Hoofdstuk V. Legenden over vossen.
Inari, de Vossengod.
De vos neemt een belangrijke plaats in onder de Japansche legenden, en het onderwerp is van ver reikenden en ingewikkelden aard.1 Inari was oorspronkelijk de God van de Rijst, maar in de elfde eeuw werd hij in verband gebracht met den Vossengod, en werden hem goede en kwade eigenschappen, meestal de laatste, toegekend, en wel zóó overvloedig en veelzijdig in haar toepassing, dat zij den westerschen lezer niet weinig moeilijkheid veroorzaken. Alle vossen bezitten bovennatuurlijke macht in bijna onbeperkte mate. Zij hebben het vermogen, oneindig ver te zien; zij kunnen alles hooren en de geheime gedachten verstaan van de menschheid in het algemeen, en bovendien bezitten zij het vermogen van gedaante te verwisselen. Het voornaamste kenmerk van den slechten vos is het vermogen menschelijke wezens te misleiden, en met dit doel neemt hij de gedaante aan van een schoone vrouw; groot is dan ook het aantal legenden, in dit verband verhaald.2 Indien de schaduw van een in een vrouw veranderde vos bij toeval op het water valt, dan komt alleen de vos, en niet de schoone vrouw, voor den dag. Men verhaalt, dat als een hond een dergelijke vrouw ziet, de vrouwelijke gedaante onmiddellijk verdwijnt, en alleen de vos overblijft.
Hoewel de legenden, die in Japan met den vos in betrekking staan, meestal met booze eigenschappen samenhangen, treedt Inari somtijds op als een weldoend wezen, een wezen, dat hoest en verkoudheid geneest, dat den behoeftige rijkdom schenkt en het gebed eener vrouw ten behoeve van haar kind verhoort. Een andere vriendelijke daad van Inari, die wij ook wel hadden kunnen toeschrijven aan Jizō, is, dat hij de kleine jongens en meisjes in staat stelt met moed de beproeving te dragen, om met een niet al te goed scheermes te worden geschoren, en eveneens de kleinen de bezwaren van een heet bad hielp trotseeren, waarvan in Japan de temperatuur nooit lager is dan ruim 43° Celsius!
Inari beloont niet zelden menschelijke wezens voor iedere vriendelijke daad jegens een vos. Slechts een deel van zijn belooning kan echter voor goede munt worden opgenomen. Het enkele goede, dat door Inari wordt verricht—en wij hebben getracht, hem recht te doen wedervaren—weegt geheel op tegen zijn ontelbare slechte daden, die dikwijls van een vreeselijk wreeden aard zijn, zooals later zal blijken. Het hier behandelde onderwerp: de vos in Japan is zeer juist door Lafcadio Hearn beschreven als “spoken-dierkunde”, en dit sluwe en boosaardige dier is veel meer geraffineerd spookachtig dan onze officieele en gebruikelijke geestverschijning met een lichtend gewaad en rammelende ketens.
Door den Duivel bezeten.
Het door den duivel bezeten zijn moet volgens de dikwijls verkondigde opvatting toegeschreven worden aan den slechten invloed van vossen. Die vorm van bezetenheid is bekend als kitsune-tsuki. Het slachtoffer is gewoonlijk een vrouw der mindere klasse, iemand, die zeer teergevoelig is en vatbaar is voor alle mogelijke bijgeloof. Het vraagstuk der bezetenheid is nog steeds een onopgelost vraagstuk, en de onderzoekingen van Dr. Baelz, die verbonden is aan de Keizerlijke Universiteit van Japan, schijnen te wijzen op het feit, dat het bezeten zijn van menschelijke wezens door dieren, een wezenlijke en verschrikkelijke waarheid is. Hij maakt de opmerking, dat een vos gewoonlijk een vrouw binnentreedt òf door de borst, òf onder de nagels der vingers, en dat de vos daar een zelfstandig, afzonderlijk leven leidt, en meestal spreekt met een stem, die geheel afwijkt van die van een mensch.
De Steen des doods.3
“De Steen des Doods staat in ’t moeras
Bij wintersneeuw en zomergloed;
Het mos, dat hem bedekt, wordt grijs,
Toch zwerft de demon daar nog rond.”
“Kil waait de wind, en boven het moeras
Klinkt in het woud der uilen heesch gekras.
En onder de chrysanthemums, beneden,
Daar loert de vos, weergalmt van jakhals het geklaag,
Als over het moeras het herfstlicht gaat omlaag.”
Naar B.H. Chamberlain.
De Buddha-priester Genno kwam na een langdurige, moeilijke reis naar het moeras van Nasu, en was juist van plan, te gaan rusten onder de schaduw van een grooten steen, toen een geest plotseling te voorschijn kwam, en sprak: “Rust niet onder dezen steen. Dit is de Steen des Doods. Mannen, vogels en dieren zijn omgekomen, alleen maar door hem aan te raken!”
Die geheimzinnige woorden ter waarschuwing wekten natuurlijk de nieuwsgierigheid van Genno op, en hij verzocht, dat de geest hem het genoegen zou doen, de geschiedenis van den Steen des Doods te verhalen.
De geest begon toen aldus: “Lang geleden was er een schoone maagd, die aan het Japansche Hof leefde. Zij was zóó bekoorlijk, dat zij het Juweeltje werd genoemd. Haar wijsheid evenaarde haar schoonheid, zij verstond toch de Buddhistische wetenschappen en de leer van Confucius, de wetenschap en de poëzie van China.”
“Zoo, door natuur en kunst met schoonheid rijk belaân,
Biedt haar de Keizer zelf zijn trouwe liefde aan.”
Naar B.H. Chamberlain.
“Op zekeren nacht,” zoo vervolgde de geest, “gaf de Mikado een groot feest in het Zomerpaleis, en daar verzamelde hij het vernuft, de wijsheid en de schoonheid van het geheele land. Het was een schitterend gezelschap, maar terwijl de gasten aten en dronken, onder het hooren van de tonen van liefelijke muziek, verspreidde zich duisternis over de groote zaal. Zwarte wolken ijlden door de lucht en er was geen enkele ster te bekennen. Terwijl de gasten verstijfd van vrees ter neder zaten, verhief zich een geheimzinnige wind. Hij gierde door het Zomerpaleis en waaide al de lantarens uit. De volkomen duisternis deed een paniek ontstaan, en gedurende de verwarring riep één der aanwezigen: ‘Een licht, een licht!’”
Er straalt van ’s meisjes schoon gezicht
Een tooverachtig, schitt’rend licht!
’t Groeit aan en vult de keizerlijke zalen;
Verlicht paneelen en de schermen met zijn stralen.—
Het vroeger somber duister van den nacht
Straalt als de volle maan in al haar pracht.
Naar B.H. Chamberlain.
“Van dat oogenblik af werd de Mikado sukkelend”, zoo vervolgde de geest. “Hij werd zóó ziek, dat de Hoftoovenaar ontboden werd, en die verdienstelijke man ontdekte spoedig, wat de oorzaak was van de ziekte van Zijne Majesteit. Met de kracht eener gevestigde overtuiging verklaarde hij, dat het Juweeltje een ontuchtige vrouw en een duivelin was, die met listige kunsten ’s Keizers hart gevangen nam, om den staat te gronde te richten.
“De woorden van den Toovenaar veranderden de liefde van den Mikado voor het Juweeltje in vurigen haat. Toen die toovenares met verachting bejegend werd, nam zij haar oorspronkelijke gedaante aan, en wel die van een vos, terwijl zij wegliep naar dezen steen in het moeras van Nasu.”
De priester aanschouwde den geest met critischen blik. “Wie zijt gij?” sprak hij eindelijk.
“Ik ben de kwade geest, die eertijds huisde in de borst van het Juweeltje! Ik woon nu voor eeuwig in den Steen des Doods”.
De Mikado en het “Juweeltje”
De goede Genno was vreeselijk verschrikt door die ontzettende bekentenis, maar daar hij zich zijn plicht als priester herinnerde, zeide hij: “Hoewel gij in goddeloosheid laag gezonken zijt, zult gij weer tot deugd opstijgen. Neem dit priestergewaad en dezen bedelnap, en laat mij u in den vorm van een vos zien.”
Daarop riep de booze geest op smartelijken toon:
“In het schitt’rend zonnelicht
Houd ik schuil mijn aangezicht,
Als Asama’s bleeke gloed:
Met den nacht zal ’k hier weer zijn,
Schuld bekennend, ’t hart vol pijn,
Reine wenschen in ’t gemoed.”
Naar B.H. Chamberlain.
Na dit gezegd te hebben, verdween de geest plotseling.
Genno liet zijn goede voornemens niet varen. Nog vuriger dan ooit te voren streefde hij naar de redding van die dwalende ziel. Opdat zij Nirvana mocht bereiken, offerde hij bloemen, brandde hij wierook, en zegde hij de heilige Geschriften op, vóór den steen staande.
Toen Genno die godsdienstige plichten had vervuld, zeide hij: “Geest van den Steen des Doods, ik bezweer u! wat is er geschied in een vroegere wereld, dat gij in deze wereld een zoo valsche gedaante hebt aangenomen?”
Plotseling spleet de Steen des Doods uiteen en verscheen de geest weder onder den uitroep:
“In steenen zijn geesten,
Een stem klinkt in ’t water;
De winden, zij loeien door ’t hemelgewelf!”
Naar B.H. Chamberlain.
Genno zag een bleeken lichtglans in zijn nabijheid, en in dat licht ontdekte hij een vos, die plotseling in een schoone maagd veranderde.
De geest van den Steen des Doods sprak nu aldus: “Ik ben het, die eertijds, in Ind, de booze geest was, wien Prins Hazoku eer bewees... In Groot Cathay nam ik den vorm aan van Hōji, de echtgenoote van Keizer Iuwao; en in het Hof der Rijzende Zon werd ik het vlekkelooze Juweeltje, de bijzit van Keizer Toba.”
De geest bekende Genno, dat zij in den vorm van het Juweeltje verderf had willen brengen aan de Keizerlijke dynastie. “Reeds”, zoo sprak de geest, “maakte ik mijn plannen, overlegde ik, hoe ik den Mikado kon doen sterven, en ik zou in mijn plannen zijn geslaagd, als niet de Hoftoovenaar met zijn bovennatuurlijke macht had ingegrepen. Zooals ik u verhaalde, werd ik van het Hof verdreven. Ik werd vervolgd door honden en pijlen, en zonk eindelijk uitgeput in den Steen des Doods. Van tijd tot tijd zwierf ik over het moeras. Nu heeft Buddha medelijden met mij gehad, en hij heeft zijne priesters gezonden, om den weg naar den waren godsdienst aan te wijzen en vrede te brengen”.
De legende besluit met de volgende vrome woorden, geuit door den nu berouwvollen geest:
“Hoor, man van God, den eed, den duren eed, dien ’k zweer,
Aan u, wiens zegening mij naar den hemel voert,
Den eed, dien ’k houden zal, wat ook mijn hart beroert,
Vast, als de Steen des Doods, hier in het drassig meer.
Ik zweer, dat ’k voortaan leef als kind der deugd alleen!
Zoo sprak de geest, nu maagd, toen ze in ’t moeras verdween.”
Naar B.H. Chamberlain
Hoe Tokutaro door Vossen werd misleid.
Tokutaro was absoluut ongeloovig op het gebied van de toovermacht van vossen. Zijn ongeloovigheid ergerde een aantal van zijn makkers, die hem uitdaagden, naar het moeras Maki te gaan. Als hem niets overkwam, zou Tokutaro vijf maten wijn en een waarde aan visch van duizend koperen cash4 krijgen. Indien daarentegen Tokutaro door de macht der vossen schade zou lijden, moest hij een even groot geschenk aan zijn makkers geven. Tokutaro nam spottend de weddingschap aan, en toen de nacht was aangebroken, vertrok hij naar het moeras Maki.
Tokutaro had besloten, zeer slim en voorzichtig te zijn. Toen hij zijn bestemming bereikt had, ontmoette hij een vos, die door een bamboeboschje liep. Onmiddellijk daarna ontdekte hij de dochter van den hoofdman van Boven-Horikané. Toen hij de vrouw vertelde, dat hij voornemens was naar dat dorp te gaan, zeide zij, dat zij hetzelfde voornemen had, en dat zij dus wel samen konden reizen.
Daardoor was de achterdocht van Tokutaro opgewekt. Hij liep achter de vrouw, terwijl hij te vergeefs naar een vossestaart zocht. Toen zij Boven-Horikané hadden bereikt, kwamen de ouders van het meisje naar buiten, die uiterst verbaasd waren, toen zij haar dochter zagen, die gehuwd was en in een ander dorp woonde.
Tokutaro zeide hun, met een hoogmoedig lachje van ingebeelde wijsheid, dat het meisje vóór hem in werkelijkheid niet hun dochter was, maar een vermomde vos. De ouders waren eerst verontwaardigd, en weigerden te gelooven, wat Tokutaro hen had verhaald. Ten slotte overreedde hij hen, het meisje in zijn handen te laten, terwijl zij in de voorraadkamer zouden wachten op het resultaat.
Tokutaro greep toen het meisje aan, en wierp haar ruw op den grond, terwijl hij haar voortdurend beschimpte. Hij trapte op haar en pijnigde haar op alle mogelijke wijzen, terwijl hij ieder oogenblik verwachtte, dat het meisje in een vos zou veranderen. Maar zij deed niets dan ween en, en riep erbarmelijk om haar ouders, teneinde haar te verlossen.
Toen die onverbeterlijke ongeloovige zag, dat zijn pogingen tot nu toe vruchteloos waren geweest, stapelde hij op den grond hout op, en doodde hij haar op den brandstapel. Op dat oogenblik kwamen haar ouders aanhollen en bonden hem aan een pilaar, terwijl zij hem woedend van moord beschuldigden.
Juist kwam een priester dien weg langs, en toen hij dat leven hoorde, drong hij op een verklaring aan. Toen de ouders van het meisje hem alles hadden verhaald, en nadat hij de verdediging van Tokutaro had aangehoord, verzocht hij het echtpaar, het leven van den man te sparen, opdat hij mettertijd een goed en vroom priester zou worden. Na eenig tegenstreven werd dit eigenaardige verzoek toegestaan, en Tokutaro knielde neer, om zijn hoofd te doen kaalscheren, uiterst gelukkig, dat hij zoo gemakkelijk uit zijn ellendigen toestand werd bevrijd.
Nauwelijks was het goddelooze hoofd van Tokutaro geschoren, of hij hoorde een schaterend gelach, en werd hij wakker, terwijl hij aan een uitgestrekt moeras gezeten was. Instinctmatig hief hij zijn hand op, en ontdekte, dat vossen hem hadden kaalgeschoren, en hij dus zijn weddenschap had verloren.
De dankbaarheid van een Vos.
Na de hier besproken ijzige legende, waarin de slechte eigenschappen van den vos worden beschreven, is het een opluchting een vos te mogen ontmoeten, die tot groote zelfopoffering in staat was.
Het geschiedde toch, dat op zekeren lentedag twee kleine jongens betrapt werden op het vangen van een jonggeboren vosje. De man, die getuige was van dit feit, had een vriendelijk gemoed, en toen hij hoorde, dat de jongens het jonge dier gaarne wilden verkoopen, gaf hij hun een halve bu5.
Toen de kinderen hoogst verheugd met het geld vertrokken waren, ontdekte de man, dat het kleine diertje aan den voet gewond was. Hij legde er onmiddellijk een zeker kruid op, waardoor de pijn spoedig bedaarde. Toen hij op korten afstand een troep oude vossen zag, die hem in het oog hielden liet hij edelmoedig het diertje loopen, dat in snelle vaart naar zijn ouders sprong en hen voortdurend likte.
Die goedhartige man nu had een zoon, die aan een vreemde ziekte leed. Eindelijk schreef een beroemd geneesheer de lever van een levenden vos voor als middel, dat nog tot genezing zou kunnen leiden. Toen de ouders van den knaap dit hoorden, waren zij zeer bedroefd, en wilden zij alleen de lever van een vos aannemen, geleverd door iemand, die er zijn beroep van maakte op vossen te jagen. Eindelijk droegen zij een buurman op, hun de lever te verschaffen, terwijl zij beloofden, daarvoor ruim te betalen.
Den volgenden avond werd de lever van een vos gebracht door een vreemdeling, die geheel onbekend was bij de brave bewoners van het huis. De bezoeker verklaarde, dat hij een bode was, gezonden door den buurman, wien zij de boodschap hadden opgedragen. Toen echter de buurman zelf kwam, bekende hij, dat hij, hoewel hij alle moeite had gedaan om een vosselever te krijgen, daarin niet was geslaagd, en daarom gekomen was, om zijn verontschuldigingen te maken. Hij was stom verbaasd, toen hij het verhaal hoorde, dat hem door de ouders van den lijdenden knaap werd gedaan.
Den volgenden dag werd de vosselever tot geneesmiddel toebereid door den genoemden geneesheer, waarop de jeugdige knaap onmiddellijk zijn vroegere gezondheid terugkreeg.
Des avonds verscheen een schoone jonge vrouw voor het bed der gelukkige ouders. Zij vertelde, dat zij de moeder was van het vosje, dat door den man was vrijgelaten, en dat zij uit dankbaarheid voor zijn goedheid het vosje had gedood, terwijl haar echtgenoot, onder de vermomming van den geheimzinnige bode, de verlangde lever had gebracht6.
Inari verhoort het gebed van een Vrouw.
Zooals wij reeds vroeger hebben gezien, is Inari dikwijls bijzonder goedgunstig. Er is een legende, dat een vrouw, die reeds een aantal jaren gehuwd was en niet met een kind gezegend was, aan het altaar van Inari haar gebeden opzond. Bij het eindigen van haar gebed schudden de steenen vossen hun staarten, en begon er sneeuw te vallen. Zij beschouwde die verschijnselen als gunstige voorteekenen.
Toen de vrouw haar huis bereikte, sprak haar yeta (bedelaar) aan, en vroeg haar iets te eten. De vrouw gaf met groote goedhartigheid dien ongelukkigen reiziger wat meel van roode boonen, het eenige voedsel dat zij in huis had, en bood hem dat in een schotel aan.
Den volgenden dag zag de echtgenoot dien schotel voor het altaar liggen, waar zijn vrouw had gebeden. De bedelaar was niemand anders dan Inari zelf, en de edelmoedigheid der vrouw werd ter rechter tijd beloond door de geboorte van een kind.
De Gierigheid van Raiko.
Raiko was een vermogend man, die in een zeker dorp woonde. In weerwil van zijn ontzaglijke rijkdommen, die hij in zijn obi (gordel) bij zich droeg, was hij ontzettend gierig. Naarmate hij ouder werd, nam zijn gierigheid toe, totdat hij er ten slotte over dacht, zijn trouwe bedienden te ontslaan, die hem steeds zoo goed hadden gediend.
Op zekeren dag werd Raiko zeer ziek, zelfs zóó, dat hij bijna wegteerde ten gevolge van een vreeselijke koorts. Den tienden nacht van zijn ziekte verscheen een arm gekleede bozu (priester) aan zijn sponde, die hem vroeg, hoe hij het maakte, en er aan toevoegde, dat hij reeds lang gedacht had, dat de oni hem zou wegvoeren.
Door dit laatste gezegde, dat bovendien niet al te kiesch was uitgedrukt, werd Raiko woedend, en hij eischte verontwaardigd, dat de priester zou vertrekken. Maar de bozu zeide hem in plaats van te vertrekken, dat er maar één geneesmiddel was tegen zijn ziekte. Het geneesmiddel was, dat Raiko zijn obi zou losmaken en zijn geld onder de armen zou verdeelen. Raiko werd nog driftiger over wat hij als een groote onbeschoftheid van den priester beschouwde. Hij trok een dolk van onder zijn kleed te voorschijn en trachtte den goedigen bozu te dooden. De priester vertelde Raiko zonder de minste vrees, dat hij gehoord had van zijn gemeen voornemen, zijn brave dienaren te ontslaan, en dat hij des nachts was gekomen, om den ouden man zijn hartebloed af te tappen. “Nu is”, zoo sprak de priester, “mijn doel bereikt!” en na het uitspreken van die woorden blies hij het licht uit.
De door en door verschrikte Raiko voelde nu, hoe een spookachtig schepsel hem naderde. De oude man stak met zijn dolk in het wilde, en veroorzaakte zulk een opschudding, dat zijn trouwe bedienden met lantarens de kamer binnenstormden; toen zagen zij den vreeselijken klauw van een monster naast de vloermat van den ouden man liggen.
Toen de dienaren van Raiko met groote nauwgezetheid de kleine bloedvlekken volgden, kwamen zij aan een kleinen berg aan het uiteinde van den tuin, en in dien berg was een wijde opening, waaruit het boveneinde van een ontzaglijke spin stak. Dit wezen vroeg de dienaren, pogingen aan te wenden, om hun meester te overreden, de goden niet aan te vallen en zich in de toekomst van inhaligheid te onthouden.
Toen Raiko die woorden uit den mond zijner dienaren hoorde, berouwde hem zijn vroeger leven en gaf hij groote geldsommen aan de armen. Inari had de gedaante van een spin en van een priester aangenomen, om den vroeger zoo gierigen man een goede les te geven.
1 De vreemde, bovennatuurlijke eigenschappen van den vos zijn niet uitsluitend van Japanschen oorsprong. Tallooze voorbeelden van de tooverkracht van den vos vindt men in Chineesche legenden. Zie Vreemde Sprookjes uit een Chineesch Studeervertrek, door H.A. Giles.
2 Zie het Land van de Gele Lente, en andere Japansche Sprookjes van den schrijver van dit werk.
3 “De Steen des Doods” is ongetwijfeld één der meest merkwaardige vossenlegenden. Zij leert ons een kwaadaardigen vos kennen, die den vorm eener verleidelijke vrouw aanneemt bij meer dan één verschijning. Zij komt dan en verdwijnt als een verlokkend, maar verderf brengend wezen, een soort van Japansche opvatting van Fata Morgana. De legende is ontleend aan een No, of lyrisch drama, vertaald door Professor B.H. Chamberlain.
4 De cash, een munt, die nu niet meer in gebruik is, kwam ongeveer met een stuiver overeen.
5 Ongeveer 40 cents.
6 De lever, zoowel van dieren als van menschen, komt in de Japansche legenden dikwijls voor als geneesmiddel voor verschillende ziekten.
Hoofdstuk VI. Jizō, de god van Kinderen.
De beteekenis van Jizō.
Jizō, de God van kleine kinderen en de God, die de bewogen zee tot rust brengt, is ongetwijfeld de meest beminnelijke der Buddhistische goden, hoewel Kwannon, de Godin der Barmhartigheid, in eigenschappen veel met hem overeenkomt. De meest populaire Goden, zoowel in het Oosten als in het Westen, zijn die, welke de meest menschelijke eigenschappen bezitten. Hoewel Jizō van Buddhistischen oorsprong is, is hij toch in zijn wezen Japansch, en wij kunnen hem het best beschrijven als de schepping van tallooze Japansche vrouwen, die er naar verlangd hebben, in de Oneindigheid, in het omsluierde leven na den dood, een wezen te plaatsen, dat een goddelijke Vader en Moeder zou zijn voor de zielen hunner kleinen. En dit is het wat Jizō inderdaad is, een God uitsluitend van het vrouwelijke hart, en niet een wezen, dat heen en weer geslingerd wordt in de haarkloverijen van in het debat vergrijsde theologen. Een bestudeering van den aard en de karakteristieke eigenschappen van Jizō zal ons het beste doen kennen, wat in de Japansche vrouwen wordt gevonden; immers hij openbaart ons haar liefde, haar zin voor het schoone en haar oneindig medelijden. Jizō heeft al de wijsheid van Buddha zelf, met dit verschil dat Jizō Nirvana heeft op zijde geschoven, en niet op den Gouden Lotus zit, maar door een heerlijk schoone zelfopoffering de goddelijke speelmakker en beschermer van Japansche kinderen is geworden. Hij is de God van glimlachjes en lange mouwen, de vijand van booze geesten, en het éénige wezen, dat de wonde eener moeder kan genezen, die haar kind door den dood heeft verloren. Er is een spreekwoord, dat alle rivieren haar weg naar zee vinden. Voor de Japansche vrouw, die haar kleine grafwaarts heeft gedragen, kronkelen alle rivieren haar zilveren loop naar de plaats, waar de eeuwig wachtende en eeuwig vriendelijke Jizō is. Dit is de reden, dat moeders, die haar kinderen door den dood hebben verloren, gebeden schrijven op kleine strooken papier, en die volgen, terwijl zij de rivieren afdrijven op weg naar den grooten geestelijken Vader en de Moeder, die met een liefhebbende glimlach al hun smeekingen zullen beantwoorden.
Aan het altaar van Jizō.
“Tegenover Jizō’s altaar
Bloeien nu de kerseboomen,
Aan de wiegelende takken
Rijke bloesems zijn gekomen.
“Tegen ’t mos de rose scheemring,
Takjes door den wind bewogen,
Toonen ’t beeld in al zijn kalmte,
Als de zon verlicht de oogen.
“’k Pluk een tak in de ochtendscheemring,
En een stroom van rose blaâdren
In welriekend frissche luchten
Zich op ’t wieglend gras vergaadren”.
“En in warme middaguren
Doe ik traag mijn vingers spelen,
Tusschen geurig zoete bloesems,
Die zich onder ’t spel verdeelen.”
“Daalt de zon ter westerkimme,
Dan laat ik de hand weer zinken,
Jizō, bloesems, zijn verdwenen,
Aan de lucht geen sterren blinken”.
Naar Clara A. Walsh.
Jizō en Lafcadio Hearn.
Lafcadio Hearn schrijft in één van zijn brieven1: “Er is een vreemd gebruik in Izumo, dat u misschien wel belang inboezemt. Als er een bruiloft gevierd wordt in de woning van een impopulair man op het platte land, dragen de jonge mannen van het dorp een beeld van Jizō, dat op den weg staat, naar de Zashiki, en kondigen de komst van den God aan. (Dit geschiedt voornamelijk met een hebzuchtigen boer, of een gierig gezin). Door den God wordt voedsel en wijn geëischt. De leden van het gezin moeten binnenkomen, de godheid begroeten en al de saké en al het voedsel geven, dat geëischt wordt, zoolang er nog wat in huis overblijft. Het is gevaarlijk, dit te weigeren; de jonge boeren zouden waarschijnlijk het huis plunderen. Daarna wordt het standbeeld weer op zijn plaats gezet. Het bezoek van Jizō wordt zeer geducht. Het wordt nooit gebracht aan personen, die bemind zijn”.
Bij zekere gelegenheid wenschte Lafcadio Hearn, die een warme bewondering had voor dien God, den kop en de armen van een gebroken beeld van Jizō te herstellen. Zijn vrouw opperde bezwaren tegen hem, en wij halen zijn eigenaardig antwoord aan, omdat het ons niet weinig herinnert aan de laatste legende, die in dit hoofdstuk wordt vermeld: ”Gomen, gomen! (Vergeef mij!) Ik meende alleen eenige vreugde te schenken, naar ik hoopte. De Jizō, over wien ik u schreef, is niet die, welken gij op de kerkhoven vindt; maar het is Jizō, die de zeeën wil bewaken en tot rust brengen. Het is geen droevige soort, maar gij voelt niet voor mijn denkbeeld, daarom heb ik mijn voornemen opgegeven. Het was alleen een dwaas denkbeeld van papa. Maar toch weende de arme Jizōsama bitter, toen hij uw antwoord aan mij hoorde. Ik zeide hem: ‘Ik kan het niet helpen, daar moeder San uw waren aard in twijfel trok, en meent, dat gij de bewaker zijt van een kerkhof. Ik weet, dat gij de redder zijt van zeeën en zeelieden. De Jizō weent zelfs nu nog.’”
“De Droge Bedding van de Rivier der Zielen”.
Onder de aarde is de Sai-no-Kawara, of “de Droge Bedding van de Rivier der Zielen”. Dit is de plaats, waar alle kinderen na hun dood heengaan, en, behalve de kinderen, zij die ongehuwd zijn gebleven. Hier spelen de kleinen met den kleinen Jizō, en hier bouwen zij kleine torens van steenen, want in de bedding dier rivier zijn zeer veel steenen. De moeders van die kinderen, in de wereld boven hen, stapelen eveneens steenen op rondom de beelden van Jizō, immers die kleine torens stellen gebeden voor; zij zijn toovermiddelen tegen de oni, of slechte geesten. Somtijds behalen de oni in de Droge Bedding van de Rivier der Zielen voor een oogenblik een tijdelijke overwinning, en werpen de kleine torens omver, die de geesten der kinderen onder zooveel gelach hebben opgebouwd. Als een dergelijk ongeluk geschiedt, houdt het gelach op, en vliegen de kleinen naar Jizō om bescherming te vinden. Hij verstopt hen in zijn lange mouwen, en jaagt met zijn heiligen staf de oni met roode oogen weg.
Jizō
De plaats, waar de zielen der kinderen vertoeven, is een schaduwrijke en grijs getinte wereld van donkere heuvelen en valleien, waartusschen de Sai-no-Kawari zich een weg kronkelt. Al de kinderen zijn gekleed in korte, witte kleeren, en als somtijds de booze geesten hen verschrikken, dan is Jizō er steeds, die hun tranen droogt, en is er altijd iemand, die hen weer naar hun spookachtige spelen terugzendt.
Het volgende loflied op Jizō, bekend als “De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawari”, geeft ons een prachtige en levendige voorstelling van Jizō en van dat spookachtige land, waar kinderen spelen:
De Legende van het Gonzen der Sai-no-Kawara.
“Niet van deez’ aarde is ’t verhaal van de smarte,
’t Verhaal van de Sai-no-Kawara
Aan den voet van de sombere heuvels;—
Niet van deez’ aarde is ’t verhaal; toch is het zoo droevig te hooren.
Want in de Sai-no-Kawara verzameld
Zijn kind’ren, nog jeugdig van jaren, zoo velen,—
Kind’ren slechts twee of drie jaar,
Kind’ren van vier of vijf, kinderen nog jonger dan tien.
In de Sai-no-Kawara zijn zij vereenigd.
En de stem van verlangen om beide hun ouders,
De stem, die weent om hun moeders en vaders—
Is niet zooals die van ’t geween van de kind’ren op aarde,
Maar een weenen zóó droevig te hooren,
Dat, als het gehoord werd, ’t zou dringen door vleesch en door beend’re
En treurig is dan ook de taak, door hen te verrichten,—
De steenen van ’t bed der rivier te verzaam’len.
Om daarmeê de torens van hunne gebeden te bouwen.
De eerste dier torens, dat zijn de gebeden voor ’t heil van hun vaders;
De tweede dier torens, dat zijn de gebeden voor ’t heil van hun moeders;
De derde dier torens, dat zijn de gebeden voor broeders en zusters en allen te huis, die zij minden.
Dit is overdag droeve ontspanning.
Maar telkens als de zon ter kimme zal gaan neigen,
Dan komen tot hen de demonen van de hel, de Oni,
En zeggen hun: “Wat is die arbeid hier door u verricht?
Helaas! uw ouders, die nog leven in de Shaba-wereld,
Zij doen niet anders dan uw lot beklagen van ’s morgens vroeg tot laat des avonds,
Ach, hoe treurig en hoe onbarmhartig!
Waarlijk, de oorzaak der smarten, door u geleden,
Is niets dan het klagen, ’t gezucht uwer ouders.”
En tevens zeggen zij ach, “laak ons niet!”
De geesten werpen neer de opgehoopte torens,
En met hun ijzeren staven verspreiden zij de steenen.
Maar zie! daar komt de leeraar Jizō,
Zoo vriend’lijk nadert hij de kind’ren in hun droefheid:
Mijn lieven, vreest toch niet! wees nimmer angstig!
Gij arme, jonge zielen, wier aardsch bestaan zoo kort was!
Te snel moest gij den tocht doen, den droeven, naar de Meido,
Den langen tocht, die voert naar het gebied der dooden!
Vertrouwt mij! ’k Ben uw Vader en Moeder in de Meido,
De vader aller kinderen, in het gebied der dooden!”
En om hen slaat hij teeder den schoot van ’t schittrend kleed:
Zoo vriendlijk voelt hij mede met ’t droevig lot der jeugd.
En hen, die nog niet loopen, biedt hij den steun van zijn shakujo2,
Hij streelt, omhelst de kleinen, hij drukt hen aan zijn boezem,
Zoover gaat ’t medelijden en mint hij de arme kleinen.
Namu Amida Butsu!3
Naar Lafcadio Hearn.
Die verblijfplaats van de zielen van kinderen is zeker geen ideaal land. Het is Jizō, en niet zijn land, die zijn oorsprong heeft in de harten der Japansche vrouwen. De strenge Buddhistische leer van oorzaak en gevolg, van geboorte en wedergeboorte, is zelfs op kleine kinderen van toepassing. Maar indien het Groote Wiel van het Bestaan met onfeilbare kracht rondwentelt, en alleen gaat stilstaan, als het verlangen naar niet-bestaan eindelijk in Nirvana vervuld is, dan staat Jizō liefhebbend aan de voeten van het Noodlot, en maakt het pad gemakkelijker, waarop de voeten van kleine kinderen zich zoo zacht bewegen.
Het Hol van de Geesten der Kinderen.
Er was in Japan een hol, bekend onder den naam van Kyu-Kukedo-San, of Oud Hol, en diep daarin kan men een beeld van Jizō vinden, met zijn mystieken juweel en zijn heiligen staf. Vóór Jizō staat een kleine torii4 en een paar gohei5, beide symbolen van het Shintō-geloof; maar, zooals Lafcadio Hearn opmerkt, “die vriendelijke godheid heeft geen vijanden; aan den voet van den vriend van de geesten der kinderen vereenigen zich beide geloofsopvattingen in teedere eerbewijzen”. Hier ontmoeten elkander de geesten van kleine kinderen, die zachtkens samen fluisteren, terwijl zij zich telkens buigen, om hun torens van steenen te bouwen. Des nachts kruipen zij over de zee uit hun Droog Bed van de Rivier der Zielen, en bedekken het zand in het hol met hun spookachtige voetstappen, terwijl zij voortdurend die gebeden van steen opbouwen, onder het vriendelijk lachen van Jizō over hun liefderijk werk. Zij vertrekken vóór de opkomst van de zon, immers men zegt, dat de dooden er te beangst voor zijn, te staren op de Godin der Zon, en voornamelijk zijn die kinderen bevreesd voor haar heldere gouden oogen.
De Fontein van Jizō.
Een ander schoon hol in zee bevat de Fontein van Jizō. Het is een fontein van vloeiende melk, waar de zielen der kinderen haar dorst lesschen. Moeders, die lijden aan gebrek aan melk, komen aan die fontein en bidden tot Jizō, en moeders, die meer melk hebben dan hun kinderen noodig hebben, bidden denzelfden God, dat hij wat van haar melk wegneme en het geve aan de zielen van kinderen in zijn uitgestrekt, schaduwrijk koninkrijk. En men zegt, dat Jizō hun gebeden verhoort.
Hoe Jizō zich een goede daad herinnerde.
Een vrouw, Soga Sadayoshi genaamd, voedde voor haar levensonderhoud zijdewormen, en verzamelde hun zijde. Op zekeren dag, toen zij den tempel van Ken-cho-ji bezocht, meende zij, dat een beeld van Jizō er koud uitzag, en ging zij naar huis, vervaardigde een muts, keerde daarmede terug, en plaatste die op het hoofd van Jizō, terwijl zij zeide: “Was ik maar rijk genoeg, om u een kostbare bedekking te geven voor uw geheele verheven lichaam; maar helaas! ik ben arm, en zelfs deze muts, die ik u aanbied, is niet waardig, door uw goddelijken geest te worden aangenomen.”
Op haar vijftigste jaar stierf de vrouw, en daar haar lichaam gedurende drie dagen warm bleef, wilden haar bloedverwanten geen verlof geven, haar te begraven. Op den avond van den derden dag echter keerde zij, tot groote verbazing en vreugde van hen, die in haar nabijheid waren, weer in het leven terug.
Korten tijd nadat de vrouw weer haar gewone werkzaamheden had hervat, verhaalde zij, hoe haar ziel verschenen was voor den grooten en verschrikkelijken Emma-Ō, den Heer en Rechter der dooden, en hoe dat gevreesde wezen op haar vertoornd geweest was, omdat zij in strijd met de leerstellingen van Buddha tallooze zijdewormen had gedood. Emma-Ō was zóó vertoornd geweest, dat hij bevolen had, haar in een pot te werpen, die met gesmolten metaal was gevuld. Terwijl zij in ontzettenden zielsangst het uitschreeuwde, kwam Jizō naast haar staan, en toen hield het metaal onmiddellijk op, haar te branden. Nadat Jizō vriendelijk met de vrouw had gesproken, voerde hij haar naar Emma-Ō, en verzocht hem, dat aan haar, die eens één van zijn beelden had warm gehouden, vergiffenis zou worden geschonken. En Emma-Ō vervulde den wensch van den steeds liefhebbenden en medelijdenden God, en de vrouw kon weder terugkeeren naar de zonnige wereld van Japan.
1 De Japansche Brieven van Lafcadio Hearn, uitgegeven door Elizabeth Bisland.
2 Heilige staf.
3 “Heil Almachtige Buddha!”
4 Een poort.
5 Een Tooverroede, waaraan strooken wit papier afhangen, die in kleine, hoekige bossen (gohei) gesneden zijn, die de offers moeten voorstellen van kleedingsstof, die oudtijds op feestdagen gebonden werden aan takken van den heiligen cleyeraboom.—B.H. Chamberlain.
Hoofdstuk VII. De Legende in de Japansche Kunst.
De Beteekenis der Japansche Kunst.
Sir Alfred East beschreef in zijn voordrachten over Japansche kunst die kunst als “groot in kleine zaken, maar klein in groote zaken”, en dit is, in het algemeen gesproken, zeer juist. De Japansche kunstenaar munt uit in het schilderen van bloemen, insecten en vogels. Hij slaagt er voortreffelijk in, de kronkeling van een golf te schilderen, of een tak met kersebloesems in het licht der volle maan, de vlucht van een reiger, een groep pijnboomen, of een karper, die in een rivier zwemt; maar die uitnemende gave van nauwkeurige en haarfijne detailleering schijnt hem te hebben verhinderd, datgene te teekenen, wat wij een groot genrestuk noemen, een historische tafereel met een groot aantal figuren. Dat ernstige verlangen, om verschillende fragmenten naar de Natuur te schilderen, was geen kleingeestig of academisch begrip. De kunst was niet uitsluitend bestemd voor den kakemono, of hangende rol, om in een nis van een Japansch huis te worden opgehangen, ten einde een korten tijd te worden bewonderd, om dan weer door een ander te worden vervangen. De kunst in Japan was universeel, zooals dit in geen ander land ter wereld het geval is geweest; een goedkoope handdoek had een behagelijk patroon, en zelfs speelkaarten waren, in afwijking van de onze, kunstwerken.
Men heeft dikwijls beweerd, dat de vrouw in de Japansche kunst houterig is. Dit is inderdaad niet het geval, indien wij door houterig verstaan: geheel zonder uitdrukking; maar het is noodzakelijk, dat wij eerst iets weten omtrent de Japansche vrouw in het leven zelf, voordat wij ons een denkbeeld kunnen vormen van de wijze, waarop zij in de kunst wordt voorgesteld. Er is een schat van traditie achter dat schijnbaar onbewegelijke gelaat. Het is een merkwaardig feit, dat elk gelaat, zoolang wij nog niet gewend zijn aan de verschillende Japansche typen, zóózeer op de andere gelijkt, dat er geen sprake is, ze van elkander te kunnen onderscheiden, en wij zouden er toe kunnen komen, te meenen, dat de natuur in Japan er mede tevreden is geweest, dezelfde gelaatstrekken telkens te herhalen, doch zouden dan vergeten, dat ook wij aan de Japanners op het eerste gezicht geen verschil in type vertoonen. Het Japansche gelaat is in de kunst niet zonder uitdrukking, maar het is een uitdrukking, die tamelijk afwijkt van die, waarmede wij vertrouwd zijn, en dit is in het bijzonder het geval bij het schilderen van Japansche vrouwen. De meesten van ons hebben een aantal gekleurde prenten gezien, aan dit onderwerp gewijd, en die niet de minste schaduw op het gelaat vertoonen. Wij zouden geneigd zijn te beweren, dat dit weglaten van schaduw een bijzonder vlakke uitdrukking aan het gelaat geeft, en daarom de opmerking te maken, dat het ons voorgelegde werk van weinig kunst getuigt. Maar het is inderdaad geen gebrek aan kunst, want het Japansche gelaat is vlak, en de kunstenaars uit dat land vergeten nooit dit karakteristieke weer te geven. Gekleurde prenten, die Japansche vrouwen voorstellen, drukken geen gemoedsbeweging uit—een glimlach, een gebaar van smachtend verlangen ontbreekt; maar het zou verkeerd zijn, uit het feit, dat wij zooveel negatieve eigenschappen vinden, te besluiten, dat een gekleurde prent van dien aard geen gevoel uitdrukt, en dat de algemeene indruk popperig en weinig belangrijk is. Wij moeten er om denken, hoe lang de periode geduurd heeft, dat de Japansche vrouw is onderdrukt geworden. Een slechts oppervlakkige studie van die belangrijke verhandeling van Kaibaira, die bekend staat onder den naam van Onna Daigaku, of “Meerdere Kennis voor Vrouwen”, zal ons leeren inzien, dat het de plicht van iedere Japansche vrouw is, lieftallig, vriendelijk en deugdzaam te zijn; zonder morren te gehoorzamen aan hen, die gezag over haar hebben, en bovenal haar gevoelens te onderdrukken. Als wij dit alles in aanmerking nemen, zullen wij geleidelijk tot de ontdekking komen, dat er kracht en geen zwakheid is in een portret van een Japansche vrouw; een rustige en waardige schoonheid, waarin elke opwelling in bedwang wordt gehouden, als het ware gehuld in een wolk van strenge overlevering. Toch heeft de Japansche vrouw, hoewel voortdurend omringd door de strengste tucht, ons een type van vrouwelijkheid gegeven, dat voortreffelijk is in haar ware innemendheid van karakter, en de Japansche kunstenaar heeft de toovermacht van hare bekoring weten te vatten. In de buiging harer lijnen geeft hij ons een beeld van de sierlijkheid van een door den wind bewogen wilg, in de patronen op haar kleed de belofte van de lente, en achter den kleinen, rooden mond een rijkdom van onbegrensde mogelijkheden.
Japan had haar kunst te danken aan het Buddhisme, en deze werd ontwikkeld en onderhouden onder Chineeschen invloed. Het Buddhisme gaf Nippon haar schilderkunst, haar wandversieringen en haar uitnemend beeldhouwwerk. De Shintō-tempels waren streng en eenvoudig, die der Buddhisten gevuld met alles, wat de kunst hun kon geven; en ten slotte, en dit was niet de minst belangrijke factor, door het Buddhisme werd in Japan de tuinbouwkunst ingevoerd, met al haar uitgewerkt en schoon symbolisme.
Een Japansch kunstcriticus heeft eens geschreven: “Indien te midden van een penseelstreek een houw van een zwaard het penseel had doorgehakt, zou deze gebloed hebben”. Hieruit mogen wij afleiden, dat de Japansche kunstenaar zijn geheele hart en zijn geheele ziel in zijn werk legde; het was een deel van hem zelf, iets wat zijn leven beheerschte, iets wat innig aan godsdienst verwant was. Het is dan ook niet te verwonderen, dat hij, met die groote kracht achter zijn penseel, in staat was die buitengewone levendigheid en beweeglijkheid aan zijn werk te geven, die zoo treffend is weergegeven in portretten van tooneelspelers.
Hoewel wij tot nu toe den Japanschen kunstenaar alleen hebben doorzien als een meester in kleine zaken, toch heeft hij met groote trouw en met uitnemend gevolg de Goden en Godinnen van zijn land voorgesteld, en een aantal van de mythen en legenden, die met dezen samenhangen. Terwijl hij uitmuntte in het weergeven van het schoone, niet minder muntte hij uit in de beschrijving van het afgrijselijke, immers geen kunstenaar ter wereld, met uitzondering van die uit China, is er in geslaagd, het bovennatuurlijke met beteren uitslag weer te geven. Wat een verschil is er tusschen een uitnemende afbeelding van Jizō of Buddha of Kwannon en de afbeelding van een Japanschen boozen geest! Buitengewone schoonheid en leelijkheid kan men in de Japansche kunst te vinden, en zij, die genot vinden in de talrijke afbeeldingen van den berg Fuji en de kleuren der afbeeldingen van de vrouwen van Utamaru, zal zich vol afschuw afwenden van de spookachtige voorstellingen van bovennatuurlijke wezens.
De Goden van Geluk.
Een aantal van de legendarische verhalen, die in dit boek worden medegedeeld, zijn in beeld gebracht door Japansche kunstenaars, en in dit hoofdstuk stellen wij ons voor, de legenden in de Japansche kunst te behandelen, die tot nu toe nog niet zijn vermeld. Een geliefkoosd onderwerp van den Japanschen kunstenaar is ongetwijfeld dat van de Zeven Goden van het Geluk, welk onderwerp bijna altijd wordt behandeld met dartele goede luim. Men vond daar Fukurokuju, met een bijzonder groot hoofd, en vergezeld van een kraanvogel, een hert of een schildpad; Daikoku, die op rijstbalen stond en door een rat werd vergezeld; Ebisu, die een visch droeg; Hotei, den vroolijken God van het Lachen, de personificatie van de uitdrukking: “Lach en je zult dik worden”. Dan was er Bishamon, die schitterde in zijn wapenrusting, en die een speer en een afgodstempeltje droeg; Benten, de Godin van Schoonheid, Rijkdom, Vruchtbaarheid en Nakomelingschap; terwijl Jurōjin zeer veel overeenkomst had met Fukurokuju. Die Zeven Goden van het Geluk, of nauwkeuriger uitgedrukt, Zes Goden en één Godin, schijnen hun oorsprong ontleend te hebben aan het Shintōisme, Taoïsme, Buddhisme en het Brahmanisme, en zijn blijkbaar afkomstig uit de zeventiende eeuw.
Het Schip met Wonderschatten.
De Japansche kunstenaar houdt er van, om in verband met dit onderwerp de Goden van het Geluk te schilderen als vroolijke en gezellige passagiers aan boord van de Takarabuna, of het schip met wonderschatten, waarvan wordt verhaald, dat het ieder jaar op oudejaarsavond de haven binnenzeilt met geen mindere lading dan den Hoed der Onzichtbaarheid, de Voorspoedbrengende Regenjas, den Heiligen Sleutel, de Onuitputtelijke beurs, en andere merkwaardige wonderschatten. Tegen dien tijd van het jaar worden afbeeldingen van het Schip met Wonderschatten onder de houten peluwen der kinderen geplaatst, en men zegt, dat dit gebruik de kinderen gelukkige droomen brengt.
“Slaap, lieveling, totdat de bel der duisternis
De sterren brengt, beladen met een droom.
Want met dien droom zult gij ontwaken,
Tusschen lachen en gezang”.
Yone Noguchi.
Het Wonderdadige in de Japansche Kunst.
Onder andere legenden is ook bekend die van Hidari Jingorō, den beroemden beeldhouwer, wiens meesterstuk, toen het voltooid was, levend werd, welke legende ons sterk herinnert aan de geschiedenis van Pygmalion. Er zijn andere legenden verbonden aan het tot leven wekken van Japansche kunstwerken. Het gebeurde eens, dat een aantal boeren veel last ondervonden van de verwoesting in hunne tuinen, welke verwoesting het gevolg was van een wild dier. Toevallig ontdekten zij, dat de indringer een groot zwart paard was, en toen zij er jacht op maakten, verdween het plotseling in een tempel. Toen zij het gebouw binnentraden, zagen zij, dat de schilderij van Kanasoka, die een zwarten hengst voorstelde, door de groote inspanning van even te voren, dampte! De groote kunstenaar teekende er onmiddellijk een touw op, dat het paard aan een paal vastbond, en van dat oogenblik af bleven de tuinen der boeren ongedeerd.
Het verhaal loopt, dat de groote kunstenaar Sesshiu, toen hij nog een kleine jongen was, voor straf stevig werd vastgebonden in een Buddhistischen tempel. Hij gebruikte toen zijn overvloedige tranen als inkt, en zijn teen als penseel, en schetste op die wijze enkele ratten op den vloer. Onmiddellijk werden die ratten levend en knaagden het touw door, dat hun jeugdigen ontwerper had vastgebonden.
Hokusai.
Er is iets meer dan enkel legende in die verhalen, als wij geloof mogen hechten aan de woorden van den beroemden kunstenaar Hokusai, wiens “Honderd Gezichten op Fuji” beschouwd worden als de schoonste landschapschilderingen der Japansche kunstenaars. Hij schreef in de inleiding van zijn werk: “Als ik negentig jaar oud ben, zal ik het mysterie der dingen doorgronden; als ik honderd jaar ben, zal ik een wonderbaarlijke hoogte hebben bereikt; en als ik honderd tien jaar oud ben, zal alles, wat ik schilder, tot zelfs stipjes en lijnen, levend zijn”. Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat Hokusai den leeftijd van honderd tien jaar niet heeft bereikt. In de laatste uren van zijn leven schreef hij de volgende regels, die later op zijn graftombe geschreven zijn:
“Mijn ziel, veranderd in een Dwaallicht,
Kan rustig komen en verdwijnen over zomervelden”.
Met dat krachtige dichterlijke gevoel, dat voor de Japanners zoo kenschetsend is, beteekende de Eeuwigheid voor Hokusai een onbeperkten tijd, waarin hij zijn geliefkoosd werk kon voortzetten—en hij al de bewonderingswaardige streken van zijn penseel kon volmaken en daaraan leven kon schenken. Evenals in het oude Egypte, zoo kan ook in het Oude Japan, het leven hier namaals niet anders beteekenen dan waar geluk, met periodiek herhaalde bezoeken op aarde, en in die opvatting ligt een fijne en bijna pathetische paradox, die het als het ware voorstelt, alsof de Eeuwigheid voortdurend beladen wordt met versche, aardsche herinneringen. In beide landen zien wij, hoe de geest terug verlangt naar zijn oude menschelijke verblijfplaatsen. In Egypte keerde de ziel terug door middel van het lichaam, waarin zij vroeger gehuisd had, en in Japan schonk het doodenfeest, elders door ons beschreven, de gelegenheid, opgewekt van geest de wereld in Emma-Ō te verlaten en gedurende drie dagen in het midden van Juli Japan te bezoeken, een land, dat schooner en de zielen blijkbaar dierbaarder is dan eenige voorstelling, die zich een Japanner van een leven na den dood kan maken. Maar het blijkt, dat Hokusai het doet voorkomen, alsof zijn bezoeken niet altijd in den zomer zullen plaats hebben, maar dat hij veeleer herhaaldelijk in alle jaargetijden zal komen en verdwijnen.
Een Japansch dichter heeft geschreven:
”’t Is vreeslijk, als men, sluipend, zacht
Een geest ziet zwerven onverwacht,
In ’t holle van den nacht,
Den killen duistren nacht;
Een groenig-grijzen geest,
Een schim, eens mensch geweest,
Nu zonder kracht
Dwalende eenzaam in
Duisteren nacht.
Naar Clara A. Walsh.
Geesten en Spoken.
Het is nauwelijks minder schrikwekkend, geesten, spoken en andere bovennatuurlijke wezens op een Japansche schilderij te ontmoeten. Wij vinden geesten met lange halzen, die vreeselijk glurende gezichten te dragen hebben. Hun hals is zóó lang, dat het schijnt, alsof het spookachtige hoofd over alles heen en in alles kan zien met een duivelsch en ontzettend genot. De ghoul, die in de Japansche kunst wordt voorgesteld als een kind van drie jaar, heeft rossig bruin haar, en zeer lange ooren, en wordt dikwijls geschilderd als bezig met het eten van de nieren van lijken. Het afgrijselijke wordt in dit gedeelte der Japansche kunst tot bijna in het ondragelijke op den voorgrond gebracht, en de voorstelling, die een nog levend Japansch kunstenaar ons geeft van een optocht van geesten, is zóó akelig en weerzinwekkend, dat wij dien optocht zeker niet gaarne zouden tegenkomen op het midden van den dag, en dus nog veel minder in het holle van den duisteren nacht.1
Een Tuin met Doodshoofden.
De voorstelling, die de Japansche kunstenaar van een tuin geeft, met zijn pijnboomen en steenen lantarens, en meren, waarvan de oevers met azalea’s zijn beplant, is meestal bijzonder schoon. Hiroshige heeft, zooals zooveel Japansche kunstenaars, een tuin geschilderd, waarop sneeuw is gevallen; maar in één van zijn schilderijen schildert hij de sneeuw, terwijl zij in een aantal doodshoofden verandert; hij heeft die fantastische voorstelling ontleend aan de Heike Monogatari.
Men moet zich niet voorstellen, dat de Japansche kunstenaar, als hij het ééne of andere bovennatuurlijke wezen schildert of een tafereel uit de ééne of andere mythe weergeeft, uitsluitend het afzichtelijke en afgrijselijke aanpakt. Het afzichtelijke en afgrijselijke wordt zeker met groote levendigheid en dramatische kracht geschilderd, maar een aantal Japansche kunstenaars schilderen ook de Goden en Godinnen van het Oude Japan met veel aanminnigheid en bekoorlijkheid.
De Droom van Rosei2.
De Japansche versierselen verduidelijken dikwijls een oude legende. Wij zien somtijds op een tsuba (gevest van een degen) een pijnboom met menschen, die in de takken zitten. Één man draagt een banier, terwijl twee andere op muziekinstrumenten spelen. Er is een aardige legende aan die vreemde teekening verbonden, en hoewel die van Chineeschen oorsprong is, verdient zij een plaats te vinden in dit werk, omdat zij één van die fantastische Chineesche legenden is, die in de Japansche litteratuur en kunst is ingeweven, in het kort één van de geliefkoosde onderwerpen is geworden van Chineesche kunstenaars, en van hen, die de No, of het lyrische drama van Nippon, bijwonen.
Rosei bereikte in oude tijden de oude herberg van Kantan, zóó vermoeid van zijn reis, dat hij onmiddellijk toen zijn hoofd zijn hoofdkussens aanraakte, in slaap viel. Het was geen gewoon hoofdkussen, maar kon zeer goed beschreven worden als het Tooverkussen der Droomen, immers zoodra Rosei in slaap was gevallen, naderde hem een afgezant, die zeide: “Ik ben door den Keizer van Ibara afgezonden, om u mede te deelen, dat Zijne Majesteit wenscht afstand te doen van den troon en u in zijn plaats te stellen. Wees zoo goed in den palankijn plaats te nemen, die u wacht, en de dragers zullen u spoedig naar de hoofdstad dragen.”
Rosei, ten hoogste verbaasd door wat hij had gezien en gehoord, nam plaats in den palankijn, die bezaaid was met edelgesteenten van schitterenden glans, en werd naar een prachtig land gevoerd, dat het best in het volgende gedicht is beschreven:
Want nog nooit in die oude Keizerlijke zalen,
Zich badend in den glans, dien ’t maanlicht uit deed stralen,
Of waar de draak zich heft op wolken in den Hooge,
Was er zoo groote wellust voor de oogen!
Met zilver en met goud was overdekt de grond.
Vier poorten in de hoeken van de zalen
Vertoonden, als men d’ oogen rond liet dwalen,
Juweelen schoon als men nooit ergens vond,
En drommen in kleedij, die fonkelde van licht,
Vertoonden overal een schitterend gezicht.
Zóó schoon was ’t al te zien,
Dat ’t sterflijk oog misschien
Zich waande vóór de poort van ’t schittrend hemelrijk.
Hier gaf het gansche volk van liefde en mildheid blijk,
Door ’t bieden van de schoonste en edelste geschenken,
Zoo kostbaar als men zich ’t gemunte goud kan denken.
En ginds de minderen, die deelden in het wonder,
Vazallen, naderend, vermetel, vol van moed,
Van wie een ieder fier zijn vaandel wapp’ren doet,
Dat ’t gansche luchtruim vult met heldren kleurengloed,
Terwijl de lucht weerklinkt, als rolde luid de donder.
Naar B.H. Chamberlain.
Rosei bevond zich in een tooverland, waar de Natuur òf haar natuurlijke wetten vergat, òf door de bevolking van dat land tot nieuwe wonderen gebracht werd. In het oosten was een zilveren hemel, waarover de gouden zon scheen, en in het westen was er een gouden heuvel, waarover de maan haar zilveren licht uitgoot.
De tijd wordt niet door herfst of lente aangeduid,
En zon zoowel als maan vergeet te spoeden langs haar weg,
Als zij het druk gewoel der rijke poorten zien.
Naar B.H. Chamberlain.
Het geheele gronddenkbeeld van dit bekoorlijke verhaal schijnt uit te drukken, dat dit land niet alleen een land was van eeuwige jeugd, maar ook een land, waar de Natuur de jaargetijden samenvoegde, waar altijd kleur en bloesem gevonden werd, en waar geen bloem verwelkte.
Toen Rosei vijftig jaar in dit heerlijke land had geleefd en geregeerd, kwam op zekeren dag een minister bij hem, en verzocht hem te drinken van het Levenselixir, opdat hij, evenals zijn onderdanen, eeuwig zou leven.
De vorst dronk het Elixir, “te midden van de schitterendste pracht en het grootste vreugdebetoon, ooit over een sterveling uitgegoten”. Rosei meende, dat hij den Dood had beroofd van hetgeen hem toekwam, en bracht een leven van poëtische, ja zelfs zinnestreelende verrukking door. Hij gaf weelderige feesten aan zijne hovelingen, feesten, die zonder onderbreking de zon en de maan zagen, waar bekoorlijke meisjes dansten, en waar eindeloos muziek en gezang werd gehoord.
Het bleek echter, dat die vroolijke feesten, dat kleurig praalvertoon, toch niet eeuwigdurend waren, want eindelijk werd Rosei wakker en ontdekte hij, dat hij op “Kantans” peluw rustte. De zedenmeester komt op dit oogenblik ten tooneele met het volgende gedicht:
“Maar wie dit goed bedenkt,
Ziet dat het leven steeds aan elk hetzelfde schenkt;
Komt eenmaal toch de dood—een eeuw van zaligheid
Zinkt als een schoone droom terug in d’ eeuwigheid.
Naar B.H. Chamberlain.
Rosei kwam na die fantastische ondervinding tot het besluit, dat “het leven een droom” is, dat ook de eerzucht een droom is; en na die Buddhistische leerstelling te hebben in zich opgenomen, keerde hij naar zijn eigen huis terug.
Een Kakemono Geestverschijning.3
Sawara was een leerling in de woning van den kunstenaar Tenko, die een vriendelijk en bekwaam onderwijzer was, terwijl Sawara, zelfs reeds toen hij zijn kunstenaarsloopbaan aanving, veel voor de toekomst beloofde. Kimi, de nicht van Tenko, wijdde haar geheelen tijd aan haar oom en aan het bestuur van diens huishouding. Kimi was een schoone maagd, en het duurde niet lang, of zij werd smoorlijk verliefd op Sawara. De jonge leerling vond haar buitengewoon bekoorlijk, zelfs zóó, dat hij, als het noodig was, voor haar wilde sterven, en in zijn hart was hij heimelijk op haar verliefd. Hij deed in tegenstelling met Kimi, van zijn liefde echter weinig naar buiten blijken, daar hij zijn volle aandacht moest wijden aan zijn werk; wel was dit ook bij Kimi het geval, maar terwijl bij Sawara zijn werk boven zijn liefde ging, was voor Kimi alleen de liefde van beteekenis.
Terwijl Tenko op zekeren dag een bezoek bracht, kwam Kimi naar Sawara toe, en daar zij niet langer haar liefde kon bedwingen, deelde zij hem mede, hoezeer zij hem liefhad, en vroeg, of hij haar wilde huwen. Nadat zij dit verzoek had gedaan, zette zij thee voor haar minnaar neer, en wachtte zijn antwoord af.
Sawara deelde haar liefde, en zeide, dat het hem innig zou verheugen, met haar te huwen, maar hij voegde er aan toe, dat het huwelijk niet binnen de eerste twee of drie jaar kon plaats hebben, daar hij zich eerst een zelfstandigen werkkring moest hebben verworven en een beroemd kunstenaar moest geworden zijn.
Sawara, die zijn kunstkennis wilde vermeerderen, besloot te gaan studeeren onder een beroemd schilder, Myokei genaamd, en nadat hij alles had geregeld, nam hij afscheid van zijn meester en van Kimi, terwijl hij beloofde, dat hij dadelijk zou terugkeeren, als hij zich een naam had verworven en een groot kunstenaar was geworden.
Twee jaren gingen voorbij zonder dat Tenko of Kimi eenig nieuws van Sawara vernamen. Een aantal aanbidders van Kimi kwamen telkens bij haar oom met huwelijksaanzoeken, en Tenko overlegde bij zich zelf, wat hij onder die omstandigheden zou doen, toen hij een brief ontving van Myokei, waarin deze mededeelde, dat Sawara uitnemend werk leverde, en dat hij wenschte, dat zijn voortreffelijke leerling met zijn dochter zou huwen.
Tenko meende, misschien wel niet ten onrechte, dat Sawara Kimi geheel had vergeten, en dat hij niets beter kon doen dan haar ten huwelijk te geven aan Yorozuya, een vermogend koopman, en zoo ook den wensch te vervullen van Myokei, dat Sawara zou huwen met de dochter van den grooten schilder. Met dat doel voor oogen besloot Tenko een list te gebruiken, en riep hij Kimi bij zich en sprak:
“Kimi, ik heb een brief ontvangen van Myokei, en ik vrees, dat het treurige nieuws, dat die brief bevat, u zeer veel verdriet zal doen. Myokei wenscht, dat Sawara met zijn dochter huwt, en ik heb hem geantwoord, dat ik mijn volle toestemming geef voor die verbintenis. Ik ben er zeker van, dat Sawara u heeft veronachtzaamd, en daarom ben ik er op gesteld, dat gij met Yorozuya huwt, die, naar mijn innige overtuiging, een voortreffelijk echtgenoot voor u zal zijn.”
Toen Kimi die woorden hoorden, weende zij bitter, en ging zonder een woord te spreken naar haar kamer.
Des morgens kwam Tenko in het vertrek van Kimi, maar zijn nicht was verdwenen, en zelfs na een langdurig onderzoek, dat volgde, was hij niet in staat te ontdekken, waar zij gebleven was.
Toen Myokei het antwoord op zijn brief had ontvangen, deelde hij den veelbelovenden kunstenaar mede, dat hij wenschte, dat hij zijn dochter zou huwen, opdat er aldus een schildersfamilie zou worden gesticht; maar Sawara was verbaasd, toen hij dit buitengewone nieuws vernam, en vertelde dat hij de eer, van zijn schoonzoon te worden, niet kon aannemen, omdat hij reeds verloofd was met de nicht van Tenko.
Sawara zond nu, helaas te laat, brieven naar Kimi, en toen hij geen antwoord kreeg, vertrok hij naar zijn oude woonplaats, kort na den dood van Myokei.
Toen hij de kleine woning bereikte, waar hij zijn eerste lessen in de schilderkunst had ontvangen, vernam hij tot zijn groote ergernis, dat Kimi haar ouden oom had verlaten, en na eenigen tijd trouwde hij met Kiku (“Chrysanthemum”), de dochter van een vermogend landbouwer.
Korten tijd na zijn huwelijk werd hem door den Heer van Aki opgedragen, de zeven tooneelen der eilanden Kabakarijima te schilderen, die op gouden schermen moesten worden aangebracht. Hij vertrok dadelijk naar die eilanden en maakte een aantal ruwe schetsen. Terwijl hij daarmede bezig was, ontmoette hij aan het strand een vrouw met een rood kleed om de lendenen, en met loshangend haar, dat over haar schouders viel. Zij droeg kreeften in haar mand, en zoodra zij Sawara zag, herkenden zij hem.
Eene Kakemono Geestverschijning
“Gij zijt Sawara en ik ben Kimi”, zoo sprak zij, “met wien gij verloofd zijt”. “Het gerucht omtrent uw huwelijk met de dochter van Myokei was valsch, en mijn hart is innig verheugd, want niets staat ons huwelijk nu meer in den weg”.
“Helaas! arme, vreeselijk verongelijkte Kimi, dat kan niet geschieden”, antwoordde Sawara. “Ik dacht, dat gij Tenko hadt verlaten en mij vergeten waart, en daar ik overtuigd was, dat dit werkelijk waar was, heb ik Kiku, de dochter van een landbouwer, gehuwd”.
Kimi sprong als een opgejaagd hert, zonder een woord te zeggen, langs het strand en trad haar kleine hut binnen, terwijl Sawara achter haar aan holde en haar voortdurend bij haar naam riep. Hij zag voor zijn oogen, hoe Kimi een mes opnam, en dat in haar hals stak; een volgend oogenblik lag zij dood op den grond. Sawara weende, toen hij haar in den dood aanschouwde, en lette op de vredige schoonheid van den Dood op haar wangen, terwijl hij voor het eerst een stralenkrans zag in haar door den wind uitgespreide haren. Zij was nu zóó schoon en zóó liefelijk, dat hij, zoodra hij zijn tranen had bedwongen, een schets maakte van de vrouw, die hem zóózeer had liefgehad, maar door het lot zóó diep was getroffen. Boven het peil van den vloed begroef hij haar, en toen hij zijn eigen huis had bereikt, haalde hij de ruwe schets te voorschijn, schilderde een beeld van Kimi, en hing die als Kakemono aan den muur.
Kimi vindt vrede.
Dienzelfden nacht werd hij wakker en ontdekte, dat het beeld op de Kakemono tot leven was gewekt, en dat Kimi met de wond in haar hals en met hangende haren vóór hem stond. Elken nacht keerde zij terug, een stil en betreurenswaardig beeld, totdat ten slotte Sawara, die niet langer in staat was, die beproeving te dragen, de Kakemono ten geschenke gaf aan den Tempel van Korinji, en zijn vrouw naar haar ouders terugzond. De priesters van den tempel van Korinji baden dagelijks voor de ziel van Kimi, en langzamerhand vond Kimi vrede en rust, en kwelde zij ook Sawara niet meer.
1 Zie Oude Sproken en Folk-lore van Japan, door R. Gordon Smith.
2 Ontleend aan het No drama, vertaald door B.H. Chamberlain.
3 Zie Oude Sproken en Folk-lore van Japan door R. Gordon Smith. Een Kakemono is een prent, tusschen twee houten staven bevestigd, die kan worden opgerold of aan den muur gehangen.