HOE MEN STERFT.
I.
De graaf de Verteuil is vijftig jaar. Hij behoort tot een der aanzienlijkste families van Frankrijk en is schatrijk. Verstoord op het gouvernement heeft hij zijn tijd zoek gebracht op zijn wijze en eenige artikelen geschreven in hoogst ernstige tijdschriften, welke hem een plaats bezorgd hebben in de Academie van zedekundige en politieke wetenschappen. Daarna heeft hij zich in den handel begeven, zich toegelegd op den landbouw, op schoone kunsten enz.
Eéns zelfs is hij afgevaardigde geweest en heeft hij zich onderscheiden door de hevigheid zijner oppositie.
Gravin Mathilde de Verteuil is zes en veertig jaar. Nog wordt zij de beminnenswaardigste blondine van Parijs genoemd. De ouderdom schijnt haar huid nog blanker te maken.
Vroeger was zij wat mager; tegenwoordig hebben haar schouders de ronding van een sappige vrucht aangenomen.
Nooit is zij wat men noemt schoon geweest. Als zij een salon binnentreedt met haar gouden haren en satijnen hals, lijkt zij een opgaande ster; meisjes van twintig jaar zijn zelfs jaloersch op haar.
Het huishouden van den graaf en de gravin is een van die, waar niets van te zeggen valt. Zij zijn getrouwd, zooals men meestal in hun stand trouwt. Zelfs beweert men dat zij zes jaar in de beste harmonie samen geleefd hebben.
Toen kreeg zij een zoon, Roger, die luitenant is en een dochter, Blanche, die verleden jaar getrouwd is met den heer de Bussac. In die twee kinderen vinden zij zichzelf terug. De jaren, dat zij feitelijk met elkaar gebroken hebben, zijn zij niettemin goede vrienden gebleven, het egoïsme op den voorgrond stellende. Zij vragen elkaar om raad en zijn voor ’t oog van de wereld op den besten voet. Komen zij thuis, dan gaan zij naar hunne afzonderlijke vertrekken en ontvangen hun intieme kennissen ieder op eigen wijs.
Eens op een nacht kwam Mathilde om twee uur ’s morgens van een bal thuis. Haar kamenier ontkleedde haar en zei, op ’t oogenblik dat zij heen zou gaan:
“Mijnheer de graaf was wat ongesteld vanavond.”
De gravin, half slapende, wendde loom het hoofd om, zeggende:
“Zoo!”
Zich daarna in haar bed uitstrekkende, voegde zij er bij:
“Wek mij morgen om tien uur; ik verwacht de modiste”.
Toen den volgenden morgen de graaf niet aan het dejeuner verscheen, liet de gravin naar zijn toestand informeeren en besloot tenlaatste hem persoonlijk op te zoeken. Zij vindt hem zeer bleek te bed liggen. Drie geneesheeren zijn er reeds geweest, hebben zacht met elkaar gesproken en hun bevelen achter gelaten; tegen den avond zullen zij terugkomen. De zieke wordt door twee bedienden verzorgd, die ernstig en stil om hem dwalen, het geluid hunner voetstappen doovende.
De groote kamer dommelt in benauwende rust; geen stuk linnengoed is achteloos ergens neer geworpen, ieder meubel staat op zijn plaats. ’t Is de kalme, bezadigde, ceremonieuse zieke, die bezoek verwacht.
“Hebt gij pijn, mijn vriend?” vroeg de gravin binnentredend.
De graaf doet een poging, om te glimlachen.
“Och, een beetje moe, zonder dat ik rusten kan,” antwoordde de zieke. “Ik dank u voor uw attentie.”
Twee dagen verliepen. De kamer bleef even waardig; ieder voorwerp bleef op zijn plaats, de fleschjes en potjes verdwenen zonder een spoor achter te laten.
De glad geschoren gezichten der bedienden durfden zelfs geen gevoel van verveling uitdrukken. De graaf weet evenwel dat hij in doodsgevaar verkeert; hij heeft den geneesheeren de waarheid afgedwongen en laat hen handelen zonder een klacht te uiten. Meest ligt hij met gesloten oogen, ofwel staart hij voor zich heen als dacht hij na over zijn eenzaamheid.
Aan de wereld vertelt de gravin dat haar echtgenoot ziek is. Zij heeft evenwel geen enkele harer gewoonte afgelegd, zij slaapt en eet en wandelt op haar gewone uren. Iederen avond en iederen morgen gaat zij zelf den graaf vragen hoe ’t hem gaat.
“Wel, is het wat beter, mijn vriend?”
“Zeker, veel beter, dankje wel, lieve Mathilde.”
“Als ge ’t wenscht, zal ik bij u blijven.”
“Welneen, dat is niet noodig. Julien en François zijn voldoende........ Waarom zoudt gij u vermoeien?”
Zij zelf begrepen elkaar volkomen. Zij hadden gescheiden geleefd, zij wenschten ook gescheiden te sterven. De graaf wenschte dat bittere egoïstische genot van heen te gaan geheel alleen, zonder om zich het blijspel der smart te zien. Hij wenschte voor zich zelf en voor de gravin de onaangenaamheid van het laatste tête-à-tête zoo kort mogelijk te maken.
Zijn laatste verlangen was zoo stil mogelijk te verdwijnen, als een man van de wereld, die er niet van houdt anderen overlast aan te doen.
Op een avond echter voelde hij dat de adem hem begaf en dat hij den nacht niet zou doorkomen.
Toen de gravin hem haar gewoon bezoek bracht, trachtte hij nog te glimlachen en zei:
“Neen, ga niet heen...... ik voel mij zoo vreemd”.
Hij wenschte te vermijden dat de wereld praatjes omtrent haar onachtzaamheid uit zou strooien en zij, hem begrijpende, verwachtte deze vingerwijzing.
Zij installeerde zich in zijn kamer. De geneesheeren verlieten den stervende niet meer.
De beide bedienden gingen met hun gewone werkzaamheden voort, even stil en even ijverig.
Men had de kinderen laten roepen. Roger en Blanche stonden bij het bed, naast hun moeder. Andere familieleden bevonden zich in het naaste vertrek. Op deze wijze gaat de nacht voorbij, in angstige afwachting.
Tegen den morgen worden de heilige sacrementen toegediend, de graaf vond deze laatste godsdienstige ceremonie noodzakelijk. Thans kan hij in vrede sterven.
Hij haast zich echter niet en schijnt zijn krachten te herwinnen, teneinde een benauwden doodstrijd te verhinderen. Zijn ademhaling is als het geluid van een horloge dat afloopt.
’t Is een man van de wereld, die hier gaat.
Als hij zijn vrouw en kinderen vaarwel gekust heeft, wendt hij zich van hen af, keert zijn gelaat naar den muur en sterft alleen.
Een der geneesheeren buigt zich over hem heen en sluit de oogen van den doode. Daarop zegt hij op zachten toon:
“Het is gedaan.”
Snikken en zuchten klinken in stilte. De gravin, Roger en Blanche zijn neergeknield. Zij weenen in hun gevouwen handen; hun gezichten ziet men niet. De kinderen nemen daarop hun moeder meê, die bij de deur, nog eens haar droefheid willende toonen, een laatste zucht slaakt. Sinds dit oogenblik behoort de doode aan de treurige pracht en weelde, waarmede men hem gaat omringen.
De geneesheeren zijn vertrokken, met gebogen rug loopende, een quasi bedroefd gezicht trekkend. Men heeft bij de parochie een priester verzocht om bij het lijk te waken.
De twee bedienden blijven bij den priester, op hun stoelen gezeten, recht en onbeweeglijk dit is het einde van hun diensttijd. Een van hen bemerkt een lepel, welken men op een meubel heeft laten liggen; hij staat op en laat hem vlug in zijn zak glijden, opdat de ordelijkheid in de kamer niet gestoord worde.
Beneden in ’t salon hoort men een geluid van hamers; ’t zijn de behangers, die dat vertrek in lijk-kapel veranderen. De gansche dag gaat voorbij met het balsemen; de deuren zijn gesloten, de persoon die balsemt is alleen met zijn helpers. Als men den volgenden dag den graaf afdraagt en op het rustbed legt, is hij geheel gekleed, een jeugdige frischheid op ’t gelaat.
Om negen uur vult zich op den dag der uitvaart, het gebouw met stemmen. De zoon en schoonzoon van den overledene, wachten in een salon op de eerste étage de bezoekers af; zij buigen en zijn stom beleefd als bedroefde menschen. De aanzienlijksten uit den lande zijn daar: de adel, het leger, de wettelijke macht; zelfs senatoren en leden van het Instituut.
Om tien uur eindelijk zet de stoet zich in beweging om naar de kerk te gaan. De lijkwagen is een eerste klasse voertuig, met pluimen versierd, gedrapeerd met zwarte kleeden met zilveren franjes. De slippen worden gedragen door een maarschalk van Frankrijk, een hertog, oud vriend van den overledene, een oud-minister en een lid van de Academie.
Roger en mijnheer de Bussac begeleiden de kist. Dan komt de stoet, een stroom van gewichtige personages, die fluisterend praten en met gemaakt-eentoonige stappen loopen, gehandschoend en zwart-gedast.
Voor alle vensters staan kijkers; de menschen staan aaneengesloten op de trottoirs, nemen de hoeden af en zien hoofdschuddend den versierden lijkwagen voorbijgaan. Het verkeer is gestremd door de onafzienbare rij van bijna ledige rouw-rijtuigen; de omnibussen, de huur-rijtuigen hoopen zich in de dwarsstraten op; men hoort het gevloek der koetsiers en het geklap der zweepen. Gedurende dezen tijd houdt de gravin de Verteuil haar kamer, zeggende dat zij van smart gebroken is.
In een luien stoel uitgestrekt, speelt zij met de uiteinden van haar ceintuur, droomerig het plafond aanstarende. In de kerk duurt de plechtigheid bijna twee volle uren. Van den morgen af ziet men niets dan ijverig in den weer zijnde priesters, bevelen gevende, zich het voorhoofd afdroogende en den neus snuitende op luidruchtige wijze.
In het midden van ’t gebouw schittert in een zee van licht de zwarte catafalk. Eindelijk heeft zich de stoet geschaard, de vrouwen links, de mannen rechts; en de orgeltonen dreunen klagelijk, de koorzangers zingen fluisterend, temidden van het groene schijnsel der lichten, die een droeve bleekheid werpen over den doodenpraal.
“Moet Faure niet zingen?” vraagt een afgevaardigde aan zijn buurman.
“Ja, dat geloof ik wel”, zegt deze, een oud prefect, die in de verte glimlacht tegen de dames.
En wanneer de stem van den zanger hoog opklinkt met zacht gesidder:
“Wat een methode, wat een volheid!” en hij schudt van verrukking het hoofd.
Het gansche gezelschap is aangedaan. De dames hebben een glimlach om de lippen en denken aan haar opera-avonden. Die Faure heeft waarlijk talent!
Een vriend van den doode fluistert:
“Hij heeft nog nooit zoo mooi gezongen! ........ ’t Is jammer dat die arme Verteuil hem niet hooren kan; hij hield zooveel van hem!”
De priesters in hun zwarte gewaden, bewegen zich rondom den catafalk en prevelen latijnsche gebeden, met de wijkwasten sprenkelend. Na de familieleden de handen gedrukt te hebben, gaat men uiteen. Daarbuiten worden zij verblind door het volle licht.
’t Is een heerlijke Juni-dag. Op het kleine plein vóór de kerk sloot men elkander aan. ’t Is een heele stoet en ’t kost vrij wat moeite er weer orde in te brengen. Zij, die niet verder meê gaan, verdwijnen. Op twee honderd meter afstands bespeurt men reeds aan het einde der straat de wuivende pluimen van den lijkkoets. En nog aldoor staat het pleintje vol rijtuigen. Men hoort het dichtslaan der portieren en het haastig getrappel der paarden op het plaveisel. De koetsiers rijden achter elkaar en voort gaat het naar het kerkhof.
In de rijtuigen voelt men zich weer op zijn gemak; men kan zich voorstellen langzaam een ritje naar het Bosch te maken op een schoonen lentedag.
Als men de lijkkoets niet meer ziet, vergeet men dat men een begrafenisplechtigheid bijwoont en de gesprekken worden opnieuw aangeknoopt; de dames spreken over het zomer-seizoen, de heeren over hun zaken.
“Zeg eens, mijn waarde, gaat gij van ’t jaar nog naar Dieppe?”
“Ja misschien. Maar dan toch niet vroeger dan Augustus........ Zaterdag gaan wij naar ons buiten aan de Loire.”
“Ja, en toen heeft hij dien brief weten machtig te worden en hebben zij geduelleerd. Och, een schrampje, meer heeft hij niet opgeloopen”.
“’s Avonds heb ik nog met hem in de club gedineerd en heeft hij mij zelfs nog vijf en twintig louis afgewonnen”.
“Nietwaar? De vergadering van aandeelhouders is overmorgen?...... Men wil mij lid van het Comité maken, doch ik ben zoo geweldig druk, dat ik het niet weet of ik het aan zal nemen.”
Een oogenblik ging de stoet door een kleine laan.
Een frissche schaduw viel uit de boomen en een zonnige vroolijkheid zong in het groen.
Plotseling buigt zich een dame uit het portier en roept uit:
“Och, wat is het hier mooi!”
Op dit oogenblik rijdt de stoet het kerkhof Montparnasse in. De stemmen zwijgen, men hoort slechts het geknars der wielen op het zand der paden. Men steekt het kerkhof dwars over; het familiegraf der Verteuils is heel achteraan links: een groot grafgesteente van wit marmer, een soort van kapel, rijk met beeldhouwwerk versierd. Men plaatst de kist voor de deur dezer kapel en de lijkredenen beginnen.
Er worden vier gehouden. De oud-minister herdenkt het politieke leven van den gestorvene, dien hij voorstelt als een bescheiden genie, welke zeker Frankrijk zou hebben gered, als hij niet zoo’n afkeer had gehad van intrigues.
Een vriend spreekt vervolgens over de burger-deugden van den doode, welken allen beweenen. Daarop neemt een onbekend heer het woord als afgevaardigde van een industrieel genootschap, waarvan de graaf de Verteuil eere-voorzitter was geweest. Een klein mannetje, met een grijzig uiterlijk, vertelt ten slotte hoe bedroefd de Academie van zedelijke en politieke wetenschappen is over het heengaan van dezen voorbeeldigsten harer leden.
Gedurende dezen tijd nemen de toehoorders de naburige graven in oogenschouw en lezen de opschriften op de marmeren steenen. Zij, die schijnbaar toeluisteren, vangen slechts enkele klanken op. Een grijsaard, met opeengeklemde lippen, schudt het hoofd nadat hij heeft hooren spreken van: “zijn grootheid van hart, zijn edelmoedigheid en zijn goed en edel karakter....” en zegt:
“Ja, ja, ik heb hem gekend; ’t was een hond van een kerel.”
Het laatste vaarwel vervliegt in de lucht. Als de priesters het lijk gezegend hebben, trekt de menigte zich terug en blijven er op deze stille plaats geen anderen over, dan de doodgravers, die de kist laten zakken. De touwen schuren met een dof geraas langs de kist, die kraakt.
De gravin de Verteuil is thuis.
In haar luien stoel heeft de gravin zich niet bewogen. Nog aldoor speelt zij met den slip van haar ceintuur, de oogen naar het plafond gericht, in droomen verzonken, die langzamerhand weer een blos tooveren op haar schoon gelaat.
II.
Mevrouw Guérard is weduwe. Haar echtgenoot, dien zij sedert acht jaar heeft verloren, was magistraat. Zij behoort tot een zeer voorname familie en bezit een fortuin van twee millioen. Zij heeft drie kinderen, alle drie zoons die, bij den dood van hun vader, ieder vijfmaal honderdduizend francs hebben mede gekregen.
Deze kinderen echter, opgegroeid in zoo’n strenge, stille omgeving, hebben de weelde der vrijheid niet kunnen dragen en binnen weinige jaren hun vijfmaal honderdduizend francs verteerd. De oudste, Charles, werd een hartstochtelijk mechanicus, die zijn geld heeft weggesmeten in dolzinnige uitvindingen. De tweede, Georges, heeft zich laten uitkleeden door de vrouwen. De derde, Maurice, heeft zich door een vriend laten bestelen, met wien hij een theater op zou richten. Op ’t oogenblik leven deze drie zoons op kosten hunner moeder, die hen wel wil huisvesten en eten geven, maar voorzichtigheidshalve den sleutel der brandkast bij zich houdt.
Dit gezin bewoont een groot gebouw in de rue de Turenne.
Mevrouw Guérard is acht en zestig jaar. Met den ouderdom zijn de eigenaardigheden gekomen. Zij wenscht een stilheid en netheid als van een klooster om zich. Ze is vrekkig, telt de klontjes suiker, sluit zelfs de aangebroken wijnflesschen weg, deelt het tafellinnen en de borden uit, naar gelang er noodig is. Haar kinderen houden ongetwijfeld veel van haar en, ondanks hun dertig jaar en hun dwaasheden, heeft zij hen steeds het noodige ontzag weten in te boezemen.
Ziet zij zich echter alleen, te midden van deze drie groote kwajongens, dan krijgt zij een drukkend gevoel over zich, dan vreest zij ieder oogenblik dat zij haar geld zullen vragen en zij niet zal durven weigeren het te geven. Zij is daarom zoo verstandig geweest haar fortuin in vaste goederen te beleggen en bezit drie huizen te Parijs en wat grond ter hoogte van Vincennes. Deze bezittingen kwellen haar meer dan men denkt; zij is echter tevreden en vindt steeds een uitvlucht om geen al te groote sommen te gelijk behoeven te geven.
Charles, Georges en Maurice doorsnuffelen het huis in alle hoeken, elkaar het brood betwistende en de een den ander zijn grooten honger verwijtende. De dood van hun moeder zou hen opnieuw rijk maken, dat weten zij, en achten zij voldoende om af te wachten zonder wat uit te voeren. Hoewel zij er nooit over spreken, is hun nachtmerrie de wijze waarop de verdeeling plaats zal hebben; worden zij ’t niet eens, dan publiek verkoopen, wat toch altijd een schadelijke oplossing is. Zij denken aan dit alles, zonder eenig onedel verlangen, alleen maar omdat men alles van tevoren moet bezien. Zij zijn vroolijk als goede kinderen, middelmatig eerlijk; zij wenschen dat hun moeder zoo lang leeft als maar eenigszins mogelijk is. Zij hindert hen volstrekt niet. Zij wachten bedaard af, dat is alles.
Op een avond van tafel afgaande voelt mevrouw Guérard zich ongesteld. Haar zoons dwingen haar naar bed te gaan en laten haar met de kamenier alleen, toen zij de zekerheid meenden te hebben dat het wat beter was en zij alleen maar verschrikkelijke hoofdpijn had. Den volgenden morgen was de toestand der oude vrouw evenwel erger en de gewone huisdokter wenschte er met een ander over te consulteeren. Mevrouw Guérard is werkelijk in levensgevaar. Gedurende acht dagen wordt nu aan het ziekbed der stervende een waar drama afgespeeld. Ziende dat zij de kamer niet kon verlaten, is haar eerste zorg geweest zich van alle sleutels meester te maken, om die onder haar hoofdkussen te verbergen. Van haar bed af, wenschte zij nog het commando te voeren en haar kasten te behoeden voor plundering. Zij worstelde met zichzelve, de twijfel verscheurt haar. Eerst na langdurige aarzelingen kan zij besluiten. Haar drie zoons staan daar voor haar en zij bestudeert hen met vage blikken, een goede ingeving wachtende.
’t Is in George dat zij op een goeden dag vertrouwen stelt. Zij beduidt hem wat naderbij te komen en zegt hem zachtjes:
“Kijk eens, hier is de sleutel van ’t buffet, haal den suiker eens...... Na weer goed gesloten te hebben, brengt gij mij den sleutel terug”.
Op een anderen dag wantrouwt zij Georges; zij vervolgt hem met den blik, als vreesde zij dat hij de ornamentjes van den schoorsteen in zijn zak zou steken. Dan roept zij Charles, vertrouwt hem op zijn beurt den sleutel toe en fluistert:
“De kamenier zal met je meêgaan. Let goed op als zij de lakens krijgt en sluit de kast achter haar”.
Haar grootste kwelling is aldoor zelf niet meer over het huishouden te kunnen gaan. Zij herinnert zich de dwaasheden harer kinderen, zij weet dat zij lui zijn, veel eten, een zwak verstand hebben en hun handen niet thuis kunnen houden. Zij voelt zich lang geen de minste achting voor hen; geen enkele harer droomen hebben zij verwezenlijkt en storen zich niet in ’t geringste aan haar stelregels van zuinigheid en strengheid. Alleen de moederlijke liefde komt nu en dan boven en doet haar hen weer in genade aannemen. In haar smeekende oogen leest men dat zij hun erbarming vraagt om haar te sparen zoolang zij nog in leven zal zijn, dat zij eerst daarna er toe zullen overgaan de kasten te ledigen en den inhoud te verdeelen. Deze verdeeling nog bij haar leven, zou een àl te vreeselijke marteling voor haar zijn.
Charles, Georges en Maurice vertoonen echter niet de minste kwade neigingen. Zij verstaan zich in zooverre onderling, dat een van hen altijd in de nabijheid der moeder is.
Een werkelijke genegenheid straalt in hun minste zorgen door. Onwillekeurig echter brengen zij met zich de zorgeloosheid van de buitenwereld, den geur der sigaar, welke zij gerookt hebben, de nieuwtjes welke in de stad rondgaan. En het egoïsme der zieke lijdt er onder dat zij in haar laatste uren, voor haar kinderen niet meer alles zijn kan. Haar wantrouwen maakt echter de verhouding hoe langer hoe drukkender. Als zij niet dachten aan het fortuin, dat zij gingen erven, zou zij er hen aan hebben doen denken, door de wijze, waarop zij haar schat tot den laatsten ademtocht verdedigt. Zij ziet hen aan met een blik zóó scherp, met een vrees zóó duidelijk, dat zij het hoofd omwenden. Daarna meent zij dat zij haar doodsstrijd bespieden; en inderdaad, zij denken daaraan, zij worden onophoudelijk er toe gedreven door de vragende blikken der oude vrouw. Zij zelf doet de hebzucht in hen ontwaken. Ziet zij een van hen met bleek gelaat droomerig staan, dan zegt zij:
“Kom dichter bij mij...... Waar denk je aan?”
“Aan niets, moeder”.
Hij schrok echter onwillekeurig. Zij schudt langzaam het hoofd en voegt er aan toe:
“Ik verschaf je wel zorg, kinderen. Kom, kwel je niet al te zeer, ik zal er spoedig niet meer zijn”.
Zij omringen haar, zweren haar dat zij haar beminnen en beter zullen maken.
Zij antwoordt dat dit onmogelijk is met een stommen hoofdknik en wordt nog wantrouwender dan voorheen. ’t Is een verschrikkelijke doodstrijd, vergiftigd door het geld.
De ziekte duurt drie weken. Reeds hebben vijf consulten plaats gehad; de grootste beroemdheden op geneeskundig gebied zijn bij haar geweest. De kamenier helpt de zoons van mevrouw om haar te verzorgen; doch ondanks al deze voorzorgsmaatregelen, is er eenige wanorde in het vertrek ontstaan. Alle hoop is verloren, de geneesheer deelt mede dat de zieke ieder uur kan bezwijken.
Op een morgen dat de zoons meenen dat zij ingeslapen is, spreken zij met elkander over een moeielijkheid, welke zich heeft voorgedaan. ’t Is de vijftiende Juli. Zij zelf had steeds de gewoonte de huur te innen van haar huizen en de zoons zijn er verlegen mede, niet wetende op welke wijze dit geld te doen binnenkomen. De concierges hebben reeds gevraagd hoe zij handelen moeten. In den toestand, waarin de zieke thans verkeert, is het onmogelijk haar over zaken te spreken. Niettemin, wanneer het een of ander ongeluk gebeurde, zouden wij geld noodig hebben.
“Lieve hemel!” zei Charles zachtjes, “ik ga, als jelui dat wilt, mij aan de huurders voorstellen.... Zij zullen den toestand begrijpen en ons betalen”.
Georges en Maurice schenen echter in dit middel niet veel behagen te scheppen. Ook zij zijn wantrouwend geworden.
“Wij zouden je kunnen vergezellen”, zegt de eerste. Wij hebben alle drie geld noodig”.
“Wel, ik zou het geld wel hier brengen. Je denkt toch niet dat ik er mee aan den haal zal gaan?”
“Neen, maar het is beter dat wij alle drie bij elkaar zijn. ’t Is meer zooals het behoort”.
Zij zien elkaar aan met oogen, waarin reeds de woede en haat glinsteren, welke de verdeeling zal opwekken. Ieder zal pogen het grootste deel te krijgen.
Charles herneemt plotseling, hardop de overdenkingen voortzettende, welke zijn broeders in stilte maken:
“Luister, wij zullen alles verkoopen, dat is veel beter.. Als wij nu al ruzie hebben, zullen wij elkaar morgen verscheuren”.
Een benauwde snik deed hen plotseling het hoofd omkeeren. Hun moeder had zich opgericht, doodsbleek met akelig starende oogen, het lichaam schokkend van zenuwen. Zij heeft alles verstaan, strekt de magere armen uit en herhaalt:
“Kinderen ...... kinderen ......”
Een nieuwe zenuwschok werpt haar terug op het kussen, zij sterft in de ellendige gedachte dat haar zonen haar bestelen.
Doodelijk verschrikt zijn alle drie voor het bed op de knieën gevallen. Zij kussen de handen der doode en sluiten haar, al snikkend de oogen. Zij voelen in dit oogenblik dat zij kinderen zijn van de moeder, die daar heenging, hen tot weezen makende. Als een wroeging en een haat ligt de dood der moeder op den bodem van hun hart.
De kamenier heeft het toilet der doode gemaakt en men gaat thans een liefdeszuster halen om het lichaam te bewaken. Gedurende dezen tijd zijn de drie zonen in de weer; zij gaan het overlijden aangeven, bestellen de rouwbrieven en regelen de begrafenis. ’s Nachts vereenigen zij zich weer om, ieder op zijn beurt, met de liefdezuster te waken. In de kamer, wier gordijnen zijn dichtgetrokken, ligt de doode uitgestrekt in het midden van ’t bed, het hoofd akelig koud, de handen gevouwen, een zilveren kruisbeeld op de borst. Terzijde brandt een kaars. Een palmtakje staat in een vaasje met wijwater. En zoo waken zij tot de kille morgen aanbreekt. De liefdezuster voelt zich niets op haar gemak en verzoekt om wat warme melk.
Een uur vóór de begrafenis, is de trap vol menschen. De koetspoort is behangen met zwarte kleeden met zilveren franjes. Daar wordt de kist neergezet, als in een kleinen kapel, omringd van kaarsen, overdekt met kransen en bouquetten.
Ieder der binnenkomende neemt de wijkwast, doopt haar in den wijwaterbak en besprenkelt het lichaam. Tegen elf uur zet de stoet zich in beweging. De zoons van de overledene loopen vlak achter het lijk, achter hen ontdekt men eenige overheidspersonen, groote industriëelen, heel een stoet van deftige en invloedrijke burgers, die stap voor stap loopen, schuins kijkende naar de nieuwsgierigen, welke op de trottoirs elkander verdringen. Twaalf rijtuigen volgen. Men telt ze en weet er het noodige van te zeggen.
Twee dagen later, bij den notaris van hun moeder, twisten de zoons onderling, met op elkaar geklemde tanden en drooge oogen, geen van allen geneigd den ander een centime toe te geven. Hun belang zou wezen te wachten en den verkoop der bezittingen niet te verhaasten. Zij wierpen elkander evenwel allerlei hatelijkheden naar het hoofd: Charles zou alles opmaken met zijn uitvindingen; Georges moest een meisje hebben, dat hem plukt; Maurice heeft ongetwijfeld het hoofd nog vol van allerhande speculaties, waar hun kapitaal door zou verdwijnen. Tevergeefs poogt de Notaris een minnelijke schikking tot stand te brengen. Zij scheiden, elkander dreigende met deurwaarders en dagvaardingen.
De doode staat weer in hen op met haar vrekkigheid en haar vrees van bestolen te worden. Als het geld den dood vergiftigt, stijgt het er niet uit op dan om woede en tweedracht te zaaien. Men vocht bepaald op het graf der overledene.
III.
De heer Rousseau is op twintig jarigen leeftijd getrouwd met een wees Adèle Lemercier, die achttien jaar telde. Den avond van hun huwelijk bezaten zij met hun beiden zeven duizend francs. Zij zijn begonnen onder een soort koetspoort schrijfbehoeften te verkoopen; daarop hebben zij een winkeltje gehuurd, klein en onaanzienlijk, waarin zij gedurende tien jaren al hun best gedaan hebben om hun zaken uit te breiden. Op ’t oogenblik hebben zij een handel in papier en schrijfbehoeften in de rue de Clichy, die zeker een vijftigduizend francs waard is. Adèle heeft geen sterke gezondheid. Zij heeft altijd een beetje gehoest. De dompige winkellucht en de weinige beweging, welke zij nam, deugden in ’t geheel niet voor haar. De geneesheer, welken zij raadpleegden, schreef haar rust voor en flinke wandelingen als ’t mooi weer was. Dat zijn echter voorschriften welke men niet na kan komen als men het er op toelegt het nog eens zóó ver te brengen, dat men in vrede van zijn renten kan leven. Adèle zegt dat ze later wel rust zal nemen en wandelen, als ze hun zaak verkocht hebben en zich in de provincie terug trekken.
De heer Rousseau zelf maakt zich echter wel eens ongerust als hij haar soms zoo bleek ziet, met kleine vuurroode vlekjes op de wangen.
Zijn papierhandel laat hem echter geen oogenblik vrij, hij kan onmogelijk aanhoudend op haar letten en haar verhinderen onvoorzichtigheden te doen. Weken lang vindt hij geen minuut om met haar over haar gezondheid te spreken. Als hij dan plotseling haar droogen hoest hoort, maakt hij zich boos en dwingt hij haar een sjaal om te doen en een wandeling met hem te maken in de Champs-Elysées. Zij keert echter hoe langer hoe vermoeider terug; de drukte der zaken maakt zich opnieuw van den heer Rousseau meester, de ziekte wordt opnieuw vergeten, tot een nieuwe crisis zich voordoet. Zóó gaat het in den handel, men sterft er in, zonder den tijd te vinden de noodige zorg aan de gezondheid te besteden.
Op een goeden dag neemt de heer Rousseau den geneesheer apart en vraagt rondweg of zijn vrouw in gevaar verkeert. De geneesheer begint met te zeggen dat men het vertrouwen op de natuur niet moet verliezen, dat hij wel erger zieken gezien heeft, die ’t er nog weer ophaalden. Daarna, zijn dringende vragen niet langer ontwijkend kunnende beantwoorden, verklaart hij den heer Rousseau dat zijn vrouw de tering heeft, zelfs in zeer gevorderden graad. De winkelier is bij deze bekentenis doodelijk bleek geworden. Hij houdt veel van Adèle; zij hebben zoo lang samen gewerkt en geslaafd om eens in vrede hun brood te eten. Hij had niet alleen een vrouw in haar, doch een compagnon evenzeer, wier activiteit en verstand hij waardeerde. Als hij haar verliest zal dat een geweldige slag zijn èn voor zijn liefde èn voor zijn handel.
Hij moet het hoofd echter boven water houden; zijn winkel sluiten en zich aan zijn droefheid overgeven gaat niet. Het beste is niets te laten merken en Adèle niet te beangstigen met roodgeweende oogen. Hij gaat zijn gewonen gang weer. Na verloop van een maand, aan al die treurigheden denkende, eindigt hij met te gelooven dat de geneesheeren zich dikwijls vergissen. Zijn vrouw ziet er niets ziek uit. Ten slotte komt hij er toe haar langzaam te zien wegsterven, zonder zelf veel te lijden, opgaande in zijn zaken, het noodlottig oogenblik verwachtende, het in zijn verbeelding terugdringende tot een ver afgelegen tijdstip. Adèle herhaalt dikwijls:
“O, als wij eens buiten zijn, zal je eens zien hoe ik weer opknap...... Nog een jaar of acht maar, en die zijn gauw genoeg om”.
En de heer Rousseau denkt er niet aan, dat zij reeds nù naar buiten zouden kunnen gaan, als zij zich met iets minder tevreden wilden stellen. Adèle zou eveneens niet willen. Heeft men een bedrag vastgesteld, dan dient men te wachten tot men het heeft bereikt. Reeds tweemaal echter is mevrouw Rousseau bedlegerig geweest. Zij is echter weer opgestaan en heeft haar werkzaamheden hervat. De buren zeggen: “Dat vrouwtje zal ’t ook niet lang meer maken”. En zij bedrogen zich niet. Juist in de dagen dat de balans moest worden opgemaakt, moest zij voor de derde maal te bed blijven. De geneesheer komt ’s morgens, praat wat met haar en schrijft verstrooid een receptje. De heer Rousseau is gewaarschuwd dat het noodlottig oogenblik nadert. Het opmaken der balans houdt hem echter beneden in den winkel en ’t is al mooi als hij nu en dan vijf minuten weg kan.
Indien haar man wat al te lang bij haar in de kamer blijft, zendt zij hem weg. Het kan haar toch niet genezen of hij daar al zit en het doet de zaken maar in de war loopen. Zij is overtuigd dat de bedienden staan te kijken naar de voorbijgangers en herhaalt maar:
“Ga weer naar beneden, beste, ik verzeker je dat ik niets noodig heb. En vergeet niet de noodige registers in te slaan, want de scholen gaan weer beginnen en wij zouden er anders te kort komen”.
Geruimen tijd geeft zij zich geen rekenschap van haar waren toestand. Zij hoopt steeds den volgenden dag weder op te zullen staan en weer hare plaats achter de toonbank in te nemen. Zij maakt zelfs plannen, indien zij binnenkort uit mag gaan, zullen zij een Zondag te Saint-Cloud doorbrengen. Nog nooit heeft zij zulk een groot verlangen gekoesterd de boomen te zien. Maar eensklaps, wordt zij op zekeren morgen ernstig gestemd. Dien nacht, terwijl zij daar geheel alleen neêrlag, met wijd geopende oogen, heeft zij ingezien dat zij sterven ging. Tot den avond toe zegt zij niets, ligt zij na te denken, met den blik op de zoldering gevestigd. En dien avond, houdt zij haar man bij zich terug, en spreekt zij hem heel rustig toe, alsof zij hem een rekening liet nazien.
“Luister,” zeide zij: “je moet morgen een notaris gaan halen. Er woont er een hier vlak bij, in de rue Saint-Lazare”.
“Waartoe dient een notaris?” roept de heer Rousseau uit: “zoo ver zijn wij toch nog niet gekomen!”
Maar zij herneemt op haar kalmen, verstandigen toon:
“Dat kan wel zijn! Maar het zal mij gerust stellen, te weten dat onze zaken geregeld zijn. Toen wij geen van beiden iets bezaten, zijn wij in gemeenschap van goederen getrouwd. En nu dat wij een stuivertje hebben verdiend, wil ik niet dat mijn familie je zou kunnen komen uitkleeden. Zoo lief is mijn zuster Agatha ook niet, dat ik haar iets zou nalaten. Liever nog nam ik alles met mij in het graf”.
En zij houdt vol, haar man moet volstrekt den volgenden dag den notaris gaan halen. Als deze komt raadpleegt zij hem breedvoerig, wenschende alle maatregelen goed genomen te zien en dat men het testament niet zou kunnen betwisten. Zoodra dit gemaakt is en de notaris weder is vertrokken, strekt zij zich uit en mompelt:
“Nu kan ik tevreden sterven. Ik had wel verdiend naar buiten te gaan wonen en ik kan niet zeggen dat ik het buitenleven niet betreur; maar je moet er heengaan, jij.... Beloof mij je te zullen vestigen op het plekje dat wij uitgekozen hadden, je weet wel, het dorp bij Melun, waar je moeder geboren werd. Dat zal mij genoegen doen.”
De heer Rousseau stort heete tranen. Zij vertroost hem en geeft hem allerlei goeden raad. Indien hij het niet alleen kan uithouden, zal hij wel doen met te hertrouwen, maar hij zal eene vrouw van zekeren leeftijd moeten kiezen, omdat de jonge meisjes, die een weduwnaar huwen, hem nemen om zijn geld. En zij noemt hem een hunner kennissen op, die zij gaarne zou zien, dat hij tot vrouw had.
Denzelfden nacht daarop heeft zij een vreeselijken doodstrijd. Zij voelt zich verstikken en vraagt om lucht. Françoise, de meid, is op een stoel in slaap gezonken. De heer Rousseau, die aan het hoofdeind staat, kan slechts de hand der stervende in de zijne nemen en haar drukken, om haar te zeggen dat hij bij haar is en haar niet verlaat. Tegen den morgen, gevoelt zij plotseling eene groote rust; zij is zeer bleek, haar oogen zijn gesloten en zij haalt langzaam adem. Haar echtgenoot meent dat hij wel met Françoise naar beneden kan gaan, om den winkel te ontsluiten. Als hij weder boven komt, vindt hij zijne vrouw nog altijd heel wit, in dezelfde houding uitgestrekt liggen; maar hare oogen staan nu open. Zij is dood.
Sedert langen tijd is de heer Rousseau er op voorbereid geweest haar te zullen verliezen. Hij weende dan ook niet, maar voelt zich alleen als verbrijzeld van afmatting. Hij gaat weer naar beneden, ziet toe hoe Françoise opnieuw de luiken sluit, en schrijft eigenhandig op een blad papier: “Wegens sterfgeval gesloten.” daarna plakt hij met behulp van vier ouweltjes dit vel op het middelste luik. Boven, is men den heelen morgen bezig met het schoonmaken en schikken der kamer. Françoise neemt den vloer met een dwijl op, ruimt de medicijnfleschjes op en plaatst bij de doode een brandende kaars en een kopje met wijwater, want men verwacht Adèle’s zuster, die Agatha, die zulk een vergiftige tong bezit, en de dienstbode wil niet dat men haar zou kunnen beschuldigen het huishouden te verwaarloozen. De heer Rousseau heeft een klerk uitgezonden om de noodige formaliteiten te vervullen. Hij zelve begeeft zich naar de kerk en dingt langen tijd op het tarief der begrafenisplechtigheid af. Niet dat hij er over treurt dat niet anders kan of men zal hem bestelen. Hij hield veel van zijne vrouw, en indien zij op hem kan nederzien, is hij overtuigd haar genoegen te doen met de priesters en de begrafenis-dienaren te beknibbelen. Toch wil hij, met het oog op de buurt, dat de teraardbestelling fatsoenlijk zal zijn. Hij eindigt met het eens te worden: hij zal tachtig gulden geven aan de kerk en honderd vijftig aan de begrafenis. Hij berekent dat hij er, met onvoorziene onkosten meê, met minder dan tweehonderd vijftig gulden af zal komen.
Als de heer Rousseau thuiskomt, ziet hij zijne schoonzuster Agatha bij de doode zitten. Agatha is eene lange, uitgedroogde vrouw, met roode oogen, en dunne blauwachtige lippen. Sedert drie jaar was het gezin kwade vrienden met haar geweest en zag men elkander niet meer. Zij staat vol deftigheid op, en omhelst haar zwager. Tegenover den dood, houden alle twisten op. Mijnheer Rousseau, die des ochtends niet heeft kunnen weenen, barst nu in snikken los, want hij ziet hoe bleek en strak zijne arme vrouw is, hoe weggetrokken haar neus is en hoezeer haar gelaat is gekrompen; het is ternauwernood dat hij haar herkent. Agatha stort echter geen traan. Zij heeft den besten armstoel gekozen en laat langzaam den blik door de kamer glijden, als maakte zij nauwkeurig een inventaris op van de meubels die er in prijken. Tot hiertoe heeft zij nog niet over geldzaken gesproken, maar men kan wel zien dat zij van verlangen daarnaar brandt en zich af moet vragen of er ook een testament zou bestaan.
Op den morgen van de begrafenis, juist als men de doode zal kisten, bemerkt men dat de begrafenisdienaren zich vergist hebben en een te korte kist hebben gezonden. De bidders moeten een andere gaan halen. Maar de lijkwagen staat voor de deur te wachten, en de buurt is in rep en roer. Dit maakt eene nieuwe foltering voor den heer Rousseau uit: Indien het zijne vrouw slechts weêr levend kon maken, dat zij zoo lang in huis bleef! Ten laatste haalt men de arme mevrouw Rousseau naar beneden, en blijft de doodkist maar tien minuten ten toongesteld onder de met zwart omfloersde voordeur. Een honderdtal lieden staan op straat te wachten, winkeliers der wijk, de huurders van het huis, de vrienden van het gezin, eenige werklieden in zondagsche kleederen. De stoet zet zich in beweging, mijnheer Rousseau, volgt de koets.
En op den doortocht van den stoet, maken de buurvrouwen haastig een kruisteeken, terwijl zij voortgaan onder elkander te fluisteren. Het is immers de vrouw uit den papierwinkel? Dat kleine, gele menschje, dat slechts vel en been was. O? nu, dan zal zij het beter hebben onder den grond! Wat men toch weinig van ons kan zeggen! zulke welgestelde kooplieden, die arbeidden om er op hun ouden dag van te genieten! De papierhandelaarster zal nu geen pleizier meer maken! En de buurvrouwen vinden mijnheer Rousseau heel behoorlijk, omdat hij blootshoofds, alleen en bleek, achter den lijkwagen aanloopt, terwijl zijne enkele haren in den wind fladderen.
Binnen veertig minuten tijds, hebben de priesters in de kerk de plechtigheid volbracht. Agatha, die op de voorste stoelen is gaan zitten, schijnt de opgestoken kaarsen te tellen. Zij is zonder twijfel van meening dat haar zwager er wat minder beweging van had kunnen maken; want, alles wel beschouwd, zoo er geen testament bestaat, en dat zij de helft van het fortuin heeft, zal zij haar aandeel in dezen dag moeten betalen. De priesters spreken een laatste gebed uit, de wijwaterkwast gaat van hand tot hand en men verwijdert zich. Bijna iedereen gaat heen. Men heeft de drie volgkoetsen laten voorkomen, waar eenige vrouwen in stijgen. Achter den lijkwagen blijft niemand meer over dan de heer Rousseau, die nog altijd blootshoofds is, en een dertigtal lieden, vrienden die niet durven verdwijnen. De lijkkoets is eenvoudig versierd met eene draperie omzet met witte franjes. De voorbijgangers nemen den hoed af en loopen haastig door.
Aangezien de heer Rousseau geen familiegraf bezit, heeft hij slechts een graf voor vijf jaar genomen op het kerkhof van Montmartre, zich voornemende later een blijvend graf aan te koopen en zijne vrouw te laten opgraven, opdat zij op eigen grond zou liggen.
De lijkwagen blijft aan het einde eener laan stilstaan, en men draagt nu de kist over laaggelegen graven, naar een kuil voort, die in de weeke aarde gedolven is. De aanwezigen staan zwijgend te trappelen. Daarop verwijdert de priester zich, na binnensmonds een twintigtal woorden gepreveld te hebben. Aan alle kanten strekken zich kleine, met hekken omzette tuintjes uit, graven versierd met muurbloemen en groene boomen; te midden van al dat groen, schijnen de witte steenen fonkelnieuw en heel vroolijk. De heer Rousseau wordt getroffen door den aanblik van een gedenkteeken, een smalle kolom, bekroond met de zinnebeeldige urn. Dien morgen is een steenhouwer hem komen plagen met teekeningen. En hij zegt tot zichzelven dat, wanneer hij een eigen graf zal aankoopen, hij op de laatste rustplaats zijner vrouw zulk een zuil zal laten zetten met dezelfde mooie vaas.
Maar Agathe trekt hem mede, en als zij in den winkel zijn teruggekeerd, gaat zij er eindelijk toe over de geldzaken aan te roeren. Zoodra zij verneemt dat er een testament bestaat, richt zij zich loodrecht overeind, en vertrekt, de deur achter zich dichtslaande. Nooit zal zij weder een voet in dien rommel zetten. Mijnheer Rousseau gevoelt nog altijd, bij oogenblikken, eene groote droefheid die hem verstikt; maar wat hem bovenal versuft, zijn hoofd op hol brengt en zijne ledematen doet beven, het is de gedachte dat de winkel, op een werkdag, gesloten blijft.
IV.
Januari is een harde maand geweest. Geen werk, geen brood en geen brandstof in huis. Het gezin Morisseau heeft aan alles gebrek geleden. De vrouw wascht voor de lieden, de man is metselaar. Zij wonen te Batignollis, in de rue Cardinet, in een donker huis, dat de buurt verpest. Hun kamer, op de vijfde verdieping, is zoo onttakeld, dat de regen door de spleten der zoldering heendringt. Zij zouden nog niet eens klagen als hun kleine Charlot, een tienjarige knaap, geen versterkend voedsel noodig had om ooit op te groeien.
Het kind is heel teêr, een duizeling maakt hem ziek. Toen hij naar school ging, beloofde hij zich slechts in te spannen om in eens alles te willen leeren, en hij keerde ongesteld terug. Daarbij heel schrander, een alleraardigst jongske, dat als een volwassene weet meê te praten.
Op den dag dat zij hem geen brood kunnen geven, schreiën de ouders als ongelukkigen, en dat des te meer, daar de kinderen op alle verdiepingen der woning als vliegen stierven, zoo ongezond als het daar is.
Men hakt de sneeuw weg op straat. Zelfs is vader er in geslaagd zich daarvoor aan te laten nemen; hij maakt de goten weêr open met zijne houweelslagen, en des avonds brengt hij een gulden thuis. In afwachting van het oogenblik, dat men weêr beginnen zal te houwen, is het toch altijd iets om niet van honger te sterven.
Maar op zekeren dag, vindt de man bij zijne thuiskomst Charlot bedlegerig. De moeder weet niet wat hem scheelt. Zij had hem naar Courcellis gezonden, naar zijn tante, die kleerkoopster is, om te zien of hij geen warmer buisje zou vinden dan zijn linnen kiel, waar hij in rilt van koude. Zijne tante had slechts oude mannenjassen, te groot voor hem, en de kleine is bibberend teruggekeerd, met verglaasden blik, alsof hij te veel gedronken had. Nu ligt hij daar vuurrood op zijn peluw en spreekt wartaal; hij gelooft dat hij met knikkers speelt en zingt straatliedjes.
De moeder heeft het overblijfsel van een omslagdoek voor het venster gehangen, om daarmede een gebroken ruit dicht te stoppen; daarboven blijven nog slechts twee ruiten over, die het naargeestige grauw der lucht laten doorschemeren. De armoede heeft hun latafel geledigd, al het linnengoed is verpand. Op een avond heeft men een tafel en twee stoelen verkocht. Charlot sliep sedert op den grond; maar nu hij ziek is, heeft men hem het bed afgestaan, en hij ligt daar nog zeer slecht, want men heeft de veêren van den matras handje voor handje naar een schachelaarster gebracht, bij halve ponden te gelijk, voor vier of vijf stuivers. Thans zullen de vader en de moeder in een hoek slapen, op een stroozak, waarvan geen hond gediend zou willen zijn.
Zij zitten daar beiden naar Charlot te staren, die op zijne legerstede voortwoelt. Wat heeft de jongen toch, dat hij zoo’n beweging maakt. Misschien heeft het een of andere dier hem gebeten of gaf men hem iets slechts te drinken. Eene buurvrouw, juffrouw Bonnet, is binnen getreden; en na den kleine bekeken te hebben en betast, verzekert zij dat het koude koorts is. Zij heeft er verstand van, zij heeft haar man aan eene dergelijke ziekte verloren.
De moeder schreit en klemt Charlot in hare armen. De vader holt als een waanzinnige weg en gaat een dokter halen. Hij brengt er een mede, een langen man met ijskoud gelaat, die zonder een woord te zeggen, het oor tegen den rug van den knaap ligt en hem op de borst tikt. Daarna moet juffrouw Bonnet in haar eigen kamer een potlood en papier gaan halen, opdat hij zijn recept zou kunnen schrijven. Op het oogenblik dat hij zich, nog altijd sprakeloos verwijdert, ondervraagt de moeder hem op gesmoorden toon.
“Wat scheelt hem, mijnheer?”
“Een pleuris”, antwoordt hij kortaf, zonder nadere toelichting.
Hij vraagt daarna op zijne beurt:
“Zijt gij ingeschreven bij het bestuur van Liefdadigheid?”
“Neen, mijnheer ...... Het ging ons goed, verleden zomer. Het is de winter, die het ons heeft gedaan”.
“Des te erger voor u!”
En hij belooft dat hij terug zal komen. Juffrouw Bonnet leent hem tien stuivers om naar den apotheker te gaan. Voor Morisseau’s gulden heeft men twee pond ossenvleesch, steenkolen en waskaarsen gekocht. De eerste nacht gaat goed voorbij. Men houdt het vuur aan. De zieke, die door de hitte schijnt ingeslapen te zijn, spreekt niet meer. Zijn handjes gloeien. Hem zoo tot verdooving gebracht ziende door de koorts, stellen zijne ouders zich gerust; maar den volgenden morgen staan zij als versuft, grijpt hun eene nieuwe ontzetting aan, als de geneesheer hoofdschuddend voor het bed zit, met de uitdrukking van iemand wien geen hoop meer overblijft. Vijf dagen achtereen komt er geen verandering in den toestand. Charlot slaapt, als vernietigd op zijn peluw. In de kamer schijnt de armoede, die nog toegenomen is, met dien wind binnen te dringen door de gaten in het dak en in het venster. Den tweeden avond heeft men het laatste hemd der moeder verkocht; den derden dag heeft men weer nieuwe plukjes veêren van onder den zieke weg moeten halen, om den apotheker te betalen. Daarna heeft men gebrek gehad aan alles, er is niets overgebleven.
Morisseau bikt nog altijd de sneeuw; maar zijn gulden is niet toereikend meer. Aangezien de felle koude Charlot kan dooden, verlangt hij naar dooi, hoe bang hij er anders ook voor is. Als hij zich naar het werk begeeft, is hij blij de straten wit te zien, maar dan denkt hij weêr aan het kind, dat daarboven ligt te zieltogen, en wenscht hij vurig naar een zonnestraal, naar wat lentegloed, die de sneeuw weg zal doen smelten. Als zij maar ingeschreven waren bij het Bestuur van Liefdadigheid, dan hadden zij dokter en apotheker voor niets. De moeder is naar het gemeentehuis geweest, maar men heeft haar ten antwoord gegeven dat de aanvragen te talrijk zijn en dat zij moest wachten. Toch heeft zij eenige kaartjes voor brood gekregen en gaf een barmhartige dame haar een rijksdaalder. Daarna is het gebrek weer van voren af aan begonnen.
Den vijfden dag, brengt Morisseau zijn laatsten gulden thuis. De dooi is ingevallen en men heeft hem afgedankt. Daarmede is alles afgeloopen: de kachel blijft zonder vuur staan, men heeft geen brood, de recepten worden niet meer naar den apotheker gebracht. In het van vocht druipend vertrek, blijven de vader en moeder tegenover het reutelende kind voortrillen.
Juffrouw Bonnet komt hen niet meer opzoeken, omdat zij weekhartig is en het haar te zeer aangrijpt. De lieden uit het huis loopen haastig hun deur voorbij. Nu en dan werpt de moeder, die in tranen uitbarst, zich op het bed, en omhelst den knaap, als om hem verlichting te schenken en hem te genezen. De vader, die als wezenloos is, brengt uren achtereen aan het raam door, den ouden omslagdoek opheffende, en starende naar het wegsmelten der sneeuw, het afsijpelen van het water, dat in groote droppelen van het dak afvalt en de straat zwart maakt. Misschien doet dat Charlot wel goed.
Op zekeren morgen verklaart de dokter dat hij niet wederkeeren zal. Het kind is opgegeven.
“Het is het vochtig weder, dat hem den genadeslag heeft toegebracht,” zegt hij.
Morisseau balt de vuisten tegen den hemel. De armen sterven dus van alle weêr! Het vroor en dat deugde niet; nu dooit het en is dat nog erger. Indien de vrouw er in toestemde, zouden zij een pan met doovekoolen aansteken, en met hun drieën sterven. Dan zou alles spoedig voorbij zijn.
Maar de moeder is naar het gemeentehuis teruggekeerd; men heeft haar beloofd dat men onderstand zou sturen en zij wachten daarop. Het is een vreeselijke dag; van de zoldering daalt een ijzige koude neder; in een hoek van het vertrek loopt de regen af; men moet er een emmer neerzetten, om de droppels op te vangen. Sedert den afgeloopen avond hebben zij niets gegeten; het kind heeft alleen een kopje kamillen gedronken, door de portierster naar boven gebracht. De vader zit voor de tafel, met het hoofd in de handen verborgen, hij is versuft, zijn ooren suizen. Bij elk gedruisch van voetstappen, snelt de moeder toe op de deur, geloovende dat men haar de toegezegde hulp brengt. Het slaat zes uur, en nog is er niets gekomen. Er heerscht een grauwe schemering, die langzaam en onheilspellend als een doodstrijd nederdaalt.
Plotseling, terwijl de duisternis toeneemt, stamelt Charlot afgebroken woorden:
“Moeke ... moeke....”
De moeder treedt op hem toe en een zware ademtocht waait haar tegen. Zij hoort thans niets meer; zij ziet onbestemd het kind liggen, met achterover geworpen hoofd en uitgestrekten hals. Half waanzinnig roept zij smeekend uit:
“Licht! Dadelijk licht! Mijn Charlot.... zeg dan toch iets!”
Er is geen stukje kaars meer over. In haar haast strijkt zij lucifers af, die tusschen hare vingers breken. Daarna betast zij, met hare sidderende handen het gelaat van het kind.
“O! mijn God! hij is dood!.... Morisseau, luister dan toch, hij is dood!”
Verblind door de duisternis, heft de vader het hoofd op.
“Welnu, hoe zou het ook anders kunnen? Hij is dood...... Het is beter aldus!”
Bij het vernemen van die snikken der moeder, is juffrouw Bonnet er toe overgegaan met hare lamp te verschijnen. En terwijl de beide vrouwen bezig zijn met Charlot op te knappen, klopt men aan de deur het is de beloofde bijstand, vijf gulden, kaartjes voor brood en vleesch. Morisseau lacht met wezenlooze uitdrukking en zegt dat het Bestuur van Liefdadigheid altijd te laat komt voor den trein.
Welk een treurig kinderlijkje, zoo mager en even licht als een veertje! Indien men een van koude omgekomen huismusch op straat opgeraapt, en op het bed neergelegd had, zou het diertje niet minder plaats hebben beslagen.
Juffrouw Bonnet, die weêr heel behulpzaam is geworden, brengt hem aan het verstand dat het Charlot niet tot het leven terugroepen kan, of men al honger lijdt aan zijn zijde. Zij biedt zelfs aan brood en vleesch te gaan halen, en voegt er bij dat zij meteen ook voor kaarsen zorgen zal. Zij laten haar begaan. Zoodra zij wederkeert, dekt zij de tafel, en zet worst op, die nog warm is. De ouders zijn uitgehongerd en beginnen gulzig te eten naast den doode, wiens bleek gezichtje men in het schemerlicht ontdekt. De kachel snort, het is alles heel gezellig. Bij oogenblikken worden de oogen der moeder vochtig, vallen er groote tranen op haar brood. Wat zou Charlot het nu warm hebben gehad! Wat zou hij graag wat worst hebben gegeten!
Juffrouw Bonnet wil met alle geweld waken. Tegen één uur, nadat Morisseau ten slotte, met het hoofd op het voeteneind van het bed, in slaap is gevallen, zetten de beide vrouwen koffie. Men heeft een andere buurvrouw, een achttienjarig naaistertje, uitgenoodigd er van te komen drinken, en om toch ook een duit in het zakje te doen, heeft zij een weinig brandewijn meegebracht. De drie vrouwen ledigen nu langzaam haar kopje en spreken fluisterend met elkander over allerlei verhalen van buitengewone sterfgevallen; van lieverlede worden hare stemmen luider, dwalen hare gesprekken af; zij praten over hetgeen er voorvalt in huis, in de buurt, over een misdaad, die in de rue Nollet gepleegd werd. En nu en dan, staat de moeder op en gaat naar Charlot kijken, als om zich te overtuigen dat hij zich niet verroerd heeft.
Aangezien men dien avond geen aangifte van den dood heeft gedaan, moeten zij den kleine den ganschen volgenden dag bij zich behouden. Zij bezitten slechts één vertrek en leven, eten en slapen dus bij Charlot. Bij oogenblikken vergeten zij hem; maar, als zij hem daarna weêr zien, is het hun alsof zij hem andermaal verloren.
Eindelijk, den tweeden morgen brengt men den lijkkist, die niet grooter dan een speelgoeddoos is; vier slecht op elkaar passende planken, kosteloos verstrekt door het gemeentebestuur, dank zij een certificaat van onvermogen. En, nu vooruit! Men begeeft zich op een draf naar de kerk. Achter Charlot loopt de vader met twee kameraden, die hij onderweg heeft ontmoet, daarna volgen de moeder, juffrouw Bonnet en de andere buurvrouw, het naaistertje.
Al deze brave lieden waden tot over de enkels door het slijk. Het regent niet maar de mist is zoo vochtig dat de kleederen er van doorweekt geraken. In de kerk wordt de plechtigheid zoo spoedig mogelijk vervuld. En andermaal hervat men den tocht over de glibberige steenen.
Het kerkhof ligt aan het eind der wereld, buiten de vestingwerken. Men loopt de avenue de Saint-Ouen af, men laat den tol achter zich liggen en ten laatste komt men aan. Het is een uitgestrekte ruimte, een onbewerkt terrein, omsingeld met witte muren. Het gras schiet er overal op, de omgewoelde aarde maakt er heuveltjes op, terwijl men aan het eind daarvan een rij kwijnende boomen ziet verrijzen, die de lucht met hunne zwarte takken verduisteren.
Langzaam treedt de stoet over het weeke zand heen. Het regent thans; en men moet onder een stortbui wachten op een ouden priester, die er eindelijk toe besluit uit een kleine kapel te voorschijn te komen. Charlot moet ter ruste worden gelegd in de algemeene kuil. De doodenakker ligt bezaaid met kruisen, die de wind omverwerpt en kransen, door den regen verrot; het is een veld van ellende en rouw, onttakeld, omwoeld, en vervuld van de pestwalmen van lijken, aldaar opgestapeld door den honger en de koude der achterbuurten.
Alles is afgeloopen. Men neemt de spade op, Charlot ligt onder in het gat, en de ouders vertrekken weêr, zonder neêr te hebben kunnen knielen, op het vloeibare slijk, waarin zij wegzinken. Eenmaal buiten gekomen zijnde, en ziende dat het nog altijd regent, noodigt Morisseau die nog een daalder van de vijf gulden van het Bestuur van Liefdadigheid overheeft, zijn kameraden en de buurvrouwen uit iets te gaan gebruiken in een herberg. Men neemt plaats aan tafel, men drinkt twee liters wijn en eet wat brood met een stuk Breikaas. Daarna onthalen de makkers, op hunne beurt, op twee liters. Als het gezelschap weêr naar Parijs terugkeert, is men heel vroolijk.
V.
Jean Louis Lacour is zeventig jaar oud. Hij werd geboren te la Corteille, een gehucht van honderd vijftig zielen, dat in een door wolven bevolkte streek gelegen is. In zijn leven, is hij ééne enkele maal naar Angers geweest, op vijftien mijlen afstands van daar; maar hij was toen nog zoo jong, dat hij het zich niet meer herinnert. Hij heeft drie kinderen gehad, twee zoons, Anton en Jozef, en eene dochter, Catharina. De laatste trouwde; daarna is haar man gestorven, en keerde zij tot haar vader terug met Jacquinet, een twaalfjarigen knaap. Het gezin leeft van vijf of zes bunders grond, juist genoeg om een stuk te eten en niet zonder kleêren rond te loopen. Wanneer zij eens een glas wijn drinken, dan hebben zij daarvoor gezwoegd.
La Courteille ligt in de diepte van een dal, van alle zijden omgeven door bosschen, die het dorpje omsluiten en verbergen. Eene kerk is er niet, daartoe is de gemeente te arm. De pastoor van Cormiers komt er de Mis lezen, en aangezien hij daarvoor meer dan twee mijlen af te leggen heeft, komt hij slechts eenmaal in de veertien dagen. De huizen, een twintigtal bouwvallige spelonken, liggen langs den straatweg verspreid. Voor de deuren daarvan morrelen de kippen in den mesthoop. Als er een vreemdeling voorbij komt, rekken de vrouwen den hals uit, terwijl de kinderen, die bezig zijn zich in de zon te koesteren te midden van een zwerm verschrikte ganzen wegstuiven.
Jean Louis is nooit ziek geweest. Hij is even lang en knokelig als een eik. De zon heeft hem uitgedroogd, zijn huid geblakerd en doorbarsten, en hij heeft de kleur, het ruwe en de rust der boomen overgenomen. Onder het veranderen is hij stilzwijgend geworden. Hij spreekt niet meer, dat nutteloos achtende. Hij loopt voort met groote, gelijkmatige passen en heeft daarbij de kalme kracht der trekossen.
Het jaar te voren, was hij nog sterker dan zijn zoons, behield hij den zwaren arbeid voor zich, altijd zwijgend aan het werk op zijn veld, dat hem scheen te kennen en voor hem te beven. Maar, op zekeren dag, nu twee maanden geleden, hebben zijne ledematen hem plotseling begeven, en hij is twee uren in een wagenspoor blijven liggen, als een neêrgevelde stam. Den volgenden morgen wilde hij weêr aan het werk gaan; doch zijne armen weigerden hem den dienst, de aarde gehoorzaamde hem niet langer. Zijn zoons schudden het hoofd, zijne dochter poogt hem binnenshuis te houden. Hij blijft echter stijfhoofdig, en men geeft Jacquinet met hem mede, opdat het kind om hulp zou kunnen roepen, als grootvader weer eens vallen mocht.
“Wat doe-je daar, luiaard?” vraagt Jean Louis aan den knaap, die hem geen oogenblik verlaat: “Op jou leeftijd verdiende ik mijn brood.”
“Ik pas op u, grootvader,” antwoordt het kind.
Dat woord brengt den grijsaard een schok toe. Hij vraagt niet verder. Dien avond, gaat hij liggen en hij staat niet weder op. Als de zoons en dochter zich den volgenden morgen naar het veld begeven, gaan zij eerst omzien naar hun vader, dien zij niet hebben hooren bewegen. Zij vinden hem op zijn bed uitgestrekt, met wijdgeopende oogen en een uitdrukking alsof hij over iets nadenkt. Zijn huid is zoo hard en zoo verbrand, dat men niet eens kan zien of de ziekte hem verbleekt heeft.
“Nu, vader, gaat het niet goed?”
Hij bromt iets, en schudt ontkennend het hoofd.
“Dus kunt gij niet mede? Moeten wij gaan zonder u?”
Ja, hij geeft hun een wenk dat zij zonder hem moeten gaan. Men is aan den oogst begonnen en heeft alle handen noodig. Als men een morgen verloren liet gaan, zou er wel eens een onweder kunnen opzetten dat alles op het veld vernielde. Zelfs Jacquinet volgt zijne moeder en zijn ooms. Vader Louis blijft alleen achter. Als de kinderen dien avond wederkeeren, ligt hij nog op dezelfde plaats, nog altijd op den rug uitgestrekt, met wijdgeopende oogen en die peinzende uitdrukking.
“Dus gaat het niet beter, vader?”
Neen, het gaat niet beter. Hij bromt en schudt het hoofd. Wat zou men wel voor hem kunnen doen? Catharina komt op den inval wat kruiden met wijn voor hem te koken; maar dat blijkt te straf voor hem te zijn en doodt hem bijna. Jozef zegt dat men den volgenden dag zal zien, en iedereen gaat ter ruste.
Den volgenden morgen, voordat zij weer naar het veld gaan, blijven de zoons en dochter een oogenblik staan kijken bij het bed. Het lijdt geen twijfel meer of de oude is ziek. Nooit nog is hij zoo op zijn rug blijven liggen. Misschien zou men toch, alles wel beschouwd, maar beter doen met den dokter te laten komen. Het ergste is dat men daartoe naar Rougemont moet gaan; zes mijlen heen en zes mijlen terug, dat maakt er twaalf. Men zal er een heelen dag bij verliezen. De oude, die zijne kinderen aanhoort, wordt gejaagd en schijnt zich boos te maken. Hij heeft geen dokter noodig, dat dient tot niets en ’t kost geld.
“Dus wilt gij het niet?” vraagt Anton: “Dan gaan wij aan den arbeid”.
Natuurlijk, dat zij aan het werk gaan. Het zou hem toch niet helpen, of zij daar al bij hem bleven. De grond heeft vrijwat meer behoefte aan zorgen dan hij. En er verloopen drie dagen, en de kinderen gaan nog elken morgen naar het veld. Jean Louis verroert zich niet, hij blijft geheel alleen en drinkt uit een kruik als hij dorst heeft. Hij is als een dier oude paarden, die van vermoeienis in een hoek neervallen, en die men rustig sterven laat. Hij heeft zestig jaar lang gearbeid en kan thans wel heengaan, nu hij tot niets anders meer dient dan om plaats te beslaan en den menschen tot last te wezen.
De kinderen zelf zijn niet bijzonder verdrietig. De aarde heeft hen met dergelijke zaken verzoend; zij leven dicht bij haar, om boos op haar te zijn dat zij den oude wegneemt. Een blik des ochtends, een blik des avonds, meer kunnen zij ook niet doen. Als de vader er toch weer eens boven op kwam, zou dat bewijzen dat hij al heel stevig gebouwd is. Zoo hij er aan sterft, dan komt het omdat hij den dood in het lijf draagt, niets hem daaruit verjaagt, noch alle mogelijke teekens des kruises, noch de medicijnen.
Was het nog een koe, dan kon men het dier oppassen.
Des avonds ondervraagt Jean Louis, met een blik, zijne kinderen naar den oogst. Als hij hoort hoe zij de schoven tellen en roemen over het mooie weder dat hunne taak begunstigt schittert er vreugde in zijn oogen. Nog eenmaal, spreekt men er van den geneesheer te gaan halen; maar de grijsaard maakt zich driftig, en men vreest hem nog eerder te dooden, indien men tegen zijn zin in handelt. Hij laat alleen vragen om den veldwachter, een zijner oude kameraden. Vader Nicolaas is ouder dan hij, want hij is met Maria Lichtmis vijf en zeventig jaren geworden. Hij komt en gaat, met ernstig gelaat, bij Jean Louis zitten. Jean Louis, die niet meer spreken kan staart hem aan met de kleine verbleekte oogen. Vader Nicolaas, die niets tot hem te zeggen heeft, ziet ook hem aan. En de beide grijsaards blijven een uur lang tegenover elkander, zonder een woord te uiten, tevreden elkaar weder te zien, zich waarschijnlijk allerlei herinnerende, dat heel ver af ligt, in de dagen van weleer. Dienzelfden avond, als de kinderen huiswaarts keeren, vinden zij Jean Louis dood, op den rug uitgestrekt, reeds verstijfd en de oogen omhoog geslagen.
Ja, de oude is gestorven, zonder een lid te verroeren. Hij heeft zijn laatste ademtocht recht voor zich uitgeblazen, als een zucht te meer over het uitgestrekte land. Evenals de dieren, die zich verbergen en zich onderwerpen, heeft hij zelfs geen der buren last veroorzaakt, maar heel alleen alles afgehandeld.
“Vader is dood”, zegt Jozef, als hij de anderen roept.
En allen op hun beurt, Anton, Catharina en Jacquinet, herhalen:
“Vader is dood”.
Het verwondert hun niet. Jacquinet rekt nieuwsgierig zijn hals uit, de vrouw haalt haar zakdoek te voorschijn, de beide mannen loopen zonder iets te zeggen op en neer, hun verbrand gelaat is ernstig en bleek. Alles wel beschouwd heeft hij het toch lang uitgehouden, hij was wat stevig die oude vader! Deze gedachte vertroost de kinderen, zij zijn trotsch op de lichaamskracht der hunnen.
Dien nacht, blijft men tot elf uur bij den vader waken, daarna geven allen aan den slaap toe; en Jean Louis rust daar weer alleen, met zijn ondoordringbaar gelaat, dat nog altijd schijnt na te denken.
Bij het aanbreken van den dageraad, begeeft Jozef zich op weg naar Cormiers, om den pastoor te verwittigen. Aangezien er echter nog korenschoven zijn binnen te halen, begeven Anton en Catharina zich niettemin dien morgen naar het veld, het lijk aan Jacquniet’s hoede overlatende. De kleine verveelt zich bij den oude, die zich geen enkele maal beweegt, en nu en dan gaat hij den weg op, gooit hij de huismuschjes met steenen of kijkt hij naar een marskramer, die gekleurde zakdoeken voor twee buurvrouwen uitspreidt. Als hij dan weder aan zijn grootvader denkt, loopt hij haastig naar binnen, kijkt eens of hij zich niet verroerd heeft, en ontvlucht dan weer om te gaan zien naar twee vechtende honden.
Aangezien de deur is open blijven staan, komen de kippen binnen, en loopen rustig rond, voortdurend met den bek in den versleten vloer pikkende. Een roode haan heft zich zoo hoog mogelijk op zijn pooten omhoog, rekt den hals uit en spalkt de flonkerende oogen open, verontrust door dat lijk, waarvan hij niets begrijpt; het is een voorzichtige, schrandere haan, die zonder twijfel weet dat de grijsaard niet gewoon is ooit na zonsopgang te bed te blijven, en hij eindigt met zijn luiden heraut-kreet te doen schallen, aldus den dood van den oude bezingende, terwijl de kippen weer een voor een, al kukelende en voortpikkende, heengaan.
De pastoor van Cormiers kan eerst om vijf uur komen. Sedert den vroegen morgenstond hoort men de wagenmaker bezig met houtzagen en het inslaan van spijkers. De lieden, die het nieuws nog niet weten, zeggen: “Wel, daar is Jean Louis gestorven!” Want de inwoners van la Courteille kennen die geluiden maar al te goed.
Anton en Catharina zijn weder thuis gekomen, de oogst is binnen; zij kunnen niet klagen dat zij ontevreden zijn, want in geen tien jaren heeft het koren zoo mooi gestaan.
Het gansche gezin wacht den pastoor op; men houdt zich met allerlei bezig om geduld te oefenen: Catharina zet de soep op het vuur, Jozef gaat water putten, men zendt Jacquinet uit om te zien of men op het kerkhof wel een gat heeft gegraven. Pas tegen zes uur komt de pastoor eindelijk aan. Hij zit in een karretje, met een jongen bij zich, die hem tot koorknaap dient. Voor de deur der Lacours stijgt hij uit, haalt zijn stola en zijn rochet uit een courant te voorschijn, en begint zich aan te kleeden, terwijl hij zegt:
“Laat ons voortmaken, ik moet om zeven uur weer thuis zijn”.
Niemand denkt er echter aan zich te haasten. Men is genoodzaakt de twee boeren te gaan halen, die den overledene op een ouden zwarthouten draagbaar moeten wegbrengen. Als men zich tenslotte op weg zal begeven, komt Jacquinet aanhollen en roept hen toe dat het gat nog niet klaar is, maar dat men toch wel komen kan.
De priester loopt nu het eerst vooruit, een boek in de handen houdende, waarin hij latijn leest. De kleine koorknaap, die achter hem aantreedt, draagt een oud gedeukt wijwatervat van koper, waarin de kwast hangt. Eerst als men halverwege het dorp is gekomen, treedt een andere jongen uit de schuur te voorschijn, waar alle veertiendagen de mis gelezen wordt, en plaatst hij zich aan het hoofd van den stoet met een op een langen stok gestoken kruis. De bloedverwanten gaan achter het lijk; van lieverlede voegen al de dorpsbewoners zich bij hen; een heele reeks van in lompen gehulde bengels, sluit blootshoofds en zonder schoenen, den optocht.
Het kerkhof is aan het andere uiteinde van la Courteille gelegen. De beide boeren zetten dan ook tot driemaal toe de draagbaar neêr; zij staan uit te blazen, terwijl de stoet stilhoudt, en daarna begeeft men zich opnieuw opweg. Men hoort het geklots der klompen over den harden grond. Als men aankomt is de kuil inderdaad niet gereed; de doodgraver staat er nog in en met elke spade aarde die hij omhoog werpt ziet men hem regelmatig bovenkomen en weer neerduiken.
De doodenakker is omringd van eene eenvoudige heg. Er zijn struiken tegenaan gegroeid, waarvan de dorpsjongens gedurende de Septemberavonden braambeziën komen eten. Het is een tuin in het open veld. In de diepte ziet men reusachtige bessenboompjes; in een der hoeken is een perzikboom even hoog opgeschoten als een eik; in het midden werpt een korte laan van lindenboomen haar schaduwen af, het is een lommerrijk plekje, waar de ouden van dagen in den zomer hun pijp komen rooken. De zon is brandend, de sprinkhanen schrikken op, gouden vliegen gonzen vol vreugde in de warme lucht. De stilte is vervuld van leven, het sap dier vette aarde vermengt zich met het roode bloed der klaproozen.
Men heeft de lijkkist bij het gat nedergezet. De knaap, die het kruis draagt, plaatst het thans aan de voeten van den doode, terwijl de priester, die aan het hoofdeind heeft post gevat, voortgaat met in zijn boek te lezen. Maar de toeschouwers stellen vooral belang in den arbeid van den doodgraver. Zij scharen zich om de kuil heen, en kijken voortdurend naar de spade. Als zij zich ten slotte omwenden, is de pastoor met de beide kinderen verdwenen; alleen de familie blijft nog over en wacht met eene uitdrukking van geduld af tot alles klaar zal zijn.
Eindelijk is de kuil gegraven.
“Wel! het is diep genoeg!” roept een der boeren, die het lijk heeft helpen dragen.
En iedereen spant zich in om de lijkkist naar omlaag te laten. Vader Lacour zal het goed hebben in dat gat. Hij kent de aarde, en de aarde kent hem. Zij zullen het best met elkaar kunnen vinden. Al sedert bijna zestig jaar, van den dag af waarop hij haar het eerst met zijne spade aanraakte heeft zij hem toegeroepen dat zij op hem wachtte. Hunne liefde moest hierop uitloopen, de aarde kon niet anders dan hem tot zich nemen en hem bij zich behouden. En welk een heerlijke rust! Hij zal niets anders vernemen dan de lichte pootjes der vogelen, die de grashalmen doen nederbuigen. Niemand zal over zijn hoofd heenloopen, hij zal jaren achtereen in zijne laatste woning blijven, zonder dat een sterveling hem daar storen komt. Het is de dood vol zonneschijn, de eindelooze slaap te midden van den vrede der natuur.
De kinderen zijn het graf genaderd. Catharina, Anton en Jozef rapen een handjevol zand op en werpen het op den oude. Jacquinet, die onderwijl klaprozen geplukt heeft, strooit er zijne bloemen op neer. Daarna keert het gezin huiswaarts om soep te eten; de koebeesten komen terug van de weiden, de zon gaat onder. Een warme nacht wiegt het dorp in slaap.