Hoofdstuk VIII: De Gelieven, die elkander alleen bij helderen hemel bezoeken, en het kleed van veeren.
De Sterrenhemel.
Een van de meest romantische der oude Japansche feesten is het feest van Tanabata, het Wevende Meisje. Het wordt gevierd op den zevenden dag der zevende maand, en het was gebruikelijk, dat bij die gelegenheid versch gesneden bamboe’s werden geplaatst op de daken der huizen, of dat zij in den grond werden gestoken, vlak bij de huizen. Gekleurde strooken papier werden aan die bamboe’s bevestigd, en op iedere papierstrook was een gedicht geschreven ter eere van Tanabata en haar echtgenoot Hikoboshi, zooals bij voorbeeld het volgende: “Daar Tanabata sluimert tot aan het aanbreken van den dageraad, terwijl haar lange mouwen opgerold zijn, wekt haar, o ooievaars, niet door uw geklepper”. Men zal zich van dit feest een betere voorstelling maken, als wij de legende hebben beschreven, die daarmede samenhangt.
De God van het Uitspansel had een bekoorlijke dochter, Tanabata genaamd, die het grootste gedeelte van haar tijd doorbracht met het weven van gewaden voor haar doorluchtigen vader. Op zekeren dag, toen zij aan haar weefstoel zat, zag zij toevallig een schoonen jongeling, die een os voortleidde, en onmiddellijk werd zij op hem verliefd. De vader van Tanabata, die haar meest heimelijke gedachten kon raden, stemde onmiddellijk in hun huwelijk toe. Ongelukkig echter hadden zij elkander wel zeer innig, maar onverstandig lief, met dit gevolg, dat Tanabata haar weven veronachtzaamde, terwijl de os van Hikoboshi vrij kon ronddolen over de Hooge Vlakte des Hemels. De God van het Uitspansel werd uiterst vertoornd, en beval, dat die al te vurige gelieven in het vervolg door de Hemelsche rivier zouden gescheiden zijn. In den zevenden nacht der zevende maand vormde, als het weer gunstig was, een groote menigte vogels een brug over de rivier, en op die wijze waren de gelieven in staat elkander te bezoeken. Het was zelfs niet eens zeker, dat dit kort bezoek mogelijk was, immers als het regende, was de Hemelsche rivier te breed, dan dat zij zelfs door een groote brug van eksters kon worden overspannen, en de gelieven waren dan gedwongen, weer een lang treurig jaar te wachten, voordat er weer eenige kans was, elkander te ontmoeten.
Het is dus niet te verwonderen, dat op het Feest van het Wevende Meisje kleine kinderen zongen ”Tenki ni nari” (“O, weer, wees helder!”) In ons land spot liefde met gesloten deuren, maar de Hemelsche Rivier laat, als zij gezwollen is, niet met zich spotten. Als het helder weer is en de Gelieven elkander dus bezoeken, na een jaar van droevig wachten, schitteren de sterren, waarschijnlijk van de Lier en de Arend, in vijf verschillende kleuren—blauw, groen, rood, geel en wit—en dit is de reden, dat gedichten worden geschreven op papierstrooken in die kleuren.
Het Kleed van Veeren.1
“O goddelijk geluid, dat klinkt in onze ooren,
De feeën zingen. Door het luchtruim doet zich hooren
Welluidend klokkenspel. Der englen luiten,
Cimbaal en tamboerijn en liefelijke fluiten
Weerklinken door de lucht, gekleurd door purperrood,
Alsof Someiro’s westerglooiïng noodt
Van de ondergaande zon den glans en gloed te voelen,
Als golven hemelsblauw ’t begroeide strand bespoelen.
Van Yukishima’s wal jaagt de opgezweepte storm
De bloemen door het zwerk: maar nog verkwikt de vorm
Dier boomen sneeuwbelaân, die schittren in het licht,
Door ’t prachtig kleurenspel des menschen aangezicht.”
Ha-Goromo. (Naar B.H. Chamberlain.)
Het was lente, en langs het met pijnboomen bedekte strand van Mio werd het geluid van vogels gehoord. De blauwe zee danste en fonkelde in den zonneschijn, en Hairukoo, een visscher, zat daar neer om van het schitterende tooneel te genieten. Terwijl hij dit deed, zag hij bij toeval een prachtig kleed van zuiver witte veeren aan een pijnboom hangen.
Toen Hairukoo op het punt stond het kleed van den boom af te nemen, zag hij, dat een buitengewoon bekoorlijk meisje uit de zee naar hem toekwam, en hem vroeg, of hij haar het kleed wilde teruggeven.
Hairukoo keek met bijzondere bewondering naar het meisje en zeide: “Ik vond het kleed en ben van plan het te houden, want het is een wonder, waardig om geplaatst te worden onder de schatten van Japan. Neen, ik kan het u bij mogelijkheid niet teruggeven.”
“Ach”, riep het meisje diep ongelukkig. “Ik kan niet door de lucht vliegen zonder mijn kleed van veeren; als gij er dus bij blijft, dat gij het wilt houden, kan ik nooit meer naar mijn hemelsch verblijf terugkeeren. Ach, brave visscher, ik smeek u, geef mij mijn kleed terug!”
De visscher, die wel een zeer hardvochtig man moet geweest zijn, wilde zich niet laten vermurwen. “Hoe meer gij smeekt”, zeide hij, “des te meer ben ik besloten, te houden wat ik heb gevonden”.
Daarop antwoordde het meisje:
“O, beste visscher, spreek niet uit dat woord;
Hebt gij dan nooit van ’t vogeltje gehoord,
Welks wieken zijn geknakt; kan ’k niet met veeren prijken,
Dan tracht ik te vergeefs den Hemel te bereiken”,
Na eenige verdere besprekingen over dit onderwerp werd het hart van den visscher eenigszins verteederd. “Ik zal u uw kleed van veeren teruggeven,” zoo sprak hij, “als gij oogenblikkelijk voor mij wilt dansen.”
Daarop antwoordde het meisje: “Ik zal hier voor u den dans dansen, die het Paleis van de Maan doet ronddraaien, zoodat zelfs een arme sterveling zijn geheimen leert kennen. Maar ik kan niet dansen zonder mijn veeren”.
“Neen”, zeide de visscher wantrouwend. “Als ik u dat kleed geef, zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst”.
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking. “Stervelingen mogen al hun beloften breken”, zoo sprak zij, “maar bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend”.
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van veeren terug.
“Neen”, zeide de visscher wantrouwend. “Als ik u dat kleed geef, zult gij wegvliegen, zonder voor mij te hebben gedanst”.
Het meisje werd ontzettend boos over die opmerking.
“Stervelingen mogen al hun beloften breken”, zoo sprak zij, “maar bij de Hemelsche Wezens zijn bedrog en onoprechtheid niet bekend”.
Na het hooren van die woorden schaamde zich de visscher vreeselijk, en zonder een woord te antwoorden, gaf hij het meisje het kleed van veeren terug.
Het Gezang van het Maanmeisje.
Toen het meisje haar helder wit kleed had aangetrokken, tokkelde zij de snaren van een luit en begon te dansen, en terwijl zij danste en speelde, zong zij van vele vreemde en schoone dingen in verband met haar verwijderde woning in de Maan. Zij zong van het reusachtige Paleis van de Maan, waarin dertig vorsten heerschten, vijftien in witte gewaden, als de maanschijf vol was, en vijftien in het zwart, als de Maan afnam. Terwijl zij zong en speelde en danste, zegende zij Japan en drukte den wensch uit, “dat het voortdurend meer moge bloeien en groeien”.
De visscher mocht zich niet lang verheugen in die vriendelijke vertooning van de bekwaamheid van het Maanmeisje, immers zeer spoedig klopten haar lieflijke voetjes niet langer het zand. Zij steeg op in de lucht, terwijl de witte veeren van haar kleed flikkerden tegen de pijnboomen of tegen de blauwe lucht zelf. Zij steeg al hooger en hooger, nog steeds spelend en zingend, tot boven de toppen der bergen, al hooger en hooger, totdat haar gezang niet meer werd gehoord, en zij het schitterende paleis van de Maan bereikte.
1 Het onderwerp van dit verhaal heeft veel overeenkomst met een Noorsche legende. Zie William Morris, Het Land ten Oosten van de Zon en ten Westen van de Maan.
Hoofdstuk IX. Legenden van den berg Fuji.
De Berg van den Lotus en den Waaier.
De Berg Fuji, of Fuji-yama (“De Nooit Stervende Berg”), schijnt wel typisch Japansch te zijn. Zijn groote met een sneeuw kap gedekte kegel gelijkt op een grooten omgekeerden waaier, terwijl de fijne strepen langs zijn helling gelijken op het geraamte van een waaier. Een inboorling uit dit land heeft den berg zeer juist aldus beschreven: “De Fuji beheerscht het leven door zijn rustige schoonheid. Smart wordt gestild, verlangen tot rust gebracht, vrede schijnt te stroomen van die onveranderlijke verblijfplaats van den vrede, den bergtop van den witten lotus”. De vergelijking met een witten lotus is even juist als die met den uitgespreiden waaier, want zij heeft betrekking op de heilige bloem van Buddha, en haar acht spitsen zijn voor den geloovigen Buddhist het symbool van de Acht Gaven: Gewaarwording, Bedoeling, Spraak, Gedrag, Leven, Inspanning, Oplettendheid, Overdenking. De algemeene indruk van den Fuji doet dus eendeels aan godsdienst denken, en anderdeels aan een grooten waaier, groot en schoon genoeg, om met sterren en snel voortvliegende wolken te coquetteeren. Dichters en kunstenaars hebben beide in gelijke mate hun schatting aan lof betaald aan dien onvergelijkelijken berg, en wij geven den volgenden keurigen zang over dit blijkbaar onuitputtelijke onderwerp:
“Fuji Yama,
Geraakt door een goddlijken adem,
Keeren wij weer tot de gedaante van God.
Uw zwijgen is zingen.
Uw zingen ’t gezang van den Hemel:
Ons land van koorts en van zorg
Wordt tot een woning van heerlijke rust.
De woning, ver van het land,
Waar menschen komen ter wereld
Wij allen, Japansche dochters en zonen,
Die zingen uw pracht en uw majesteit,
Den trots van de Godheid,
Wij sluiten onze schaduw in uw boezem,
De zachtste plaats der eeuwigheid,
O, wonder met wit gelaat,
Onovertroffen gezicht,
O, verhevenheid en schoonheid!
De duizend stroomen dragen uw heilig beeld
Op hun gelaat;
Alle bergen heffen hun hoofden tot u op
Gelijk het stroomend getijde,
Als wachtten zij op uw beslissend bevel....
Zie! hoe de zeeën, omgevend Japan,
Haar zang van hongrigen tand, wolfachtig begeeren, verliezen,
Gekust door de wiegelied zingende rust,
Bij ’t zien van uw schaduw,
Als ware het in een droom van een lied.
Wij, u omgevend, vergeten te sterven:
Wel is lieflijk de Dood.
Maar zachter dan Dood is het leven.
Wij zijn wel sterf’lijk, maar zijn toch ook goden,
Onschuldige makkers van u,
O eeuwige Fuji”.
Yone Noguchi.
De Fuji is honderden jaren een bedevaartsoord geweest, en Lafcadio Hearn heeft zijn top genoemd “het Hoogste Altaar der Zon”. Nog steeds houden een aantal pelgrims vast aan het oude Shintō gebruik om dien heiligen berg te beklimmen, gekleed in witte gewaden en zeer breede strooien hoeden, terwijl zij herhaaldelijk een bel luiden en zingen: “Mogen onze zes zintuigen rein zijn, en het weer op den eerwaardigen berg goed zijn”.
De Fuji was eertijds een bijzonder werkzame vulkaan. De laatste uitbarsting had plaats in de jaren 1707—1708, en bedekte Tōkyō, dat op honderd kilometers verwijderd was, met een aschlaag van vijftien centimeters. De naam Fuji zelf is waarschijnlijk afgeleid van Huchi of Fuchi, de Godin van het Vuur bij de Ainu’s; “immers”, zoo schrijft Chamberlain, “tot in bijna historische tijden vormde de streek rondom den Fuji een deel van het land der Ainu’s, en het geheele oostelijke deel van Japan is bezaaid met namen die aan de Ainu’s ontleend zijn”.
De Godheden van den Fuji.
Sengen, de Godin van den Fuji, is eveneens bekend onder den naam van Ko-no-hana-saku-ya-hime1 (“Schitterend-bloeiend-als-de-bloemen-der-boomen”), en haar tempel is op den top gelegen. Men verhaalt, dat de Godin in oude tijden verwijlde in een lichtende wolk boven den krater, waar zij werd bediend door onzichtbare bedienden, die gereed stonden om alle bedevaartgangers naar beneden te werpen, die niet rein van harte waren. Een andere godheid van dien berg is O-ana-mochi (“Bezitter van de Groote Opening, of Krater”). Bovendien hebben wij nog de Lichtende Maagd, die zekeren keizer in zijn verderf lokte. Op de plaats, waar hij verdween werd een kleine tempel opgericht, waar hij nog steeds wordt aangebeden. Men verhaalt, dat bij zekere gelegenheid een stortvloed van kostbare juweelen van dien berg afrolde, en dat het zand, dat over dag wordt opgejaagd door de voeten van tallooze pelgrims, in de diepte neervalt en des nachts weder zijn vorige plaats herneemt.
De Fuji, de verblijfplaats van het Levenselixir.
Het is niet te verwonderen, dat een aantal legenden ten opzichte van dien eerwaardigen en aangebeden berg zijn ontstaan. Zooals zoovele bergen in Japan en ook in andere Oostersche landen, stond hij in verband met het Levenselixir. De woorden van den Japanschen dichter, “Wij, die in uw nabijheid zijn, vergeten te sterven”, schijnen, hoewel niet lang geleden geschreven, de oude gedachte weer te geven. Wij hebben reeds gezien in de legende van “De Bamboesnijder en het Maanmeisje”, dat de Edele Vrouwe Kaguya had bevolen, den Fuji te bestijgen en daar het Levenselixir te verbranden, te gelijk met een rol papier.
De faam van den Fuji, zoo luidt een oude legende, bereikte de ooren van een Keizer van China. Toen men hem had medegedeeld, dat die berg was ontstaan in één enkelen nacht, vermoedde hij, dat de Fuji het Levenselixir moest leveren. Daarvoor verzamelde hij een aantal schoone jongelingen en meisjes om zich heen, en zette koers naar het Land van de Rijzende Zon. De jonken vlogen voor den razenden wind als een overvloed van gouden bloemblaadjes; maar na eenigen tijd ging de storm liggen, en de Keizer en zijn volgelingen zagen den witten glans van den Fuji vóór zich oprijzen. Toen de jonken op het strand gezet waren, vormde de Keizer zijn volgelingen tot een stoet, en ging hij hun voor naar den top van den berg, langzaam voortgaande. Uren achtereen klom de stoet naar boven, terwijl de Keizer in zijn gouden gewaad steeds vooraan liep, totdat het geluid van de zee niet langer werd gehoord, en de duizend voeten zacht op de sneeuw trapten, waar vrede en het eeuwige leven heerschten. Toen hij het einde van den tocht naderde, ijlde de oude Keizer vroolijk vooruit, daar hij de eerste wilde zijn, die van het Levenselixir dronk. En hij was dan ook de eerste, die proefde van dat Leven, dat nooit oud wordt; doch toen zijn volgelingen hem bereikten, zagen zij, dat hij op zijn rug lag met een glimlach op het gelaat. Hij had inderdaad het Eeuwige Leven gevonden, maar het was langs den weg van den Dood.
Bezoek van Sentaro aan het Land der Eeuwige Jeugd.
Het verlangen om den Fuji het geheim van het Eeuwige leven te ontworstelen, schijnt nooit met een goeden uitslag te zijn bekroond. Een Chinees, Jofuku genaamd, bereikte den heiligen berg met dit doel voor oogen. Hij slaagde evenmin, en keerde nooit naar zijn eigen land terug; maar hij wordt beschouwd als een heilige, en zij, die hetzelfde doel najagen, bidden ernstig aan zijn altaar.
Sentaro bad eens bij zekere gelegenheid aan dat altaar, en ontving daar een kleinen papieren kraanvogel, die, zoodra hij hem in handen had gekregen, ontzaglijke afmetingen aannam. Op den rug van dien grooten kraanvogel vloog Sentaro naar het Land der Eeuwige Jeugd, waar de menschen, tot zijn verbazing, verschillende vergiften innamen, en er naar verlangden te sterven! Sentaro werd dat land spoedig moede, keerde naar zijn eigen land terug en besloot tevreden te zijn met de gewone spanne tijds, die den mensch is toegekend—wat hij wel mocht zijn, als men nagaat, dat hij reeds drie honderd jaar had doorgebracht in het land, waar niemand stierf en ook niemand werd geboren.
De Godin van den Fuji.
De moeder van Yosoji werd, evenals een groot aantal menschen in het dorp waar zij woonde, door de pokken aangetast. Yosoji raadpleegde den toovenaar Kamo Yamakiko hierover, want zijn moeder werd zóó ziek, dat hij ieder oogenblik meende, dat zij hem door den dood zou worden ontrukt. Kamo Yamakiko beval Yosoji naar een kleinen stroom te gaan, die afstroomde vari de zuidwestelijke helling van den Fuji. “Dicht bij den oorsprong van die rivier”, sprak de toovenaar, “is een altaar, gewijd aan den God van Langen Adem. Ga daar water halen, en geef het uw moeder, want dat alleen zal haar genezen”.
Sengen, de Godin van den Fuji Berg
Yosoji spoedde zich vol nieuwen moed op reis, doch toen hij op een plaats gekomen was, waar drie wegen elkander kruisten, was hij in moeilijkheid, welk pad hij zou kiezen. Juist terwijl hij daarover nadacht, trad een bekoorlijk meisje, in het wit gekleed, uit het bosch te voorschijn, en verzocht hem haar te volgen naar de plaats, waar de kostbare stroom vloeide in de nabijheid van het altaar van den God van Langen Adem.
Toen zij den stroom bereikten, kreeg Yosoji het bevel, zelf te drinken, en daarna de flesch met het parelende water voor zijn moeder te vullen. Toen hij dit had gedaan, vergezelde hem het schoone meisje naar de plaats, waar hij haar oorspronkelijk had gezien, en zeide: “Kom weer over drie dagen bij mij op dezelfde plaats, want gij zult een nieuwen voorraad van dit water noodig hebben”.
Na vijf bezoeken aan dat gewijde altaar verheugde zich Yosoji er over, dat zijn moeder weer geheel hersteld was, en niet alleen zijn moeder, maar ook een aantal van de dorpelingen, die eveneens het voorrecht gehad hadden van dat water te drinken. De dapperheid van Yosoji werd luide geprezen, en den toovenaar werden geschenken gezonden als belooning voor zijn op het juiste oogenblik gegeven raad; maar Yosoji, die een fatsoenlijke jongen was, wist zeer goed, dat die lof uitsluitend toekwam aan het schoone meisje, dat hem tot gids had gestrekt. Hij wilde haar nog hartelijker danken dan hij tot nu toe had gedaan, en begaf zich met dat doel nog eens op reis naar den stroom.
Toen Yosoji het altaar van den God van Langen Adem bereikte, bleek het hem, dat de stroom was opgedroogd. Ten hoogste verbaasd en tevens erg bedroefd knielde hij neer en bad hij, dat zij, die zoo goed voor zijn moeder geweest was, vóór hem zou verschijnen, opdat hij haar zoo hartelijk kon bedanken als zij verdiend had. Toen hij opstond, zag hij het meisje vóór zich staan.
Yosoji betuigde zijn dankbaarheid in warme en sierlijke bewoordingen, en verzocht, den naam te mogen vernemen van haar, die zijn geleidster was geweest en die zijn moeder haar oude gezondheid en kracht had teruggegeven. Maar het meisje weigerde, terwijl zij hem vriendelijk toelachte, haar naam te noemen. Nog steeds lachend, wierp zij een cameliatak in de lucht, zoodat het scheen, dat de schoone bloesems wenkten naar een onzichtbaren geest op grooten afstand. In antwoord op dien wenk der bloemen kwam een wolk neder van den Fuji; deze omsloot het bekoorlijke meisje en droeg haar naar den heiligen berg, van waar zij gekomen was. Nu wist Yosoji, dat zijn geleidster niemand anders was dan de Godin van den Fuji. Met verrukking boog hij zich ter aarde, toen hij de vertrekkende gestalte nazag. Toen hij haar nastaarde, wist hij in zijn hart, dat niet alleen dankbaarheid maar ook liefde in hem was opgewekt. Terwijl hij nog geknield lag, wierp de Godin van den Fuji den cameliatak neer, als een herinnering, maar misschien ook als een teeken van haar liefde voor hem.
De Rip van Winkle van het Oude Japan.
Wij hebben reeds verhaald, hoe de Fuji in één nacht is ontstaan, en de volgende legende deelt ons mede, hoe dit merkwaardige feit zich heeft voorgedragen. Wij hebben bij die legende nog een tweede gevoegd, die van Chineeschen oorsprong is, omdat die twee goed bij elkander passen en ons merkwaardig materiaal schenken met betrekking tot dien berg.
Vele jaren geleden leefde in de toenmaals onvruchtbare vlakte van Suruga een houthakker, Visu genaamd. Hij was een reus van lichaamsbouw, en woonde in een hut met vrouw en kinderen. In zekeren nacht, toen Visu juist op het punt was in slaap te vallen, hoorde hij een zeer eigenaardig geluid, van onder den grond afkomstig, een geluid, dat krachtiger en verschrikkelijker klonk dan donder. Visu, die meende, dat hij met zijn gezin door een aardbeving zou worden gedood, nam met spoed de jongere kinderen op en ijlde naar de deur van de hut, waar hij een merkwaardig gezicht voor oogen kreeg. In plaats van de vroeger woeste vlakte zag hij een grooten berg, uit welks top vlammentongen opstegen en dichte rookwolken! Het gezicht van dien berg, die onder de aarde was voortgetrokken over een weg van honderden mijlen en zoo plotseling verrees in de vlakte van Suruga, was zóó schitterend, dat Visu, met vrouw en kinderen, op den grond bleef zitten onder de betoovering. Toen de zon den volgenden morgen verrees, zag Visu, dat de berg opalen kleederen had aangetrokken. Dit alles maakte op hem een zóó diepen indruk, dat hij den berg Fuji-yama noemde (“De Nooit-stervende Berg”), en zoo heet hij nog ten huidigen dage. Een zoo volmaakte schoonheid wekte bij den houthakker het denkbeeld op van de eeuwigheid, waardoor ook de gedachte aan het Levenselixir is opgewekt, die zoo dikwijls met dien berg is verbonden.
Dagen aaneen zat Visu daar op den Fuji te staren en juist dacht hij er over na, hoe prachtig het voor een zoo indrukwekkenden berg zou zijn, als hij zijn eigen schoonheid kon aanschouwen, toen zich plotseling een groot meer voor hem uitstrekte, dat de vorm had van een lint, en dat daarom Biwa genoemd werd.2
De Avonturen van Visu.
Op zekeren dag kreeg Visu een bezoek van een ouden priester, die aldus tot hem sprak: “Brave houthakker, ik ben bang, dat gij nooit bidt.” Visu antwoordde: “Als gij een vrouw en een groot gezin had te onderhouden, zoudt gij ook geen tijd hebben te bidden.” Die opmerking maakte den priester boos, en de oude man gaf den houthakker een levendige beschrijving van het afgrijselijke lot, te worden wedergeboren als een pad, of een muis, of een insect, en dat wel gedurende millioenen jaren. Dergelijke sombere bijzonderheden waren Visu niet zeer aangenaam, en daarom beloofde hij den priester, dat hij in het vervolg zou bidden. “Werk en bid”, zeide de priester, toen hij afscheid nam.
Ongelukkig echter was het, dat Visu niets anders deed dan bidden. Hij bad gedurende den geheelen dag en weigerde iets te werken, zoodat zijn rijst op het veld verrotte en zijn vrouw en kinderen gebrek leden. De vrouw van Visu, die tot nu toe nooit een hard of bitter woord tot haar echtgenoot had gesproken, werd nu vreeselijk boos, en riep, terwijl zij op de uitgemergelde lichamen van haar kinderen wees: “Sta op, Visu, neem uw bijl ter hand, en doe iets, dat voor ons nuttiger is dan voortdurend gebeden te prevelen!”
Visu was zóó vreeselijk verbaasd over hetgeen zijn vrouw had gezegd, dat het eenigen tijd duurde, eer hij een geschikt antwoord kon vinden. Toen hij eindelijk een antwoord gereed had, kwamen zijn woorden krachtig en driftig tot de ooren der arme, verongelijkte vrouw. “Vrouw”, zoo sprak hij, “de Goden gaan voor. Gij zijt een onbeschaamd schepsel, dat gij zoo tot mij durft te spreken, en ik wil niets meer met u te doen hebben!” Visu nam zijn bijl op, en verliet, zonder om te zien of afscheid te nemen, de hut, trok het bosch uit, en besteeg den Fuji-Yama, waar een nevel hem voor aller blikken verborg.
Visu op den Fuji-Yama Berg
Toen Visu op den berg was gaan zitten, hoorde hij een zacht ritselend geluid, en zag onmiddellijk daarna een vos in het kreupelhout vliegen. Visu vond het nu bijzonder gelukkig, dat hij een vos zag, en sprong op, terwijl hij zijn gebeden vergat, en holde heen en weder in de hoop, dat hij dat kleine schepsel met zijn scherpen neus weer terug zou vinden. Hij was juist van plan de jacht op te geven, toen hij, zoodra hij een open ruimte in een bosch had bereikt, twee dames bij een beek zag zitten, die zich vermaakten met go3 te spelen. De houthakker geraakte zóó onder de betoovering, dat hij niets anders kon doen dan zich neerzetten en haar gadeslaan. Er werd geen geluid gehoord dan het zachte bewegen der stukken op het bord en het gezang van den stroomenden beek. De dames letten in het geheel niet op Visu, want zij schenen een vreemd spel te spelen, dat geen einde nam, en haar geheele aandacht in beslag nam. Visu kon zijn oogen niet van die bekoorlijke vrouwen afslaan. Hij beschouwde haar lange zwarte haren, en de vlugge handjes, die telkens uit de groote zijden mouwen te voorschijn kwamen, om de stukken te verzetten. Nadat hij daar driehonderd jaar had gezeten, hoewel het hem niet langer was voorgekomen dan een enkelen zomeravond, zag hij, dat één der beide dames een verkeerden zet had gedaan. “Dat is mis, lieftallige dame!” riep hij opgewonden uit. In een oogenblik veranderden die vrouwen in vossen4 en holden weg.
Toen Visu haar trachtte te achtervolgen, ontdekte hij tot zijn schrik, dat zijn beenderen vreeselijk stijf, en zijn haren ontzettend gegroeid waren, terwijl zijn baard den grond raakte. Tevens ontdekte hij, dat de steel van zijn bijl, hoewel die van het taaiste hout was vervaardigd, tot een hoopje stof was vergaan.
De Terugkomst van Visu.
Na een aantal pijnlijke pogingen was Visu weer in staat op zijn voeten te staan en uiterst langzaam naar zijn kleine woning terug te keeren. Toen hij de plek bereikte, was hij verbaasd, dat hij geen hut meer zag, en toen hij een oude vrouw zag staan, zeide hij: “Beste vrouw, ik ben verbaasd, dat mijne kleine hut verdwenen is. Ik ben in den namiddag eerst vertrokken en nu, met den avond, is zij verdwenen!”
De oude vrouw, die meende, dat een krankzinnige haar toesprak, vroeg naar zijn naam. Toen zij dien hoorde, riep zij uit: “Wel, gij zijt zeker gek! Visu leefde driehonderd jaar geleden! Hij vertrok op zekeren dag en is nooit meer teruggekomen”.
”Driehonderd jaar!” mompelde Visu. “Dat kan niet mogelijk zijn. Waar zijn mijn goede vrouw en kinderen?”
“Begraven!” kreet de oude vrouw uit, “en als waar is, wat gij zegt, ook uw kleinkinderen. De Goden hebben uw ellendig leven verlengd, als straf, omdat gij uw vrouw en jonge kinderen hebt verwaarloosd”.
Dikke tranen rolden langs de verweerde wangen van Visu, toen hij met heesche stem zeide: “Ik heb mijn mannelijken leeftijd laten verloren gaan. Ik heb gebeden, toen mijn lieve vrouw en kinderen gebrek leden en recht hadden op den arbeid van mijn eertijds krachtige handen. Oude vrouw, herinner u mijn laatste woorden: als gij bidt, werk dan tevens!”
Wij weten niet, hoe lang de arme, berouwvolle Visu nog leefde, nadat hij van zijn vreemde avonturen was teruggekeerd. Men verhaalt, dat zijn witte geest nog steeds op den Fuji-yama gezien wordt, als de maan helder schijnt.
1 Zij was gehuwd met Ninigi. (Zie blz. 14).
2 Hier is eenige verwarring in het spel, want in werkelijkheid ligt het meer Biwa een paar honderd kilometers van den Fuji verwijderd, een afstand, die te groot is, dan dat zelfs een wonderberg zich daarin zou kunnen spiegelen. De legende verhaalt, dat de Fuji in één enkelen nacht uit de aarde te voorschijn kwam, terwijl het meer Biwa gelijktijdig daalde. Chamberlain zegt: “zouden wij hier niet een echo hebben van een vroegere uitbarsting, die leidde tot het ontstaan, niet van het Meer Biwa......maar van één van de tallooze kleine meren aan den voet van den berg?”
3 Een spel, uit China ingevoerd, en dat op het schaakspel gelijkt, doch dat iets ingewikkelder is dan ons gewone schaakspel.
4 Over de vossenlegenden hebben wij reeds in het Vijfde Hoofdstuk gesproken.
Hoofdstuk X. Klokken.
De Klok van Enkakuji.
Japansche klokken behooren tot de schoonste der wereld, immers zoowel wat haar grootte, als wat haar bouw en versiering betreft, heeft de vervaardiger van klokken te Nippon een hoogen trap van vaardigheid verkregen. De grootste klok in Japan behoort aan den Jodo-tempel van Chion, te Kyōto. Zij weegt vier en zeventig ton, en er zijn vijf en zeventig man noodig, haar zóó te doen klinken, dat men uit die kolossale metaalmassa den sterksten klank verkrijgt. De klok van Enkakuji is de grootste klok van Kamakura. Zij dagteekent reeds van het begin der dertiende eeuw en is anderhalve decimeter dik, heeft een middellijn van bijna veertien decimeters, en is bijna twee en halve meter hoog. Die klok is, in tegenstelling met onze klokken, van boven tot beneden overal even wijd, een vorm, die aan alle Japansche klokken gemeen is. Zij wordt geluid door middel van een balk, die van de zoldering afhangt, en aan dien balk hangt een touw. Als de balk met voldoende snelheid aan het slingeren gebracht wordt, slaat hij tegen een stuk metaal ter zijde van de klok, dat de gedaante heeft van een lotusbloem, en een krachtig geluid weerklinkt, “diep als de donder, en vol als de lage tonen van een krachtig orgel”.
De Terugkeer van Ono-no-Kimi.
Toen Ono-no-Kimi stierf, kwam hij voor den Rechterstoel van Emma-Ō, den Rechter over de Zielen, welke strenge godheid hem mededeelde, dat hij te vroeg het aardsche leven had verlaten, en dat hij onmiddellijk moest terugkeeren. Ono-no-Kimi beweerde, dat hij niet op zijn schreden kon terugkeeren, daar hij den weg niet kende. Daarop zeide Emma-Ō: “Als gij luistert naar de klok van Enkakuji, zult gij in staat zijn, weder den weg naar de aarde terug te vinden.” En Ono-no-Kimi ging weg van den Rechterstoel, en op het geluid van de klok vond hij den weg terug naar zijn vroegere woonplaats.
De Reuzenpriester.
Bij zekere gelegenheid werd, naar het verhaal luidt, een priester van reusachtige gestalte in het land gezien, en niemand kende zijn naam of wist, waar vandaan hij gekomen was. Met onuitputtelijken ijver doorkruiste hij het land in alle richtingen, van dorp tot dorp, van stad tot stad, met de vermaning voor de klok van Enkakuji te bidden. Toevallig werd ontdekt, dat die reuzenpriester niemand anders was dan een verpersoonlijking van de heilige klok zelf. Dit buitengewone nieuws had tot gevolg, dat een groote menigte zich nu begaf naar de klok van Enkakuji en daar bad, en dat velen terugkeerden nadat hun wenschen waren vervuld. Bij een andere gelegenheid heeft die heilige klok van zelf een diep geluid voortgebracht. Hen die ongeloovig waren en om het wonder lachten, troffen rampen, en zij die in de wondermacht der heilige klok geloofden, werden met grooten voorspoed beloond.
Een Vrouw en de Klok van Miidera.
In het oude klooster van Miidera bevond zich een groote bronzen klok. Deze liet iederen morgen en avond een helderen, krachtigen toon hooren, en de oppervlakte schitterde als de fonkelende dauw. De priesters stonden niet toe, dat een vrouw de klok deed klinken, omdat zij van meening waren, dat daardoor het metaal zou worden bezoedeld en dof werd, en hun zelf onheil zou overkomen.
Toen een schoone vrouw, die in Kyōto woonde, dit hoorde, werd zij bijzonder nieuwsgierig, en ten slotte, toen zij niet meer in staat was, haar nieuwsgierigheid te bedwingen, zeide zij: “Ik ga die wonderlijke klok van Miidera eens bekijken. Ik zal haar een zachten toon doen voortbrengen, en in haar glinsterende oppervlakte, die grooter en helderder is dan duizend spiegels, zal ik mijn gelaat verven en poederen, en mijn haar opmaken.”
Eindelijk bereikte die ijdele en oneerbiedige vrouw het klokkenhuis, waarin de groote klok was opgehangen, op een tijdstip, waarop iedereen verdiept was in zijn heilige plichten. Zij keek in de glinsterende klok en zag haar schoone oogen, blozende wangen en lachende kuiltjes. Eindelijk strekte zij haar kleine vingers uit, raakte zacht het glinsterende metaal aan, en bad, dat zij een even grooten en schitterenden spiegel in eigendom mocht verkrijgen. Toen de klok de vingers van die vrouw voelde, kromp het brons, dat zij had aangeraakt, ineen, en liet het een kleine holte achter, terwijl die plek al haar heerlijken glans verloor.
Benkei en de Klok.
Benkei1, de trouwe volgeling van Yoshitsune, kan met grond beschreven worden als de sterke man van het Oude Japan. Zijn kracht was wonderdadig, zooals uit de volgende legende blijkt.
Toen Benkei nog een monnik was, verlangde hij vurig de klok van Miidera te stelen en naar zijn eigen klooster te brengen. Daartoe bezocht hij Miidera, en haakte op een geschikt oogenblik de groote klok los. De eerste gedachte van Benkei was, haar den heuvel af te rollen, en zich zoo de moeite te besparen, zulk een zwaar stuk metaal te dragen; maar daar hij vreesde, dat de monniken het geluid zouden hooren, was hij gedwongen zich gereed te maken, haar zelf de steile helling af te dragen. Daarom maakte hij den dwarsbalk uit het klokkenhuis los, hing de klok aan het ééne uiteinde, en—vermakelijke trek—zijn papieren lantaarn aan het andere2, en op die manier droeg hij zijn zwaren last over een afstand van ongeveer zeven mijlen.
Toen Benkei zijn tempel bereikte, vroeg hij onmiddellijk om voedsel. Hij wist het klaar te spelen, een hoeveelheid voedsel te verorberen, die een ijzeren soeppot vulde, van vijf voet in middellijn, en toen hij daarmede klaar was, gaf hij een paar priesters verlof, de gestolen klok van Miidera te slaan. Dit geschiedde, maar bij het wegsterven der laatste tonen scheen het of zij riep: “Ik wil terug naar Miidera! Ik wil terug naar Miidera!”
Toen de priesters dit hoorden, waren zij verbaasd. De abt meende echter, dat, indien de klok werd besprenkeld met wijwater, zij met haar nieuwe verblijfplaats verzoend zou zijn; maar in weerwil van dat wijwater, weeklaagde de klok voortdurend door met haar klagend en hinderlijk geluid. Niemand werd meer door het geluid geërgerd dan Benkei zelf. Het leek wel, alsof de klok hem en zijn lastige reis bespotte. Ten slotte vloog hij, ondragelijk gekweld, naar het touw, trok er aan, totdat de balk ver van de metalen klok verwijderd was, en liet hem toen vallen, in de hoop, dat de kracht van den balk, als hij in volle vaart op de klok neerkwam, een zoo eigenzinnige en slecht opgevoede klok zou doen barsten. De snel bewogen balk viel met een vreeselijken slag op de klok neer; maar deze brak niet. Weer klonk door de lucht: “Ik wil terug naar Miidera!” en of de klok al hard of zacht geslagen werd, altijd sprak zij dezelfde woorden.
Ten slotte nam Benkei, nu razend van woede, de klok en den balk op den schouder, en toen hij op den top van een berg was gekomen, zette hij zijn last neer, en met een krachtigen schop liet hij die in de vallei vallen, welke beneden hem lag. Eenige oogenblikken later vonden de priesters van Miidera hun kostbare klok, en hingen die weer verheugd op de gewone plaats op, en van dat oogenblik af hield zij op te spreken, en klonk zij niet anders dan andere klokken.
Het Karma.
De macht van het Karma is één van de Buddhistische leerstellingen, en groot is het aantal verhalen, zoowel waar als mythisch, die in verband met dit onderwerp worden verhaald. Van de eerste verhaalt Lafcadio Hearn in “Kokoro” de treurige geschiedenis van een priester, die het ongeluk had, dat hij de liefde opwekte van een groot aantal vrouwen. Liever dan voor haar smeekingen te bezwijken, pleegde hij zelfmoord door tusschen de spoorwegrails neder te knielen, en een sneltrein een eind te doen maken aan zijn beproevingen.
Het verhaal van “De Bamboesnijder en het Maanmeisje” geeft ons een andere voorstelling van de beteekenis van het Karma. De Edele Kaguya was uit haar woning in de maan verbannen, omdat zij aan een zinnelijken hartstocht had toegegeven. Men zal zich nog wel herinneren, dat in haar ballingschap haar zwakheid was verdwenen, en dat zij standvastig aan die bijzondere misdaad weerstand bood zoolang zij op aarde vertoefde.
Het Karma stelt volstrekt niet uitsluitend de macht voor van kwade gedachten, hoewel het gewoonlijk wordt toegepast op menschelijke hartstochten. In zijn diepere beteekenis beteekent het oorzaak en gevolg—alle gedachten en alle daden, die niet geestelijk zijn, immers door de macht van het Karma wordt de wereld en alles wat die bevat, volgens de Buddhistische leer, bestuurd. De begeerte te leven is het Karma. De begeerte, niet te bestaan, is het verbreken van het groote rad van geboorte en wedergeboorte, en het bereiken van het Nirwana.
Er zijn Japansche gelieven, die, tengevolge van bijzondere omstandigheden, niet in staat zijn te huwen; maar zij maken er de omstandigheden geen verwijt van. Zij beschouwen hun ongeluk als het gevolg van een dwaling in een vroeger bestaan, zooals het verbreken hunner huwelijksbelofte, of omdat zij elkander wreed behandelden. Dergelijke gelieven meenen, dat zij, als zij zich aan elkander vastbinden met een lijfgordel, en in een rivier of een meer springen, bij hun wedergeboorte vereenigd zullen worden.
Die zelfmoord van Japansche minnaars wordt joshi genoemd, wat beteekent “liefdesdood” of “hartstochtdood”. Het Buddhisme verzet zich krachtig tegen zelfmoord, en even sterk tegen een zoodanige liefde, immers joshi is er geen verlangen, de macht van het Karma te vernietigen, maar die veeleer aan te kweeken. Zulke minnaars mogen al vereenigd worden, maar volgens de leerstellingen van Buddha is een verbintenis van dien aard een begoocheling, terwijl alleen Nirwana de moeite waard is, er naar te streven. Wij lezen in de Ratrana Sutra: “Hun oud Karma is uitgeput, geen nieuw Karma wordt voortgebracht; hun harten zijn vrij van verlangen naar een toekomstig leven; daar de reden van hun bestaan verwoest is, en er in hen geen nieuw verlangen ontspringt, worden zij, de wijzen, als deze lamp uitgebluscht.”
Een klok en de Macht van het Karma.
“Er zijn een aantal wegen, die leiden tot het verwerven van
volmaakt geluk. Als wij ontdekken, dat wij op den slechten
weg zijn, is het onze plicht, dien te verlaten”.
Bakin.
Naast de oevers van de Hidaka vond men eertijds een wijd beroemd theehuis, dat stond te midden van een liefelijk landschap naast een heuvel, die de Drakenklauw heette. Het bekoorlijkste meisje in dat theehuis was Kiyo, want zij was als “de geur van de witte lelies, wanneer de wind, die neerwaait langs de hoogten der bergen, met welriekende geuren beladen naar den reiziger afdaalt.”
Aan de overzijde der rivier stond een Buddhistische tempel, waar de abt en een groot aantal priesters een eenvoudig en vroom leven leidden. In het klokkenhuis van dien tempel hing een groote klok, anderhalven decimeter dik, die een gewicht had van enkele tonnen. Het was één van de regels van het klooster, dat geen van de priesters visch of vleesch mocht eten of saké mocht drinken, en het was hen uitdrukkelijk verboden, zich in theehuizen op te houden, daar zij anders hun geestelijken aard zouden verliezen en in de zondige gewoonten van het vleesch zouden vallen.
Één van de priesters echter zag toevallig, toen hij van een zekeren tempel terugkeerde, de schoone Kiyo in den theetuin heen en weer dolen, evenals een groote vlinder met helder gekleurde vleugels. Hij bleef haar een oogenblik onbewegelijk gadeslaan, onder de sterke verleiding den theetuin binnen te gaan en met dit bekoorlijke wezen te spreken, maar daar hij zich zijn priesterlijke waardigheid herinnerde, stak hij de rivier over en trad zijn tempel binnen. Hij kon echter dien nacht niet slapen. De hartstocht van een vurige liefde was over hem gekomen. Hij bad zijn rozenkrans en zeide stukken op uit de Heilige Boeken van Buddha, maar dit alles bracht hem geen gemoedsrust. Tusschen al zijn vrome gedachten kwam steeds het vriendelijke en luchthartige gelaat van Kiyo voor den dag, en het leek hem, dat zij hem toeriep van dien schoonen tuin uit, die aan de overzijde der rivier was gelegen.
Zijn vurige liefde werd zóó krachtig, dat het niet lang duurde, of hij onderdrukte zijn godsdienstige gevoelens, brak één van de regels van den tempel en trad het verboden theehuis binnen. Hier vergat hij volkomen zijn godsdienst, of wel vond hij een nieuwen eeredienst bij de aanschouwing der schoone Kiyo, die hem ververschingen aanbood. Avond aan avond sloop hij de rivier over en kwam hij onder de bekoring van die vrouw. Zij beantwoordde zijn liefde met evenveel hartstocht, zoodat het den dwalenden priester een oogenblik toescheen, alsof hij in de bekoorlijkheden eener vrouw iets veel zoeters gevonden had dan de mogelijkheid, het Nirwana te bereiken.
Nadat de priester het meisje een aantal nachten had gezien, begon zijn geweten aan hem te knagen, en tegen zijn onheilige liefde te strijden. De macht van het Karma en de leerstelling van Buddha streden met elkander in zijn borst. Het was een heftige strijd, maar ten slotte week de liefde, hoewel, zooals wij zullen zien, de ellendige gevolgen van den hartstocht niet waren opgeheven. Nadat de priester zijn vleeschelijke liefde had uitgestooten, achtte hij het verstandig, tegenover Kiyo zoo voorzichtig mogelijk op te treden, uit vrees, dat zijn plotselinge ommekeer haar boos zou maken.
Kiijo en de Priester
Toen Kiyo den priester weerzag, nadat hij het vleesch had overwonnen, merkte zij op, dat de blik in zijn oogen in de verte gericht was, en dat de kalmte der zelfverloochening op zijn gelaat rustte. Zij verdubbelde haar vrouwelijke listen en verlokkingen, vastbesloten den priester weer naar zich toe te trekken, of, als dit niet gelukte, hem door toovenarij een wreeden dood te doen sterven.
Al de vleierijen en verlokkingen van Kiyo waren niet in staat, de liefde weer in hart van den priester op te wekken, en daarom ging zij, uitsluitend op wraak bedacht, naar buiten, in een wit gewaad gekleed, en vertrok naar een zekeren berg, waar een tempel van Fudo3 stond. Fudo zat daar neer, door vuur omgeven, met een zwaard in de ééne hand en een kluwen touw in de andere. Hier bad Kiyo met vreeselijken hartstocht, dat die zoo monsterachtig uitziende God haar zou laten zien, hoe zij den priester kon dooden, die haar vroeger had liefgehad.
Van Fudo ging zij naar den tempel van Kompira4, die alle magische kunsten kent en in staat is de tooverkunst te onderwijzen. Hier bad zij, dat haar de macht mocht worden geschonken, zich naar willekeur in een drakenslang te veranderen. Na een aantal bezoeken onderwees een spook met een langen neus (waarschijnlijk een Tengu), die bij Kompira in dienst was, Kiyo in al de geheimen der magische en tooverkunsten. Hij leerde dat meisje, dat eertijds zoo bekoorlijk was, hoe zij zich kon veranderen in het vreeselijke wezen, waarin zij zich wilde veranderen, ten einde een vurige wraak te kunnen uitoefenen.
Nog steeds bezocht de priester Kiyo, maar nu niet langer als minnaar. Door een aantal vermaningen trachtte hij den hartstocht van dat meisje, dat hij eertijds had liefgehad, tot staan te brengen; maar al die priesterlijke gesprekken maakten Kiyo nog des te meer besloten, eindelijk de overwinning te behalen. Zij weende, smeekte, sloeg haar schoon gevormde armen om hem heen; maar geen van haar verlokkingen had eenige uitwerking, behalve dat zij den priester voor goed wegjoeg.
Toen de priester juist op het punt stond afscheid te nemen, werd hij doodelijk verschrikt, toen hij zag, dat de oogen van Kiyo plotseling veranderden in die van een slang. Met een kreet van angst vloog hij uit den theetuin weg, zwom de rivier over en verborg zich binnen in de groote klok van den tempel.
Kiyo hief haar tooverstaf op, mompelde een tooverformulier, en in een oogenblik veranderden het liefelijke gelaat en de schoone gestalte van het meisje in die van een drakenslang, die siste en vuur spuwde. Met oogen, zoo groot en lichtend als de maan, kroop zij over den tuin, zwom de rivier over en kwam in het klokkenhuis binnen. Haar gewicht brak de kolommen, die het steunden, en de klok, met den priester er binnen in, viel met een oorverdoovenden slag op den grond.
Kiyo omhelsde de klok met een vreeselijke begeerte naar wraak. Zij hield het metaal vast als in een schroef; zij omklemde de klok al vaster en vaster, totdat het metaal gloeiend heet werd. De smeekingen van den gevangen priester waren alle vergeefsch; en even vergeefsch waren de ernstige smeekbeden van de andere priesters van den tempel, die smeekten, dat Buddha den boozen geest zou verdelgen. Al heeter en heeter werd de klok, en zij weerklonk van de deerniswaardige kreten van den priester, die er in zat. Eindelijk werd zijn stem gesmoord, en de klok smolt en liep samen tot een grooten plas gesmolten metaal. De groote macht van het Karma had de klok vernield, en tevens den priester en de drakenslang, die oorspronkelijk de bekoorlijke Kiyo geweest was.
1 Zie Hoofdstuk II.
2 Van daar de Japansche uitdrukking: “Lantaarn en klok, wie van de twee is de zwaarste?”
3 Fudo is niet, zooals men gewoonlijk meent, de God van het Vuur, maar wordt vereenzelvigd met Dainichi, den God der Wijsheid. Het is niet volkomen duidelijk, waarom Kiyo Fudo opzocht, wiens heilig zwaard de wijsheid zinnebeeldig voorstelt, terwijl zijn vuur de macht voorstelt, en het kluwen touw dient om de hartstochten te binden.
4 Kompira was oorspronkelijk een Indische God, die door de middeleeuwsche-Shinto-vereerders vereenzelvigd werd met Susa-no-o, den broeder der Zonnegodin, die, zooals wij reeds gezien hebben, er maar al te zeer behagen in schepte, ondeugende streken uit te halen.