WeRead Powered by ReaderPub
Mythen en Legenden van Egypte cover

Mythen en Legenden van Egypte

Chapter 54: Isis.
Open in WeRead

About This Book

The work surveys ancient Egyptian religion and mythology, beginning with local cults, animistic and totemic origins, and diverse creation myths that shaped a complex pantheon. It examines major deities and narratives, with emphasis on the Osiris cycle and related funerary beliefs, and describes burial practices, mummification, and pyramid architecture. Social and institutional aspects such as priesthoods, temple ritual, and mystery cults are treated alongside magic, amulets, and popular spells. Chapters explore literature, folklore, animal and tree veneration, art, and the transformations brought by later foreign influences on belief and practice.

Uw ziel plaatste in de bark Maat

Onder den naam, dien gij draagt als maangod.

En op een andere plaats:

Gij, die komt tot ons als een kind iedere maand,

Wij zullen u altijd blijven vereeren.

Uw uitstraling verhoogt den glans

Van de sterren van Orion aan het firmament.

In deze hymne wordt Osiris op onweerlegbare wijze met de maan geïdentificeerd5.

Frazers theorie over Osiris komt hierop neer, dat hij is te beschouwen als een god van den wasdom, of van het graan en dat deze later geïdentificeerd, of verward werd met de maan. Maar men mag veilig aannemen, dat het vanwege zijn wezen als maangod was, dat hij den rang kreeg van god van den wasdom.

Een korte beschouwing over de omstandigheden, welke aan de maanaanbidding verbonden zijn, kunnen ons wellicht tot een dergelijke onderstelling leiden. De zon vereischt, als god, slechts weinig nader onderzoek. Reeds op een vroeg tijdstip in de menschelijke gedachte werden de verschijnselen van den groei aan zijn werkzaamheid toegeschreven en het is waarschijnlijk, dat wind, regen en andere uitingen van de atmospheer, eveneens aan zijn invloed werden toegeschreven, of als zijn uitstralingen werden beschouwd. Speciaal is dit het geval in het tropisch klimaat, waar de snelheid van den plantengroei zoodanig is, dat de mensch aldaar een absoluut bewijs van de zonnekracht ontvangt.

Naar analogie hiervan wordt ook de zon van den nacht, de maan, als groeikracht beschouwd en de primitieve volken schrijven aan haar krachten toe, welke aan die van de zon gelijk zijn.

Tevens moet bij hen, om de een of andere reden, voor ons verborgen, de gedachte zijn opgekomen de maan als een groote bewaarplaats van magische kracht te beschouwen. Het ligt in de rede, dat de twee schijven van den dag en van den nacht al spoedig voor goddelijke wezens werden gehouden.

Voor den primitieven mensch is de zon natuurlijkerwijze van goddelijken oorsprong, want de barbaarsche landbouwer hangt voor zijn bestaan van hem af en achter haar is geen geschiedenis van een evolutie uit een ouderen vorm.

Zoo is het eveneens met den maangod. In de Lybische woestijn is de maan ’s nachts een voorwerp, dat het geheele landschap beheerscht en het is moeilijk te gelooven, dat haar intense schittering en haar alles doordringend licht geen diepen indruk van eerbied en vereering op de nomaden uit die streken zou gemaakt hebben.

Inderdaad de eerbied voor zulk een voorwerp kan zeer goed de vereering van een zuiver koren- en boomgeest voorafgaan, daar deze in zulk een omgeving weinig speelruimte voor de openbaring van zijn kracht kan nebben. Wij merken verder op, dat deze maangod van de Nubiërs uit het Neolithisch tijdperk, in een vruchtbaarder land ingevoerd, spoedig geïdentificeerd werd met den wasdom, door vochtigheid verricht en op deze wijze met den Nijl zelf.

In zijn kwaliteit van god over de dooden levert Osiris geen groote moeilijkheid tot verklaring op en in deze ééne figuur vatten wij de verbinding van de ideeën van de maan, de vochtigheid, de onderwereld en den dood tezamen, inderdaad alle verschijnselen van geboorte en vergaan.

Osiris en de Persephone-mythe.

De lezer moet ongetwijfeld de in het oog springende gelijkenis tusschen de mythe van Osiris en die van Demeter en Kore, of Persephone, hebben opgemerkt. Inderdaad sommige avonturen, en wel voornamelijk dat betreffende het kind van den koning van Byblos, zijn geheel en al identisch met gebeurtenissen uit het leven van Demeter. Het is daarom zeer waarschijnlijk, dat beide mythen uit een en dezelfde bron stammen.

Terwijl wij echter in het Grieksche voorbeeld een moeder naar haar kind zien zoeken, zoekt in de Egyptische mythe een vrouw naar de overblijfselen van haar echtgenoot. In de Grieksche mythe treffen wij Pluto als den echtgenoot van Persephone en den beheerscher der onderwereld aan, en tevens, evenals Osiris, voor een god van het graan en den wasdom gehouden, terwijl Persephone, evenals Isis, waarschijnlijk de personificatie van het graan zelf is.

In de Grieksche mythe hebben wij verder een mannelijke en twee vrouwelijke hoofdpersonen, in de Egyptische slechts een mannelijke en een vrouwelijke. De analogie kan wellicht nog nader gebracht worden door de godin Nephthys, die een zuster-godin van Isis was, of in elk geval aan haar verwant, aan het Egyptische verhaal toe te voegen. Aldus zou het den schijn kunnen hebben, dat de Helleensche mythe door Egyptische invloeden, misschien door Cretensische bemiddeling, vervalscht was.

Er rest ons nog Osiris, als heerscher in de onderwereld, aan een beschouwing te onderwerpen. Tot in zeker opzicht is dit reeds in het hoofdstuk, dat over het Boek der Dooden handelt, geschied. De god van de onderwereld is in bijna alle voorkomende gevallen een god van de groeikracht der planten en niet omdat Osiris de god der dooden was, beschermde hij de vruchtbaarheid, doch omgekeerd. Om duidelijker te spreken, Osiris was eerst een god der vruchtbaarheid en eerst later werd hij de god der onderwereld, dit was echter niets toevalligs, het was het logisch resultaat van zijn wezen als god der groeikracht.

Een nieuwe theorie over Osiris.

Wij moeten ook zijn personificatie van Ra in het kort beschouwen; dezen toch ontmoet hij, gaat in hem over en onder zijn naam gaat hij ’s nachts door zijn eigen gebied. Dit zou kunnen duiden op een fusie van de zon- en de maanmythe, de mythe van de zon, welke ’s nachts onder de aarde voortschrijdt, vermengd met die van de nachtelijke reis van de maan, langs het hemelgewelf.

Osiris was een maangod. Deze omstandigheid verklaart de helft van de mythe; de andere helft moet als volgt verklaard worden: Ra, de zonnegod moet ’s nachts de onderwereld doorwandelen, indien hij ’s morgens in het Oosten wil opgaan. Osiris echter, als maangod en misschien als oudere god, alsook in zijn kwaliteit van god van de onderwereld, maakt zich reeds van de baan, welke hij moet passeeren, meester. De banen van beide goden worden vereenigd en wellicht is er eenig bewijs voor deze redevoering in de omstandigheid, dat in het rijk van Seker, Afra (of Osiris) de richting van zijn reis van het Noorden naar het Zuiden wijzigt naar een punt vlak O.-waarts, naar de bergen van den zonsopgang.

De samensmelting van de twee mythen is geheel en al logisch, daar de maan gedurende den nacht in dezelfde richting gaat, als de zon gedurende den dag heeft ingeslagen, en wel van O. naar W.

Gemakkelijk zal men kunnen zien, hoe het kwam, dat men Osiris niet alleen als god en rechter van de dooden, maar ook als symbool van de wederopstanding van het menschelijk lichaam beschouwde.

Frazer hecht groot gewicht aan een schildering van Osiris, waar men zijn lichaam met ontkiemende korenaren bedekt ziet; voor Frazer is dit een evident bewijs, dat Osiris eigenlijk een korengod is. Het komt ons echter voor, dat deze schildering louter een symbool van de wederopstanding is. De omstandigheid, dat Osiris hier wordt voorgesteld in de rustige houding van een doode, geeft aan deze opvatting groote waarschijnlijkheid. De korenaar is over de geheele wereld een symbolische voorstelling van de wederopstanding.

Bij de Eleusinische mysteriën toonde men aan de novices een korenaar, als symbool voor de lichamelijke wedergeboorte en Loskiel, een van de Moravische broeders, citeert een Indiaan uit Noord-Amerika, die aldus spreekt: “Wij Indianen zullen niet voor goed sterven. Zelfs de graankorrels, welke wij onder de aarde verbergen, groeien op en worden levend”.

Onder de Maya van Midden-Amerika en onder de Mexicanen heeft de godin van de maïs een zoon, de groene, jonge teedere loot van den maïsplant en deze herinnert ons sterk aan Horus, den zoon van Osiris, dien wij eveneens als een typisch voorbeeld van de wederopstanding kunnen aannemen.

Later werd de mythe van den wasdom, welke met Osiris verbonden is, in een theologisch leerstuk, betreffende de wederopstanding van den mensch, gemetamorfoseerd en men geloofde, dat Osiris eenmaal een menschelijk wezen was geweest, dat gestorven en verscheurd was. Zijn lichaam was echter weer door Isis, Anubis en Horus, op bevel van Thoth, hersteld.

Met dit proces schijnt een magische ceremonie gemengd te zijn en deze werd op haar beurt door de Egyptische priesters bij iederen doode toegepast en wel in vereeniging met de balseming en de begrafenis van de dooden, in de hoop der wederopstanding.

Men beschouwde nu Osiris als de voornaamste oorzaak hiervan en hij was in staat het leven na den dood te schenken, omdat hij zelf dood was geweest. Men gaf hem den naam van “Eeuwigheid en onvergankelijkheid” en hij was het, die maakte, dat man en vrouw herboren werden.

De opvatting over de wederopstanding schijnt vanaf zeer oude tijden in Egypte in zwang te zijn geweest. Het “Boek der Dooden”, dat men zeer goed “Het Boek van Osiris” zou kunnen noemen, is de voornaamste bron over Osiris; hierin leest men over zijn dagelijksche bezigheden en zijn nachtelijke reizen in zijn onderaardsch koninkrijk.

Isis.

Men moet Isis, of Ast, als een van de oudste en gewichtigste opvattingen over een vrouwelijke godheid in Egypte opvatten In den tijd der dynastiën beschouwde men haar als de tegenhangster van Osiris en wij mogen veilig aannemen, dat zij in de duistere tijden vóór de dynastiën een gelijke positie innam. De philologie voor den naam schijnt onbegrijpelijk. Geen andere godheid is waarschijnlijk over een zoo uitgebreid tijdvak vereerd, want haar eeredienst verdween volstrekt niet met dien van andere Egyptische goden, en bloeide later èn in Griekenland èn in Rome en wordt nog ernstig uitgeoefend in het hedendaagsch Parijs.

Isis stamde wellicht uit Libye en wordt gewoonlijk voorgesteld als een vrouw, gekroond met het symbool van haar naam, terwijl zij in haar hand een scepter van papyrus houdt. Boven haar kroon steken een paar horens uit, welke een discus ophouden en deze wordt op zijn beurt door haar hieroglyph, welke een zetel of troon voorstelt, bedekt. Soms stelt men haar ook met schitterende en veelkleurige vleugels voor, waarmede zij zich in beweging zet, om het lijk van Osiris te bezielen.

Geen enkele andere godin was bij de Egyptenaren zoo populair; waarschijnlijk is de moeite en de ellende, waarvan haar mythe vol was, de reden hiervoor. Deze omstandigheid trok de sympathie van het volk tot haar, doch dit was niet de eenige reden, waarom zij bij de Egyptische volksmassa zoo geliefd was; zij was toch de groote, weldoende godin-moeder en de vertegenwoordigster van den menschelijken geest, in zijn meest geliefden vorm.

In haar mythe, wellicht de schoonste en meest treffende, welke ooit uit het menschelijk brein te voorschijn kwam, vinden wij de ontwikkeling van een zuivere graangodin tot een gevoelvolle vrouw en moeder, die over den dood van haar man treurt en alle pogingen in het werk stelt, om hem tot het leven terug te brengen.

Isis als voorstelling van den wind.

Hoewel Isis ongetwijfeld verscheidene gedaanten bezit en men haar als de groote korenmoeder van Egypte kan beschouwen, is het zeer waarschijnlijk, dat zij in één van haar phases den wind van den hemel voorstelt. Het schijnt, dat dit door hen, die zich met de Egyptologie bezighielden, niet opgemerkt is, maar het bewijs schijnt zeer gemakkelijk.

Osiris, als voorstelling van het koren, sterft, wordt weer levend en naar alle kanten over het land verspreid. Isis is daarna niet te troosten en jammert luide over zijn verlies; zij is zoo luid en hartroerend in haar klacht, dat de prins van Byblos, dien zij voedt, van schrik sterft.

Isis.

Heerlijke geuren draagt zij met zich, zooals de dienstmaagden van de koningin van Byblos vertellen. Zij verandert zich daarna in een zwaluw. Zij doet den dooden Osiris weer leven, door hem met haar vleugels toe te waaien en zijn mond en neusgaten met lieflijke lucht te vullen.

Nu moet men goed letten op het feit, dat zij een van de weinige Egyptische godinnen is, die vleugels dragen. Zij is een groot reizigster en jammert en snikt onophoudelijk.

Indien deze hoedanigheden en omstandigheden geen zinnebeelden van den wind zijn, zal een vernuftiger hypothese, dan hierboven vermeld is, noodzakelijk zijn voor de mythologische betrekking. Isis toch weeklaagt, evenals de wind, zij gilt in den storm, zij draagt den geur van kruiden en bloemen door het land met zich, zij neemt de gestalte van een zwaluw aan, een van de snelste vogels en het typisch voorbeeld van de snelheid van den wind, zij gebruikt daarna het element, waarover zij de meesteres is, om den dooden Osiris te doen herleven; zij bezit verder vleugels, zooals alle godheden, die met den wind verbonden zijn, hebben en evenals de rest van haar soort gaat zij voortdurend heen en weer door het land.

Wij willen hierbij niet de hypothese opwerpen, dat zij een windgodheid par excellence was, doch in een van haar phasen verpersoonlijkt zij zonder twijfel de kracht van den lentewind, welke doet herleven en welke jammert en huilt over het graf van het slapende graan en nieuwe levensaderen aan het werkelooze zaad brengt.

Isis is een van die godheden, welke door toevallige, of andere omstandigheden, bestemd waren tot grootheid te geraken.

Zij bereikte van een Libysche geest, welke op een of andere manier met den groei van het graan verbonden was, gedurende haar regeering van meer dan vier duizend jaar zulk een hoogte, dat alle mogelijke eigenschappen aan haar werden toegewezen.

Dit is zonder uitzondering het geval met godheden, welke gelukkig zijn. Niet alleen nemen zij de eigenschappen van hun medegoden tot zich, maar zelfs eigenschappen, welke met hun oorspronkelijk karakter niet overeenkomen, worden hen, vanwege hun populariteit, in groote mate toegewezen.

Dit was eveneens met Tezcatlipoca, een Mexicaanschen god, oorspronkelijk van de lucht, doch later de god van het noodlot en het geluk en eigenlijk de hoofdgod van het pantheon der Aztec, het geval, en zoo kan men nog veel meer voorbeelden aanhalen.

Aldus is Isis de geefster van leven en voedsel aan de dooden in de Duat, d.w.z. zij brengt met zich de frissche adem van den hemel in de onderwereld en zooals de luchtgod Tezcatlipoca met de rechtvaardigheid geïdentificeerd werd, zoo werd ook Isis met Maat, de godin der rechtvaardigheid, vereenzelvigd.

Isis is wellicht tevens de personificatie van den morgenwind, waaruit de zon geboren wordt. In de meeste landen steekt op het oogenblik, dat de zon opkomt, een wind op en van dezen kan men zeggen, dat hij de zon aankondigt. In haar mythe vinden wij eveneens, dat, toen zij het huis, waarin zij door Set gevangen was gezet, verliet (het zomerverblijf van den wind, welke gedurende dien tijd Egypte geheel en al verlaat), zij door zeven schorpioenen werd voorafgegaan, de hevig stekende rukwinden van den winter.

Zij wezen haar den weg door poelen en moerassen. Vrouwen sloten de deur voor haar gezicht; een kind werd door de schorpioenen gestoken, maar Isis bracht het weer tot het leven terug, d.w.z. het kind herstelt bij de nadering van beter weer. Verder wordt haar eigen zoon Horus door een schorpioen gestoken, ongetwijfeld een toespeling op het feit, dat de hitte van de zon door de winterkoude verzwakt wordt, totdat deze door Isis, den zachten lentewind, hersteld wordt.

Attributen van Isis.

De Isis-mythe vond bij de Egyptenaren een zoodanig geloof, dat zij inderdaad geheel met haar vertrouwd geraakten en volkomen geloofden, dat zij eens werkelijk als vrouw had bestaan.

Meer allegorisch opgevat was zij het vrouwelijke wezen, dat de grond vruchtbaar maakte. Zij was tevens een machtig toovenaarster, zooals is op te maken uit het groot aantal goddelijke en menschelijke wezens, dat zij van den dood bevrijdde. Zij bezat woorden van groote aandrijvende kracht. Haar astronomisch symbool was de ster Sept; deze was het kenmerk van de lente en de nadering van de overstrooming van den Nijl en dit feit verhoogt aldus de waarschijnlijkheid, dat zij in een van haar phases de godin der lentewinden was.

Gevleugelde Isis.

(De vleugels hebben een houding om Horus te beschermen.)

Als de lichtgeefster in dat jaargetijde werd zij Kuth genoemd en als godin van de vruchtbare aarde Usert. Als de macht, welke de krachten van de lente in beweging zette en de overstrooming van den Nijl deed afnemen, was zij Sati en als de godin van de vruchtbare waters Anqet. Verder was zij de godin van de bebouwde landen, godin van den oogst en van het voedsel. Aldus personificeerde zij, alles tezamen genomen, de krachten, welke, den wasdom van het voedsel bevorderen.

Zij personificeert de macht van het lentegetijde, de kracht van de aarde om te groeien en graan op te leveren, het moederschap en alle attributen en aanverwante eigenschappen, welke daaruit ontspringen.

Het is in dit verband niet noodzakelijk haar vereering in Griekenland, Rome en Westelijk Europa na te gaan, daar deze geheel en al van de oorspronkelijke vereering verschilde. De waardige aanbidding van de Groote Moeder nam onder de Europeesche auspiciën een orgiastisch karakter aan en deze deed een beroep op de valsche mystiek van Griekenland, Rome, Gallië en Britannië, juist als heden ten dage op zijn Transatlantisch, of Parijsch prototype. Maar de kracht van dezen cultus in het land, waar hij ontstaan is, kan blijken uit het feit, dat hij tot het einde van de 5e eeuw v.C. niet geheel en al was verzaakt.

Horus.

Zooals wij gezien hebben, werd de god Ra als valk afgebeeld, maar er was een andere god, in gelijke gestalte, die voor hem in het Egyptische land werd vereerd. Dit was n.1. de god Heru of Horus “Hij, die daar boven is”. Deze god bezat verschillende gedaanten.

Als Horus de Oudere wordt hij beschreven als een man, met het hoofd van een valk en men geloofde, dat hij de zoon van Geb en Nut was. Horus werd misschien eigenlijk beschouwd als het uiterlijk van den hemel en als Horus de Oudere stelde hij den hemel bij dag voor, in tegenstelling met Set, die den aanblik van den nachtelijken hemel voorstelde.

Horus de Jongere, of Harpocrates, zooals hij door de Grieken, ter onderscheiding van Horus den Oudere, werd genoemd, wordt als jongeling voorgesteld en was de zoon van god Horus en de godin Rat-Tauit, die te Hermonthis, in de gestalte van een hippopotamus, vereerd schijnt te zijn.

Horus de Jongere stelt de eerste stralen van de opkomende zon voor en hij had niet minder dan zeven vormen, waaronder hij werd voorgesteld.

Het zou niet overeenkomstig het doel van dit werk zijn, al de verschillende gedaanten van Horus in détails te beschrijven; daarom zal het voldoende zijn, de meest belangrijke van dezen op te sommen.

De Horus van de Twee Horizons, de Harmachis van de Grieken, was een van de hoofdgestalten van den zonnegod Ra en was de verpersoonlijking van de zon, in haar dagelijkschen loop, van zonsop- tot zonsondergang. Hij sloot dus de personificaties van Ra, Tem en Khepera in zich en deze omstandigheid geeft ons een goed voorbeeld van het wijd en zijd verbreide systeem van onderling verband, dat in de Egyptische mythologie overheerschte en dat bij een andere mythologie niet tot dien graad voorkwam.

Waarschijnlijk was een aantal van deze Horus-goden plaatselijk. Aldus vinden wij dat Harmachis voornamelijk in Heliopolis en Apollinopolis werd vereerd. Zijn meest bekende monument is de Sphinx, bij de pyramiden van Gizeh. Het eerst vinden wij de Sphinx vermeld in inscripties uit de dagen van Thothmes IV; op deze plaats lezen wij in den tekst, welke op de zuil, tusschen de pooten van de Sphinx is gegrift, de volgende legende over Thothmes en de Sphinx.

De droom van Thothmes.

Daar was een koning in Egypte, Thothmes genaamd een machtig vorst, zeer ervaren in den oorlog en de jacht. Hij had een aangenaam uiterlijk, bezat een schoonheid, welke bijna gelijk was aan die van Horus, dien Isis in het Noordelijke Marshes voortbracht en was zeer geliefd bij goden en menschen.

Hij was gewoon op jacht te gaan in de gloeiende heete woestijn, alleen, of slechts door eenige begeleiders vergezeld en men vertelt het volgende over zijn jachtavonturen.

Op zekeren dag, het was nog voor den tijd, waarop hij den Egyptischen troon besteeg, was hij zonder gevolg in de woestijn aan het jagen. Het liep tegen den middag en de zon stak zoo vreeselijk, dat hij genoodzaakt was de schaduw van den machtigen Harmachis, den Sphinx, op te zoeken. De god was groot en machtig, en zijn beeld was zeer majestueus, met het gezicht van een man en het lichaam van een leeuw, met een adder boven zijn wenkbrauwen. In verscheidene tempels bracht men hem offers en in vele steden vereerde men hem.

Thothmes legde zich nu in de koele schaduw neer om te rusten en sliep spoedig in. Terwijl hij sliep, droomde hij en zie, daar opende de Sphinx zijn lippen en sprak tot hem; het was thans niet meer de stomme rots, maar de god zelf, de groote Harmachis. Aldus sprak hij tot den droomende:

“Zie mij aan, Thothmes, want ik ben de zonnegod, de heerscher over alle volken. Harmachis is mijn naam en Ra en Khepera en Tem. Ik ben uw vader en gij zijt mijn zoon en door mij zal al het goede over U komen, indien gij naar mijn woorden wilt luisteren. Het Egyptische land zal het uwe zijn, zoowel het Noorden, als het Zuiden. In voorspoed en geluk zult gij gedurende vele jaren heerschen”.

Hier hield de god op en het scheen Thothmes toe, of de god zich inspande, zich uit het hem overstelpende zand te bevrijden, want alleen zijn hoofd was zichtbaar.

“Het is, zooals ge ziet”, aldus hernam Harmachis, “het woestijnzand bedekt mij. Volbreng snel, wat ik U opdraag, mijn zoon Thothmes”.

Voordat Thothmes nog kon antwoorden, verdween het visioen en ontwaakte hij. De levend geworden god was verdwenen en in zijn plaats stond weer het machtige beeld, uit stevige rotsblokken gehouwen, voor hem.

En hier moet de geschiedenis noodzakelijkerwijs eindigen. Zij is op een zuil gegrift, in den kleinen tempel, welke zich tusschen de klauwen van den Sphinx bevindt en het overige van de inscriptie is zoozeer uitgewischt, dat het niet te ontcijferen is.

Zuil van Horus.

Heru Behudeti.

Een van de grootste en meest gewichtige gestalten van Horus is Heru-Behudeti, die den middag voorstelt en daarom de zonnehitte, wanneer deze het grootst is. Het was in deze gedaante, dat Horus den strijd tegen Set opnam. Zijn voornaamste heiligdommen waren te Edfu, Philae, Mesen, Aat-ab en Tanis; op deze laatste plaats werd hij in de gedaante van een leeuw, die zijn vijanden vertrapt, vereerd.

Over het algemeen echter schildert men hem af met den kop van havik, terwijl hij in zijn hand een wapen houdt, gewoonlijk een knots, om zijn karakter als verwoester te symboliseeren. In de oude Arthurromans en verder in verschillende andere middeleeuwsche legenden, welke een mythologische afstamming bezitten, lezen wij, hoe sommige ridders in den strijd met hun vijanden krachtiger werden, wanneer de zon aan den hemel grooter werd, doch, wanneer diens stralen afnamen, hun kracht hen in den steek liet. Dit geschiedde met Belin, met koning Arthur, die duizenden in zijn razernij neervelde en met St. George, den patroon van Engeland, oorspronkelijk een Egyptischen halfgod.

Al deze figuren waren waarschijnlijk op een vroeg tijdstip van hun ontwikkeling zonnegoden. Hun geboorte en ontstaan zijn in het duister gehuld, evenals die van het licht, waarvan zij het symbool zijn, d.w.z. zij ontspringen uit het duister.

De oorsprong van Arthur, om een voorbeeld te noemen, was hem zelf onbekend, tot den mannelijken leeftijd en hetzelfde geldt voor Beowulf. De zonnehelden werden dikwijls, als zij in kracht toenamen evenals de zon, welke zij typeeren, dol en sloegen met zulk een meedoogenlooze woede om zich heen, dat zij duizenden op een manier, waartoe een gewone paladijn niet in staat zou zijn, neervelden.

Dit is een typische voorstelling voor de kracht en de woede van de zon in den middag, in het Oostersch klimaat. Daar Heru-Behudeti de god van de middagzon was, was de onmeedoogende krijgsman, die zijn knots zwaait (misschien een aanduiding voor een zonnesteek), en boog en pijlen hanteert, een symbool voor zijn vreeselijke stralen, welke het spook van den nacht en zijn demonische menigte moesten vernietigen. De afbeelding, als leeuw, was zeer juist, want wat is zoo geweldig als de tropische zon? Tegen den middag was hij de al-veroveraar en had het spook van den nacht vertrapt. Op deze wijze stelt hij eveneens de kracht van het goede, tegenover het kwade, voor.

Alsnu volgt de mythe van den strijd met Set en de troepen van zijn duivelsche metgezellen.

De mythe van de gevleugelde schijf.

In het 363e jaar van de heerschappij van Ra-Horakhti op aarde, gebeurde het, dat de god met een machtig leger in Nubië was. Set, de Booze, was tegen hem opgestaan, want Ra was in jaren vooruitgegaan en Set was de listigste en meest verraderlijke van alle wezens. Hij was het ook, die zijn tweelingbroeder Osiris, den grooten en goeden koning, gedood had en hierom verlangde Horus, de broer van Osiris, vurig hem van het leven te berooven.

Met zijn strijdwagens, ruiters en voetknechten landde Ra aan den oever van de groote rivier en kwam te Edfu, waar Horus van Edfu zich met hem vereenigde.

“O Ra”, aldus sprak Horus, “groot zijn uwe vijanden en op listige wijze spannen zij tegen u samen”.

“Mijn zoon”, antwoordde Ra, “wapen u en trek tegen mijn vijanden op en vernietig hen spoedig”.

Hierop trachtte Horus de hulp van god Thoth te verkrijgen, den bedrevene in alle tooverkunsten en met diens hulp veranderde hij zichzelf in een groote zonneschijf, met schitterende vleugels, naar beide zijden uitgespreid. Hij vloog daarna recht op de zon aan en van den hemel zag hij zoo woest op zijn en Ra’s vijanden neer, dat zij noch behoorlijk konden zien, noch hooren. Ieder man beschouwde zijn buurman als een vreemde en een geschreeuw werd aangeheven, dat de vijand hen overvallen had. Zij keerden de wapens tegen elkander, het grootste gedeelte werd verslagen en enkele overlevenden verstrooiden zich. Horus dwaalde een tijd over het slagveld, in de hoop Set te vinden, doch zijn aartsvijand bevond zich daar niet; hij verborg zich in het Noordelijke land.

Daarop keerde Horus naar Ra terug en deze omarmde hem hartelijk. Horus nam nu Ra en de godin Astarte met zich mede en toonde hun het slagveld, met lijken overdekt.

Ra, de koning der goden, zeide daarna tot zijn gevolg: “Komt, laat ons naar den Nijl gaan, want onze vijanden zijn verslagen”.

Set had echter nog een groot gevolg; hij beval nu aan eenige van zijn metgezellen, zich in krokodillen en nijlpaarden te veranderen, om de opvarenden van de heilige bark te kunnen verzwelgen en tevens onkwetsbaar te zijn door hun dikke huid.

Horus echter had zijn smeden verzameld en elk van dezen vervaardigde een ijzeren lans en een ketting en sprak over dezen eenige van zijn altijd machtige tooverspreuken uit. Tevens zei hij de formules op van het “Boek, dat in staat is, de Nijlpaarden te dooden”.

Toen de vreeselijke dieren een aanval deden, was de god tegen hen gewapend; verscheidene dieren werden door de betooverde wapens doorboord en stierven, terwijl de overblijvenden vluchtten. Zij, die naar het Zuiden vluchtten, werden door Horus achtervolgd en ten slotte ingehaald. Er volgde thans een nieuwe hevige strijd en hierin werden de aanhangers van Set opnieuw overwonnen.

Overeenkomstig het verlangen van Ra werd een heiligdom opgericht, om als gedenkteeken van deze overwinning te dienen en zijn beeld werd hierin geplaatst.

Er moest echter nog een andere ontmoeting plaats hebben, voordat de volgelingen van Set geheel en al vernietigd werden.

De slachting van de monsters.

Horus en Ra zeilden hierop Noordwaarts, naar de zee, om Set en diens bondgenooten op te sporen en zij hoopten alle krokodillen en nijlpaarden te vernietigen, daar hun vijanden zich in hun gestalte hadden gehuld.

De dieren echter hielden zich onder water verborgen en vier dagen verliepen er, voordat Horus hen in het gezicht kreeg. Terstond viel hij hen aan en richtte met zijn wapens groote verwoesting onder hen aan, tot groote vreugde van Ra en Thoth, die den strijd vanuit de boot gadesloegen. Honderd twee en veertig werden er bij deze gelegenheid gevangen genomen.

Nog altijd ging Horus voort met de vervolging van zijn vijanden, steeds in de gedaante van een brandende, gevleugelde schijf, tot aan zonsondergang, vergezeld door de godinnen Nekhbet en Uazet in de gestalte van twee slangen. Nog eens haalde hij de bondgenooten van Set in, ditmaal op de Westersche wateren van Mert. Bij deze gelegenheid, evenals bij de andere, was Horus overwinnaar en ongeveer 400 gevangenen werden naar de boot van Ra gebracht en daarna gedood.

Doch nu werd Set zeer vertoornd en besloot in eigen persoon met Horus den strijd aan te binden. Verschrikkelijk waren inderdaad zijn geschreeuw en zijn verwenschingen, toen hij hoorde, welke verliezen zijn leger geleden had. Horus en zijn gezellen trokken daarna Set tegemoet en lang en verschrikkelijk was daarop de strijd. Ten slotte nam Horus iemand gevangen, terwijl hij in de meening verkeerde, dat het Set was. Het ongelukkige wezen werd voor Ra gesleept en deze gaf hem over aan hen, die hem gevangen genomen hadden, met het verzoek met hem naar goedvinden te handelen.

Horus doodde daarna den gevangene, sneed zijn hoofd af, sleurde hem door het stof en sneed zijn lijk in stukken, zooals Set met Osiris had gedaan.

Het was echter slechts een van Sets metgezellen, die op zoo ellendige wijze was omgekomen. Het duivelsche wezen zelf bevond zich nog in vrijheid en zwoer zijn vijanden wraak. In de gedaante van een slang verborg hij zich onder de aarde en de wetenschap, dat hij ongedeerd was, gaf zijn volgelingen moed.

Nog eens echter werden zij door Horus verslagen en deze doodde een groot aantal van hen. De goden bleven gedurende zes dagen op het kanaal en wachtten af, of hun vijand zou verschijnen, doch niemand vertoonde zich. Daarop verspreidde Horus zijn volgelingen, om de overblijfselen van Set’s leger te vernietigen.

De twee laatste gevechten werden bij Thalû (Zalu) en te Shaïs in Nubië, geleverd. Te Thalû nam Horus de gestalte van een vreeselijken leeuw aan en sloeg honderd twee en veertig vijanden neer. Te Shaïs vertoonde hij zich nog eens in de gedaante van een groote lichtgevende schijf, met schitterende vleugels en met de godinnen Nekhbet en Nazet aan iedere zijde, in de gestalte van gekroonde slangen. Ook bij deze gelegenheid kwam Horus als overwinnaar uit den strijd.

Deze mythe eindigt op verschillende manieren. In één verhaal lezen wij, dat de gevangene, die Horus liet onthoofden, niemand anders dan Set was; deze werd echter weer levend en nam de gedaante van een slang aan. In dit verhaal wordt Horus van Edfû vergezeld door Horus het kind, den zoon van Isis en Osiris.

In dezelfde inscriptie, welke het verhaal geeft over de gevechten, worden Horus de Oudere en Horus het Kind ten slotte met elkaar verward. Zoo doodt Horus het Kind Set, terwijl Horus de Oudere de gevechten levert. Men moet hen echter voor een en denzelfden houden. Volgens één verhaal leverde Horus, toen hij Set gevangen had genomen, hem aan Isis over en deze sneed hem het hoofd af.

Een andere lezing verhaalt echter, dat de beslissende strijd nog niet geleverd is en dat Horus ten slotte zijn vijand geheel en al zal vernietigen, als Osiris en de goden nog eenmaal naar de aarde zullen terugkeeren.

Andere Horus legenden.

Nog een ander verhaal vermeldt, dat, toen Horus het Kind een man geworden was, Set voor den dag kwam en hem tot een doodelijk gevecht uitdaagde. Daarom vertrok Horus in een boot, welke door Isis prachtig versierd was en die deze door formules betooverd had, zoodat de inzittenden niet overwonnen konden worden.

Ondertusschen had de aartsvijand der goden de gestalte van een reusachtig, rood nijlpaard aangenomen. Hij veroorzaakte een woesten storm, welke over de booten van Horus en zijn gezelschap losbarstte, zoodat de wateren tot razernij werden opgezweept en indien de booten niet door toovermiddelen beschermd waren, zouden allen ongetwijfeld zijn omgekomen.

Horus hield echter onverschrokken zijn koers. Hij had de gedaante van een jongeling van reusachtigen lichaamsbouw aangenomen en stak boven de vergulde voorsteven van zijn boot, welke evenals het zonlicht temidden van den storm en de duisternis straalde, uit. Een groote harpoen werd door hem gehanteerd, zoo groot, dat een gewoon sterveling deze niet had kunnen slingeren.

In het water loerde het nijlpaard op de boot, om deze te vernietigen en zijn vijanden te dooden. Het was hem echter niet beschoren, dit ten uitvoer te brengen, want zoodra het zich boven het water vertoonde, werd de zware harpoen naar zijn hoofd geslingerd en drong in zijn hersens.

Dit was het einde van Set, den Booze, den moordenaar van Osiris en den vijand van Ra. Ter eere van Horus den Overwinnaar werden er hymnen en overwinningskoren door het geheele land gezongen.

In de mythen van de gevechten van Horus kan men gemakkelijk de zonnemythe onderscheiden, iets wat men in bijna alle mythologische opvattingen tegenkomt. Horus, in de Edfû tekst Horbehûdti, d.w.z. Horus van Edfû genaamd, was oorspronkelijk een zonnegod en was als zoodanig met Ra equivalent, doch na een tijd werden de twee goden als afzonderlijke wezens beschouwd, terwijl men Ra voor den hoogsten hield en Horus hem als helper in den oorlog diende. De gevleugelde schijf en zijn geheele gevolg waren de verpersoonlijking van de krachten van het licht, terwijl de listige Set en zijn gezellen een symbool voor de duisternis waren. Zoo komt het, dat, terwijl Horus steeds zijn vijanden overwon, hij nooit geheel en al succes had (tenminste volgens den meest verspreiden vorm van de overlevering), daar hij hen slechts schijnbaar vernietigde.

Strijd van Horus.

Evelyn Paul.

Daar Horus zijn vijand in de gestalte van een gevleugelde schijf vernietigd had, werd dit symbool als een buitengewoon goed voorbehoedmiddel tegen geweld en vernietiging beschouwd. Daarom werd het herhaaldelijk en overal aangebracht in tempels, op monumenten, zuilen en zoo voorts en men geloofde, hoe meer men het aanbracht, des te krachtiger het toovermiddel werkte. In zijn eenvoudigsten vorm is het beeld slechts dat van een gevleugelde schijf, doch allengs komt er een slang aan iedere zijde van de schijf, als voorstelling van de godinnen Nekhbet en Uazet, bij.

Oorspronkelijk was de mythe, welke zich met Hor-Behûdti, of Horus van Edfû, bezighield, in werkelijkheid een plaatselijke, hoewel deze na verloop van tijd een grootere uitbreiding verkreeg. In andere vormen van de legende kregen andere goden de hoofdrol van vernietiger van de vijanden van Ra.

Met deze legende van licht en duisternis werd een andere vereenigd, n.1. die, welke verhaalt, hoe Horus den dood van Osiris wreekt. Nu moet men wel opmerken, dat er in deze tweede mythe eenige verwarring bestaat tusschen Horus den Oudere en Horus het Kind, respectievelijk broer en zoon van Osiris.

In de Edfû tekst wordt er van Osiris geen melding gemaakt, maar dat deze mythe een vervolg op de Osiris-mythe is, wordt hierdoor aangeduid, dat Set aan Isis en Horus het Kind ter bestraffing wordt overgegeven. In de latere gedaante van de geschiedenis is het conflict niet meer eigenlijk tusschen licht en duisternis, maar eerder tusschen de machten van het goed en kwaad.

In deze legende is een van de meest merkwaardige omstandigheden, dat de volgelingen van Horus van metalen wapens voorzien waren. Zijn volgelingen worden in de Egyptische tekst Mesniu, of Mesnitu, genoemd, wat waarschijnlijk: metaalwerker, of grofsmid beteekent.

De vereerders van Horus van Behudet spreken voortdurend over hem als van den “Heer van de Smedenstad”, of Edfû, waar hij volgens de overlevering het bedrijf van smid had uitgeoefend, zooals wij uit een inscriptie weten. In den tempel van die stad bevond zich achter het heiligdom een vertrek, Mesnet genaamd, een woord dat metaalgieterij beteekent en hier maakte de smedenkaste der priesters den god haar opwachting.

Uit afbeeldingen op tempelmuren zien wij, dat dezen met korte mantels en een soort van kraag, welke veel op een cape lijkt, waren uitgedost en dat zij hun speren met de punt naar beneden droegen en daarbij nog een wapen voerden, dat veel op een dolk gelijkt.

Horus van Behudet, die hem vergezelt, is op gelijke wijze gekleed en men ziet hem op de afbeelding een nijlpaard treffen met een speer, waarom hij een dubbele metalen ketting heeft gewonden. Dit illustreert de geschiedenis van het verslaan van Set door Horus van Behudet en wij mogen aannemen, dat de legende een meer of minder historische basis bezit.

Wij zien hier een stam, of kaste, van metaalwerkers, welke met een oogenschijnlijk meer primitieven stam oorlogvoert; dezen verslaan zij met hun wapens en binden hen met hun kettingen en slachten hen daarna op hun gemak. Het is opmerkelijk, dat zij hen niet op staanden voet dooden. Waarvoor bewaren zij hen dan? Zonder eenigen twijfel om geofferd te worden. Zij vormden een kaste van zonaanbidders, en menschenbloed was in het oude Egypte even noodzakelijk voor het bestaan van de zon als in het oude Mexico; immers ook daar onthield de militaire kaste, welke zich onder het patronaat van de zon plaatst, zich ervan, een vijand in den slag te dooden, indien zij hem krijgsgevangen kon maken, om hem daarna op hun gemak te offeren.

De legende zou een aanwijzing kunnen zijn, dat wij hier de lotgevallen van West-Aziatische indringers aanschouwen, die, na op Egyptischen bodem geland te zijn, zichzelf van Edfu meester maakten en, terwijl zij noordwaarts marcheerden, door wapengeweld zich in het land vestigden. Deze geschiedenis, of stuk geschiedenis, werd waarschijnlijk, door invloed van priesters, met de legende van Horus, den hemelgod in oudste tijden, vereenigd.

Een andere, gewichtige gedaante van Horus was die van Horus, zoon van Isis en Osiris. Hij was de personificatie van de opkomende zon, zooals verschillende andere gestalten van Horus en hij bezat verschillende gedaanten. Zijn heiligdommen waren zoo talrijk, dat hij op een of ander tijdstip met alle andere Horus-goden geïdentificeerd werd, doch hoofdzakelijk stelde hij de nieuwe zon voor, welke dagelijks weer ontstaat en hij was de zoon en opvolger van Osiris.

Hij was buitengewoon populair, daar hij de wederopstanding na den dood typeerde. Zooals Osiris den dag van gisteren voorstelde, zoo vertegenwoordigde Horus, zijn zoon, in den Egyptischen geest den dag van heden. Hoewel sommige teksten ons vertellen, dat Osiris zijn vader was, eischen andere deze functie voor Ra op, maar deze twee zijn in dit opzicht een en dezelfde.

Osiris werd de vader van Horus, nadat hij dood was; dit is de oorsprong van verschillende zon-halfgoden. Zooals reeds gezegd is, is de geboorte van zulke wezens gewoonlijk eigenaardig, of in duister gehuld.

Terwijl Isis Horus, haar kind, verzorgde en voor de vervolgingen van Set bevreesd was, zocht zij in de moerassen van de Delta beschutting en verborg zichzelf en haar kind temidden van een dichte massa papyrus-planten.

Het kon nu de Egyptenaren uit de Delta toeschijnen, dat de zon uit de met papyrus overdekte moerassen, welke zich aan beide zijden van den horizon uitstrekten, oprees en op deze wijze kunnen wij deze mythe eenvoudig op allegorische wijze uitleggen. De omstandigheden van de ontsnapping van Isis uit de handen van Set zijn reeds in de Osiris-mythe in détails behandeld.

De kinderlijke liefde, welke Horus aan de nagedachtenis van zijn vader Osiris bewees, bezorgde hem veel achting van de zijde der Egyptenaars. Hij was het, die de bijzonderheden van de mummificatie van den god vaststelde en die het richtsnoer voor den vromen Egyptischen zoon bepaalde.

Daarom beschouwde men hem als helper van de dooden en men geloofde, dat hij de tusschenpersoon tusschen hen en de rechters van de Taut was. Bij het verzorgen van de dooden, had hij een menigte helpers, bekend onder den naam van volgers van Horus en dezen werden als goden van de vier hoofdpunten van het kompas beschouwd. In het Boek der Dooden legt men hun groot gewicht bij en zij namen deel aan de bescherming van het lichaam der gestorvenen, zooals in het gedeelte, dat over de mummies handelt, is vermeld. Zij waren vier in getal en waren Hapi, Tuamutef, Asmet en Qebhsennuf genaamd.