WeRead Powered by ReaderPub
Mythen & Legenden van Japan cover

Mythen & Legenden van Japan

Chapter 234: De Spookmoeder.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A curated anthology of traditional Japanese myths and folktales arranged thematically, presenting origin stories, heroic and warrior episodes, Buddhist and Shinto legends, and domestic and supernatural tales. Chapters gather narratives about mountain and sea mysteries, animal and shape-changing spirits, ghosts and festival customs, and objects such as mirrors, fans, bells, and textiles. Each retelling emphasizes customary motifs, seasonal observances, and moral or ritual resonances, and brief commentary highlights how these legends intersect with visual art and popular celebration without privileging a single narrative voice.

Hoofdstuk XXV. Legenden uit de Spokenwereld.1

“Hōïchi zonder Ooren.”

In de verhalen omtrent Yoshitsune en zijn trouwen dienaar Benkei hebben wij reeds melding gemaakt van den slag bij Dan-no-ura, den laatsten strijd tusschen de Taira en de Minamoto stammen.2 In dat groote zeegevecht kwamen de Taira om, en tevens hun jonge Keizer Antoku Tenno. Het merkwaardige tafereel wordt in de Heike Monogatari (vertaling van W.G. Aston) aldus beschreven:

“Deze wereld is het gebied der smart, een verwijderde plek, klein als een gierstkorrel. Maar onder de golven is een prachtige stad, het Reine Land van Volmaakt Geluk genoemd. Daarheen voer ik u.” Met zoodanige woorden kalmeerde zij hem. Het kind bond toen zijn strik op het hoofd vast aan het Keizerlijke kleed dat de kleur had van een bergduif en treurig vouwde hij zijn vriendelijke handjes samen. Eerst wendde hij zich naar het Oosten, en nam afscheid van den tempel van den grooten God van Ise en den tempel van Hachiman. Daarna wendde hij zich naar het Westen, en riep den naam van Buddha aan. Toen hij dit had gedaan, nam Niidono hem moedig in haar armen, en na hem te hebben gevleid met de woorden, ‘Er is een stad ver weg onder de golven,’ zonk zij op den bodem ter diepte van duizend vademen.

Men zegt, dat zevenhonderd jaar na dien grooten zeestrijd de zee en de kust in de nabijheid door de geesten van den Taira stam werden bezocht. Geheimzinnige vuren schenen op de golven, en de lucht was gevuld met het geluid van strijd. Om de ongelukkige geesten tot rust te brengen, werd de tempel van Amidaji te Akamagaséki gebouwd, en werd er dichtbij een kerkhof aangelegd, en daarop verschillende gedenksteenen geplaatst, waarop de namen van den verdronken keizer en zijn voornaamste volgelingen waren gegrift. Die tempel en dat kerkhof brachten de spookverschijningen tot op zekere hoogte tot rust, maar van tijd tot tijd geschiedden er een aantal vreemde dingen, zooals wij uit de volgende legende zullen zien.

Er leefde eens in den tempel van Amidaji een blinde priester Hōïchi genaamd. Hij was beroemd om zijn voordragen en zijn wonderbaarlijke bekwaamheid in het spelen op de biwa (een luit met vier snaren), en hij had er bijzonder veel genoegen in, verhalen voor te dragen, die in verband stonden met den langdurigen oorlog tusschen de Taira en de Minamoto stammen.

Eens op een avond was Hōïchi alleen in den tempel achtergelaten, en daar het een zeer warme avond was, bleef hij op de veranda zitten, waar hij herhaaldelijk op zijn biwa speelde. Terwijl hij daarmede druk bezig was, hoorde hij iemand naderen, die den kleinen achtertuin van den tempel overstak.

Daarna riep een diepe stem van onder de veranda: “Hōïchi!” En nog eens klonk de stem: “Hōichi!”

Hōïchi, die daardoor zeer ontsteld werd, antwoordde, dat hij blind was, en gaarne wilde weten, wie zijn bezoeker was.

“Mijn meester,” zoo sprak de vreemdeling, “houdt zich thans te Akamagaséki op met een aantal volgelingen, en hij is daarheen gegaan, om het tooneel van den slag bij Dan-no-ura te aanschouwen. Hij heeft gehoord, hoe voortreffelijk gij het verhaal van den strijd voordraagt, en heeft mij bevolen, u vóór hem te geleiden, opdat gij hem uw bekwaamheid kunt toonen. Breng uw biwa mede en volg mij. Mijn meester en zijn doorluchtig gezelschap wachten op uw geëerde tegenwoordigheid.”

Hōïchi, die meende, dat de vreemdeling de één of andere edele samurai was, gehoorzaamde onmiddellijk. Hij trok zijn sandalen aan en nam zijn biwa mede. Met ijzeren hand geleide hem de vreemdeling, en zij liepen haastig voort. Hōïchi hoorde wapengekletter naast zich; maar hij was geen oogenblik bevreesd, en hij verheugde zich in het vooruitzicht van de eer, zijn bekwaamheid te kunnen toonen voor een uitgezocht gezelschap.

Toen hij aan de poort kwam, riep de vreemdeling luide: ”Kaimon!” Onmiddellijk werden de grendels van de poort verwijderd en werd deze geopend, waarna beide mannen naar binnen gingen. Daarna werd het geluid gehoord van een aantal voeten, die naderden, en een geritsel als van schermen, die geopend werden. Hōïchi werd geholpen bij het beklimmen van een aantal trappen, en toen hij boven was gekomen, werd hem bevolen, zijn sandalen achter te laten. Een vrouw leidde hem toen bij de hand voort, totdat hij zich in een groot vertrek bevond, waar hij meende, dat een groot gezelschap bijeen was. Hij hoorde het onderdrukt gefluister van stemmen en de zachte beweging van zijden gewaden. Toen Hōïchi had plaats genomen op een kussen, verzocht hem de vrouw, die hem geleid had, de geschiedenis te vertellen van den grooten slag bij Dan-no-ura.

Hōïchi begon te zingen onder begeleiding van zijn biwa. Zijn bekwaamheid was zóó groot, dat de snaren van zijn muziekinstrument het geluid van roeiriemen, de beweging van schepen, het geschreeuw der bemanning, het geluid der zich verheffende baren en het snorren van pijlen schenen na te bootsen. Een zacht gemompel van goedkeuring begroette Hōïchi’s prachtige voordracht. Aangemoedigd door die bewijzen van tevredenheid, zong en speelde hij nog prachtiger en kunstiger voort. Toen hij begon te zingen van den dood der vrouwen en kinderen, het zich in zee storten van Niidono met den jeugdigen keizer in haar armen, begon het gezelschap te weenen en te jammeren.

Toen Hōïchi geëindigd had, zeide hem de vrouw, die hem had geleid, dat haar meester zeer ingenomen was met zijn voordracht, en dat hij verlangde, dat hij ook de zes volgende nachten voor hem zou spelen. “De bediende,” voegde zij er aan toe, “die u van nacht hier bracht, zal morgen op hetzelfde uur uw tempel bezoeken. Gij moet die bezoeken geheim houden, en kunt nu naar huis terugkeeren”.

Weer geleidde de vrouw Hōïchi door het vertrek, en na de trappen bereikt te hebben, werd hij door denzelfden bediende teruggeleid naar de veranda aan de achterzijde van den tempel waar hij woonde.

Den volgenden nacht werd Hōïchi weer weggeleid, om het gezelschap te onderhouden, en weer werd zijn voordracht bewonderd. Maar nu werd ook zijn afwezigheid ontdekt, en bij zijn terugkomst vroeg hem zijn medepriester er naar. Hōïchi ontweek de vraag van zijn vriend, en zeide hem, dat hij alleen maar even uit was geweest, om een private aangelegenheid te behandelen.

Zijn collega was volstrekt niet voldaan. Hij betreurde de stilzwijgendheid van Hōïchi en vreesde, dat er iets niet in den haak was, en dat misschien wel de blinde priester door booze geesten was betooverd geworden. Hij beval daarom de mannelijke bedienden, streng de wacht te houden over Hōïchi, en hem te volgen, als hij den volgenden nacht weer den tempel zou verlaten.

Hōïchi de Man zonder ooren

Weer verliet Hōïchi zijn woning. De mannelijke bedienden staken haastig hun lantarens aan en volgden hem zoo haastig mogelijk; maar hoewel zij snel liepen, overal rondzagen en voortdurend onderzoek deden, gelukte het hun niet Hōïchi te ontdekken, of iets omtrent hem gewaar te worden. Op hun terugtocht schrikten zij echter, toen zij het geluid van een biwa hoorden op het kerkhof van den tempel, en toen zij die sombere plaats binnentraden, zagen zij den blinden priester zitten. Hij zat op het graf van Antoku Tenno, den jeugdigen keizer, waar hij zijn biwa luid deed klinken en tegelijk met luider stem het verhaal zong van den slag bij Dan-no-ura. Aan weerszijden van hem fonkelden geheimzinnige vlammen, als een groote menigte brandende kaarsen.

“Hōïchi! Hōïchi!” riepen de mannen. “Houd onmiddellijk op met spelen! Gij zijt betooverd, Hōïchi!” Maar de blinde priester bleef doorspelen en zingen, naar het scheen, in een vreemden en ijselijken droomtoestand verkeerend.

De mannelijke bedienden gingen toen tot krachtiger maatregelen over. Zij schudden hem heen en weer, en riepen in zijn oor: “Hōïchi, kom dadelijk met ons terug!”

De blinde priester berispte hen, en zeide, dat een dergelijke stoornis door het aanzienlijke gezelschap, waar hij zich bevond, niet zou worden geduld.

De mannen sleepten nu Hōïchi met geweld mede. Toen hij den tempel bereikte, werden hem zijn natte kleeren uitgetrokken, en werd hem spijs en drank voorgezet.

Hōïchi’s ambtgenoot was toen vreeselijk boos, en volkomen terecht drong hij aan op een volledige verklaring van zijn vreemd gedrag. Na langdurige aarzeling verhaalde Hōïchi zijn vriend alles, wat hem was overkomen. Toen hij zijn vreemde avonturen had verhaald, zeide de priester:

“Arme vriend! Ge hadt mij dit eer moeten verteld hebben. Gij hebt niet het deftige huis van een aanzienlijk man bezocht, maar gij hebt op gindsch kerkhof gezeten voor het graf van Antoku Tenno. Uwe groote gaven hebben de geesten van den Tairastam opgeroepen. Hōïchi, gij verkeert in groot gevaar, want gij hebt u, door aan die geesten te gehoorzamen, ongetwijfeld in hun macht geplaatst, en vroeg of laat zullen zij u dooden. Het is ongelukkig, dat ik tegen den nacht ontboden ben, om een godsdienstplechtigheid te vervullen, maar voordat ik wegga, zal ik er voor zorgen, dat uw lichaam met heilige teksten bedekt wordt.

Vóór het aanbreken van den nacht werd Hōïchi ontkleed, en een tempeldienaar schreef met penseelen op zijn lichaam de tektsten van de sutra, die bekend staat als Hannya-Shin-Kyō. Die tektsten werden geschreven op zijn borst, hoofd, rug, gelaat, nek, beenen, armen en voeten, ja zelfs op de zolen van zijn voeten. Daarna sprak de priester: “Hōïchi, gij zult van nacht weer weggeroepen worden. Blijf stil zitten, zeg niets, en blijf voortdurend peinzen. Als gij die dingen doet, zal u geen kwaad overkomen.”

Dien nacht zat Hōïchi alleen in de veranda, terwijl hij nauwelijks een spier bewoog en zeer zacht adem haalde.

Weer hoorde hij het geluid van voetstappen. “Hōïchi!” riep een diepe stem. Maar de blinde priester antwoordde niet. Hij bleef doodstil zitten, in den grootsten angst.

Telkens werd zijn naam weer gehoord, doch zonder eenig resultaat. “Dit geeft niets”, bromde de vreemdeling. “Ik moet zien, waar de kerel is”. De vreemdeling sprong in de veranda en ging vóór Hōïchi staan, die over zijn geheele lichaam beefde, ontzet over den toestand.

“Ha!” riep de vreemdeling. “Dit is de biwa, maar in plaats van den speler zie ik—niets dan twee ooren! Nu begrijp ik, waarom hij niet antwoordde. Hij heeft geen mond, alleen zijn beide ooren! die ooren zal ik naar mijn meester brengen!”

Een oogenblik later werden Hōïchi de ooren van het hoofd getrokken, maar in weerwil van de vreeselijke pijn gaf de blinde priester geen geluid. Daarna vertrok de vreemdeling, en toen zijn voetstappen waren weggestorven, was het eenige geluid, dat Hōïchi hoorde, het druppelen van het bloed op de veranda, en zoo vond de priester bij zijn terugkomst den ongelukkigen man.

“Arme Hōïchi!” riep de priester. “Het is mijn eigen schuld. Ik vertrouwde erop, dat mijn tempeldienaar heilige teksten op ieder deel van uw lichaam zou schrijven. Hij verzuimde dit echter op uw ooren te doen. Ik had er op moeten letten, dat hij mijn bevelen behoorlijk uitvoerde. Maar gij zult in het vervolg niet meer door die geesten gehinderd worden.” Sedert dien tijd was de blinde priester bekend onder den naam van Mimi-nashi-Hōïchi, “Hōïchi de Man zonder ooren.”

De Lijken-eter.

Musō Kokushi, een priester, verdwaalde, toen hij door de provincie Mino zwierf. Daar hij er aan wanhoopte, een menschelijke woning te vinden, was hij op het punt, in de open lucht te gaan slapen, toen hij toevallig een kleine kluizenaarswoning (anjitsu) ontdekte.

Een oude priester begroette hem, en Musō verzocht, dat hij hem voor één nacht een schuilplaats zou willen geven. “Neen”, antwoordde de oude priester nijdig, “ik verleen nooit iemand een schuilplaats. In gindsche vallei zult gij een gehucht vinden; zoek daar een schuilplaats voor één nacht.”

Met deze tamelijk onbeleefde woorden vertrok Musō, en toen hij het gehucht bereikt had, werd hij gastvrij opgenomen in de woning van het dorpshoofd. Zoodra hij het voornaamste vertrek binnentrad, zag de priester, dat daar een aantal menschen verzameld waren. Hem werd een afzonderlijk vertrek aangewezen, en hij was op het punt in slaap te vallen, toen hij klagende geluiden hoorde, en korten tijd daarna verscheen een jonge man vóór hem, die een lantaarn in zijn hand hield.

“Goede priester”, zeide deze, “ik moet u zeggen, dat mijn vader onlangs gestorven is. Wij wilden u dit niet bij uw komst mededeelen, omdat gij vermoeid waart en veel rust noodig hadt. Al de menschen, die gij in het voornaamste vertrek bijeen zaagt, waren gekomen, om den doode eer te bewijzen. Nu moeten wij allen weggaan, want dit is de gewoonte in ons dorp als iemand sterft, omdat vreemde en vreeselijke dingen met lijken gebeuren, als zij alleen gelaten worden; maar misschien zult gij, die een priester zijt, niet bang zijn om achter te blijven bij het lijk van mijn armen vader.

Musō antwoordde, dat hij volstrekt niet bang was, en zeide den jongen man, dat hij een lijkdienst zou houden en bij den gestorvene den wacht zou houden, zoolang het gezelschap afwezig was. Daarop verliet de jonge man te zamen met de overige rouwdragers het huis, en Musō bleef achter, om zijn eenzame nachtwake te houden.

Nadat Musō den lijkdienst had verricht, bleef hij verscheidene uren peinzen. Toen de nacht ver gevorderd was, zag hij, dat een vreemde gedaante in het vertrek was, die er zóó verschrikkelijk uitzag, dat de priester zich noch kon bewegen noch kon spreken. De gedaante kwam naderbij, tilde het lijk op en verslond het snel. Niet tevreden met dit afgrijselijke maal, at de geheimzinnige gedaante ook de doodenoffers op, en verdween daarna.

Den volgenden morgen keerden de dorpsbewoners terug, en zij waren volstrekt niet verbaasd, toen zij hoorden, dat het lijk verdwenen was. Nadat Musō zijn vreemd avontuur had verhaald, vroeg hij, of de priester op den heuvel niet somtijds den lijkdienst verrichtte. “Ik bezocht hem den vorigen nacht in zijn anjitsu, en hoewel hij mij een onderkomen weigerde, zeide hij mij, waar ik een rustplaats zou kunnen vinden.”

De dorpsbewoners waren over die woorden zeer verbaasd, en vertelden Musō, dat er volstrekt geen priester of anjitsu op gindschen heuvel was. Zij waren zoo positief mogelijk in hun beweringen, en verzekerden, dat Musō door den één of anderen boozen geest hieromtrent moest zijn bedrogen. Musō antwoordde niet, en korten tijd later vertrok hij, vast besloten zoo mogelijk het geheim te onthullen.

Het kostte Musō volstrekt geen moeite de anjitsu terug te vinden. De oude priester kwam naar buiten, en trad hem tegemoet, boog, en zeide, dat hij spijt had van zijn vroegere onbeleefdheid. “Ik schaam mij,” voegde hij er aan toe, “niet alleen, omdat ik u geen schuilplaats heb verleend, maar ook omdat gij mij in mijn ware gedaante hebt gezien. Gij hebt mij een lijk en de doodenoffers zien verslinden. Ik ben, helaas, goede man, een jikininki (menschenetend spook), en als gij mij wilt aanhooren, zal ik u mijn ellendigen toestand duidelijk maken.

“Jaren geleden was ik in dit district priester, en ik volbracht een groot aantal lijkdiensten; maar ik was geen trouwe priester, want het was niet uit waren godsdienstzin, dat ik mijn taak verrichtte, en ik dacht alleen aan de goede en schoone kleeren, die ik door mijn beroep kon verdienen. Om die reden werd ik als jikininki herboren, en heb daarom de lijken verslonden van allen, die in dit district gestorven zijn. Ik smeek u, heb toch medelijden met mijn ellendig lot, en zeg ten mijnen behoeve enkele gebeden op, opdat ik spoedig weer vrede vinde en opdat mijn groote slechtheid een einde neme.”

Onmiddellijk nadat die woorden gesproken waren, verdwenen de kluizenaar en zijn kluis plotseling, en Musō bleek geknield te zijn voor een met mos bedekt graf, dat waarschijnlijk het graf was van den ongelukkigen priester.

De Spookmoeder.

Een bleeke vrouw strompelde een straat af, Nakabaramachi genaamd; zij ging een winkel binnen en kocht een geringe hoeveelheid midzu-ame3. Elken avond kwam zij tegen den nacht terug, steeds bleek en verwilderd, en zonder ooit een woord te zeggen. De winkelier, die een welwillende belangstelling voor haar koesterde, volgde haar eens op een avond, maar toen hij zag, dat zij een kerkhof binnenging, keerde hij terug, verbaasd en beangst.

Weer kwam de geheimzinnige vrouw in den kleinen winkel, maar nu kocht zij geen midsu-ame, maar wenkte zij den winkelier haar te volgen. De bleeke vrouw liep de straat af, gevolgd door den koopman in barnsteenstroop en enkelen van zijn vrienden. Toen zij het kerkhof bereikten, verdween de vrouw in een graf, en zij, die er buiten stonden, hoorden kindergehuil. Toen het graf geopend was, zagen zij het lijk van de vrouw, die zij gevolgd hadden, en naast haar lag een levend kind, dat lachte bij het licht van de lantarens, en dat zijn kleine handjes uitstrekte naar een kop midzu-ame. De vrouw was in der tijd te vroeg begraven en haar kind in het graf geboren. Iederen avond ging de stilzwijgende moeder van het kerkhof weg, om voedsel voor haar kind te halen.

De Futon van Tottori.

In Tottori was een kleine en eenvoudige herberg. Het was een nieuwe herberg, en daar de herbergier arm was, was hij verplicht, die te voorzien van goederen, die afkomstig waren uit een tweedehandswinkel in de buurt. Zijn eerste gast was een koopman, die met buitengewone beleefdheid werd behandeld, en die veel warme saké kreeg. Toen de koopman den verfrisschenden rijstwijn had gedronken, ging hij rusten en viel hij in slaap. Hij had nog niet lang gesluimerd, of hij hoorde het geluid van kinderstemmen in zijn kamer en hoorde hen op treurigen toon roepen: “Is mijn oudste Broeder niet erg koud?” “Neen, jij bent zeker koud?” Telkens herhaalden de kinderen die klagende woorden. De koopman, die dacht, dat bij ongeluk kinderen in zijn kamer verdwaald waren, berispte hen zachtmoedig en maakte zich gereed weer in slaap te gaan. Na een oogenblik stilte riepen de kinderen weer: “Is mijn oudste Broeder niet erg koud?” “Neen, jij bent zeker koud?” Die woorden werden telkens herhaald en de gast bemerkte verstijfd van schrik, dat de stemmen uit zijn futon (deken) afkomstig waren.

Haastig ging hij den trap af en vertelde den herbergier, wat geschied was. De herbergier was boos. “Gij hebt te veel warme saké gedronken,” zeide hij. “De warme saké heeft u kwade droomen gebracht.” Maar de gast betaalde zijn rekening en zocht ergens anders een onderkomen.

Den volgenden nacht sliep een andere gast in de betooverde kamer, en ook hij hoorde dezelfde geheimzinnige stemmen, betaalde den herbergier en vertrok haastig. De herbergier kwam toen zelf het vertrek binnen. Hij hoorde de treurige kinderkreten, die uit de futon te voorschijn kwamen, en was nu wel verplicht de vreemde geschiedenis te gelooven, die zijn twee gasten hem hadden verteld.

Den volgenden dag ging de herbergier naar de tweedehandswinkel, waar hij de futon had gekregen, en deed navraag naar de zaak. Nadat hij van den eenen winkel naar den anderen was gegaan, hoorde hij eindelijk het volgende verhaal over de geheimzinnige futon:

Er woonde eens in Tottori een arme man, met zijn vrouw en twee kinderen, die zes en acht jaar oud waren. De ouders stierven, en de arme kinderen waren verplicht hun weinige bezittingen te verkoopen, totdat zij eindelijk niets anders over hadden dan een dunne en versleten futon, om hen des nachts te dekken. Ten slotte hadden zij geen geld om de huishuur te betalen, of zich eenig voedsel te verschaffen.

Toen de tijd der ergste koude was gekomen, hoopte de sneeuw zich zóó dik om de nederige woning op, dat de kinderen niets anders wisten te doen, dan de futon om zich heen te trekken, en elkander op hun gewone vriendelijke, pathetische wijze toe te fluisteren: “Is mijn oudste Broeder niet erg koud?” “Neen, jij bent zeker koud?” En terwijl zij snikkend die woorden spraken, omvatten zij elkander, bevreesd voor de duisternis en den snerpenden, ijskouden wind.

Terwijl hun arme lichaampjes elkander omvat hielden, ten einde elkander te verwarmen, kwam de hardvochtige huisheer binnen, en toen hij zag, dat er niemand was, om de huishuur te betalen, joeg hij de kinderen het huis uit, met niet anders gedekt dan met een dunne kimono. Zij trachtten den tempel van Kwannon te bereiken, maar de sneeuw lag te dik, en zij verborgen zich achter hun oud huis. Een deken van sneeuw bedekte hen, en zij vielen in slaap aan den barmhartigen boezem der Goden, en werden begraven op het kerkhof van den Tempel van Kwannon-met-de-Duizend-Armen.

Toen de herbergier die droevige geschiedenis had gehoord, gaf hij de futon aan de priesters van den tempel van Kwannon, gebeden werden opgezegd voor de zielen der kinderen, en van dat uur af hield de futon op, de genoemde klagende geluiden voort te brengen.

De Terugkeer.

In het dorp Mochida-no-ura woonde een boer. Hij was vreeselijk arm, maar toch bracht zijn vrouw zes kinderen ter wereld. Onmiddellijk nadat een kind was geboren, wierp de wreede vader het in de rivier en beweerde, dat het bij de geboorte gestorven was, zoodat al zijn zes kinderen op die verschrikkelijke manier vermoord werden.

Na verloop van jaren geraakte de boer in betere omstandigheden, en toen hem een zevende kind, een jongen, geboren werd, was hij bijzonder gelukkig en had hij het kind innig lief.

Op zekeren avond nam de vader het kind in zijn armen, en wandelde er mede in den tuin, terwijl hij in verrukking fluisterde: “Wat een heerlijke zomeravond!”

Het kind, dat toen eerst vijf maanden oud was, nam een oogenblik de wijze van uitdrukking van een volwassene over, en zeide: “De maan schijnt precies zóó, als toen gij mij laatst in het water wierpt!”

Toen het kind die woorden had gesproken, werd hij weer gelijk aan andere kinderen; maar de boer, die nu eerst doordrongen was van het verschrikkelijke van zijn misdaad, werd onmiddellijk daarna priester.

De Liefde op de proef gesteld.

Er was eens een mooi meisje, wie, in strijd met de Japansche gewoonte, was toegestaan, haar eigen echtgenoot te kiezen. Een aantal vrijers dongen naar haar hand, en brachten haar geschenken en schoone gedichten, en spraken veel lieve woordjes tot haar. Zij sprak vriendelijk tot iederen vrijer en zeide: “Ik zal trouwen met den man, die dapper genoeg is, om een bepaalde proef te doorstaan, die ik hem zal opleggen, en wat die proef ook moge zijn, ik verwacht, dat hij, op de onschendbare eer van een samurai, het geheim niet zal openbaren.” De vrijers aanvaardden onmiddellijk die voorwaarden, maar één voor één verlieten zij haar, met afschuw op hun gelaat, lieten hun vrijerij in den steek, maar repten met geen enkel woord van het vreemde en vreeselijke geheim.

Eindelijk kwam een arme samurai, wiens eenige rijkdom in zijn zwaard bestond, bij het meisje, en zeide haar, dat hij bereid was, iedere proef te doorstaan, hoe zwaar ook, om haar als zijn vrouw te krijgen.

Toen zij ’s avonds het avondmaal hadden gebruikt, verliet het meisje het vertrek, en keerde lang na middernacht terug, in een wit gewaad gekleed. Zij gingen samen het huis uit, door tallooze straten, waar honden blaften, en toen naar buiten, totdat zij op een groot kerkhof kwamen. Hier ging het meisje vooraan, terwijl de samurai volgde, met de hand op zijn zwaard.

Toen de vrijer in staat was, door de duisternis heen te zien, zag hij, dat het meisje den grond met een spade weggroef. Zij groef met groote haast, en tilde eindelijk het deksel op van een kist. Het volgende oogenblik haalde zij het lijk van een kind er uit, trok er een arm af, brak dien, en begon er een stuk van op te eten, terwijl zij haar vrijer een ander stuk toewierp en uitriep: “Als gij mij lief hebt, eet dan wat ik eet!”

Zonder een oogenblik te aarzelen, ging de samurai aan den rand van het graf zitten, en begon zijn helft van den arm op te eten. “Heerlijk!” riep hij uit, “geef mij nog een stukje!” Op dit punt verdwijnt gelukkig plotseling het huiveringwekkende der legende, want noch de samurai noch het meisje hadden van een lijk gegeten—de arm was gemaakt van het heerlijkste gebak!

Het meisje sprong met een kreet van vreugde overeind, en zeide: “Eindelijk heb ik een dapper man gevonden! Ik zal met u trouwen, want gij zijt de echtgenoot, naar wien ik altijd heb verlangd, en dien ik tot van nacht nooit heb gevonden.”


1 De Legenden in dit hoofdstuk zijn ontleend aan verhalen uit Lafcadio Hearn, Kwaidan en Blikken in het Onbekende Japan.

2 Zie Hoofdstuk II.

3 Een stroop, uit mout vervaardigd, die aan kinderen wordt gegeven als melk niet beschikbaar is.

Hoofdstuk XXVI. Drie Meisjes.

Het Meisje van Unai.

Het Meisje van Unai woonde bij haar ouders in het dorp Ashinóya. Zij was bijzonder mooi, en zij had twee vurige en volhardende minnaars—Mubara, die uit dezelfde landstreek afkomstig was, en Chinu, die uit Izumi kwam. Die twee minnaars konden even goed tweelingen geweest zijn, want zij kwamen met elkander overeen in leeftijd, uiterlijk, gelaat en lichaamsbouw. Ongelukkig hadden beiden haar met denzelfden hartstocht lief, zoodat het onmogelijk was, tusschen beiden eenig verschil te ontdekken. Hun geschenken waren dezelfde, en er scheen geen verschil te zijn in de wijze, waarop zij hun liefde betuigden. Wij krijgen een goed denkbeeld van het geheele uiterlijk van die twee minnaars, als wij kennis maken met het volgende fragment uit het gedicht van Mushimaro over dit onderwerp:

“Jaloersch bemint dit dappere paar

De liefelijke maagd:

Elk met de hand op ’t gevest van zijn zwaard

Terwijl hij een pijlkoker draagt.

“Die pijlkoker hangt op den rug van den held;

En een sneeuwwitte houten boog

Rust in beider krachtige, stevige hand;

Zoo hielden ze elkander vijandig in ’t oog.”

Naar B.H. Chamberlain.

Intusschen werd het Meisje van Unai droevig van gemoed. Zij nam de gaven van Mubara of Chinu nooit aan, en toch deed het haar leed, dat zij hen maand aan maand zag staan aan de poort, terwijl zij geen oogenblik in de vurige uitdrukking van hun gevoelens van liefde voor haar verslapten.

De ouders van het Meisje van Unai schenen het ingewikkelde van den toestand niet te hebben ingezien, want zij zeiden haar: “Het is droevig voor ons, om den last van uw ongepast gedrag te moeten dragen, nu gij van maand tot maand en van jaar tot jaar op de meest zorgelooze wijze anderen smart doet lijden. Als gij het aanzoek van den één aanneemt, zal de liefde van den ander na korten tijd ophouden.”

Die goed bedoelde woorden brachten het arme Meisje van Unai geen troost of geen hulp; daarom ontboden de ouders de minnaars, legden den treurigen toestand bloot en besloten, dat hij, die een watervogel zou schieten, welke zwom in de rivier Ikuta, die langs het platvorm stroomde, waarop het huis was gebouwd, hun dochter ten huwelijk zou verkrijgen.

De minnaars waren met die beslissing ten zeerste ingenomen, en verlangden er naar, dat er een einde zou komen aan die wreede onzekerheid. Op hetzelfde oogenblik spanden zij hun bogen, en te gelijk troffen hun pijlen den vogel, de ééne in den kop en de andere in den staart, zoodat geen van beiden er zich op kon beroemen de beste schutter te zijn. Toen het Meisje van Unai zag, hoe hopeloos de zaak stond, riep zij uit:

“Het is genoeg! De golf, die ik ginds zie naken,

Zal aan mijn zielestrijd een droevig einde maken:

Wel noemt men Settsu’s stroom den stroom van ’t leven,

Maar mij zal die rivier een laatste rustplaats geven.”

Naar B.H. Chamberlain.

Na die melodramatische woorden wierp zij zich van het platvorm in de golvende wateren beneden haar.

De ouders van het meisje, die het tooneel bijwoonden, schreeuwden en raasden op het platvorm, terwijl de trouwe minnaars in de rivier sprongen. De één hield den voet van het meisje, de ander haar hand vast, en oogenblikkelijk zonken alle drie in de diepte weg. Het meisje werd daarna begraven tusschen haar beide minnaars, en tot op den huidigen dag is de plaats bekend als “Het Graf van het Meisje”. In het graf van Mubara was een holle bamboe-stok gelegd, met een boog, een pijlkoker en een lang zwaard; maar in het graf van Chinu was niets geplaatst.

Eenigen tijd daarna kwam een vreemdeling in de nabijheid van het graf en werd plotseling opgeschrikt door het geluid van een hevig gevecht. Hij zond zijn dienaren er heen, om de zaak te onderzoeken, maar zij kwamen terug met de mededeeling, dat zij niets buitengewoons konden hooren of zien. Terwijl de vreemdeling over de liefdesgeschiedenis van het Meisje van Unai zat te peinzen, viel hij in slaap. Dit was nauwelijks geschied, of hij zag vóór zich, op den grond geknield, een man met bloed bevlekt, die hem mededeelde, dat hij zeer lastig gevallen werd door de vervolgingen van een vijand, en die hem vroeg, of de vreemdeling hem zijn zwaard wilde leenen. Met eenige aarzeling werd dit verzoek toegestaan. Toen de vreemdeling ontwaakte, helde hij over tot de meening, dat de geheele zaak een droom was geweest; maar het was geen voorbijgaand nachtelijk droombeeld, want niet alleen miste hij zijn zwaard, maar hoorde hij ook in zijn onmiddellijke nabijheid het geraas van een hevig gevecht. Daarna hield het wapengekletter plotseling op, en weer stond de met bloed bevlekte man vóór hem, die aldus sprak: “Door uw welwillende hulp heb ik den vijand verslagen, die mij al die jaren heeft onderdrukt.” Hieruit kunnen wij afleiden, dat in de geesteswereld Chinu zijn mededinger bevocht en versloeg, en na een aantal jaren van bittere jaloezie was hij eindelijk in staat het Meisje van Unai de zijne te noemen.

Het Meisje van Unai

Het Graf van het Meisje Unai.

“Ik sta bij het graf, waar nu rust

Van Unai de lieflijke maagd,

Die een aantal jaloersche minnaars

Bij haar leven zoozeer had behaagd.

“Dat graf moet tot ’t laatst van de jaren

Verkonden het lot van de maagd,

Die zelfs nog na eeuwen en eeuwen

Toekomstige mannen behaagt.

“En stapelt op den straatweg

Men steenen tot bergen zoo hoog,

Die zoolang als de wolken drijven,

Daar blijven voor ons oog.

“Als een pelgrim dit pad mocht betreden,

Laat hem dan naar die steenblokken zien,

En bij ’t graf van de maagd droevig weenen;

De bewoners van ’t dorp bovendien

“Nooit stillen hun bittere tranen

Maar scharen zich om haar graf.

Laat de eeuwen haar noodlot verkonden,

En de smart, die haar sterven ons gaf.

“Tot ook ik op het laatst hier zal staren

Op het graf, dat haar bergt voor mijn oog,

En ik droevig terug zal denken,

Aan den tijd, die zóó snel vervloog.”

Sakimaro (Naar B.H. Chamberlain).

Het Meisje van Katsushika.

“Daar waar in ’t verre oostersch land,

Bij ’t ochtendgloren kraait de haan,

Vertelt het landvolk een verhaal,

Uit tijden, dood en lang vergaan.

“Van ’t meisje uit Katsushika,

Wier gordel, helderblauw,

Het grofste linnen kleed omsloot,

En rok van arme vrouw.

“Wier voet geen schoen ooit had omklemd

Of kam geraakt het haar.

Geen koningin, hoe rijk getooid

Te vergelijken waar.

“Met ’t meisje, dat daar lachend stond,

Een bloem in lentetijd,

In schoonheid, liefheid zóó volmaakt

Als maanlichts heerlijkheid.

“Gelijk een zwerm van motten, die

Om ’t helder kaarslicht dwaalt,

Gelijk een boot de haven zoekt,

Als ’s avonds schaduw daalt.

“Zoo kwamen zwermen vrijers aan,

Doch zij sprak: ‘Laat mij gaan,

k Ben slechts een nederige maagd

En kort is mijn bestaan’.

“Daar waar de golven met geweld

Luid beuken ’t kale strand,

Heeft ’t meisje van Katsushika

Voor goed haar vaderland.

“Ja! ’t is een lied uit ouden tijd;

Maar als ’t mijn ooren streelt,

Dan rijst voor mij of ’t gisteren was,

Haar vriendlijk, lieflijk beeld.”

Naar B.H. Chamberlain.

Chamberlain voegt de volgende opmerking bij de vertaling van deze Japansche ballade: “Bij de weinig vaststaande overlevering, die echter ongetwijfeld zeer oud is, en die in bovenstaande ballade is behouden gebleven, kan uit authentieke bron niets worden gevoegd. De fantasie van het volk heeft echter de leemten aangevuld, en voert een wreede stiefmoeder ten tooneele, die, zonder dat zij iets gevoelt voor de toewijding van het meisje, dat dagelijks water voor haar schept uit de eenige bron, waarvan zij het water wenscht te drinken, zóó boos op haar is, omdat zij door haar schitterende schoonheid minnaars naar het huis lokt, dat het arme meisje zich ten slotte verdrinkt, waarna de buren haar als een godin beschouwen en een tempel ter harer eere oprichten. Zoowel de tempel als de bron behooren tot de merkwaardigheden in de omstreken van Tōkyō, die nog steeds worden bezocht.”

Het Meisje met de houten Kom.

In lang vervlogen tijden leefde een oud echtpaar met hun eenig kind, een meisje van merkwaardige bekoorlijkheid en schoonheid. Toen de oude man ziek werd en stierf, werd zijn weduwe hoe langer hoe meer bezorgd over het toekomstige geluk van haar dochter.

Op zekeren dag riep zij haar kind bij zich en sprak: “Mijn lieve, uw vader ligt op gindsch kerkhof, en ik moet, daar ik oud en zwak ben, hem spoedig volgen. De gedachte, dat ik u alleen in de wereld moet achterlaten, baart mij veel zorg, want gij zijt schoon, en schoonheid is een verleiding en een verstrikking voor mannen. Al de reinheid van een witte bloem kan niet beletten, dat zij wordt geplukt en in het slijk wordt gescheurd. Mijn kind, uw gelaat is al te schoon. Het moet voor de begeerige oogen der mannen verborgen worden, daar het anders de oorzaak zal zijn, dat gij van uw goed en rein leven vervalt in een leven van schande.”

Na die woorden gesproken te hebben, plaatste zij een verlakte kom op het hoofd van het meisje, zoodat het haar bekoorlijkheden bedekte. “Draag die kom altijd, mijn lieve,” sprak de moeder, “want dit zal u beschermen als ik dood ben.”

Korten tijd nadat zij die liefderijke daad had volbracht, stierf de oude vrouw, en het meisje was verplicht haar brood te verdienen met op de rijstvelden te werken. Het was een zwaar en onaangenaam werk, maar het meisje hield zich dapper en zwoegde van den morgen tot den avond zonder een oogenblik te morren. Telkens gaf haar vreemd uiterlijk aanleiding tot veel besprekingen, en over het geheele land stond zij bekend als het “Meisje met de Kom op het Hoofd.” De jonge mannen lachten haar uit en trachtten onder de kom te kijken, en niet weinigen zelfs trachtten het houten hoofddeksel van haar hoofd te trekken, maar het kon niet worden verwijderd, en de jongelieden moesten zich onder gelach en spotternij tevreden stellen met een enkele blik op het benedengedeelte van het gelaat. Het arme meisje verdroeg die ruwe behandeling met een geduldig, maar bezwaard gemoed, daar zij meende, dat door de liefde en de wijsheid van haar moeder later een dag van vreugde zou aanbreken, die een ruime vergoeding zou zijn voor al haar droefheid.

Op zekeren dag sloeg een rijke landbouwer het meisje gade, dat op zijn rijstvelden werkte. Hij werd getroffen door haar ijver en de snelle en uitnemende wijze, waarop zij haar taak volbracht. Hij had schik in die gebogen en vlijtige kleine gestalte, en lachte niet om de houten kom op haar hoofd. Na haar gedurende korten tijd te hebben gadegeslagen, kwam hij op het meisje af en sprak: “Ge werkt goed en babbelt niet met uw makkers. Ik wensch, dat ge op mijn rijstvelden werkt tot aan het einde van den oogst.”

Toen de oogst was binnengehaald en de winter was aangebroken, vroeg haar de rijke landbouwer, die een hoe langer hoe gunstiger indruk van het meisje had gekregen, en die verlangde haar van dienst te zijn, zijn huisgenoote te willen worden. “Mijn vrouw is ziek,” voegde hij er aan toe, “en ik zou gaarne willen, dat gij haar voor mij kwaamt oppassen.”

Het meisje nam dankbaar dit voor haar zoo geschikte aanbod aan. Zij verpleegde de zieke vrouw met de grootste zorg, want dezelfde rustige ijver, dien zij op het rijstveld openbaarde, kenmerkte ook haar vriendelijk werk in de ziekenkamer. Daar de landbouwer en zijn vrouw geen dochter hadden, hechtten zij zich zeer aan die wees en beschouwden zij haar als hun eigen kind.

Na eenigen tijd keerde de oudste zoon van den landbouwer naar zijn oude woning terug. Hij was een verstandig jongmensch, die in het vroolijke Kyōto ijverig had gestudeerd en een afkeer had van een vroolijk leven vol feesten en lichtzinnige vermaken. Zijn vader en moeder verwachtten, dat hun zoon zich spoedig in het ouderlijke huis en in die omgeving zou vervelen, en dagelijks vreesden zij, dat hij bij hen zou komen, om afscheid te nemen en weer terug te keeren naar de residentie van den Mikado. Maar tot ieders verbazing gaf de zoon van den landbouwer volstrekt niet het verlangen te kennen, zijn oude woning te verlaten.

Op zekeren dag kwam de jonge man bij zijn vader en vroeg: “Wie is dat meisje in ons huis, en waarom draagt zij een leelijke kom op het hoofd?”

Toen de landbouwer het droevige verhaal van het meisje had gedaan, was zijn zoon diep bewogen; maar toch kon hij niet nalaten, een weinig om de kom te lachen. Het lachen van den jongen man duurde echter niet lang. Dag aan dag werd hij meer door het meisje bekoord. Telkens gluurde hij naar het half verborgen gelaat van het meisje, en kwam hij al meer en meer onder den indruk van haar vriendelijke manieren en haar edel karakter. Het duurde niet lang, of zijn bewondering ging in liefde over, en hij besloot dat hij zou trouwen met het “Meisje met de Kom op het Hoofd”. De meesten van zijn familieleden verzetten zich tegen die verbintenis. Zij zeiden: “Zij is in haar soort inderdaad uitstekend, maar zij is niets anders dan een gewone dienstbode. Zij draagt die kom, om hen die onverstandig zijn, te verlokken, en wij gelooven niet, dat die kom schoone gelaatstrekken bedekt, maar juist dient, om haar leelijkheid te verbergen. Zoek ergens anders een vrouw, want wij zullen dat eerzuchtige en intrigeerende meisje niet in onzen kring toelaten.”

Van dat oogenblik af had het meisje veel te lijden. Bittere en hatelijke toespelingen kreeg zij te hooren, en zelfs haar meesteres, die vóór dien tijd zoo lief en vriendelijk was geweest, koos tegen haar partij. Maar de landbouwer veranderde niet in zijn goede gezindheid jegens haar. Hij hield nog altijd van het meisje, en had er volstrekt niets op tegen, dat zij de vrouw van zijn zoon zou worden, maar ten gevolge van de heftige opmerkingen van zijn vrouw en zijn bloedverwanten durfde hij zijn wenschen in die zaak niet bekend te maken.

Al die tegenwerking, die daarenboven op zeer onvriendelijke wijze werd geuit, maakte den jongen man nog begeeriger zijn doel te bereiken. Eindelijk gaven zijn moeder en zijn bloedverwanten, toen zij zagen, dat op hun wenschen geen acht geslagen werd, hun toestemming tot het huwelijk, maar op onvriendelijke wijze.

De jonge man, die meende, dat nu alle moeilijkheden waren uit den weg geruimd, ging verheugd naar het meisje met de Kom op het Hoofd toe, en zeide: “Alle lastige tegenwerking is geëindigd, en nu verhindert ons niets, te trouwen.”

“Neen”, antwoordde het vrome meisje, terwijl zij bitter weende, “ik kan niet met u trouwen. Ik ben niets dan een dienstbode in het huis van uw vader, en daarom zou het ongepast zijn, als ik uw bruid werd.”

De jonge man sprak vriendelijk met haar. Herhaaldelijk gaf hij uiting aan zijn zoo vurige liefde voor haar, hij trachtte haar te overreden, hij smeekte; maar het meisje wilde niet toegeven. Haar houding maakte de bloedverwanten erg boos. Zij zeiden, dat het meisje hen allen voor den gek had gehouden, daar zij volstrekt niet begrepen, dat zij den zoon van den landbouwer innig liefhad, en dat zij in haar trouw hart overtuigd was, dat dit huwelijk alleen tweedracht kon brengen in het gezin, dat haar in haar armoede een schuilplaats had aangeboden.

Dien nacht huilde het meisje zich in slaap, en in haar slaap verscheen haar moeder vóór haar, en sprak: “Mijn lief kind, laat uw goed hart niet langer verdriet hebben. Trouw met den zoon van den landbouwer, en alles zal weer in orde komen.” Het meisje ontwaakte de volgenden morgen, het hart vol vreugde, en toen haar minnaar bij haar kwam en haar nog eens vroeg, of zij zijn bruid wilde worden, stemde zij er met een liefelijken glimlach in toe.

Er werden groote toebereidselen voor de bruiloft gemaakt, en toen de gasten bijeengekomen waren, meende men, dat het hoog tijd was, dat zij de houten kom van haar hoofd verwijderde. Zij zelf trachtte die af te nemen, maar de kom bleef op haar hoofd vastzitten. Toen enkelen van de familieleden met herhaalde onvriendelijke opmerkingen haar te hulp kwamen, uitte de kom vreemde kreten en zuchtte. Ten slotte naderde de bruidegom het meisje en zeide: “Laat die behandeling u geen verdriet aandoen. Gij zijt mij even lief met als zonder kom”, en na die woorden te hebben gesproken, beval hij, dat de plechtigheid voortgang zou hebben.

Daarna werden de bekers met wijn in het met gasten gevulde vertrek gebracht, en in overeenstemming met de gebruiken werd van de bruid en den bruidegom verwacht, dat zij samen de “Driemaal drie” zouden drinken ter eere van hun verbintenis. Op het oogenblik waarop het meisje den beker aan haar lippen bracht, brak de kom op haar hoofd met groot geraas, en viel er goud en zilver uit, en tevens allerlei soorten van edelgesteenten, zoodat het meisje, dat eens doodarm was geweest, nu een rijke huwelijksgift bezat. De gasten waren verbaasd, toen zij de groote hoeveelheid schitterende juweelen, goud en zilver zagen, maar nog meer verbaasd waren zij, toen zij opkeken en zagen, dat de bruid het mooiste meisje uit geheel Japan was.