Priesterschappen, mysteries en tempels.
Priesterschappen.
De macht en het wezen van het priesterschap veranderde met het wisselen der eeuwen in hooge mate. De priesters waren waarschijnlijk ten allen tijde onafhankelijk van de koninklijke macht en er waren inderdaad in de Egyptische geschiedenis tijdstippen, waarop de troon der Pharaohs ernstig in gevaar werd gebracht, of zelfs geheel en al door de kerkelijke partij werd overschaduwd.
Uitgestrekte stukken land hadden de honderden tempels, waarvan het Egyptische land krioelde, verrijkt en dezen gaven aan een leger van ambtenaren bezigheid. In het Nieuwe Rijk b.v. wedijverde de macht van god Amen met die van den Pharaoh zelf. In den tijd van Ramses III telde deze invloedrijke eeredienst niet minder dan 80.000 dienaren, en zijn rijkdom kan hieruit worden bewezen, dat hij het vee bij duizendtallen kon tellen. De koningen echter trachtten den invloed van de priesterschappen te verminderen door hun eigen verwanten of aanhangers tot de voornaamste priesterambten te benoemen.
Oudtijds trokken de grootgrondbezitters den titel en de werkzaamheden van opperpriester in hun gebied tot zich en vereenigden aldus de feodale en kerkelijke diensten. Onder hen stond een groot aantal priesters, zoowel leeke-, als beroepspriesters. In later tijd echter werd dit systeem veranderd in een, waarin een strenge tucht de inrichting van een beroepsklasse noodzakelijk maakte en de plichten van deze waren scherp omlijnd en gespecialiseerd.
Desniettemin echter en in tegenstelling met het algemeen geloof combineerde de priesterschap zich nooit tot een kaste, welke uitdrukkelijk van het leekendom was gescheiden, doch deze ging voort met hen samen te werken.
Leden van een priesterschap werden aangeduid met den naam van hen neter (dienaar van den god) of uab (de zuivere). In sommige streken voerden de opperpriesters bijzondere namen zooals Khorp hemtiu (hoofd van de werklieden), in den tempel van Ptah, of Ur ma (de groote ziener), te Heliopolis. Te Mendes was hij bekend onder een titel, welke vrij vreemd klonk voor een kerkelijk dignitaris, n.l. bestuurder der soldaten en te Thebe als: eerste profeet van Amen. De priesters, die het ceremonieel leidden, waren onder den naam van kheri-heb bekend.
De plichten van de priesters waren moeilijk. Zij hadden zich te houden aan een zeer streng wetboek, wat reinheid en tucht betrof. Voortdurende reinigingen volgden elkander op en de kleeding van den geestelijke moest frisch en zonder smetten zijn. Deze bestond geheel uit helder wit linnen, daar het dragen van wol en andere stoffen streng verboden was, ja daarvoor huiverde men zelfs. Het hoofd was geheel geschoren en men droeg geen hoofddeksel.
De dagtaak van een priester was nauwkeurig bepaald. Indien hij dienst had, wiesch hij zich zorgvuldig en ging dan naar het heilige der heiligen, zei daar bepaalde formules op en deed dezen vergezeld gaan van voorgeschreven bewegingen; dit vormde een inleiding om het zegel, hetwelk het heiligdom afsloot, te ontsluiten. Indien hij daarna van aangezicht tot aangezicht voor den god stond, knielde hij neer en nadat hij andere ritueele verrichtingen had volbracht, toonde hij den god een klein beeld van Maat, de godin van de waarheid.
De god, die voor dit oogenblik niet in staat werd geacht in het ceremonieel te deelen, werd daarop onthaald op een maaltijd, waarvan de voornaamste bestanddeelen rundvleesch, ganzenvleesch, brood en bier waren; wanneer men veronderstelde, dat hij zijn maaltijd had genuttigd, werd hij wederom naar zijn altaar teruggebracht en verscheen niet voor den volgenden morgen.
Bij het gansche ritueel van deze morgenoffers schijnt het, dat de priester, die den dienst verrichtte, Horus vertegenwoordigt, den zoon van Osiris; deze, evenals alle zonen van de Egyptenaren, die hun plicht vervullen, zorgt voor het welzijn van zijn vader, na diens dood. Aldus is het ritueel door de Osiris-mythe opgesmukt. Het overige van den dag bracht de priester met overpeinzingen, met het beoefenen van verschillende kunsten en wetenschappen, zoowel in theorie als in praktijk en verrichtingen van openbare godsdienstplechtigheden, door. Zelfs de nacht bracht nog haar bezigheden met zich; immers de reiniging werd in middernachtelijke uren verricht en de priester werd tot dit doeleinde omstreeks middernacht gewekt.
Het priestercollege van Thebe.
De oude reizigers in Egypte, met name Herodotus en Strabo, spreken met enthousiasme over de bekwaamheid van den Egyptischen priester en het hooge standpunt, dat hij in zijn philosophisch denken had bereikt. Strabo maakt o.a. met bewondering melding van het priestercollege in Thebe De leden hiervan waren waarschijnlijk de meest geleerde en scherpzinnige theologen en philosophen in oud-Egypte. Colleges van bijna even groot gewicht bestonden ook elders, b.v. te Anu, het On, of Heliopolis der Grieken.
Iedere nome, of provincie, bezat zijn eigen grooten tempel en deze ontwikkelde het geloof van de provincie, zonder acht te slaan op dat van eenige mijlen verder. De goden van den nome werden ondergeschikt aan de godheid par excellence, den “Bestuurder der Goden”. “Schepper van het Heelal” en den gever van alle goede gaven aan zijn volk.
Men moet echter niet denken dat, ook al was de priesterschap, als lichaam, rijk, de leden daarvan niet onder het moeilijke leven te lijden hadden. Aldus kwam het, dat, hoewel de beste condities aan den dienst in die groote tempels waren verbonden, dezen in het geheel niet met personeel overvuld waren. Te Abydus maakten slechts 5 priesters het personeel uit, terwijl Siut er 10 had. Aan den anderen kant bezaten de kleinere tempels inkomsten, welke geenszins in verhouding stonden tot hun omvang.
Een studie over dit onderwerp toont ons de inkomsten aan van de hoogepriesters der kleine heiligdommen. “Aan den Westrand van den Fayum”, aldus schrijft Erman, “bij het meer Moeris, was de tempel van Sobk (Sebek) van het Eiland, Soknopaios, zooals de Grieken dezen noemen. Deze had een hoogepriester, die de geringe jaarwedde van 344 drachmen ontving en al de overige priesters kregen dagelijks tezamen ongeveer èèn schepel tarwe, als belooning voor hun moeite. Zij waren zelfs niet vrijgesteld van den vasten arbeid bij de indijking en toen deze voor hen verminderd werd, werd deze gebruikt voor de vrome werken van hun medeburgers.
De inkomsten van den tempel, zoowel de geregelde, alsook datgene, wat als offer werd gegeven, werd voor de benoodigde plechtigheden benut, want bij ieder feest moest fijn lijnwaad worden aangeschaft om de drie beelden van den god te bekleeden en ieder keer kostte dit 100 drachmen; 20 drachmen werden bij iedere gelegenheid voor de zalven, de olie en de myrrhe gebruikt, om daarmede de beelden te zalven; 500 drachmen werden voor de wierook besteed, terwijl 40 drachmen benoodigd waren om offers te brengen op den geboortedag van den heerscher.
En nog beweerden deze priesters, die niet veel hooger dan landbouwers en de lagere stedelijke bevolking stonden, dat hun oude heiligheid niet verminderde”.
Ook priesteressen verrichtten bezigheden in de tempels. In vroegere tijden waren zij bij de altaren van goden en godinnen werkzaam en alleen in lateren tijd vinden wij haar minder werkzaam in de tempels, aan goden gewijd en hier traden zij hoofdzakelijk als musiceerenden op.
Mysteriën.
Het is een algemeen dwaalbegrip, dat er boeken vol geschreven zijn over de Egyptische mysteriën, deze schilderachtige en bovennatuurlijke inwijdingsplechtigheden, van welke men veronderstelde, dat zij plaatsvonden in onderaardsche duisternis, omgeven van alle vormen van geheimen ritus en gewoonten. De waarheid is echter, dat menschen, die dit onderwerp behandelen, buitengewoon zeldzaam zijn en zekerlijk niet van dien aard, dat zij ons de hoop kunnen verschaffen eenige opheldering over de mysteries der Egyptische priesterlist te kunnen geven. Het zal beter zijn ons tot de analoge gevallen der Grieksche praktijk te wenden, of zelfs tot die van wilde en halfbeschaafde volken, van wie een groot deel van hun mysteriën in de laatste jaren aan het licht is gebracht.
Er is slechts weinig bekend betreffende de Egyptische mysteriën. Herodotus is voor ons de zegsman, dat zij bestonden en het is waarschijnlijk, dat hij die op het oog had, welke het lijden en den dood van Osiris moesten voorstellen. Deze schrijver toch zegt:
“Te Saïs in den tempel van Minerva, onder den tempel en dicht bij den muur van Minerva staan in een lage kapel eenige groote beschilderde steenen en hieraan is een lage ruimte, welke het aanzien van een kerker heeft, verbonden; deze is geheel bedekt met steenen, welke op wonderlijke wijze zijn bewerkt; de grot zelf is aan beide zijden op prachtige wijze gegraveerd en wedijvert in grootte met dien op Delos, genaamd Trochoïdes; hierin bedriegt ieder zijn eigen gevoelens en fantasieën gedurende den nacht en dit noemen de Egyptenaren mysteriën Doch indien ik hierover meer vertelde, zou ik, wat de godheid moge verhoeden, dat onthullen, waarover zij mij verboden te spreken”.
In hoofdstuk 1 van het “Boek der Dooden” ontmoeten wij den volgenden zin “Ik zag naar de verborgen dingen in Re-stau”, een toespeling op de plechtigheden, welke in het heiligdom van Seker, den doodsgod in Saqquara, werden voltrokken. Dezen gaven een voorstelling van de geboorte en den dood van den zonnegod en werden tusschen middernacht en ochtendschemering gevierd. Verder leest men in hoofdstuk 125 van het Boek der Dooden (Papyrus van Ani): “Ik ben Re-stau binnengegaan (de andere wereld van Seker, dichtbij Memphis) en heb het Verborgene gezien, dat daar is”.
Hoofdstuk 118 (Saïte Recension) moet worden opgezegd: “op den dag der nieuwe maan, op den zesden feestdag, op den 15en feestdag, op het feest van Uag, op het feest van Thoth, op den geboortedag van Osiris, op het feest van Menu, in den nacht van Heker, gedurende de mysteriën van Maat, gedurende de viering van de mysteriën van Akertet” en zoo voorts. Herodotus, van wien men vermoedt, dat hij in deze mysteriën was ingewijd, houdt zich buitengewoon over dezen gesloten en juist wanneer hij onze belangstelling heeft opgewekt, bemerkt hij op ’t juiste moment, dat zijn lippen voor dat onderwerp verzegeld zijn.
Is er echter wel iets zoo buitengewoons bij deze schijnbaar verschrikkelijke dingen? Theosophen en anderen willen ons doen gelooven, dat in de duistere crypten van Egyptische betoovering spiritistische oproepingen en tooverkunsten van een duister soort werden beoefend. Wat is waarschijnlijk?
De Grieksche mysteriën.
Laat ons in het kort de mysteriën van het oude Griekenland onderzoeken. Wij vinden, dat dezen voor het meerendeel prae-Helleensch waren en dat de overwonnen bevolking zich in een mysterieus waas hulde, om zijn godsdienstige ceremonies voor de oogen van de indringers te verbergen. Deze vroegere bevolking nu erfde een grooten beschavingsinvloed van Egypte.
De gewichtigste der mysteriën waren wellicht die van Eleusis en wij mogen dezen als een voorbeeld voor alle Grieksche mysteriën stellen. De hoofdpersonen in deze mysterieuse cultuur waren Demeter, Kore (of Persephone) en Pluto. Nu waren deze allen goden van de onderwereld en evenals alle andere goden van den Hades over de geheele wereld, zijn zij tot den landbouw terug te brengen. Veel aangaande het wezenlijk ritueel bij de opvoering der Mystae blijft nog onzeker, maar één ding is zeker en wel dat de ceremonie eigenlijk een passiespel was en hierin de wederwaardigheden van Demeter en Kore werden opgevoerd, een symbolische voorstelling van den groei van het graan. Hippolytus heeft verteld, dat aan de deelnemers der Eleusinische mysteriën een korenhalm werd getoond. Het geheele mysterie wordt aldus als een symbolische voorstelling van den wasdom van het graan verklaard. Hoe de plechtigheden, welke hierop betrekking hadden, het aanzien hebben gegeven aan die, waarvan de deelnemers als het ware een geheim verbond vormden, is niet geheel duidelijk.
De negers van Australië en sommige stammen van Midden-Amerika hebben genootschappen en plechtigheden, welke bijna met die van Eleusis identisch zijn, doch waarom zij in zulk een geheimzinnig waas gehuld zijn, is moeilijk te begrijpen.
Men heeft verteld, dat de mysterieuse mise en scène van deze godsdienstige vereenigingen in de meeste gevallen haar ontstaan te danken had aan de verschrikkingen der onderwereld en het miasma, dat uit deze te voorschijn kwam en een ritueele reiniging noodzakelijk maakte, doch dit schijnt niet geheel en al voor uitlegging vatbaar. In de Popul Vuh van Midden-Amerika vinden wij melding gemaakt van dingen, welke het werk schijnen te zijn van een geheim genootschap onder de goden van de onderwereld, en eenige van dezen zijn goden van den wasdom.
Het schijnt, dat wij in het Boek der Dooden, dat wellicht uit prae-historische tijden stamt en zeer waarschijnlijk het overblijfsel is van een neolithischen cultus, met de verschijnselen aan den wasdom verbonden, in eenig opzicht een dergelijk gezelschap geschetst zien.
Op deze bladzijde vinden wij wachtwoorden en contraseinen en al het toovermateriaal, dat noodzakelijk is voor het bestaan van zulk een geheimen cultus, als waarover wij spraken. Wij kunnen dus aannemen, dat de Egyptische mysteriën veel geleken op die van Griekenland, dat hun ritueel hetzelfde karakter vertoonde als het Boek der Dooden en dat zij beiden uit eenzelfde bron stamden. Al deze mystische vereenigingen schijnen van neolithischen oorsprong te zijn en voor het meerendeel op den landbouw te berusten.
Indien wij nu bij Herodotus en andere schrijvers de neiging bespeuren, deze mysteriën intact te bewaren, staan wij nog eens tegenover de oorspronkelijke quaestie.
Waarom waren deze plechtigheden mysteriën? In de eerste plaats is alle groei geheimzinnig en de primitieve mensch beschouwde dit wellicht in zeker opzicht als tooverkunst. Ten tweede moet men wel degelijk in het oog houden, dat al deze mysteriën, tenminste in de Oude Wereld, onder den grond werden gehouden en dat daar de symbolische voorstelling van den groei van het graan in scène was gezet, waarschijnlijk met het doel de machten van den wasdom tot grootere werkzaamheid aan te zetten door den invloed der magie.
De Egyptische tempel.
De oudste tempelvorm was slechts een hut van gevlochten teenen, en diende als bewaarplaats van de symbolen van den god; het altaar was een rieten mat. De oudste tempels ontleenden hun ontstaan aan den muur, welke rondom den naamzuil stond, welke later van een dak werd voorzien.
Met de komst van het Nieuwe Rijk kreeg de wijze van tempelbouw een meer gecompliceerd karakter, hoewel de wezenlijke plattegrond, van de oudste tot de laatste tijden, in wezen onveranderd bleef. De eenvoudigste vorm was een ringmuur, terwijl de pylon of ingangspoort door torens geflankeerd was; hiervoor werden gewoonlijk twee reusachtige beelden van den koning en twee obelisken geplaatst; hierop volgde het inwendige heiligdom, de naos, hetwelk de symbolen der godheid bevatte.
Dit was kunstig bewerkt, verdeeld in drie lanen of sphinxen, verder boven van kolommen en een hypostyl of zuilenhal voorzien. Op deze wijze vergrootten verscheidene Egyptische koningen de bouwwerken van hun voorgangers.
Deze tempels stonden in het midden van bevolkte steden, terwijl de ringmuur het lawaai en rumoer van de nauwe straten buiten sloot. Een breede weg, recht door het bewoonde kwartier aangelegd en aan beide zijden door rijen leeuwen, rammen en andere heilige dieren geflankeerd, leidde naar den grooten pylon, den hoofdingang. Voor den ingang bevonden zich twee obelisken en eveneens een beeld van den koning, die den tempel had gesticht, als beschermer van het heiligdom.
Aan iedere zijde van den ingang verhief zich een hooge toren, vierkant van vorm, met zijden naar den binnenkant afloopend. Dezen waren natuurlijk voor verdedigingsdoeleinden bestemd en op deze wijze kon de doorgang door de pylons met succes tegen den vijand versperd worden, terwijl men vanuit de poorten in den muur uitvallen kon ondernemen. Lange masten werden aan den voet van den pylon vastgehecht.
Vroolijk gekleurde wimpels waaiden vanaf deze masten om den invloed van het booze ver te houden; eveneens had het symbool van de zon, de gevleugelde discus, welke zich boven de groote poorten bevond, hetzelfde doel. Deze poorten werden dikwijls uit hout vervaardigd, een zeer kostbare grondstof, zooals wij reeds zagen en bedekt met een laag glinsterend goud.
De buitenmuren werden versierd met levendig geschilderde reliëfs en inscripties, welke de daden van den stichter afbeeldden, want de tempel was zoowel een persoonlijk monument, alsook een heiligdom van den beschermgod.
Aan de binnenzijde van den pylon bevond zich een groote hof in de open lucht, gewoonlijk met een zuilengaanderij aan beide zijden; in groote tempels echter, zooals bij die in Karnak, bevond zich één rij zuilen. Hier werden de groote feesten gevierd, en een groot aantal burgers mocht hieraan deelnemen. Door een lagen ingang kwam men van hieruit in de hypostyl; de vensters van deze bevonden zich dicht bij de zoldering, zoodat er een schemerlicht heerschte, terwijl het heiligdom in diepere duisternis was gehuld.
Het heilige der heiligen.
Het heilige der heiligen was de voornaamste kamer van den tempel. Hier stond de naos, een hokje, rechthoekig van vorm en van voren open, met een deur van traliewerk voorzien. Dit diende als bewaarplaats van de goddelijke symbolen, of in sommige gevallen voor de kooi van het heilige dier.
Aan beide zijden van het heiligdom waren donkere kamers, als bergplaatsen gebruikt voor de heilige gewaden, de standaards, bij de processies gedragen, de heilige bark, het tempelgereedschap en zoo voorts. Men moet wel bedenken, dat in dezelfde mate als men van het helle licht van het voorste hof naar de diepste duisternis van het Heilige der Heilige voortschreed, evenzeer de zoldering minder hoog werd. De muren en zuilen aan de binnenzijde waren met reliëfs in de schitterendste kleuren versierd; dezen gaven een voorstelling van den ritus en de aanbidding, welke den god van den tempel werd bewezen.
Rondom den tempel bevond zich de temenos, door een muur ingesloten; hierin bevonden zich andere kleinere tempels met heilige boomen en vogels, meren, waarop de heilige bark dobberde, de woningen van de priesters en soms ook paleizen, temidden van tuinen.
Aan de buitenzijde zag men wegen, welke naar verschillende richting leidden, sommige met vertakkingen van tempel tot tempel, door steden, dorpen en velden, terwijl zijwaarts trappen naar den Nijl afdaalden; hier werden de booten voor anker gelegd. Langs deze wegen bewogen zich de processies met het beeld van de godheid; hierlangs ging ook de vorst in koninklijken luister om den god offeranden te brengen en hierlangs werden ook de dooden gedragen om vervoerd te worden naar de graven aan de overzijde van den Nijl.
Dikwijls heeft men Griekenland het land der tempels genoemd. Doch met grooter recht zou men dezen naam op Egypte kunnen toepassen; immers daar verhieven zich reeds tempels van reusachtige afmeting, lang voordat Hellas zich op de kennis der bouwkunst kon beroemen. Nog staan zij daar, deze reusachtige heiligdommen, nog bijna even voltooid, als toen zij door den beitel van den ouden hoogepriester werden gevormd en geteekend. En zoo lang als een koesterende liefde voor het verleden zich in het hart van den mensch zal vormen, zoo lang zullen zij blijven bestaan.
De vereering van Osiris.
Osiris.
Een van de voornaamste figuren in het Egyptisch pantheon, doch tevens een, waarvan de oorsprong moeilijk op is te sporen, is Osiris of As-ar. De oudste en eenvoudigste aanduiding voor den naam wordt uitgedrukt door twee hieroglyphen, welke een troon en een oog voorstellen. Intusschen geeft dit weinig aanwijzing voor de beteekenis van den naam. Zelfs de latere Egyptenaren waren met de afleiding daarvan onbekend, want zij dachten, dat de beteekenis was: “de kracht van het oog”, d.w.z. de kracht van den zonnegod Ra.
De tweede lettergreep van den naam, ar, kan misschien in verbinding staan met Ra, zooals we later zullen zien. In de tijden der dynastieën werd Osiris als de god van den dood en de onderwereld beschouwd. Hij nam inderdaad dezelfde positie in die streken in als Ra onder de levenden. Wij moeten ons tevens herinneren, dat het onderaardsch koninkrijk het rijk van de duisternis was.
Het ontstaan van Osiris is buitengewoon duister. Uit de teksten kunnen wij niet te weten komen, waar, of wanneer men het eerst met zijn vereering begonnen is, maar het is zeker, dat deze ouder is dan eenige tekst. De oudste centra van zijn vereering onder de dynastieën waren Abydos en Mendes.
Misschien wordt hij afgebeeld op het bovenste gedeelte van den scepter van Narmer, te Hieraconpolis gevonden en op een houten plaquet van Udy-mu (Den) of Hesepti, den 5en koning der 1e dynastie; dezen ziet men afgebeeld voor hem dansende.
Dit zou dus bewijzen, dat er gedurende de 1e dynastie te Abydos een middelpunt van Osiris-vereering was. Toespelingen echter in de Pyramidenteksten lichten ons in, dat nog, voor dien, heiligdommen voor Osiris in verschillende deelen van het Nijldal zijn opgericht. Zooals in een hoofdstuk van het Boek der Dooden geschetst wordt, woont Osiris vreedzaam in de onderwereld met de rechtvaardigen, terwijl hij de zielen der afgestorvenen oordeelt, wanneer zij voor hem zijn verschenen. Dit paradijs was onder den naam van Aaru bekend en het is de moeite waard om op te merken, dat, hoewel men oorspronkelijk aannam, dat het zich in de lucht bevond, men het later in de onderwereld plaatste.
Men beeldt Osiris gewoonlijk af, in mummiewindsels gehuld, terwijl hij de witte kegelvormige kroon van het Zuiden draagt. Dr. Budge zegt aangaande hem: “Alles wat de teksten van alle tijden over hem overleveren, laten ons zien, dat hij een inheemsch god van Noord-Oost-Afrika was en dat zijn woonplaats en afkomst waarschijnlijk Libye was”.
In elk geval mogen wij aannemen, dat Osiris een Afrikaansch god van oorsprong was en hij een inboorling was van den bodem van het Zwarte Vasteland.
Brugsch en Sir Gaston Maspero zagen beiden in hem een watergod1 en meenden, dat hij over ’t algemeen een personificatie van de scheppende en voedende kracht van den Nijl en van de overstrooming in het bijzonder was. Ook Dr. Budge is deze theorie toegedaan, maar indien Osiris een god van den Nijl alleen is, waarom is hij dan uit de Libysche woestijn, welke zich op geen rivier kan beroemen, geïmporteerd? Rivieren ontstaan in den regel niet in zandstreken. Voordat wij echter verder gaan, zal het goed zijn, de Osiris-mythe te vertellen.
De Osiris-mythe.
Plutarchus is onze voornaamste bron voor de Osiris-legende. In de Egyptische teksten kan men geen complete vertaling van het verhaal vinden, ofschoon dezen de verhalen van de Grieksche mythe bevestigen. Het volgende is een korte uiteenzetting van de mythe, zooals in Plutarchus’ “De Iside et Osiride”, wordt verhaald:
Rhea (de Egyptische Nut, de godin van den hemel) was de vrouw van Helios (Ra). Zij werd echter door Kronos (Geb) geliefd en beantwoordde zijn genegenheid. Toen Ra de ontrouw van zijn vrouw ontdekte, was hij vreeselijk vertoornd en sprak een vervloeking tegen haar uit, terwijl hij zeide, dat haar kind in geen enkele maand, of jaar, zou geboren worden.
Nu kon de vloek van Ra, den almachtige, niet afgewend worden, want Ra was de opperste van alle goden. In haar nood riep Nut de hulp in van den god Thoth (den Griekschen Hermes), die haar eveneens beminde. Thoth wist, dat de vervloeking van Ra vervuld moest worden, maar hij vond door een zeer slim plan een uitweg voor de moeilijkheid.
Hij ging tot Silene, de godin der maan, wier licht met dat van de zon wedijverde en daagde haar tot een spel uit. De inzet was aan beide zijden hoog, maar Silene zette een deel van haar licht in, het 17e deel van elk van haar verlichtingen en verloor.
Zoo komt het, dat haar licht somtijds vermindert en afneemt, zoodat zij niet langer de mededingster van de zon is. Uit het licht, dat hij van de maangodin Thoth had gewonnen, maakte Thoth vijf dagen en voegde dezen bij het jaar, dat in dien tijd uit 360 dagen bestond en wel op zoodanige wijze, dat zij noch tot het voorafgaande, noch tot het volgende jaar, noch tot eenige maand behoorden.
Op deze vijf dagen werd Nut van haar vijf kinderen verlost. Osiris werd op den eersten dag geboren, Horus op den tweeden, Set op den derden, Isis op den vierden en Nephtys op den vijfden2. Bij de geboorte van Osiris hoorde men een stem, welke door de geheele wereld klonk en zeide: “De beheerscher der geheele aarde is geboren!” Een overlevering, welke van de vorige in gering opzicht verschilt, vertelt, dat een zeker man, Pamyles genaamd, bezig was met waterdragen voor den tempel van Ra te Thebe en een stem hoorde, welke hem beval de geboorte van den “goeden en grooten koning Osiris” alom bekend te maken en dat hij dit onmiddellijk deed. Hierom werd de opvoeding van den jeugdigen Osiris aan Pamyles toevertrouwd. Aldus zou het feest der Pamilia zijn ontstaan.
Na verloop van tijd werden de profetieën aangaande Osiris vervuld en hij werd een groot, wijs koning. Het Egyptische land bloeide onder zijn bestuur, zooals het nooit tevoren had gedaan. Evenals verscheidene andere halfgoden stelde hij zich tot taak, zijn volk te beschaven, daar dit bij zijn komst zich in zeer barbaarschen toestand bevond en zich overgaf aan kannibalisme en andere wilde praktijken.
Hij gaf het volk een wetboek, onderwees het in den landbouw en leerde het den ritus de goden te vereeren. En toen hij erin geslaagd was orde en wetten in Egypte te grondvesten, ging hij naar ver verwijderde landen, om zijn beschavingswerk voort te zetten. Zoo vriendelijk en goed was zijn methode om kennis aan de gemoederen van de barbaren bij te brengen, dat zij den grond, waarop hij liep, aanbaden.
Set, zijn vijand.
Hij had echter één verbitterden vijand, n.l. zijn broer Set, den Griekschen Typhon. Gedurende de afwezigheid van Osiris, bestuurde zijn vrouw Isis het land zoo goed, dat de plannen van den goddeloozen Set om aan dat bestuur aandeel te krijgen, niet konden slagen.
Tegen den terugkeer echter van den koning vormde Set het plan zich geheel en al van zijn broer te bevrijden. Om zijn doel te bereiken verbond hij zich met Aso, de koningin van Aethiopië en 72 andere samenzweerders. Nadat hij in net geheim het lichaam van den koning had gemeten, liet hij een prachtige kist maken, rijkelijk versierd, welke juist het lichaam van Osiris kon bevatten.
Toen deze voltooid was, noodigde hij zijn gezellen en zijn broer op een groot feest. Osiris was weliswaar herhaalde malen door de koningin tegen zijn broer gewaarschuwd, maar daar hij zelf geen kwaad uitoefende, vreesde de koning dit ook niet in anderen en aldus nam hij de uitnoodiging voor het feestmaal aan.
Toen dit afgeloopen was, liet Set de prachtige kist in de feestzaal brengen en zei, als in scherts, dat deze aan hem zou behooren, die daarin zou passen. De eene gast na den ander legde zich in de kist neer, doch geen enkele paste er in, totdat de beurt aan Osiris kwam.
Geheel en al van verraad onbewust, legde de koning zich in de groote kist. In een oogenblik hadden de samenzweerders het deksel dichtgenageld en goten er kokend lood over heen, uit vrees, dat er eenige opening in zou zijn. Daarop lieten zij de kist in den Nijl drijven, bij de monding van Tanis. Deze dingen vonden plaats volgens sommigen, in het 28e levensjaar van Osiris; volgens anderen in zijn 28e regeeringsjaar.
Toen dit nieuws de ooren van Isis bereikte, werd zij door droefheid getroffen, sneed een lok van heur haar af en trok rouwgewaad aan. Daar zij zeer goed wist, dat de dooden niet kunnen rusten, voordat hun lichamen onder de gebruikelijke plechtigheden zijn begraven, ging zij op reis, om het lijk van haar echtgenoot te zoeken. Gedurende langen tijd leverde haar reis geen enkel resultaat op, hoewel zij iederen man en iedere vrouw, die zij ontmoette, vroeg, of zij niet de rijkelijke versierde kist hadden gezien.
Ten slotte kwam het bij haar op eenige kinderen, die bij den Nijl speelden, te ondervragen en toevallig waren zij in staat te vertellen, dat de kist door Set en zijn gezellen naar de monding van den Nijl bij Tanis was gebracht. Vanaf dien tijd hield men het in Egypte er voor, dat kinderen een bijzondere gave van voorspellen hebben.
De tamarindeboom.
Langzamerhand werd de koningin door de werkzaamheid van demonen nauwkeurig ingelicht en kwam zij te weten, dat de kist op de kust van Byblos was aangespoeld en door de golven tegen een tamarindetak was aangedreven; deze was op verwonderlijke wijze tot een prachtigen boom opgeschoten en sloot de kist van Osiris in zijn stam in.
De koning van dat land, Melcarthus genaamd, had zich over de hoogte en schoonheid van den boom verwonderd, had dezen omgehakt en daarvan een zuil laten maken, om daarmede de zoldering van zijn paleis te stutten. In deze zuil nu was de kist, welke het lijk van Osiris bevatte, verborgen.
Osiris in de kist gelokt.
Evelyn Paul.
Isis haastte zich daarop in allerijl naar Byblos en zette zich daar bij een bron. Tot niemand, die haar naderde, wilde zij een woord spreken, behalve tot de meisjes van den koning; dezen sprak zij liefderijk toe, en maakte heur haar door haar adem welriekender dan het door eenige bloemengeur zou geworden zijn.
Toen de meisjes naar het paleis waren teruggekeerd, ondervroeg de koningin haar, hoe het kwam, dat heur haar zoo’n heerlijken geur van zich gaf en hierop vertelde zij haar ontmoeting met de schoone vreemdelinge. Koningin Astarte, of Athenais, verzocht haar daarop naar het paleis te komen, verwelkomde haar hartelijk en stelde haar tot voedster aan van een der prinsen.
Isis’ smart.
Isis voedde den knaap, door hem haar vinger te geven, om daarop te zuigen. Iederen nacht, als allen zich ter ruste hadden begeven, placht zij groote blokken hout in het vuur te leggen en het kind daartusschen te duwen; daarop veranderde zij zichzelf in een zwaluw en was gewoon jammervolle klaagliederen over haar gestorven echtgenoot te laten hooren.
Geruchten over deze zonderlinge handelwijze werden door de dienstmaagden van de koningin aan haar meesteres aangebracht en deze besloot zelf te onderzoeken, of deze geruchten waar waren, of niet. Daarom verborg zij zich in de groote hal en toen de nacht was aangebroken, sloot Isis de deuren, legde blokken op het vuur en drukte het kind tusschen het brandende hout.
De koningin sprong, onder luid geschreeuw, op haar toe en rukte den knaap uit de vlammen. De godin berispte haar heftig en verklaarde, dat haar daad haar zoon van de onsterfelijkheid had beroofd.
Hierop vertelde Isis aan de doodelijk verschrikte Athenais, wie zij was en tevens haar geheele geschiedenis en vroeg de zuil. Toen aan haar verzoek was voldaan, hakte ze den boom open, nam de kist met het lijk van Osiris er uit en weeklaagde zoo luid, dat een van de prinsen van schrik stierf. Daarop nam zij de kist met zich over zee naar Egypte en werd op deze reis door den oudsten zoon van Melcarthus vergezeld. De latere dood van het kind wordt op verschillende wijze door overleveringen, welke met elkaar in tegenspraak zijn, verhaald. De boom, welke het lichaam van den god had bevat, werd nog langen tijd in Byblos bewaard en vereerd.
Toen zij in Egypte was aangekomen, opende Isis de kist en beweende het stoffelijk overschot van haar echtgenoot lang en smartelijk. Daarop echter dacht zij aan haar zoon Harpocrates, of Horus het kind, dien zij in Buto had achtergelaten; zij liet de kist op een geheime plaats achter en ging op reis, om hem te zoeken.
In dien tusschentijd ontdekte Set, die met het maanlicht op haar jacht maakte, de rijk versierde kist en in zijn woede scheurde hij het lijk in 14 stukken en verspreide dezen naar alle kanten van het land.
Toen Isis deze nieuwe wandaad had vernomen, nam zij een boot van papyrus-riet en ging nog eens op weg om de overblijfselen van haar echtgenoot op te sporen.
Na dezen tijd plegen de krokodillen geen boot, van papyrus vervaardigd, aan te raken, waarschijnlijk, omdat zij denken, dat deze de godin bevat, die nog altijd zoekende is. Overal waar Isis een gedeelte van het lichaam vond, begroef zij het en bouwde een heiligdom, om aan de plaats een gedenkteeken te geven. Hierdoor komt het, dat er zooveel graven van Osiris in Egypte zijn.3
Isis en de jonge prins.
Evelyn Paul.
Horus’ wraak.
In dezen tijd had Horus den mannelijken leeftijd bereikt en Osiris, uit de Duat, waar hij als koning over de dooden heerschte, teruggekeerd, moedigde hem aan, het kwaad, zijn ouders aangedaan, te wreken. Horus bond daarom den strijd met Set aan, en de overwinning viel nu eens den een, dan weer den ander ten deel. Eén oogenblik werd Set door zijn tegenstander gevangen genomen en aan Isis ter bewaking gegeven, doch deze gaf hem de vrijheid, tot groote verbazing en verontwaardiging van haar zoon.
Horus was zelfs zoo boos, dat hij zijn moeder de kroon van het hoofd rukte. Thoth intusschen gaf haar een helm, in den vorm van een runderkop. Een andere lezing vertelt, dat Horus het hoofd van zijn moeder afsneed, doch dat Thoth, de toovenaar, het er weer opzettte, doch thans in den vorm van dat van een koe.
Volgens het verhaal gaat de strijd tusschen Horus nog steeds voort en heeft geen van beiden tot nog toe de overwinning behaald. Als Horus zijn vijand eindelijk geheel zal overwonnen hebben, zal Osiris naar de aarde terugkeeren en nog eens als koning over Egypte heerschen.
Sir J. G. Frazer over Osiris.
Over de bijzonderheden van deze mythe heeft Sir J.G. Frazer4 getuigd dat: “Osiris een van de personificaties is van den wasdom, waarvan de jaarlijks terugkeerende dood en wederopstanding in zoo vele verschillende landen zijn gevierd”, dat hij een god is analoog met Adonis en Attis.
“De gelijkenis over het algemeen van de mythe en den ritus van Osiris met dien van Adonis en Attis”, zegt Frazer, “is in het oog vallend. In beide gevallen zien wij een god, wiens ontijdige en gewelddadige dood door een hem beminnende godin wordt bejammerd en jaarlijks door zijn aanbidders wordt gevierd.
Het karakter van Osiris, als godheid van den wasdom, blijkt duidelijk uit de legende, welke vertelt, dat hij de eerste was, die de menschen het gebruik van het koren leerde en ook uit het gebruik zijn jaarlijksch feest met den akkerbouw te beginnen. Ook vertelde men van hem, dat hij den wijnbouw had ingevoerd.
In een van de kamers in den grooten tempel van Isis te Philae, aan Osiris gewijd, wordt het lichaam van Osiris afgebeeld met korenaren, welke uit zijn lichaam te voorschijn komen en daarbij ziet men de afbeelding van een priester, die de korenaren, uit een kan, welke hij in de hand heeft, begiet. Het daarbij behoorend opschrift vertelt, dat dit de gestalte is van hem, wiens naam men niet mag noemen, van Osiris van de mysteriën, die ontspringt uit de terugkeerende wateren”.
Een meer aanschouwelijker wijze Osiris als personificatie van het graan af te beelden, kan moeilijk bedacht worden, terwijl het opschrift, bij de schildering behoorende, aanduidt, dat deze personificatie de kern van de mysteriën van den god was, het geheim, dat alleen den ingewijden werd ontsluierd.
Bij de beoordeeling van het mythisch karakter van Osiris moet aan dit gedenkteeken groot gewicht worden gehecht. Het verhaal, dat stukken van zijn lichaam door het land verspreid werden, kan een mythische uitdrukking zijn, of voor het zaaien, of voor het wannen van het graan. De laatste interpretatie wordt nog waarschijnlijker door het verhaal, dat Isis de afgescheurde ledematen van Osiris op een korenzeef legde.
Het kan ook zijn, dat de legende een herinnering is aan het gebruik, een menschelijk slachtoffer te dooden, als een voorstelling van de levenskracht van het graan en het verdeelen van zijn vleesch, of het verstrooien van zijn asch, om het land vruchtbaar te maken.
Maar Osiris was meer dan een geest van het koren; hij was ook een boomgeest en dit zal wel zijn oorspronkelijk karakter zijn geweest, omdat de boomvereering in de godsdienstgeschiedenis natuurlijkerwijze ouder is dan de vereering der graanvruchten.
Het vertrek van Isis uit Byblos.
Evelyn Paul.
Zijn karakter als boomgeest wordt aanschouwelijk voorgesteld door Firmicus Maternus. Nadat een pijnboom geveld is, wordt het midden uitgehold en van het aldus uitgeholde hout een beeld van Osiris vervaardigd en dit wordt weer in de holte van den boom begraven. Ook hier kan men zich moeilijk voorstellen, hoe de opvatting van een boom, door een persoonlijk wezen bewoond, eenvoudiger kan worden uitgedrukt.
Het aldus vervaardigde beeld van Osiris werd een jaar bewaard en daarna begraven, juist zooals met het beeld van Attis werd gedaan, dat in den pijnboom werd vastgehecht. De ceremonie van het vellen van den boom, zooals dit door Firmicus Maternus wordt beschreven, schijnt door Plutarchus te worden aangeduid. Het was waarschijnlijk de ritueele tegenhanger van de mythische ontdekking van het lichaam van Osiris, ingesloten in de tamarinde. Wij mogen onderstellen, dat de oprichting van de Tatu-zuil, bij het einde van het jaarlijksch feest ter eere van Osiris, identisch was met de plechtigheid, door Firmicus beschreven; men moet er verder wel op letten, dat in de mythe de tamarindeboom een zuil was, in het paleis van den koning.
Evenals het gebruik een pijnboom te vellen en een beeld daarin te verbergen bij den dienst van Attis voorkomt, behoorde dit gebruik misschien tot die klasse, waaronder het aanbrengen van den meiboom het meest bekend is.
Wat den pijnboom in het bijzonder betreft, de boom van Osiris te Denderah is een conifeer en de kist, welke het lichaam van Osiris bevatte, wordt hier afgeschilderd door den boom te zijn ingesloten. Op de monumenten ziet men dikwijls een denappel, welke als offer aan Osiris wordt aangeboden en een manuscript spreekt van den ceder, als uit hem ontsproten. De vijgeboom en de tamarinde zijn eveneens zijn boomen. In inscripties zegt men dat hij in dezen huist en zijn moeder Nut wordt dikwijls in een vijgeboom afgeschilderd.
In een graf te How (Diospolis Parva) ziet men een tamarinde, welke de kist van Osiris overschaduwt en in de rij van beelden, welke de mystieke geschiedenis van Osiris in den grooten tempel te Philae illustreeren is o.a. een tamarinde afgebeeld, welke twee mannen met water begieten.
“De inscriptie op dit laatste monument”, aldus spreekt Brugsch, “laat geen twijfel over, of men geloofde, dat de groei van de aarde verbonden was met den groei aan den boom en dat de afbeelding betrekking heeft op het graf van Osiris te Philae, waarvan Plutarchus vertelt, dat het overschaduwd werd door een plant methide, welke slanker was dan een olijfboom”.
Deze afbeelding, men dient dit goed te bedenken, zien wij in dezelfde kamer, waarin de god is afgebeeld met een lichaam, waaruit korenhalmen te voorschijn komen. Op andere inscripties wordt hij aangeduid als: “hij, die zich in den boom bevindt”, “de eenzame in de acacia” enz. Op de monumenten wordt hij soms als mummie, door een boom of planten bedekt, voorgesteld. Het komt verder geheel met het karakter van Osiris, als boomgeest, overeen, dat men zijn aanbidders verbood boomtakken kwaad te doen en met zijn karakter, als god van den wasdom in het algemeen, strookt de omstandigheid, dat men niet toestond waterputten, welke van zooveel gewicht voor de irrigatie van de zuidelijke landen zijn, dicht te werpen.
Frazer bestrijdt verder de theorie van Lepsius; volgens dezen toch moet hij met den zonnegod Ra geïdentificeerd worden. Osiris, zegt de Duitsche geleerde, werd zelfs in het Boek der Dooden Osiris-Ra genoemd en Isis, zijn echtgenoote, wordt dikwijls de koninklijke gezellin van Ra genoemd. Frazer nu meent, dat deze identificeering wellicht een politieke beteekenis gehad heeft.
Hij geeft toe, dat de Osiris-mythe wellicht ontleend is aan de dagelijksche opkomst en ondergang van de zon en hij stelt in het licht, dat de meeste schrijvers, die de gewone theorie zijn toegedaan, uitdrukkelijk aantoonen, dat hier sprake is van den dagelijkschen en niet den jaarlijkschen omloop der zon. Maar waarom, vraagt Frazer op zijn beurt, was het dan noodig, dat er een jaarlijksch feest werd gevierd? Dit feit alleen schijnt voor de uitlegging der mythe, als beschrijving van den op- en ondergang der zon, fataal. Hoe kan men verder zeggen, ook al is het mogelijk te spreken over een dagelijkschen dood van de zon, dat zij in stukken wordt gescheurd?
Plutarchus beweert, dat, volgens sommige Egyptische wijsgeeren, Osiris een personificatie van de maan was, omdat de maan, met haar vochtig en vruchtbaar licht, de voortbrenging der dieren en den groei der planten begunstigt.
Onder wilde volken wordt de maan als een groote bron van vochtigheid beschouwd. Men denkt, dat onder haar bleeke stralen de plantengroei bloeit en men gelooft van haar, dat zij de vermeerdering van menschen, dieren en planten bevordert.
Frazer nu somt verschillende redenen op, welke volgens hem bewijzen, dat de beteekenis van Osiris niets anders dan de maan zelf is. In het kort zijn het dezen, dat men zegt, dat hij acht en twintig jaar heeft geleefd (de mythische uitdrukking voor een maand) en dat men vertelt, dat zijn lichaam in veertien stukken gescheurd is. Dit zou een uitlegging kunnen zijn voor de afnemende maan, daar het den indruk geeft, dat deze iederen dag van de 14, welke de tweede helft van de maanmaand uitmaken, een gedeelte van zichzelf verliest. Typhon vond het lijk van Osiris bij volle maan; op deze wijze zou het verscheuren van zijn ledematen bij ’t afnemen der maan begonnen zijn.
Primitieve denkbeelden over de maan.
De primitieve mensch legt de afname van de maan als een werkelijke inkrimping uit en het schijnt hem toe, dat zij voortdurend in stukken wordt gebroken, of weg-gevreten. De Indianen van Z.-W. Oregon spreken over de maan als een voorwerp, dat in stukken wordt gebroken en de Dacotas gelooven, dat, als de maan vol is, een menigte muizen aan den eenen kant begint te knabbelen, totdat zij haar geheel opgepeuzeld hebben.
Om tot de bewijsvoering van Frazer terug te keeren, deze haalt Plutarchus aan en stelt vast, dat bij nieuwe maan van de maand Phanemoth (het begin der lente), de Egyptenaren een feest vierden, dat zij noemden: “het binnengaan van Osiris in de maan” en dat zij bij gelegenheid der plechtigheid “de begrafenis van Osiris” genaamd, een kist maakten, in den vorm van een halve maan, omdat “de maan, wanneer zij de zon nadert, halvemaanvormig wordt en verdwijnt”; en dat verder eens per jaar, bij volle maan, biggen (waarschijnlijk een symbool voor Set of Typhon) gelijktijdig aan de maan en aan Osiris werden geofferd.
In een hymne, van welke men veronderstelt, dat zij door Isis aan Osiris wordt gericht, leest men dat Thoth: