WeRead Powered by ReaderPub
'n Jodenstreek? cover

'n Jodenstreek?

Chapter 1: ’N JODENSTREEK? I.
Open in WeRead

About This Book

A wedding in a busy Dutch town becomes a flashpoint between private joy and public hostility, as a curious crowd mocks the couple and exposes anti-Jewish prejudice. Inside the coach the newlyweds experience intimate tenderness while outside social contempt and a boy’s taunt make clear communal bias. At home the bride confronts a violent paternal refusal of the marriage, revealing entrenched family bigotry and a passive stepmother’s presence. Increasingly agitated by an impending childbirth, the bride unsettles a physician who frets over possible complications, weaving together domestic tension, social intolerance, and personal vulnerability.

’N JODENSTREEK?

I.

Donderdag te Rotterdam. In de steeg voor ’t Stadhuis een oppropping van sleeperswagens, boerenkarretjes, trouwkoetsen. De ruwe, bruine kerels op de wiebelende bokken der lage, plompe voertuigen rukken nijdig-vloekend, aan de teugels, dat de bekken der paarden in rimpelige krullen naar achteren dreigen te barsten.

Een boer, de groote voeten in klompen, waaruit stekelig-harde hooibossen opschieten, schreeuwt met hoogrood, bol gezicht en kwaadaardige, kantige gebaren, tegen een viezen [2]slagersjongen, die met z’n bloederigen handwagen in de klit verward zit. Angstig loerend, kijkt de koetsier van de helderblinkende trouwkoets opzij, vol vrees aangereden te worden. Nieuwsgierigen luieren op de stoepen aan de overzij, kijken lachend toe bij ’t lawaai. Nu mengt zich een agent in de volte. Kalm de driftige uiteenzettingen van een half dozijn stemmen aanhoorend, geeft hij korte bevelen, pakt de teugels van ’t voorste beest aan; een klein gesteiger, geknars van hoeven, geschrap over de keien, een aanzetten van den voerman: het kluwen wikkelt zich dreunend, vloekend, schor-gillend af en de menigte, teleurgesteld in haar belustheid op ongelukken en vechtpartijen, kruipt en dringt nu weer om den ingang van ’t stadhuis. De bruiloftskoetsier herneemt z’n deftig-stijve houding, de zweep steil naar boven gestoken, ’t dikke uiteinde rustend in de zij. Een onoogelijke dot gele bloemen hangt op zijn borst. Aan de kopstellen der [3]paarden slingeren lintjes, veelkleurig, vastgehouden door bonte rosetjes.

Al de nieuwsgierige hoofden en de kastjes met trouwberichten aan de deurposten, spiegelen zich in dwaze, dik-uitpuilende glimvormen in de blinkende wanden en glinsterende, gebogen ruiten der koets. Van de treeplank is de palfrenier gesprongen—kleiner lijkend onder zijn hoogen, wijdrandschen hoed—en houdt den knop van de koetsdeur met zijn grove hand vast. Dikke plooien en rimpels van den te grooten wit-gelen, beduimelden handschoen liggen ’r om heen. Op de stoep voor den ingang staat een agent met vergrijsde, zilveren haren.

Daar openen zich de binnendeuren. ’t Midden houdend van den breeden looper, vertoont zich het bruidspaar, gevolgd door de getuigen. Van achteren komt er gisting in de menigte, men dringt nieuwsgierig op. Bijna rakelings gaan bruid en bruigom voorbij, hinderlijk aangekeken. De ouderwetsche juffrouw [4]van ’t stadhuis houdt den sleep op. De jonge vrouw stijgt in, bleek, met vochtige oogen. De jonge man volgt. Als hij bukt om in te stappen, stoot hij in de zenuwachtige haast van ’t oogenblik, zijn hoogen hoed tegen den bovenrand der koets, dat er een deuk in komt. Een straatjongen lacht hardop. Een ander roept ginnegappend, terwijl de deur dichtvalt: „Nah, ’t is maar ’n jodenhoed!…” en de menigte giegelt.

De palfrenier is intusschen op de treeplank gesprongen, houdt zich waggelend aan de roode koorden vast; de koets zet zich in beweging, ratelt snel weg door de drukke, rumoerige straten.


In de kleine, warme, zwaar-gevoerde ruimte van ’t voertuigje zitten ze naast elkander. Geen woord wordt er gesproken. Beiden zijn te vol van de plechtige stemming van ’t oogenblik. Het reutelend gehamer van de wielen over de oneffen keien, het gegons van de [5]dreunende koets, het gerinkel en geklapper der ruiten, het voorbijschieten der schimmen van voorbijgangers, is als een bedwelmende roes om hen heen. Alleen heeft zijn hand de hare gevonden in ’t geglibber van ’t satijnen kleed; door de handschoenen deelt zich een uitstralende warmte mede. Een zachte druk, telkens herhaald en beantwoord, geeft hun ’t weldadig juichend gevoel, dat ze elkander toebehooren, dat ze jong zijn, levenslustig, dat éénzelfde gloed van liefde in hen optrilt.… dat ze ’t doel bereikt hebben. Mollig zit zij in ’t rugkussen weggedoken, in de deinende schokking van ’t rijtuig op en neer gewiegd, zich overgevend aan de elastische schommeling, die een weelderig gevoel van bevrediging over haar brengt. En toch.…

Hij tuurt naar de ruitjes van ’t vloerkleedje, telt ze, ziet ze op en neer huppelen naast zijn glimmende laarzen; nu en dan ziet hij de huizen wegdwarrelen in een radde [6]opeenvolging van lijntjes en kleurtjes, en al maar door voelt hij de warmte van haar kleine handje, poezelig weggedoken, rustend in de zijne. Tegen ’t eind van den rit ontwaken ze. Hij kijkt haar aan met een langen passie-vollen blik, drukt de kleine hand hartstochtelijk en fluistert heel zacht alleen haar naam. In dat „Dora!”.… ligt alles besloten, een wereld, een lijdensgeschiedenis. [7]