Sekhmet.
Sekmet werd later met vormen van Hathor geïdentificeerd. Zij had den kop van een leeuwin en stond waarschijnlijk in dezelfde verhouding tot Bast, als Nephthys tot Isis. Zij verpersoonlijkt de hevige, alles verzengende hitte der zonnestralen. Eén van haar namen is Nesert, vlam, en hierin personificeert zij het vernietigende element.
De Zeven Wijzen.
Soms vinden wij Ptah in gezelschap van zekere wezens, de Zeven Wijzen van de godin Meh-urt, die hun moeder was, genaamd. Wij vernemen, dat zij uit het water ontstaan waren, uit de pupil van het oog van Ra, dat zij de gestalte van zeven havikken aannamen, omhoog vlogen en, tezamen met Thoth, het toezicht op het leeren en de letters hielden. Ptah deelde, als bouwmeester en werkman, terwijl hij de teekeningen van Thoth en zijn helper uitvoerde, in al hun attributen, evenals zijn tegenhangster Sekhmet.
Bast.
Bast, de Bubastis van de Grieken, bezat de eigenschappen van een kat, of leeuwin, terwijl de laatste een meer moderne ontwikkeling van haar karakter is. Haar naam beteekent de “verscheurster” en ook wordt zij de meesteres van Sept, d.w.z. van de ster Sothis genoemd. Zij wordt verder soms met Isis en Hathor geïdentificeerd.
Bast.
In tegenstelling met de woeste Sekhmet, stelt zij de zachte, vruchtbaar makende zonnehitte voor. De kat houdt er van zich in de zon te koesteren en om deze reden werd dit dier als symbool voor deze godin genomen. Zij werd met Sekhmet en Ra tot één godheid versmolten, onder den naam van Sekhmet-Bast-Ra bekend en als zoodanig met het hoofd van een man afgebeeld, terwijl vleugels aan haar arm zichtbaar zijn en twee koppen van gieren uit haar nek te voorschijn komen. Eveneens heeft zij leeuwenklauwen.
Zij was de godin van het Oostelijk deel der Delta en werd te Bubastis, in Beneden-Egypte, vereerd. Hare eeredienst schijnt in die streek vrij oud te zijn en hoewel zij in de Pyramidenteksten vermeld wordt, komt zij slechts zelden in het Boek der Dooden voor.
Waarschijnlijk was zij oorspronkelijk een kat-totem en in elk geval werd zij eerst in de gestalte van een kat vereerd. Men heeft willen opmerken, dat zij de karakteristieke eigenschappen van een uitheemsche godin heeft, doch voor deze opvatting zijn geen zeer vaste gronden aan te voeren.
Hoewel zij met vuur en de zon verbonden is, heeft zij misschien ook eenige gemeenschap met de schijf van de maan, want haar zoon Khensu is een maangod. Kat-goden worden dikwijls met de maan verbonden, hoofdzakelijk vanwege de vruchtbaarheid van het dier, dat de voorstelling is van de vruchtbaarheid en groeikracht, welke aan de maan verbonden is.
Het Feest van Bast.
Herodotus geeft ons een zeer schilderachtige beschrijving van het feest van de godin, dat in de maanden April en Mei plaats vond. Hij vertelt, dat de Egyptenaren in schepen naar de stad Bubastis voeren, terwijl zij op trommels en tamboerijnen sloegen en allerlei ander lawaai maakten, terwijl zij, die geen muziek maakten, in hun handen klapten en luid zongen. In de stad aangekomen, dansten zij en vierden feest, onder gezang en drinkgelagen.
Van de stad Bubastis geeft hij een levendige schildering, welke als volgt luidt:
“De stad Bubastis verheft zich in de hoogte en hierin bevindt zich een zeer merkwaardige tempel, aan de godin Bubastis gewijd, in onze taal Diana genoemd en hoewel er thans tempels zijn, welke grooter en rijker uitgerust zijn, is geen enkele met dien te vergelijken, zoo bevallig is hij om aan te zien. Deze tempel is aldus. Behalve den toegang is de geheele oppervlakte van de stad een eiland, want hieromheen stroomen twee armen van den Nijl, welke zich niet met elkander vereenigen, maar één weg overlaten. Deze Nijlarmen zijn honderd voet breed en aan beide zijden van de oevers met schaduwrijke boomen beplant. De toegangspoort is 10 vademen hoog en met afbeeldingen, welke 6 el groot zijn, versierd, prachtig om te aanschouwen.
De tempel zelf bevindt zich in het midden van de stad en is van alle kanten zichtbaar. Immers, hoewel de stad steeds werd opgehoogd, bleef de tempel steeds op zijn plaats en is aldus van alle kanten gemakkelijk te bezichtigen, aan alle zijden van de stad. Rondom den tempel loopt een muur, met afbeeldingen versierd.
Aan de binnenzijde van den muur bevindt zich een heilig bosch, van hooge boomen voorzien, rondom het tempelgebouw zelf en hierin bevindt zich het beeld der godin. De lengte en breedte van den tempel is een stadie.
Er leidt van den ingang van den tempel Oostwaarts een geplaveide weg naar den tempel van Mercurius, ongeveer drie stadiën lang en ongeveer 4 plethren breed; aan beide zijden van dien weg zijn hemelhooge boomen geplant”.
Nefer-Tem.
Nefer-Tem was de zoon van Ptah en Sekhmet, of van Ptah en Bast. Hij wordt als een man, wiens hoofd met veeren bedekt is, voorgesteld, terwijl hij soms op één been staat. Soms wordt hij zelfs met een leeuwenkop voorgesteld en met een lichaam van een mummie.
Nefer-Tem.
In oude tijden werd hij symbolisch door de lotus-bloem voorgesteld. Hij was het derde lid van het drietal van Memphis, hetwelk uit hem, Ptah en Sekhmet bestond. Waarschijnlijk is hij de jonge Tem, de god van de opkomende zon. Misschien was zijn symbool de lotus, omdat het den Egyptenaren kon toeschijnen, dat de zon uit bedden van die plant in de Delta te voorschijn kwam. In latere teksten wordt hij met verschillende andere goden geïdentificeerd, doch deze allen schijnen gestalten van Horus, of Thoth, te zijn.
I-em-hetep.
I-em-hetep, een andere zoon van Ptah, werd eveneens als een lid van het groote drietal van Memphis beschouwd. Zijn naam beteekent “Kom in vrede” en werd hem gegeven, omdat men dacht, dat hij de geneeskunde aan de menschheid had gebracht. Evenals zijn vader Ptah, schildert men hem met een hoofdkap af. Voor hem ligt een papyrusrol, om zijn karakter als god der studie en het leeren aan te duiden, doch hij was in Egypte meer populair als god der medicijnkunde.
Later nam hij de plaats van Thoth, als schrijver van de goden, in en deed de tooverwoorden, welke de dooden tegen hun vijand in de Duat beschermen moesten, aan de hand. Hij bezat ook een karakter, dat met de begrafenis in verband stond en dit zou misschien kunnen bewijzen, dat geneeskundigen op eenige wijze met de kunst van balsemen in verband stonden.
I-em-hetep.
In een tekst der Ptolemaeën, in zijn tempel op het eiland Philae, wordt hij genoemd: “hij, die het leven aan alle menschen schenkt”. Men dacht ook, dat hij aan de lijdenden het geschenk van den slaap zond en werkelijk stonden de bedroefden en terneergeslagenen onder zijne bijzondere bescherming.
Budge verkondigt de meening, dat, indien wij zijn geschiedenis vanaf het begin konden opsporen, wij wellicht zouden vinden, dat hij oorspronkelijk een zeer kundig medicus was, die aan de Egyptenaren eenige elementaire kennis der geneeskunde bijgebracht had, en die eenigszins met de wijze om de lichamen der dooden door middel van kruiden, specerijen en linnen inwikkelingen te bewaren, vertrouwd was.
Dit vermoeden is zeer waarschijnlijk, alleen de geneesheer moet in later tijd geheel anders voorgesteld zijn, zooals men uit het gebruik van den papyrus-rol zien kan. I-em-hetep was de god van de geneesheeren en van hen, die zich met geneeskundige magie ophielden en zijn vereering was in Memphis waarschijnlijk zeer oud.
Budge gaat zelfs zoover om te vermoeden, dat I-em-hetep de tot een godheid verheven gestalte van een aanzienlijk geneesheer was, die tot de priesterschap van Ra behoorde en die tegen het einde van de regeering der 3e dynastie leefde.
In de gezangen, welke in den tempel van Antuf aangeheven werden, komen wij de volgende passage tegen: “Ik heb de woorden van I-em-hetep en Heru-tata-f gehoord, welke steeds herhaald worden, doch waar is tegenwoordig hun plaats? Hun muren zijn omver geworpen, hun woonplaatsen bestaan niet meer en het is, alsof zij nooit bestaan hebben. Niemand kan ons verklaren, wat voor wezens zij waren en niemand kan ons over hun bezittingen vertellen.
Heru-tata-f was een man van groote leerkracht en deze bracht, zooals wij in het Verhaal van den Toovenaar, elders in dit werk, beschreven, die geheimzinnige personen naar het hof van zijn vader Khufu. Hij ontdekte ook eenige hoofdstukken van het Boek der Dooden.
Budge vermoedt, dat I-em-hetep, die in verbinding met hem genoemd wordt, een man van hetzelfde type was, n.1. een kundig geneesheer, wiens woorden en daden verdienden, met de woorden van Heru-tata-f op één lijn gesteld te worden.
De afbeeldingen van I-em-hetep doen vermoeden, dat hij van menschelijken en plaatselijken oorsprong was en hij oefende op de verbeelding der latere Egyptenaren, uit den Saïtischen en Ptolemaeïschen tijd, grooten invloed uit. Hij was inderdaad een soort van Egyptischen Harpocrates, iemand, die, zooals Budge vermoedt, vanwege zijn groote kennis als geneesheer, tot een god verheven is.
Khnemu.
In de stad Elephantine werd een drietal groote goden vereerd. Dit bestond uit Khnemu, Satet en Anqet.
Khnemu.
De vereering van eerstgenoemden god dateerde al uit oer-oude tijden en zelfs in de inscriptie van koning Unas vinden wij over hem gesproken op een wijze, welke bewijst, dat hij zeer oud was.
Zijn positie was steeds zeer verheven en zelfs tot het laatste toe, schijnt hij in de oogen van de Gnostici van zeer groot gewicht geweest te zijn. Khnemu was waarschijnlijk een god van de Egyptenaren uit den prae-dynastieken tijd.
Zijn symbool is de ram, met platte horens voorzien; deze schijnt uit het Oosten ingevoerd te zijn. Na de 12e dynastie vinden wij hem echter in geen enkele inscriptie vermeld.
Gewoonlijk wordt hij in de gestalte van een man, met den kop van een ram voorzien, voorgesteld, terwijl hij de witte kroon draagt en soms de schijf. Op sommige afbeeldingen ziet men hem water over de aarde uitgieten en op weer andere met een juk boven zijn horens; dit is ongetwijfeld een aanwijzing, dat hij met vochtigheid in verband staat.
Zijn naam beteekent de bouwer, of vormer en hij was het, die den eersten mensch aan het pottebakkerswiel vormde, die het eerste ei, waaruit de zon ontsproot, vervaardigde en de lichamen der goden samenstelde en voortging hen te beschermen.
Khnemu is te Elephantine, vanaf onheuglijke tijden, vereerd en daarom was hij de god van de eerste Cataract. Zijn tegenhangsters, Satet en Anqet, zijn als een gedaante van de ster Sept en als een Nubische locale godin geïdentificeerd.
Uit de teksten is het volkomen duidelijk, dat Khnemu, evenals Hapi, oorspronkelijk een riviergod was, die als de god van den Nijl en de jaarlijksche overstrooming beschouwd werd en het kan zijn, dat hij en Hapi Nijlgoden waren, door twee verschillende rassen ingevoerd, of misschien door het volk uit twee verschillende deelen van het land.
In de teksten wordt hij genoemd “de vader van de vaderen der goden en godinnen, heer van de dingen door hemzelf geschapen, maker van hemel, aarde, Duat, water en bergen”, zoodat wij zien, dat hij, evenals Hapi, met de scheppingsgoden vereenzelvigd is.
Soms wordt hij voorgesteld als iemand met een menschelijk lichaam, waarop de koppen van 4 rammen geplaatst zijn en daar hij de attributen van Ra, Shu, Geb en Osiris met die van zichzelf vereenigd heeft, stellen deze koppen waarschijnlijk de genoemde goden voor. Brugsch echter werpt het vermoeden op, dat zij de vier elementen, vuur, lucht, aarde en water voorstellen. Doch het is zeer moeilijk in te zien, hoe dit mogelijk is. In elk geval stelt Khnemu, wanneer hij met de vier koppen afgebeeld wordt, de groote, oorspronkelijke scheppingskracht voor.
De Legende over de Bron van den Nijl.
De krachten welke Khnemu-Ra als god van den aardschen Nijl werden toegeschreven, zijn in een legende belichaamd, welke in 1890 in een inscriptie, op een rots van het eiland Sahal, gevonden werd. De koning, die in deze inscriptie vermeld wordt, is als Tcheser, den derden vorst der 3e dynastie, geïdentificeerd.
De geschiedenis nu vertelt ons, dat in het 18e jaar van de regeering van dien koning, een hongersnood Egypte teisterde, omdat de Nijl gedurende 7 jaren het land niet overstroomd had. Dus was het graan schaarsch, de velden en tuinen brachten niets op, zoodat het volk gebrek had aan voedsel.
Sterke menschen waggelden, evenals oude menschen, de bejaarden vielen zelfs ter aarde en stonden niet meer op en de kinderen schreeuwden luide door den honger. Zelfs werden de menschen dieven, om het weinige voedsel, dat er nog was, in bezit te krijgen en beroofden zij hun buren.
Verhalen over dezen verschrikkelijken toestand bereikten de ooren van den koning en hij werd hierdoor smartelijk getroffen. Hij herinnerde zich, dat de god I-em-hetep, de zoon van Ptah, Egypte eens van een dergelijke ramp bevrijd had, doch toen hij diens hulp inriep, verwaardigde de god zich geen antwoord.
Daarop zond koning Tchesen een bode naar zijn gouverneur Māter, die het Zuiden bestuurde, n.l. het eiland Elephantine en Nubië en vroeg hem, waar de bron van den Nijl was en welke de naam van den god, of de godin, van die rivier was.
Māter, de gouverneur, begaf zich in hoogst eigen persoon op weg, om zijn heer het antwoord op zijn vraag te brengen. Hij vertelde hem, bij zijn aankomst, van het wonderlijk eiland Elephantine, waarop de eerste van alle steden gebouwd was; hieruit rees de zon op, wanneer zij de menschen het leven schenken wilde. Hier bevond zich ook een dubbel hol, in de gestalte van twee harten; uit dit hol kwam de vloed van den Nijl op, om het land met vruchtbaarheid te zegenen, wanneer de god de grendels van de deur in het daarvoor passende jaargetijde terugschoof. Deze god was Khnemu.
Māter beschreef hierop aan zijn meester den tempel van den Nijlgod, in Elephantine en vertelde, dat zich daarin nog andere goden bevonden, onder hen de groote goden Osiris, Horus, Isis en Nephthys. Hij vertelde verder over de producten van het land en zei, dat men hiervan aan Khnemu offers brengen moest.
Daarop stond de koning op, bracht offers aan den god en aanbad hem in zijn tempel. En de god verhoorde hem en verscheen aan den koning die door smart getroffen was. Hij zeide tot hem: “Ik ben Khnemu, de Schepper. Mijn handen rusten op u, om u te beschermen en uw lichaam gezond te maken.... Ik schonk u uw hart.... Ik ben het, die het schiep. Ik ben de oorspronkelijke watermassa, ik ben de Nijl, die, al naar hij wil, rijst, om gezondheid te geven aan hen, die arbeiden. Ik ben de gids en leider van alle menschen, de Almachtige, de vader van de goden, Shu, de machtige bezitter der aarde”.
Daarop beloofde de god aan den koning, dat vanaf dat oogenblik de Nijl, evenals in oude tijden, weer zou rijzen, dat de hongersnood op zou houden en dat een groote voorspoed over het land zou komen. Doch hij wees den koning er eveneens op, dat zijn heiligdom verlaten was en dat niemand moeite deed dit te herstellen, hoewel de steenen in het rond verspreid lagen.
De koning hield dit in de gedachten en vaardigde een bevel uit, dat de landen aan beide zijden van den Nijl, bij het eiland, waar Khnemu woonde, voor den god bestemd moesten worden, als schenking aan zijn tempel, dat priesters zijn heiligdom bedienen moesten en dat voor hun onderhoud een belasting door het dichtstbijgelegen land opgebracht moest worden.
Dit besluit liet de koning op een steenen zuil graveeren en dezen op een goed zichtbare plaats zetten, als een klein bewijs van dankbaarheid aan god Khnemu, den Nijlgod.
Satet.
Satet4, de voornaamste tegenhangster van Khnemu, was eveneens een godin der overstrooming. Haar naam beteekent waarschijnlijk “uitgieten” of “naar buiten strooien”, zoodat zij een godin kan aanduiden, die de kracht van den regen bestuurde. In haar hand draagt zij een boog en pijlen, evenals Neith, en dit is een typische voorstelling van den regen, of bliksemstraal. Zij werd als een gestalte van Isis beschouwd en wel hierdoor, omdat beiden met de ster Sept verbonden waren en in deze gestalte verschijnt zij in het Boek der Dooden, als een tegenhangster van Osiris.
Anqet.
Anqet, het derde lid van het drietal uit Elephantine, was een zuster-godin van Satet. Zij droeg een kroon van veeren, een omstandigheid, welke aanduidt, dat haar oorsprong een zuiver Afrikaansche was en wellicht was zij een godin van een van de eilanden van de eerste Cataract.
Vanaf zeer oude tijden is zij met de andere leden van het drietal vereenigd en haar cultus was, door het Noordelijk gedeelte van Nubië, wijd en zijd verspreid. In later tijd was Sahal het middelpunt van haar vereering en hier werd zij als koningin van dat eiland beschouwd en werd, waarschijnlijk onder de 18e dynastie, een tempel voor haar gebouwd. Zij bezat ook een heiligdom te Philae en werd daar met Nephthys geïdentificeerd, zooals noodzakelijk is, als men op het feit let, dat Osiris met Khnemu en Satet met Isis vereenzelvigd is.
Brugsch beschouwt haar als de verpersoonlijking van de wateren van den Nijl en meent, dat haar naam beteekent: “omringen, omvatten” en dat dit op de omvatting en de voeding van de velden, door de rivier, slaat.
Aten.
Aten, de zonneschijf, vertegenwoordigt in de Egyptische mythologie een klasse op zichzelf. Hoewel hij oppervlakkig beschouwd eenige kenmerkende eigenschappen met andere zonnegoden van Egypte gemeen heeft, toont ons een nadere beschouwing van deze godheid aan, dat hij in vele opzichten aanmerkelijk van dezen verschilt en dat zijn vereering inderdaad geheel vreemd is aan den godsdienstigen genius van het Egyptische volk.
De dienst van Aten, van welken voor den tijd van Amen-hetep IV nog weinig melding gemaakt wordt, trad onder de regeering van dien vorst plotseling op den voorgrond en werd gedurende eenigen tijd de staatsgodsdienst van Egypte.
Aten.
Aangaande zijn oorsprong is niets bekend en waarschijnlijk was Aten, ten tijde van het Middenrijk, een onbekende, locale godheid, ergens in de buurt van Heliopolis vereerd. Zijn gewichtige positie in het Egyptische pantheon is aan het feit te danken, dat zijn eeredienst rechtstreeks de oorzaak werd voor een godsdienstige, sociale en artistieke revolutie, welke onder de regeering van Amen-hetep IV plaats had.
Met de omverwerping der Hyksos-koningen en de stevige vestiging van de Thebaansche monarchie (bij het begin der 18e dynastie), nam Amen, de plaatselijke god van Thebe, de eereplaats in het Egyptische pantheon in en werd als Amen-Ra vereerd.
Het is echter bekend, dat Thothmes IV zich beijverde, den eeredienst van Ra-Harmachis te herstellen. Zijn zoon, Amen-hetep III, bouwde voor dezen god en voor Aten te Memphis en Thebe, tempels. Zijn vrouw Tyi5, schijnt deze pogingen ondersteund te hebben; zij was een dochter van Iuaa en Thuau; deze, hoewel niet verwant met de koninklijke familie, werd het hoofd van de koninklijke vrouwen.
Misschien was zij zelf een vereerster van Aten, dit zou de eerbied, welke haar zoon, Amen-hetep IV, voor dien god bezat, kunnen verklaren. Hij nam den titel aan van “hoogepriester van Ra-Heru-Akhti6, den verhevene aan den horizon, onder zijn naam van Shu, die in Aten is”; hieruit zien wij, dat hij Aten, in overeenstemming met het in die tijden overheerschende gevoelen, eerder als de verblijfplaats van den zonnegod, dan als dien god zelf, beschouwde.
In de eerste jaren van zijn regeering vereerde Amen-hetep Amen en Aten beiden, den eersten in zijn kwaliteit van vorst, den laatsten meer in zijn particuliere functie, terwijl hij eveneens te Thebe een groote obelisk ter eere van Ra-Harmachis bouwde.
Daarop werd het echter meer en meer duidelijk, dat de koning Aten boven alle andere goden trachtte te verheffen. Dit was echter aan de vereerders van Amen geenszins aangenaam; hierbij kwam nog, dat de priesters van dezen uit de eerste families gelicht werden. Er ontstond nu een strijd tusschen de vereerders van Amen-Ra en dien van Aten en ten slotte bouwde de koning een nieuwe hoofdstad, aan Aten gewijd, op de plaats van het tegenwoordige Tell-el-Amarna, in Midden-Egypte. Hij trok zich daarop met zijn volgelingen terug, toen de strijd haar hoogtepunt bereikte. Aan de nieuwe stad gaf hij den naam van Akhet-Aten (horizon van Aten). Zijn eigen naam veranderde hij in dien van Akh-en-Aten (roem van Aten).
De vereering van een eenig god.
Eén van de kenmerken van den nieuwen godsdienst was, dat het wezenlijk een monotheisme was en geen andere goden naast zich dulden kon. Daarom was het onmogelijk, ook al waren bepaalde zonnegoden onder gelijke omstandigheden met Ra vereenigd, dat dit bij Aten evenzeer gebeuren kon.
Niet alleen was hij de koning der goden, hij was de god. Dit monotheisme behield echter nog vele vormen en riten van andere eerediensten, paradoxaal als dezen geschenen moeten hebben. De koning behield zijn titel van “zoon der zon” (Aten), terwijl hij zijn Horus- en andere titels met die van Aten ruilde. De begrafenisgebruiken en het gebruik van den scarabaeus bleven bewaard.
De naam van Amen-Ra, waarmede zij vroeger verbonden waren, was overal uitgewischt, op bevel van den koning, zelfs waar deze een deel van een eigennaam vormde. Den tempel, welken de koning voor zijn god in Akhet-Aten bouwde, noemde hij Het-Benben, “het huis van het Pyramidium”. Deze werd echter nooit voltooid.
De godsdienst, welken men het Egyptische volk trachtte op te dringen, vond geenszins een gul onthaal. De godheden, welke zich tot dusver in iedere nome, of provincie, ontwikkeld hadden, hadden ieder hun bijzondere eigenschappen en ritus en elk van dezen moest door de centrale godheid aan zich getrokken worden. Maar, zooals reeds gezegd is, de aard van Aten liet een dergelijke fusie met plaatselijke goden niet toe. Hij was inderdaad een kleurloozer god dan Amen, of Horus.
Het is de moeite waard, de waarschijnlijke motieven van Akh-en-Aten, bij de invoering van dezen nieuwen cultus in Egypte, aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Men heeft vermoed, dat de invoering van den Aten-dienst een verlichte, misschien eenigszins misplaatste, poging was om Egypte onder den schepper van één godsdienst, waaraan allen konden deelnemen, te vereenigen en wel een godsdienst, welke niet het cachet van een bepaalde kaste, of een bepaald ras, droeg en bijgevolg voor Syriërs, Aethiopiërs, of Egyptenaren, gelijkelijk aannemelijk zijn kon.
Indien dit zijn doel was, is het duidelijk, dat het Egyptische volk voor deze omwenteling niet gereed was. De krachtige en fanatieke maatregelen van Akh-en-Aten verzwakten zijn eigen oogmerken en verwekten wantrouwen en haat tegen deze Aten-ketterij.
Een Sociale Omwenteling.
Gelijktijdig met deze revolutie, op godsdienstig gebied, vond er een sociale en artistieke omwenteling, van niet minderen omvang, plaats. Aten was, tenminste in theorie, als godheid van de kluisters van mythe en ritus, welke rondom zijn voorgangers vastgeroest waren, bevrijd. Zijn cultus was in wezen een naturalistische. Het maatschappelijk leven richtte er zich daarom naar in, vrijer en natuurlijker te worden.
De koning en de koningin bewogen zich thans onder het volk met minder plechtigheid, dan zij tot nog toe gewoon waren; het familieleven was aan minder beperking onderworpen, kortom, overal werd een bepaalde voorliefde voor alles, wat natuurlijk en spontaan was, merkbaar.
De beweging verbreidde zich langzamerhand zelfs tot de kunst van het volk; deze toch toont, in zekere kleuren, een bepaald breken met de gevestigde tradities, daar de kunstenaars, onder de regeering van dien vorst, voor het eerst de licht- en schaduweffecten apprecieeren en eveneens die van een zuiverder schets.
Ongelukkigerwijze bezitten wij niet voldoende gegevens, om de periode van Akh-en-Aten’s regeering nauwkeurig te kennen. Waarschijnlijk vulde deze een twintigtal jaren. Na hem kwamen verschillende andere heerschers, doch geen van dezen nam den Aten-cultus in bescherming, zoodat deze spoedig verminderde, terwijl de suprematie van Amen-Ra in allen luister hersteld werd. Alle monumenten en tempels, ter eere van Aten opgericht, werden weggevaagd en eerst kort geleden door Lepsius, Petrie en Davis weer ontdekt. Het laatste toevluchtsoord van den god was Heliopolis, waar een heiligdom voor hem in stand bleef.
De Attributen van Aten.
Zooals reeds opgemerkt is, was hij een eenigszins kleurlooze god en misschien kan hij beter onderscheiden worden door de attributen, welke hem niet, dan die hem wel toegeschreven worden, hoewel sommige attributen van Ra, Horus en andere voorstellingen van den zonnegod, hem langzamerhand gegeven werden.
Van zijn oorspronkelijk ondergeschikte positie, als de verblijfplaats van Ra, n.l. de schijf, waarin de godheid huisde (“Ra in zijn Aten”), duidde Aten langzamerhand den god en de zonneschijf beiden aan.
Pogingen, welke aangewend zijn, om hem met den Semitischen Adonai (den Griekschen Adonis) te identificeeren, hebben geen succes opgeleverd. Een aanwijzing voor de vroegere positie van Aten, in het pantheon, kan men in het Boek der Dooden vinden, waar Ra als volgt wordt toegesproken: “O Gij schoon wezen, Gij hernieuwt Uzelf en maakt U weder jong, in de gedaante van Aten”. “Gij wendt Uw gelaat naar de onderwereld en Gij maakt, dat de aarde op fijn koper gelijkt. De dooden verrijzen om U te zien, zij ademen de lucht in en zien naar Uw aangezicht, wanneer Aten aan den horizon schijnt”.
Een Aten-hyme.
Gedurende den tijd, dat zijn cultus in Egypte de voornaamste was, werd Aten door zijn vereerders, als de uit zichzelf voortgekomen en altijd durende schepper, de bevruchter en voeder van de aarde en al, wat deze bevat, de god, die de levens der menschen bepaalt, beschouwd.
Aten werd in een lijst afgebeeld, waarin hij genoemd wordt: “Heer van den hemel, Heer der aarde, Hij, die voor altijd leeft, Hij, die de aarde verlicht, Hij, die in waarheid regeert”.
Een buitengewoon schoone en poëtische hymne ter eere van Aten, waarin hij verheerlijkt wordt als de schenker van het leven en de vruchtbaarheid van alle wezens, is in de graftombe van Aï, een hoog ambtenaar, onder Amen-hetep, of Akh-en-Aten, gevonden. Deze hymne begint aldus:
Schoon is Uw schitterende verschijning aan den horizon des hemels,
O Aten, gij, die leeft en zelf het begin van het leven zijt.
Hij is het, die den Nijl in de Duat maakte en hem naar de menschen geleidde, terwijl hij zijn wateren deed rijzen; hij zendt, eveneens den regen naar de landen, welke buiten het bereik van den weldadigen vloed van den Nijl zijn.
Gij maakt den Nijl in de onderwereld, gij geleidt hem hierheen, indien het U lust,
Opdat hij leven kan geven aan de menschen, die gij uit Uzelf gemaakt hebt, Heer over allen!
Gij geeft den Nijl in den hemel, opdat hij naar hen zal afdalen.
Deze laat zijn wateren over de rotsen rijzen, gelijk de zee en hij bevochtigt hun akkers in hun nomen.
Zoo zijn Uw middelen volmaakt, o Heer der Eeuwigheid, Gij, die de hemelsche Nijl zijt.
Gij zijt de koning van de inwoners van het land.
En van het vee, dat in ieder land op voeten gaat,
De Nijl komt uit de onderwereld naar Egypte.
De Aten-hymnen leggen hun god zulke attributen bij, als ieder volk in zijn zonnegod zien kan. Alle opsmuk, welke bij den cultus van Ra, Osiris en dergelijke godheden behoort, is bij hem afwezig. Hier geen vermelding van de schepen, waarmede de goden door den hemel voeren, evenmin van Apep, de groote slang en de andere vijanden van Ra, noch van de gezelschappen van goden en godinnen, die zijn trein vormden.
Bij den Aten-cultus vinden wij geen strijd, zooals bij dien van Horus, noch ontmoeten wij ceremonies en ritueel van het gebied van Osiris. Al deze dingen komen bij den Aten-dienst niet voor. Gemakkelijk begrijpt men, waarom deze dienst mislukte, toen er een beroep op het Egyptische volk gedaan werd.
Aten werd zelfs niet in menschelijke gestalte afgebeeld, zooals Ra en Osiris, doch onveranderlijk als de zonneschijf voorgesteld, terwijl stralen vanuit deze in benedenwaartsche richting vielen. Elke straal eindigde in een menschelijke hand en hieraan waren somtijds de teekenen van het leven, der kracht, enz., vastgehecht.
Reliefs uit dezen tijd schilderen den koning en de koningin herhaaldelijk af, in gezelschap van hun kinderen zittend, terwijl zich boven hun hoofden het symbool van Aten bevindt, en een van zijn talrijke handen het levensteeken van elk lid der koninklijke familie aanduidt.
Kortom, de cultus van Aten was een zuivere en onveranderlijke zonnevereering, van welke men echter de schilderachtige geschiedenis, welke aan het hart der Egyptenaren zoo dierbaar was, had afgenomen.
Hathor.
Het is niet gemakkelijk de ware mythologische beteekenis der godin Hathor, de beschermster van de vrouwen, de liefde en het genoegen, meesteres van den hemel en de onderwereld, te peilen.
Hathor.
Zij nam een zeer aanzienlijke positie in het pantheon van het oude Egypte in, daar zij uit zeer oude, zelfs prae-dynastieke tijden dateerde. In de opvatting over Hathor vinden wij een menigte mythologische ideeën vermengd; zij is een maangodin, een godin van de lucht, van het Oosten, het Westen, een godin, die met het heelal in verbinding staat, die tevens den landbouw beschermt, zij was verder een godin der vochtigheid en soms zelfs een zonnegodin. Hoewel haar oorspronkelijke vorm dus in het duister gehuld is, vermoedt men, dat zij in den beginne een maangodin was en wel om redenen, welke hieronder volgen.
De oorspronkelijke gestalte, waarin Hathor vereerd werd, was die van een koe. Later wordt zij als een vrouw, met den kop van een koe voorgesteld en ten slotte met een menschelijk hoofd, met een breed, vriendelijk en kalm gelaat, dat ongetwijfeld de gelijkenis met den kop van een koe vertoont, terwijl het soms nog de horens van het dier waarop zij lijkt, behouden heeft.
Soms ook ziet men haar met een haardos, welke op een paar horens gelijkt, met de schijf van de maan daartusschen. Soms ook ontmoet men haar in de gestalte van een koe, welke in een boot staat, omringd door papyrus-riet.
Nu wordt in de mythologie de koe dikwijls met de maan geïdentificeerd—waarom, is moeilijk uit te maken. Misschien is het te gewaagd, om de veronderstelling op te werpen, dat de verschijning van de maan, welke op sommige tijdstippen eenige gelijkenis met een hoorn heeft, de menschen op de gedachte gebracht heeft dat zij op een of andere wijze met de koe in verband staat.
Mythologie is in vele gevallen op zulke oppervlakkige gelijkenissen en analogieën gebaseerd en door dezen leert de geest van den oorspronkelijken mensch het eerst denken. Ook zou het kunnen zijn, dat de koe, een dier van groot gewicht voor landbouwers, met de maan verbonden werd, daar deze als meesteres van het weer en als voornaamste oorzaak van den groei en de vruchtbaarheid beschouwd werd.
Het feit, dat Hathor soms in de gedaante van een koe, in een boot, gezien wordt, wettigt het vermoeden, dat zij eveneens een watergodheid was en verhoogt tevens de waarschijnlijkheid, dat zij met de maan vereenzelvigd werd; de laatste immers werd door de Egyptenaren als de bron van alle vochtigheid beschouwd.
De naam Hathor beteekent: “Huis van Horus”, d.w.z. de lucht, waarin de zonnegod Horus woonde en er is geen twijfel aan, of Hathor werd op zeker tijdstip als een godin van de lucht beschouwd, of als een godin van de Oostelijke lucht, waar Horus geboren was; ook is zij met de lucht van den nacht geïdentificeerd en met de lucht van den zonsondergang.
Indien wij haar echter als een maangodin beschouwen, zal veel van de mythologie, welke op haar betrekking heeft, duidelijk worden. Er wordt b.v. dikwijls over haar gesproken als “Oog van Ra”; Ra bezit hier waarschijnlijk de verdere beteekenis van god van de lucht. Ook wordt zij aangeduid als de “gouden”, die hoog in het Zuiden, als de vrouw van Teka, staat en het westen als de heerscheres van Sais verlicht.
Dat zij de heerscheres in de onderwereld was, is eveneens niet te verwonderen, indien wij haar identiek met de maan beschouwen; onderneemt de maan toch niet een dagelijkschen pelgrimstocht door Amentet? Evenmin is het verbazingwekkend, dat men een godin van vochtigheid en plantengroei in de onderwereld vinden kan, terwijl zij water uitdeelt aan de zielen der gestorvenen, uit de takken van een palm, of vijgeboom.
Hathor als Godin der Liefde.
Op dezelfde hypothese kunnen wij de eenigszins paradoxale bewering uitleggen, dat zij de moeder van haar vader, de dochter van haar zoon is, dat zij de moeder, vrouw en dochter van Ra is. Men kan toch de maan, wanneer zij aan den hemel verschijnt vóór de zon, als Ra’s moeder beschouwen; wanneer zij tezamen met hem regeert, is zij zijn vrouw; als zij opkomt, nadat de zon ondergegaan is, is zij zijn dochter.
Het is verder mogelijk, dat de maan, met haar voortbrengende en onderhoudende kracht, beschouwd is als de scheppende en schragende kracht van het heelal, de groote moeder van den kosmos, welke niet alleen de goden en godinnen, over wie zij regeerde, voortbracht, doch eveneens haar zelf.
Zij ontving de eerbewijzen van de Egyptische vrouw, als het ideaal van vrouwelijkheid, zoowel als moeder, vrouw, of dochter en zij werd de beschermgodin van de liefde, de vreugde en pret, beschermster van muziek en zang, beschermster van den dans en de meesteres van de slingers.
Ter harer eere werden tempels opgericht van welke die in Denderah, in Boven-Egypte, van buitengewone schoonheid is, en zij bezit ontelbare andere heiligdommen. Langzamerhand werd zij met verschillende plaatselijke godheden vereenigd en men heeft inderdaad verkondigd, dat alle godinnen vormen van Hathor waren.
Als wachteres over de dooden wordt Hathor als koe voorgesteld, komende uit den berg in het westen en ook terwijl zij op den top van dezen staat, en de ondergaande zon en de zielen der dooden ontvangt, terwijl de laatsten in de voetstappen van den zonnegod treden.
In dit geval kan men Hathor als de lucht van het Westen beschouwen, doch de mythe kan eveneens op de maan betrekking hebben, welke soms op de bergen van het Westen staat, na zonsondergang, met horens, welke op uitgestrekte armen lijken, om de onzichtbare zielen te verwelkomen.
Er moet nog een ander punt met betrekking tot het mythologisch aspect van Hathor besproken worden. Toen zij, als dochter van Ra, geboren was (haar moeder was Nut, de godin der lucht) was zij geheel zwart. Dit feit laat verschillende verklaringen toe. Het kan zijn, dat Hathor’s zwart uiterlijk een aanwijzing is voor een Aethiopische afkomst, of ook kan het zijn, dat zij een voorstelling is van de lucht des nachts, welke met den groei van den dag licht wordt.
Het is echter ook mogelijk, haar als een voorstelling van de maan te beschouwen, welke zwart geboren wordt, met slechts een kleine lichtsikkel, doch welke helderder wordt, als zij ouder wordt. Het is niet waarschijnlijk, dat de scherpziende oogen van den eersten mensch de donkere maanschijf niet opgemerkt zouden hebben, welke aan de buitenzijde nog door het licht, dat door de aarde teruggekaatst werd, verlicht werd.
De Menschenslachting.
In de volgende mythen over Ra en Hathor wordt de laatste geheel en al met de maangodin geïdentificeerd. Het verhaal luidt aldus:
Lang geleden woonde Ra, de zonnegod, de schepper van den mensch en alle andere wezens, en heerscher over de goden, op aarde. Een tijd lang bewezen de menschen hem den eerbied, aan zijn hooge positie verschuldigd, doch ten slotte werd hij oud, en zij bespotten hem, terwijl zij zeiden: “zie eens, zijn beenderen zijn als zilver, zijn armen lijken op goud, zijn haar is echte lapis-lazuli”. Nu was Ra zeer vertoornd, toen hij deze godslastering hoorde, daarom riep hij zijn volgelingen bijeen, de goden en godinnen van zijn gezelschap, Shu en Tefnut, Geb en Nut en Hathor, het oog van Ra.
In het geheim kwamen de goden samen, zoodat de menschenkinderen niets van hun bijeenkomst weten konden. Toen zij nu allen rondom den troon van Ra verzameld waren, sprak hij tot Nun, den oudste van de goden:
“O Nun, gij eerstgeborene van de goden, wiens zoon ik ben, ik smeek U, geef mij raad. De menschen, die ik geschapen heb, bedenken booze dingen tegen mij, zelfs zij, die uit mijn oog te voorschijn gekomen zijn. Zij hebben in hun haat gemompeld en zeiden: Zie, de koning is oud geworden, zijn beenen lijken op zilver, zijn armen op goud, zijn haar lijkt op werkelijke lapis-lazuli. Zeg mij, wat moet ik tegen hen doen? Ik heb over Uw raad gedacht. Ik wil hen niet vernietigen, voordat gij gesproken hebt”.
Hierop antwoordde Nun:
“O Gij groote God, die grooter zijt, dan hij, die U maakte, Gij, die grooter zijt, dan Uw vader, wend slechts Uw oog tegen hen, als zij godslasteren en zij zullen van de aarde verdwijnen”.
Hierop wendde Ra werkelijk zijn oog naar de lasteraars, overeenkomstig den raad van Nun. De menschen echter vluchtten voor het oog van Ra en verborgen zich in woestijnen en rotsachtige plaatsen. Hierop gaven alle goden en godinnen aan Ra den raad, zijn oog onder de menschen te zenden, om hen op smartelijke wijze te treffen.
Het oog van Ra daalde daarop van den hemel, in de gedaante van de godin Hathor, trof de menschen in de woestijn en doodde hen. Daarop keerde Hathor naar het hof van Ra terug en toen de koning haar verwelkomd had, zeide zij: “Ik ben machtig geweest onder de menschen. Dit is mijn hart aangenaam”.
Den geheelen nacht waadde Sekhmet7 in het bloed van hen, die gedood waren en ’s morgens vreesde Ra, dat Hathor alle nog overigen van het menschelijk geslacht zou vernietigen; daarna sprak hij tot zijn dienaren: “Breng mij snelle boden, die de winden voorbijloopen”.
Toen de boden verschenen waren, verzocht de koning hen een groot aantal alruinen uit Elephantine te halen. Ra gaf dezen daarop aan Sekhmet en verzocht hem, dezen fijn te stampen; toen dit gedaan was, mengde hij de alruinen met een hoeveelheid van het bloed van hen, die Hathor gedood had.
Ondertusschen waren dienstmaagden bezig, bier uit gerst te maken en hierin goot Ra het mengsel. Aldus werden 7000 kruiken bier gemaakt.
Des morgens verzocht Ra zijn dienaren, het bier naar de plaats te brengen, waar Hathor de overgebleven menschen zou trachten te dooden en het daar uit te gieten. Want de godheid zei bij zichzelf: “Ik zal de menschen uit haar handen bevrijden”.
Het gebeurde werkelijk, dat Hathor, tegen de schemering, de plaats bereikte, waar het bier lag, dat de velden overstroomde. Zij verheugde zich zeer over de weerkaatsing van haar schoon gezicht, dat haar uit den stroom toelachte en zooveel dronk zij van het bier, dat zij dronken werd en niet meer in staat was, menschen te dooden.
Vanaf dien tijd werden er, ter herinnering aan deze gebeurtenis, luidruchtige feesten gevierd.
Er is geen twijfel mogelijk, of in deze mythe is het bier een voorstelling van de jaarlijksche overstrooming van den Nijl en als men nog een verder bewijs zoekt dan dit, in deze geschiedenis vervat, kan men dit vinden in het feit, dat de uitgelaten feesten van Hathor, in de maand Thoth, de eerste maand van de overstrooming, vallen.
De wraak van Ra is ongetwijfeld een voorstelling van de rampen en het hongerlijden, dat het drooge seizoen, dat onmiddellijk den was van de rivier voorafgaat, vergezelt. Het oog van Ra—d.w.z. Hathor—moet, of de zon, of de maan zijn. Ra echter is de zonnegod, daarom moet Hathor waarschijnlijk als maangodin opgevat worden,
Men moet er wel aan denken, dat de Egyptenaren geloofden, dat de maan hardnekkig haar best deed de overstrooming te verhinderen en haar dus waarschijnlijk als de bron van alle rampen, welke door de droogte ontstonden, beschouwden. Het is eveneens evident, dat het oog van Ra onder de menschen een verwoesting aanrichtte gedurende den nacht en dat de schemering van den dag aanbrak, nadat de godin de menschen gedood had, toen zij stroomopwaarts ging.
Vormen van Hathor.
Hathor wordt soms met de ster Sept, of Sothis (Sirius), geïdentificeerd, welke, met de zon op- en ondergaande, opkwam op den eersten dag van de maand Thoth. Toen Ra zijn schip besteeg nam Sothis, of de godin Hathor, haar plaats, boven zijn hoofd, evenals een kroon in.
Steeds heeft men gewezen op de verschillende vormen van deze godin. Door de Grieken werd zij met Aphrodite vereenzelvigd en door de Egyptenaren met een menigte plaatselijke godinnen. De Zeven Hathors, die men soms als onafhankelijke godinnen vermeldt, waren slechts in werkelijkheid een van de gestalten der godin en dezen varieerden in de verschillende plaatsen.
Zoo waren de Zeven Hathors, in Denderah vereerd, Hathor van Thebe, Hathor van Heliopolis, Hathor van Aphroditopolis, Hathor van het Sinaï-schiereiland, Hathor van Momemphis, Hathor van Herakleopolis en Hathor van Keset.
Zij werden als jonge vrouwen, met tamboerijnen in de hand, voorgesteld en voorzien van de Hathor haardracht, uit een schijf en een paar horens bestaand. In de litanieën van Seker worden andere groepen van Zeven Hathors vermeld en Mariette onderscheidt nog een ander gezelschap onder dezen titel.
Kortom, Hathor is de voorstelling van het vrouwelijk element, oorspronkelijk, vruchtbaar en aantrekkelijk, zooals dat bij de meeste barbaarsche volken bekend is en dat in den loop der eeuwen meer vervalscht is.
Hapi, de Nijlgod.
Deze god werd speciaal met de groote rivier, waarvan het bestaan van Egypte afhing, verbonden en als zoodanig was hij in het Egyptische pantheon een god van groot gewicht. Langzamerhand werd hij met Osiris vereenzelvigd.
De naam Hapi wacht nog steeds op een vertaling en is waarschijnlijk van prae-dynastischen oorsprong. Misschien komt de eerste vermelding van dezen naam voor in den tekst van Unas, waarin de Nijlgod aangespoord wordt, het graan, ten behoeve van den dooden vorst, vruchtbaar te maken. In dezelfde teksten wordt over Hapi eveneens als over een vernietigende kracht gesproken; dit is natuurlijk een symbolische voorstelling voor de overstroomingen, zoo dikwijls door den Nijl veroorzaakt.