een schitterend zonlicht en een helder blauwen hemel, bieden een schoon aspect aan”.
Oorsprong van het ras.
De quaestie van de oorsprong van het ras bij de bevolking van het oude Egypte is een van de meest ingewikkelden. In graven en andere oude overblijfselen der beschaving vinden wij sporen van verschillende rassen, welke op verschillende tijdstippen in het land kwamen, doch deze data van vestiging zijn zoo gebrekkig, dat het zeer gevaarlijk zou zijn, hierover te generaliseeren. Volgens professor Sergi uit Rome, de grondlegger van de theorie, dat een groote beschaafde tak in een vroeg tijdperk aan de Zuidelijke kusten der Middellandsche Zee ontstond, behoorden de oude Egyptenaren tot den Oostelijken tak van dit ras, tezamen met Nubiërs, Abessiniërs, Galla, Masai en Somalis. Het bewijs der taal is vaag, want hierbij zou het, evenals in andere gevallen, slechts met het oog op beschaving in aanmerking kunnen komen.
Een andere theorie neemt aan, dat het Nijldal in oude tijden bevolkt was door een dwergenvolk, doch dat dit uit zijn bezit is verdreven door volken, die aan de Middellandsche Zee woonden. De theorie, dat volken aan de Middellandsche Zee Egypte direct vanuit hun oorspronkelijke woonplaatsen binnenvielen, is lijnrecht in strijd met de andere opvatting, welke het land in oude tijden laat bewonen door een volk, dat zich bezighield met bewerking van steenen en dat uit Palestina afkomstig zou zijn.
Indien men de tijdrekening nauwkeurig beschouwt, zal het blijken, dat dit volken waren, aan de Middellandsche Zee wonende, welke reeds lang ervaren waren in het bewerken van steen, daar dit materiaal in ruime mate bij hen aanwezig was.
Waarschijnlijk volgden hierna successievelijk invasies uit het Oosten en Arabië en de landen daaraan grenzend en vandaar kwam een volk, aan de Babyloniërs verwant, en met hun beschaving vertrouwd, welke zij in een gemeenschappelijke woonplaats met dezen hadden gedeeld, doch dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld.
Dezen gaven hun Semitische woordenschat aan de Hamitische syntaxis van het volk, dat zij in het Nijldal vonden. Hoewel zij de taal hervormden, slaagden zij er slechts gedeeltelijk in den godsdienst te wijzigen, daar deze voor het grootste gedeelte van het Osiris-type bleef, doch zich ook met de vereering van Horus, in de gedaante van een havik, vermengde, welke door de vreemdelingen was ingevoerd. Eveneens ontbreekt het niet aan hen, die meenen, dat deze immigranten uit Arabië Hamieten waren, die reeds een grooten trap van beschaving bereikt hadden. Dezen zouden door Semitische horden vanuit het Noorden in het nauw zijn gebracht, de Roode Zee zijn overgestoken en zich eerst in Berenice gevestigd hebben.
De Egyptenaren, tot de dynastie behoorend, zijn Hamieten, een omstandigheid, welke dit laatste gezichtspunt kracht schijnt bij te zetten en tevens verschillen zij in type niet veel van de tegenwoordige Galla, doch hadden wellicht proto-Semitische elementen1; men stelt zich voor, dat zij zich geconcentreerd hebben in de nauwe en vruchtbare strook langs de oevers van den Nijl.
De geschiedenis der dynastieën van het oude Egypte strekt zich op zijn minst over een periode van meer dan 3000 jaren uit. Met het oog op chronologische moeilijkheden, vond men het geschikt het dynastieke systeem, dat door Manetho, een Egyptischen priester, die in de 3e eeuw v.C. leefde, uitgedacht werd, te aanvaarden.
Manetho nu verdeelde de Egyptische geschiedenis in 31 dynastieën en hiervan vullen 26 den tijd tusschen Mena en de Perzische verovering, terwijl de overige de periode der Perzische, Helleensche en Romeinsche suprematie vullen. Met de Perzische overheersching echter begint de ontbinding van het Egyptische rijk en eigenlijk eindigt op dit tijdstip de Egyptische geschiedenis.
Hoewel Manetho’s dynastieke indeeling door moderne Egyptologen is aanvaard, wordt zijn chronologie niet zoo algemeen aangenomen, hoewel deze door één authoriteit op dit gebied, professor Flinders Petrie, wordt ondersteund.
Tegenwoordig is de opvatting overheerschend de minimum chronologie te aanvaarden, welke bekend is onder den naam van Berlijnsche school; deze plaatst Mena’s verovering op 3400 v.C. en de 12e dynastie op ongeveer 2000 v.C., terwijl de opvatting van professor Petrie, welke minder algemeen wordt aangenomen, deze gebeurtenissen stelt op respectievelijk 5500 v.C. en 3400 v.C.
Het is gebruikelijk de verschillende dynastieën in drie perioden te verdeelen, n.l. het Oude Rijk, omvattende de 1e-8e dynastie, het Midden-Rijk, omvattende de 9e–18e dynastie, en het Nieuwe Rijk, loopende van de 18e–26e dynastie.
Deze verdeelingen echter vullen geen enkele onderbreking in den loop der Egyptische geschiedenis, doch worden alleen uit gewoonte gebruikt.
De volgende tafel geeft een vergelijking te zien tusschen het systeem van dateering, dat bij hen, die de Egyptische geschiedenis bestudeeren, in zwang is, overeenkomstig professor Petrie en de Berlijnsche school, door professor Breasted voorgestaan:
Onderzoekingen van Egypte.
Egypte met haar grootsche ruïnes, in duisternis en geheimzinnigheid gehuld, prikkelde sinds langen tijd de nieuwsgierigheid van den reiziger; de overleveringen immers over een hoogstaande beschaving, over haar godsdienst, bestuur en beschaving, leefden in de herinnering der menschen voort en daar heeft de mensch uit tempels, pyramiden, paleizen en steden daadwerkelijke bewijzen over het bestaan van dat oude koninkrijk gezocht en gevonden.
En niet alleen is de geschiedenis van Egypte voor de moderne wereld ontsluierd, doch tevens is die van andere volken en machten opgespoord; onder dezen van Perzië, Griekenland en Rome.
Het oudste voorbeeld voor de verzameling van Egyptische oudheden in Engeland is van het jaar 1863, toen een waardevolle zuil, welke tot het Oude Rijk behoorde, uit Saqquara werd overgebracht en aan het Ashmolean Museum te Oxford ten geschenke werd aangeboden, terwijl in de 18e eeuw een poging werd gedaan de Egyptische ruïnes te beschrijven en de ligging van eenige steden, door klassieke schrijvers vermeid, vast te stellen.
In 1798 vergezelde een wetenschappelijke commissie de militaire expeditie van Napoleon tegen Egypte en veel waardevolle arbeid is door deze geleerden volvoerd en het resultaat hiervan vult verscheidene deelen van de “Description de l’Egypte”, terwijl de groote verzameling van oudheden, door hen bijeengebracht, w.o. de bekende steen van Rosette, welke de sleutel bleek te bevatten van het geheim der Egyptische hieroglyphen, in het jaar 1801 in Britsch bezit kwam.
In dit jaar, onder Mehemet Ali, werd Egypte voor Europeanen opengesteld en vanaf dien tijd werd een groot aantal oudheden aan dat land onttrokken en vond zijn weg naar de Europeesche verzamelingen en musea, voornamelijk het Britsch Museum, en de musea te Leiden, Berlijn en Turijn. De uitgebreidste verzameling van Egyptische voorwerpen bevindt zich te Caïro.
Oudste onderzoekingen.
In 1821 vond de ontcijfering van de Steen van Rosette, door Champollion, plaats en dit feit was een nieuwe aansporing voor onderzoek en verzameling. Champollion zelf, tezamen met Rosellini, werd door de gouvernementen van Frankrijk en Toscane voor een expeditie naar Egypte uitgezonden en veel werd gedaan door het copieeren van zuilen en inscriptie’s.
De regeering van Pruisen echter nam in het jaar 1842 het initiatief tot een grootere onderneming, onder Lepsius, en deze strekte haar onderzoekingen tot Nubië en Khartoum uit en verder tot Syrië en Palestina. Deze expeditie, met haar wetenschappelijke methode, leverde een kostbaar resultaat op.
De officieele bescherming der oude monumenten en ruïnes, tegen de exploitatie door opkoopers, of vernieling door vandalen, werd het eerst door Mehemet Ali ter hand genomen; deze benoemde Mariette tot dezen moeilijken post en onder zijn verstandig en kundig beheer werd veel waardevols tot stand gebracht. Dit is onder de Britsche souvereiniteit tot ontwikkeling gekomen.
De oude bouwterreinen worden door het Gouvernement gehuurd en de Oudheidkundige Dienst beschikt over een ruime jaarlijksche subsidie en heeft vele Europeanen en inboorlingen tot haar beschikking. Alle provincies ressorteeren onder haar en geen opgravingen zijn zonder haar toestemming geoorloofd en dezen worden alleen aan verantwoordelijke personen toegestaan en wel onder deze voorwaarde, dat de helft van de te vinden voorwerpen het eigendom zullen worden van het Egyptisch Gouvernement, terwijl de vinders de andere helft mogen behouden.
Sir Gaston Maspero, directeur van het Museum te Caïro, heeft veel tot de volmaking der Egyptische archaeologie bijgedragen.
Reeds in het jaar 1862 zag de Schotsche archaeoloog Rhind de noodzakelijkheid in tot een bepaald wetenschappelijk systeem van opgraven te geraken, indien men werkelijk waardevolle resultaten wilde verkrijgen, en hij beklaagde zich over het gebrek aan zulke methodes in zijn tijd. In 1883 werd van dit systeem van onderzoek te Tanis, onder professor Flinder Petrie, het eerst gebruik gemaakt. Ieder voorwerp, hetzij groot of klein, hetwelk men bij het ontgraven van een tempel, stad of graf vond, werd bij een verzameling gevoegd en verklaard, om zijn aandeel in het bewijsmateriaal aan te brengen. Deze methode geeft aan elk voorwerp zijn waarde.
De aandacht is niet alleen op één gebied geconcentreerd, sinds niets vernield of verloren is gegaan en de kennis van de kunsten en nijverheid, de gebruiken, de literatuur en de godsdienst van het oude Egypte is langzaam bijeengebracht en alles neemt de hem passende plaats in de geschiedenis, welke voor ons ontvouwd wordt, in.
Veel van het mysterieuse, dat over Egypte hing, is verdwenen, doch de betoovering, welke zij in het verleden uitoefende, is bijna even groot als ooit te voren. Deze is niet door de meer inwendige kennis van haar oude beschaving verminderd, maar integendeel honderdvoudig vergroot.
Het stilzwijgen van vele eeuwen is verbroken, de hieroglyphen hebben haar geschiedenis aan den modernen mensch verteld en deze luistert met steeds grootere belangstelling naar de stem van het verledene. Het zand der woestijn is weggevaagd en oude bouwwerken staan opnieuw in het zonlicht te schitteren en geven hun geheimen, welke eeuwen lang bedekt waren, prijs.
De graven vertellen voor de zooveelste maal van verdriet over den dood en de eeuwenoude verlangens der menschen. Nog afgezien van de letterkundige overblijfselen, papyri en inscripties is het materiaal onmetelijk groot. De oude topographie van het land is door de overblijfselen van wegen, kanalen, steengroeven en mijnen bekend geworden.
De platte gronden der steden met haar tempels, versterkingen en particuliere woningen zijn uitvoerig besproken, zoodat de getuigenis van den bouw, tot de decoratieve teekeningen der kunstenaars toe, bijna geheel compleet zijn. De plattegrond van iedere stad is, over het algemeen genomen, bijna dezelfde als van verscheidene, welke tot verschillende tijdvakken behooren; men hoogde de ruïnes van oude bouwwerken op en de nieuwe gebouwen begonnen verscheidene voeten hooger.
Deze aldus gevormde ophoogingen zijn somtijds 80 of 90 voet hoog. Deze fundeeringen schrikten de Egyptische architecten er niet van af hooge gebouwen er op te plaatsen, zooals bijvoorbeeld die in Memphis, want in verscheidene steden bestaan nog heden muren van 30 of 40 voet hoog. Om dezen te dragen werden zij aan den voet dikker gemaakt en het fundament weder versterkt.
Onder de ruïnes van kalksteen, van huizen afkomstig, vindt men soms stukken zandsteen, graniet en albast, uit tempelruïnes aangesleept en dit bewijst, dat de Egyptenaren uit die lang vervlogen dagen precies hetzelfde deden als hun nakomelingen en de verwaarloosde en ineengestorte monumenten van hun steen beroofden.
Plattegrond der steden.
De plattegrond van een uitgegraven stad toont ons, dat de huizen om een tempel en diens vierkanten bouw zijn samengebracht.
Deze diende als versterking en tot toevluchtsoord voor het geval, dat de stad werd aangevallen. De plattegrond van steden, in een bepaalde periode gebouwd, was gewoonlijk voorzien van breede geplaveide straten, welke rechte hoeken vormden en voorzien waren van steenen goten, om het water af te voeren. De gebouwen werden op een vaste lijn geschikt.
In steden echter, welke het product van verschillende eeuwen vormen, vindt men een zeer groote onregelmatigheid. Men ziet er huizen in een doolhof van donkere lanen en donkere, nauwe straten. Over het algemeen vindt men in iedere straat een plein, door wilde vijgeboomen beschaduwd, dat men twee- of driemaal per maand voor marktplaats gebruikte.
De armere klassen waren in hutten gevestigd, gewoonlijk niet meer dan 12 of 16 voet in lengte, en weinig beter dan de hutten der fellahs van heden ten dage. De huizen der middenklasse, van winkeliers, lagere beambten en hoogere bedienden hadden een beter aanzien, maar waren vrij klein.
Gewoonlijk bevatten zij een half dozijn kamers en sommigen waren twee of drie verdiepingen hoog, terwijl nauwe binnenplaatsen hen van de straat afscheidden; vaker echter grensde het huis direct aan de straat en werd met drie zijden om een binnenplaats gebouwd.
Men heeft veelvuldige bewijzen, dat zeer zorgvuldige hygiënische toestanden in het oude Egypte bekend waren, want zelfs vrij armoedige huizen in Kahûn kunnen zich op een steenen regenbak beroemen en deze weelde was algemeen, uitgezonderd bij de allerarmsten. In Tell el Amarna heeft men in een huis van een aanzienlijk beambte, tot de 18e dynastie behoorende, een mooi bewerkt bad en een kunstig systeem om het water aan te voeren, ontdekt.
De inrichting van het gewone huis was ongeveer dezelfde als in het Oosten van onze dagen; de benedenverdieping bevatte bergplaatsen, schuren en stallen; de daarop volgende verdieping diende om er in te huizen en te slapen; het dak om er zomers te rusten, terwijl de vrouwen hier ook babbelden en kookten. Een trap, welke zich aan de buitenzijde van het huis bevond, nauw en zeer steil, leidde naar de bovenvertrekken. Dezen waren langwerpig van vorm en de deur alleen diende voor ventilatie en verlichting. Soms werden de muren bij wijze van versiering met wit bestreken, met rood en geel versierd, of met huiselijke tafereelen beschilderd.
Paleizen en heerenhuizen.
De paleizen en heerenhuizen stonden gewoonlijk in het midden van een tuin of hof, met boomen beplant, en omringd door muren, van schietgaten voorzien, alleen door een ingang onderbroken, welke dikwijls de maatschappelijke hooge positie der familie aantoonde. Soms vond men een gaanderij, door zuilen geschraagd, en met standbeelden versierd; bij andere een staatsiepoort, gelijkend op die, welke men bij den ingang van tempels aantreft.
“Het inwendige”, aldus zegt Maspero, “geleek bijna altijd op een kleine stad, in kwartieren verdeeld door onregelmatige muren. In sommige gevallen stond het woonhuis op een meer afgelegen afstand, terwijl de graanschuren, stallen en kantoren der bedienden over verschillende deelen van de afgesloten ruimte waren verdeeld”.
Schilderingen en plattegronden op de muren van graven aangetroffen, de overblijfselen van huizen te Tell el Amarna en van het paleis van Akhenaten, hebben nog een nadere aanvulling gebracht in de details, welke ons kunnen onderrichten. De schilderachtige plattegrond van een Thebaansch huis, half paleis, half villa, wordt door Maspero aldus beschreven.
“De ingesloten ruimte is rechthoekig en omgeven door een muur, van schietgaten voorzien. De hoofdingang komt uit op een weg, door boomen beplant, langs een kanaal, of een Nijlarm.
De tuin wordt symmetrisch verdeeld door lage, steenen muren. In het midden bevindt zich een groot traliewerk, gestut door vier rijen kleine zuilen; aan den rechter- en linkerkant zijn vier bassins vol eenden en ganzen, twee broeikassen met bladeren bedekt, twee zomerhuizen, lanen van wilde vijgeboomen en dadelpalmen. Achterin bevindt zich dan het huis zelf, recht tegenover den ingang, twee verdiepingen hoog, doch van kleine afmetingen, bedekt door een beschilderde kroonlijst”.
Op een der graven van Tell el Amarna kan men een voorstelling zien van het paleis van Aï, die later den Egyptischen troon beklom. Dit is van grooter formaat, rechthoekig van vorm, met een breedere voor- dan zijgevel. De trappen, welke naar den terrasvormigen zolder leiden, geven toegang tot twee kleine kamers, beiden aan den achterkant. Het woonhuis zelf bevond zich in den uitbouw en was het heiligdom der familie en alleen intieme vrienden hadden recht daar binnen te treden.
De overblijfselen van het paleis van Akhenaten in Tell el Amarna zijn volgens hetzelfde plan ingedeeld; alleen is hier een paviljoen voor de koningin aan toegevoegd; dit bevat een ruime hal, van een afmeting van 51 bij 21 voet. In dit paleis bevindt zich een andere hal van 423 bij 234 voet. Deze bevatte 542 leemen pilaren, van ongeveer 100 vierkante c.M. Deze hal stond in verbinding met 5 kleinere. “De pilaren waren wit gemaakt en de zoldering was met afbeeldingen van wijnranken en druiventrossen, op een gelen achtergrond, beschilderd”.
Vele paleizen en huizen vertoonen verscheidene kenmerken van de decoratieve kunst van die dagen. Overblijfselen van de architectuur uit het Oude Rijk zijn niet menigvuldig, maar de plattegrond schijnt niet veel van die uit de latere perioden te hebben verschild.
De kleine voorwerpen, welke men ontdekt heeft, zooals huisraad, kleeren, wapens, amulets, schilderen ons het huiselijk leven van het oude Egypte, terwijl tempels, versterkingen en monumenten ons over den godsdienst, de wijze van oorlogvoeren en den ondernemingsgeest in dien ver van ons verwijderd liggenden tijd inlichten.
Deze opgravingen strekken zich over een groote tijdruimte uit. Boven-, Beneden- en Midden-Egypte en Nubië zijn op uitgebreide schaal onderzocht, eveneens het Sinaï-Schiereiland en Syrië, met haar talrijke gedenkteekenen van verovering. In Nubië is, volgens een deskundige, de armoede van het land en de schaarsche bevolking in aanmerking genomen, het percentage der nog aanwezige monumenten grooter dan in Egypte.
Verscheidene tempels, graven, kanalen, versterkingen, grotten en pyramiden heeft men nog in goeden staat aangetroffen. In Boven-Egypte kan men de groote pyramiden en de nekropolis van Memphis vinden, benevens kleinere pyramiden, meer naar het Zuiden en tevens kan het zich op de bewonderenswaardige ruïnes van Thebe, aan beide zijden van de rivier, beroemen, daarbij nog op de graven en kanalen van Assuan en de tempels van Philae, doch hiermede is de lijst van uitgegraven bouwwerken nog niet uitgeput, daar het bekend is, dat verscheidene nog geheimen verbergen, tot dusver onaangeroerd.
Levenswijze in Oud-Egypte.
Het bestaan van Egypte, als een inheemsche monarchie, strekt zich over een zoo langdurige periode uit, dat het buitengewoon moeilijk is over de methode van bestuur of de levenswijze van het volk te generaliseeren. Hierbij moet tevens worden opgemerkt, dat geen enkele beschaving, met een verleden van duizenden jaren, minder verandering in staatkundige of inwendige aangelegenheden vertoont.
Het staat vast, dat, toen eenmaal door de Egyptenaren een landelijke levenswijze was aangenomen, zij de gebruiken en gewoonten daarvan bewaarden tot den tijd van de invasie van buiten; en voor zoover de lagere klassen betreft, kan er weinig twijfel aan bestaan, of hun dagelijksch leven ging van eeuw tot eeuw kalm en onveranderlijk voorbij. De kennis der folklore heeft ons bewezen, hoe weinig verandering de loop der tijd in de levenswijze en de gedachten van dat volk aanbrengt, welks omgeving zoodanig is, dat krachten van buiten zelden eenigen invloed hierop uitoefenen. Speciaal was dit met de bewoners van het Nijldal het geval; dezen toch waren gedurende eenige eeuwen, door geografische en andere redenen, van de invallen van andere beschaafde volken verschoond. Ten tijde, dat vreemde indringers zich met hen vermengden, hadden zij zich zoo stevig gevestigd en waren zij zoo krachtig door de traditie beïnvloed, dat zij practisch voor de uitwerking van rasvermenging immuun waren.
Men moet ook niet vergeten, dat zulke indringers, als Egypte kende, hun vrouwen niet met zich plachten te nemen en dat hun huwelijk met Egyptische vrouwen gewoonlijk in een, of drie geslachten, de uitwerking had, dat zij geheel en al in de inheemsche bevolking opgingen, zoodat het gehalte van het ras vrijwel onveranderd bleef. Verder was hun aantal, vergeleken bij de bevolking van Egypte, betrekkelijk klein.
De omgeving van het Nijldal is buitengewoon goed geschikt voor de continuïteit van het rastype, zooals duidelijk blijkt uit het voortbestaan van de gestalte bij de huis- en andere dieren. Ontelbare malen heeft men daar buitenlandsche schapen, geiten en ezels ingevoerd en wel met dit resultaat, dat zij korten tijd daarna geheel opgingen in het domineerende Egyptische type van hun soort, met nauwelijks eenige verandering.
Het paard en de kameel werden betrekkelijk laat in Egypte ingevoerd en deze late invoering is een duidelijk bewijs voor de geïsoleerde ligging van het land.
Het feodale systeem was over het algemeen in oud-Egypte wijd en zijd verbeid en de Pharaoh hield zich voornamelijk bezig met het controleeren van zijn hoogere onderdanen. Dezen vormden hun vorstelijke waardigheid tot een centrale macht en zelfs zij, die geen aanspraak op koninklijk bloed konden maken, kochten bezittingen van aanmerkelijke grootte op. Het krioelde van ambtenaren in het Nijldal en het schijnt, dat zij zich niet lieten leiden door een hoogen graad van politieke moraal, ten minste in de praktijk schoten zij hierin te kort. Aan de leden der koninklijke familie schonk men gemeenlijk aanzienlijke posten en op deze wijze werd het land inderdaad door een erfelijke bureaucratie bestuurd. Een kanselier, of vizier, was onmiddellijk verantwoording aan den monarch schuldig voor den toestand van het land, de financiën en het wettelijk bestuur.
Handel.
Wij weten slechts weinig over de handelsaangelegenheden van het oude Egypte. Overal hield men waarschijnlijk markten in de open lucht. Munten waren onbekend tot aan den tijd der Perzische invasie en ook toen werden gouden ringen, zilver en brons als ruilmiddel gebruikt. Ruilhandel echter domineerde voornamelijk. Koren was het stapelproduct van Egypte en het schijnt, dat dit tot een bepaalde hoeveelheid naar andere landen werd uitgevoerd, evenals papyrusrollen en linnen; maar al het zilver en koper moest worden ingevoerd, zoo ook kostbare houtsoorten, verder de huiden van zeldzame dieren, ivoor, specerijen, wierook en steenen voor het vervaardigen van buitengewoon vaatwerk.
Vele van zijn import-artikelen bereikten Egypte in den vorm van belasting, maar er bestaan nog getuigschriften van expedities, door den koning uitgezonden, om buitenlandsche zeldzame voorwerpen op te sporen. Een groot deel van den Egyptischen handel was in handen van vreemdelingen. De Phoeniciërs openden klaarblijkelijk een verbinding met Egypte op zijn vroegst in de 3e dynastie. In lateren tijd werd een uitgebreide handel met Griekenland gedreven en koning Psammetichus I2 stichtte de stad Naucratis, als centrum van den Griekschen handel in Egypte.
Landbouw was de ruggegraat van de Egyptische welvaart; de natuurlijke gesteldheid van den bodem—vruchtbaar, zwart slib, door den Nijl achtergelaten, welke eveneens voor irrigatie diende—maakte de praktijk van den landbouw vrij eenvoudig. De groote hitte hielp eveneens mede om het graan spoedig te doen rijpen. De bebouwing was bijna het geheele jaar mogelijk, maar eindigde gewoonlijk met den oogst, welke tegen het eind van April werd ingehaald; vanaf dit tijdstip tot aan Juni werd den landbouwer een rusttijd toegestaan.
Voorstelling van het weiden van een groote kudde vee op een Egyptische hoeve.
Op een graf te Thebe, 18e dynastie.
Met toestemming gereproduceerd uit “Muurschilderingen in Egyptische grafen”, uitgegeven door de beheerders van het Britsch Museum.
Men zaaide een groote verscheidenheid van vruchten; durra, waaruit men brood maakte, linzen, erwten, boonen, radijs, latuwen, uien en vlas werden allen verbouwd. Fruit was vertegenwoordigd door druiven, granaatappels, vijgen en dadels. Hout was zeldzaam en werd, zooals reeds is opgemerkt, voor het meerendeel geïmporteerd. Oudtijds was het waarschijnlijk overvloediger, maar de invoering van de kameel en de geit veroorzaakte de uitroeiing hiervan, daar deze dieren de bast van de boomen afstroopten en de takken afscheurden. Wijn werd in hoofdzaak in het district Mareotis, dichtbij Alexandrië, gefabriceerd en schijnt een zeer aangenamen geur te hebben gehad. De papyrusplant werd vanaf de vroegste tijden op groote schaal verbouwd; de stengel werd gebruikt voor den bouw van booten en het vervaardigen van touw en eveneens voor schrijfmateriaal.
Wetboeken.
Het schijnt, dat de Egyptische wetten mondeling werden overgeleverd en geen overblijfsel van eenig specifiek wetboek is tot ons gekomen. Koninklijke besluiten en verordeningen werden somtijds uitgevaardigd en dezen werden gewoonlijk in steen gegrift en zorgvuldig bewaard. In den tijd der Ptolemaeën werden handelsrechtbanken ingesteld en dezen beslechten processen van allerlei soort; maar de traditioneele wet van het land schijnt aan het volk goed bekend te zijn geweest en door hun regeerders volledig erkend.
Een geliefkoosde manier tot herstel van grieven was zich op den koning, of een van de feodale vorsten te beroepen. Hoven, om bepaalde gevallen te verhooren, werden in de oudste tijden bijna altijd uit leden der koninklijke familie, of grondbezitters, samengesteld en later uit hun ambtenaren. Daarnaast bleef het recht van hooger beroep op den koning bestaan.
Men liet bewijs onder eede toe en een geliefkoosde eed luidde: “Bij den koning” of “Bij het leven van den koning”. Bij uitzondering alleen maakte men van pijniging gebruik voor bewijslevering. De straffen waren verschillend. In verscheidene gevallen werd den beschuldigde toegestaan zichzelf het leven te benemen. Voor geringere vergrijpen waren de afranseling, of de verminking, b.v. door het afsnijden van den neus, verbanning of geldboete de gebruikelijke straffen.
Gedurende het Oude Rijk was onthoofding het gebruikelijke middel om de doodstraf uit te oefenen. Het opstellen van contracten was algemeen en dezen dienden tot een wettig getuigenmiddel. Vanaf den tijd der 22e dynastie worden dezen in grooten getale gevonden en hebben gewoonlijk betrekking op verkoop, of leening.
Hoewel een vrouw eigendom kon erven, had zij niet het volledig recht daarover te beschikken, doch indien zij gescheiden was, kon haar huwelijksgift niet verbeurd worden verklaard. Vele van deze oude documenten houden zich met het koopen en verkoopen van slaven bezig. Intusschen is het niet duidelijk, of de toestemming van den slaaf zelf voor zijn verkoopen noodig was, of niet.
Wetenschappen.
Kennis en wetenschap waren natuurlijk aan de godsdienstidee ondergeordend, daar deze in het Egyptische leven de hoofdrol speelde. Over de architectuur hebben wij reeds elders gehandeld. Het heeft den schijn, dat wetenschappelijke ondernemingen van alle mogelijke soort niet werden uitgevoerd door eenige gegeven formules, maar louter door wet, of gezag. Wondervolle resultaten werden op de eenvoudigste wijze verkregen en de methoden, volgens welke de pyramiden werden opgericht, hebben nog iets van een mysterie.
De dagen der feesten werden astronomisch bepaald en men heeft vastgesteld, dat de ligging van de pyramiden en andere grootsche bouwwerken op dezelfde manier werd gekenmerkt door de opkomst van de ster Sothis of Sirius.
Een groot gedeelte van de Egyptische uitvindingen schijnt van een merkwaardigen ouderdom, maar de gave van uitvinding schijnt in later tijden te zijn belemmerd, of verloren te zijn gegaan. Pogingen tot vooruitgang waren absoluut onbekend, zelfs toen de Egyptenaren met vreemdelingen in aanraking kwamen en alle nieuwigheden met achterdocht werden beschouwd.
De Landbouw.
Het is onzeker, tot welken graad het volk den adel navolgde in het streng, godsdienstig programma, dat deze voor zich had opgesteld. Er kan geen twijfel aan bestaan, of zij waren bijgeloovig als geen ander volk, maar dat zij zich zelf als passende onderdanen beschouwden van dezelfde andere wereld, waaraan de aristocratie was gebonden, is onwaarschijnlijk. Waarschijnlijk dachten zij, dat zij een hoekje zouden kunnen vinden in het duistere rijk van Osiris en dat zij daar niet volkomen in het niet zouden zinken, maar dat hun ka’s behoorlijk gevoed zouden worden door de offerande, hun door hun kinderen gebracht.
De Egyptische landbouwer was in buitengewone mate een zoon van de aarde, een hard werker, geduldig en tevreden, waar het voedsel, onderdak en kleeren betrof, zooals de fellah van den tegenwoordigen tijd. Het lot van de vrouw van den Egyptischen landbouwer was, evenals dat van haar echtgenoot, zwaar.
Gewoonlijk huwelijkte men haar op ongeveer vijftienjarigen leeftijd uit en op haar 30e jaar was zij dikwijls reeds grootmoeder. De zorg voor haar huis en kinderen mocht echter niet al haar tijd in beslag nemen, want op sommige tijdstippen verwachtte men van haar, dat zij haar man op het veld bijstond en hier was waarschijnlijk meer slaag dan dank haar deel.
Rechtvaardigheid werd niet zeer onpartijdig toegepast en herstel van grieven werd door iemand van de boerenklasse niet gemakkelijk verkregen en het is vreemd, dat de toestanden, onder welke de boerenstand leefde, geen voedsel voor opstand verschaften.
Waarschijnlijk was de eenige reden, dat deze niet uitbrak, in de omstandigheid gelegen, dat de toestand van slavernij te diep was ingeworteld; hierbij kwam tevens nog, dat de Egyptenaren, evenals de meeste Oosterlingen, fatalisten waren.
Kleeding.
De kleederdracht verschilde aanzienlijk in de respectievelijke dynastieën. Zooals wij reeds opmerkten, bezaten de Pharaohs een bijzondere kleeding en in zekeren zin was die van de hoogere rangen der samenleving daarnaar gevormd.
Het klimaat stond het dragen van zware stof niet toe en derhalve was fijn lijnwaad veelvuldig in gebruik. De bovenste deelen van het lichaam werden slechts gedeeltelijk bedekt en onder den adel in de oude tijden werd een soort linnen hemd gedragen. De kleederdracht der vrouwen bestond vanaf de oudste tijden uit een kleed, reikende van den oksel tot de enkels, met riemen over de schouders vastgemaakt. De mannendracht was gewoonlijk een soort van lendendoek. Het dragen van pruiken was vrij algemeen en was al in prae-historische tijden ontstaan.
Op een of ander vroeg tijdstip had de inheemsche rituaal voorgeschreven, dat het hoofd moest geschoren worden, zoodat het dragen van de lange pruik, of de goedsluitende muts met oorlappen, feitelijk een noodzakelijkheid werd.
Wij vinden echter, dat sommige dames weigerden haar haardos op te offeren, en bij het welbekende beeld van Nefert kunnen wij de banden van natuurlijk haar opmerken, welke netjes over de wenkbrauwen zijn gladgestreken en uit de zware pruik gluren, welke zij draagt. Alle klassen droegen sandalen van leer, of gevlochten papyrus.
Wat zijn uiterlijke verschijning betreft, was de Egyptenaar slank en overtrof den Europeaan belangrijk in hoogte. Het ras was voor het meerendeel van een lang voorhoofd voorzien, met een dun middel en hoekig.
Op lateren leeftijd werd hij gewoonlijk corpulent, maar gedurende zijn jeugd en vroegste mannelijke leeftijd had hij een mager en gespierd uiterlijk. Hij had echter breede schouders en een goed ontwikkelde borstkas. Het onderzoek van duizenden mummies, door Dr. Elliot Smith verricht, heeft bewezen, dat het Egyptische ras in later tijd beter werd in physiek en spierkracht.
Wat het karakter betreft, was de Egyptenaar ernstig en misschien een weinig van stilzwijgende natuur en in dit opzicht niet ongelijk aan den Schot en den Spanjaard. Zijn aard en zijn volkslitteratuur zijn op sommige plaatsen een welsprekend bewijs voor een filosofie van het laissez-faire. Het is waarschijnlijk, dat het strenge godsdienstige wetboek, waaronder hij leefde, hem soms dreef tot een walging voor zijn omgeving. Het amusement van den Egyptischen landbouwer nam soms den vorm aan van dronkenschap en nog bestaan er schilderijen, waarop men ziet, dat de landbouwer op de schouders van zijn knechts naar huis wordt gedragen.
Men kan niet ontkennen, dat onder de hoogere klassen de filosofie van genoegen een zeer krachtigen steun had gekregen, voornamelijk in latere tijden. Waarschijnlijk dachten zij, dat, indien zij “Het boek der dooden” ter harte namen, zij van een zalige toekomst verzekerd waren en dat hierin hun geheele moreele plicht was vervat.
Wat hun ethisch standpunt betreft, kan men zeggen, dat zij eerder zonder moraal, dan immoreel, waren en dat goed en kwaad, volgens onze opvatting, aan hen onbekend waren. De Egyptenaren echter, als ras, bezaten een aangeboren liefde voor rechtvaardigheid en rechtschapenheid en zij zullen altijd in de rij der naties hun plaats innemen als een volk, dat, misschien meer dan eenig ander, heeft medegewerkt tot den opbouw der orde, betamelijkheid en welvoeglijkheid.