WeRead Powered by ReaderPub
Mythen & Legenden van Japan cover

Mythen & Legenden van Japan

Chapter 209: Vogels.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated anthology of traditional Japanese myths and folktales arranged thematically, presenting origin stories, heroic and warrior episodes, Buddhist and Shinto legends, and domestic and supernatural tales. Chapters gather narratives about mountain and sea mysteries, animal and shape-changing spirits, ghosts and festival customs, and objects such as mirrors, fans, bells, and textiles. Each retelling emphasizes customary motifs, seasonal observances, and moral or ritual resonances, and brief commentary highlights how these legends intersect with visual art and popular celebration without privileging a single narrative voice.

Hoofdstuk XXIII. Legenden omtrent Vogels en Insecten.

Vogels.

Wij hebben reeds gewezen op enkele vogels, waarvan in Japansche legenden melding wordt gemaakt, den fazant in het verhaal van Momotaro, den Ho-Ho Vogel, de Brug van Eksters in het verhaal van Tanabata, het geheimzinnige licht, dat van den blauwen reiger zou hebben uitgestraald, den Dondervogel, enz. De Sekirei of kwikstaartjes zijn gewijd aan Izanagi en Izanami, immers het was door die vogels, dat die godheden voor het eerst de kunst der liefde leerden kennen, en zelfs niet de God der Vogelverschrikkers kan hen verschrikken. Toen de groote held Yamato-take stierf, veranderde hij, naar men meent, in een witten vogel, en wij lezen in de Hō-jōki1, dat Chōmei zich verbeeldde, dat hij in het geluid van een goudfazant de kreten van zijn moeder hoorde. Mythische schepselen, zooals de Tengu, hebben bepaalde eigenschappen van vogels, maar toch kunnen zij niet onder de vogels gerangschikt worden, en om die reden worden zij op een andere plaats in dit boek behandeld.

De Haan.

De God van Mionoseki heeft een hekel aan hanen en hennen en aan alles wat met die vogels samenhangt, de bevolking eerbiedigt dien duidelijk uitgesproken weerzin. Bij zekere gelegenheid werd een stoomboot, kort nadat zij in volle zee was gekomen, door een hevigen storm overvallen, en de meening was, dat de God van Mionoseki, die God der zeelieden is, ernstig moet beleedigd zijn geweest. Ten slotte ontdekte de kapitein, dat één van zijn passagiers een pijp rookte, versierd met een afbeelding van een kraaienden haan. De pijp werd onmiddellijk in zee geworpen, en de storm ging liggen.

Wij zijn in staat de reden van de haat van den God tegen den haan uit de volgende legende af te leiden. In de Kojiki lezen wij, dat de zoon van de Godheid van Kitsuki menig uur in Mionoseki doorbracht met het vangen van vogels en visschen. In die dagen was de haan zijn vertrouwde vriend, en het was de plicht van dien vogel, hard te kraaien, als de tijd voor den God was aangebroken, om van de jacht terug te keeren. Eens op een keer vergat de haan echter te kraaien; ten gevolge daarvan verloor de God, in zijn haast om in zijn boot terug te keeren, één van zijn roeiriemen, zoodat hij verplicht was, het schip met zijn handen voort te drijven, die hevig door visschen gebeten werden.

Hoe Yoritomo door twee duiven werd gered.

Toen Yoritomo in een gevecht tegen Oba-Kage-chika verslagen was, werd hij gedwongen zich met zes van zijn volgelingen terug te trekken. Zij holden in volle vaart door een bosch, en toen zij een langen hollen boom vonden, kropen zij daar in, om daar een schuilplaats in te vinden.

Te gelijker tijd zeide Oba Kage-chika aan zijn neef Oba Kagetoki: “Ga naar Yoritomo zoeken, want ik heb alle reden te gelooven, dat hij in dit bosch verborgen is. Ik zal mijn manschappen zóó opstellen, dat het onmogelijk is voor onzen vijand, te vluchten.”

Oba Kagetoki vertrok, volstrekt niet ingenomen met de zending, want hij was eertijds met Yoritomo zeer bevriend geweest. Toen hij den hollen boom bereikte en door een gat in den stam zag, dat zijn oude vriend daarin verborgen was, kreeg hij medelijden met hem, en keerde hij naar zijn neef terug, terwijl hij zeide: “Ik geloof, dat Yoritomo, onze vijand, niet in het bosch is.”

Toen Oba-Kage-chika die woorden hoorde, riep hij woedend: “Je liegt! Hoe is het mogelijk, dat Yoritomo zoo spoedig is kunnen ontsnappen, terwijl mijn manschappen om het bosch gelegerd waren en op wacht stonden? Wijs mij den weg, en ik zal u met enkelen van mijn manschappen volgen. Geen listen of kunsten dezen keer, beste neef, of ge zult er streng voor gestraft worden.”

Na verloop van tijd bereikte de troep den hollen boom, en Kage-chika was op het punt, den boom binnen te gaan, toen zijn neef uitriep: “Blijf hier staan! Wat is dat voor dwaasheid? Kunt ge niet zien, dat er een spinneweb over de opening gesponnen is? Hoe zou iemand in den boom kunnen zijn gekropen, zonder het web te breken? Laat ons ergens anders onzen tijd nuttiger besteden”.

Maar Kage-chika was nog altijd achterdochtig tegenover zijn neef, en hij stak zijn boog in den hollen stam. Deze raakte bijna den ineengedoken Yorikomo aan, toen twee witte duiven plotseling uit de holte vlogen.

“Helaas!” riep Kage-chika uit, “gij hebt gelijk, onze vijand kan hier niet verborgen zijn, want duiven en een spinneweb zouden dit niet mogelijk maken”.

Door de tijdige hulp van twee duiven en een spinneweb was het den grooten held Yoritomo mogelijk gemaakt, te ontsnappen, en toen hij in latere jaren Shōgun werd, liet hij tempels bouwen voor Hachiman, den Oorlogsgod, uit dankbaarheid voor zijn bevrijding, immers de duiven worden in Japan beschouwd als de boden van den oorlog en niet van den vrede, zooals dit bij ons het geval is.

De Hototogisu.

Een eenzame stem!

Riep soms de maan?

’t Was slechts de Hototogisu.

Uit het Japansch.

Er is een geheimzinnige vogel, de Hototogisu, die op klagenden toon zijn eigen naam roept, terwijl hij dien aldus in losse lettergrepen verdeelt: ho-to-to-gi-su. Volgens de legende is het geen aardsche vogel, maar trekt hij weg uit het Rijk van den Dood op het einde van Mei, en waarschuwt alle boeren, die hem zien, dat de tijd gekomen is, de rijst te zaaien. Sommigen verklaren het geluid van den vogel als beteekende het: “Is de Kakemono opgehangen?” anderen, dat het zachtkens herhaalt: “Het is nu bepaald beter naar huis terug te keeren.” Die laatste verklaring is typisch Japansch, want als men meent, dat de zielen in den zomer terugkeeren, dan is het niet vreemd te meenen, dat ten minste één der vogels naar de oude bosschen en stroomen en heuvelen van Nippon terugvliegt.

De Musch, waarvan de tong is uitgesneden.

Een nijdige oude vrouw was aan haar waschtobbe, toen de lievelingsmusch van haar buurman al de stijfsel opat, daar zij die voor gewoon voedsel aanzag. De oude vrouw was zóó boos over het gebeurde, dat zij de tong van de musch uitsneed, en de ongelukkige vogel vloog weg naar een berg. Toen het oude paar, aan hetwelk de musch toebehoorde, vernomen had, wat geschied was, verlieten zij hun huis en ondernamen zij een groote reis, totdat de fortuin hun zóó gunstig was, dat zij hun lievelingsmusch terugvonden.

De musch was niet minder verheugd, toen zij haar meester en meesteres had terugvonden, en verzocht hen, haar woning binnen te treden. Toen zij dit gedaan hadden, werden zij onthaald op een groote hoeveelheid visch en saké, en werden zij bediend door de vrouw, de kinderen en kleinkinderen van de musch, en niet tevreden met die daden van gastvrijheid, danste het gevederde dier een hopsasa, de Musschendans genaamd.

Toen het tijd was voor het oude paar, om naar huis terug te keeren, bracht de musch twee rieten manden en zeide: “De ééne is zwaar, en de andere is licht. Welke zoudt gij liefst willen hebben?”

“O, de lichte”, antwoordde het oude paar, “want wij zijn oud en de reis is lang”.

Toen de oude lieden hun huis hadden bereikt, openden zij de mand, en tot hun vreugde en verbazing ontdekten zij goud en zilver, juweelen en zijde. Zoo snel konden zij de kostbare zaken niet uit de mand halen, of een onuitputtelijke voorraad kwam daarvoor in de plaats, zoodat de wonderbaarlijke mand met schatten niet kon geledigd worden; het gelukkige oude paar werd rijk en voorspoedig.

Het duurde niet lang, of de oude vrouw, die de tong van de musch had uitgesneden, hoorde van den voorspoed van haar buren; zij haastte zich dan ook te informeeren, waar die wonderbaarlijke musch te zien was.

Nadat zij daaromtrent zekerheid had gekregen, kostte het haar geen moeite de musch te vinden. Toen de vogel haar zag, vroeg hij, welke der twee manden zij het liefst zou willen medenemen, de zware of de lichte. De wreede en hebzuchtige oude vrouw koos de zware, daar zij meende, dat daarin meer schatten waren dan in de lichte; maar toen zij, hijgende van inspanning haar huis had bereikt, en de mand opende, sprongen duivels op haar toe, die haar in stukken trokken.

Een edel Offer.

Er was eens een man, die er dol op was, vogels te schieten. Hij had twee dochters, trouwe volgelingen van Buddha, en ieder op haar beurt wees op de dwaasheid van die wreede liefhebberij van haar vader, en smeekte hem niet roekeloos het leven van een schepsel te verwoesten. Maar de man was koppig en wilde niet luisteren naar de smeekingen van zijn dochters. Eens verzocht een buurman hem, twee ooievaars te schieten, en hij beloofde dit te doen. Toen de vrouwen hoorden, wat haar vader voornemens was te doen, zeiden zij: “Laten wij ons in heldere witte kleeren kleeden en van nacht naar het strand gaan, want het is een plaats, die druk door ooievaars bezocht wordt. Indien vader één van ons bij ongeluk doodt in plaats van de ooievaars, zal het een goede les voor hem zijn, en zal hij zeker berouw hebben over zijn snood gedrag, dat in strijd is met de zachtmoedige leerstellingen van Buddha.”

Dien nacht ging de man naar het strand, en de bewolkte lucht maakte het voor hem moeilijk, ooievaars te herkennen. Eindelijk zag hij echter twee witte voorwerpen in de verte. Hij schoot; onmiddellijk vielen de lichamen neer, en hij liep naar de plaats waar zij lagen, maar hij ontdekte, dat hij zijn beide edele, zelfopofferende dochters had getroffen. Door smart terneergeslagen, richtte hij een brandstapel op en verbrandde hij de lijken van zijn arme kinderen. Na dit alles verricht te hebben, schoor hij zijn hoofd, ging in de bosschen en werd een kluizenaar.

Een paar vogels Phoenix.

Een handig meisje, Saijosen genaamd, was bezig met borduren. Op zekeren dag bezocht haar een oud man, en zeide: “Borduur voor mij op een stuk doek een paar vogels phoenix”. Saijosen willigde gaarne dit verzoek in; toen nu de vogels geborduurd waren, sloot de oude man zijn oogen en wees met zijn vinger naar de vogels. Onmiddellijk werden de vogels levend, en het meisje en de oude man stegen op hun rug en verdwenen in de lucht.

Insecten.

Er is reeds veel geschreven over de Japansche Semi, of boomkrekeltjes, en het lijkt ons vreemd, dat die kleine schepseltjes zouden worden gekocht en in kleine kooien geplaatst, waar zij op bijzonder liefelijke wijze zingen. Lafcadio Hearn doet ons in Kottō een pathetisch verhaal over één van die insecten. Hij vertelt ons, dat zijn bediende vergat het diertje voedsel te geven, en dat het langzamerhand ophield te zingen, en ten slotte genoodzaakt was zijn eigen teere ledematen op te eten.

Het gezang van de minminzemi gelijkt op dat van een Buddhistischen priester, terwijl de groene Semi of higurashi een geluid maakt als van een zacht klinkend klokje. Als men een gedroogden kever bij zich draagt, neemt, zoo meent men, iemands voorraad kleeren toe. Bij de legenden, die hier volgen, moet men er aan denken, dat naar de leerstellingen der Buddhisten ieder leven heilig is, en bovendien dat de Buddhisten gelooven, dat de ziel van een man of vrouw om de ééne of andere zonde zelfs in het kleine lichaam van een insect kan binnentreden.

Waterjuffers.

“De gouden middagzon, die licht en warmte geeft,

Zij werpt haar stralen, waar de waterjuffer zweeft,

Die, roodgekleurd, doorklieft de ijle lucht,

Waar niets verstoort der dagen kalme vlucht!”

Naar Clara A. Walsh.

De waterjuffer wordt dikwijls in de Japansche poëzie vermeld, maar nergens meer pathetisch dan in de volgende regels, door Chiyo geschreven na den dood van haar zoontje:

“Hoe ver zou hij wel hebben rondgedwaald,

En op zijn tocht de waterjuffer ingehaald?”

Chiyo geeft in die schoone regels veel te denken, want in haar moederliefde is er geen droevige voorstelling van den Dood. Zij beschouwt het toekomstige leven van haar kind als den gelukkigsten speeltijd. Ook in deze regels vindt men het Japansche denkbeeld van de terugkomst van de ziel.

De bekoorlijkste Japansche waterjuffer wordt Tenshi-tombō, “de Waterjuffer van den Keizer” genoemd. Er is een grootere soort, die bij voorkeur door kinderen wordt gezocht, en van die soort zijn er veel meer wijfjes dan mannetjes. Jongens binden een wijfje aan een boom, en zingen: “Gij, mannetje, Koning van Korea, schaamt gij u niet, om van de Koningin van het Oosten weg te vluchten?” Dit vreemde gezang is een toespeling op de verovering van Korea, zooals de legende, waarnaar wij later zullen wijzen, vermeldt; het gevolg van dit gezang is, dat het mannetje er op afkomt. Men gelooft ook, dat wanneer de ééne of andere figuur in de lucht wordt geteekend, dit de macht heeft, de waterjuffer te verlammen, die men wenscht te vangen.

De strijd der Vuurvliegen

De Terugkeer van Tama.

Kazariya Kyūbei, een koopman, had een dienstbode, Tama genaamd. Tama werkte goed en opgewekt, maar zij was slordig op haar kleeren. Op zekeren dag, toen zij vijf jaren in dienst van Kyūbei was geweest, zeide haar meester tot haar: “Tama, hoe komt het, dat gij in afwijking van de meeste meisjes geen verlangen schijnt te hebben, er op zijn voordeeligst uit te zien? Als ge uitgaat, draagt ge uw werkkleeren. Bij dergelijke gelegenheden moest ge eigenlijk een mooi gewaad dragen.”

“Goede meester”, zeide Tama, “gij hebt gelijk, dat gij mij berispt, daar gij niet weet, waarom ik gedurende al die jaren oude kleeren heb gedragen, en geen poging heb in het werk gesteld, mij zoo goed mogelijk te kleeden. Toen mijn vader en mijn moeder stierven, was ik nog een kind, en daar ik geen broers of zusters had, was het mijn taak Buddhistische godsdienstplechtigheden te doen verrichten ten behoeve van mijn ouders. Opdat dit zou kunnen geschieden, heb ik het geld gespaard, dat gij mij hebt gegeven, en voor mij zelf zoo weinig mogelijk uitgegeven. Nu zijn de grafsteenen in den Jōrakuji tempel geplaatst en daar ik de priesters mijn geld heb gegeven, zijn de godsdienstige plechtigheden volbracht. Mijn wensch is vervuld, en terwijl ik u om vergiffenis vraag, beloof ik u, dat ik mij in het vervolg beter zal kleeden.”

Voordat Tama stierf, vroeg zij haar meesteres, het overgebleven geld, dat zij gespaard had, te bewaren. Korten tijd na haar dood kwam een groote waterjuffer het huis van Kyūbei binnen. Het was in dat jaargetijde, het tijdperk der grootste koude, heel iets bijzonders, als waterjuffers gezien werden, en de meester van het huis was dan ook bijzonder verbaasd. Met de grootste zorg zette hij het insect buiten de deur; maar onmiddellijk vloog het terug, en zoo dikwijls het werd verwijderd, kwam het weer binnen. “Die waterjuffer”, zoo sprak de vrouw van Kyūbei, “zou wel Tama kunnen zijn.” Kyūbei sneed een klein stukje uit de vleugels van het insect, en droeg toen het diertje een heel eind ver buiten zijn woning. Maar den volgenden dag keerde het weer terug, waarop Kyūbei de vleugels van het lichaam van het insect rood verfde, en het nog veel verder buiten zijn woning droeg. Twee dagen later kwam het insect weer terug, en de kerf in zijn vleugels, en het rood, waarmede het bedekt was, lieten geen twijfel over den geest van Kyūbei en zijn vrouw, dat dit volhardende insect inderdaad Tama was.

“Ik meen”, zeide de vrouw van Kyūbei, “dat Tama naar ons is teruggekeerd, omdat zij verlangt, dat wij iets voor haar zullen doen. Ik heb het geld, dat zij mij verzocht te houden. Laten wij het aan de priesters geven, opdat deze voor haar ziel kunnen bidden.” Toen zij deze woorden had gesproken, viel het insect dood op den grond.

Kyūbei en zijn vrouw plaatsten de waterjuffer in een doos, en gingen met het geld van Tama naar de priesters. Een sutra werd over het lijk van het insect uitgesproken, waarna het behoorlijk in den tuin van tempel werd begraven.

Sanemori en Shiwan.

Sanemori, die een groot krijgsman was, was eens, op een paard gezeten, bezig een vijand te bevechten. Tijdens het gevecht gleed zijn paard uit en rolde in een rijstveld. Het gevolg van dit ongeluk was, dat zijn tegenstander in de gelegenheid was hem te dooden, en van dat oogenblik af werd Sanemori een insect, dat de rijst opat, en bekend was onder de landbouwers van Izumo als Sanemori-San. Gedurende bepaalde zomernachten steken de boeren in hun rijstvelden vuren aan, om het insect aan te trekken; zij spelen op fluiten en slaan op tamboerijnen, onder den uitroep: “O, eerwaardige Sanemori, verwaardig u, hierheen te komen!” Daarna worden godsdienstige ceremonies volbracht, en een nabootsing in stroo van een ruiter te paard wordt òf verbrand òf in het water geworpen. Men gelooft, dat die ceremonie het gunstige gevolg heeft, dat de velden verlost worden van het insect, dat de rijst opeet.

Van den Skiwan, een klein geel insect, dat leeft van komkommers, wordt verhaald, dat hij eertijds een geneesheer is geweest. Die geneesheer was, daar hij in een samenzwering betrokken was, gedwongen zijn woonplaats te verlaten, maar toen hij trachtte te ontsnappen, raakte zijn voet verward, in de kronkelende ranken van een komkommerbed, en werd door zijn vervolgers gedood. Zijn vertoornde geest werd een shiwan, en van dien dag af tot op onzen tijd leeft dat insect van komkommers.

Glimwormen.

“Voor dezen wilgeboom schijnt de tijd van uitbotten in de de duisternis te zijn teruggekeerd—zie naar de glimwormen.”

In de oude dagen was het jachtmaken op glimwormen één van de uitspanningen van aanzienlijke edelen, doch tegenwoordig is het alleen het tijdverdrijf van kinderen. Maar die jachtpartijen hebben niets van haar schilderachtigheid verloren, en dat lichtgevende insect is het onderwerp geweest van menig schoon gedicht, zooals: “O, die slimme glimwormen! als zij worden opgejaagd, verbergen zij zich in het maanlicht!”

Maar ook volwassen personen gaan er met denzelfden ijver op uit, glimwormen te bewonderen, als zij bloemen gaan bekijken. Voor den geest van die groote minnaars der Natuur gelijken de glimwormen op de schitterende bloemblaadjes van een vreemde lichtgevende bloem, of op een aantal flikkerende sterren, die de lucht hebben verlaten, om op aarde te wandelen. In den zomertijd bezoeken duizenden menschen Uji, om de Hotani-Kassen, of strijd der glimwormen te zien. Van den oever der rivier vliegen myriaden van die glinsterende insecten heen en weer, en in een oogenblik vormen zij een groote zilverkleurige wolk. De wolk breekt en de stroomende rivier, die een oogenblik te voren zoo donker was als zwart fluweel, wordt een kronkelende streep glinsterende juweelen. Het is dan ook geen wonder, dat de Japansche dichter uitroept: “Zie ik alleen glimwormen, die met den stroom wegdrijven? Of drijft de Nacht zelf weg, met zijn wemelende sterren?”

Er is een legende verbonden aan dit betooverende schouwspel. Men meent, dat de Minamoto-Glimworm en de Taira-Glimworm de geesten zijn van de oude krijgslieden der Minamoto- en Taira-stammen. In den nacht van den twintigsten dag van de vierde maand leveren zij een hevig gevecht op de Uji Rivier. In dien nacht worden alle opgesloten glimwormen losgelaten, opdat zij weder de oude gevechten der stammen uit de twaalfde eeuw zouden leveren. De beteekenis der glimwormen als geesten wordt bovendien versterkt door het feit, dat die insecten bij voorkeur ronddwalen rondom wilgeboomen—de boomen, die in Japan het meest met geestverschijningen samenhangen. In oude tijden meende men, dat glimwormen geneeskundige eigenschappen bezaten. Zalf van glimwormen maakte, zoo beweerde men, alle vergiften onschadelijk, en bovendien had die zalf de macht, booze geesten te verdrijven en een woning te behoeden tegen de aanvallen van roovers.

Een vreemde Droom.

Een jonge man uit Matsue keerde van een bruiloft terug, toen hij vlak voor zijn huis een glimworm zag. Hij bleef een oogenblik stilstaan, verbaasd, dat hij in een kouden winternacht een dergelijk insect zag, terwijl er sneeuw op den grond lag. Toen hij daar stond na te denken, vloog een glimworm naar hem toe; de jonge man sloeg er naar met zijn stok, maar het insect vloog weg en ging naar den tuin, die aan den zijnen grensde. Den volgenden dag begaf hij zich naar het huis van zijn buurman, en was hij op het punt zijn ervaringen van den vorigen nacht te vertellen, toen de oudste dochter van het gezin de kamer binnenkwam, en uitriep: “Ik had niet het minste vermoeden, dat gij hier waart, en toch waart gij een oogenblik te voren in mijn gedachten. Den vorigen nacht droomde ik, dat ik een glimworm werd. Het leek alles heel echt en heel mooi, en terwijl ik heen en weer vloog, zag ik u en vloog naar u toe, met het plan, u te vertellen, dat ik had leeren vliegen, maar gij duwdet mij met uw stok op zij, en dat voorval maakt mij nog altijd zenuwachtig.”

Toen de jonge man die woorden van de lippen van zijn verloofde had gehoord, zweeg hij over het voorgevallene.

De “Wraak van Kanshiro.2

In het dorp Funakami woonde een godvruchtige oude boer, Kanshiro genaamd. Ieder jaar deed de oude man verschillende bedevaarten naar bepaalde tempels, waar hij bad en den zegen der goden afsmeekte. Eindelijk echter werd hij zóó zwak en hulpeloos, dat hij overtuigd was, dat zijn aardsche dagen geteld waren, en dat hij waarschijnlijk nog juist de kracht zou hebben, om één bezoek te brengen aan de groote tempels te Ise. Toen de dorpsbewoners dit edele besluit vernamen, gaven zij hem met groote milddadigheid een som geld, opdat de hooggewaardeerde oude boer die aan de heilige tempels zou schenken.

Kanshiro ging op zijn pelgrimstocht met het geld in een zak, dien hij om zijn nek droeg. Het weer was bijzonder heet, en de hitte en de vermoeienis van de reis maakten den ouden man zóó ziek, dat hij verplicht was enkele dagen in het dorp Myojo te blijven. Hij ging naar een kleine herberg en vroeg Jimpachi den herbergier, zijn geld voor hem te bewaren, terwijl hij er bij voegde, dat het een offerande was, die hij bracht aan de Goden te Ise. Jimpachi nam het geld, en beloofde den ouden man, dat hij er goed voor zou waken, en dat hij bovendien voor hem zou zorgen.

Den zesden dag betaalde de oude man, hoewel nog ver van hersteld, zijn rekening, nam den zak van den herbergier terug, en ging verder op reis. Daar Kanshiro een aantal bedevaartgangers in de nabijheid zag, keek hij niet in den zak, maar verborg dien zorgvuldig in den grooten zak, die een geringe hoeveelheid kleeren en voedsel bevatte.

Toen Kanshiro ten slotte onder een pijnboom ging rusten, haalde hij den zak met geld te voorschijn en keek er in. Helaas! Het geld was gestolen, en steenen van hetzelfde gewicht waren daarvoor in de plaats gelegd. De oude man keerde snel naar den herbergier terug, en verzocht hem het geld terug te geven. Jimpachi werd ontzettend boos, en ranselde hem flink af.

De arme oude man kroop weg uit het dorp, en bereikte drie dagen later met zeldzame krachtsinspanning de heilige tempels te Ise. Hij verkocht zijn eigendommen, om het geld terug te betalen, dat zijn brave buurlieden hem hadden gegeven, en met geld, dat overgebleven was, zette hij zijn pelgrimstocht voort, totdat hij tenslotte verplicht was, om voedsel te bedelen.

Drie jaar later ging Kanshiro naar het dorp Myoto, en vond dat de herbergier, die hem zoo slecht had behandeld, er nu betrekkelijk goed aan toe was, en in een groot huis woonde. De oude man ging naar hem toe en zeide: “Gij hebt heilig geld van mij ontvangen, en ik heb mijn geringe bezittingen verkocht, ten einde het terug te betalen aan hen, die het mij hadden gegeven. Van dat oogenblik af ben ik een bedelaar geweest, maar wees er zeker van, dat de wraak u zal bereiken!”

Jimpachi vervloekte den ouden man en vertelde hem, dat hij zijn geld niet had gestolen. Toen de twist op zijn hevigst was, greep een politieagent hem aan, en sleepte hem weg uit het huis, terwijl hij hem zeide, dat hij gevangen genomen zou worden, als hij durfde terug keeren. Aan het uiteinde van het dorp stierf de oude man, en een vriendelijke priester bracht zijn lijk naar een tempel, verbrandde het eerbiedig, en droeg een aantal heilige gebeden op voor zijn goede en trouwe ziel.

Onmiddellijk na den dood van Kanshiro werd Jimpachi bang voor wat hij had gedaan, en werd hij zóó ziek, dat hij gedwongen was het bed te houden. Toen hij volkomen hulpeloos ter neder lag, vlogen een aantal glimwormen uit het graf van den boer, en omgaven het muskieten-gordijn van Jimpachi, terwijl zij het trachtten door te breken. Een aantal dorpelingen kwamen Jimpachi te hulp en doodden vele glimwormen, maar de stroom van glinsterende insecten, die uit het graf van Kanshiro vlogen, verminderde in het geheel niet. Honderden werden gedood, maar duizenden kwamen daarvoor in de plaats. De kamer was helder verlicht door den glans der glimwormen, en het muskietengordijn zonk onder voortdurend toenemende gewicht. Bij dit merkwaardigen gezicht fluisterden sommigen der dorpsbewoners: “Jimpachi zal dan toch wel het geld van den ouden man hebben gestolen. Dit is de wraak van Kanshiro.”

Juist terwijl zij spraken, brak het gordijn door, en de glimwormen vlogen in de oogen, ooren, mond en neus van den verschrikten Jimpachi. Twintig dagen lang schreeuwde hij luid om vergiffenis; maar hem werd geen vergiffenis geschonken. De stroom van glinsterende, nijdige insecten werd al dikker en dikker, totdat zij ten slotte den boosaardigen Jimpachi doodden; van dat oogenblik af verdwenen zij voor goed.


1 Vertaald door F. Victor Dickens.

2 Ontleend aan Oude Sproken en Folklore van Japan door R. Gordon Smith.

Hoofdstuk XXIV. Over thee.1

“De eerste kop bevochtigt mijn lippen en keel, de tweede kop verbreekt mijn eenzaamheid, de derde kop doorzoekt het diepste van mijn wezen.... De vierde kop wekt een lichte uitwaseming op—al het kwade van het leven gaat door mijn poriën weg. Bij den vijfden kop ben ik gezuiverd; de zesde kop roept mij naar het rijk der onsterfelijken. De zevende kop—ach, maar ik kon niet meer tot mij nemen! Ik voel alleen den adem van den koelen wind, die in mijn mouwen opstijgt. Waar is Horaisan2 Laat mij op die zachte bries voortrijden en daarheen voortdrijven.”

Lotung.

Theedrinken in Europa en in Japan.

In Europa beschouwen wij de thee eenvoudig als een drank, een verfrisschend en zacht opwekkingsmiddel, waarbij dames met haar vriendinnen plegen te babbelen. Er is niets romantisch in onze theepotten en theeketels en lepeltjes; zij komen uit de keuken en worden weer in de keuken teruggebracht met voorgeschreven regelmatigheid. Wij maken eenige stereotiepe opmerkingen over thee, en kunnen nauwkeurig den prijs opgeven, dien onze grootouders voor dien drank betaalden. Wij hebben onze vaste meening, in hoeverre thee liever met of zonder suiker moet genomen worden, en hebben het dikwijls een krachtig middel gevonden, om hoofdpijn te verdrijven.

Toen de thee omstreeks 1650 tot Europa doordrong, werd er melding van gemaakt als van “dien uitstekenden en door alle geneesheeren aanbevolen Chineeschen drank, door de Chineezen Tcha, en door andere naties Tay, ook wel Tee genaamd.” In 1711 merkte de Spectator op: “Ik zou deze mijn overpeinzingen op een bij zondere wijze aanbevelen aan alle ordelijke gezinnen, die elken morgen een uur aan hun thee, brood en boter besteden; en zou hen ernstig willen aanraden in hun eigen belang, om te bevelen, dat dit blad hun stipt wordt uitgereikt en door hen als een deel van hunne uitrusting bij de thee wordt beschouwd.” Dr. Johnson gaf van zich zelf een beschrijving als van een “verstokt en schaamteloos theedrinker, die gedurende twintig jaar zijn maaltijden verdunde alleen met dit afgietsel van den betooverenden drank; die zijn avonden met thee verkortte, in den middernacht troost vond in thee, en met thee den ochtend verwelkomde.” Maar er is niets romantisch, geen oude traditie aan ons theedrinken verbonden. Misschien is het maar goed, dat de dames, die in onze deftige salons zitten, niet bekend zijn met de sombere en pathetische legende, die verhaalt hoe een Buddhistische priester tijdens zijn overpeinzingen in slaap viel. Toen hij wakker werd, sneed hij zijn oogleden af, die zoozeer gezondigd hadden, en wierp ze op den grond, waar zij onmiddellijk veranderden in de eerste theeplant.

In Japan is het theedrinken een godsdienstige handeling geworden. Het is evenzeer een maatschappelijke handeling als een tijd voor rustige overpeinzing. De uitgewerkte ceremonies bij de thee, cha-no-yu, hebben haar thee-ceremoniemeesters, etiquette en talrijke plechtigheden. Een kop Japansche thee is verbonden met geestelijke en artistieke beschaving. Maar voordat wij deze zeer belangwekkende ceremonies bespreken, moeten wij iets leeren omtrent de beteekenis van thee in China, want het drinken van dien drank in het Hemelsche Rijk, verbonden met het kostbaarste en zeldzaamste porcelein en met aesthetische en godsdienstige gedachten, heeft tot de vereering van de thee in het Land der Goden geleid.

Thee in China.

De theeplant, afkomstig uit Zuidelijk China, werd oorspronkelijk als een geneesmiddel beschouwd. Bij de classieke schrijvers komt zij voor onder de namen Tou, Tseh, Chung, Kha en Ming, en werd op hoogen prijs gesteld om haar geneeskrachtige eigenschappen. Zij werd als een uitnemend waschmiddel beschouwd, om de oogen te versterken, en zij had bovendien de macht, vermoeienis te bannen, den wil te sterken, en de ziel te verheugen. Somtijds werd er een deeg van gemaakt, en men meende, dat het een afdoend middel was tegen rheumatische pijnen. De Taoïsten gingen zelfs zóóver, dat zij beweerden, dat thee één van de bestanddeelen was van het Levenselixer, terwijl de Buddhistenpriesters die dronken, zoo dikwijls zij het noodig achtten om gedurende de lange uren van den nacht te peinzen en te overdenken.

Luwuh en de Chaking.

In de vierde en vijfde eeuw blijkt de thee een zeer geliefkoosde drank te zijn geweest onder de bevolking der Yangtse-Kiang Vallei. In dien tijd ook werden de dichters welsprekend bij het verkondigen van haar lof. Maar in die dagen was de thee een walgelijk brouwsel, want het werd gekookt met rijst, zout, gember, sinaasappel-schillen, en niet zelden met uien! Lawuh echter, die in de achtste eeuw leefde, keurde het vreemde brouwsel af, dat wij zooeven genoemd hebben. Hij was de eerste Chineesche theemeester, en niet alleen, dat hij de thee idealiseerde, maar met een helder poëtisch inzicht begreep hij, dat de plechtigheden bij het drinken bevorderlijk waren aan de harmonie en de orde in het het dagelijksch leven.

In zijn Chaking (“De Heilige Schrift van Thee”) beschrijft hij den aard der theeplant, en hoe haar bladeren moeten worden verzameld en uitgezocht. Hij was van oordeel, dat de beste bladeren plooien moesten hebben als de leeren laarzen van Tartaarsche ruiters, gekruld moesten zijn als de keellap van een krachtigen os, moesten worden losgevouwen als een nevel, die uit een ravijn opstijgt, moesten glinsteren als een meer, door den westenwind bewogen, en vochtig en zacht moesten zijn als fijne aarde, juist te voren door den regen bespoeld. Luwuh beschrijft de verschillende gereedschappen, die met de plechtigheid van het theedrinken verbonden zijn, en beweert, dat de groene drank moet worden gedronken uit blauwe porceleinen koppen. Hij behandelt in bijzonderheden de keuze van het water, en de wijze, hoe het gekookt moet worden. In poëtische bewoordingen beschrijft hij de drie trappen van koken. Hij vergelijkt de kleine belletjes bij het begin van het koken met de oogen van visschen, de kleine belletjes bij het tweede koken met een fontein, gekroond met opgehoopte kristallenknopjes, en het laatste kooksel wordt beschreven als gelijkend op het verrijzen van kleine golven. De laatste hoofdstukken van de Chaking behandelen de gewone en niet-orthodoxe methoden van theedrinken, en de vurige meester geeft een lijst van beroemde theedrinkers, en somt de beroemde Chineesche theeplantages op. Het bekoorlijke werk van Luwuh werd als een meesterstuk beschouwd. Hij was in hoog aanzien bij Keizer Taisung, trok een aantal leerlingen naar zich toe, en werd beschouwd als de grootste autoriteit op het gebied van thee en theedrinken. Zijn roem hield niet op bij zijn dood, immers sedert zijn dood is hij door Chineesche handelaars in thee als een beschermgod vereerd.

De Japansche Theeceremonies.

Men meent, dat de groote Buddhistische heilige, Dengyō Daishi, de thee uit China in Japan invoerde in het jaar 805. In ieder geval stond het theedrinken in Nippon in verband met het Buddhisme, en voornamelijk met de Zen-secte, die zoovele van de Taoïstische leerstellingen had overgenomen. De priesters van die orde dronken thee uit één enkelen kom voor het beeld van Bodhi Dharma (Daruma). Zij deden dit in den geest van aanbidding en beschouwden het theedrinken als een heilig sacrament. Het was die plechtigheid bij de Zen-secte, die uitsluitend van godsdienstigen aard was, welke zich ten slotte ontwikkelde tot de Japansche theeceremonies.

“De theeceremonies”, zoo schrijft Professor B.H. Chamberlain, “hebben gedurende de zes of zeven honderd jaren van haar bestaan drie gedaanteverwisselingen ondergaan. Zij hebben een geneeskundig godsdienstigen trap, een wellustigen, en ten slotte een aesthetischen trap doorloopen. Op den godsdienstigen trap schreef de Buddhistische priester Eisai een korte verhandeling, die tot titel droeg De Heilige Invloed van het Theedrinken, waarin hij beweerde, dat die drank de macht had, kwade geesten te verdrijven. Hij voerde een godsdienstige plechtigheid in, in verband met de vereering der voorouders, vergezeld met het slaan van trommen en het verbranden van vuurwerk. Eisai schreef zijn verhandeling met de bedoeling, Minamoto-no-Sanetomo te bekeeren van zijn misdadige liefde voor den wijnbeker, en trachtte de voortreffelijkheid der theeplant boven het druivensap aan te toonen. Het blijkt dat de theeceremonies in den loop der tijden haar godsdienstige beteekenis verloren. “De Daimio’s”, zoo schrijft Chamberlain, “die daaraan deelnamen lagen op rustbanken, bedekt met tijgervellen en vellen van luipaarden. De muren der ruime vertrekken, waarin de gasten waren verzameld, waren niet alleen behangen met Buddhistische teekeningen, maar met damasten brokaat, met gouden en zilveren vaatwerk, en zwaarden met schitterende scheeden. Kostbare reukwerken werden gebrand, zeldzame visschen en vreemde vogels werden opgedischt met suikerwerk en wijn, en de aardigheid van het feest bestond hierin, dat men moest raden, waar de grondstof voor iederen kop thee was voortgebracht; want er werden zooveel mogelijk soorten binnengebracht, om als gezelschapsspel of als raadsel dienst te doen.... Voor iederen keer, dat men goed geraden had, ontving de oplosser één der schatten ten geschenke, die rondom het vertrek hingen. Maar hij mocht die niet zelf medenemen. De regels der theeceremonies, zooals zij toen beoefend werden, eischten, dat alle kostbare en zeldzame dingen, die tentoongesteld waren, door de winners ten geschenke werden gegeven aan de zang- en dansmeisjes, van wie steeds een groot aantal tegenwoordig waren, om het gezelschap bij hun feest bij te staan.

Die vorm van theeceremonies, die inderdaad een vreeselijk onzedelijke slemppartij blijkt geweest te zijn, gaf een beeld van het weelderige en losbandige tijdperk, waarin die theeceremonies plaats hadden. De theeceremonie, in haar meer blijvenden en karakteristieken vorm, was bestemd, alle gemeene vertooningen op zijde te zetten, een zeker bedrag aan godsdienst en wijsbegeerte te omvatten, en bovenal een middel te schenken, om de kunst en de schoonheid der Natuur te bestudeeren. De theesalon werd niet een plaats voor drinkgelagen, maar een plaats, waar de reiziger vrede zou kunnen vinden in plechtige overpeinzing. Zelfs het tuinpad, dat naar de theekamer leidt, had zijn symbolische beteekenis, want het beteekende den eersten trap naar zelf-verlichting. De volgende regels geven een denkbeeld van de voorstelling, die Kobori Enshiu zich maakt van het pad, dat naar de theekamer leidt:

“Een groep zomerboomen,

Een deel van de zee,

Een bleeke avondmaan”.

Zulk een tafereel was bestemd, den reiziger een denkbeeld te geven van geestelijk licht. De boomen, de zee en de maan wekten oude droomen, en hun aanwezigheid was de reden, dat de gast verlangend was, over te gaan naar de grootere vreugden van den theesalon. Geen samurai mocht met zijn zwaard in het geurige heiligdom van den vrede binnentreden, en in een aantal theesalons was er een lage deur, waardoor de gasten binnenkwamen met gebogen hoofd, als een teeken van nederigheid. In stilte maakten de gasten een diepe buiging vóór een kakomono of vóór een eenvoudige schoone bloem op de tokonoma (alkoof), en gingen dan op de matten zitten. Als zij dit gedaan hadden, kwam de gastheer binnen, en hoorde men het water in den ketel met een muzikaal geluid koken, het gevolg van enkele stukken ijzer, die daarin lagen. Zelfs het koken van het water in den ketel was verbonden met een poëtische gedachte, want het gezang van water en metaal moest een voorstelling geven van “de echo’s van een waterval, door wolken bedekt, van een verwijderde zee, die tegen de rotsen breekt, van een regenvlaag, die door een bamboebosch vliegt, of van het suizen van pijnboomen op den één of anderen verwijderden heuvel”. Er was een gevoel van harmonie in den theesalon. Het licht was als het zachte licht van den avond, en de kleederen van het gezelschap waren even rustig en stemmig als de grijze vleugels van een nachtvlinder. In dat rustige vertrek dronken de gasten hun thee en peinsden, en keerden weder beter en krachtiger in de wereld terug, nadat zij in stilte het schoone en het edele in godsdienst, kunst en natuur hadden overdacht en beschouwd. “Daar zij voortdurend in harmonie trachtten te zijn met den grooten rhythmus der natuur, waren zij steeds voorbereid, het onbekende binnen te treden.”

De Dood van Rikiu.

Rikiu was één der grootste theemeesters, en langen tijd bleef hij de vriend van Taiko-Hideyoshi; maar de tijd waarin hij leefde, was vol verraad. Er waren velen, die afgunstig waren op Rikiu, velen, die op zijn dood loerden. Toen een verkoeling ontstond tusschen Hideyoshi en Rikiu, maakten de vijanden van den grooten theemeester gebruik van die verkoeling en verspreidden het gerucht, dat Rikiu van plan was, vergif te doen in een kop thee, en dat aan zijn edelen beschermer aan te bieden. Spoedig vernam Hideyoshi dat gerucht, en zonder de moeite te nemen, de zaak nader te onderzoeken, veroordeelde hij Rikiu, zelfmoord te plegen.

Den laatsten dag, dat de beroemde theemeester leefde, noodigde hij een aantal van zijn leerlingen uit, hem te bezoeken bij zijn laatste theeceremonie. Terwijl zij in het tuinpad wandelden, leek het, alsof geesten in de ritselende paden fluisterden. Toen de leerlingen den theesalon binnentraden, zagen zij een kakemono in de tokonoma hangen, en toen zij hun bedroefde oogen ophieven, zagen zij, dat het geschrift het voorbijgaan van alle aardsche dingen beschreef. Er was poëzie in het gezang van den theeketel, maar het was een droevig gezang, als het klagende geluid van een insect. Rikiu kwam kalm en waardig in den theesalon, volgens de gewoonte liet hij den voornaamsten gast de verschillende voorwerpen bewonderen, die met de thee-ceremonie in verband stonden. Toen alle gasten die hadden beschouwd, met een bloedend hart hun schoonheid bewonderend, bood Rikiu iederen leerling een aandenken aan. Hij nam zijn eigen theekop in de hand en zeide: “Nooit meer zal die kop, bezoedeld door de lippen van het ongeluk, door een mensch gebruikt worden”. Na die woorden gesproken te hebben, brak hij den kop ten bewijze, dat de thee-ceremonie geëindigd was, en de gasten namen een droevig afscheid. Slechts één bleef achter, om getuige te zijn, niet van het drinken van nog een kop thee, maar van den dood van Rikiu. De groote meester trok zijn bovenkleeren uit, en toen kwam het reine witte Doodskleed voor den dag. Nog altijd even kalm en waardig, keek hij naar zijn dolk, en zeide hij met onbewogen stem het volgende vers op:

Een welkom zij u gewijd,

O zwaard der eeuwigheid!

Door Buddha

En ook door Daruma

Hebt gij uw weg gebaand.”

Hij, die het oude gedicht placht aan te halen, “aan hen, die alleen naar bloemen verlangen, zou ik gaarne de in vollen bloei staande lente willen laten zien, die woont in de zwellende knoppen op de heuvelen met sneeuw bedekt”, heeft de Japansche thee-ceremonie met een onsterfelijke bloem gekroond.

De Legende der Theeplant.3

Daruma was een Indische wijze, wiens beeld, zooals wij reeds gezien hebben, in verband stond met het theedrinken als godsdienstig gebruik door de Zen-secte in Japan. Men zegt, dat hij de zoon was van een Hindoe-koning, en onderwijs had genoten van Panyatara. Toen hij zijn studies had voleindigd, trok hij zich terug naar Lo Yang, waar hij gedurende negen jaar in gepeins bleef zitten. In die periode werd de wijze in verzoeking gebracht op de wijze van den Heiligen Antonius, Hij worstelde tegen die verzoekingen, door aanhoudend de heilige geschriften op te zeggen; maar het telkens herhalen van het woord “juweel” verloor zijn geestelijke beteekenis, en werd in verband gebracht met den edelsteen, die gedragen werd in het oor van zekere bekoorlijke vrouw. Zelfs het woord “lotus”, dat alle ware Buddhisten zoo heilig is, was niet langer het symbool van Buddha, en deed Daruma denken aan het openen van den schoonen mond van een meisje. Zijn verzoekingen namen toe, en hij werd overgebracht naar een Indische stad, waar hij zich bevond onder een groote menigte aanbidders. Hij zag vreemde godheden met afschuwelijke symbolen op hun voorhoofd, en Rajah’s en Prinsen, die op olifanten reden, en die omringd waren door een groot gezelschap dansmeisjes. De groote menschenmassa trok voort en daarbij ook Daruma, totdat zij aan een tempel kwamen met tallooze tinnen, een tempel bedekt met een menigte onreine gedaanten, en het leek Daruma, dat hij de vrouw zag en kuste, die de beteekenis van den juweel en den lotus had veranderd. Daarop verdween de verschijning plotseling, en Daruma werd wakker, en ontdekte, dat hij onder den Chineeschen hemel zat. De wijze, die tijdens zijn overpeinzing in slaap was gevallen had ernstig berouw, dat hij zijn godsdienstige plichten had verwaarloosd, en na een mes uit zijn gordel te hebben genomen, sneed hij zijn oogleden af en wierp die op den grond, terwijl hij zeide: “O Gij Volkomen Ontwaakte!” De oogleden veranderden in de theeplant, waarvan een drank werd vervaardigd, die den slaap kon verdrijven en vrome Buddhistische priesters in staat stelde hun nachtwaken te houden.

Daruma.

Daruma wordt meestal voorgesteld zonder beenen, want volgens een andere lezing der legende, die wij zooeven hebben medegedeeld, verloor hij zijn beenen door de negenjarige overpeinzing. Netsuke4-snijders stellen hem voor in een plechtig, zakvormig gewaad, met een zuur gezicht en oogen zonder oogleden. Somtijds wordt hij in de Japansche kunst voorgesteld, omgeven door spinnewebben, en er is een schalksche wijziging van den heilige, waar hij is voorgesteld als een vrouwelijke Daruma, wat een speelsche hatelijkheid is op Japansche vrouwen, van wie niet kan worden verwacht, dat zij negen jaar lang kunnen zwijgen! Dikwijls wordt een uil in verband gebracht met Daruma, en op zijn tocht naar Japan wordt hij uitgebeeld, op de golven staande, gesteund door een gierststengel. Drie jaar na den dood van Daruma zag men hem wandelen over de westelijke bergen van China, en men zag, dat hij één schoen in zijn rechter hand droeg. Toen het graf van Daruma op bevel van den Keizer werd geopend, bleek dit slechts één schoen te bevatten, dien de heilige vergeten had mede te nemen.5


1 Het grootste gedeelte van de stof, in dit hoofdstuk behandeld, is ontleend aan het Theeboek, door Okakura-Kakuzo, en wij bevelen dit aardige boek aan allen aan, die in dat onderwerp belangstellen.

2 Het Chineesche Paradijs.

3 Een volledig verhaal van die schoone legende vindt men in Lafcadio Hearn, Sommige Chineesche geesten.

4 “Oorspronkelijk een soort knop voor de medicijndoos of den tabakszak, van hout of ivoor gesneden.” Japansche Zaken, door B.H.Chamberlain.

5 Een verwijzing naar Yuki-Daruma, of Sneeuw-Daruma, en speelgoed-Daruma, Okiagari-koboshi, (“De Opstaande Kleine Priester”) zal men vinden in Lafcadio Hearn, Een Japansch Mengelwerk.