Hoofdstuk XXIX. Bovennatuurlijke Wezens.
De Kappa.
De Kappa is een riviermonster, een harig schepsel met het lichaam van een schildpad en met schubbige beenderen. Zijn kop gelijkt eenigszins op dien van een aap, en boven op den kop is een holte, die een geheimzinnige vloeistof bevat, welke de bron moet zijn van de groote macht van het schepsel. Het grootste genot van den Kappa is, menschelijke wezens uit te dagen tot een tweegevecht, en de ongelukkige man, die een zoodanige uitnoodiging krijgt, kan die niet afslaan. Hoewel de Kappa woest en twistziek is, is hij niettemin uiterst beleefd. De reiziger, die zijn onverbiddelijke oproeping krijgt, maakt voor het monster een diepe buiging. De beleefde Kappa beantwoordt de buiging, en terwijl hij zijn kop buigt, stroomt de vloeistof, die hem zijn kracht verleent, uit de holte in zijn schedel, en daar hij dan zwak wordt, verdwijnen zijn oorlogszuchtige karaktertrekken onmiddellijk. Maar het is even ongelukkig den Kappa te overwinnen, als door hem te worden afgeranseld, immers de tijdelijke roem der overwinning wordt spoedig gevolgd door het wegkwijnen van den ongelukkigen reiziger. De Kappa heeft de neigingen van een vampier, want hij slaat de menschen in het water, als zij in de rivier of in het meer baden, en zuigt hun bloed uit. In een bepaald gedeelte van Japan heet het, dat hij ieder jaar twee slachtoffers eischt. Als hij uit het water naar boven komt, wordt zijn huid bleek, en langzamerhand verkwijnt hij, alsof hij lijdt aan een vreeselijke ziekte.
In Izuma noemen de dorpsbewoners den Kappa gewoonlijk Kawako (“Het kind der Rivier”). Bij Matsue is een klein gehucht gelegen, Kawachi-mura genoemd, en aan den oever der rivier is een kleine tempel, bekend onder den naam van Kawako-no-miya, dat wil zeggen de tempel van den Kawako of Kappa, welke tempel een geschrift bevat, dat door dat riviermonster onderteekend is. Omtrent dat geschrift wort de volgende legende verhaald.
De Kappa en zijn Slachtoffer
De belofte van den Kappa.
In oude tijden leefde in de rivier de Kawachi een Kappa, die er zijn gewoonte van maakte, een aantal dorpsbewoners te pakken en te dooden en bovendien een aantal van hun huisdieren. Op zekeren dag ging een paard de rivier in, en de Kappa verrekte op de één of andere wijze zijn nek, toen hij het paard trachtte te pakken, maar in weerwil van de ondragelijke pijn wilde hij zijn slachtoffer niet loslaten. Het beangste paard sprong op den oever der rivier en holde in een naburige weide, terwijl de Kappa nog steeds het verschrikte paard vasthield. De eigenaar van het paard bond, geholpen door een aantal dorpsbewoners, het Kind der Rivier stevig vast. “Laat ons dat afgrijselijke schepsel dooden,” zoo spraken de boeren, “want hij heeft zeker een aantal afschuwelijke misdaden gepleegd, en wij zouden verstandig handelen, als wij ons van zulk een afschuwelijk monster verlosten.” “Neen,” antwoordde de eigenaar van het paard, “wij zullen hem niet dooden. Wij zullen hem laten zweren, dat hij nooit één van de bewoners of van de huisdieren van dit dorp zal dooden.” Een geschrift werd dus gereedgemaakt, en den Kappa werd gevraagd het door te lezen, en na dit gedaan te hebben, het met zijn naam te onderteekenen. “Ik kan niet schrijven,” antwoordde de berouwvolle Kappa, “maar ik zal mijn hand in inkt doopen en die op het geschrift drukken.” Toen het schepsel zijn merk op het stuk had gedrukt, werd hij losgelaten en werd hem toegestaan naar de rivier terug te keeren, en van dien tijd af tot heden toe is de Kappa getrouw gebleven aan zijn belofte.
De Tengu.
Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van den Tengu, en wel in het verhaal van Yoshitsune en Benkei.1 Men zal zich herinneren, dat in die legende Yoshitsune, één der grootste krijgslieden van het Oude Japan, de krijgskunst leerde van den Koning der Tengu. Chamberlain beschrijft de Tengu als “een soort van aardgeesten, die rondwaren over de bergen en in de bosschen, en die een aantal guitenstreken uithalen. Zij hebben eenige verwantschap met vogels; want zij hebben vleugels en een snavel, en somtijds klauwen. Maar dikwijls wordt de snavel een breede en ontzaglijk lange menschelijke neus, en het geheele schepsel wordt als menschelijk voorgesteld, daar er niets vogelachtigs overblijft dan de waaier van veeren, waarmede het dier zich verkoelt. Dikwijls is het in bladeren gehuld, en draagt het een kleine muts op zijn kop. In één woord, de Tengu zijn goden van minderen rang, en zijn volleerd in de schermkunst en in het gebruik van wapenen in het algemeen. De teekens, waarmede de naam wordt geschreven, beteekenen ‘hemelsche hond’, doch deze naam leidt op een dwaalspoor, daar het schepsel geen gelijkenis heeft met een hond, en zooals wij reeds beschreven hebben, voor een deel er uitziet als een mensch, voor een deel als een vogel.” Er zijn nog andere overleveringen omtrent het woord Tengu, die van geheel anderen aard zijn; men verhaalt immers, dat Keizer Jomei dien naam gaf aan een meteoor, “die het luchtruim doorkliefde van oost naar west, onder een krachtige ontploffing.” Bovendien is er een nog oudere lezing, volgens welke de Tengu uitgevloeid waren uit Susa-no-o, den Ontstuimigen Jongeling, en ook nog, dat er vrouwelijke booze geesten waren met koppen van dieren en groote ooren en neuzen van een zóó ontzaglijke lengte, dat zij daarop menschen konden voortdragen en met dien last duizenden mijlen zonder vermoeienis konden voortvliegen, terwijl bovendien hun tanden zóó sterk en zóó scherp waren, dat die vrouwelijke demonen zwaarden en speren konden doorbijten. Nog steeds gelooft men, dat de Tengu bepaalde bosschen bewoont, en de schuilplaatsen van hooge bergen. In het algemeen gesproken is de Tengu geen kwaadaardig wezen, want hij heeft een sterk gevoel voor humor en is er dol op, iemand goedmoedig in het ootje te nemen. Somtijds echter verstopt de Tengu menschelijke wezens op geheimzinnige wijze, en als zij eindelijk naar huis terugkeeren, zijn zij volslagen krankzinnig geworden. Dit vreemde verschijnsel is bekend onder den naam van Tengu-kakushi, of door een Tengu verstopt.
Tobikawa bootst een Tengu na.
Tobikawa, die in zijn jonge jaren een worstelaar geweest was en in Matsue woonde, bracht zijn tijd door met het jagen en dooden van vossen. Hij hechtte geen geloof aan de verschillende bijgeloovige opvattingen omtrent het dier, en algemeen was men van meening, dat zijn groote kracht hem beveiligde tegen de toovenarij van vossen. Er waren echter onder de bewoners van Matsue enkelen, die voorspelden, dat Tobikawa tot een ontijdig einde zou komen ten gevolge van zijn vermetele daden en zijn ongeloof in bovennatuurlijke krachten. Tobikawa hield er bijzonder van, de menschen voor den gek te houden; hij had zelfs eens de brutaliteit de gedaante van een Tengu in hoofdzaken na te bootsen, zooals de veeren, den langen neus, de klauwen enz. Nadat hij zich zoo had vermomd, klom hij in een boom, die in een heilig boschje stond. Dadelijk zagen de boeren hem, en daar zij dachten, dat het wezen, dat zij zagen, een Tengu was, begonnen zij hem te aanbidden, en heel wat offeranden rondom den boom te plaatsen. Doch helaas! de treurige voorspelling werd vervuld, want terwijl de vroolijke Tobikawa de acrobatische kluchten van een Tengu nadeed, gleed hij van een tak af en werd hij gedood.
De Avonturen van Kiuchi Heizayemon.
Wij hebben reeds gesproken van den Tengu-kakushi, en de volgende legende geeft een goed geteekende beschrijving van die bovennatuurlijke gebeurtenis.
Op zekeren avond verdween plotseling een zekere ondergeschikte bediende, Kiuchi Heizayemon. Toen de vrienden van Kiuchi gehoord hadden, wat gebeurd was, gingen zij in alle richtingen naar hem zoeken. Na langdurige nasporingen vonden zij zijn klompen, zijn scheede en zijn zwaard; maar de scheede was gebogen als het gekromde hengsel van een theeketel. Nauwelijks hadden zij die treurige ontdekking gedaan, of zij zagen ook den gordel van Kiuchi, die in drie stukken was gesneden. Tegen middernacht hoorden zij, die aan het zoeken waren, een vreemd geschreeuw, een stem, die om hulp riep. Suzuki Shichiro, één van den troep, zag juist op, toen hij een vreemd, gevleugeld wezen zag staan op het dak van een tempel. Toen de overige deelgenooten aan den tocht zich bij hun makker hadden gevoegd, zagen zij allen op naar die vreemde figuur, waarop één zeide: “Ik geloof, dat het niets anders is dan een zonnescherm, dat zich in den wind heen en weer beweegt.” “Laat ons trachten hieromtrent zekerheid te krijgen”, antwoordde Suzuki Shichiro, en na dit gezegd te hebben, verhief hij zijn stem en riep hij zoo hard mogelijk: “Zijt gij de verdwenen Kiuchi?” “Ja”, was het antwoord, “en ik verzoek u, dat gij mij zoo spoedig mogelijk van boven dezen tempel weghaalt”.
Toen Kiuchi van het dak van den tempel naar beneden was gebracht, viel hij flauw, en bleef drie dagen lang bewusteloos. Toen hij eindelijk weer bij kennis was gekomen, gaf hij het volgende verslag van zijn vreemd avontuur.
“Den avond waarop ik verdween, hoorde ik iemand herhaaldelijk hardop mijn naam roepen, en toen ik naar buiten ging, ontdekte ik een monnik, in het zwart gekleed, die luidkeels ‘Heizayemon!’ riep. Naast den monnik stond een man van ontzaglijken lichaamsbouw; zijn gelaat was rood, en zijn hangende haren vielen tot op den grond. ‘Klim op gindsch dak’ riep hij woest. Ik weigerde een spitsboef met zulk een ongunstig uiterlijk te gehoorzamen, en trok mijn zwaard, maar in een oogenblik boog hij het lemmer om en brak hij de scheede in stukken. Daarna werd mijn gordel ruw afgetrokken en in drie stukken gesneden. Toen die zaken waren geschied, werd ik op een dak gedragen en daar hard afgeranseld. Maar nog was het einde van mijn ellende niet bereikt, want nadat ik was afgeranseld, werd ik gedwongen op een ronden bak te gaan zitten. In een oogenblik werd ik in de lucht rondgedraaid, en de bak droeg mij in razende vaart door een aantal landstreken heen. Toen het mij bleek, dat ik tien dagen lang door het luchtruim was voortgedreven, bad ik tot Buddha, en bevond mij, zooals ik dacht, op den top van een berg, maar in werkelijkheid was het niet anders dan het dak van den tempel, van waar gij, mijn makkers, mij hebt bevrijd.”
Een geloof in den Tengu uit onzen tijd.
Kapitein Brinkley deelt ons in Japan en China mede, dat tot zelfs nog in het jaar 1860 de ambtenaren van het Gouvernement te Yedo openlijk voor hun geloof in bovennatuurlijke wezens uitkwamen. Voordat de Shōgun Nikko zou bezoeken, werd op hun bevel de volgende kennisgeving aangeplakt in de nabijheid der praalgraven:
“Aan den Tengu en overige Demonen
“Daar onze Shōgun voornemens is in April van het volgende jaar de praalgraven te Nikko te bezoeken, moeten gij, Tengu en andere Demonen, die op deze bergen woont, u van hier verwijderen totdat de Shōgun zijn bezoek heeft volbracht.
”(Geteekend) Mizuno, Heer van Dewa.
“Juli 1860.”
De plaatselijke autoriteiten waren nog niet tevreden met een dergelijke kennisgeving. Nadat zij behoorlijk de Tengu en overige demonen in kennis hadden gesteld met de komst van den Shōgun, werden de juiste bergen, waar die wezens mochten verwijlen tijdens het bezoek van den vorst, bij name aangeduid.
De Bergman en de Bergvrouw.
Het lichaam der Bergvrouw is bedekt met lange witte haren. Zij wordt beschouwd als een menscheneetster (Kijo), en is als zoodanig bekend in de Japansche mythen. Zij heeft behalve haar kannibalen-neigingen, ook de eigenschap als een mot te kunnen rondvliegen en ongebaande bergen gemakkelijk door te trekken.
De Bergman gelijkt, naar beweerd wordt, op een grooten, zwartharigen aap. Hij is bijzonder sterk, en vindt er absoluut geen bezwaar in, voedsel uit de dorpen te stelen. Hij is echter steeds gereed, houthakkers te hulp te komen, en wil gaarne hout dragen in ruil voor een baal rijst. Het is vergeefsche moeite, hem te pakken of te dooden, want elken aanval, van welken aard ook, op den Bergman, brengt ongeluk, en somtijds zelfs den dood aan de aanvallers.
Sennin.
De Sennin zijn bergkluizenaars, en groot is het aantal legenden, dat omtrent hen bekend is. Hoewel zij een menschelijke gedaante hebben, zijn zij toch tevens onsterfelijk, en ingewijd in de tooverkunst. De eerste groote Japansche sennin was Yosho, die in het jaar 870 n.C. te Noto geboren was. Even vóór zijn geboorte droomde zijn moeder, dat zij de zon had ingeslikt, een droom, die de wonderbare macht van haar kind voorspelde. Yosho was vlijtig en vroom, en bracht het grootste gedeelte van zijn tijd door met het bestudeeren van de “Lotus van de Wet”. Hij leefde hoogst eenvoudig en wist zijn dagelijksch rantsoen terug te brengen tot één gierstkorrel. Hij vertrok van de aarde in het jaar 901, na groote bovennatuurlijke macht te hebben verkregen. Zijn mantel liet hij aan den tak van een boom hangen met een rol, waarop deze woorden geschreven waren: “Ik laat mijn mantel na aan Emmei van Dogen-ji”. Na verloop van tijd werd ook Emmei een sennin, en was hij in staat, evenals zijn meester een aantal wonderen te verrichten. Korten tijd na het verdwijnen van Yosho werd zijn vader ernstig ziek, en hij bad vurig, dat hij zijn beminden zoon terug mocht zien. Als antwoord op zijn gebeden, werd de stem van Yosho gehoord, die de “Lotus van de Wet” opzegde. Toen hij daarmede klaar was, zeide hij tot zijn diep bedroefden vader: “Indien op den 18den van iedere maand bloemen worden geofferd en wierook wordt verbrand, zal mijn geest neerdalen en u begroeten, aangetrokken door den geur der bloemen en den blauwen rook van den wierook.”
De Sennin en de Kunst.
Dikwijls worden de Sennin in de Japansche kunst uitgebeeld: Chokoro, die zijn tooverpaard van een reusachtigen pompoen losmaakt; Gama met zijn tooverpadde; Tekkai, die zijn ziel in de ruimte wegblaast; Roko, die zich op een vliegende schildpad in evenwicht houdt; en Kumé, die van zijn wolkenwagen viel, omdat hij, in strijd met zijn heilig beroep, het beeld van een schoon meisje liefhad, dat in de rivier werd teruggekaatst.
Wonderbaarlijke Lichten.
Er zijn verschillende soorten van vuurverschijningen in Japan. Zoo vindt men de geestenvlam, het demonenlicht, de vossenvlam, den flikkerenden pilaar, de dassenvlam, de drakentoorts en de lamp van Buddha. Bovendien zegt men, dat van sommige vogels, zooals de blauwe reiger, bovennatuurlijk licht uitstraalt door de huid heen, uit den mond en uit de oogen. Er zijn ook vuurwielen, of boden uit den Hades, behalve de vlammen, die uit het kerkhof te voorschijn komen.
Een Vuurbol.
Van het begin van Maart tot het einde van Juni kan men in de provincie Settsu een vuurbol zien rusten op den top van een boom, en in dien vuurbol is een menschelijk gelaat. In oude dagen leefde er in Nikaido, een district van Settsu, een priester, Nikōbō genaamd, beroemd om zijn macht, kwade geesten en allerlei soorten van kwade invloeden uit te bannen. Toen de vrouw van den plaatselijken gouverneur ziek werd, werd Nikōbō verzocht haar te bezoeken en te zien, wat hij kon doen, om haar weer haar gezondheid terug te geven. Nikōbō willigde dit verzoek gaarne in, en bracht verscheidene dagen door naast het bed der lijdende dame. Met grooten ijver paste hij zijn kunst van geesten uitbannen toe, en na verloop van tijd genas de vrouw van den gouverneur. Maar de vriendelijke en goedhartige Nikōbō ontving geen dank voor wat hij had gedaan; integendeel: de gouverneur werd jaloersch op hem, beschuldigde hem van een lage misdaad en liet hem ter dood brengen. De ziel van Nikōbō vlamde in woede op en nam den vorm aan van een wonderbaarlijken vuurbol, die bleef zweven over de woning van den moordenaar. Het vreemde licht, met het terecht woedende gelaat, dat daaruit voor den dag kwam, had de gewenschte uitwerking, daar de gouverneur door een hevige koorts werd aangetast, die hem ten slotte doodde. Ieder jaar, op den reeds genoemden tijd, brengt de geest van Nikōbō een bezoek aan de plaats van zijn lijden en zijn wraak.
De worstelende Geesten.
In de provincie Omi, aan den voet der Katadaheuvels, is een meer. Tijdens de bewolkte nachten in het begin van den herfst verrijst een vuurbol aan den oever van het meer, die zich, als hij naar de heuvelen drijft, uitzet en weer inkrimpt. Als hij tot manshoogte gestegen is, vertoont hij twee lichtgevende gezichten, die zich langzaam ontwikkelen tot de lichamen van twee naakte worstelaars, die aan elkander zijn vastgehecht en die woedend strijden. De vuurbol met zijn woeste worstelaars drijft langzaam weg naar een eenzame plek in de Katada-heuvels. Hij is volkomen onschadelijk zoolang niemand er zich mede bemoeit, maar hij duldt niet, dat hij in zijn voortgang wordt gestuit. Volgens een legende in verband met dit verschijnsel zou een zekere worstelaar, die nooit een nederlaag had geleden, tegen middernacht de komst van dien vuurbol hebben afgewacht. Toen de vuurbol hem bereikte, trachtte hij dien met geweld naar beneden te halen, maar de lichtende bol vervolgde zijn weg, en sleepte den dwazen worstelaar een heel eind met zich mede.
Baku.
Bijgeloovige menschen in Japan zijn er van overtuigd, dat booze droomen het gevolg zijn van booze geesten, en het bovennatuurlijke wezen, Baku genoemd, staat bekend als de Eter van Droomen. De Baku is, zooals zooveel mythologische wezens, een merkwaardig mengsel van verschillende diersoorten. Hij heeft den kop van een leeuw, den romp van een paard, den staart van een koe en de pooten van een tijger. In een oud Japansch boek vindt men een aantal booze droomen vermeld, zooals twee slangen, ineengestrengeld, een vos met de stem van een man, kleeren met bloed bevlekt, een sprekenden rijstpot en nog meer andere. Als een Japansche boer uit een nare nachtmerrie wakker wordt, roept hij: “O Baku! verslind mijn boozen droom.” Er was een tijd, dat men afbeeldingen van den Baku in de Japansche huizen ophing en diens naam op de kussens schreef. Men geloofde, dat, als de Baku er toe kon gebracht worden, een naren droom op te eten, het wezen de macht had, dien in geluk te veranderen.
De witte Saké van den Shōjō.2
De Shōjō is een zeemonster met vuurrood haar, en die bijzonder gaarne groote hoeveelheden heilige witte saké drinkt. De volgende legende zal ons een denkbeeld geven van dat schepsel en van den aard van zijn geliefkoosden drank.
Wij hebben reeds melding gemaakt van de wonderbaarlijke verschijning van den Fuji.3 Op den dag, waarop dit wonder had plaats gegrepen, werd een arm man, Yurine genaamd, die in de nabijheid woonde, gevaarlijk ziek, en toen hij voelde, dat zijn dagen geteld waren, wenschte hij vóór zijn dood nog een kop saké te drinken. Maar in de kleine hut was geen rijstwijn, en zijn jongen, Koyuri, die zoo mogelijk den laatsten wensch van zijn vader wilde vervullen, liep langs het strand met een flesch in zijn hand. Hij was nog niet ver van huis, toen hij hoorde, dat iemand hem bij zijn naam riep. Toen hij rondzag, ontdekte hij twee wezens, vreemd van uiterlijk, met lang rood haar en een huid, die de kleur had van rooden kersenbloesem, terwijl zij gordels van groen zeegras om de lendenen droegen. Toen hij naderbij kwam, bemerkte hij, dat die wezens witte saké dronken uit breede platte kommen, die zij voortdurend uit een groote steenen kruik vulden.
“Mijn vader is stervende,” zeide de knaap, “en hij zou vóór zijn dood nog zoo gaarne een kop saké willen drinken. Maar helaas! wij zijn arm, en ik weet niet, hoe ik dien laatsten wensch van hem kan vervullen.”
“Ik zal uw flesch met deze witte saké vullen,” zoo sprak één der beide schepsels, en toen hij dit gedaan had, ijlde Koyuri naar zijn vader terug.
De oude man dronk gretig de witte saké. “Breng mij nog wat, want dit is geen gewone wijn. De drank heeft mij kracht geschonken, en reeds nu voel ik nieuw leven door mijn oude aderen stroomen.”
Koyuri keerde dus naar het strand der zee terug, en de roodharige wezens gaven hem gaarne nog meer van hun wijn, ja zelfs gaven zij hem voldoende saké voor vijf dagen, en toen die tijd verloopen was, was Yurine weer geheel hersteld.
Yurine had echter een buurman, Mamikiko genaamd; toen deze hoorde, dat Yurine onlangs een flinke hoeveelheid saké had gekregen, werd hij jaloersch, want hij hield zeer veel van een kop rijstwijn. Eens bezocht hij Koyuri en ondervroeg hem naar aanleiding van die zaak, terwijl hij zeide: “Laat mij de saké proeven.” Met ruwe hand ontrukte hij den knaap de flesch, en begon te drinken, doch trok dadelijk bij het drinken een vies gezicht. “Dit is geen saké”, riep hij woedend uit: “het is vuil water,” en na die woorden te hebben gesproken, begon hij den jongen te slaan, terwijl hij uitriep: “Breng mij naar dat roode volk, waarvan ge mij verteld hebt. Ik wil van hen goede saké hebben, en laat het pak slaag, dat ik je gegeven heb, een waarschuwing voor je zijn, om mij nooit meer voor den gek te houden.”
Koyuri en Manikiko gingen samen langs het strand, en kwamen spoedig op de plaats, waar de roodharige wezens bezig waren te drinken. Toen Koyuri hen zag, begon hij te weenen.
“Waarom huilt gij?” sprak één der beide wezens. “Uw vader heeft toch niet reeds al de saké opgedronken?”
“Neen”, antwoordde de knaap, “maar mij heeft een ongeluk getroffen. De man, dien ik heb meegebracht, Mamikiko genaamd, dronk wat van de saké, spuwde het onmiddellijk uit, en wierp het overige weg, terwijl hij zeide, dat ik hem voor den gek hield en hem vuil water te drinken had gegeven. Wees zoo goed, mij nog wat saké voor mijn vader mede te geven.”
De roodharige man vulde de flesch, en verkneuterde zich in de onaangename ervaring, die Mamikiko had opgedaan.
“Ik zou ook wel een kop saké willen hebben”, zeide Mamikiko. “Wilt gij mij ook wat laten nemen?”
Nadat hem daartoe verlof was gegeven, vulde Mamikiko den grootsten kop dien hij kon vinden, terwijl hij genoot van den heerlijken geur. Maar nauwelijks had hij de saké geproefd, of hij werd misselijk en maakte het wezen een vreeselijk standje.
De roode man antwoordde toen: “Gij weet zeker niet, dat ik een Shojō ben, en dat ik woon naast het paleis van den Zeedraak. Toen ik hoorde van de plotselinge verschijning van den Fuji, kwam ik hier om den berg te zien, er van overtuigd, dat een zoodanige gebeurtenis een goed voorteeken was en een voorspelling van den voorspoed en het eeuwig bestaan van Japan. Toen ik genoot van de schoonheid van dien prachtigen berg, ontmoette ik Koyuri en had het geluk het leven van zijn braven vader te redden door hem wat te geven van onze heilige witte saké, die de jeugd aan menschelijke wezens teruggeeft en hun een langer leven schenkt, terwijl zij den Shojō onsterfelijkheid schenkt. De vader van Koyuri is een braaf man, en de saké was dus in staat haar volle weldadige werking op hem uit te oefenen; maar gij zijt gierig en zelfzuchtig, en voor al dergelijke menschen is saké vergif.
”Vergif?” kermde Mamikiko, die nu dood ongelukkig was. “Goede Shojō, heb medelijden met mij en red mijn leven!”
De Shojō gaf hem een poeder en zeide: “Neem dit in saké in, en heb berouw over uw slechtheid.”
Mamikiko deed wat hem bevolen was, en vond de saké nu verrukkelijk. Hij liet geen tijd verloren gaan met vriendschap te sluiten met Yurine, en eenige jaren later vestigden zij zich aan de zuidelijke helling van den Fuji, brouwden de witte saké van den Shojō, en leefden nog driehonderd jaar.
De Draak.
De Draak is ongetwijfeld het beroemdste der mythische dieren, maar hoewel hij van Chineeschen oorsprong is, is hij langzamerhand nauw verbonden met de Japansche mythologie. Het wezen leeft grootendeels in een oceaan, rivier of meer, maar het heeft ook het vermogen te vliegen, en heerscht over wolken en stormen. De Draak van China en die van Japan gelijken op elkander, met dit verschil, dat de Japansche Draak drie klauwen, en die van het hemelsche Rijk vijf klauwen heeft. Men beweert, dat de Chineesche Keizer Yao de zoon van een draak was, en zeer veel heerschers van dat rijk werden in overdrachtelijken zin “van een drakengezicht voorzien” genoemd. De Draak heeft den kop van een kameel, het gewei van een hert, de ooren van een haas, de schubben van een karper, de pooten van een tijger, en klauwen, die op die van een arend gelijken. Bovendien heeft hij bakkebaarden, een schitterenden juweel onder zijn kin, en een toestel boven op den kop, dat hem in staat stelt naar willekeur naar den Hemel op te stijgen. Dit is slechts een algemeene beschrijving en is niet toepasselijk op alle draken; sommige draken toch hebben zóó merkwaardige koppen, dat zij niet kunnen worden vergeleken met iets, dat in het dierenrijk gevonden wordt. De adem van den draak verandert in wolken, waaruit òf regen òf vuur te voorschijn komt. Hij kan zijn lichaam uitzetten of inkrimpen, en kan verschillende gedaanteverwisselingen ondergaan en zich onzichtbaar maken. Zoowel in de Chineesche als in de Japansche mythologie staat het water in nauw verband met den draak, zooals wij reeds gezien hebben in de geschiedenis van Urashima, Keizerin Jingo en de avonturen van Hoori.
De Draak (Tatsu) is één der teekens van den Dierenriem, en de vier zeeën, die volgens de oud-Chineesche opvatting de bewoonbare aarde begrensden, werden geregeerd door vier Drakenkoningen. De Hemelsche Draak heerschte over de verblijfplaatsen der Goden, de Onstoffelijke Draak heerschte over den regen, de Aarddraak wees de rivieren haar loop aan, en de Draak der Verborgen Schatten bewaakte de edele metalen en edelgesteenten.
Een witte Draak, die in een vijver te Yamashiro verblijf hield, veranderde zich om de vijftig jaar in een vogel, O-Goncho genaamd, met een stem, die geleek op het huilen van een wolf. Zoo dikwijls die vogel verscheen, bracht hij een grooten hongersnood met zich mede. Bij zekere gelegenheid bood de Gele Draak, Fuk Hi, terwijl deze aan de Gele Rivier stond, hem een rol aan met geheimzinnige letterteekens. Volgens die legende zou dit de oorsprong zijn van het Chineesche letterschrift.
1 Zie Hoofdstuk II.
2 Ontleend aan Oude Sproken en Folk-lore van Japan, door R. Gordon Smith.
3 Zie Hoofdstuk IX.
Hoofdstuk XXX. De gedaanteverwisseling van Issunboshi, en Kintaro, de gouden knaap.
Een Gebed tot Keizerin Jingo.
Een oud gehuwd paar ging naar het altaar der tot godheid verheven Keizerin Jingo1, en bad, dat zij met een kind gezegend mochten worden, zelfs al was het niet grooter dan één van hun vingers. Een stem werd vernomen van achter het bamboegordijn van het altaar, en de oude lieden kregen de mededeeling, dat hun wensch zou worden verhoord.
Na verloop van tijd bracht de oude vrouw een kind ter wereld, en toen zij en haar echtgenoot ontdekten, dat dit miniatuurschepseltje niet grooter was dan een lid van hun vinger, werden zij vreeselijk boos en dachten, dat Keizerin Jingo hen zeer gemeen had behandeld, hoewel deze inderdaad hun gebed letterlijk had verhoord.
Een “Één-Duims Priester”.
De kleine knaap kreeg den naam van Issunboshi (“Één-Duims Priester”), en dagelijks verwachtten zijn ouders, dat hij plotseling zou opgroeien zooals andere jongens; maar op zijn dertiende jaar was hij nog even klein als bij zijn geboorte. Langzamerhand werden zijn ouders razend, daar het hun ijdelheid kwetste, als zij hoorden, hoe de buren hun zoon Duimpje of Graankorrel noemden. Zij hadden er zóóveel verdriet van, dat zij ten slotte besloten, Issunboshi weg te zenden.
De jongen klaagde volstrekt niet. Hij verzocht zijn moeder, hem een naald, een soepkommetje en een eetstokje te geven, en met die zaken ging hij op avontuur uit.
Issunboshi wordt page.
Zijn soepkommetje diende hem als boot, die hij met zijn eetstokje voortstuurde langs de rivier. Op die wijze bereikte hij eindelijk Kyōto. Issunboshi zwierf door die stad, totdat hij een groote overdekte poort zag. Zonder de geringste aarzeling liep hij naar binnen, en na den ingang van een huis te hebben bereikt, riep hij met een zwak stemmetje: “Ik zou gaarne beleefd inlichtingen willen ontvangen.”
Prins Sanjo hoorde zelf het stemmetje, en het duurde eenigen tijd, eer hij kon ontdekken, waar het geluid van daan kwam. Zoodra dit het geval was, was hij zeer verheugd met zijn ontdekking, en toen de kleine man vroeg, of hij in het huis van den Prins mocht wonen, werd zijn verzoek gaarne ingewilligd. De knaap werd spoedig ieders lieveling en werd aangesteld als page van Prinses Sanjo. In die hoedanigheid vergezelde hij zijn meesteres overal, en hoe klein hij ook was, hij wist de eer en de waardigheid van zijn positie naar waarde te schatten.
Een ontmoeting met Oni.
Eens gingen Prinses Sanjo en haar page naar den Tempel van Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, “onder wier voeten draken van de elementen en de lotussen der Reinheid geplaatst zijn.” Toen zij den tempel verlieten, sprongen twee oni (booze geesten) op hen af. Issunboshi nam zijn naald-zwaard uit het holle strootje, waarin het geplaatst was, en na zoo luid mogelijk de oni te hebben bedreigd, zwaaide hij zijn kleine wapen voor hun leelijk gelaat heen en weer.
Één dier wezens lachte. “Wel”, zoo sprak hij minachtend, “ik zou je kunnen opslokken, zooals een vischdief een forel opslokt, en wat nog meer zegt, mijn grappige kleine zaadkorrel, ik zal het werkelijk doen.”
De oni opende zijn mond, en Issunboshi gleed door een ontzaglijk keelgat, totdat hij eindelijk was afgezakt in de groote donkere maag van het schepsel. Issunboshi, volstrekt niet uit het veld geslagen, begon met zijn zwaard in de maag te boren. De booze geest schreeuwde het uit van de pijn en hoestte verschrikkelijk, waardoor de kleine man weer in de zonnige wereld terugkeerde.
De tweede oni, die den nood van zijn makker had bijgewoond, was vreeselijk boos, en trachtte ook den merkwaardigen kleinen page op te slokken, maar dat lukte hem niet. Dezen keer klom Issunboshi in één der neusgaten van het schepsel, en toen hij het einde had bereikt van wat hem een groote en donkere tunnel toescheen, begon hij door de oogen van den oni heen te boren. Het schepsel liep woedend van pijn, zoo hard hij loopen kon, weg, gevolgd door zijn gillenden makker.
Wij behoeven nauwelijks te zeggen, hoe verheugd de Prinses was over de dapperheid van haar page, en het is niet te verwonderen, dat zij hem zeide, er van overtuigd te zijn, dat haar vader hem zou beloonen, zoodra hij de tijding van de vreeselijke ontmoeting zou hebben vernomen.
De Tooverhamer.
Op weg naar huis nam de Prinses toevallig een houten hamertje op. “O!” zeide zij, “dit moet één der booze oni hebben laten vallen, en het is ongetwijfeld een geluk brengende hamer. Gij hebt slechts een wensch uit te spreken, en daarna met den hamer op den grond te slaan, en welken wensch gij ook uitspreekt, die wensch wordt steeds verhoord. Mijn dappere Issunboshi, zeg mij, wat gij het liefst zoudt willen, en ik zal met den hamer op den grond slaan.”
Na een oogenblik nadenken zeide de kleine man: “Edele Prinses, ik zou wel zoo groot willen zijn als de andere menschen.”
De Prinses sloeg met den hamer op den grond, terwijl zij den wensch van haar page luide herhaalde. In een oogenblik tijd was Issunboshi van een aardig dwergje veranderd in een knaap van dezelfde gestalte als andere jongens van zijn leeftijd.
Die wonderbaarlijke gebeurtenissen wekten de belangstelling op van den Keizer, en Issunboshi werd ontboden om vóór hem te verschijnen. De Keizer was zóó ingenomen met den knaap, dat hij hem een aantal geschenken gaf en hem een hoog staatsambt opdroeg. Na verloop van tijd werd Issunboshi een aanzienlijk edelman en huwde hij met de jongste dochter van Prins Sanjo.
Kintaro, de Gouden Knaap.
Sakata Kurando was officier van de lijfwacht des Keizers, en hoewel hij een dapper man was, ten zeerste bekwaam in de krijgskunst, had hij een bijzonder vriendelijk karakter; hij nu werd tijdens zijn militaire loopbaan verliefd op een schoone dame, Yaégiri genaamd. Na eenigen tijd viel Kurando in ongenade en was hij verplicht het Hof te verlaten en een reizend koopman in tabak te worden. Het gelukte Yaégiri, die zich de vlucht van haar minnaar zeer aantrok, uit haar huis te ontvluchten, en zij reisde het land heen en weer, in de hoop Kurando te ontmoeten. Eindelijk vond zij hem, maar de ongelukkige man, die ongetwijfeld zijn vernedering diep gevoelde en zeer onder den indruk was van het weinig deftige van zijn beroep, maakte aan zijn vernedering een einde door zich het ongelukkige leven te benemen.
Dieren als Makkers.
Toen Yaégiri haar minnaar had begraven, ging zij naar den Berg Ashigara, waar zij het leven schonk aan een kind, Kintaro of de Gouden Knaap genaamd. Nu had Kintaro een merkwaardig groote lichaamkracht. Toen hij nog slechts een paar jaar oud was, schonk zijn moeder hem een bijl, waarmede hij even snel en even gemakkelijk boomen velde als de meest geoefende houthakker. De Ashigara was een eenzame troostelooze plek, en daar er geen kinderen waren, met wie Kintaro kon spelen, koos hij zich de beren, herten, hazen en apen tot makkers, en in korten tijd was hij in staat hun vreemde taal te spreken.
Toen Kintaro eens op den berg zat met zijn gunstelingen om zich heen, trachtte hij zijn makkers te overreden om onderling een vriendschappelijken worstelwedstrijd te houden. Een vriendelijke oude beer was met dit voorstel ten zeerste ingenomen, en begon onmiddellijk den grond uit te graven, en de aarde op te hoopen tot een soort kleinen troonhemel. Toen dit geschied was, worstelden een haas en een aap samen, terwijl een hert er bij stond om beiden aan te moedigen en toe te zien, dat de strijd op eerlijke wijze geleverd werd. Het bleek, dat beide dieren tegen elkander waren opgewassen, en Kintaro beloonde hen beiden op tactvolle wijze met aanlokkelijke rijstkoeken.
Na op die wijze een heerlijken namiddag te hebben doorgebracht, nam Kintaro den terugtocht aan, gevolgd door zijn verknochte vrienden. Eindelijk kwamen zij aan een rivier, doch nu waren de dieren nieuwsgierig, hoe zij een zoo breede strook water zouden overtrekken; maar zie, Kintara sloeg zijn krachtige armen om een boom, die aan den oever groeide, en sloeg dien zóó over de rivier, dat hij een brug vormde. Toevallig was de beroemde held Yorimitsu met zijn onderhoorigen getuige van dit bewijs van ongeloofelijke kracht; het is dus niet te verwonderen, dat hij aan Watanabé Isuna zeide: “Die knaap is iets heel bijzonders. Tracht uit te vinden waar hij woont, en zie alles omtrent hem te weten te komen.”
Een beroemd Krijgsman.
Watanabé Isuna volgde na dit bevel Kintaro en trad het huis binnen, waar hij met zijn moeder woonde. “Mijn meester”, zoo sprak hij “de edele Yorimitsu, draagt mij op te trachten te weten te komen, wie uw zoo bewonderenswaardige zoon eigenlijk is.” Toen Yaégiri haar levensgeschiedenis had verhaald en haar bezoeker had medegedeeld, dat haar jongen de zoon was van Sakata Kurando, vertrok de dienaar van Yorimitsu en vertelde zijn meester al wat hij had gehoord.
Yorimitsu was zóózeer ingenomen met wat Watanabé Isuna hem had verteld, dat hij zelf naar Yaégiri ging en zeide: “Als gij mij uw jongen afstaat, zal ik hem in mijn dienst nemen.” De vrouw stemde gaarne daarin toe, en de Gouden Knaap ging met den grooten held weg, die hem den naam gaf van Sakata Kintoki. Hij werd na verloop van tijd een beroemd krijgsman, en zijn bewonderenswaardige daden zijn nog altijd een geliefkoosd onderwerp voor verhalen. De kinderen beschouwen hem als hun geliefkoosden held, en de kleine jongens, die zoo gaarne de kracht en de dapperheid van Sakata Kintoki zouden willen evenaren, dragen zijn portret bij zich.
1 Het onder de goden opnemen van aanzienlijke dooden is één van de instellingen van het Shintoïsme.
Hoofdstuk XXXI. Legenden van verschillenden aard.
Kato Sayemon.
Kato Sayemon woonde in het paleis van den Shogun Ashikaga, waar hij zijn afzonderlijke vertrekken had, en daar er in die dagen geen oorlog was, leefde hij rustig met zijn vrouw en bijwijven. Kato Sayemon was een man, die van weelde en gemak hield, en hij beschouwde huiselijken vrede als de grootste van alle aardsche zegeningen. Hij was in gemoede overtuigd, dat er onder al zijn lachende, wellevende vrouwen niets dan harmonie was, en die gedachte maakte voor hem het leven bijzonder aangenaam.
Op zekeren avond ging Kato Sayemon naar den tuin van het paleis en was verrukt over de zich voortdurend voortbewegende wolk van glimwormen en was nauwelijks minder verheugd over het liefelijke gezang van sommige visschen. “Wat een bekoorlijk tafereel”, mompelde Sayemon, “en wat leven wij in een verrukkelijke wereld! Buigingen en glimlachjes en slaafsche nederigheid bij mijn vrouwen. O, het is alles wonderschoon en heerlijk! Ik wilde wel, dat het leven voortdurend zoo bleef.”
Nadat hij zoo op de meest zelfvoldane wijze uiting had gegeven aan zijn gedachten, kwam hij toevallig langs het vertrek van zijn vrouw, en keek hij met een liefhebbend en welwillend oog naar binnen. Hij zag, dat zijn vrouw go speelde met één van zijn bijwijven. “Wat een beleefde welvoegelijkheid,” mompelde Sayemon. “Maar wacht even! Wat is dit voor een vreemde geschiedenis? De haren van mijn vrouw en die van mijn bijwijf zijn in slangen veranderd, die haar koppen in woede opheffen en dooreenstrengelen. Voortdurend lachen en buigen die vrouwen en bewegen zij haar stukken met goed gemanierde bekoorlijkheid en gratie. Vriendelijke woorden komen van haar lippen, maar de slangen van haar haren bespotten haar, immers die ineengestrengelde reptielen spreken van bittere jaloezie in haar hart.”
De schoone droom van huiselijk geluk was bij Sayemon voor goed uit. “Ik zal weggaan”, zoo sprak hij, “en een Buddhistisch priester worden. Ik zal de woedende kwaadaardigheid en den nijd van mijn vrouw en bijwijven achterlaten en ik zal in het onderwijs van den Gezegenden Buddha den waren vrede vinden.”
Kato Sayemon in zijn Paleis van den Shōgun Ashikaga
Den volgenden ochtend verliet Sayemon heimelijk het paleis, en hoewel men overal naar hem zocht, kon hij niet worden gevonden. Omstreeks een week later vereenvoudigde de vrouw van Sayemon de inrichting van het huisgezin en bleef rustig wonen met haar zoontje, Ishidomaro. Twee jaren gingen voorbij, zonder dat er tijding kwam van haar echtgenoot.
Eindelijk ging de vrouw van Sayemon met het kind uit, om den verdwenen man te zoeken. Vijf jaar lang zwierven zij door het land, totdat zij ten slotte in een dorpje in Kishu kwamen, waar een oude man de vermoeide en door de reis vreeselijk uitgeputte reizigers mededeelde, dat Sayemon tegenwoordig priester was, en dat hij een jaar geleden nog altijd in den tempel van Kongobuji woonde op den Berg Koya.
Den volgenden dag, toen de vrouw en haar kind aan den tempel van Kongobuji gekomen waren, bleek het, dat geen vrouwen den tempel mochten binnentreden; daarom beklom Ishidomaro, na met zorg naar de bevelen van zijn moeder te hebben geluisterd, alleen den berg. Toen de knaap na een langen steilen tocht den tempel bereikte, zag hij een monnik en zeide; “troont hier een priester, Kato Sayemon genaamd? Ik ben zijn zoontje en mijn moeder wacht mij in gindsche vallei. Vijf jaar lang hebben wij naar hem gezocht, en de liefde, die in onze harten leeft, zal hem ons zeker doen vinden.”
De priester, die niemand anders was dan Sayemon zelf, sprak zijn zoon aldus aan: “Het spijt mij, dat ik u moet zeggen, dat uw reis vergeefsch is geweest, want niemand van den naam van Kato Sayemon woont in dezen tempel.”
Sayemon sprak uiterlijk kalm, maar in zijn hart was er strijd tusschen zijn godsdienst en de liefde voor zijn zoon.
Daar hij echter wist, dat hij zijn vrouw en kind goed verzorgd had achtergelaten, onderwierp hij zich aan de leerstellingen van Buddha, en onderdrukte hij zijn vaderlijk gevoel.
Ishidomaro was echter niet voldaan, want instinctmatig voelde hij, dat de man, die vóór hem stond, in werkelijkheid zijn vader was, en daarom sprak hij den priester nog eens aldus aan: “Goede priester, op mijn linker oog is een wrat, en mijn moeder heeft mij verteld, dat mijn vader op zijn linker oog een dergelijke wrat heeft, waaraan ik hem onmiddellijk kan herkennen. Gij hebt diezelfde wrat, en in mijn ziel ben ik overtuigd, dat gij mijn vader zijt.” En na die woorden te hebben gesproken, weende de knaap bitter, terwijl hij verlangde naar de armen, die zich niet openden om het ongelukkige kind te liefkoozen en te vertroetelen.
Sayemons gevoelens werden weer op de proef gesteld, maar met een krachtige poging om zijn aandoening te bedwingen, zeide hij: “Het kenteeken, waarvan gij spreekt, komt zeer algemeen voor. Ik ben bepaald uw vader niet, gij zoudt verstandig doen uw tranen te drogen en hem ergens anders te zoeken.” Na die woorden te hebben gesproken, liet de priester den knaap achter, ten einde een avonddienst te verrichten.
Sayemon bleef in den tempel leven. Hij had in den dienst van Buddha vrede gevonden, en wat er met zijn vrouw en kind gebeurde, liet hem koud.
Hoe een oud Man zijn gezwel verloor.
Er was eens een oud man, die een gezwel op zijn rechter wang had. Dat gezwel, dat hem zeer mismaakte, veroorzaakte hem heel wat onaangenaamheid, en hij had dan ook veel geld besteed, om er van verlost te worden. Hij nam verschillende geneesmiddelen in en gebruikte heel wat waschwatertjes, maar in plaats dat het gezwel verdween of zelfs kleiner werd, nam het in grootte toe.
Op zekeren avond laat, toen de oude man naar huis terugkeerde, met brandhout beladen, werd hij door een vreeselijke onweersbui overvallen en was hij verplicht, een schuilplaats te zoeken in een hollen boom. Toen de storm was gaan liggen en toen hij juist op het punt was, zijn reis voort te zetten, was hij verbaasd, toen hij een vroolijk gejuich in zijn onmiddellijke nabijheid hoorde. Nadat hij uit zijn schuilplaats naar buiten keek, zag hij tot zijn groote verbazing een aantal demonen dansen en zingen en drinken. Hun dansen was zóó vreemdsoortig, dat de oude man alle voorzichtigheid uit het oog verliezend, begon te lachen, en eindelijk den boom verliet, om de uitvoering des te beter te kunnen zien. Terwijl hij daar stond toe te zien, zag hij, dat een der geesten alleen stond te dansen, en bovendien, dat de aanvoerder van het gezelschap volstrekt niet ingenomen was met zijn lompe hansworsterijen. Eindelijk sprak de aanvoerder dier geesten: “Genoeg! Is er dan niemand, die beter kan dansen dan die kerel?”
Toen de oude man die woorden hoorde, scheen het alsof zijn jeugd weer terugkeerde, en daar hij in vroeger dagen een volleerd danser geweest was, bood hij zich aan, om zijn bekwaamheid te toonen. Zoo danste de oude man dan voor die vreemde verzameling van demonen, die hem met zijn uitvoering gelukwenschten, hem een kop saké aanboden, en verzochten, dat hij hun het genoegen zou doen, nog een aantal andere dansen te vertoonen.
De oude man was bijzonder verheugd over de wijze, waarop hij was ontvangen, en toen de aanvoerder der geesten hem verzocht den volgenden nacht nog eens weer voor hem te dansen, stemde hij daar bereidwillig in toe. “Dat is goed”, zeide de aanvoerder, “maar gij moet een pand achterlaten. Ik zie, dat gij een gezwel op uw rechter wang hebt, en dat is een uitnemend pand. Laat mij het van u wegnemen.” Zonder eenige pijn te veroorzaken, verwijderde het hoofd der troep het gezwel, en na dat buitengewone kunststuk te hebben verricht, verdwenen hij en zijn makkers plotseling.
Toen de oude man naar zijn huis terugkeerde, voelde hij telkens met zijn hand naar zijn rechter wang, en kon zich nauwelijks voorstellen, dat hij ten slotte, na jaren lang mismaakt te zijn geweest, zoo gelukkig was, van zijn lastig en onooglijk gezwel bevrijd te zijn. Eindelijk trad hij zijn nederige woning binnen, en zijn oude vrouw was niet minder gelukkig met wat er gebeurd was.
Een booze en norsche oude man woonde vlak naast dit oude paar. Jarenlang had hij een gezwel op zijn linker wang gehad, dat voor geen enkele geneeskundige behandeling had willen wijken. Toen hij van het fortuintje van zijn buurman hoorde, ging hij naar hem toe en luisterde naar diens vreemde avonturen bij de geesten. De goede oude man deelde zijn buurman mede, waar hij den hollen boom kon vinden, en raadde hem aan, zich daar vóór zonsondergang in te verbergen.
De booze oude man vond den hollen boom en ging daar binnen in. Hij was daar nauwelijks langer dan enkele minuten in verborgen geweest, toen hij met vreugde de geesten zag verschijnen. Dadelijk zeide één van het gezelschap: “Het duurt lang, eer de oude man komt. Ik was er anders van overtuigd geweest, dat hij zijn belofte zou houden.”
Bij die woorden kroop de oude man uit zijn schuilplaats, bewoog zijn waaier op en neer en begon te dansen, maar, ongelukkig, kon hij volstrekt niet dansen, en zijn gekke bokkesprongen wekten dan ook de ontevredenheid der geesten ten zeerste op. “Gij danst vreeselijk slecht”, zeide één van den troep, “en hoe eer gij ophoudt, hoe liever het ons zal zijn; maar voordat gij vertrekt, zullen wij u het pand teruggeven, dat gij gisteren avond bij ons hebt achtergelaten.” Na die woorden te hebben gesproken, wierp de geest het gezwel naar den rechter wang van den ouden man, waar het dadelijk stevig bleef vastzitten, en niet meer kon worden verwijderd. Zoo ging de slechte oude man, die de demonen had trachten te bedriegen, weg, met een gezwel op iederen kant van zijn gelaat.
Een Japansche Gulliver.1
Shikaiya Wasōbiōye, was een inwoner van Nagasaki, en was ontzaglijk geleerd, maar had een afschuw van bezoekers. In de achtste maand vertrok hij in zijn boot om de bewonderaars der volle maan te ontvluchten, en was reeds een eind ver voortgegaan, toen de lucht een dreigend aanzien aannam; daarom trachtte hij terug te keeren, maar de wind scheurde zijn zeilen en brak zijn mast. De arme man werd gedurende drie maanden op de golven heen en weer bewogen, totdat hij ten slotte aan de Modderzee kwam, waar hij bijna van honger omkwam, daar in die buurt geen visschen konden worden gevangen.
Eindelijk bereikte hij een bergachtig land, waar de lucht liefelijk was van den geur van verscheidene bloemen, en op dat eiland vond hij een bron, waarvan de wateren hem nieuw leven schonken. Eindelijk ontmoette Wasōbiōye Jofuku, die hem door de straten der hoofdstad geleidde, waar al de bewoners hun tijd doorbrachten met het najagen van genoegens. Op dat eiland bestond noch dood noch ziekte; maar het feit, dat het leven hier eeuwig duurde, werd door velen als een last beschouwd, dien zij trachtten van zich af te schudden door de magische kunst van den dood te bestudeeren, en de macht van vergiftig voedsel, zooals sommige vischsoorten, die besprenkeld waren met roet, en het vleesch van meerminnen.
Nadat er twintig jaar verstreken waren, kreeg Wasōbiōye een tegenzin tegen het eiland, en toen zijn pogingen, zich het leven te benemen, geen resultaat hadden, ging hij op reis naar de Drie Duizend Werelden, die in de Buddhistische Geschriften vermeld worden. Daarna bezocht hij het Land van den Eindeloozen Overvloed, het Land van het Bedrog, het Land van de Volgelingen van het Oude, het Land van de Paradoxen, en ten slotte het Land van de Reuzen.
Nadat Wasōbiōye vijf maanden lang op den rug van een ooievaar in volslagen duisternis was voortgetrokken, bereikte hij eindelijk een land, waar de zon weer scheen, waar boomen honderd voet in omtrek waren, waar het onkruid zoo hoog was als bamboe en de menschen zestig voet hoog. In dat vreemde land nam een reus Wasōbiōye op, droeg hem naar zijn huis, en voedde hem met één enkelen monsterachtig groote rijstkorrel, door middel van eetstokjes, die zoo groot waren als een kleine boom. Een paar weken lang trachtte Wasōbiōye zijn gastheer te onderwijzen in de leerstellingen der oude wereld, waar hij van daan kwam, maar de reus lachte hem uit en zeide hem, dat zulk een dwerg niet kon geacht worden de gebruiken van groote menschen te begrijpen, daar hun verstand in overeenstemming moest zijn met hun grootte.
De Juweelen-tranen van Samébito.
Toen Tōtarō eens de Lange Brug van Séta overtrok, zag hij een wezen, dat er vreemd uitzag. Het had het lichaam van een man, met een huid zwarter dan die van een neger; zijn oogen glinsterden als smaragden, en zijn baard was als die van een draak. Tōtarō was niet weinig verschrikt, toen hij zulk een buitengewoon monster zag; maar in zijn groene oogen lag zóóveel pathos, dat Tōtarō het waagde, eenige vragen tot hem te richten, waarop het vreemde wezen antwoordde:
“Ik ben Samébito” (“een Haaimensch”), “en tot voor korten tijd was ik in dienst van de Acht Groote Drakenkoningen als een ondergeschikt beambte van het Drakenpaleis. Ik werd om een kleine overtreding uit dat heerlijke verblijf weggezonden, en werd zelfs uit de zee verbannen. Van dat oogenblik af heb ik mij vreeselijk ongelukkig gevoeld, zonder een schuilplaats, en niet in staat voedsel te krijgen. Heb medelijden met mij, brave Heer! Vind een schuilplaats voor mij, en geef mij wat te eten.”
Het gemoed van Tōtarō werd bewogen door den ootmoed van Samébito, en hij bracht hem naar een vijver in zijn tuin en gaf hem een ruimen voorraad voedsel. Op die rustige en afgezonderde plek bleef het vreemde wezen uit de zee omstreeks een halfjaar.
In den zomer van dat jaar was er een groote bedevaartstocht van vrouwen naar den tempel van Miidera, gelegen in de naburige stad Ōtsu. Tōtarō woonde het feest bij en zag daar een buitengewoon bekoorlijk meisje. “Haar gelaat was schoon en rein als sneeuw; en de liefelijkheid van haar lippen gaven den aanschouwer duidelijk te kennen, dat wat over die lippen kwam, zoo zoet zou klinken als de stem van een nachtegaal, die op een pruimenboom zingt.”
Tōtarō en Samébito
Tōtarō ontbrandde plotseling in liefde voor het meisje. Hij ontdekte, dat zij Tamana heette, dat zij ongehuwd was, en dit zou blijven, totdat een jonge man haar als huwelijksgift een mandje met niet minder dan tienduizend juweelen zou aanbieden. Toen Tōtarō vernam, dat dit schoone meisje alleen kon worden gewonnen door wat hem een onmogelijk geschenk toescheen, keerde hij met een bezwaard gemoed naar huis terug. Hoe meer hij echter over de schoone Tamana nadacht, des te meer werd hij op haar verliefd. Maar helaas! niemand, minder rijk dan een prins, kon zulk een huwelijksgift bij elkander krijgen—tienduizend juweelen!
Tōtarō tobde zóó lang, totdat hij ziek werd, en toen een dokter hem kwam bezoeken, schudde deze het hoofd en zeide: “Ik kan niets voor u doen, want geen geneesmiddel is in staat de ziekte der liefde te genezen.” En na die woorden te hebben gesproken, verliet hij hem.
Samébito ontving het bericht van de ziekte van zijn meester; zoodra hem nu dat treurige nieuws bereikte, verliet hij den vijver in den tuin en kwam de kamer van Tōtarō binnen.
Tōtarō sprak niet meer over zijn eigen ellende. Hij was vol belangstelling voor het heil van dat schepsel uit de zee.
“Wie zal u, Samébito, voedsel geven, als ik dood ben?” zoo sprak hij droevig.
Toen Samébito zag, dat zijn brave meester stervende was, slaakte hij een vreemden kreet en begon hij te weenen. Hij weende groote tranen bloed, maar zoodra deze den grond hadden aangeraakt, veranderden zij plotseling in glinsterende robijnen.
Toen Tōtarō die juweelen-tranen zag, schreeuwde hij het uit van vreugde, en van dat uur af keerde nieuw leven in hem terug. “Ik zal in het leven blijven! Ik zal in het leven blijven!” zoo riep hij opgewonden van vreugde, uit. “Mijn beste vriend, gij hebt mij ruimschoots het voedsel en de beschutting vergoed, die ik u heb gegeven. Uw wonderbaarlijke tranen hebben mij onbeschrijfelijk veel geluk gebracht.”
Daarop hield Samébito op met weenen, en hij vroeg zijn meester, hem wel de oorzaak van zijn spoedig herstel te willen mededeelen.
Daarop vertelde Tōtarō den Haaimensch zijn liefdesgeschiedenis en deelde hij hem mede, welke huwelijksgift de familie van Tamana eischte. “Ik dacht,” zoo voegde Tōtarō er aan toe, “dat ik nooit in staat zou zijn, tienduizend juweelen bijeen te krijgen, en het was die gedachte, die mij zoozeer den dood nabij heeft gebracht. Nu zijn uw tranen in juweelen veranderd, en daarmede zal het meisje mijn vrouw worden.”
Tōtarō ging gretig voort met het tellen der juweelen. “Niet genoeg! Niet genoeg!” riep hij met ontzaglijke teleurstelling uit. “Ach, Samébito, wees zoo goed en huil nog wat langer!”
Die woorden maakten Samébito boos. “Denkt ge, dat ik als een vrouw kan huilen, zoo dikwijls als ik wil? Mijn tranen komen uit mijn hart en zijn het uiterlijke teeken van diepe en ware droefenis. Ik kan niet meer huilen, want ge zijt genezen. De tijd is thans aangebroken om te lachen en vroolijk te zijn, niet om te huilen.”
“Als ik geen tienduizend juweelen heb, kan ik de schoone Tamana niet huwen,” sprak Tōtarō. “Wat moet ik beginnen? Ach, beste vriend, huil voor mij, huil!”
Samébito was een vriendelijk schepsel. Na een korte tusschenpooze zeide hij: “Ik kan van daag geen tranen meer storten; laat ons morgen naar de lange brug van Séta gaan, en een goeden voorraad wijn en visch mede nemen. Misschien dat ik, als ik op de brug zit en naar het Drakenpaleis staar, weer zal weenen, als ik aan mijn verloren woning denk, waarheen ik zoo gaarne zou willen terugkeeren.”
Den volgenden morgen gingen zij naar de brug van Séta, en nadat Samébito een groote hoeveelheid wijn had medegenomen, staarde hij in de richting van het Drakenrijk. Terwijl hij dit deed, vulden zijn oogen zich met tranen, roode tranen, die in robijnen veranderden, zoodra zij de brug aanraakten. Tōtarō raapte, zonder zich ernstig om de smart van zijn vriend te bekommeren, de juweelen op, en vond eindelijk, dat hij tienduizend schitterende robijnen bij elkander had.
Op datzelfde oogenblik hoorden zij den klank van liefelijke muziek, en uit het water verrees een op wolken gelijkend paleis, waarop al de kleuren der ondergaande zon schitterden. Samébito gaf een kreet van vreugde en sprong op de leuning van de brug, terwijl hij zeide: “Vaarwel mijn meester! De Drakenkoningen roepen mij”! Met die woorden sprong hij van de brug, en keerde weer naar zijn oude woning terug.
Tōtarō liet geen tijd voorbijgaan met het aanbieden van het mandje met tienduizend juweelen aan de ouders van Tamana, en na eenigen tijd trouwde hij met hun liefelijke dochter.
1 Ontleend aan de vertaling van Prof. B.H. Chamberlain in de Handelingen van het Aziatisch Genootschap van Japan, Deel VII.