WeRead Powered by ReaderPub
Mythen & Legenden van Japan cover

Mythen & Legenden van Japan

Chapter 159: Het Doodenfeest.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated anthology of traditional Japanese myths and folktales arranged thematically, presenting origin stories, heroic and warrior episodes, Buddhist and Shinto legends, and domestic and supernatural tales. Chapters gather narratives about mountain and sea mysteries, animal and shape-changing spirits, ghosts and festival customs, and objects such as mirrors, fans, bells, and textiles. Each retelling emphasizes customary motifs, seasonal observances, and moral or ritual resonances, and brief commentary highlights how these legends intersect with visual art and popular celebration without privileging a single narrative voice.

Hoofdstuk XV. Kwannon en Benten. Daikoku, Ebisu en Hotei.

“Aanbidding aan de groote barmhartige Kwannon, die boven het geluid van het gebed naar beneden ziet.”

Een Opschrift.

Kwannon.

Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, gelijkt in menig opzicht op den niet minder barmhartigen en vriendelijken Jizō; immers beiden deden afstand van de vreugde der Nirwana, ten einde vreugde en geluk aan anderen te brengen. Kwannon is echter een godheid van een meer ingewikkeld karakter dan Jizō, en hoewel zij meestal wordt uitgebeeld als een zeer schoone en heilige Japansche vrouw, neemt zij toch een aantal verschillende gedaanten aan. Wij kennen enkel Indische goden en godinnen met tallooze handen, en Kwannon wordt somtijds afgebeeld als Senjiu-Kwannon, of Kwannon-met-de-Duizend-Handen.1 Iedere hand bevat het ééne of andere voorwerp, als moest hierdoor worden uitgedrukt, dat hier inderdaad een godin is, die in haar liefde bereid is, al het mogelijke te schenken en zooveel als in haar vermogen is, gebeden te verhooren.

Vervolgens is er Jiu-ichi-men-Kwannon, de Kwannon met-de-Elf-Gezichten. Hier wordt het gelaat van Kwannon voorgesteld als “lachend met eeuwigdurende jeugd en oneindige teederheid”, en in haar schitterend uiterlijk wordt het ideaal van het goddelijk vrouwelijke voorgesteld met een onbegrensde schoonheid van opvatting. In de tiara van Jiu-ichi-men-Kwannon zijn heerlijke koppen, als het ware een straling van kleine Kwannons. Somtijds neemt de tiara van Kwannon een anderen vorm aan, zooals bij Batō-Kwannon, of Kwannon-met-den-Paardekop. De naam is eenigszins misleidend, immers zulk een sierlijk schepsel heeft in geen van de vormen, waaronder het optreedt, iets van een paardekop. Afbeeldingen van dien bijzonderen Kwannon doen ons een paard zien, in de tiara uitgesneden. Batō-Kwannon is de Godin tot wie de landbouwers bidden voor de veiligheid en de redding van hun paarden en hun vee, en men verhaalt, dat Batō-Kwannon niet alleen stomme dieren beschermt, vooral die, welke werken voor het menschdom, maar dat zij haar macht ook zóóver uitstrekt, dat zij hun geesten beschermt, en hun kalmte schenkt en een gemakkelijker leven dan zij op aarde leidden. In scherpe tegenstelling met de Kwannons, die wij reeds hebben beschreven, is Hito-Koto-Kwannon, de Kwannon, die slechts één enkel gebed wil beantwoorden. De Goden der Liefde en der Wijsheid worden dikwijls voorgesteld in verbinding met die Godin, en de “Acht en Twintig Volgelingen” zijn personificaties van bepaalde sterrenbeelden. Maar in alle vormen, waarin Kwannon optreedt, behoudt zij steeds dezelfde maagdelijke schoonheid, en die Godin der Barmhartigheid wordt zeer eigenaardig, en niet ten onrechte, wel eens de Japansche Madonna genoemd.

Kwannon in de Chineesche Mythen.

In China staat Kwannon bekend onder den naam van Kwanjin, en als de geestelijke zoon van Amitâbha, maar die godheid treedt steeds op als godin, zooals haar beeltenissen zoowel in China als in Japan ons aantoonen. De Chineezen maken er aanspraak op, dat Kwanjin van Chineeschen oorsprong is, en dat zij oorspronkelijk de dochter was van den Koning der Tschou-dynastie. Zij werd door haar vader ter dood veroordeeld, omdat zij weigerde te huwen, maar het zwaard van den beul brak af, zonder een wond te veroorzaken. Men verhaalt, dat haar geest later weer ter helle ging. Er was iets zóó stralend schoon in den geest van Kwanjin, dat het feit harer tegenwoordigheid de Hel in het Paradijs veranderde. De Koning der Onderwereld zond Kwanjin terug naar de aarde, ten einde het sombere uitzicht van zijn rijk te bewaren; hij liet haar op wonderbaarlijke wijze op een lotusbloem overbrengen naar het eiland Pootoo.

Een Incarnatie van Kwannon.

Chūjō Hime, een Buddhistische non, wordt meestal beschouwd als de grootste Japansche kunstenares in het borduren, uit den ouden tijd, en zij was, volgens de legende, een incarnatie van Kwannon. Chūjō Hime werd door haar stiefmoeder wreed behandeld, totdat zij zich ten slotte terugtrok in den tempel van Toema-dera, en daar werkte zij aan het wonderbaarlijke borduursel van lotusdraden, dat het Paradijs der Buddhisten voorstelde. De schets is zóó voortreffelijk, dat wij ons goed kunnen voorstellen, dat de Japanners gelooven, dat de Goden de groote kunstenares bij haar werk hielpen.

Kwannon de Moeder.

Er is nog een ander merkwaardig borduurwerk, door Kano Hogai, dat Kwannon voorstelt als de Goddelijke Moeder, die uit een kristallen fleschje het water der schepping giet. Als dit water in een reeks van blaasjes neervalt, blijkt het, dat ieder blaasje een klein kindje bevat met eerbiedig gevouwen handen. Het is een prachtig stuk werk, en als men na de artistieke schoonheid te hebben bewonderd, de technische uitvoering bestudeert, dan zien wij, dat de uitvoering drie jaar heeft geduurd, en dat 12 100 verschillende nuances van zijde, en twaalf van gouddraad zijn gebruikt.

De “Drie en dertig Plaatsen” aan Kwannon Gewijd.

Er zijn drie en dertig tempels, aan Kwannon gewijd. Zij zijn alle nauwkeurig genummerd, en worden gevonden in de provincies, in de nabijheid van Kyōto. De volgende legende geeft misschien wel een verklaring van den eerbied, die voor de Saikoku Sanjū-san Sho (de Drie en dertig Plaatsen) gekoesterd wordt.

Toen de groote Buddhistische abt der achtste eeuw, Tokudō Shōnin, stierf, werd hij tot voor Emma-Ō, den Heerscher over de Dooden, geleid. Het kasteel, waarin Emma-Ō woonde, schitterde van zilver en goud, rose paarlen en alle soorten van glinsterende juweelen. Een licht straalde ook uit van Emma-Ō, en die schrikwekkende God had een glimlach op zijn gelaat. Hij ontving den uitnemenden abt met de grootst mogelijke wellevendheid, en sprak hem aldus aan:

“Tokudō Shōnin, er zijn drie en dertig plaatsen, waar Kwannon haar bijzondere gunst openbaart, want weet wel, in haar grenzenlooze goedheid heeft zij zich in een aantal lichamen verdeeld, zoodat hij, die om hulp roept, niet te vergeefs zal roepen. Helaas! de menschen blijven op het slechte pad voortgaan, want zij weten van die heilige tempels niets af. Zij leven hun schandelijk leven en gaan in een groote en ontelbare menigte naar de Hel. O, hoe blind zijn zij, hoe eigenzinnig, en hoe vol van verdwaasdheid! Als zij maar één enkele bedevaart deden naar die drie en dertig tempels, die aan onze Vrouw van Barmhartigheid zijn gewijd, dan zou een rein en wonderlijk licht van hun voeten afschijnen, die geestelijk krachtig genoeg zouden worden, om alle kwaad te verpletteren en de honderd zes en dertig hellen tot stukken te verbrijzelen. Indien, in weerwil van die bedevaart, iemand bij ongeluk in de Hel valt, dan zal ik zijn plaats innemen en alle lijden op mij nemen; want, indien dit geschiedde, zou mijn verhaal over vrede een leugen zijn, en zou ik werkelijk verdienen te lijden. Hier is een lijst van de drie en dertig heilige tempels van Kwannon. Breng die lijst naar de in onrust zijnde wereld van mannen en vrouwen, en predik de eeuwigdurende barmhartigheid van Kwannon”.

Nadat Tokudō zorgvuldig geluisterd had naar alles, wat Emma-Ō hem mededeelde, antwoordde hij: “Gij hebt mij met een zoodanige zending vereerd, maar stervelingen zijn vol twijfelingen en vol vrees, en zij zouden om het ééne of andere teeken vragen, waaruit de waarheid kan blijken van wat ik hun vertel”.

Emma-Ō gaf den abt onmiddellijk zijn met juweelen bezet zegel, en na afscheid van hem te hebben genomen, zond hij hem weg, na hem twee bedienden te hebben medegegeven.

Terwijl die vreemde gebeurtenissen in de Onderwereld plaats grepen, bemerkten de leerlingen van Tokudō, dat niettegenstaande het lijk van hun meester reeds drie dagen en drie nachten had neergelegen, het vleesch nog niet koud was geworden. De getrouwe volgelingen begroeven het lijk niet, daar zij meenden, dat hun meester nog niet dood was. En dit was inderdaad het geval, want na eenigen tijd ontwaakte Tokudō uit zijn bewusteloosheid, en hield hij in zijn rechter hand het met juweelen bezette zegel van Emma-Ō.

Tokudō liet er geen tijd overheen gaan, voordat hij zijn vreemde avonturen verhaalde, en toen hij zijn verhaal had geëindigd, ging hij met zijn leerlingen ter bedevaart naar de drie en dertig heilige plaatsen, waarover de Godin der Barmhartigheid het bestuur uitoefent.2

Lijst der “Drie en dertig Plaatsen”.

Hier volgt een volledige lijst van de “Drie en dertig Plaatsen”, aan Kwannon gewijd:

  1. 1. Fudaraku-ji, te Nachi, in Kishū.
  2. 2. Kimii-dera, bij Wakayama, in Kishū.
  3. 3. Kokawa-dera, in Kishū.
  4. 4. Sefuku-ji, in Izumi.
  5. 5. Fujii-dera, in Kawachi.
  6. 6. Tsubosaka-dera, in Yamato.
  7. 7. Oka-dera, in Yamato.
  8. 8. Hase-dera, in Yamato.
  9. 9. Nan-endō, te Nara, in Yamato.
  10. 10. Mimuroto-dera, te Uji, in Yamashiro.
  11. 11. Kami Daigo-dera, te Uji, in Yamashiro.
  12. 12. Iwama-dera, in Ōmi.
  13. 13. Ishiyama-dera, bij Ōtsu, in Ōmi.
  14. 14. Miidera, bij Ōtsu, in Ōmi.
  15. 15. Ima-Gumano, te Kyōto, in Yamashiro.
  16. 16. Kiyomizu-dera, te Kyōto.
  17. 17. Rokuhara-dera te Kyōto.
  18. 18. Rokkaku-dō, te Kyōto.
  19. 19. Kōdō te Kyōto.
  20. 20. Yoshimine-dera, te Kyōto.
  21. 21. Anōji, in Tamba.
  22. 22. Sōjiji, in Settsu.
  23. 23. Katsuo-dera, in Settsu.
  24. 24. Nakayma-dera, bij Kōbe, in Settsu.
  25. 25. Shin Kiyomizu-dera, in Harima.
  26. 26. Hokkeji, in Harima.
  27. 27. Shosha-san, in Harima.
  28. 28. Nareai-ji, in Tango.
  29. 29. Matsunoo-dera, in Wakasa.
  30. 30. Chikubu-shima, eiland in het Meer Biwa, in Ōmi.
  31. 31. Chōmeiji, in Ōmi.
  32. 32. Kwannonji, in Ōmi.
  33. 33. Tanigumi-dera, bij Tarui, in Mino3.

De “Zaal van de Tweede Maan”.

De Buddhistische tempel van Ni-gwarsu-dō (“Zaal van de Tweede Maan”) bevat een klein koperen beeld van Kwannon. Het heeft de wonderbaarlijke eigenschap, dat het warm is als levend vleesch, en sedert het beeld is weggesloten, worden in den maand Februari bepaalde godsdienstoefeningen gehouden ter eere van Kwannon, en den achttienden van iedere maand wordt het heilige beeld tentoongesteld om aangebeden te worden.

Kwannon en het Hert.

Een oude kluizenaar, Saion Zenji genaamd, koos tot verblijfplaats den berg Nariai, opdat hij in de gelegenheid zou zijn, de schoonheid te aanschouwen van Ama-no-Hashidate, een smalle landtong met pijnboomen bedekt, die het Meer Iwataki en de Baai Miyazu van elkander scheidt. Ama-no-Hashidate wordt nog steeds beschouwd als één van de Sankei, of “Drie Groote Tafereelen” van Japan, en nog steeds wordt de berg Nariai beschouwd als de beste plek, van waar dit bekoorlijke tafereel kan worden bewonderd.

Op den Berg Nariai richtte die vriendelijke en heilige kluizenaar een kleinen tempel op ter eere van Kwannon, niet ver van een eenzamen pijnboom verwijderd. Hij bracht zijn gelukkige dagen door met neer te zien op Ama-no-Hashidate en met de Buddhistische geschriften te zingen, en zijn zoo vriendelijke inborst en vroom gedrag werden zeer op prijs gesteld door het volk, dat kwam bidden in den kleinen tempel, dien hij zoo liefdevol had opgericht voor zijn eigen genoegen en dat van anderen.

De verblijfplaats van den kluizenaar, die bij zacht en zonnig weder zeer liefelijk was, was in den wintertijd somber, immers als het sneeuwde, was de man van den omgang met menschen afgesloten. Op zeker tijdstip viel de sneeuw zóó hevig neer, dat zij op sommige plaatsen tot een hoogte van twintig voet lag opgestapeld. Dag aan dag bleef het strenge weer voortduren, en eindelijk bleek het den armen kluizenaar, dat hij hoegenaamd geen voedsel meer over had. Toen hij op zekeren morgen toevallig naar buiten keek, zag hij een hert dood in de sneeuw neerliggen. Toen hij het arme schepsel aanschouwde, dat doodgevroren was, dacht hij er aan, dat het naar de opvatting van Kwannon tegen de wet was, het vleesch van dieren te eten; maar toen hij de zaak nog eens nauwkeuriger overwoog, kwam het hem voor, dat hij zijn medeschepselen meer goed kon doen door van dat vleesch te eten dan door zich te houden aan de strenge letter der wet en zich te laten verhongeren in het gezicht van den overvloed.

Toen Saion Zenji tot dit verstandige besluit was gekomen, ging hij naar buiten en sneed een stuk van het wild af, kookte het, en at de helft op, onder talrijke dankzeggingen voor zijn behoud. Het overige gedeelte van het wild liet hij in zijn kookpan achter.

Eindelijk smolt de sneeuw, en een aantal menschen gingen op weg van het naburige dorp en bestegen den Berg Nariai, in de verwachting, dat hun goede en teerbeminde kluizenaar, voor goed van deze wereld zou zijn verdwenen. Toen zij den drempel naderden, hoorden zij verheugd, dat de oude man met heldere en luidklinkende stem de heilige Buddhistische Geschriften zong.

Het volk uit het dorp verzamelde zich om den kluizenaar, terwijl hij het verhaal van zijn redding deed. Toen zij uit nieuwsgierigheid eens een blik sloegen in zijn kookpan, zagen zij tot hun stomme verbazing, dat deze geen wild bevatte, maar een stuk hout, met goudblad bedekt. Terwijl zij zich steeds nog verbaasden en niet begrepen, wat dit beteekende, zagen zij naar het beeld van Kwannon in den kleinen tempel en bleek het, dat een stuk uit haar lendenen was gesneden, en toen zij het stuk hout daarin pasten, was de wond genezen. Toen begrepen de oude kluizenaar en het volk, dat zich om hem had verzameld, dat het hert niemand anders geweest was dan Kwannon, die in haar onbegrensde liefde en teedere barmhartigheid haar eigen goddelijk vleesch ten offer had gebracht.

Benten.

“De wilde bloemen worden slap, de ahornblaadren,

Door vingers van de vorst geraakt, zij buigen zich ter aard’;

Maar op den boezem van de zee

Verwelken niet de bloemen uit het nat geboren

Der golven, als de bloesems op het land,

Noch voelen zij de kilheid van des Najaars hand”,

Yasuhide (Naar Clara A. Walsh.)

Benten, de Godin der Zee, is tevens één der zeven Godheden van het Geluk, en in romantischen zin wordt zij beschouwd als de Godin van Liefde, Schoonheid en Welsprekendheid. In de Japansche kunst wordt zij voorgesteld, rijdende op een draak of slang, wat wel de verklaring kan zijn van het feit, dat in sommige streken slangen als heilig worden beschouwd. Op afbeeldingen wordt Benten weergegeven met acht armen. Zes handen zijn boven haar hoofd uitgestoken en houden een boog, een pijl, een wiel, een zwaard, een sleutel en een heilig juweel, terwijl zij haar beide overige handen eerbiedig in gebed gekruist houdt. Zij gelijkt in menig opzicht op Kwannon, en beelden van de twee godinnen worden dikwijls bij elkander gezien, maar de tempels van Benten worden gewoonlijk op eilanden gevonden.

Benten en de Draak.

Wij hebben er reeds melding van gemaakt, dat Benten op een draak rijdt, en de volgende legende kan misschien met die bijzondere voorstelling in verband gebracht worden.

In een zeker hol leefde een geduchte draak, die de kinderen van het dorp Koshigoe verslond. In de zesde eeuw besloot Benten een einde te maken aan het ongepaste gedrag van het monster, en na een groote aardbeving te hebben doen ontstaan, ging zij op de loer liggen in de wolken boven het hol, waar de gevreesde draak zijn woonplaats had gevestigd. Benten daalde toen uit de wolken neder, trad het hol binnen, huwde den draak, en was zoo, door haar uitstekenden invloed, in staat, een einde te maken aan de slachting van kleine kinderen. Bij de aankomst van Benten verrees uit de zee het bekende eiland Enoshima4, dat op den huidigen dag gewijd is gebleven aan de Godin der Zee.

Benten-van-het-Geboorte-Water.

Hanagaki Baishū, een jong dichter en geleerde, woonde een groot feest bij, dat gehouden werd ter viering van den wederopbouw van den tempel van Amadera. Hij wandelde door het schoone park en bereikte op zijn wandeling ook de plaats van een fontein, waar hij dikwijls zijn dorst had gelescht. Hij zag, dat wat oorspronkelijk een fontein was geweest, nu een vijver was geworden, en bovendien, dat aan één der hoeken van den vijver een bord stond, waarop de woorden geschreven waren Tanjo-Sui (“Geboorte-Water”) en tevens een kleine, maar aantrekkelijke tempel, aan Benten gewijd. Terwijl Baishū oplettend de veranderingen in het park van den tempel naging, voerde de wind een prachtig geschreven minnedicht naar zijn voeten. Hij raapte het op en ontdekte, dat het door een vrouwenhand was geschreven, dat de letters prachtig gevormd waren, en dat de inkt nog versch was.

Baishū keerde naar huis terug en las en herlas het gedicht. Het duurde niet lang, of hij werd verliefd op de schrijfster, en besloot ten slotte haar te huwen. Eindelijk ging hij naar den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water en riep: “O, Godin, kom mij te hulp, en sta mij bij in mijn pogingen, de vrouw te vinden, die deze door den wind naar mij toegevoerde verzen heeft geschreven!” Na zoo gebeden te hebben, besloot hij een godsdienstoefening van zeven dagen te houden, en den zevenden nacht te bestemmen aan onafgebroken vereering vóór den heiligen tempel van Benten, in het park van Amadera.

Gedurende den zevenden nacht van zijn nachtwake hoorde Baishū een stem, die riep om toegelaten te worden door de hoofdpoort van het park van den tempel. De poort werd geopend, en een oud man, in staatsiekleederen en met een zwarte muts op zijn hoofd, kwam naar voren en knielde zwijgend voor den tempel van Benten. Daarna werd de buitendeur van den tempel geheimzinnig geopend, en een bamboe-gordijn werd gedeeltelijk opgetild, waarbij een schoone knaap te voorschijn kwam, die den ouden man aldus toesprak: “Wij hebben medelijden met een jong man, die een liefdeband wenscht te sluiten, en wij hebben u geroepen, om die zaak te onderzoeken, en na te gaan, of gij de jonge lieden niet samen kunt brengen”.

De oude man boog, en trok toen uit zijn mouw een touw, dat hij om het middel van Baishū bond, terwijl hij een uiteinde aanstak aan een lantaarn van den tempel, en onderwijl met de hand wuifde, alsof hij een geest wenkte, om uit den donkeren nacht te voorschijn te komen. In een oogenblik kwam een jonge maagd het park van den tempel binnen, en terwijl zij met haar waaier haar lief gezicht halverwege bedekte, knielde zij naast Baishū neder.

Daarna sprak de schoone knaap Baishū aldus toe: “Wij hebben uw gebed gehoord, en het is ons gebleken, dat gij in den laatsten tijd veel hebt geleden. De vrouw, die gij lief hebt, is nu naast u geplaatst”. En na die woorden te hebben gesproken, vertrok de goddelijke jongeling, en de oude man verliet het park bij den tempel.

Toen Baishū zijn dank had gebracht aan Benten-van-het-Geboorte-Water, ging hij naar huis. Toen hij de straat bereikte buiten het park, zag hij een jong meisje, en herkende hij haar dadelijk als het meisje, dat hij liefhad. Baishū sprak haar aan, en toen zij antwoordde, vervulden de vriendelijkheid en liefelijkheid van haar stem den jongen man met vreugde. Zij wandelden te zamen door de stille straten, totdat zij ten slotte aan het huis kwamen, waar Baishū woonde. Er was een oogenblik van diep zwijgen, en daarna zeide het meisje: “Benten heeft mij u tot vrouw gegeven”, en de gelieven traden beiden het huis binnen.

Het huwelijk was buitengewoon voorspoedig, en de gelukkige Baishū ontdekte, dat zijn vrouw, behalve in andere huiselijke deugden, ook volmaakt bedreven was in de kunst, bloemen te rangschikken, en dat haar fijne manier van schrijven niet minder aangenaam was te zien dan haar bekoorlijke schilderijen. Baishū wist niets van haar familie af, maar daar zij hem geschonken was door de godin Benten, achtte hij het onnoodig, haar daarnaar te vragen. Er was slechts één ding, dat den verliefden Baishū vreemd voorkwam, en dat was, dat de buren totaal onkundig schenen te zijn van de tegenwoordigheid van zijn vrouw.

Toen Baishū op zekeren dag in een afgelegen gedeelte van Kyōto wandelde, zag hij, dat een bediende hem van de voordeur van een particuliere woning toewenkte. De man kwam naar hem toe, boog eerbiedig en zeide: “Wilt gij u wel verwaardigen, dit huis binnen te treden? Mijn meester verlangt er naar, de eer te hebben, met u te spreken”. Baishū, die niets afwist van den bediende of van diens meester, was niet weinig verbaasd over die vreemde begroeting, maar hij liet zich toch naar de ontvangkamer geleiden en daar sprak de bewoner van het huis hem aldus toe:

“Ik bied u zeer nederig mijn verschooning aan voor de weinig vormelijke wijze, waarop ik u heb uitgenoodigd, maar ik meen gehandeld te hebben in overeenstemming met een boodschap, die ik van de godin Benten heb ontvangen. Ik heb een dochter, en daar ik er zeer op gesteld ben, een goeden echtgenoot voor haar te vinden, heb ik de door haar geschreven gedichten naar alle tempels van Benten in Kyōto gezonden. De Godin is mij nu in een droom verschenen en heeft mij medegedeeld, dat zij een uitnemenden echtgenoot voor mijn dochter had, en dat hij mij den volgenden winter zou bezoeken. Ik heb eerst niet veel gewicht gehecht aan dien droom; maar den vorigen nacht is Benten mij weer in den droom verschenen, en zeide zij mij, dat den volgenden dag de echtgenoot, dien zij voor mijn dochter had gekozen, mij een bezoek zou brengen, en dat ik dan alles omtrent het huwelijk kon in orde brengen. De Godin beschreef het uiterlijk zóó nauwkeurig, dat ik er zeker van ben, dat gij de aanstaande echtgenoot van mijn dochter zijt.”

Die vreemde woorden vervulden Baishū met droefenis, en toen zijn beleefde gastheer voorstelde, hem met het meisje in kennis te brengen, was hij niet moedig genoeg, om zijn zoogenaamden schoonvader te vertellen, dat hij reeds een vrouw had. Baishū volgde zijn gastheer in een ander vertrek en tot zijn verbazing en vreugde bleek het hem, dat de dochter des huizes niemand anders was dan zijn eigen vrouw! En toch was er een fijn onderscheid tusschen beiden, immers de vrouw, die hem nu toelachte, was het lichaam van zijn vrouw, en zij die hem verschenen was voor den tempel van Benten-van-het-Geboorte-Water, was haar ziel. Men verhaalt ons, dat Benten dit wonder had volbracht ter wille van haar vereerders, en zoo geschiedde het, dat Baishū een vreemdsoortig dubbel huwelijksleven had met de vrouw, die hij liefhad.

Daikoku.

Daikoku, de God van den Rijkdom, Ebisu zijn zoon, de God van den Arbeid, en Hotei, de God van het Lachen en van de Tevredenheid, behooren tot dien kring der godheden, die bekend staan onder den naam van de Goden van het Geluk. Daikoku wordt voorgesteld met een Tooverhamer, die het teeken draagt van den Juweel, die den mannelijken en vrouwelijken geest personifieert, en beteekent een scheppende godheid. Een slag van zijn hamer brengt rijkdom, en zijn tweede attribuut is de Rat. Daikoku is, zooals men licht zal begrijpen, een bijzonder populaire godheid, en hij wordt dikwijls geschilderd als een voorspoedige Chineesche mijnheer, rijk uitgedost, terwijl hij meestal wordt voorgesteld staande op balen rijst, met een zak vol kostbare zaken op zijn schouder. Die vroolijke en weldadige God wordt ook wel voorgesteld, zittende op balen rijst, of zijn schatten vertoonend aan een of ander gretig kind, dat vol verwachting naar die schatten ziet; ook wel wordt hij voorgesteld, de Roode Zon met de ééne hand tegen zijn borst houdend, terwijl hij den Tooverhamer met de andere hand vasthoudt.

De Rat van Daikoku.

Het attribuut van Daikoku, een Rat, heeft een zinnebeeldige en een zedelijke beteekenis, in verband met den rijkdom, die in den zak van den God verborgen is. De Rat wordt dikwijls voorgesteld òf in een baal met rijst, waaruit zijn kop uitsteekt, of terwijl deze binnen in den zak zit, òf terwijl hij met den Hamer speelt; somtijds ziet men een groot aantal ratten.

Volgens een oude legende werden de Buddhisten afgunstig op Daikoku. Zij overlegden samen, en besloten ten slotte, dat zij den te populairen Daikoku uit den weg zouden ruimen, aan wien de Japanners gebeden en wierook aanboden. Emma-Ō, de Heerscher der Dooden, beloofde zijn sluwsten en verstandigsten oni, Shiro te zenden, die, zooals hij zeide geen moeite zou hebben, den God van den Rijkdom te overmeesteren. Shiro, wien door een musch den weg werd gewezen, ging naar het kasteel van Daikoku, maar hoewel hij hoog en laag speurde, hij kon den eigenaar niet vinden. Eindelijk ontdekte Shiro een groot magazijn, waarin hij den God van den Rijkdom zag zitten. Daikoku riep zijn Rat en beval hem te onderzoeken, wie het waagde hem lastig te vallen. Toen de Rat Shiro zag, rende hij in den tuin en bracht een takje hulst mede, waarmede hij den oni verjoeg. Tot op den huidigen dag blijft Daikoku één der meest populaire Japansche Goden. Men zegt, dat deze gebeurtenis de oorsprong is van het oudejaarsavond-toovermiddel, dat bestaat uit een hulstblad en een vleeschpin, of een hulsttakje, bevestigd op den drempel van de deur van een huis, om den terugkeer van den oni te beletten.

De Zes Daikoku’s.

  1. 1. Makura Daikoku, de gewone vorm, met een Hamer op een lotusblad.
  2. 2. Ojikara Daikoku, met zwaard en vajra.
  3. 3. Bika Daikoku, een priester met een Hamer in de rechter hand en een zwaard met een vajra-gevest in de linker hand.
  4. 4. Yasha Daikoku, met het Wiel der Wet in de rechter hand.
  5. 5. Shinda Daikoku, een knaap, zittend met een kristal in de linker hand.
  6. 6. Mahakara Daikoku, een zittende vrouw, met een baal rijst op haar hoofd.

Ebisu.

Ebisu en zijn vader Daikoku worden gewoonlijk te zamen uitgebeeld: de God van den Rijkdom gezeten op balen rijst, terwijl hij de Roode Zon met één hand tegen zijn borst drukt, en met de andere den rijkdom schenkenden Hamer vasthoudt, terwijl Ebisu wordt uitgebeeld met een hengel en een grooten tai visch onder den arm.

Hotei.

Hotei, de God van het Lachen en der Tevredenheid, is één der komiekste der Japansche Goden. Hij wordt als uitermate dik voorgesteld, terwijl hij op zijn rug een linnen zak (ho-tei) draagt, waaraan hij zijn naam ontleent. In dien zak pakt hij de kostbare zaken in, maar als hij in een bijzonder speelsche bui is, gebruikt hij dien als een bewaarplaats voor vroolijke en nieuwsgierige kinderen. Somtijds wordt Hotei voorgesteld, gezeten in een gebroken en bijzonder haveloos rijtuig, dat wordt voortgetrokken door jongens; in die gedaante is hij bekend als de Wagen-Priester. Ook wordt hij geschilderd met een Chineeschen waaier in de ééne hand, en zijn zak in de andere, of terwijl hij op het ééne uiteinde van een stok den zak met kostbare zaken en op het andere uiteinde een knaap laat balanceeren.


1 De titel is niet nauwkeurig, want in werkelijkheid heeft Kwannon in die gedaante slechts veertig handen. Ongetwijfeld is de bedoeling van dien naam, een voorstelling te geven van de milddadigheid dier Godin.

2 In navolging van de oorspronkelijke Drie en dertig Heilige Plaatsen zijn er ook drie en dertig heilige plaatsen in oostelijk Japan gesticht, en ook in het district Chichibu.” Murray’s Handboek van Japan, door B.H. Chamberlain en W.B. Mason.

3 Zie Murray’s Handboek van Japan.

4 Zie Een blik op het Onbekende Japan, door Lafcadio Hearn, deel I, blz. 62–104.

Hoofdstuk XVI. Poppen en Vlinders.

“Ik vroeg eens een bekoorlijk Japansch meisje: ‘Hoe kan een pop leven?’ ‘Wel,’ antwoordde zij, ‘als gij er genoeg van houdt, zal zij leven!’”

Lafcadio Hearn.

De Engelsche en Japansche Poppen.

Onze poppen, met haar lichtblond haar, blauwe oogen en gemaakte lachjes, strekken zeker niet tot eer en roem van de poppenmakers, als het geacht moet worden, dat zij eenige gelijkenis dienen te vertoonen met levende kinderen. Als zij horizontaal gehouden worden, zal er iets in haar kopjes tikken en zullen haar blauwe oogen zich sluiten of liever gezegd achterover rollen; knijpt men ze, dan zullen zij een geluid geven dat eenigszins doet denken aan de woorden: “Papa! Mama!” en toch hebben zij, in weerwil van die mechanische kunstgrepen niets in haar voordeel dan de liefde van korten duur, haar door een kind betoond. Spoedig breken zij, of loopen zij gevaar, dat op ieder oogenblik een broertje ze het hoofd afbreekt of op andere wijze voor goed beschadigt.

In Japan echter is de pop niet alleen een stuk speelgoed, waardoor kleine meisjes zich voorstellen, moedertjes te zijn, maar in vroeger dagen werd zij als het middel beschouwd, om van vrouwen moeders te maken. Lafcadio Hearn schrijft hierover: “En als gij een dergelijke, door een Japansche moeder vervaardigde pop ziet, die haar handen kan uitsteken, haar naakte voetjes kan bewegen en haar hoofd kan omdraaien, dan zoudt gij, al werd zij vlak bij u gehouden, er bijna tegen opzien, een weddenschap aan te gaan, dat het maar een pop is.” Het is die treffende gelijkenis, die waarschijnlijk de oorzaak is van de vreemde en schoone liefde, die aan Japansche poppen verbonden is.

Levende Poppen.

Er was een tijd, dat men meende, dat sommige poppen werkelijk levend werden en in haar kleine lichamen een menschelijke ziel kregen, en dat geloof is niets anders dan een echo van het oude denkbeeld, dat rijke liefde het beeld van een levend iets tot leven kan wekken. In het Oude Japan ging de pop over van het ééne geslacht op het volgende, en bleef somtijds volkomen ongeschonden gedurende een periode van meer dan honderd jaar. Een pop, die honderd jaar lang in de armen van kleine kinderen was gekoesterd, van voedsel was voorzien, geregeld iederen nacht naar bed was gebracht en het voorwerp van voortdurende liefkozingen was geweest, moest ongetwijfeld wonderen doen in de dichterlijke verbeelding van een gelukkig en kinderlijk volk.

De kleine pop, bekend als O-Hina-San valt niet binnen het gebied van deze studie; zij was eenvoudig een stuk speelgoed en niets meer. Wij hebben hier alleen de levensgroote poppen te bespreken, die poppen, die zoo uitnemend kleine kinderen voorstellen van twee of drie jaar. De meisjespop van die soort draagt den naam van O-Toku-San en de jongenspop van Tokutarō-San. Men geloofde, dat, als die poppen, hoe dan ook, slecht behandeld of verwaarloosd werden, zij zouden huilen, boos zouden worden en ongeluk zouden brengen over haar bezitters. Bovendien hadden zij nog een aantal andere bovennatuurlijke gaven.

In een zeker gezin was er een Tokutarō-San, die bijna niet minder vereerd werd dan Kishibōjin, de Godin, tot wie Japansche vrouwen en kinderen bidden. Die Tokutarō-San werd door kinderlooze echtparen geleend. Zij gaven hem nieuwe kleeren en verzorgden hem met liefdevolle zorgen, daar zij er van overtuigd waren, dat een dergelijke pop, die een ziel bezat, hen gelukkig zou maken, door hun gebeden om een kind te verhooren. Tokutarō-San was volgens de legende zeer levendig en vlug, want toen het huis in brand vloog, rende hij haastig den tuin in, om zich te redden!

De Laatste Rustplaats van een Pop.

Wat gebeurt er met een Japansche pop, als zij eindelijk na een lang en gelukkig leven breekt? Hoewel zij voor goed dood wordt geacht, worden haar overblijfselen met den grootsten eerbied behandeld. Zij wordt niet met vuil of afval weggeworpen of verbrand, of zelfs eerbiedig op stroomend water gelegd, zooals dikwijls met doode Japansche bloemen geschiedt. Zij wordt niet begraven, maar aan Kōjin gewijd, een godheid, die dikwijls wordt voorgesteld met een aantal armen. Men stelt zich voor, dat Kōjin huist in een enoki-boom, en tegenover dien boom is een klein altaar en torii. Hier worden de overblijfselen van een oude pop eerbiedig neergelegd. Haar klein gelaat moge al gekrabd zijn, haar zijden kleed gescheurd en verschoten, haar armen en beenen gebroken, zij had vroeger een ziel, en had eens de geheimzinnige begeerte het moederschap te schenken aan haar, die het verlangden.

Op den derden Maart wordt het Feest der Meisjes gevierd. Het is bekend als Jomi no Sekku, of Hina Matsuri, of het Poppenfeest.

Vlinders.

“Waar bijeenverzameld liggen

Zachte bloesems, dra vergaan,

Waait daar soms een enkel blaadje

Op zijn vroeg’ren boomtak aan?

Neen, ’t was een vlinder, zoo licht als een blad,

Die zich in ’t luchtruim verheven had.”

Arakida Mortitake.
(Naar Clara A. Walsh.)

De vlinder staat in China meer dan in Japan in betrekking met legenden en folk-lore. De Chineesche geleerde Rōsan had, zoo wordt gezegd, bezoek ontvangen van twee meisjesgeesten, die hem onthaalden op spookachtige verhalen omtrent die insecten met hun prachtig gekleurde vleugels.

Het is meer dan waarschijnlijk, dat de legenden omtrent vlinders, die van Japan bekend zijn, aan China zijn ontleend. Japansche dichters en kunstenaars vonden er genoegen in, als hun beroepsnaam namen te kiezen zooals “Vlinderboom”, “Eenzame Vlinder”, “Vlinderhulp” en dergelijke. Zulke denkbeelden, hoewel waarschijnlijk van Chineeschen oorsprong, deden een beroep op de aesthetische gevoelens van het Japansche volk, en het is niet twijfelachtig, of de Japanners speelden in vroegere dagen het romantische vlinderspel. Keizer Gensō was gewoon de vlinders te gebruiken, om voor hem een keuze te doen voor zijn minnerijen. Bij een wijnfeest in zijn tuin moesten schoone dames opgesloten vlinders loslaten. Die schoongekleurde insecten vlogen dan rond en zetten zich neer op de schoonste meisjes, en die meisjes ontvingen dan dadelijk de gunst van den Keizer.

Vlinders, die iets goeds, en die iets slechts voorspelden.

In Japan werd de vlinder een tijd lang beschouwd als de ziel van een levenden man of levende vrouw. Als hij een ontvangkamer binnenkwam en zich vastzette achter het bamboescherm, dan was dit een zeker bewijs, dat de persoon, die hij vertegenwoordigde, binnen kort in dat huis zou komen. De aanwezigheid van een vlinder werd als een goed voorteeken beschouwd, hoewel natuurlijk alles afhing van den persoon, die met den vlinder vereenzelvigd was.

De vlinder was niet altijd de voorbode van goede tijdingen. Toen Taira-no-Masakado in het geheim een oproer voorbereidde, was Kyōto het tooneel van een zwerm vlinders, en de bevolking, die ze zag, was zeer verschrikt. Lafcadio Hearn geeft als zijn meening te kennen, dat die vlinders de geesten kunnen zijn van hen, die bestemd waren in het gevecht te sneuvelen, de geesten van de levenden, die een voorgevoel hadden van een spoedig naderen van den dood. Vlinders kunnen ook de zielen der dooden zijn, en zij verschijnen dikwijls onder die gedaante, ten einde kenbaar te maken, dat zij voor goed afscheid nemen van het lichaam.

“De Vliegende Haarspeld van Kochō”.

Het Japansche drama maakt herhaaldelijk van de spookachtige beteekenis der vlinders gebruik. In het tooneelspel, dat bekend staat als De Vliegende Haarspeld van Kochō, pleegt de heldin, Kochō, zelfmoord, op grond van valsche beschuldigingen en wreede behandeling. Haar minnaar tracht te ontdekken, wie de oorzaak van haar ontijdigen dood is geweest. Op een zeker oogenblik verandert Kochō’s haarspeld in een vlinder, welke blijft zweven boven de schuilplaats van den misdadiger, die al die ellende heeft veroorzaakt.

De Witte Vlinder.

Er is een vreemde en roerende Japansche legende, die in verband staat met den vlinder. Een oude man, Takahama genaamd, woonde in een huisje achter het kerkhof van den tempel van Sōzanji. Hij was een uiterst beminnelijk man en bij al zijn buren dan ook zeer geliefd, hoewel de meesten hem als eenigszins krankzinnig beschouwden. Zijn krankzinnigheid bestond, naar het scheen, uitsluitend in het feit, dat hij nooit was getrouwd en nooit het verlangen had uitgesproken naar intiemen omgang met vrouwen.

Op een zekeren Zondag werd hij ernstig ziek, en wel zóó ziek, dat hij zijn schoonzuster met haar zoon liet ontbieden. Zij kwamen beiden, en deden alles wat in hun macht was, om in zijn laatste levensuren zijn lijden te verzachten. Terwijl zij waakten, viel Takahama in slaap; maar nauwelijks was hij in rust, of een groote witte vlinder vloog de kamer binnen, en bleef stil zitten op het hoofdkussen van den lijder. De jonge man trachtte dien met een waaier te verdrijven, maar driemaal kwam hij terug, alsof hij er tegen opzag, den zieke te verlaten.

Eindelijk joeg de neef van Takahama hem op naar den tuin, waarna hij door de tuindeur naar het kerkhof vloog, dat aan den overkant gelegen was, waar hij bleef zitten op het graf van een vrouw en daarna geheimzinnig verdween. Toen de jonge man den grafsteen nader beschouwde, zag hij, dat er de naam “Akiko” op was geschreven, en tevens een beschrijving, hoe Akiko op achttienjarigen leeftijd was gestorven. Hoewel de grafsteen met mos was bedekt en wel vijftig jaar geleden moest zijn opgericht, zag de jonge man, dat hij door bloemen omringd was, en dat de kleine waterbak onlangs was gevuld.

Toen de jonge man naar huis terugkeerde, bleek het, dat in dien tusschentijd Takahama was gestorven; hij keerde toen naar zijn moeder terug en vertelde haar, wat hij op het kerkhof had gezien.

“Akiko?” mompelde zijn moeder. “Toen uw oom jong was, was hij met Akiko verloofd. Zij stierf kort vóór haar trouwdag aan de tering. Toen Akiko deze wereld verliet, besloot uw oom, nooit te huwen en steeds in de nabijheid van haar graf te blijven wonen. Al die jaren lang is hij zijn gelofte getrouw gebleven, en hield zijn hart al de zoete herinneringen aan zijn eenige liefde. Dagelijks ging Takahama naar het kerkhof, zoowel als de lucht geurig was van de zomerzoelte, als wanneer zij bezwangerd was met vallende sneeuw. Dagelijks ging hij naar het graf en bad voor haar heil, maakte den grafsteen schoon en plaatste daarop bloemen. Toen Takahama stervende was, en hij die hem zoo dierbare taak niet meer kon volbrengen, kwam Akiko hem bezoeken. Die witte vlinder was haar vriendelijke en liefhebbende ziel.” Voordat Takahama naar het Land van de Gele Lente vertrok, kon hij wel woorden gemompeld hebben zooals die van Yone Noguchi:

“Daar waar de bloemen slapen,

Slaap ik, Goddank! van avond.

O, kom, o vlinder kom.1


1 Legenden in verband met andere insecten worden in Hoofdstuk XXIII behandeld.

Hoofdstuk XVII. Feestdagen.

Nieuwjaar.

De San-ga-nichi, of “drie dagen” van het Nieuwe Jaar, is één van de belangrijkste van de Japansche feestgetijden, want de Japanners vieren het nieuwjaarsfeest veel feestelijker dan wij. Zij beschouwen de eerste drie dagen van het jaar als een geschikte gelegenheid, om zich voorspoed en geluk voor de toekomst te verzekeren, en om dit gedaan te krijgen, worden een aantal vreemde en oude gebruiken in acht genomen. Voordat de huizen worden versierd, heeft er eerst een afdoende winterschoonmaak plaats. “In oude tijden”, zoo schrijft Mevrouw Salwey, “werd dit gebruik in acht genomen zoowel aan het Hof van den Keizer als in de hut van den boer, en wel zóó nauwgezet, dat het Hof van den Shōgun opzichters leverde, die rondgingen met versierde stoffers, om het werk der bedienden na te zien, en die hun officieele bezems over richels en spleten bewogen, terwijl zij daarbij hun tooverroeden op een bepaalde wijze zwaaiden, om daarmede het Chineesche teeken, dat water beteekende, aan te duiden.” Niet alleen wordt het geheele huis door en door gereinigd en alles op zijn plaats gezet, maar men wordt verlost van de booze geesten, door erwten en boonen uit de open shoji te werpen, of ook wel papiersnippers.

Bij het Nieuwjaarfeest worden de huizen en deurposten versierd met koorden van stroo, en deze worden dikwijls zóó gemaakt, dat zij de getallen drie, vijf of zeven voorstellen, welke getallen bij de Chineezen als gelukkig worden beschouwd. Het voornaamste voedsel, dat bij die gelegenheid wordt gegeten, bestaat uit zeekreeften (wier gebogen en oud uiterlijk op een lang leven wijst), sinaasappels en enkele soorten van eetbaar zeegras. Bovendien zijn er spiegelkoeken, in verband met de Zonnegodin, en die koeken, die uit rijst bestaan, worden gegeten met de sinaasappelen en de zeekreeften, en opgediend op zuiver witte bakken. Een andere belangrijke versiering mag niet over het hoofd gezien worden, en wel de takken van een pijnboom. Die takken zijn het zinnebeeld van een lang leven, en om de ééne of andere niet bekende reden worden zij verbrand, zoodra het feest is afgeloopen.

Één van de meest schilderachtige gebruiken, dat met dit feest in verband staat en dat in het bijzonder op kinderen een grooten indruk maakt, is het Spookschip met de Zeven Goden van het Geluk aan boord, waarover wij reeds vroeger hebben gesproken.1

De Feestdag voor Jongens.

De Tango no Sekku, of Feestdag voor Jongens, wordt gevierd op den 5den Mei, en dient, om de Japansche jeugd met krijgshaftige eigenschappen te bezielen. Het is de dag, waarop overal vlaggen worden gezien, waarop de daken der huizen met irisbladeren worden versierd, zoodat de vlag der Natuur en de vlag door menschenhanden vervaardigd, beide in het oog vallen op dien vroolijken feestdag, die algemeen bekend staat onder den naam van het Vlaggenfeest. De knapen krijgen dien dag kleine beeldjes ten geschenke, die bepaalde groote helden uit het verleden voorstellen, terwijl oude zwaarden, bogen, pijlen, speren en dergelijke van het ééne geslacht van kinderen aan het andere worden overgegeven.

Misschien is wel de meest op den voorgrond tredende trek van dit feest de papieren vlag, die de gedaante heeft van een karper. Zij is hol, en als zij met wind wordt gevuld, heeft zij het voorkomen, alsof zij krachtig door de lucht vliegt. De karper is meer dan een gewoon symbool van den ruwen oorlogsgeest, want hij is het zinnebeeld van vasthoudendheid in den opzet en van ontembaren moed. Zooals de karper tegen den stroom opzwemt, zoo wordt van de Japansche jeugd verwacht, dat zij tegen de krachtigste stroomingen van den tegenspoed kan strijden. Dit denkbeeld is waarschijnlijk ontleend aan de betooverende Chineesche legende van den Drakenkarper, wien het na een langen strijd gelukte, voorbij de watervallen van den Drakenpoort te zwemmen, en die duizend jaar leefde, totdat hij eindelijk in de lucht opsteeg.

Het Doodenfeest.

Het Doodenfeest, of Bommatsuri, moet hier worden besproken, omdat het veel bevat, dat mythisch is. De opvatting van den Japanschen boer omtrent een toekomstig leven is niet bijzonder opgewekt. Na den dood wordt het lichaam onmiddellijk gewasschen en geschoren en dan gestoken in een helder wit gewaad—in werkelijkheid het gewaad van een pelgrim. Om den nek wordt een zakje gehangen met drie of zes rin2, welk aantal afhangt van de gewoonten der plaats, waar de overledene gewoond heeft, en die rin worden met den overledene begraven. Het denkbeeld, om munten met dooden te begraven, is ontleend aan het geloof, dat allen die sterven, met uitzondering van kinderen, moeten reizen naar de Sanzu-no-Kawa, of “De Rivier der Drie Wegen”. Aan den oever van die sombere rivier wacht Sodzu-Baba, de Oude Vrouw der Drie Wegen, de komst af van de zielen, te gelijk met haar echtgenoot, Ten-Datsu-Ba. Als geen drie rin aan de Oude Vrouw worden betaald, neemt zij de witte kleeren van den doode weg, en hangt zij die, zonder op zijn smeekingen te letten, aan de boomen op. Dan is er nog de niet minder angstwekkende Emma-Ō, de Heerscher der Dooden; en als wij bij die sombere figuren nog voegen enkele van die verschrikkingen van de hellen der Buddhisten, dan behoeft het geen verbazing te wekken, dat de zachtzinnige en poëtische Japanner een feest heeft ingesteld, dat een aangename, zij het dan ook slechts een korte vertroosting schenkt van de verschrikkingen van den Hades.

Het feest heeft plaats van 13 tot 15 Juli. In dien tijd van het jaar zijn de meeste huizen niets dan geraamten, daar zij aan alle kanten aan de zomerbries toegang verschaffen. Men loopt in de lichtst mogelijk gewaden rond. De vlinders vermaken zich, in ontelbare hoeveelheden rondvliegend over een koel lotusveld of zich neerzettend op de purperen bloemblaadjes van een iris. De Fuji steekt zijn grooten kop in de heldere blauwe lucht uit, en draagt als een witte sluier een strook van snel wegsmeltende sneeuw.

Als de ochtend van den 13den Juli aanbreekt, worden nieuwe matten van rijststroo op alle Buddhistische altaren witgespreid en op de kleine tempels in huis. Ieder Japansch huis houdt dien dag een eigenaardig nauwkeurig omschreven maal gereed voor de groote menigte geesten.

Tegen het ondergaan van de zon zijn de straten helder verlicht door de vlammen der fakkels, en de ingangen der huizen hebben een vroolijk aanzien door de helder gekleurde lantarens. Zij, voor wie dit feest in bijzondere mate geldt, en dus niet als voor ieder ander—dat wil zeggen, zij, die kort geleden iemand hebben verloren, die hun dierbaar was—gaan dien nacht naar buiten, om de kerkhoven te bezoeken, waar zij bidden, offers brengen, wierook branden en water uitgieten. Lantarens worden aangestoken en bamboevazen met bloemen gevuld.

Op den avond van den 15den Juli worden de geesten van den Kring der Boetedoening of Gakidō gevoed, en bovendien al die geesten, die onder de levenden geen vrienden hebben, die voor hen zorgen. Er is een legende, die betrekking heeft op dit bijzonder onderdeel van het Doodenfeest. Dai-Mokenren, een groot leerling van Buddha, kreeg eens toestemming, de ziel van zijn moeder in de Gakidō te bezoeken. Hij had zóó bitter verdriet over haar ontzettend lijden, dat hij haar een kom gaf, die het meest uitgelezen voedsel bevatte. Maar iederen keer, als zij trachtte er van te eten, veranderde het voedsel plotseling in vuur, en eindelijk in asch. Toen vroeg Mokenren Buddha, hem te willen mededeelen, wat hij kon doen om het lijden van zijn moeder te verzachten. Hem werd toen bevolen, om de schimmen der groote priesters in alle landen “op den vijftienden dag der zevende maand” te spijzigen. Toen dit geschied was, keerde Mokenren terug en vond zijn moeder weer, springende van vreugde. In dien gelukkigen dans na veel beproevingen vinden wij de sporen terug van den oorsprong der Bon-odori, die plaats heeft in den derden nacht van het feest.

Als de avond van den derden nacht aanbreekt, worden voorbereidselen gemaakt voor het vertrek der geesten. Duizenden bootjes worden volgeladen met voedsel en met vriendelijke afscheidsgroeten. De vertrekkende geesten stappen in die bootjes. Liefhebbende handen plaatsen die brooze bark op rivier, meer of zee. Een kleine lantaren brandt aan den voorsteven, terwijl lichtblauwe wolken van wierook van den achtersteven opstijgen. Hearn schrijft: “Langs alle kreken, rivieren en kanalen gaan de spookachtige vloten flikkerend naar zee; en de geheele zee glinstert over den geheelen horizon van de lichten der dooden, en de zeewind is welriekend door het wierook.”

Er is een pathetische bekoring in dat feest. Het is volstrekt niet alleen in Japan, dat het gevierd wordt; immers het komt overeen met het Indische Sraddha; maar in Japan wordt het aangeraakt door een fijnere en meer betooverende schoonheid. Niemand is tot nu toe in staat geweest, den oorsprong der Torii onfeilbaar vast te stellen, die wonderlijke poort, die nergens heenleidt. Wat een bekoorlijke ingang of uitgang voor een troep ronddolende schimmen! Wat een prachtige plaats voor geesten is een Japansche tuin, met zijn meren en maanvormige brug, zijn steenen lantarens, zijn paden met zilverzand, om daarin te spelen en bij tijden te droomen! En wat een prachtige straat om daarin te wandelen is voor geesten de Eeuwigdurende Straat, die zóó nabij is aan de straat van Oude Mannen! In de volgende bewoordingen geeft Yone Noguchi de tooverpracht weer van een Japansche nacht, één van die drie nachten, als de zielen in aanraking komen met oude aardsche herinneringen:

“De geurig purpren bries van een Japanschen nacht!

De oude maan, die als een tooverschip vol goud

Begint te wieg’len door de zee der droomen:

(Ik hoor den nooit gehoorden Schoonheidszang in ’t schip der maan,

Ik hoor zelfs ’t zacht gefluister van hun gouden kleed).

Die honderden lantarens, in liefde brandend en gebed,

Bewegen zich langs weg en straat, als dolende herinnering.

De zilveren muziek van ’t houten schoeisel der Japansche meisjes!

Zijn dit niet kleine geesten, gekomen uit den boezem van den ouden tijd?

Heeft hun terugkomst soms ten doel, hun duizend wenschen, reeds vergeten, te vervullen?

Hoe groot is toch de fantaisie van den Japanschen nacht

Geboren uit de oude liefde en onvervulde wenschen!

De droeve minnezang in den Japanschen nacht,

De samisen muziek van hartstocht en van tranen!

De droeve harteklacht door duisternis en liefde!”

Het Lachfeest van Wasa.

In den loop van het jaar worden er een aantal andere Japansche feesten gevierd, en twee daarvan, het Poppenfeest en het Feest van Tanabata, het Wevende Meisje, zijn reeds vroeger door ons besproken. Misschien is het Lachfeest van Wasa wel het meest vreemde onder al de Japansche feesten. Gedurende de maand October vormen een aantal oude mannen een optocht, waarbij zij twee kisten vol met sinaasappelen dragen, en persimonpruimen op stokken gestoken. Die oude mannen worden gevolgd door kinderen met dezelfde vruchten op bamboestokken. Op het oogenblik, waarop de aanvoerder den tempel nadert, draait hij zich om en trekt een allerbespottelijkst gezicht, dat onmiddellijk gevolgd wordt door een onbedaarlijke lachbui. Die onweerstaanbare vroolijkheid berust op de volgende legende.

De Goden waren gewoon in de maand October bijeen te komen in een grooten tempel te Izumo; het doel van hun bijeenkomst was, de liefdesaangelegenheden van het volk in orde te brengen. Toen de Goden in den tempel zaten, zeide één van hen: “Waar is Miwa Daimyō-jin? Alle Goden keken overal naar hem uit, maar hij kon niet gevonden worden. Nu was Miwa Daimyō-jin erg doof, en daardoor had hij zich vergist in den grooten dag, waarop de Goden te zamen kwamen. Toen hij te Izumo aankwam, was de bijeenkomst reeds ontbonden en alle Goden lachten uitgelaten, toen zij dit hoorden, een gelach, dat jaar aan jaar wordt herhaald bij het Lachfeest, waarover wij hebben gesproken.

De Torii.

Wij hebben in dit hoofdstuk en reeds vroeger melding gemaakt van de torii, en hoewel de verschillende autoriteiten op dit gebied verschillen in hun opvatting omtrent gebruik en oorsprong, is het onderwerp zeer aantrekkelijk en de studie overwaard. Volgens de populaire opvatting beteekent het woord torii “hoenderplaats” of “vogelrustplaats.” Op den top van dien indrukwekkende poort verkondigden de hoenders het aanbreken van den dageraad, en waarschuwden door hun gekraai de priesters om met hen morgengebeden te beginnen. In één legende wordt ons medegedeeld, dat de zon op aarde neerdaalt in den vorm van den Ho-Ho Vogel, den bode van liefde, vrede en welgezindheid, en dat zij op één der torii rust.

Chamberlain is van meening, dat de afleiding van “vogelrustplaats” en de daaraan ontleende theorieën onjuist zijn, en gelooft, dat de torii oorspronkelijk uit Azië afkomstig zijn. Hij schrijft in Japansche Zaken: “De Koreanen richten daarmede veel overeenkomende poorten op in de nabijheid van hun koninklijke paleizen; de Chineesche p’ai lou, die dienen, om de deugden van mannelijke of vrouwelijke verdienstelijke personen te vermelden, schijnen in vorm en in gebruik verwant te zijn; en het voorkomen van het woord turan in Noord-Indie en van het woord tori in Centraal-Indië, waarmede poorten worden aangeduid met vormen, die met de torii treffend overeenkomen, geeft ons veel te denken.” Dr. Aston is evenzeer de meening toegedaan, dat de torii van buiten zijn ingevoerd, “maar is van oordeel, dat er vroeger een andere naam aan verbonden was, die oorspronkelijk ‘drempel’ moet hebben beteekend, voordat er de tegenwoordige gewijde begrippen aan verbonden waren.”3

Mevrouw Salway schrijft naar aanleiding van den bouw van die poorten: “De oudste torii van Japan... waren vervaardigd van gewoon ongevernist hout. Zij werden gemaakt van rechte, hooge boomstammen in hun natuurlijken toestand, hoewel zij somtijds beroofd waren van hun buitenschors. Later werd het hout geverfd in een donkere vermiljoenkleur, misschien wel om het effect te verhoogen als de achtergrond dicht begroeid was”. Hoewel de torii oorspronkelijk met het Shintōïsme verbonden waren, werden zij later ook door de Buddhisten overgenomen, die de eenvoudige maar schoone constructie aanzienlijk wijzigden door de hoeken der horizontale balken naar boven te buigen, en door opschriften daarop aan te brengen en verschillende soorten van versieringen.

“Het Voetbankje van den Koning”.

Wat ook de oorsprong en de beteekenis der Shintō torii mogen zijn, niemand zal hun bijzondere schoonheid ontkennen, en velen zullen met ons van oordeel zijn, dat het de schoonste poort ter wereld is. Misschien is de schoonste torii die, welke voor den tempel van Itsukushima staat op het eiland Myajima, en deze wordt “Het Voetbankje van den Koning”, “De Poorts des Lichts”, of “de Waterpoort van het Heilige Eiland” genoemd.

Mevrouw Salway schrijft: “Is niet die Poort het symbool van de Goede Richting, volgens de leerstellingen van den Shintō Eeredienst, het Doel, waarnaar het gelaat moet gericht worden—‘De Weg der Goden’. Zijn het niet waarschuwers, die hun mystieke boodschap als in eigenaardige teekens van den Heerscher der Goden voor de opkomende en ondergaande zon schrijven, terwijl zij door hun tegenwoordigheid de dichte weelderigheid der geheimzinnige lanen vergrooten, en zich weerspiegelen in de donkere, stille rivieren of de zilveren rimpels der Binnenzee?” Wij moet tevreden zijn met die liefelijke verklaring van het symbolisme der torii, want zij voert ons door de poort van tegenstrijdige theorieën, en geeft ons iets, dat ons meer voldoet dan de ingewikkelde vertakkingen der woordafleiding.


1 Hoofdstuk VII. “Legenden in de Japansche Kunst”.

2 Japansche munt.

3 Japansche Zaken, door B.H. Chamberlain.