Het wegen van het hart.
Uit de Papyrus van Ani.
Reproductie met toestemming van den Directeur van het Britsch Museum.
Op deze plaats is zijn boot geheel en al overbodig, daar er in het duistere rijk van Seker geen enkele rivier is, iets, wat geheel en al in strijd met de idee over Osiris schijnt te zijn. Daarom zegt hij herhaaldelijk woorden op, welke een buitengewone kracht hebben en dezen dwingen den god van die plaats hem langs de onderaardsche streken te geleiden; hieruit komt hij daarna in Amhet, waar zich een stroom van kokend water bevindt. Doch hij verlaat eerst het rijk van Seker, wanneer hij de zesde afdeeling bereikt, waar de gestorven koningen van Egypte en de Khu, of Geest-zielen, wonen.
Op dit punt van zijn reis wendt Af Ra zijn gelaat naar het Oosten en richt zijn koers naar het Gebergte van den zonsopgang. In de zevende afdeeling voegen Isis en andere godheden zich bij hem; hier wordt zijn weg door de listige slang Apep versperd, doch de goden, die hem bijstaan, steken hun zwaarden door diens lichaam.
Een gezelschap van goden loodst hem door de achtste afdeeling, maar zijn vaartuig gaat door eigen kracht door de 9e streek en in de 10e en 11e schijnt hij een aantal meren te passeeren, welke wellicht een voorstelling van de lagunen van de delta zijn. In de laatste afdeeling wordt zijn voortgang door een lichtschijf bevorderd, door een slang omringd, welke op den voorsteven van zijn boot rust.
De twaalfde streek bevat de groote massa hemelsche wateren, Nu genaamd en hier woont Nut, de personificatie van den morgen. Voor de boot duikt de groote slang Ankh-neteru op en twaalf goden, die de reeplijn vasthouden, trekken den god door het lichaam van het monster en brengen Af Ra uit diens mond te voorschijn, niet als Af Ra echter, want gedurende dien doortocht wordt hij in Khepera veranderd en in diens gestalte wordt hij door twaalf godinnen naar den hemel gesleept; dezen leiden hem voor Shu, den god van de atmospheer van de aardsche wereld.
Shu plaatst hem in de opening van den muur, welke het eind van de twaalfde afdeeling vormt en thans vertoont hij zich aan de oogen der stervelingen als een lichtschijf, terwijl hij zijn mummie-vorm, waarin hij door de Duat ging, heeft afgelegd.
Zijn voortgang wordt door de toejuichingen van de goden, die hem begeleiden, gevolgd; dezen overvallen en vernietigen zijn vijanden en zingen lofliederen te zijner eere.
De Duat, in het Boek der Poorten beschreven, verschilt aanmerkelijk van die in “Het Boek van Hem, die in de Duat is”, doch ook deze laatste heeft twaalf afdeelingen en een ongeveer gelijke reis wordt daarin geschetst.
De voornaamste goden, die in het Boek der Dooden genoemd worden, zijn de volgende: Tem, of Atmu, Nu, Ra, Khepra, Ptah, Ptah-Seker, Khnemu, Shu, Set, Horus, Thoth, Nephthys, Anubis, Amen en Anu, inderdaad het grootste aantal van de voornaamste goden van Egypte.
Behalve dezen waren er nog verscheidene mindere goden en een groot gezelschap van geesten, demonen en andere bovennatuurlijke wezens. Vele van deze demonen waren zeer oude vormen van half vergeten goden. Men moet wel letten op het feit, dat Osiris feitelijk op ieder station van zijn reis een, of meer, van zijn goddelijke metgezellen achterlaat en men stelde voor, dat zij sindsdien de beheerschers, of satrapen van de streken werden, waarin hij hen achtergelaten had. Zoo placht een Pharaoh, op deze aarde, zijn hovelingen voor bewezen diensten te beloonen.
In den tijd van het Middenrijk nam de opvatting over Osiris, als rechter over de dooden, een vaste gestalte aan en werd algemeen erkend. In een van de hoofdstukken van het Boek der Dooden vinden wij hem in een ruime hal, waarvan de zoldering met vuur en symbolen der waarheid bedekt is, zitten. Voor hem bevinden zich het symbool van Anubis, de vier zonen van Horus, en de Vernietiger van het Westen, een monster, dat als zijn beschermer fungeert. Aan de achterzijde zitten de 42 doodenrechters.
De gestorvene verschijnt voor den god en zijn hart wordt in eene groote weegschaal gelegd om door Anubis gewogen te worden, terwijl Thoth, de schrijver van de goden, er bij staat, om het resultaat op zijn plankjes te schrijven. Wanneer hij den uitslag aan Osiris heeft medegedeeld, wordt de doode man, indien hij tenminste waardig bevonden is, aan den god voorgesteld; voor dezen zegt hij dan een lang gebed op en hierin verklaart hij, dat hij geen enkel kwaad bedreven heeft.
Zij, die niet aan het onderzoek beantwoordden, werden weggejaagd en liepen gevaar, door een vreeselijk monster, Beby genaamd, dat buiten op hen loerde, verslonden te worden. Zij echter, die rechtvaardig bevonden waren, namen aan de levenswijze van Osiris en de andere goden, van welke men zich klaarblijkelijk voorstelde dat zij aan die van de Egyptische aristocratie gelijk waren, deel.
Zooals reeds opgemerkt is, mocht de gestorvene zichzelf veranderen in een dier-gestalte, welke hij zelf verkoos. Het leven van den doode, die rechtvaardig bevonden was, wordt juist geschetst in een inscriptie op het graf van Paheri, vorst van El Kab, welke als volgt luidt:
“Gij gaat in en uit, met een verheugd hart en met de belooningen van de goden... Gij wordt een levende ziel, gij hebt macht over brood, water en lucht. Gij verandert uzelf in een phoenix, een zwaluw, een sperwer, of een reiger, al naar gij verkiest.
Gij steekt over in de boot en wordt niet gehinderd. Gij zeilt over het water, wanneer een vloed opkomt. Gij leeft opnieuw en uw ziel heeft het lichaam niet verlaten.
Uw ziel is een god, tezamen met den verlichter en de uitstekende zielen spreken met U. Gij zijt onder hen en ontvangt, wat men op aarde geeft; gij bezit water, lucht en hebt overvloed van datgene, wat gij begeert. Uw oogen worden U gegeven, om te zien, Uw ooren om te hooren spreken, Uw mond spreekt, Uw beenen bewegen zich, Uw handen en armen spannen zich voor U in, Uw lichaam groeit, Uw aderen zijn in goeden toestand, en gij voelt Uzelf gezond in al Uw ledematen. Gij hebt Uw oprecht hart in Uw bezit en Uw vroeger hart behoort U. Gij stijgt op ten hemel en wordt iederen dag opgeroepen tot de offertafel van Wennofre, gij ontvangt het goede, dat aan hem geofferd wordt en de gaven van den Heerscher van de necropolis.”
Het Boek der Dooden is oogenschijnlijk een allegorische voorstelling van den gang van de zon door de onderwereld. Het ondergaan van de zon, in den avond, deed natuurlijkerwijze bij den primitieven mensch de vraag opkomen, waar het licht, gedurende de uren der duisternis, bleef, want de zon was voor de oudste menschen een levend wezen.
Hij kon de beweging van de zon door de lucht waarnemen en andere weldaden, welke hij van haar ontving brachten hem er toe, haar als de bron van alle goed te beschouwen. Het scheen hem verder toe, dat haar dagelijksche loopbaan door den aanval van een of anderen vijand werd afgebroken en het logisch gevolg was natuurlijk de overtuiging, dat de macht, welke aan de zon vijandig was, een kwade gezindheid moest hebben. Deze macht werd als een slang, of draak, afgebeeld, welke tegen den nacht met het licht streed en het voor een poos overwon.
De goden van verschillende godsdienstige stelsels moeten naar de andere wereld afdalen, om met machten van dood en hel te strijden. Wij kennen een analoog geval in de Popol Vuh van Midden-Amerika, waarin twee heldgoden, de zonen en neven van de zon en de maan in den duisteren afgrond van den Maya Hades afdalen, zijn kracht vernielen en in triumf terugkeeren.
Men heeft vermoed, dat het Boek der Dooden niets meer, of minder, was dan het ritueel van een geheime broederschap en dat de verschillende hallen, welke hierin voorkomen, de symbolische voorstelling van de verschillende inwijdingsphases, welke de leden moesten doorloopen, zijn.
Nu is bet merkwaardig, dat T. Athol Joyce, van het Britsch Museum, in zijn nieuw, interessant werk, getiteld: “Mexican Archaeology” vertelt, dat het hof van de onderaardsche Maya, waarop in de Popol Vuh gezinspeeld wordt, volgens het principe van een geheim genootschap geleid schijnt te zijn, met een bepaalden vorm van inwijding.
Het staat zoo goed als vast, dat de mysteriën van Eleusis en daaraan gelijke inwijdingsplechtigheden, met het leven in de onderwereld verbonden werden (en dit is speciaal het geval bij de geschiedenis van Demeter en Kore, of Ceres) en dat een theatrale voorstelling van het dwalen van de moeder, terwijl zij haar dochter zoekt, in den loop der plechtigheid gegeven werd.
Deze Grieksche goden waren, behalve van de dooden, goden van den landbouw en wel van het koren Goden van de onderwereld echter bevorderen dikwijls den groei van het graan, daar men geloofde, dat het koren, onder de aarde, door hun invloed gedijde.
Wij vinden b.v. in de Popol Vuh, dat Xquiq, de dochter van een van de heerschers der onderwereld, in staat was, in eenige minuten een maïsveld te oogsten, op een plaats, waar dit tevoren nooit geweest was.
Dit alles schijnt een aanwijzing te zijn voor de waarschijnlijkheid, dat, ook al bevatte het Boek der Dooden geen vroeg type van een inwijdingsplechtigheid, het toch een machtigen invloed op de plechtigheden heeft uitgeoefend, toen dezen ontstonden. De mysteriën van de Cabiri, om een voorbeeld te noemen, zijn, naar men vermoedt, van Egyptischen oorsprong.
Aan den anderen kant, is het waarschijnlijk, dat het Beek der Dooden het ceremonieel van een oudere prae-historische mysterie, welke door de Egyptenaren uit den tijd der dynastieën vergeten is, voorstelde. Onbeschaafde stammen, over de geheele wereld, bezitten zulke mysteriën. De Indianen van Noord-Amerika en de negers van Australië bezitten zeer uitvoerige inwijdingsceremonies Op deze wijze is het waarschijnlijk, dat het Boek der Dooden het ritueel van Neolitische, onbeschaafde volken bewaarde, dat dezen duizenden jaren, voor de verbinding met den eeredienst van Osiris, uitoefenden.
De Plaats der Straffen.
Hoewel het schijnt, dat niet een gedeelte van de Duat speciaal voor de slechten gereserveerd werd, werden dezen op voldoende wijze op allerlei manieren gekweld, om hun bestaan tot een bestraffing, voor eenige misdaden, gedurende hun leven begaan, te maken.
Aan een eind van deze streek bevonden zich vurige afgronden, waarbij afschuwelijke goden de wacht hielden, die de lichamen der gestorvenen lieten vernietigen en in stukken houwen, voordat zij verbrand werden. Hun bestraffing werd echter door de verschijning van Ra-Osiris, op zijn nachtelijke reis, verzacht, want, als hij verscheen, werden de folteringen tijdelijk gestaakt.
De goden, die over de veroordeelden straf uitoefenden, waren de vijanden van Osiris, personificaties van duisternis, nacht, mist, damp, storm, wind enz., en dezen werden overdag door de krachtige stralen van het licht vernietigd Dezen werden in menschelijke gedaante afgebeeld en ten onrechte vermoedt men, dat de afbeelding van hun vernietiging een voorstelling van het verbranden van de zielen der veroordeelden was.
Deze booze vijand werd met iederen omloop van de zon vernieuwd, zoodat het den schijn wekte, of een nieuwe slagorde van vijanden Ra iederen nacht en iederen morgen aanviel. Gedurende den tijd tusschen schemering en zonsopkomst werden zij verslagen en gestraft.
De zielen van de verdoemden waren op geen enkele wijze in staat, den voortgang van Ra te verhinderen, doch in later tijd werden zij tot op zekere hoogte met de vijanden van Ra geïdentificeerd, woonden met dezen en hielpen hen bij den aanval tegen den zonnegod.
In den daarop volgenden strijd werden zij door de krachtige zonnestralen, als pijlen, of speren, voorgesteld, doorboord en de messen, welke hun lichamen in stukken hakten, waren de zinnebeeldige voorstelling van de vlammen, welke uit het lichaam van Ra te voorschijn kwamen. De meren en poelen van vuur, waarin zij ondergedompeld werden, stelden den aanblik van den Oostdijken hemel bij de opkomst van de zon voor.
Er is niets in den Egyptischen godsdienst, dat het geloof in een eeuwigdurende straf wettigt en zulk een gezichtspunt is met het materiaal van de teksten onvereenigbaar.
Er is inderdaad niets in de Egyptische godsdienstige voorstelling, dat met de Hel van de Joden, of het Vagevuur en de Hel van het Middeleeuwsch Europa parallel loopt.
De Egyptische idee over den dood sloot de opvatting over de wederopstanding van het physieke lichaam, in de onderwereld, niet in zich, doch men geloofde, dat, als het lichaam vernietigd was, de ka, of dubbelganger, de schaduw en geest van den mensch, eveneens te gronde moest gaan.
Het is intusschen vreemd, dat de Egyptische idee van tijdelijke straf, na den dood, aan de ouderwetsche opvatting over dien toestand, in Koptische bronnen, kleur gegeven schijnt te hebben. De Koptische Christenen, uit Egypte, schijnen de idee van bestraffing, in de Duat, bijna geheel van hun heidensche voorvaderen, of tijdgenooten, overgenomen te hebben.
Amélineau citeert een Koptisch werk, waarin een doode Egyptenaar vertelt, dat op het doodsuur straffende engelen, met messen en andere wapenen, welke zij door zijn lichaam staken, gewapend, zich rondom hem verzamelden. Andere geesten trokken zijn ziel uit zijn lichaam, bonden dezen op een zwart paard vast en galoppeerden met dezen naar Amentet weg.
Daar aangekomen, werd hij eerst op een plaats, welke vol walgelijke slangen was, gefolterd en daarna werd hij naar buiten, in de duisternis, geworpen. Hij viel in een put, welke op zijn minst twee honderd voet diep was; hierin bevonden zich slangen van allerlei soort, elk van zeven koppen voorzien en werd hij aan een slang, welke tanden had, op ijzeren staven gelijkende, overgegeven.
Iedere week, van Maandag tot Vrijdag, knaagde dit monster aan den ongelukkige, alleen des Zaterdags en Zondags hield de foltering op.
Alleen wat het feit betreft, dat hier niet gesproken wordt van een altijddurende straf, verschilt deze plaats van bestraffing van gelijksoortige voorstellingen in andere mythologieën; de voorstelling van de uitgeoefende straf echter, het snijden met messen, het steken met speren, het brandende vuur en zoo voorts, is eigenlijk dezelfde voorstelling, als bij andere godsdiensten.
De voorstelling van de Egyptische onderaardsche streken gelijkt verder geheel en al op die in andere mythologische stelsels.
Men moet niet denken, dat de Egyptenaren, met hun nauwkeurig uitgewerkte voorzorgsmaatregelen voor de bewaring van het lichaam, na den dood, in een eeuwige straf gelooven konden. Waarschijnlijk kunnen zij geloofd hebben in de straf van ieder ander, maar het is hoogst onwaarschijnlijk, dat eenig Egyptenaar, die zich een tijd aan de bestudeering van het Boek der Dooden overgegeven had, geloofde, dat hij zelf verdoemd was. Zijn geheele toekomst hing, volgens dat boek, van de kennis der machtwoorden, daarin vervat, af en zeer zeker kon niemand, terwijl hij zoo betrekkelijk gemakkelijke middelen had, om aan het gevaar te ontsnappen, zoo dwaas zijn, dezen te veronachtzamen.
De Egyptische Hemel.
Zooals reeds opgemerkt is, schijnt men zich bij de Egyptenaren geen voorstelling van de juiste ligging van den hemel gemaakt te hebben, maar over het algemeen kan men zeggen, dat de Egyptenaren geloofden, dat deze zich ergens boven in de lucht bevond. Zij noemden dezen Pet, een uitdrukking, welke zij gebruikten ter onderscheiding van het woord Nu, dat de lucht beteekent.
Zij stelden zich den hemel en de lucht als een plaat voor, terwijl de uiteinden daarvan op een onderstel, door de twee bergen Bakhau en Manu gevormd, rustten; dit waren de bergen van den zonsop- en ondergang.
In oude tijden stelde men zich voor, dat de hemel uit twee gedeelten bestond, n.l. het Oosten en het Westen; later echter werd hij in vier deelen verdeeld en elk van dezen onder de bescherming van een god geplaatst. Deze streek werd door vier pilaren gestut en elk van dezen stond wederom onder de bescherming van een godheid; op een betrekkelijk laat tijdstip werd er nog een pilaar aan toegevoegd, om het midden te schragen.
In een mythe vinden wij over den hemel gesproken als voorzien van een menschelijk hoofd, terwijl de zon en de maan de oogen vormen en de steunsels door het haar gevormd worden. De goden van de vier kwartieren, die de oorspronkelijke zuilen bewaakten, waren de z.g. Canopische godheden, elders ook de kinderen van Horus genaamd.
In den hemel huisde de groote god Ra; hij was op een metalen troon gezeten, waarvan de zijden door leeuwenkoppen en hoeven van stieren ingelegd waren. Zijn gezellen omringden hem en dezen werden op hun beurt door de kleinere goden omgeven. Iedere god, die de wereld en de Duat bestuurde, had eveneens zijn eigen plaats in den hemel.
Onder de lagere goden stonden nog wezens, welke men eenigszins met engelen zou kunnen vergelijken. De voornaamste onder dezen waren de Shemsu-Heru, of volgelingen van Horus, die den zonnegod bedienden en, als het noodzakelijk was, onder zijn bescherming kwamen.
Men beschouwde hen noodzakelijk voor zijn welzijn. Op dezen volgden de Ashemu, doch hun attributen zijn onbekend en na hen de Henmemet, misschien zielen, welke menschelijke wezens moesten worden, maar hun toestand is niet helder. Men stelde het voor, dat zij van graan en kruiden leefden.
Ook bevonden er zich nog wezens, Utennu en Afa genaamd, doch ook van hun karakter is absoluut niets bekend. Op dezen volgde een ontelbaar aantal geesten, zielen enz.; de meesten van dezen hadden op aarde gewoond en waren gezamenlijk bekend als: “de levenden”.
De Egyptenaren geloofden, dat dezen op vastgestelde tijden over de aarde konden wandelen en weer naar den hemel terugkeeren, een idee, welke waarschijnlijk hieruit ontstond, dat zij voor een toekomstig leven, zoowel voor het lichaam, als de ziel en den geest, wilden zorgen.
Zooals reeds tevoren opgemerkt is, hadden de hemelgoden hun dubbelgangers op aarde en men geloofde, dat de mensch, tot zekeren graad, aan deze dubbele natuur deel had. De Egyptische opvatting nu over den hemel veranderde langzamerhand, gedurende de eeuwen. Een onderzoek van de oudste gedenkschriften toont ons aan, dat de idee over een bestaan, na den dood, werd opgevat als een soort van onbestemde verlenging van het leven dezer wereld. Zulk een idee is allen primitieven rassen gemeen.
Op den duur echter werd deze opvatting geheel en al veranderd en een meer geestelijke nam haar plaats in. De ziel (ba) en de geest (khu), welke gewoonlijk in de hieroglyphen-teksten als een havik en een halfgod voorgesteld worden, kregen aan het hemelsche voedsel deel, werden één met de goden en langzamerhand met hst verheerlijkt lichaam, of de hemelsche stof, vereenigd, zoodat de ziel, de kracht, de schaduw, de dubbelganger en naam van den gestorvene tezamen in het eene hemelsche lichaam, onder den naam Sahu bekend, vereenigd werden; men zou dit als een geestelijk lichaam kunnen beschouwen. Men geloofde, dat dit uit het doode lichaam groeide en zijn ontstaan werd veroorzaakt door de magische ceremonies en door de machtwoorden, door de priesters gedurende den begrafenisdienst gesproken.
Het Leven der Gelukzaligen.
In het Boek der Dooden wordt verteld, dat de geesten in den hemel 4.601.200 in getal zijn. Men heeft vermoed, dat dit getal waarschijnlijk de Egyptische optelling was van al de geesten van menschen, die gestorven en in den hemel opgenomen waren; dit is echter zeer onwaarschijnlijk, en wel om voor de hand liggende redenen.
De manier, waarop deze geesten hun tijd doorbrachten, is zeer duister. Sommige leidden den loop der hemellichamen, andere vergezelden de groote goden, op hun reis door den hemel, terwijl weer andere het toezicht op wereldsche zaken hielden.
Zij zongen hemelsche liederen, ter eere van Ra, als oppersten heerscher over de goden en hun hymnen beschreven de wonderen van zijn macht en glorie. Zij leefden van de lichtstralen, welke van het oog van Horus vielen, dat wil zeggen, zij werden door het zonlicht gevoed, zoodat hun lichamen langzamerhand geheel en al uit licht samengesteld werden.
Volgens één mythe leefden de goden zelf van een plant, welke de levensplant genoemd werd, welke bij een groot meer groeide. Deze opvatting is in overeenstemming met een idee, welke voorstelde, dat de gestorvenen in een Paradijs leefden, waar weelderig bloeiende graanvelden door ontelbare kanalen bevochtigd werden en waar stoffelijke genoegens, van allerlei soort, hun ten dienste stonden. Het was misschien deze plaats, waar men het voorstelde, dat het eeuwige brood, het eeuwige bier, de hemelsche vijgeboom en andere dergelijke dingen het voedsel van de gestorvenen uitmaakte. Men geloofde verder, dat de gelukzaligen een gelijke kleeding als de goden droegen, doch eenige van hen schijnen, volgens hun voorstelling, een linnen gewaad en witte sandalen, aan hun voeten, gedragen te hebben.
Dit alles doet ons zien, dat de hemel van de oudste Egyptenaren eenvoudig een verlenging der aardsche toestanden was, of misschien zou men kunnen zeggen, een verbetering hiervan. Zoo lang de Egyptenaar de middelen bezat om brood te bakken en bier te brouwen, zoolang hij heldere kleeren had en beschutting vond op een plaats, welke rondom door kanalen doorsneden was, beschouwde hij dezen toestand als den besten van alle hemels. Het koren placht natuurlijk uit zichzelf te groeien. De geheele idee was materieel, daar het leven eenvoudig, doch gemakkelijk was.
Aangaande den Egyptischen hemel is er niets sophistisch, zooals bij het Mohammedaansche of Christelijke rijk der gelukzaligen; zelfs de manier het te bereiken was primitief, daar de oudste bewoners van het Nijldal geloofden, dat zij den hemel bereiken konden, door over de bergen, welke dezen schraagden, te klimmen, terwijl de latere bewoners het geloof koesterden, dat zij een ladder noodig hadden, om daarheen te klimmen.
In verscheidene graven werden deze ladders zoo geplaatst, dat de dooden van hun astrale tegenhangers gebruik konden maken, om de hemelsche streken te bereiken. Zelfs Osiris had een dergelijke ladder noodig en werd door Ra en Horus, of door Horus en Set, bijgestaan om deze te beklimmen.
Men vindt in verschillende papyri van het Boek der Dooden beschrijvingen van zulke ladders, welke in de graftomben geplaatst werden. Haar lengte werd door den gestorvene zelf bepaald, in overeenstemming met de kracht der tooverwoorden, welke hij over haar uitsprak.
De gestorvene was verder, eveneens door tooverwoorden, in staat, zich in een vogel, of andere dierengestalten, te veranderen. Het is moeilijk, de reden van deze veranderingen in het Paradijs aan te geven, maar de opvatting heeft eenige overeenkomst met die der Aztec-krijgers, die geloofden, dat, wanneer zij het gebied van den zonnegod binnengetreden zouden zijn, zij hem op zijn reis vergezellen zouden en naar de aarde zouden afdalen, in de gedaante van een kolibrie.
1 Zie: Zeitschrift für Aeg. Sprache, 2, p. 127: The Cult of the Drowned in Egypt.
2 Een andere lezing geeft de kinderen van Nut alsvolgt aan: Osiris, Isis, Set, Nephthys en Anubis.
3 Lang vertelt (in het art. “Mythology” in de Encyclopaedia Britannica) dat de Osiris-mythe door dezelfde verbeeldingskracht ontstond, als de geschiedenis van den bever, die aan stukken werd gesneden en uit wiens lichaam voorwerpen werden vervaardigd.
4 In “Golden Bough”, deel 2, pag. 137.
5 Zie: M. A. Murray, Osireion at Abydos, pag. 26.
6 Zie: Maspero, Recueil de Travaux, deel IV, pag. 62.
7 Zie: Boek der Dooden, Papyrus van Ani I, pag. 7.
De groote goden.
Ra, de Zonnegod.
Ra, de groote zonnegod, schijnt reeds op een vroeg tijdstip een vooraanstaande positie in het Egyptische pantheon ingenomen te hebben. De latere Egyptenaren schijnen gedacht te hebben, dat de naam in zekeren zin met schepping verbonden was.
De aanbidding van de zon was zeer oud in Egypte en het is daarom waarschijnlijk, dat een aantal zonne-eerediensten met dien van Ra versmolten. Het is zeker, dat dit het geval was met den dienst van den havikgod Heru, of Horus. Deze beide goden worden gewoonlijk met het lichaam van een man en den kop van een havik afgebeeld, doch soms hebben zij ook de werkelijke gestalte van dien vogel.
Ra.
Vanaf de oudste tijden schijnt de havik met de zon geïdentificeerd te zijn. Zijn vliegkunst en de hoogte, welke hij bij het vliegen bereiken kan, waren waarschijnlijk de redenen, dat men hem in verbinding bracht met het groote licht van den dag. In verschillende landen zijn vogels, met hemelhooge vlucht, het symbool van de zon. Zoo is de adelaar bij verscheidene Noord-Amerikaansche Indianen het zinnebeeld van de zon. De gieren stelden in het oude Peru den dagelijkschen loop van de zon voor en misschien vervulde de adelaar deze functie in den Mexicaanschen godsdienst.
Niet altijd echter zijn het vogels met hooge vlucht, welke de zon typifieeren. Zoo schijnt in Mexico en Midden-Amerika de quetzal-vogel hiervoor gediend te hebben en in dezelfde landen werd de kolibrie soms met de zon verbonden. Nu is het vreemd, dat, evenals wij den vogel en de slang bij den Mexicaanschen god Quetzalcoatl gecombineerd vinden, wij deze zelfde dieren ook bij Ra tezamen vinden, daar deze als zijn symbool een zonneschijf draagt, welke door de slang Khut omstrengeld wordt.
De Egyptenaren hadden verschillende opvattingen over de wijze, waarop de zon langs den hemel trok. Een van dezen was, dat zij door de watermassa van de lucht in verschillende booten, of schuiten, trok. Zoo bezette de opkomende zon de schuit Manzet, een naam welke “groeiende kracht” beteekent; de avondzon werd naar de plaats van den zonsondergang door de boot Mesektet overgezet welke “toenemende zwakheid” beteekent; in deze beide namen zal men gemakkelijk allegorische namen voor de opkomende en ondergaande zon ontdekken. De aangewezen weg van Ra, door de lucht, is op het tijdstip der schepping door de godin Maāt, de personificatie van rechtvaardigheid en orde, vastgesteld.
De dagelijksche reis van Osiris werd door een gezelschap van vriendelijk gezinde goden medegemaakt; dezen voerden zijn schip tot de plaats der zonsondergang, terwijl de loop door Thoth en Maāt bepaald was en Horus als stuurman en kapitein fungeerde. Aan iedere zijde van de boot zwommen een of twee visschen, welke loodsdienst verrichtten, Abtu en Ant genaamd, maar niettegenstaande de hulp van deze twee gezellen, werd Ra’s boot voortdurend door afgrijselijke monsters en demonen omringd, welke al hun best deden, den doortocht te verhinderen.
Verreweg de machtigste van dezen was de slang Apep, de personificatie van de duisternis van den nacht, over wien wij veel inlichtingen ontvangen door het boek getiteld: “Het Boek van de vernietiging van Apep”, hetwelk tooverformules en andere instructies aangeeft, om het monster te overweldigen; deze formules werden dagelijks, in den tempel van Amen-Ra, te Thebe, opgezegd.
Hierin wordt Apep tot krokodil en slang teruggebracht en er wordt in beschreven, hoe zij door middel van magie met een speer doorboord, met messen aan stukken gesneden, onthoofd, geroosterd en ten slotte door het vuur verteerd kan worden en haar duivelsche volgelingen eveneens. Deze tooverkunsten werden plichtsgetrouw dagelijks te Thebe uitgevoerd en men geloofde, dat dezen de reis van den zonnegod ten zeerste bevorderde.
In Apep nu zien wij een figuur, welke in bijna iedere mythologie bekend is. Zij is het monster, dat dagelijks met de zon strijdt en ten slotte er in slaagt, deze te verslinden. Zij is dezelfde, welke met Beowulf, den zonneheld, strijdt; dezelfde als de nachtelijke draak in de Chineesche mythologie en de Fenris-wolf in de Scandinavische geschiedenis, kortom als de veelvuldige monsters der fabelen, legenden en romans. Wij vinden haar tegenhanger eveneens in den Babylonischen draak Tiamat, welke door Marduk verslagen werd.
Rat.
In den lateren tijd werd er voor Ra een tegenhangster, Rat genaamd, uitgevonden; zij werd als een vrouw afgebeeld, die op haar hoofd een schijf met horens en een uraeus torste. Zij schijnt echter niet van zeer groot gewicht geweest te zijn en wellicht dankte zij haar ontstaan aan de idee, dat iedere groote god zijn dubbelgangster moest hebben.
De vereering van Ra was gedurende de dynastieën in de stad van Anu, On, of Heliopolis, ongeveer vijf mijlen van het tegenwoordige Caïro, geconcentreerd. De priesters van den god hadden zich gedurende de vijfde dynastie daar gevestigd; de eerste koning toch van deze was hoogepriester van den god, een omstandigheid, welke aantoont, dat de cultus op dit vroege tijdstip (pl.m. 3350 v.C.) in dat gedeelte van Egypte een grooten invloed verkregen moet hebben.
Een oude legende vertelt ons, hoe een afstammeling van Ra het eerst zich van den Egyptischen troon meester maakte, welke legende men hieronder kan vinden.
Deze overlevering bewijst, dat in oude tijden de koningen geloofden, dat zij van Ra, die, naar men verzekerde, eens over het land geheerscht had en wiens bloed in de aderen van de koninklijke familie stroomde, afstamden.
Inderdaad beweerde men, dat Ra de feitelijke stamvader van verschillende Egyptische koningen was en dezen werden daarna als de incarnatie van dien god beschouwd. Zulke ficties der priesters gaven aan de theocratische klasse verhoogde macht, totdat tenslotte de vereering van Ra die van bijna iedere andere godheid in het Nijldal overschaduwde, daar deze andere goden in het theologisch systeem van de priesters van Heliopolis opgenomen werden en een ondergeschikte positie in de godengroep, welke den grooten zonnegod omringde, innamen.
Fusie der Mythen.
Niet alleen in Egypte vinden wij zulke ficties, welke alleen er toe dienden, voor de doeleinden der priesters bevorderlijk te zijn. In de meeste mythologieën ontdekken wij, dat scheppingsmythen en verhalen over den oorsprong der goden, uit twee, of meer, mythen vervaardigd zijn, welke op zoo’n bekwame wijze vermengd zijn, dat zij alleen door zorgvuldige en geduldige studie tot hun oorspronkelijke bestanddeelen teruggebracht kunnen worden.
Zoo vinden wij in het boek Genesis, dat wij, behalve voor het bestaan van Jahweh, de scheppingskracht, nog bewijzen aantreffen voor het bestaan van een polytheistisch pantheon, Elohim genaamd. Dit toont dus duidelijk aan, dat de verhalen der Hebreeuwsche schepping, het een monotheistisch en het tweede polytheistisch, met elkaar zijn versmolten.
Misschien kan men het beste voorbeeld van een dergelijke samensmelting van mythen in een oude scheppingslegende van Peru vinden; hierin heeft een filosofische behendigheid al de vormen van vereering vereenigd. welke de Peruviaansche godsdienst doorloopen heeft, totdat zij één bepaalden vorm bereikte. Zoo zijn de verschillende geloofsphases, van het eenvoudige animisme, tot het anthropomorphisme, voor hem, die de mythologie bestudeert, in deze eene legende zichtbaar. Dat hetzelfde kunststukje bij de Kiches van Midden-Amerika is uitgehaald, in het wonderlijke boek, de Popol Vuh, werd door den schrijver over dit onderwerp in de Times, eenige jaren geleden, aangetoond.
De oorspronkelijke locale god van Heliopolis was Tem, of Atum, die met Ra onder den naam van Ra-Tem vereenigd werd. De invloed van de priesters van Ra nam ongeveer tegen het einde van de 6e dynastie af, doch onder de regeering van Senusert (of Usertsen) I (pl.m. 2433 v.C.), werd de tempel te Heliopolis herbouwd en gewijd aan Ra en twee van zijn gestalten, Horus en Temu. In dezen tempel werden modellen van de heilige booten van Ra bewaard, n.1. de Manzet, welke een beeld van Ra, met een havikkop voorzien, bevatte en de Mesektet, met een beeld, dat het hoofd van een man had.
Primitief als de natuur der zonaanbidding is, bezat deze elementen, welke haar in staat stelden, stand te houden, waar meer geavanceerde en ingewikkelde godsdiensten bezweken. Zelfs in dat land moeten er natuurlijk, naast een aristocratie van intelligenten aard, ontelbare landbouwers en slaven bestaan hebben, die slechts door hun omgang met hun superieuren en hun plaats, als landbouwend ras, van de wilden onderscheiden waren. Voor dezen moest de zon de godheid par excellence schijnen, de groote verkwikker en vruchtbaarmaker. Wij vinden echter, dat de cultus van Ra min of meer een aristocratisch, theologisch systeem met zich droeg, tenminste in de vroegste tijden. Van de volksreligie echter moeten wij ons tot de vereering van Osiris wenden.
Men kan zonder twijfel de beste parallel voor de vereering van Ra in Egypte trekken met dien van de zon in het oude Peru. Evenals de vorst van Peru de zon op aarde vertegenwoordigde, zoo stempelden de Egyptische monarchen zich tot zonen van de zon. Bij beide volken was de zonnecultus klaarblijkelijk aristocratisch van karakter.
Men kan dit bewijzen uit het feit, dat het paradijs van Ra verreweg een meer geestelijke spheer was, dan dat van Osiris, met zijn zuiver materieele genietingen. Zij, die zoo gelukkig waren den hemel van den zonnegod te bereiken, werden met licht bekleed en hun voedsel werd als “licht” voorgesteld. Het leven in het paradijs van Osiris daarentegen bestaat uit den omgang met Osiris en het feestvieren met hem.
Nu huivert de aristocratische kaste, in alle landen, voor het denkbeeld, dat zij in de andere wereld genoodzaakt zal zijn met de gewone massa gemeenzaam om te gaan. Dit was bepaaldelijk het geval in het oude Mexico en Scandinavië, waar alle krijgslieden, in den strijd gedood, het paradijs konden binnengaan.
Dit geloof was echter nimmer krachtig genoeg, om den cultus van Osiris te doen verdwijnen en daar de Egyptische geest een zeer materieel karakter bezat, begunstigde hij de opvattingen over de “rietvelden” en de “plaats van den vrede” ten zeerste; immers daar kon men van de goede gaven en gemakken, waarnaar men op aarde zoo vurig haakte, genieten, meer dan van het onwezenlijke voedsel en kleeding in de hooge standensfeer van Ra.
Ra en Osiris.
Gedurende vele eeuwen nu werd een stilzwijgende, doch heftige, strijd tusschen de priesters van Ra en Osiris gevoerd, doch ten slotte kreeg het geloof van den laatsten de overhand, ja, hij nam de titels, macht en attributen van den grooten zonnegod tot zich. Daarop werd de opvatting over een zonne- en maangod in zijn persoon vereenigd.
De Osiris-vereering was eigenlijk Afrikaansch en Egyptisch van karakter, doch er is reden te vermoeden, dat de cultus van Ra verschillende vreemde elementen in zich bevatte, waarschijnlijk West-Aziatisch van oorsprong en dit zou de koelheid, waarmede de Egyptische massa zijn vereering beschouwde, verklaren. Heliopolis, zijn stad, bevatte vele inwoners van Aziatische afkomst en deze omstandigheid is wellicht de verklaring voor de invoering van eenige leerstellingen in zijn geloof, welke de inheemsche Egyptenaren onaangenaam vonden.
Er is geen twijfel mogelijk, of Ra nam, tenminste bij de Egyptische aristocratie, de positie van schepper en vader der goden in. Osiris was zijn zoon. De verwantschap tusschen deze twee goden kan men beschouwen als die tusschen god den vader en god den zoon en zooals in sommige godsdienstige stelsels de gestalte van god den zoon, die van god den vader overschaduwd heeft, zoo overvleugelde Osiris Ra.
De god Tem, of Atum, die, zooals reeds door mij opgemerkt is, de plaatselijke god van Heliopolis was, werd in den tijd der dynastieën voor een der gestalten van Ra gehouden en wel in de personificatie van de ondergaande zon. Tem was een van de eerste goden der Egyptenaren. Men stelt het voor, dat hij in de boot van Ra voer en met dezen werd hij zelfs vereenigd onder den naam van Ra-Tem. Hij schijnt een god geweest te zijn, die vele attributen met Ra gemeen had en later eveneens met Osiris geïdentificeerd te zijn.
In de mythe van Ra en Isis zegt Ra: “Ik ben Khepera in den morgen, Ra in den middag en Tem in den avond”; dit toont ons, dat voor de Egyptenaren de dag verdeeld werd in drie deelen en dat ieder van dezen onder de bescherming stond van een bijzondere gedaante van den zonnegod. Tem werd in een van zijn gestalten als een slang vereerd, een zeer gewone vorm voor een zonnegod, want in vele landen is de draak, of slang, het symbool voor de zonneschijf.
De Heilige Kever.
Khepera, de nog overblijvende vorm van Ra, wordt gewoonlijk in menschelijke gedaante afgebeeld, met een kever op zijn hoofd. De vereering van den kever was in Egypte zeer oud en wij moeten zijn verbinding met den cultus van Ra aan priesterlijken invloed toeschrijven.
Wanneer de scarabaeus zijn eieren in het Egyptische zand gelegd heeft, rolt hij ze in een kleinen bal mest, dezen duwt hij daarna met zijn achterpooten door het zand naar een hol, dat hij tevoren gegraven heeft en hier worden de eieren door de zonnestralen uitgebroed.
Het scheen nu aan de oude Egyptenaren toe, dat deze handelwijze van den kever op de voortwenteling van de zon, langs den hemel, leek, zoodat Khepera, het opkomende zonnelicht, door hem gesymboliseerd werd
Khepera is een god van eenig gewicht, want hij wordt de schepper en vader der goden genoemd, tevens beschouwde men hem als het type der wederopstanding vanwege het symbool van den bal, welke levend zaad bevatte en waarschijnlijk in nog een ander opzicht, daar de opkomende zon als het ware den eenen morgen na den anderen uit zijn nachtelijke graf stapt. De scarabaeën, welke men op de Egyptische mummies vond, typeeren de hoop op wederopstanding en men heeft dezen in graven gevonden, welke waarschijnlijk al uit de 4e dynastie dateeren.
Amen.
Hoewel het schijnt, dat de god Amen reeds in de 5e dynastie onder de Egyptische goden geteld is, waar men over hem gesproken vindt als over een der oorspronkelijke goden1, begonnen zijn aanhangers eerst in een latere periode die buitengewone groote macht te ontwikkelen, welke zij in Egypte uitoefenden.
Afgezien van dien van Ra en Osiris, was de vereering van Amen meer verspreid dan die van eenig ander god in het Nijldal, doch deze omstandigheid schijnt meer door politieke, dan door godsdienstige propaganda bewerkt te zijn.
Isis en Ra.
Evelyn Paul.
Wat zijn attributen in het Oude Rijk waren, weten wij niet. Zijn naam beteekent: “wat verborgen is” of “wat niet gezien kan worden” en wij worden door hymnen en andere werken onderricht, dat hij “voor zijn kinderen verborgen is en eveneens voor goden en menschen”.
Nu heeft men vermoed, dat deze uitdrukkingen op het ondergaan van de zon betrekking hebben, doch er is meer reden te vermoeden, dat zij te kennen geven, dat Amen een god is, die door menschelijke oogen niet gezien, of opgespoord kan worden. Het is niet moeilijk te zien, dat de opvatting over zulk een godheid zich spoedig in de gunst zou verheugen van een priester- en theologenkaste, welke spoedig genoeg kreeg van de meer materieele godsdiensten, welke hen omringden en die naar een vorm voor een godheid zochten, welke minder onafgewerkt was, dan de ruime symbolische stelsels, welke in het land domineerden. De geheele theologische geschiedenis van Amen is die van een priesterschap, welke zich ten doel stelde een meer materialistische bevolking een meer geestelijk type van vereering en een hoogere opvatting over God op te leggen.
Amen werd onder verschillende gestalten vereerd2, n.1. in de gestalte van een man, op een troon gezeten, met den kop van een kikvorsch, of met het lichaam van een man, den kop van een slang en verder nog als aap, of leeuw, afgebeeld. De meest gebruikelijke vorm echter, waarin hij afgeschilderd wordt, is die van een gebaard man, die op zijn hoofd twee lange, rechte veeren draagt, welke afwisselend rood en groen, of rood en blauw, gekleurd zijn.
Hij is in een linnen rok gekleed, draagt armbanden en een halsketting en achter uit zijn kleeding komt een staart, van een of ander dier, te voorschijn, een aanwijzing, dat hij in oude tijden een scheppende god was. In latere tijden is hij van een havikkop voorzien, doch dit was vóór zijn versmelting met Ra.
Het groote middelpunt van zijn vereering en de plaats, vanwaar zijn macht is toegenomen, was Thebe en hier werd te zijner eer onder de 12e dynastie een tempel gebouwd. Op dat tijdstip was hij meer een locale god, doch toen de vorsten van Thebe machtig werden en de souvereiniteit over Egypte aan zich trokken, steeg de roem van Amen, tegelijk met den hunnen en werd hij in Opper-Egypte een god, die boven anderen uitstak.
Zijn priesters, die de nieuwe politieke toestanden gretig aangrepen, slaagden er in hem met Ra en diens bijvorm, te identificeeren en al diens attributen legden zij Amen bij; zij stelden verder vast, dat, hoewel hun god al hun eigen karaktertrekken bezat, hij toch veel grooter en verhevener was dan zij zelf.
Zooals wij reeds opgemerkt hebben, werd de god, die een tijdlang de plaatselijke god van de hoofdstad van Egypte was, langzamerhand de nationale god en daar dat lot Amen ten deel viel, trokken zijn priesters alle voordeelen van dit feit. Nooit werd een god zoo benut en om het maar eens zoo uit te drukken, nooit werd voor een god zulk een reclame gemaakt, als voor Amen.
Toen ongelukkige tijden over Egypte kwamen en de Hyksos het land binnenvielen, stilde Amen, dank zij zijn priesterlijke voorvechters, den storm en is na een moorddadigen strijd de god der Egyptenaren geworden.
Toen het land zich van de verwarring herstelde en de toestanden weer geregeld werden, droegen de militaire successen van de 18e dynastie grootelijks tot de vermeerdering van de macht en roem van Amen bij en de buit van het veroverde Palestina en Syrië vulde zijn tempels.
Natuurlijk was er een groote ontevredenheid bij de vereerders van Ra, bij zulk een loop der zaken. Osiris, als populair god, kon niet in ongenade vallen, daar hij een te grooten invloed op de verbeeldingskracht van het volk had gekregen en zijn cultus en karakter van een te bijzondere natuur waren, om de overweldiging van een anderen god te kunnen verdragen. Zijn cultus heeft zich langzamerhand ontwikkeld, waarschijnlijk in den loop van vele eeuwen, en de omstandigheden voor zijn vereering waren eenig.
De godsdienstige vereering van Ra echter vond een mededingster in die van een godheid, welke niet alleen attributen te zien gaf, maar een, wier vereering over het geheel genomen, meer geestelijk was en hooger stond, dan die van den zonnegod.
Wij weten niet, welke theologische strijd over de suprematie der beide goden gevoerd is, doch wel weten wij, dat priester-handigheid, evenals in andere gevallen, meer dan berekend was voor haar taak. Er had n.1. een fusie tusschen de twee goden plaats.
Het zou overijld zijn, te beweren, dat deze versmelting een overeengekomen plan tusschen de twee met elkaar wedijverende godsdiensten vormde en het is waarschijnlijker, dat hun aanbidders zich kalm bij een langzaam proces van samensmelting neerlegden. De Thebaansche priesters kwamen wellicht tot de erkenning, dat het onmogelijk was, de vereering van Ra geheel en al uit te roeien en aldus kwamen zij tot een onvermijdelijke oplossing en aanvaardden de fusie met hun eigen god.
De opkomende Macht van Amen.
Verschillende hymnen ter eere van Amen-Ra en speciaal die, welke wij in den papyrus van Hu-nefer ontmoeten, toonen ons de volkomen fusie en de snelheid, waarmede Amen tot macht gekomen is, aan. In een tijd van een eeuw ongeveer, had hij, van een zuiver plaatselijke godheid, den titel van koning van de goden van Egypte verkregen. Zijn priesters waren verder de machtigste en rijkste in het land geworden en waren zelfs de mededingers der koninklijke macht zelf.
Hun politieke invloed was buitengewoon. Zij maakten oorlog en vrede en toen de Ramessiden-dynastie een einde nam, maakte de hoogepriester van Ra zich van den koninklijken troon meester en was de eerste vorst der 21e dynastie, onder den naam van de dynastie der priesterkoningen bekend.
Doch ook al waren zij sterk in theologie, zoo waren zij het zeker niet in militair genie. Zij konden de betalingen van de belastingen, welke hun voorgangers de omliggende landen hadden afgeperst, niet gedaan krijgen en hun armoede nam hand over hand toe. De heiligdommen der goden leidden een kwijnend bestaan, door gebrek aan vereerders en zelfs de hoogeren onder de priesters hadden een hard bestaan. Rooverbenden maakten de nabijheid van de tempels onveilig en de koninklijke graven werden beroofd.
Doch al verminderde hun macht, zeker niet hun aanmatiging en, zelfs met een inval der Libyers in de delta voor oogen, gingen zij door, de goden, die zij dienden, te verheerlijken. Wanneer wij de teksten en hymnen aan een onderzoek onderwerpen, welke ons vertellen, wat we van Amen-Ra weten, vinden wij, dat hij hierin als de algemeene levensbron, zoowel voor de bezielde schepsels, als levenlooze voorwerpen beschouwd wordt en dat hij geïdentificeerd wordt met den schepper van het heelal “den onbekenden god”. Alle attributen van het geheele Egyptische pantheon werden hem kwistig toebedeeld, met uitzondering van die van Osiris; het schijnt, dat de priesters van Amen-Ra van dezen geen notitie genomen hebben. Zij konden den grooten god der dooden niet geheel op zij zetten, ook al zagen zij hem over het hoofd.
In een van zijn gestalten, die van Khensu, den maangod, heeft Amen een geringe gelijkenis met Osiris, doch wij kunnen niet zeggen, dat hij in dezen vorm in eenig opzicht de rol van god van de onderwereld vervult.
Amen-Ra maakte zich zelfs van de heiligdommen van verscheidene andere goden, door het geheele Nijldal, meester, trok hun attributen tot zich en nam hun plaats geheel en al in.
Een van zijn meest populaire gestalten was die van een gans en dit dier was in verschillende deelen van Egypte aan hem gewijd, evenals de ram. Kleine beeldjes van hem laten hem zien met het gebaarde gezicht van een man, het lichaam van een kever, de vleugels van een havik, de beenen van een mensch en de klauwen van een leeuw.
Al deze dingen zijn natuurlijk een symbolische voorstelling voor zijn mannelijk karakter, daar hij als de grootste der goden beschouwd werd en zijn een typisch voorbeeld van de wijze, waarop attributen van allerlei soort bij hem berustten.
Men veronderstelde, dat het geheele pesedt, of gezelschap der goden, in Amen vereenigd was en wij mogen inderdaad zijn cultus als de meest ernstige pogingen van de oudheid beschouwen, om een systeem van monotheïsme te formuleeren. Dat zij hierin niet slaagde, was in het geheel niet haar schuld.
Wij moeten zijn priesters beschouwen als een vereeniging van verlichte menschen, bezield door een geestelijk vuur, dat helder schitterde, temidden van het droevig materialisme, dat hen omringde. Evenals alle priesterlijke hiërarchieën, bezaten zij het ingeboren zwak van eerzucht en de eigenliefde van een ingebeelde kracht.
Indien zij de politiek op de haar toekomende plaats gelaten hadden, zouden zij meer succes gehad hebben, dan zij nu gehad hebben, doch de werkelijke oorzaak van hun mislukking, de overige eerediensten van Egypte geheel en al te verdringen, was in de omstandigheid gelegen, dat deze godsdiensten zeer oud en te diep geworteld waren en in de dwaze onwetendheid van hen, die deze eerediensten ondersteunden.
Het Orakel van Juppiter-Ammon.
Geen enkel deel van Egypte was vrij van de overheersching van Amen-Ra, welke zich over het Noorden en Zuiden, Oosten en Westen verspreidde en zelfs vertakkingen in Syrië, Nubië en andere, van Egypte afhankelijke, streken had.
De meest invloedrijke centra waren Thebe, Hermonthis, Coptos, Panopolis, Hermopolis Magna en in Beneden-Egypte Memphis, Saïs, Heliopolis en Mendes. In later tijd bezat hij, in een van de oases, een groot orakel, bekend onder den naam van dat van Juppiter-Ammon, een geheimzinnige plek, welke door bijgeloovige Grieken en Romeinen, die zich daarheen begaven, om de godheid over staats- of particuliere aangelegenheden te ondervragen, bezocht werd.
Hier werd alle mogelijke priesterlist in toepassing gebracht. Een beeld van den god werd, van tijd tot tijd, door de priesters door den tempel gevoerd en deze gaf, indien hij goed gehumeurd was, aan zijn vereerders antwoorden, niet door te spreken, maar door te knikken en met uitgestrekten arm te wijzen.
Uit klassieke auteurs weten wij, dat de Egyptenaren een buitengewone handigheid in het vervaardigen van automaten bezaten en er is geen reden, er aan te twijfelen, dat de god op de vragen van zijn angstige vereerders, die een reis naar zijn heiligdom gemaakt hadden, door middel van kunstig verborgen touwtjes, antwoordde.
Het orakel van Ammon is desniettemin in geheimzinnigheid gehuld. Zelfs Alexander de Groote bracht aan dit beroemde heiligdom een bezoek, om zichzelf gerust te stellen over de vraag, of hij de zoon van Juppiter was, of niet. Ook Lysander en Hannibal reisden hierheen en de eerste ontving een tweesnijdend antwoord, niet ongelijk aan dat, wat Macbeth van de heksen ontving.
Mut, de Almoeder.
De groote tegenhangster van Amen-Ra was Mut, de moeder van het heelal. Gewoonlijk stelt men haar als een vrouw voor, die de vereenigde kronen van het Noorden en Zuiden draagt en den scepter van papyrus vasthoudt. Op sommige afbeeldingen wordt zij met vleugels voorgesteld en op andere worden de koppen van gieren boven haar schouders zichtbaar.
Evenals haar echtgenoot, is zij soms met allerlei attributen, zoowel van menschen als dieren, versierd, waarschijnlijk, om haar alles omvattende natuur aan te duiden. Mut nam, evenals Amen, een groot aantal van de attributen van de vrouwelijke godheden van Egypte tot zich. Aldus werd zij met Bast, Nekhebet en andere geïdentificeerd, hoofdzakelijk om deze reden, dat, daar Amen zich meester gemaakt had van de attributen van andere goden, zij, als zijn vrouw, hetzelfde moest doen.
Zij is in de mythologie een treffend voorbeeld, om te doen zien, wat het huwelijk voor een godin doen kan. Zelfs Hathor wordt met haar geïdentificeerd, evenals Ta-urt en iedere andere godin, van wie men meende, dat zij de attributen van een moeder bezat. Voor haar vereering vormde Thebe een middelpunt en hier bevond zich haar tempel, een weinig ten Zuiden van het heiligdom van Amen-Ra.
Zij werd de “hemelsche vrouw” en “koningin der goden” genoemd en haar hieroglyphisch symbool, een gier, werd op de kroon der Egyptische koningin gedragen, als voorstelling van haar moederschap.
De tempel van Mut, te Thebe, werd door Amen-hetep III, ongeveer in 1450 v.C, gebouwd. De toegang hierheen werd door een prachtige laan van sphinxen gevormd en de tempel zag op een kunstig aangelegd meer uit. Waarschijnlijk was Mut de oorspronkelijke tegenhangster van Nu; deze toch werd, in zeker opzicht, met Amen vereenigd. Zij wordt slechts ééns in het Boek der Dooden, in de Thebaansche recensie, vermeld, een feit, dat in het geheel niet vreemd is, wanneer men het aanzien in aanmerking neemt, dat zij bij de priesters van Amen genoten moet hebben.
Ptah.
Ptah was de grootste van de goden van Memphis. Hij is de verpersoonlijking van de opgaande zon, of liever een phase daarvan, d.w.z. hij stelt de zonneschijf voor, op het tijdstip, dat deze boven den horizon rijst, of onmiddellijk, nadat hij gerezen is.
Men zegt, dat zijn naam “opener” beteekent en wel omdat men dacht, dat Ptah den dag opende; deze afleiding van den naam wordt echter bestreden.
Dr. Brugsch vermoedt, dat “beeldhouwer, of graveerder” de juiste vertaling is en daar Ptah de beschermgod van alle handenarbeid is, schijnt het zeer waarschijnlijk, dat deze uitlegging de juiste is.
Ptah schijnt, vanaf den tijd der 2e dynastie tot de laatste tijden, dezelfde karakteristieke kenmerken behouden te hebben. Het schijnt, dat hij in de oudste tijden als schepper beschouwd werd, of misschien werd hij met een van de eerste Egyptische scheppingsgrootheden verward.
In den Pyramidentekst van Teta vinden wij over hem gesproken als eigenaar van een werkplaats en de passage schijnt aan te duiden, dat Ptah nieuwe booten vervaardigde, waarin de zielen van de dooden in de Duat moesten leven.
Uit het Boek der Dooden leeren wij, dat hij een groot bewerker van metaal was, een bouwmeester en maker van alles in het heelal, en het feit, dat de Romeinen hem met Vulcanus identificeerden, kan het begrijpen van zijn attributen zeer bevorderen.
Het was eveneens Ptah, die, in vereeniging met Khnemu, de bevelen van Thoth, aangaande de schepping van het heelal, ten uitvoer bracht. Aan Khnemu werd de opdracht gegeven de dieren te vormen, terwijl Ptah den hemel en de aarde zou vervaardigen. De groote metalen plaat, van welke men veronderstelde, dat zij de vloer van den hemel vormde en de zoldering daarvan, werden door Ptah vervaardigd en hij maakte eveneens de stukken, welke dezen schraagden. Wij vinden hem steeds in verbinding met andere goden, d.w.z. hij neemt de kenmerkende eigenschappen van andere goden, voor bepaalde doeleinden aan. Als bouwmeester van het heelal b.v., deelt hij de natuur van Thoth en als de god, die het metaal van den vloer van den hemel bewerkt, lijkt hij op Shu.
Ptah wordt gewoonlijk als een gebaard man afgebeeld, met een kaal hoofd, terwijl hij kleeren draagt, welke hem nauwsluitend, als een lijkwade, om het lichaam passen. Van achter zijn hals hangt een Menat, het symbool van geluk en met de gewone waardigheidsteekenen van het koningschap en die van een godheid houdt hij het symbool van duurzaamheid vast.
Als Ptah-Seker vertegenwoordigt hij de vereeniging van de scheppende kracht met die van den chaos van de duisternis3. Ptah-Seker is inderdaad een gestalte van Osiris, als voorstelling van de nachtelijke zon, of den dooden zonnegod.
Seker wordt als een man, met een havikskop en met een lichaam, als van een mummie, voorgesteld, terwijl dit op dat van Ptah gelijkt. Oorspronkelijk stelde Seker de duisternis alleen voor, doch in later tijd werd hij met de zon der nacht geïdentificeerd. Seker wordt soms met Sept en zelfs met Geb verward. Het schijnt, dat hij over dat gedeelte van de onderwereld heerschte waar de zielen van de inwoners van Memphis en omgeving woonden.
De Seker-boot.
Bij de groote plechtigheden, ter eere van dien god en voornamelijk op zijn feestdag, werd een boot, de Seker-boot genaamd, bij zonsopgang, wanneer de stralen van de zon zich langzaam over de aarde beginnen uit te gieten, op een slede geplaatst. Deze boot werd daarna om het heiligdom getrokken en deze handeling is een typische voorstelling van den loop der zon.
Deze boot was onder den naam van Henu bekend en wordt verschillende malen in het Boek der Dooden vermeld. Zij gelijkt niet op een gewone boot, maar haar ééne uiteinde is hooger dan het andere en zij was in de afbeelding van het hoofd van een dier, dat op een gazelle lijkt, vervaardigd.
In het midden van het vaartuig bevond zich een kist, waar zich bovenop een havik, met uitgespreide vleugels, bevond; men veronderstelde, dat deze het lijk van Osiris, den dooden zonnegod, bevatte.
De Seker-, of Henu-boot, was waarschijnlijk een vorm voor de Mesektet-boot, waarin de zon, gedurende de tweede helft van zijn dagelijksche reis, door de lucht voer en waarin zij des avonds de oude wereld bereikte.
Hoewel Seker, als godheid, in het oude Egypte vrij populair was, schijnen zijn attributen geheel en al door Ptah te zijn aangenomen. Wij vinden zelfs den drievoudigen naam Ptah-Seker-Asar of Ptah-Seker-Osiris en deze wordt dikwijls, als havik, op lijkkisten en sarcophagen, voorgesteld.
Ongeveer in den tijd der 22e dynastie werd dit drietal feitelijk één met Osiris en het had zelfs varianten, welke de attributen van Min, Amsu en Khepera aannamen. Deze godheid is beschreven als: “de drievoudige godheid der wederopstanding”. Er is weinig twijfel, of deze versmelting is door invloed van priesters tot stand gekomen.
Ptah werd ook met een god, onder den naam Tenen bekend, vereenigd; deze wordt gewoonlijk in menschelijke gestalte voorgesteld, terwijl hij op zijn hoofd een kroon, van struisveeren voorzien, draagt. Ook wordt hij afgebeeld, terwijl hij arbeidt aan een pottebakkerswiel, waaraan hij het ei der wereld vormt. Op andere voorstellingen ziet men hem een kromme sabel vasthouden.
Budge vermoedt, dat dit wapen aantoont, dat hij de vernietigende kracht van den oorlogsgod is, doch dit is zeer onwaarschijnlijk. De bronzen sabel van Ptah, in zijn gestalte als Tenen, is precies hetzelfde symbool als de bijlen, welke over de geheele wereld de attributen van de scheppingsgoden zijn. Met de sabel toch snijdt hij de aarde, evenals god Ainu der Japaneezen dit met zijn bijl doet, of zooals andere goden, van wie wij reeds melding gemaakt hebben, hun bijlen, of hamers gebruiken. Tenen was waarschijnlijk een oude god, met scheppende kracht, en werd om die reden met Ptah vereenigd.
Sekhmet.
De voornaamste plaats van vereering van Ptah was Memphis; hier bevonden zich eveneens de tempels van Sekhmet, Bast, Osiris, Seker, Hathor, I-em-hetep, benevens die van Ra. Sekhmet was de gezellin van Ptah en zij waren de ouders van Nefer-tem.