WeRead Powered by ReaderPub
Nantas cover

Nantas

Chapter 14: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A determined young man abandons his modest provincial life and moves to the capital convinced that force of will alone will secure advancement. He lodges in a cramped attic, searches tirelessly for employment, and endures hunger, humiliation, and the indifference of city crowds while supporting family obligations. The narrative follows his stubborn self-confidence, mounting bitterness at repeated setbacks, and oscillation between grandiose dreams of power and bleak thoughts of death. Realist detail emphasizes bodily hardship, social barriers, and the tension between personal ambition and the unforgiving realities of urban existence.

DE OVERSTROOMING

OF DE ONTZETTENDE LOTGEVALLEN VAN DE FAMILIE ROUBIEU

I.

Ik heet Louis Roubieu. Ik ben zeventig jaar en geboren in het dorpje Saint-Jory, op eenige mijlen afstands van Toulouse, aan den bovenloop der Garonne. Gedurende veertien jaren heb ik een worstelstrijd met den grond beproefd om mijn brood te verdienen. Mijn werkzaamheid heeft vruchten gedragen, de welvaart kwam in mijn huis en de vorige maand nog was ik de rijkste landbouwer uit den omtrek. Ons huis scheen gezegend. Het geluk bloeide er; de zon was onze vriend en ik herinner mij den tijd niet dat wij een slechten oogst gehad hebben. En al dat geluk deelden wij op de hoeve met ons twaalven. Ik zelf, nog opgeruimd en krachtig, zette de anderen aan het werk; daar hadden we mijn jongsten broer Pierre, een oud sergeant; dan mijn zuster Agathe, die bij ons kwam inwonen na den dood van haar man, een flinke vrouw, sterk en vroolijk, wier lach weerklonk tot aan het andere einde van het dorp. Dan kwamen de jongeren; mijn zoon Jacques, zijn vrouw Rose en hun drie kinderen Aimée, Véronique en Marie; de eerste van deze drie was getrouwd met Cyprien Bouisson, een aardige kerel, bij wien zij twee kinderen had, een van twee jaar en een van tien maanden; de tweede, kortelings verloofd, zou trouwen met Gaspard Rabuteau; de derde eindelijk was een echt juffertje, zóó fijn, zóó blond, dat men gemeend zou hebben een stadskind voor zich te zien. Alles meegerekend waren er dat tien. Ik was grootvader en overgrootvader.

Als wij aan tafel zaten, zat mijn zuster aan mijn rechterhand, mijn broer Pierre zat aan mijn linker; de kinderen vormden een kring, geplaatst naar hun leeftijd, van den grootste tot den kleinste, een kleuter van 10 maanden, die reeds soep kon eten als een groot mensch. Wat tikten de lepels vroolijk op de borden! En wat kon er veel gegeten worden! Hoe opgeruimd was ’t steeds aan tafel. Wat voelde ik mij gelukkig en trotsch als de kleuters de handen naar mij uitstaken en riepen: “Grootvader, geef ons nog wat brood! .... Een groot stuk, als ’t u blieft, grootvaatje!”

Wat een heerlijke dagen! Uit alle vensters onzer hoeve klonk het gezang van den arbeid naar buiten. Pierre dacht ’s avonds spelletjes uit of vertelde geschiedenissen uit zijn soldatentijd. Tante Agathe bakte ’s Zondags pannekoeken voor de meisjes. Marie zong gewijde zangen, met een stemmetje als de koorknapen in de kerk; zij scheen wel een heilige met haar blonde haren als een aureool, haar handen gevouwen op haar boezelaar. Toen Aimé met Cyprien was getrouwd, had ik een verdieping op het huis laten zetten en sprak er lachend over om het met een tweede te laten verhoogen toen er sprake was van het huwelijk van Véronique met Gaspard; op die wijze had het huis ten laatste tot aan den hemel gereikt; als wij tenminste bij elke trouwgelegenheid zulke plannen hadden gehad. Wij wilden elkaar niet verlaten, veeleer zouden wij een gansche stad achter onze hoeve gebouwd hebben. Als families in de beste harmonie verkeeren is het zoo goed te leven en te sterven waar men geboren is.

De Meimaand was dat jaar prachtig geweest.

In jaren had de oogst zich niet zoo mooi laten aanzien.

Ik had dien dag met mijn zoon Jacques een wandeling gemaakt. Te drie uren ongeveer waren wij vertrokken. Het jeugdig groen onzer weiden strekte zich langs de oevers der Garonne uit; het gras was wel drie voet hoog en het verleden jaar geplante rijsbosch had reeds jonge takken van een meter lengte. Vandaar hadden wij een bezoek gebracht aan onze korenvelden en onze wijngaarden, stukken gronds één voor één gekocht, naarmate de welvaart toenam; de korenvelden beloofden veel, van de bloeiende wijngaarden hoopten wij een rijken oogst te behalen. Jacques met zijn vriendelijken lach zeide, mij op den schouder kloppende:

“Nu zullen wij noch gebrek aan brood, noch aan wijn hebben, vader. De goede God doet het geld tegenwoordig op uw akkers regenen.” Dikwijls staken wij zoo onder ons den draak met de harde dagen van ’t verleden. Jacques had gelijk, ik moest daarboven wel een gunst van den een of anderen heilige of misschien wel van den goeden God zelf verworven hebben, want van alle landbouwers in den omtrek waren wij het fortuinlijkst. Als het hagelde, hing de bui zóó, dat hij juist buiten de grenzen van onze velden zich ontlastte. Als de wijngaarden onzer buren door de een of andere ziekte waren aangetast, schenen de onze als door een muur daartegen beschut. En dat alles leek mij rechtvaardig toe. Geen mensch kwaad doende, meende ik dat ik deze voorspoed verdiende. Op den terugweg hadden wij de akkers bezocht, die wij aan ’t andere einde van het dorp bezaten. De moerbeziën stonden prachtig, terwijl de amandelboomen er niet beter konden uitzien.

Wij praatten vroolijk en maakten allerlei plannen; als wij het noodige geld hadden, zouden wij nog wat akkers koopen en zoodoende zorgen, dat een groot deel der gemeente ons eigendom was.

Was de oogst zóó mooi als hij zich liet aanzien, dan zou hij ons in staat stellen onze wenschen te vervullen. Toen wij het huis naderden, stond Rose ons reeds te wenken en te roepen:

“Kom dan, kom dan toch!”

Een onzer koeien had gekalfd en dat zette thuis natuurlijk alles op de stelten. Tante Agathe was met haar groote lichaam het meest in de weer. De meisjes bekeken het kalf. De geboorte van dit beest scheen ons een zegen te meer. Wij hadden onlangs onze stallen moeten vergrooten. Meer dan honderd dieren had men er kunnen tellen, koeien en vooral schapen, uitgenomen de paarden.

“Dat is een goede dag,” riep ik uit. “Wij zullen van avond er eens een extra flesch wijn op drinken.”

Rose nam ons even terzijde en vertelde ons dat Gaspard, de verloofde van Véronique, was gekomen om met ons den dag van het huwelijk te bepalen. Zij had hem ten eten gevraagd. Gaspard was de oudste zoon van een landbouwer te Moranges, een groote jongen van twintig jaar, in den ganschen omtrek om zijn kracht bekend; op een feest te Toulouse had hij zelfs Martial, den z.g. leeuw van het zuiden, overwonnen. Ondanks zijn kracht had hij een uiterst goedaardig karakter en was zeer bedeesd. Dit laatste was zelfs zoo erg, dat hij al bloosde als Véronique hem bedaard in ’t gelaat zag.

Ik verzocht Rose hem te roepen. Hij bleef achter in den hof staan en hielp de dienstmeiden den driemaandelijkschen wasch uitspreiden. Toen hij de eetkamer was binnengetreden, waar wij ons bevonden, wendde Jacques zich tot mij, zeggende:

“Spreek nu, vader!”

“Dus, mijn jongen, je komt om met ons den grooten dag vast te stellen?”

“Ja, vader Roubieu, dat is waar,” antwoordde hij, kleurende.

“Daar behoef je niet over te kleuren, mijn jongen,” vervolgde ik. “Als je wilt kunnen wij den dag bepalen op Sinte Félicité, den 10en Juli. Wij hebben nu 23 Juni, dus behoef je nog een twintig dagen te wachten. Mijn overleden vrouw heet Félicité en dat zal jelui dus zeker geen ongeluk aanbrengen...... Vindt je dat goed?”

“Heel goed, op Sinte Félicité dan, vader Roubieu.”

En hij drukte ons de hand, mijn broer Jacques en mij, alsof hij een os moest smoren. Daarna gaf hij Rose een zoen en noemde haar moeder. Die groote jongen met zijn groote verschrikkelijke vuisten beminde Véronique tot gek wordens toe. Hij vertelde ons dat hij ziek geworden zou zijn als wij haar hem geweigerd hadden.

“Je blijft toch bij ons eten? .... Ja, vooruit dan, de soep is reeds op tafel en ik heb honger als een wolf.”

Dien keer zaten wij met ons elven aan tafel. Men had Gaspard naast Véronique geplaatst en hij deed niets dan haar aankijken, zijn eten vergetende, zoo innerlijk verheugd dat zij zóó dicht bij hem was, dat tusschenbeiden groote tranen in zijn oogen opwelden.

Cyprien en Aimée, die nu drie jaar getrouwd waren, glimlachten eens. Jacques en Rose, die reeds 25 jaar waren getrouwd, bleven bedaarder, toch wisselden zij bij het zien dier jonge liefde nu en dan een vochtigen blik. Wat mijzelf aangaat, ik voelde mij in de liefde dier twee als herleven; hun zoet geluk veranderde onze tafel in een hoekje van ’t paradijs. Wat was de soep dien avond heerlijk! Tante Agathe vond ieder oogen blik aanleiding om te lachen en waagde allerlei aardigheden. Pierre wenschte niets liever dan zijn liefdesavonturen te vertellen met een juffertje te Lyon. Gelukkig waren wij aan het dessert begonnen en praatten allen door elkaar. Uit den kelder had ik twee van de fijnste flesschen wijn laten aanrukken. Wij dronken op het geluk en den voorspoed van Gaspard en Véronique, het eerste beloofde ons dat zij elkaar niet zouden slaan, het tweede dat zij veel kinderen zouden krijgen en een vetten spaarpot zouden maken.

Gaspard begon zijn minneliedjes te zingen en Marie werd uitgenoodigd een lofzang ten beste te geven; zij stond daarbij op en haar stemmetje klonk hoog en fijn, toch zacht en melodieus.

Ik stond een oogenblik voor ’t venster. Toen Gaspard naar mij toekwam, vroeg ik hem:

“Geen nieuws bij u?”

“Niets,” antwoordde hij. “De hevige regens, welke wij in de laatste dagen gehad hebben, maken menigeen beangst voor ongelukken.”

Inderdaad had het eenige dagen geleden zestig uren aaneen geregend, zonder ophouden, en sinds gisteren was de Garonne buitensporig gewassen; wij stelden echter het grootste vertrouwen in haar en zoolang zij nog niet overliep, mochten wij haar niet als een kwade buur beschouwen. Zij verschafte ons zulke uitstekende diensten; haar water was zoo groot en zoo zacht! En dan, een landman verlaat zijn hoeve niet spoedig, zelfs al dreigt het dak boven hem in te storten.

“Och,” antwoordde ik, de schouders ophalende, “daar is geen kwaad bij. Alle jaren hetzelfde liedje; de rivier zet een hoogen rug, alsof zij kwaad is en in éénen nacht trekt zij zich weer terug en wordt zoo zacht als een lam. Je zal zien, mijn jongen, dat alle vrees ook dezen keer overbodig is .... Zie eens, wat een heerlijk weer!”

En met de hand wees ik naar den hemel. ’t Was zeven uur, de zon ging onder. Wat een blauw, wat een blauw! De hemel was niets dan een blauwe uitgestrektheid, oneindig en onnoemelijk rein, door de ondergaande zon met stofgoud overstrooid. Een zoete vreugde daalde van boven neer, den horizont omvademende. Nog nimmer had ik zoo’n oneindigende vrede over het landschap zien dalen. Het laatste roode licht kwijnde weg op de daken. Ik hoorde een buurmeisje lachen en luid gepraat van kinderstemmetjes op den weg, vóór ons. Verderop, door den afstand zwak en flauw, klonk het geblaat en geloei der kudden, die den stal weer opzochten. Een daarboven rees het zware gezucht der Garonne als de stem van de stilte, zóó was ik aan haar geruisch gewoon.

De hemel werd al bleeker en bleeker, het dorp sliep in. Het was de avond van een schoonen dag en het scheen mij toe dat ons geluk, onze voorspoedige oogst, het huwelijk van Véronique, uit den hemel daalde in een reine klaarheid van licht. Met den avond viel een onzichtbare zegen op ons neder.

Ik was teruggekeerd naar het inwendige van het vertrek. De vrouwen babbelden vroolijk. Wij, mannen, luisterden glimlachend toe, toen plotseling door de stilte van het veld een kreet weerklonk, een verschrikkelijke kreet, een stem van verwoesting en dood:

“De Garonne! De Garonne!”

II.

Wij ijlden den tuin in.

Saint-Jory ligt in het dal, van boven naar beneden van de Garonne doorsneden. Gordijnen van hooge popels, die de vlakte in ongelijke stukken afdeelen, verbergen de rivier volkomen.

Wij bemerkten niets. Maar aldoor klonk de kreet:

“De Garonne! de Garonne!”

Plotseling zagen wij op den breeden weg vóór ons twee mannen en drie vrouwen verschijnen; een der laatste had een kind op den arm. Zij waren het, die als krankzinnigen schreeuwden, loopende zoo hard zij maar konden. Nu en dan zagen zij om met doodelijk ontstelde gezichten, alsof een troep wolven hen op de hielen zat.

“Wat scheelt die menschen?” vroeg Cyprien. “Ziet gij iets, grootvader?”

“Neen, niets,” zei ik. “Het gebladerte beweegt zich zelfs niet.”

Inderdaad schenen de boomen en struiken, die ons een vergezicht onmogelijk maakten, te slapen. Een uitroep van schrik ontsnapte mij echter, terwijl ik nog sprak. Achter de vluchtelingen, tusschen de stammen der populieren, te midden van hoopen gras, zagen wij iets verschijnen, dat veel weg had van een kudde grijze beesten, geel gevlekt, en die in woedende vaart op ons afkwamen. Van alle zijden doken zij op, de achterste golven duwden die voor hen waren, voort als een kudde dolle schapen, dofbrullend en den grond doende daveren onder hun wilden galop.

Op onze beurt slaakten wij de wanhoopskreet:

“De Garonne! De Garonne!”

Nog aldoor holden over den weg de twee mannen en de drie vrouwen. Zij hoorden den woesten galop der golven, die hen dreigden in te halen. Nu vormden de golven één lange lijn, dreunend aanrollend, als met het gedonder van een musketvuur. Onder hun eersten aanval bezweken drie populieren, wier hooge kruinen neerstortten en verdwenen. Een planken hut werd verzwolgen; een muur scheurde; karren en wagens dreven weg.... De golven schenen het echter hoofdzakelijk op de vluchtelingen gemunt te hebben. Bij een draai van den weg vielen zij hen plotseling met geweldige woede aan en sneden hen elken uitweg af. Toch liepen zij nog stil, zonder te schreeuwen, gek van wanhoop. Het water bereikte hun knieën. Een groote golf wierp zich op de vrouw, die het kind droeg.... Toen verdween alles.

“Gauw, gauw!” riep ik. “Wij moeten naar binnen.... Het huis is stevig genoeg. Daar hebben wij niets te vreezen.”

Uit voorzichtigheid begaven wij ons dadelijk naar de tweede verdieping. De vrouwen gingen vooruit. Ik zelf bleef tot het laatste oogenblik.

Het huis was op een soort heuvel gebouwd aan den kant van den weg. Het water stroomde den tuin reeds in, langzaam, met zacht geruisch. Erg bang waren wij niet.

“Och!” zei Jacques, om de anderen gerust te stellen, “’t zal niets om ’t lijf hebben .... In ’55 was ’t net zoo; het water drong ook den tuin binnen, een voet hoog! daarna daalde het weer.”

“Niet te min is het ellendig voor den oogst,” bromde Cyprien halfluid.

”’t Zal niets te beteekenen hebben,” zeide ik, als antwoord op de smeekende blikken onzer vrouwen.

Aimée had de twee kinderen te bed gebracht. Met Véronique en Marie zat zij aan het hoofdeinde. Tante Agathe wilde den wijn, dien zij meegebracht had, warm maken om ons wat moed in te gieten. Jacques en Rose keken door het venster naar buiten. Met Cyprien en Gaspard stond ik voor het andere raam.

“Kom toch naar boven,” riep ik de twee dienstboden toe, die nog steeds in den tuin plasten. “Schei toch uit met natte beenen halen.”

“Maar de beesten dan?” vroegen zij. “Zij zijn bang en zullen elkander vermoorden.”

“Neen, neen, kom maar boven.... Dadelijk. We zullen wel zien.”

Het was onmogelijk het vee te redden, als het water bleef wassen.

Ik vond het echter onnoodig onze huisgenooten te verontrusten. ’t Beste wat ik doen kon, was een onbezorgd gezicht te zetten. Aan het venster leunende babbelde ik wat en toonde den vooruitgang van het water aan.

Nadat het water het dorp had overweldigd, was het tot in de kleinste gangen en stegen doorgedrongen. Het dal, waarin Saint-Jory is gelegen, was in een meer veranderd. In den tuin was het water weldra een meter gestegen. En aldoor zag ik het klimmen; tegen de anderen vertelde ik echter dat het zijn hoogste punt bereikt had, ja, dat het zelfs daalde.

“Nu zal je hier moeten slapen, mijn jongen”, zeide ik tot Gaspard. “Tenminste als de wegen in enkele uren niet droog zijn.... en dat zou best mogelijk wezen.”

Hij zag mij aan met doodsbleek gezicht en antwoordde niet; daarna zag ik hem de oogen met onuitsprekelijke ongerustheid naar Véronique opslaan.

’t Was nu half negen. ’t Was nog licht buiten; een bleeke glans daalde uit den hemel neer. Vóór dat zij naar boven kwamen hadden de dienstboden twee lampen meegebracht. Ik stak ze aan, hopende dat het licht onze benarde eenzaamheid wat op zou vroolijken. Tante Agathe, die de tafel naar het midden van de kamer geschoven had, stelde voor wat kaart te spelen. De goede vrouw, wier oogen nu en dan de mijne zochten, was er maar op uit de anderen wat te verstrooien.

Haar goed humeur was onveranderlijk en zij lachte en praatte om de stijgende angst wat te bezweren. Wij speelden een spelletje. Met zachten drang had zij Aimée, Véronique en Marie aan de tafel doen plaatsnemen. Zij stopte haar de kaarten in de handen en speelde zelf als iemand, die levendig in het spel belang stelt, gevende, afnemende, schuddende, alles vergezeld van een vloed van woorden, waaronder zij het geruisch van het water poogde te smoren. De vrouwen lieten zich echter niet afleiden; zij zaten daar doodsbleek en met bevende handen, het oor spitsende om elk geluid op te vangen. Ieder oogenblik hokte het spel. Daar wendde zich een tot mij met de vraag:

“Grootvader, stijgt het nog aldoor?”

Het water rees werkelijk met schrikbarende snelheid. Glimlachend antwoordde ik:

“Neen, neen, speel maar gerust door. Er is volstrekt geen gevaar bij.”

Nooit evenwel had ik mij zoo angstig gevoeld. De mannen stonden allen voor de ramen als om het vreeselijk tooneel voor de oogen der vrouwen verborgen te houden. Als wij ons even omdraaiden, poogden wij te glimlachen. Het bleeke lamplicht viel daarbinnen met een even rustigen schijn op de tafel als in de vredige dagen van voorheen.

Ik herinnerde mij de winteravonden als wij gezellig rond die tafel hadden plaats genomen. Dezelfde vrede, dezelfde toewijding heerschte nog oogenschijnlijk daar binnen. Achter mijn rug hoorde ik echter het dreigend gebrul van den ontketenden stroom, welks water maar aldoor wies.

“Louis,” zeide mijn broer Pierre, “het water is nog maar drie voet onder de vensters, wij zullen raad moeten schaffen.”

Ik greep zenuwachtig zijn arm vast alsof ik zeggen wilde:

“Zwijg toch stil.”

’t Was evenwel onmogelijk het gevaar te verbergen. In de stallen vermoordden de dieren zich onderling.

Het was plotseling een geblaat en een geloei op hartverscheurende wijze; de paarden stieten die ruwe kreten uit, die men zoo ver kan hooren, als ze in doodsgevaar verkeeren.

“O God, o God!” riep Aimée uit, die overeind sprong, en de vuisten tegen ’t voorhoofd drukte, als door een vlaag van razernij aangegrepen.

Nu rezen allen overeind en ’t was onmogelijk hen van de vensters verwijderd te houden. Zij stonden daar rechtop, stom, haar haren als ten berge gerezen van ontzetting. De schemering was ingevallen. Een valsche lichtschijn dreef boven de oneindige watervlakte. De bleeke hemel scheen wel een wit laken dat over de aarde werd uitgespreid.

“O God, o God!” herhaalden de vrouwen half voor zich heen, als vreesden zij den klank van haar eigen stem te hooren.

Een vreeselijk gekraak overstemde haar woorden. De dieren hadden in hun doodsangst de deuren van hun stal weten open te dringen. En nu zagen wij ze daar gaan op de gelige golven, omrollend, geslingerd naar links en rechts, meegesleurd door den stroom. De schapen zagen wij wegdrijven als doode bladeren, bij gansche kudden tegelijk. De koeien en de paarden worstelden tegen den stroom, liepen, verloren vervolgens den grond. Ons groote paard vooral wilde niet sterven het sloeg om zich heen, stak den hals vooruit en snoof met het geluid van een machine; de woedende golven grepen hem echter bij de keel en, overwonnen, zagen wij hem zich overgeven.

Toen slaakten wij mannen onze eerste kreten. Dat ging ons aan het hart ondanks alles. Wij hadden behoefte om te schreien. De handen heengestrekt naar die lieve dieren, die daar wegdreven, weenden wij, zonder dat wij elkander hoorden, de tranen en zuchten, die wij zoolang hadden opgekropt, uitstootend naar buiten. Dat was de ondergang! De oogst vernield, het vee verdronken, de fortuin had ons den rug toegekeerd in enkele uren. God is niet rechtvaardig; wij hadden hem toch niets misdaan, opdat hij ons zoo alles weer zou ontnemen. Ik hief naar den horizon mijn gebalde vuist op.

Ik sprak van onze namiddag-wandeling te midden der weiden, der korenvelden en de wijngaarden, die allen zooveel beloofden. Was dat alles dan een leugen? De zon loog ook, als zij zoo kalm en zacht onderging, temidden der eindelooze klaarheid des avondhemels.

Het water steeg aldoor. Pierre, die het aanhoudend gadesloeg, riep mij toe:

“Louis, laten wij op onze hoede zijn, want het water raakt reeds aan het venster.”

Deze woorden wekten ons uit onze verdooving op. Ik kwam tot mij zelf en zei, de schouders ophalende:

“Het geld is niets. Zoolang wij nog allen bij elkaar blijven, zullen wij door hard werken de schade wel weer zien in te halen.”

“Zeker, zeker, vader, gij hebt volkomen gelijk,” voegde Jacques mij koortsachtig toe. “Wij zelf loopen geen gevaar, de muren zijn hecht.... Wij zullen op het dak klimmen.”

Slechts deze toevlucht bleef ons nog over. Het water, dat trede voor trede de trap was opgeklommen, met een hardnekkige volharding, trad de deur reeds binnen. Wij spoedden ons naar den zolder, elkaar geen stap verlatende, behoefte als men in gevaarlijke oogenblikken heeft, om zoo dicht mogelijk bij elkander te blijven. Cyprien was verdwenen. Ik riep hem en zag hem uit een der naburige vertrekken komen met een ontsteld gezicht. Nu bemerkte ik ook, dat de beide dienstboden nog niet boven waren; ik wilde haar wachten, doch Cyprien voegde mij zachtjes toe:

“Dood. Dat gedeelte van den schuur, waarboven hun kamertje was, is ingestort.”

De arme meisjes waren zeker in de koffers hun spaarpenningen wezen zoeken. Hij vertelde mij even zacht, dat zij zich van een ladder bediend hadden, en die bij wijze van brug gebruikt hadden om het naburige gebouwtje te bereiken. Ik verzocht hem van dit alles niets te zeggen. Een koude stroom was mij over den rug gegleden. De dood had den voet in ons huis gezet.

Toen wij op onze beurt naar boven gingen, dachten wij er zelfs niet aan de lampen uit te blazen. De kaarten lagen nog op de tafel uitgespreid. Het water stond reeds een voet hoog in de kamer.

III.

Gelukkig was het dak sterk en de helling zacht. Door een klein venster, waarboven zich een soort afdakje bevond, klom men erop. Daardoor was het dat onze kleine familie vluchtte. De vrouwen gingen zitten. De mannen gingen het dak rond, tot aan de hooge schoorsteenen, om hun schuilplaats te verkennen. Uit het venster, waardoor wij zooeven naar boven geklommen waren, onderzocht ik den horizon naar alle windstreken.

“De hulp kan niet lang uitblijven,” zei ik moedig. “De mannen van Saintin hebben schepen. Zij zullen zeker hierheen komen... kijk eens daar beneden, is dat geen lantaarn?”

Maar niemand antwoordde mij en Pierre, zonder eigenlijk goed te weten wat hij deed, stak zijn pijp aan en rookte zoo ruw, dat hij bij iederen trek een stuk van zijn pijpesteel afbeet. Jacques en Cyprien staarden met treurig gezicht in de verte, terwijl Gaspard, de vuisten ballende, over het dak bleef rondloopen, alsof hij een uitweg zocht. Aan onze voeten zaten de vrouwen bijeen gehurkt, sprakeloos, bibberend, het gelaat verbergende om niets meer te zien. Rose hief echter het hoofd op, wierp een blik om zich heen en vroeg:

“Maar de dienstboden, waar zijn die? Waarom komen die niet boven?”

Ik vermeed haar blik om geen antwoord behoeven te geven, doch zij zag mij lang en doordringend aan, terwijl zij herhaalde:

“Maar waar zijn de dienstboden toch?”

Ik keerde mij om, daar ik er tegen opzag haar een leugen op den mouw te spelden. Ik voelde dat de koude hand des doods ook onze vrouwen en dochters aanraakte. Zij begrepen mij. Marie richtte zich op, zuchtte diep en viel daarop weder neer, in tranen losbarstende. Aimée had haar beide kinderen in haar rokken verborgen, als wilde zij ze zoo beschermen. Véronique, het gelaat in de handen, bewoog zich niet meer. Tante Agathe zelfs, doodsbleek, maakte het teeken des kruises en prevelde onophoudelijk Pater’s en Ave’s.

Om ons heen won het schouwspel echter in vreeselijke schoonheid en kracht. ’t Was een maanlooze hemel, doch de lucht was als met sterren bezaaid en van een zóó helder blauw, dat zij de ruimte vulde als met een blauw licht. Het scheen dat de schemering voortduurde, zoo klaar en helder was de horizon.

En onder dezen heerlijken hemel strekten de oneindige wateren zich uit, schitterend blank, als glimlachend over de eigen glans, een phosphorieke gloed die kleine vlammen deed branden op iederen golf. Men kon van de aarde niets meer zien; de vlakte was verzwolgen door het water. Er waren oogenblikken dat ik het gevaar vergat. Aan de kust te Marseille had ik eens de zee gezien en ik was betooverd geweest door hare schoonheid.

“Het water stijgt, het water stijgt,” herhaalde mijn broeder Pierre, tusschen zijn tanden nog altijd den pijpesteel vermorzelend; het vuur was in het pijpje zelf echter gebluscht.

Het water was het dak tot op een meter genaderd. De wind stak meer op; met de kalmte was het gedaan. Wanneer het nog iets steeg, zouden wij door den heuvelrug, die ons nu nog beschutte, niet meer gedekt zijn. In minder dan een uur werd het water dreigend en kreeg het een valsch gelen gloed. Het stormde op het huis aan; tonnen, stukken hout en hoopen gras medevoerende. Nu en dan hoorden wij hoe in de verte de muren werden gebeukt en gerammeid. De populieren braken met een ijzig gekraak, huizen stortten in, alsof ’t karren steenen waren, omgekeerd aan den kant van den weg.

Jacques, wiens hart verscheurd werd onder de klachten der vrouwen, riep uit: “Wij kunnen hier niet blijven. Wij moeten wat probeeren .... Vader, ik smeek u, laten wij ’t een of ander beproeven.

“Ja, ja, er moet wat beproefd worden.”

Maar geen van allen wisten we eigenlijk wat.

Gaspard bood aan Véronique op zijn rug te nemen en haar zwemmende te redden. Pierre sprak van een vlot maken. Dat was dwaasheid natuurlijk. Cyprien eindelijk zeide:

“Als wij de kerk slechts konden bereiken.

Met zijn vierkanten toren stak de kerk hoog uit boven het water.

Door zeven huizen waren wij van haar gescheiden.

Onze hoeve, de eerste van het dorp, grensde aan een hooger gebouw, dat op zijn beurt weer tegen een naburig huis leunde. Misschien zou men over de daken inderdaad de sacristie en van daar de kerk kunnen bereiken. Reeds hadden verscheidene dorpsbewoners er een toevlucht gezocht; de naburige daken waren tenminste ledig en wij hoorden uit den toren het geluid van stemmen tot ons doordringen. Hoeveel gevaren waren echter aan dien tocht verbonden!

”’t Is onmogelijk,” zei Pierre. “Het huis der Raimbeau’s is te hoog. Wij zouden ladders noodig hebben om het te beklimmen.”

“Toch wil ik het eens probeeren,” zeide Cyprien. “En ik kom terug als het niet gaat. Als het mij gelukt gaan wij allen en zullen wij de vrouwen dragen.”

Ik liet hem gaan. Hij had gelijk. Men moest zelfs het onmogelijke beproeven. Door middel van een ijzeren haak, vastgemaakt in den schoorsteen, gelukte het hem op het dak van het naburige huis te klimmen. Het hoofd opheffende bespeurde zijne vrouw Aimée plotseling, dat hij verdwenen was en riep uit: “Waar is hij? Ik wil niet dat hij ons verlaat. Wij behooren bij elkaar, wij zullen ook samen sterven.”

Toen zij hem op het naaste dak bespeurde, vloog zij over de pannen heen, zonder de kinderen los te laten, uitroepende:

“Cyprien, wacht mij. Ik kom bij je, ik wil met je sterven.”

En zij bleef voortgaan. Tevergeefs boog hij zich voorover en bezwoer haar terug te keeren, zeggende dat hij terugkwam en dat het voor ons aller welzijn was, wat hij deed. Zij scheen hem niet te begrijpen, schudde het hoofd en herhaalde: “Ik kom bij je, ik kom bij je. Wat er ook gebeurt, ik ga met je.”

Hij moest de kinderen van haar aannemen en daarna haar behulpzaam zijn bij ’t opstijgen. Wij konden al hun bewegingen op den nok van ’t huis volgen. Zij vorderden langzaam. De beide kinderen, die schreiden, had zij weer in haar armen genomen: bij iederen pas keerde hij zich om, om haar te ondersteunen.

“Breng haar in veiligheid en kom dan dadelijk terug!” riep ik hem toe.

Ik zag hem de hand bewegen, doch het gebruisch van het water maakte het onmogelijk zijn woorden te verstaan. Weldra zagen wij hem niet meer. Zij waren op het andere huis, lager dan het eerste afgedaald. Na verloop van vijf minuten verschenen zij op het derde, welks dak zeer steil moest zijn, daar zij zich op de knieën langs de goot voortbewogen. Een plotselingen angst overviel mij. Ik zette de handen voor den mond en schreeuwde uit alle macht: “keer terug, keer terug!”

En allen, Pierre, Jacques, Gaspard, schreeuwden hun eveneens toe terug te keeren. Een oogenblik deden onze stemmen hun stilhouden. Toen zetten zij hun gevaarlijken tocht voort.

Thans bevonden zij zich bij den draai van de straat, vlak voor het huis der Raimbeau’s, een hoog gebouw, dat zeker drie meter boven de andere uitstak. Een oogenblik aarzelden zij.

Cyprien klom vervolgens met de vlugheid van een kat tegen de schoorsteenpijp op. Aimée, die had moeten beloven, hem te wachten, bleef met de kinderen op het dak achter. Wij konden haar duidelijk onderscheiden, de kinderen tegen haar borst aandrukkende, zwart afstekende tegen den lichten hemel. Van dat oogenblik af, begon de reeks van ongelukken.

Het huis der Raimbeau’s, oorspronkelijk tot werkplaats bestemd, was licht gebouwd. Ten overvloede stond het juist op den wind en meende ik dat het beefde en schudde bij de stooten van ’t water; met beklemd hart volgde ik Cyprien, terwijl hij het dak overstak.

Plotseling deed zich een vreeselijk gerommel hooren. De maan kwam te voorschijn, een ronde maan, eenzaam hangende aan den hemel, en wier geel licht het onmetelijke meer verlichtte met den bleeken gloed eener lamp. Geen enkele bijzonderheid van den ramp ontging ons.

Het huis der Raimbeau’s stortte in.

Een ontzaglijke wanhoopskreet rees uit ons op, toen wij Cyprien zagen verdwijnen. Een oogenblik zagen wij niets dan een groote opspatting van water, waaronder het dak verdween, toen werd alles weer stil, het water herkreeg zijn gladde oppervlakte; alleen lag daar nog als een zwart gat het karkas van het ingevallen huis; balken en latwerk wild dooreen geworpen. En tusschen die balken scheen zich een lichaam te bewegen, iets levends, dat bovenmenschelijke krachten inspande.

“Hij leeft!” riep ik uit. “God zij gedankt! Hij leeft! .. Zie daarboven dat licht dat de maan op het water werpt!”

Een zenuwachtige lach weerklonk. Wij klapten van vreugde in onze handen, alsof wij verblijd waren over onze eigen redding.

“Hij zal wel weer bovenkomen,” zeide Pierre.

“Ja zeker”, voegde Gaspard er bij, “zie hij beproeft den balk aan den linkerkant te grijpen.”

Maar ons lachen verstomde. Wij wisselden geen woord meer; de keel werd ons door de angst als toegesnoerd. Wij begrepen den vreeselijken toestand, waarin Cyprien verkeerde. Bij het instorten van het huis waren zijn voeten tusschen twee balken beklemd geraakt, en hij hing nu, zonder zich los te kunnen maken, met het hoofd naar beneden, slechts een halve handbreedte boven het water. Dat was een verschrikkelijke doodstrijd. Op het dak van ’n naburig huis stond Aimée nog altijd overeind, haar twee kinderen in de armen geklemd. Een zenuwschok doortrilde haar. Zij stond daar, den dood van haar echtgenoot voor oogen, geen oogenblik haar blikken van het vreeselijk tooneel losmakende dat zich een paar meter onder haar afspeelde. Een wild gehuil steeg uit haar borst op, als van een hond, die dol dreigt te worden van pijn.

“We kunnen hem toch zoo niet laten sterven”, zei Jacques. “Wij moeten naar beneden.”

“Misschien zouden wij langs de balken af kunnen dalen om hem zoo te bevrijden,” voegde Pierre er bij.

En zij spoedden zich naar het naaste dak, toen eensklaps het tweede huis instortte. De weg was nu geheel versperd. Een afgrijselijke huivering beving ons. Werktuigelijk grepen wij elkaars handen en drukten ze of wij ze verbrijzelen wilden, zonder onze blikken van het vreeselijk tooneel af te wenden.

Cyprien had eerst beproefd zich op te richten. Met buitengewone krachtsinspanning was het hem gelukt zich van het water verwijderd te houden, zijn lichaam in een schuine richting brengende. Die houding was echter al te vermoeiend. Toch worstelde hij nog en poogde zich vast te hechten aan de balken; hij sloeg de handen om zich heen om te voelen of er niets was waaraan hij zich kon optrekken. Ziende dat er niet te worstelen viel, gaf hij zich over, liet zich ruggelings vallen en bleef bewegingloos hangen. ’t Duurde lang voor de dood kwam. Zijn haren raakten even het water aan, dat langzaam steeg. De verkoeling moést hij in zijn hersenen wel voelen. Een eerste golf bedekte hem het voorhoofd, een tweede sloot hem zijn oogen. Langzaam zagen wij zijn hoofd verdwijnen.

De vrouwen aan onze voeten, hadden het gelaat in de handen verborgen. Wij zelf waren op de knieën gevallen, de armen uitgestrekt, weenend, smeekbeden fluisterend. En op het andere dak stond Aimée nog altijd overeind met hare twee kinderen, afgrijselijk huilende in den nacht!

IV.

Ik weet niet hoe lang wij in dezen toestand zijn gebleven. Toen ik weer meester over mijzelf werd was het water nog meer gerezen. Op ’t oogenblik bereikte het reeds de daken, ons dak was niet meer dan een klein eiland, omgeven door de oneindigheid van het water. Rechts en links waren de huizen ingestort en strekte zich de onmetelijke zee uit.

“Wij drijven”, murmelde Rose, die zich krampachtig aan de pannen vasthield.

En inderdaad hadden wij een gewaarwording alsof wij bewogen, alsof het dak losgemaakt op het water dobberde als een boot. Wanneer wij onze oogen echter op den onbeweeglijken kerktoren richtten, bespeurden wij dat wij ons nog aan dezelfde plaats bevonden, te midden van het onstuimig gerol der golven.

Thans begon het water den aanval. Tot nog toe had het zich bewogen in de richting der straat; de ruïnes die het thans den doortocht belemmerden, deden het terugvloeien. Nu werd het een ongeregelde aanval. Nauwelijks kwam een plank of een balk in het bereik der golven, of zij werden opgenomen en met ontzettende kracht tegen het huis geslingerd. En de golven lieten hen niet los, neen, zij trokken ze terug om er nog eens de muren mede te rammeien, regelmatig en geweldig. Tien, twaalf balken werden soms tegelijk aan alle kanten tegen ons aangeslingerd. Het water huilde, het schuim spatte om onze voeten. Wij hoorden het doodsgerochel van het volgeloopen, in zijn gebinten reeds krakende huis. Soms, als de aanval wat al te wild was geweest, meenden wij dat het met ons gedaan was, dat de muren vaneen scheurden en ons overleverden aan de woede der rivier.

Gaspard had zich op den rand van het dak gewaagd. Met zijn gespierde worstelaarsarmen greep hij een balk.

“Wij moeten ons verdedigen,” riep hij uit.

Jacques beproefde een langen stok in zijn vaart te grijpen. Pierre hielp hem. Ik zelf verwenschte den ouderdom, die mij krachteloos gemaakt had als een zwak kind.

Men begon de verdediging, een zinneloos duel, drie mannen tegen den machtigen stroom.

Gaspard wachtte met zijn balk de stukken hout af, welke het water met geweld tegen den muur poogde te slingeren en brak met een ruwen stoot, op korten afstand, hun kracht. Soms echter was de schok zóó hevig, dat hij omgeworpen werd. Naast hem beproefden Pierre en Jacques met hun langen stok hetzelfde doel te bereiken. Een uur ongeveer hielden ze dezen ongelijken strijd vol. Langzamerhand echter lieten zij den moed zakken, vloekende en het water verwenschende. Gaspard bracht de golven steeds degenstooten toe, doch zij rolden voort, onverdragelijk kalm, zonder één zichtbare wonde. Jacques en Pierre strekten zich doodelijk vermoeid op het dak uit, terwijl Gaspard, in een laatste poging, zich door de golven zijn balk liet ontrukken, die op zijn beurt den aanval tegen ons begon. Er was geen vechten tegen.

Marie en Véronique waren elkander in de armen gevallen. Zij herhaalden aldoor, op hartverscheurenden toon, dezelfde woorden, welke ik nog onophoudelijk in mijn ooren hoor weerklinken:

“Ik wil nog niet sterven! Ik wil nog niet sterven!”

Rose sloot beide in haar armen. Zij poogde haar te troosten, haar gerust te stellen, doch zijzelven, het bleeke hoofd opheffend, riep ondanks zichzelf:

“Ik wil nog niet sterven!”

Alleen tante Agathe zei niets. Zij bad zelfs niet meer en haar handen vergaten het slaan van een kruis. Half wezenloos liet zij haar blikken ronddwalen; als zij echter de mijne ontmoetten, poogde zij nog te glimlachen.

Nu besproeide het water zelfs de pannen. Geen hulp was meer te verwachten. Aldoor hoorden wij een klank van stemmen, van den kant der kerk; twee lantaarns waren een oogenblik in de verte zichtbaar geweest; een oneindige stilte was echter weder over alles neergedaald en de wateren stuwden meedoogenloos de gele golven voort. De bewoners van Saintin, die schepen hadden, waren zeker voor ons door den stroom verrast.

Gaspard bleef echter nog aldoor het dak rondwandelen. Plotseling riep hij ons en zei:

“Wacht!... Help mij eens en hou mij vast.”

Hij was weer een stok machtig geworden en bespiedde thans een groote zwarte massa, die langzaam op het huis aandreef. Het was het reusachtige dak van den een of anderen schuur, uit stevige planken samengesteld, dat de golven in zijn geheel hadden wegerukt, op ons afkomende als een vlot. Toen dit dak eenmaal binnen zijn bereik was, hield hij ’t met zijn stok tegen, voelende dat hij medegesleurd werd, riep hij ons toe hem vast te houden. Wij hadden hem om het middel en stonden stevig. Eenmaal in den stroom komende, dreef het van zelf tegen ons aan en wel met zoo’n schok, dat wij vreesden het uit elkaar te zien vallen. Dapper sprong Gaspard op dit vlot, dat het toeval ons toezond. Hij liep er over in alle richtingen om zich van de soliditeit te overtuigen, onderwijl Jacques en Pierre hem bij de hand vasthielden.

Vroolijk riep hij uit:

“Grootvader, wij zijn gered...... Laten de vrouwen niet meer schreien! ...... ’t Is een echt vlot, kijk, mijn voeten blijven volkomen droog, ’t Zal ons best houden. Wij zullen er beter zijn dan op het dak.” Niettemin vond hij het raadzaam de stevigheid wat te vergrooten. Hij greep de ronddrijvende balken, bond ze met de touwen aan elkaar, die Pierre bij toeval bij zich had gestoken, toen hij beneden de kamers voor ’t laatst had doorzocht. Hij viel zelf in ’t water, doch op den kreet die ons ontsnapte, antwoordde hij met luiden lach. Het water kende hem. Hij zwom de Garonne een mijl ver af. Weer op het dak geklommen, schudde hij zich af en riep:

“Vooruit, laten wij geen tijd verliezen, maar ons dadelijk inschepen.”

De vrouwen waren op de knieën gevallen. Gaspard moest Véronique en Marie naar het midden van het vlot dragen, waar hij haar neerzette. Rose en tante Agathe lieten zichzelve langs de pannen afglijden en plaatsten zich naast de jonge meisjes. Op dit oogenblik zag ik den kant van de kerk uit. Aimée stond daar nog altijd. Zij leunde nu met den rug tegen een schoorsteen, hare kinderen in de hoogte houdende met uitgestrekte armen, daar het water reeds aan haar middel was gestegen.

“Houdt u nu goed grootvader,” riep mij Gaspard toe. “Wij zullen haar in ’t voorbijgaan meenemen, dat beloof ik u.”

Pierre en Jacques waren eveneens op het vlot geklommen. Op mijn beurt sprong ik er ook op. Het boog een beetje naar éénen kant over, doch in werkelijkheid was het groot genoeg om ons allen te dragen. Gaspard was eindelijk de laatste, die het dak verliet en ons voorstelde de stokken te nemen, welke hij tot riemen had gevormd. Hij zelf had een bijzonder langen genomen, waarvan hij zioh met groote handigheid bediende. Wij lieten ons gaarne door hem bevelen. Op zijn commando zetten wij allen de stokken tegen het dak om af te duwen. Het was echter of het vlot aan het dak was vastgehecht. Ondanks al onze krachtsinspanning gelukte het ons niet het los te maken. Bij elke nieuwe poging voerde de stroom ons met kracht naar het huis terug. Dit was wel een van de gevaarlijkste manoeuvres, daar de schok iederen keer de planken dreigde te doen losgaan.

En opnieuw voelden wij onze kleinheid en onze onmacht.

Wij dachten gered te wezen en zagen dat wij nog altijd aan de rivier waren overgeleverd. Ik betreurde het dat de vrouwen zich niet op het dak bevonden; ieder oogenblik vreesde ik ze te zien neergeworpen in het water, te zien voortgesleurd door de onstuimige golven. Toen ik er evenwel van sprak onze oude schuilplaats weder op te zoeken, riepen allen uit:

“Neen, neen, laten wij nog eens probeeren! Wij sterven nog liever hier!”

Gaspard lachte niet meer. Wij hernieuwden onze pogingen, met verdubbelde kracht op de stokken drukkende. Pierre bedacht eindelijk om weer op het dak te klimmen en met behulp van een touw naar links te trekken; op die wijze hoopte hij ons buiten bereik van den stroom te brengen. Toen sprong hij weer op het vlot en een paar duwen met de stokken deden ons werkelijk de ruimte winnen. Gaspard herinnerde zich echter de belofte, welke hij mij gedaan had, van onze arme Aimée te gaan halen, wier klagend geluid niet ophield. Om dat ten uitvoer te brengen, moesten wij de straat oversteken en in den verschrikkelijken stroom, aan wiens armen wij juist ontsnapt waren, weder terecht komen. Hij vroeg mij met den blik om raad. Ik wist niet wat ik doen moest, alles draaide voor mijn oogen. Acht menschenlevens gingen wij in de waagschaal stellen. Toch, als ik een oogenblik aarzelde, was het te laat.

“Zeker, zeker”, zeide Gaspard. “Wij kunnen haar daar onmogelijk laten”.

Hij boog het hoofd zonder een woord te spreken en begon met zijn stok te sturen langs de overblijfselen der huizen. Wij voeren langs het naburige gebouw en over onze stallen. Toen wij evenwel in de straat kwamen, ontsnapte ons een kreet. De stroom, wiens armen ons weder vastgrepen, sleurde ons opnieuw mee en slingerde ons tegen ons huis. Dit alles was het werk van een paar seconden. Als een blad rolden wij om en zoo snel, dat onze angstkreet werd gesmoord in den schok van het vlot tegen de pannen. De planken scheurden los en dreven weg, terwijl wij allen terecht kwamen in den woedenden stroom.

Wat er verder gebeurde, weet ik niet. Ik herinner mij alleen nog, dat ik onder mijn val tante Agatha op het water zag liggen, drijvende op haar rokken; ik zag haar verdwijnen, het hoofd naar achteren, zonder zich te verroeren.

Een vreeselijke pijn deed mij de oogen openen. Het was Pierre die mij bij de haren tegen de pannen optrok. Ik lag daar, verstomd toeschouwende.

Pierre wierp zich opnieuw in de golven en ik verwonderde mij plotseling Gaspard te zien opduiken op de plaats waar hij verdwenen was, de jonge man had Veronique in de armen. Toen hij haar naast mij gelegd had, sprong hij opnieuw te water en bracht Marie boven, wier gelaat wasbleek was en zoo strak en onbeweeglijk, dat ik haar dood waande. Toen ondernam hij zijn tocht voor de derde maal. Dezen keer zocht hij echter tevergeefs. Pierre voegde zich bij hem. Zij spraken tegen elkander en deden elkaar aanwijzingen, die ik niet verstond. Toen zij uitgeput weer op dak klommen, riep ik uit:

“En tante Agathe, Jacques en Rose?”

Zij schudden het hoofd. Groote tranen stonden in hun oogen. Uit de weinige woorden, welke zij mij zeiden, begreep ik dat Jacques’ hoofd verbrijzeld was door den schok van een balk. Rose had zich aan het lijk van haar man vastgeklemd en was door hem mee in de diepte gesleurd. Tante Agathe was niet meer boven gekomen.

Wij vermoedden dat haar lichaam, door den stroom meegevoerd, het huis beneden ons door een open venster was binnengedreven.

Mij oprichtende zag ik naar het dak, waar Aiméé eenige minuten tevoren, zich nog krampachtig had staande gehouden. Het water steeg aldoor. Aimée huilde niet meer. Ik zag alleen haar verstijfde armen nog boven het water uitsteken, waarmede zij de kinderen voor den ondergang had hopen te redden. Toen verdween alles, het water sloot zich boven haar. En over dat alles goot de maan een bleeken lichtgloed.

Nu waren wij nog maar met ons vijven op het dak. Het water liet ons ter hoogte van den nok nog slechts een smallen strook over. Een der schoorsteenen was reeds ingestort. Wij moesten de in zwijm gevallen Véronique en Marie bijna overeind houden, wilden wij niet dat het water hare voeten bevochtigde. Eindelijk kwamen zij weer bij en onze angst werd grooter toen wij haar zoo doornat en bibberend zagen, aldoor roepende dat zij niet wilden sterven. Wij stelden ze gerust, zooals men kinderen geruststelt, zeggende dat zij niet sterven zouden, dat wij den dood wel zouden verhinderen aan haar leven te komen. Zij geloofden ons echter niet en voelden maar al te goed dat ook haar einde naderde. Iederen keer dat het woord “sterven” over haar lippen kwam, begonnen hare tanden te klapperen en deed de angst haar elkander in de armen vallen. Dat was het einde. Van het verwoeste dorp om ons, stond hier en daar nog een stuk muur overeind. Alleen de kerk verhief haar toren ongerept boven het water, en een stemmengeruisch van personen, die daar in veiligheid waren, drong gestadig tot ons door. In de verte dreunde het zware geklots van het water. Wij hoorden zelfs het instorten der huizen niet meer, vallende met het geluid van wagens met steenen, die plotseling worden leeggestort. Het was een algeheele verlatenheid, een schipbreuk in volle zee, op duizend mijlen afstands van de kust.

Een oogenblik meenden wij ter rechterzijde ’t geluid van riemen te vernemen. Men zou gemeend hebben een zachten, gelijkmatigen slag, die al duidelijker zich deed hooren. O, welk een heerlijke muziek vol blijde verwachting, hoe richtten wij ons allen op om die ster van hoop te zien dagen! Wij hielden onzen adem in. Doch wij bespeurden niets. De gele watervlakte strekte zich rondom ons uit, hier en daar gevlekt door schaduwvlakken, doch geen dezer zwarte stippen, kruinen van boomen of overblijfselen van ingestorte muren, bewoog zich.

Stukken drijfhout, bundels gras, leege tonnen, veroorzaakte ons een telkens teleurgestelde hoop; wij wuifden met onze zakdoeken, totdat we, onze dwaling bespeurende, terugvielen in den toestand van angst, die ontstond door het aldoor klinkende geluid, welks oorsprong wij niet konden ontdekken.

“Ha, ik zie haar!” riep Gaspard plotseling. “Kijk daar, een groote bark!”

En hij wees ons met uitgestrekte hand naar een ver verwijderd punt.

Ik zag niets. Pierre evenmin. Gaspard hield echter vol. ’t Was wel een bark. Het geplas der riemen in ’t water werd duidelijker. En wij eindigden zelf ook met haar te zien. Zij bewoog zich langzaam en ’t was of zij om ons heen draaide, zonder te naderen. Ik herinner mij nog hoe wij op dat oogenblik als gek waren. Wij hieven de armen omhoog met wild gebaar, wij stieten doordringende kreten uit, als wilden wij onze keel stuk schreeuwen. Doch zij, zwart en stom, ging al langzamer. Was het werkelijk wel een bark? Ik weet het nog niet. Toen wij haar meenden te zien verdwijnen, was ’t of onze laatste hoop van ons werd weggerukt.

Van nu af kon ieder oogenblik het huis ons medeslepen in zijn val. Het was als ’t ware ondermijnd en steunde nog maar op een dikken muur, die, wanneer hij instortte, alles moest medesleuren.

Waar ik mij echter bovenal beangst om maakte, was het buigen van het dak onder ons gewicht. Het huis zelf zou het misschien den ganschen nacht nog wel uithouden, alleen de pannen verdwenen voor en na, stukgeslagen en verbrijzeld door de aandrijvende balken.

Wij waren naar de rechterkant gevlucht, waar alles nog stevig in elkaar zat. Doch ook hier scheen de verzwakking een aanvang te nemen. Als wij alle vijf opeengehoopt bleven op dit plekje, zou de instorting niet ver meer zijn.

Sinds eenige oogenblikken had mijn broeder Pierre zijn pijpje werktuigelijk weer tusschen de lippen genomen. Hij draaide aan zijn ouden soldatenknevel, de wenkbrauwen gefronsd, sombere woorden prevelend. Het dreigend gevaar dat hem omringde en waartegen hij zich machteloos gevoelde, begon hem ongeduldig te maken. Twee of driemalen had hij in ’t water gespogen, met een uitdrukking van minachtenden toorn. Op eens, terwijl wij voelden dat het dak onder ons zakte, nam hij een kort besluit en liet zich naar beneden glijden.

“Pierre, Pierre!” riep ik, bevreesd dat ik hem begreep.

Hij wendde zich bedaard om en zei:

“Vaarwel, Louis.... ’t Duurt mij te lang, en ’k zal voor jelui plaats maken”.

Toen wierp hij zijn pijpje in de golven en het volgende zeide hij nog:

“Bonsoir, ik heb er genoeg van!”

Hij kwam niet meer boven. Zwemmen kon hij niet al te best. Bovendien scheen hij zich vrijwillig over te geven, het hart gebroken door onze ruïne en door den dood van al de onzen, die hij niet wilde overleven.

De torenklok sloeg twee uur in den morgen. De nacht ging eindigen, die verschrikkelijke nacht vol doodstrijd en tranen.

Al kleiner en kleiner werd de droge plek onder onze voeten; het was een aanhoudend geklots van water, van kleine kabbelende golfjes, die aanrolden en terugvielen. Opnieuw was de stroom van richting veranderd; het drijfhout zocht nu een weg rechts van het dorp, langzaam drijvende, alsof de wateren bijna het hoogtepunt bereikt, wat rust namen en loom en moe werden.

Plotseling trok Gaspard zijn schoenen en zijn vest uit. Ik had hem gedurende enkele oogenblikken zijn handen al zien vouwen en zich de vingers al te pletter zien drukken. Toen ik hem ondervroeg zeide hij:

“Luister eens, grootvader, ik ga nog liever dood dan zoo te moeten afwachten. Ik kan hier niet langer blijven.. Laat mij begaan en ik zal haar redden”.

Hij sprak van Véronique. Ik wilde zijn meening bestrijden. Nooit zou hij sterk genoeg zijn om het meisje tot aan de kerk te brengen. Hij hield echter vol.

“Zeker, zeker. Ik heb goede armen, ik voel mij sterk .. U zal ’t zien!”

Hij voegde erbij dat hij oneindig liever dezen gevaarlijken tocht ondernam dan hier als een kind te blijven afwachten, tot het huisje stukje voor stukje onder ons zou afbrokkelen.

“Ik bemin haar en zal haar redden”, herhaalde hij.

Ik bleef stil en roerloos en drukte Marie tegen mij aan. Toen meende hij dat ik hem zijn egoïsme euvel duidde en stamelde hij:

“Ik kom terug om Marie te halen, dat zweer ik u. Ik zal wel een boot vinden en op de een of andere wijze raad schaffen. Vertrouw gerust op mij, grootvader”.

Slechts zijn broek hield hij aan. Snel en fluisterend richtte hij zich tot Véronique; zij verweerde zich niet, zij gaf zich gewillig aan hem over, niet de geringste vrees gevoelende. Op ieder zijner gezegden antwoordde zij, als wezenloos, slechts “ja”.

Na een teeken des kruizes gemaakt te hebben, schoon hij anders volstrekt niet vroom was, liet hij zich van het dak afzakken, Véronique aan een touw vasthoudende, dat hij onder de armen door gebonden had. Zij stootte een vreeselijken kreet uit, sloeg met armen en beenen in ’t water en viel daar in zwijm. “Dat vind ik beter”, riep Gaspard mij nog toe. “Nu sta ik voor haar in”.

Men kan zich voorstellen met welk een angst ik hen met de oogen volgde. Op het blanke water zag ik de minste bewegingen van Gaspard. Hij ondersteunde het jonge meisje met behulp van zijn touw, dat hij om zijn eigen hals had geslagen; zoo droeg hij haar, half rustende op zijn rechterschouder, voort. Soms werd het gewicht hem te zwaar; niettemin kwam hij vooruit, zwemmende met bovenmenschelijke inspanning. Reeds een derde van den afstand had hij afgelegd en ik twijfelde niet meer, toen hij zich plotseling stootte aan een onder water verborgen muur. De schok was verschrikkelijk. Beiden verdwenen. Daarna zag ik hem weder te voorschijn komen, alleen; het touw moest gebroken zijn. Tweemaal dook hij. Eindelijk kwam hij boven, Véronique weder rustende op zijn rug. Hij had nu echter geen touw meer om haar te steunen en de last werd te zwaar. Toch ging hij nog aldoor vooruit. Ik beefde van vreugde nu ik hen al dichter de kerk zag naderen. Plotseling, ik wilde schreeuwen, bemerkte ik balken die op hen aandreven. Mijn mond bleef wijd open staan: een nieuwen schok had hen gescheiden, de wateren waren weer gesloten.

Sinds dat oogenblik waren mijn zinnen verdwenen. Nog maar één gedachte vervulde mij, die van het beest, denkend aan zijn redding. Toen ’t water nog hooger steeg, kroop ik terug. In deze verstandsverbijstering hoorde ik eensklaps luid lachen, zonder mijzelf te kunnen verklaren wie het deed. De zon ging op, een bleeke gloed overstroomde den hemel. Het was heerlijk weer, frisch en kalm, als aan den kant van een vijver voor het opgaan der zon. Aldoor klonk die luide lach en omziende zag ik Marie rechtop staan in haar doorweekte kleeren. Zij lachte zoo.

Ach, dat arme lieve kind, wat was zij teeder en beminnelijk in dat morgenuur! Ik zag haar zich bukken en in haar handen wat water scheppen, waarmede zij zich het gelaat waschte. Daarop strikte zij haar langen blonden haren in een knoop op het achterhoofd. Ongetwijfeld maakte zij haar toilet en meende zij in haar klein kamertje te zijn, op Zondagmorgen, als de klok vroolijk luidt. Zij bleef doorlachen met haar kinderlijken lach, haar heldere oogen, haar van geluk stralend gelaat.

En ik, door haar waanzin aangegegrepen, begon te lachen, evenals zij. De angst en ontzetting hadden haar krankzinig gemaakt en ’t was een geluk dat zij zoo verrukt was over de heerlijkheid van dien lente-morgen.

Ik liet haar zich haasten, zonder evenwel iets te begrijpen en het hoofd schuddend. Zij knapte zich op en toen zij meende gereed te zijn, begon zij met haar glasheldere stemmetje een kerkgezang aan te heffen. Zij viel zichzelve echter in de rede en riep als antwoord op een stem, die haar riep en die zij alleen scheen te hooren: “Ik ga er heen, ik kom!”

Weder begon zij haar lofzang te zingen, daalde zachtjes het dak af en liep het water in, dat haar in zijn schoot ontving geruischloos.

Ik glimlachte aldoor en beschouwde met van geluk stralend gelaat de plek, waar zij verdwenen was.

Daarna herinner ik mij niets meer. Ik was alleen op het dak.

Nog steeg aldoor het water. Eén schoorsteen stond nog slechts overeind en ik geloof dat ik mij met al mijn krachten daaraan vastklemde, als een beest, dat niet sterven wil. En daarna niets meer, niets, een zwart gat, het eeuwige niets......

VI.

Waarom ben ik nog hier? Men heeft mij verteld, dat tegen zes uur de mannen van Saintin met hun barkassen gekomen zijn en dat zij mij bezwijmd boven op den schoorsteen hebben gevonden. De wateren zijn zoo wreed geweest mij te sparen, nadat zij al de mijnen hebben medegevoerd.

Ik, de oudste, ik moet hen allen overleven.

Zij zijn allen heengegaan, de zuigelingen, de huwbare meisjes, de jonge echtgenooten, het oude paar. En ik, ik leef nog als een onkruid, verschrompeld en verdroogd, tusschen de straatsteenen vastgeworteld. Als ik moed had, zou ik doen als Pierre en zeggen: “Bonsoir, ik heb er genoeg van!” en mij in de Garonne werpen om den weg te gaan, dien zij allen hebben gevolgd. Mijn kinderen zijn dood, mijn huis is vernield, mijn velden liggen verwoest. O, die heerlijke avonden, als wij allen aan tafel zaten, de ouden in ’t midden, de kleintjes naast elkaar, wat een vroolijkheid en een warmte! En die dagen van den oogst, als wij allen hard meêwerkten en wij thuis kwamen, trotsch op onzen nieuw verworven rijkdom! En de kinderen en de wijngaarden, de meisjes en de korenvelden, dat alles, de vreugde van mijn ouderdom, de levende belooning voor mijn werkzaam leven! Nu dit alles dood is, lieve God, waarom wilt Gij nu nog dat ik zal leven!

Troost baat mij niet. Hulp wensch ik niet. Ik zal mijn akkers geven aan de dorpelingen, wier kinderen nog leven. Zij zullen den moed hebben ze van het drijfhout te bevrijden en ze opnieuw vruchten te doen dragen. Als men geen kinderen meer heeft, verlangt men niets dan een hoekje om te sterven. Slechts één wensch heb ik nog, één enkel verlangen: ik zou zoo gaarne de lichamen der mijnen terug hebben om ze te begraven op ons kerkhof, onder een steen, waar ik mij bij hen kon voegen. Men vertelde dat te Toulouse een menigte lijken waren aangespoeld.

Ik ben besloten er heen te gaan.

Wat een verschrikkelijke ramp heeft het land getroffen!

Twee duizend huizen zijn ingestort; zeven honderd menschen verloren het leven alle bruggen zijn weggeslagen; een heele landstreek is met den grond gelijk gemaakt, verdronken onder het slijk; en wat een verschrikkelijke drama’s; twintig duizend ellendigen, half naakt en stervende van honger; de stad verpest door de lijken, doodsbenauwd door de vrees voor typhus; rouw overal, de straten vol lijkstaties; aalmoezen onmachtig zooveel leed te stillen. Zonder iets op te merken, liep ik midden door de ruïnes. Ik had echter mijn eigen dooden, mijn eigen leed, waaronder mijn hart verpletterd was.

Men heeft mij verteld dat inderdaad verscheidene lijken zijn opgevischt. Zij waren reeds begraven, in lange rijen, in een hoek van ’t kerkhof. Men had echter zorg gedragen de onbekenden te photografeeren. En onder deze afgrijselijke portretten heb ik die gevonden van Gaspard en Véronique. De beide verloofden hielden elkaar hartstochtelijk omvat, in den dood elkander den bruidskus gevende. De verstijfde armen hielden elkaar nog stevig omklemd, de mond rustte nog tegen den mond en men zou hun de ledematen hebben moeten breken, om hen te scheiden. Zoo tezamen had men hen gephotografeerd en zij sliepen ook zoo tezamen onder den grond. Slechts die verschrikkelijke beeltenis heb ik altijd voor oogen, van die twee lieve kinderen, door de golven verzwolgen, doch op hun gelaat nog de trekken van een teederen heldenmoed. Ik staar hen aan en ween.