WeRead Powered by ReaderPub
Nantas cover

Nantas

Chapter 26: IV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A determined young man abandons his modest provincial life and moves to the capital convinced that force of will alone will secure advancement. He lodges in a cramped attic, searches tirelessly for employment, and endures hunger, humiliation, and the indifference of city crowds while supporting family obligations. The narrative follows his stubborn self-confidence, mounting bitterness at repeated setbacks, and oscillation between grandiose dreams of power and bleak thoughts of death. Realist detail emphasizes bodily hardship, social barriers, and the tension between personal ambition and the unforgiving realities of urban existence.

DE OESTERS VAN DEN HEER CHABRE
OF
HET MIDDEL VAN DEN DOKTER

Mejuffrouw Catinot, de blonde Estella, een mooi, slank achttienjarig meisje was gehuwd met den heer Chabre. Hun huwelijk was tot groot verdriet van den heer Chabre kinderloos gebleven. Vier bange jaren wachtte hij reeds, teleurgesteld, lijdende onder het vergeefsche van zijn pogingen.

De heer Chabre was vroeger graanhandelaar, en bezat een groot vermogen. Hoewel hij het kalme leven geleid had van een burger, die vast van plan is millionair te worden, sleepte hij op zijn vijf en veertigste jaar zijn beenen mede, als een grijsaard. Zijn bleek gelaat, waarop geldzorgen hunne sporen hadden geteekend, was even plat en onbeteekenend als een keisteen. En hij gevoelde zich wanhopig, want iemand, die vijf en twintig duizend gulden rente verdiend heeft, mag zich er zeker wel over verbazen dat het moeilijker gaat vader te worden dan rijk te worden.

De schoone mevrouw Chabre was destijds twee en twintig jaar oud. Zij zag er betooverend uit met haar perzikkleurig gelaat en hare lokken die de tinten der zon droegen en in haar hals krulden. Haar groenachtig blauwe oogen schenen een onbekend meer, in welks diepte men niet licht doordringen kon. Zoo vaak haar man over hun kinderloozen echt klaagde, richte zij haar lenige gestalte op, deed zij de omvang van haar heupen en van haar hals uitkomen, en zeide de glimlach die om een hoek harer lippen speelde, heel duidelijk: “Is het mijn schuld?” Mevrouw Chabre werd trouwens, in den kring harer kennissen, beschouwd als iemand van eene uitstekende opvoeding, met teveel tact om over zichzelve te laten babbelen, juist vroom genoeg, in ’t kort doortrokken van de goede burgerlijke beginselen, haar door eene strenge moeder ingeprent. De fijne vleugels van haar wit neusje trilden alleen nu en dan zoo zenuwachtig, dat iederen anderen graankooper zich zou hebben verontrust.

De geneesheer der familie, dokter Guisand, een dikke slimme, glimlachende man, had reeds menig geheim onderhoud met mijnheer Chabre gehad. Hij bracht hem onder het oog hoezeer de wetenschap nog ten achteren is. Genadige hemel! neen, men kon nu maar eenmaal geen kind planten gelijk een eikenboom. Daar hij echter nooit iemand tot wanhoop wilde drijven, had hij hem beloofd na te zullen denken over zijn geval. En op een Julimorgen, kwam hij tot hem met de woorden:

“Gij moest naar een zeeplaats gaan, mijn beste mijnheer Chabre. Ja, dat is uitstekend, gebruik vooral veel oesters, eet niets dan oesters”.

Mijnheer Chabre, die weer nieuwen moed kreeg, vroeg op levendigen toon:

“Oesters, dokter? Gelooft gij dat oesters......?”

“Zeer zeker. Men heeft dit middel zien slagen. Luister wel, alle dagen oesters, mosselen, garnalen, krabben, zelfs kreeften”.

En, op het oogenblik dat hij wegging, voegde hij er, reeds op den drempel staande, bij:

Gij moet u niet gaan begraven. Mevrouw Chabre is jong en heeft afleiding noodig. Begeef u naar Trouville. De lucht is daar heel goed”.

Drie dagen later, begaf het gezin zich op reis. Maar de voormalige graankoopman was van oordeel geweest, dat het geheel overbodig zou zijn naar Trouville te begeven, waar men hem de dolste prijzen af zou vragen. Men kan immers even goed op eene andere plaats oesters eten; in eene afgelegen streek moesten de oesters zelfs veel beter voorhanden en goedkooper zijn. Het was ook geen pleizierreisje dat zij maakten.

Een vriend had mijnheer Chabre attent gemaakt op de kleine badplaats Pouligeun, niet ver van Saint-Nazaire. Na twaalf uur doorgespoord te hebben, verveelde mevrouw Chabre zich schromelijk, gedurende den dag, dien zij te Saint-Nazaire doorbrachten. De stad was pas in haar opkomst en vertoonde slechts nieuw aangelegde straten, nog vol van onvoltooide huizen. Zij gingen de haven bezichtigen en wandelden de verschillende wijken door, waar de winkels het midden hielden tusschen de donkere kruidenierswinkels der dorpen en de groote magazijnen der steden. Te Pouliguen stond geen enkele woning te huur. De kleine huisjes van hout en pleister die het water schijnen te omgeven als bontgeverfde kermiskramen, waren reeds zonder onderscheid in beslag genomen door Engelschen, zoowel als door de rijken kooplieden uit Nantes. Estella trok bovendien den neus op voor die dwergachtige woningen, door kunstlievende burgers met de vruchten hunner verbeelding opgesierd.

Men raadde den reizigers aan te Guérande te overnachten. Het was Zondag. Toen zij daar omstreeks twaalf uur aankwamen, gevoelde mijnheer Chabre zich ondanks heel zijn gemis aan poëzie, getroffen. De aanblik van Guérande, dat zoo goed bewaarde juweel uit de riddertijden, met zijne versterkte vestingwallen; en zijne diepe poorten waarop nog torens prijken, vervulde hem van verbazing. Estella beschouwde de zwijgende stad, omringd van de groote boomen harer wandelwegen; en in het stille water harer oogen, scheen zich een droom af te spiegelen. Maar het rijtuig voerde hen nog altijd verder, het paard reed in vaart onder een poort door, en de wielen hosten over de puntige keisteenen der nauwe straten. De Chabre’s hadden geen woord met elkander gewisseld.

“Een echt gat!” mompelde eindelijk de vroegere graanhandelaar. “De dorpen, die om Parijs heen liggen, zijn nog beter gebouwd.”

Op het oogenblik dat het echtpaar voor het Hotel du Commerce, uit het rijtuig steeg, juist in het midden der stad, naast de kerk gelegen, ging de Hoogmis uit. Terwijl haar man bezig was met hun koffers, wandelde Estella eenige passen door, vol belangstelling naar de vele geloovigen kijkende, onder wie er waren die in schilderachtige kleeding waren gehuld. Men zag onder hen in witte kielen en wijden broek gestoken zoutvisschers, die op de zilte moerassen leven. Ook waren er pachters van een geheel verschillend ras, met korte lakensche buis en den breeden ronden hoed. Maar Estella voelde zich voornamelijk opgetogen over het rijke costuum van een jong meisje. Haar mutsje klemde zich op de slapen vast en liep puntig uit. Op haar rood keurslijf met wijde omslagmouwen versierd, hechtte zich een zijden halsdoek met veelkleurige bloemen. Een van goud- en zilver borduursel voorziene gordel hield hare drie op elkaar volgende rokken van blauw laken omsloten, die aan kleine vouwtjes waren geplooid, en waaruit hare roode wollen kousen en hare met kleine gele muiltjes geschoeide voeten te voorschijn kwamen.

“Wel; Wel!” riep mijnheer Chabre die zich bij zijne vrouw had gevoegd: “Men moet wel naar Bretagne komen, om zulk een carneval te zien”.

Estella gaf geen antwoord. Een twintigjarige jongeling van hooge gestalte, een zeer blank gelaat, trotsche houding en goudblonde lokken trad de kerk uit en gaf den arm aan eene oude vrouw. Men kon hem voor een reus houden, zoo breed waren zijne schouders, zoo gespierd schenen reeds zijne ledematen, en toch iets zoo teeders, zoo fijns, dat zijn gezicht aan dat van een meisje zou doen denken, indien hij niet een opkomende baard had gehad. Toen Estella hem strak aanstaarde, verrast door zijn groote schoonheid, wendde hij juist het hoofd om, ontmoette een seconde haar blik en kreeg een kleur.

“Ziedaar ten minste iemand, die er uitziet als een gewoon mensch. Hij zou een mooie dragonder worden”, mompelde Chabre.

“Het is mijn heer Hector”, zei de dienstbode uit het logement, die zijn woorden opgevangen had: “Hij vergezelt zijne mama, mevrouw de Plougastel.... O! een heel zachte, heel goede jongen!”

Onder het koffiedrinken in hun hotel woonden de Chabre’s eene hevige woordenwisseling bij. De hypotheekbewaarder, die altijd zijne diners in het Hotel du Commerce gebruikte, roemde de aartsvaderlijke levenswijze te Guérande en vooral de goede zeden der jeugd aldaar. Volgens hem, was het de godsdienstige opvoeding, welke de inwoners zoo onschuldig hield, en gaf hij daarbij voorbeelden aan en noemde feiten op. Maar een handelsreiziger, die pas dienzelfden morgen, met kisten vol valsche edelgesteenten, aangekomen was, lachte hem uit en vertelde, dat hij langs den weg jongens en meisjes gezien had, die elkander achter de heggen omhelsden. Hij had de jongen mannen wel eens willen zien, als men hen tegenover mooie vrouwen had geplaatst. En hij eindigde met den spot te drijven met godsdienst, pastoor en vrouwen, totdat de hypotheekbewaarder, woedend zijn servet op tafel slingerde en heenging. De heer Chabre had sprakeloos voortgegeten; hij was verbolgen over hetgeen men aan een table d’hôte moet aanhooren; en mevrouw bleef rustig en glimlachend, als had zij er niets van verstaan.

Om den middag door te brengen, ging het echtpaar Guérande bezoeken. In de kerk van Saint-Aubin heerschte eene heerlijke koelte en zij liepen er langzaam rond onder de hooge gewelven, en bleven stilstaan voor de zonderlinge beeldhouwwerken in de nissen, waarop men beulen aanschouwt, die hunne slachtoffers doormidden zagen of op roosters braadden, terwijl zij het vuur met groote blaasbalgen aanwakkeren. Daarna doolden zij door de vijf of zes eenzame straten der stad. De puntige daken, die veel op peperbussen geleken en bedekt waren met lei; de hoekige torentjes en het overgebleven, door den tijd afgebrokkelde beeldhouwwerk, herschiepen enkele stille plekken in museums, welke in den zonneschijn schenen te slapen. Estella, die zich sedert haar huwelijk in romans verdiepte, wierp een smachtenden blik op de vensters met hunne kleine in lood gevatte ruitjes. Zij dacht aan de roman van Scott.

“Ik heb tien torens geteld!” riep mijnheer Chabre, toen zij tot hun uitgangspunt waren teruggekeerd.

Zij bevonden zich nu op de Mail, een grooten opgehoogden wandelweg, die een kwartcirkel vormt van de Oostpoort naar de Zuidpoort. Tegenover een heerlijken horizon, die zich mijlen ver, over de daken der buitenwijk uitstrekte, bleef Estella in gepeins verzonken. Men zag allereerst een grootsch landschap van door den zeewind gekromde pijnboomen, dooreen gestrengelde heesters, en een gansche schat van zwartgroene planten. Terwijl zich verderop de woestijn der zoutmoerassen uitstrekte de eindelooze naakte vlakte, met hare spiegels der vierkante waterkommen en de witte zouthoopjes, die lagen te flikkeren op het grijze laken van het zand. En nog verderop, aan het uiteinde des hemels, vertoonde de oceaan zijn blauwe diepte. Drie schepen, die over het blauw heengleden schenen drie witte zwaluwen.

“Daar is het jonge mensch van dezen morgen, vrouwlief”, zeide plotseling mijnheer Chabre, “vindt gij niet dat hij op den kleinen Larivière gelijkt? Als hij gebocheld was, zou hij voor hem kunnen doorgaan”.

Estella had zich langzaam omgekeerd. Maar Hector die aan den zoom van den wandelweg stond en eveneens verdiept scheen in den aanblik van de verwijderde zee, hield zich als bemerkte hij niet dat men hem gadesloeg. De jonge vrouw hervatte thans langzaam haar tocht. Nauwelijks was zij tien passen verder gekomen of de strik van haar parasol ging los en de Chabre’s vernamen eene stem die hen achterna riep:

“Mevrouw, mevrouw....”

Het was Hector, die haar strik had opgeraapt.

“Duizendmaal dank mijnheer”, sprak Estella met rustigen glimlach.

Het was een zeer zachte, zeer brave jongen. Hij viel aanstonds in den smaak van mijnheer Chabre, die hem toevertrouwde hoezeer hij verlegen zat met de keus eener badplaats, en hem zelfs om inlichtingen vroeg. Hector begon, geheel verlegen, te stamelen:

“Ik geloof niet dat gij hetgeen gij zoekt te Croisie of ook te Batz zult vinden”, zeide hij, de kerktorens der beide kleine steden in de verte aanwijzende. “Ik zou u aanraden naar Piriac te gaan”. Hector verschafte hem allerlei bijzonderheden, Piriac was op op drie mijlen afstands van daar gelegen. Een zijner ooms woonde in den omtrek. En, op een vraag van mijnheer Chabre, verzekerde hij dat men daar een overvloed van oesters vond.

De jonge vrouw tikte met de punt van haar parasol tegen het gras aan. Hector waagde het niet de oogen naar haar op te slaan, als maakte haar tegenwoordigheid hem beschroomd.

Guérande is al een heel mooi stadje”, eindigde Estella met op haar welluidende toon te zeggen.

“O heel mooi”, stotterde Hector, haar plotseling met den blik verslindende.

II.

Op zekeren morgen, drie dagen nadat het gezin zijn intrek te Piriac had genomen, sloeg mijnheer Chabre van den zeebreker af, die de kleine haven beschermt, rustig Estella gade, die juist bezig was te baden en op den rug dreef. Het was reeds zeer warm; en keurig gekleed in een zwarte jas, met een vilten hoed op het hoofd, had hij een parasol met groene voering opgestoken, om zich te beschermen.

“Is de zee goed?” vroeg hij, om den schijn aan te nemen alsof hij eenig belang stelde in het baden zijner vrouw.

“Heel goed”, antwoordde Estella zich weer voorover wentelende.

Mijnheer Chabre baadde nooit. Het water boezemde hem een grooten afschrik in, en hij verborg dit slechts door te zeggen dat de geneesheeren hem ten strengste het gebruik van zeebaden verboden hadden. Zoodra er op het strand een golf tot aan zijne schoenen kwam spoelen, deinsde hij met eene rilling achteruit, als had een gevaarlijk dier hem de tanden laten zien. Het water zou trouwens zijne aangeboren deftigheid hebben geschaad, hij vond het vuil en onbetamelijk.

“Dus is het goed?” herhaalde hij, duizelig wordende in de hitte en zich door een onrustige slaperigheid op dien zeebreker aangegrepen voelende.

Estella antwoordde niet, maar sloeg de armen om zich heen door het water en zwom als een poedel. Even vermetel als een jongen, baadde zij uren lang, wat haar man erg verveelde, want hij oordeelde het gepast haar in de nabijheid op te wachten. In Piriac had Estella juist de zee gevonden, waarvan zij hield. Zij had een afkeer van een hellend strand, dat men heel ver af moet loopen, aleer men het water tot aan het middel heeft. Gewikkeld in haar ochtendjapon van wit molton, liep zij tot aan het uiterste eindje van den zeebreker, liet daar het gewaad van de schouders glijden en sprong rustig de golven in. Zij had zes meters diepte noodig, beweerde zij, om niet tegen de rotsen aan te stooten. Haar bad-costuum, dat aan één stuk en zonder rok was, deed haar hooge gestalte uitkomen, en de lange blauwe ceintuur welke hare lendenen omgordde, gleed haar met gelijkmatige bewegingen langs de heupen neer. In het heldere water, met de lokken in een caoutchouc mutsje verborgen, waaruit kleine lokken te voorschijn kwamen, had zij heel de lenigheid van een blauwachtigen visch met een raadselachtig, rooskleurig vrouwengelaat.

Mijnheer Chabre stond daar reeds een kwartier lang in de felle zon te blaken. Tot duizendmaal toe had hij op zijn horloge gekeken, en hij eindigde met te wagen op beschroomden toon te zeggen:

“Gij blijft al heel lang in het water, lieve. Gij moest er uitkomen. Dat gerekte baden zal u vermoeien”.

“Maar ik ben er pas in!” riep de jonge vrouw. “Het is alsof men in melk baadt”.

En wederom op den rug gaande liggen, voegde zij er bij:

“Gij kunt wel heengaan als het u verveelt...... Ik heb u niet noodig”.

Daar kwam hij hoofdschuddend tegen op, met de verzekering hoe gauw er een ongeluk kon plaats vinden. Estella glimlachte bij het denkbeeld van hoeveel hulp haar echtgenoot haar zou zijn, indien zij eens door kramp werd aangegrepen. Maar plotseling wierp zij een blik naar de andere zijde van den zeebreker, op den inham, die langs van het dorp door het water gegraven werd.

“Wel!” zeide zij, “wat is dat daarginds? Ik ga eens even kijken”.

En zij verwijderde zich snel, met lange, regelmatige slagen.

“Estella! Estella!” riep Chabre: “Wilt ge wel eens hier blijven? Gij weet dat ik alle onvoorzichtigheden haat”.

Maar Estella luisterde niet naar hem, en hij was gedwongen zich te onderwerpen. Zoo hoog mogelijk op de punten zijner voeten gaande staan om de witte vlek te volgen, welke de hoed zijner vrouw op het water wierp, vergenoegde hij zich met zijn parasol waaronder de verzengende lucht hem meer en meer verstikte van hand te verwisselen.

“Wat heeft zij dan toch gezien!” mompelde hij: “O! ja, dat voorwerp, dat daar ginds drijft...... Zeker iets vuils. Een pak zeewier, zonder twijfel, of wel een vat.... Maar neen, het beweegt zich”.

En, eensklaps, herkende hij het voorwerp.

“Neen, het is een heer, die ook zwemt.”

Intusschen had ook Estella, reeds na enkele slagen, zeer goed gezien, dat het een heer was. Zij hield toen op in zijne richting voort te zwemmen, wel voelende dat dit onbehoorlijk zou zijn. Maar uit behaagzucht, blij als ze was haar moed aan den dag te kunnen leggen, zette zij haar weg voort naar de volle zee. Zij vorderde langzaam, en deed alsof zij den zwemmer niet opmerkte. Als werd hij door den stroom medegevoerd, dreef deze naar haar toe, en op het oogenblik dat zij zich omwendde om naar den zeebreker terug te keeren, had er eene blijkbaar geheel onverwachte ontmoeting plaats.

“Maakt gij het goed, mevrouw?” vroeg de mijnheer beleefd.

“Wel! zijt gij het mijnheer!” sprak Estella vroolijk.

En zij voegde er met een opgeruimd lachje bij:

“Hoe men elkander toch wedervind!”

Het was de jonge Hector de Plougastel. Hij was zeer verlegen, heel gespierd en rooskleurig in het water. Een oogenblik zwommen zij sprakeloos, op behoorlijken afstand van elkander voort. Estella meende zich echter voorkomend te moeten betoonen.

“Wij zijn u heel dankbaar dat gij ons Piriac aangeraden hebt. Mijn man is er zoo mede ingenomen”.

“Die mijnheer, daar ginds geheel alleen op den zeebreker, is uw man niet waar?” vroeg Hector.

Een andermaal bewaarde zij het stilzwijgen. Zij blikten de echtgenoot aan, die niet grooter dan een zwart insekt boven de zee uitstak.

Mijnheer Chabre rekte zich heel nieuwsgierig nog meer uit, om toch te ontdekken welke bekenden zijn vrouw wel in volle zee had kunnen ontmoeten. Hij kon er niet meer aan twijfelen of Estella praatte met dien mijnheer.

“Ja”, vertelde Hector aan die mooie vrouw Chabre, “Ik ben eenige dagen komen doorbrengen bij mijn oom, wiens kasteel gij daar ginds halverwege de kust, kunt zien. Elken morgen ga ik, om mijn bad te nemen, van die punt tegenover het terras, af en zwem ik tot aan den zeebreker. Dan keer ik weer terug. Het is twee kilometer in het geheel en eene uitstekende beweging. Maar gij, mevrouw, zijt heel dapper. Nog nooit heb ik zulk een moedige vrouw gezien”.

“O!” antwoordde Estella, “ik heb al als een heel klein meisje rondgesparteld. Het water is met mij vertrouwd. Wij zijn goede oude kennissen”.

Van lieverlede kwamen zij dichter bij elkander, om niet zoo hard te moeten schreeuwen. Op dien warmen morgen deinde de zee, evenals een groot veld van zijde. Satijnen plekken breidden zich daarover uit, en verderop weer had men strepen, die op eene gerimpelde stof geleken en zich uitstrekten, zich vergrootten om de zachte trilling der stroomen voort te dragen. Zoodra zij elkaar genaderd waren, nam het gesprek meer een vertrouwelijk karakter aan.

Het was een heerlijke dag! Hij wees Estella verscheidene punten der kust aan en bij elke aanwijzing, volgde Estella de richting van Hectors vinger, en hield zij een oogenblik stil om toe te kijken. Het vermaakte haar die verre kusten te zien, met de oogen even boven het water, op een doorschijnende onmetelijkheid gevestigd. Zoodra zij den blik naar de zon wendde, werd zij als verblind, de zee scheen herschapen te zijn in eene grenzelooze Sahara, terwijl de schitterende weerkaatsing van het daglicht op de kleurlooze uitgestrektheid van het strand flikkerde.

“Hoe mooi!” mompelde zij, “hoe mooi!”

Zij ging op den rug liggen om uit te rusten. Zij bewoog zich niet meer, hare handen waren op de borst gekruist, haar hoofd achterovergeworpen, zij gaf zich aan het water over. En haar blanke armen en beenen dreven boven.

“Gij zijt dus te Guérande geboren, mijnheer?” vroeg zij.

Ten einde gemakkelijk te kunnen praten, ging Hector eveneens op den rug liggen.

“Ja, mevrouw,” gaf hij ten antwoord. “Ik ben nog slechts eenmaal naar Nantes geweest”.

Hij deelde haar de bijzonderheden omtrent zijne opvoeding mede. Hij was opgegroeid aan de zijde zijner moeder, die erg vroom was, en de overlevering van den ouden adel ongeschonden had bewaard. Zijn leermeester, een priester, had hem ongeveer alles medegedeeld wat men op kostscholen leert, maar er veel godsdienst en wapenkunde bijgevoegd. Hij reed paard, kon schermen en hield zich veel met alle mogelijke lichaamsoefeningen bezig. Daarenboven, scheen hij even onschuldig als een maagd te zijn, want wekelijks ging hij ter communie. Hij las nooit romans en zou, zoodra hij meerderjarig werd, een leelijk nichtje trouwen.

“Hoe! Zijt gij nauwelijks twintig jaar oud!” riep Estella, en wierp dien reusachtigen knaap een verbaasden blik toe.

En zij werd moederlijk jegens hem gestemd. Zij stelde belang in dien bloem van het krachtige ras van Bretagne. Maar terwijl beiden zoo op den rug bleven liggen, met de oogen gewend naar den doorschijnenden hemel, zonder meer eenigszins acht op de aarde te slaan, waren zij zoo dicht tegen elkander aangedrongen dat hij haar even aanraakte.

“O, ik vraag u om verschooning!” zeide hij.

Zij dook weg en kwam vier meter ver weder boven. Zij begon weer te zwemmen en lachte hartelijk.

“Dat was een aanvaring”, zeide zij.

Hijzelf was vuurrood geworden. Hij naderde haar en zag haar afhangende hoed. Men zag slechts haar gelaat, haar met putjes versierde kin raakte het water aan. Eenige droppels neervallende uit de blonde vlokken, welke aan het mutsje ontsnapt waren, wierpen paarlen op het dons harer wangen. En niets kon bekoorlijker zijn dan haar glimlach, door dat mooie vrouwenhoofd, dat met zacht geruisch voortgleed, slechts een zilveren spoor achterlatende.

Hector bloosde nog meer, toen hij bemerkte dat Estella zeer goed inzag dat hij haar gadesloeg en zich vermaakte met het zonderlinge figuur dat hij moest slaan.

“Mijnheer uw echtgenoot schijnt ongeduldig te worden”, zeide hij om het gesprek weder aan te knoopen.

“O! neen”, gaf zij rustig ten antwoord, “hij is gewoon mij op te wachten als ik baad”.

Om de waarheid te zeggen, was mijnheer Chabre verre van bedaard. Hij deed vier passen vooruit, keerde dan op zijn schreden terug, om opnieuw zijne wandeling te hervatten, zijn parasol steeds sneller rond latende draaien, in de hoop dat hij daardoor wat lucht verkrijgen zou. Het onderhoud zijner vrouw met den onbekenden zwemmer begon hem verbazing in te boezemen.

Estella kwam op den inval dat hij Hector misschien niet had herkend.

“Ik zal hem toeroepen dat gij het zijt”, sprak zij.

En zoodra zij van den zeebreker af verstaan kon worden verhief zij de stem.

“Weet gij beste, het is die mijnheer van Guérande, die zoo vriendelijk voor ons is geweest”.

“O! zeer goed, zeer goed”, riep mijnheer Chabre op zijn beurt. Hij nam zijn hoed af en groette.

“Is de zee naar uw zin, mijnheer!” vroeg hij beleefd.

“Uitstekend, mijnheer”, antwoordde Hector.

En het bad wordt voortgezet onder de oogen van den echtgenoot, die zich niet meer durfde beklagen. Aan het uiteinde van den zeebreker was het water heerlijk doorschijnend en kon men duidelijk tot op den bodem zien. Estella voelde zich verrukt door die heldere diepte. Zij zwom zachtjes voort, om de oppervlakte niet al te zeer te rimpelen, en voorover gebogen, met den neus bijna in de golfjes, keek zij naar het zand en de steentjes onder haar in den geheimzinnigen nevelachtigen afgrond. Vooral de halmen joegen haar eene huivering aan, wanneer zij voor hen heenkwam. Het waren groenachtige planten, die schenen te leven en langwerpige bladeren bewogen, geheel gelijk aan een zwerm kreeftenpooten, enkele kort, ineengedrongen, vastgeklemd tusschen twee steenen: anderen weer rijzig, hoog opgeschoten en lenig als slangen. Zij slaakte telkens een zachten kreet om haar ontdekkingen aan te geven.

O! welk een groote steen! men zou zeggen dat hij zich verroert...... En kijk eens, dien boom, een waren boom met takken!... O! en daar hebt gij een visch! Hij zwemt pijlsnel door”.

Maar eensklaps riep zij uit:

“Wat is dat toch? Een bruidbouquet! Hoe! bruidsbouquetten? Zie slechts, of men niet zou zeggen dat het witte bloemen zijn. Het is heel, heel mooi”.

Hector dook aanstonds weg, en kwam weder boven met een handjevol witachtige halmen, die zoodra zij uit het water kwamen weer gingen hangen en verwelken.

“Ik dank u zeer”, sprak Estella. Gij hadt u die moeite niet moeten getroosten. Luister eens beste, bewaar dat voor mij”. En zij wierp de geplukte grashalmen voor de voeten van mijnheer Chabre. Nog een oogenblik lang, bleven de jonge vrouw en haar tochtgenoot doorzwemmen. Zij lieten eerst het schuim om zich heen spatten en namen snelle, kort afgebroken slagen. Dan weder schenen hun bewegingen plotseling in te sluimeren, gleden zij langzaam voort, alleen kringen om zich heen beschrijvende, die even trilden en dan wegstierven. Er lag een soort geheime, weelderige vertrouwelijkheid in, aldus omwikkeld te worden door dezelfde golf. Naar gelang dat het water zich over Estella’s heenvluchtend lichaam, sloot, poogde Hector het spoor door haar achtergelaten binnen te glijden, de plaats en de warmte harer ledematen te hervinden. De zee om hen heen was nog stiller geworden en zoo lichtblauw, dat zij daarbij een bleekrooden tint verkreeg.

“Gij zult kou vatten, lieve”, mompelde mijnheer Chabre, wien de groote zweetdruppels van het gelaat vielen.

“Ik zal het water uitkomen, beste”, gaf zij ten antwoord.

Zij deed dit inderdaad, en liep haastig met behulp van een ketting langs de hellende steenen van den zeebreker op. Hector had zich voorgenomen haar daarbij gade te siaan. Maar toen hij het gedruisch der van haar afstervende regendroppelen vernam, en het hoofd ophief, bevond zij zich reeds boven, in hare ochtendjapon gewikkeld. Hij droeg zulk een verbaasde uitdrukking van teleurstelling, dat zij glimlachte en even rilde; zij rilde alleen, omdat zij wel wist hoe betooverend zij was, zooals zij daar huiverend, lang als zij was en terwijl hare sierlijk gedrapeerde gestalte tegen den hemel uitkwam.

De jonge man was wel verplicht afscheid te nemen.

“Tot het genoegen u weer te zien, mijnheer”, zeide de echtgenoot.

III.

De Chabre’s hadden te Piriac de eerste verdieping gehuurd eener groote woning, wier vensters op zee uitzagen. Aangezien men op het dorp slechts armoedige herbergen vond, hadden zij eene vrouw der streek moeten huren, die voor hen kookte. Zij maakte al een heel zonderling kostje voor hen gereed: gebraden vleesch dat bijzonder veel op steenkool geleek en sauzen, zoo onheilspellend van kleur, dat Estella vrij wat liever brood at. Maar, zooals mijnheer Chabre zeide, men was daar niet gekomen om zich eens te goed te doen. Hijzelf raakte trouwens ternauwernood vleesch of saus aan. Van ochtend tot avond propte hij zich vol met schelpvisch, met heel de gewetenstrouw van iemand die een geneesmiddel inneemt. Het ergste was, dat hij die hem onbekende dieren, met hunne grillige vormen, verfoeide, gewoon als hij altijd was aan een burgerlijken pot, en flauwe smakelooze schotels. Hij hield kinderachtig veel van zoeten wijn. De schelpvisch deed zijn verhemelte branden. Zij waren zoo zout, zoo gepeperd, zij hadden zulk een gekruiden, sterken smaak, dat hij niet na kon laten gezichten te trekken als hij ze at; maar zoo noodig zou hij zelfs schelpen hebben verzwolgen, zoo groot was zijn verlangen vader te worden.

“Lieve gij eet er niet van!” riep hij Estella dikwijls toe.

Hij eischte van haar dat zij er evenveel van zou eten als hijzelf. Hij beweerde dat dit noodzakelijk was om een goeden uitslag te verkrijgen. En dan begonnen zij het oneens te worden. Estella verklaarde dat Guirand niet van haar gesproken had, maar hij antwoordde steeds dat het niet meer dan logisch was dat zij zich beiden aan het voorschrift zouden onderwerpen. Een onweerstaanbare glimlach plooide zachtjes het kuiltje in haar kin. Zij zeide echter niets, daar zij er niet van hield iemand te kwetsen. Nadat zij een oesterbank ontdekt had, was zij er zelfs toe overgegaan om bij elk maal een twaalftal te eten. Het was niet omdat zij persoonlijk behoefte aan oesters had, maar zij hield er dol veel van.

Te Piriac leidde men een eentonig leven en Estella, die aan het gewoel van Parijs gewoon was, zou zich doodelijk verveeld hebben, indien Hector geëindigd was met hen dagelijks te bezoeken. Ingevolge van eene wandeling, die zij samen langs de kust maakten, was hij zeer bevriend met mijnheer Chabre geraakt. In een oogenblik van ontboezeming, vertrouwde mijnheer Chabre den jongen man het doel hunner reis toe, ofschoon hij zorg droeg, de meest kiesche woorden uit te zoeken, ten einde de reinheid van dien schuldelooze niet te kwetsen. Nadat hij hem op wetenschappelijke wijze uitgelegd had waarom hij zooveel schelpvisch at, zag Hector, die vergat te blozen, hem verstomd van hoofd tot voeten aan, zonder er aan te denken zijne verbazing te verhelen voor het feit, dat een onzer behoefte kon hebben aan een dergelijk dieet. Den volgenden dag kwam hij echter aanzetten met een mandje vol zeekrabbetjes, die de voormalige graanhandelaar met eene uitdrukking van dankbaarheid aangenomen had. En zeer behendig in het visschen zijnde, en al de rotsen der kust kennende, kwam hij, sedert dien, nooit meer aan zonder schelpvisch mede te brengen. Hij liet hem prachtige mosselen eten, die hij bij laag water oprapen ging; oesters, die hij met de punt van een mes van de rotsen losmaakte; allerhande beesten, waaraan hij uitheemsche namen gaf, en die hijzelf nooit geproefd had. Mijnheer Chabre, die opgetogen was, dat hij geen penning meer behoefde uit te geven, putte zich uit in dankbaarheid.

Hector vond thans altijd een voorwendsel om zich bij hen aan te melden. Zoovaak hij met zijn mandje aankwam en Estella ontmoette, voegde hij haar denzelfden volzin toe:

“Ik breng schelpvisch voor mijnheer Chabre.

En beiden begonnen te glimlachen, met half dichtgeknepen, glinsterende oogen. De schelpvisch van den heer Chabre vermaakte hen. Van dit oogenblik af, vond Estella Piriac allerliefst. Dagelijks na afloop van haar bad, maakte zij eene wandeling met Hector. Haar echtgenoot volgde hen op een afstand, want zijne beenen wogen zwaar als lood, en zij liepen niet zelden te vlug voor hem. Hector hield haar staande voor de prachtige vijgeboomen, met de breede harige leeren bladeren, die in de tuinen groeiden en hunne takken over de lage schuttingen uitstrekten. Zij drongen de nauwste steegjes binnen, en bogen zich over den rand der putten heen, in de diepte waarvan zij hun eigen lachend beeld weerkaatst zagen door het heldere water, dat even wit als spiegelglas was; terwijl achter hen aan, mijnheer Chabre zijn schelpvisch voortdroeg, beschut door het groene percaline van zijn parasol, zijn onveranderlijke tochtgenoot.

Den eersten Zondag meende Estella naar de Mis te moeten gaan. In Parijs begaf zij zich nooit naar de kerk. Maar buiten leverde de mis een afwisseling op, en een gelegenheid om toilet te maken en menschen te zien. Zij trof er trouwens Hector aan, die bezig was in een reusachtig gebedenboek met versleten band te lezen. Hij hield niet op, haar over zijn boek heen aan te staren. Zijn lippen waren ernstig geplooid, maar zijne oogen schitterden zoo, dat men er een glimlach in raadde. Bij het uitgaan der kerk bood hij haar den arm aan, om het kleine kerkhof over te steken, dat het gebouw omringt. Dien middag, na de vesper, had men een ander schouwspel, een processie naar een Christus, dien men aan het eind van het dorp had aangebracht. Voorop liep een boer, met een violetkleurig, goud doorstikt zijden banier, aan een roode stok. Dan volgden twee lange reeksen van vrouwen op behoorlijken afstand van elkander. De priesters gingen in het midden, een pastoor, een kapelaan en de gouverneur van een naburig slot, alle drie uit volle borst zingende. Ten slotte, achter een witte banier, die gedragen werd door een stevig meisje met verbrande armen, trippelde de stoet der geloovigen langzaam voort, als een ongeregelde kudde, onder een luid geklots van klompen.

Toen de processie langs het havenhoofd heenkwam, teekenden de banieren en de witte mutsen der vrouwen zich in de verte af tegen het schelle blauw der zee, en nam die langzame optocht in den zonneschijn iets zeer reins aan.

Estella voelde zich bijzonder door het kerkhof verteederd. Gewoonlijk hield zij niet van weemoedige zaken. Den dag van haar aankomst had het haar een rilling aangejaagd al die graven te zien, die zich onder haar venster uitstrekten. De kerk stond op het havenhoofd, omgeven van de kruisen, wier armen zich naar de onmetelijkheid van het water en den hemel uitbreidden; en gedurende de stormachtige nachten woedde de zeewind in dat woud van zwarte planken. Maar zij was spoedig gewoon geraakt aan dien rouw, zooveel vroolijke rust ging er van dien kleinen doodenakker uit. De afgestorvenen schenen er te glimlachen, te midden der levenden, die hen zoo dicht omringden.

Op zekeren avond, dat Estella aan Hector’s arm huiswaarts keerde, voelde zij den lust in zich oprijzen deze verlaten plaats te betreden. Mijnheer Chabre vond dien inval al te dichterlijk en verzette er zich tegen door zelf den dijk over te gaan. Zij was verplicht den arm van den jongeling los te laten, zoo smal was het laantje. Men hoorde haar gewaad te midden van de hooge grashalmen ruischen. De geur der bremstruiken was zoo sterk, dat de verliefde poesjes niet op de vlucht togen, maar half bedwelmd onder het groen bleven schuilen. Op het oogenblik dat zij in de schaduw der kerk kwamen, voelde zij dat Hector de hand om haar middel sloeg. Zij ontstelde en slaakte een kreet.

“Het is dwaas!” zeide zij, zoodra zij weder uit de schaduw traden, “Ik meende dat een schim mij mede trok”.

Hector begon te lachen en meende eene opheldering te moeten geven.

“O! het was zeker een tak, de eene of andere bremstruik, die uwe japon zal hebben aangeraakt!”

Zij bleven stilstaan, wierpen een blik op de kruisen om hen heen, verteederd door die diepe rust van den dood; en zonder meer een woord te zeggen, verwijderden zij zich, zeer ontroerd.

“Gij zijt bang geweest, ik heb u hooren schreeuwen”, zeide mijnheer Chabre. “Dat is uw verdiende loon!”

Als het water hoog stond, ging men bij wijze van verstrooiïng de sardineschuiten zien binnenloopen. Zoodra een schip koers naar de haven zette, verwittigde Hector het echtpaar daarvan. Maar reeds na het zesde vaartuig, had mijnheer Chabre verklaard dat het altijd dezelfde vertooning was. Estella scheen daarentegen het schouwspel niet moede te worden, en vond er steeds grooter behagen in zich naar den zeebreker te begeven. Men moest dikwijls hard loopen. Zij sprong over de groote, losgewoelde steenen, en liet hare rokken, die zij met de eene hand vast hield om niet te vallen rondfladderen. Als zij aankwam, was zij half verstikt, bracht zij de handen aan hare borst, en wierp zij het bovenlijf achterover, om weer op adem te komen. En Hector vond haar betooverend aldus, met de verwarde lokken, de vermetele uitdrukking en hare jongensachtige manieren. Maar reeds lag de schuit stil, en brachten de visschers de korven sardines naar boven; de visschen verkregen in den zonneschijn een zilverglans, er waren er bij die blauw schenen, anderen weer getint als safieren of als lichtkleurige robijnen. De jonge man gaf dan steeds dezelfde uitlegging: elke mand bevatte duizend sardines; de duizend sardines vertegenwoordigden eene waarde, die elken morgen bepaald werd, al naar gelang dat de vangst mee of tegen was geloopen, en de visschers verdeelden onder elkander de koopsom, nadat zij er eerst een derde van hadden afgestaan aan den eigenaar van den schuit. Daarna volgde het pekelen, dat onmiddellijk plaats had, in tonnen met gaten, opdat het water van den pekel weg zou kunnen loopen. Maar van lieverlede toch, begonnen Estella en haar metgezel de sardines te verwaarloozen. Zij gingen ze nog zien, maar gunden er geen blik meer aan. Zij liepen er in allerijl heen, en keerden heel langzaam en als afgemat weder, terwijl zij zwijgend op de zee tuurden.

“Waren de sardines mooi?” vroeg mijnheer Chabre telkens, als zij terugkwamen.

“Ja, heel mooi”, gaven zij ten antwoord.

Des Zondags had men te Piriac het schouwspel van een bal in de open lucht. De knapen en meisjes der streek, draaiden uren lang, met ineengestrengelde handen, in het rond, onder het herhalen van hetzelfde lied op éénen denzelfden doffen, maar zeer gelijkmatigen toon. Die ruwe stemmen, die zich te midden van de schemering verhieven, namen op den langen duur eene wilde bekoorlijkheid aan. Estella, die op het strand was gezeten en Hector aan hare voeten had, luisterde toe, weldra geheel verdiept in droomen. De zee klom zachtjes voort, met een luid liefkoozend gedruisch. Als de golven op het strand aanspoelden, was het als plotseling, en stierf met het terugtrekkende water de kreet weg in een klagend gemurmel van bedwongen liefde. De jonge vrouw verlangde er naar aldus bemind te worden, door een reus, die zij in een kleinen knaap zou herschapen.

“Gij moet u zeker vervelen te Piriac, liefste?” vroeg mijnheer Chabre nu en dan aan zijn vrouw.

En zij haastte zich te antwoorden:

“Neen, waarlijk niet, dat verzeker ik u”.

Na verloop van veertien dagen, wilde mijnheer Chabre, die zich doodelijk verveelde, naar Parijs terugkeeren. Hij beweerde dat de schelpvisch reeds moest hebben gewerkt. Maar zij kwam daartegen op.

“O! beste, gij hebt er nog niet genoeg van gegeten. Ik weet immers wel dat gij er nog meer behoeft”.

IV.

Op zekeren avond zeide Hector tot het gezin:

“Wij zullen morgen een hoogen vloed hebben.... Wij zouden dan op de garnalenvangst kunnen gaan”.

Dit voorstel scheen Estella bijzonder toe te lachen. Ja, ja, men moest garnalen gaan visschen! Sedert lang had zij van dit uitstapje gedroomd. Mijnheer Chabre kwam er tegen in verzet. Vooreerst, ving men nooit iets, en in de tweede plaats was het veel eenvoudiger voor tien stuiver de vangst eener vrouw der streek te gaan koopen, zonder tot aan het middel toe nat te worden en zijne voeten stuk te loopen. Maar hij moest toegeven aan de opgewondenheid zijner vrouw en men begon de grootste toebereidselen te maken.

Hector had zich belast met het verschaffen der netten. In weerwil van zijn angst voor koud water, had mijnheer Chabre verklaard dat hij de anderen vergezellen zou, en van het oogenblik af, dat hij er in toestemde op de vischvangst uit te gaan, was hij ook voornemens in alle ernst te visschen. Dien morgen liet hij een paar laarzen met traan insmeren; daarna stak hij zich van hoofd tot voeten in een pak van lichtkleurig linnen; maar zijn vrouw kon niet van hem verkrijgen dat hij geen zorg besteden zou aan zijn dasstrik, en de punten daarvan spreidden zich even deftig uit, alsof hij zich naar eene huwelijksplechtigheid moest begeven. Die strik was zijn protest van fatsoenlijk man tegen de wanorde van den oceaan. Wat Estella, betreft, zij trok eenvoudig haar badcostuum aan, waarover zij een Persey aandeed. Ook Hector was in badkleeding.

Omstreeks twee uur begaf het drietal zich op weg. Elk hunner droeg een net op den schouder. Men moest een halve mijl over het zand en de duinplanten afleggen, alvorens een rots te bereiken, waar Hector beweerde dat men ware garnalen-banken vond. Hij leidde rustig het echtpaar voort, door waterplassen heenstappende en recht voor zich uitgaande, zonder zich er over te bekommeren, of de weg goed was of slecht.

“Is het dan zoo heel ver, mijnheer Hector? Zie toch eens waarom zouden wij daarginds niet visschen? Ik verzeker u dat ik garnalen zie. Er zijn er bovendien overal in zee te vinden, niet waar? En ik durf wedden dat men slechts zijn net behoeft uit te slaan”.

“Doe dat maar, Mijnheer Chabre”, antwoorde Hector.

En om weer bij adem te komen, sloeg mijnheer Chabre zijn net uit in een plas niet grooter dan eene hand. Het gat was zoo ledig en helder, dat hij niets ving, zelfs geen zeewier. Dan hervatte hij den tocht met eene waardige uitdrukking en op elkander geknepen lippen. Maar, aangezien hij zijn tijd verspilde door te willen bewijzen dat er overal garnalen te vinden waren, eindige hij met een heel eind achter te blijven.

De zee nam nog steeds af, en trok zich terug tot op meer dan een kilometer van de kust. Estella, die in haar volle lengte opgericht stond, liet de oogen over die kalme onmetelijkheid der zee dwalen.

“Hoe verheven!” mompelde zij.

Hector wees haar met den vinger enkele rotsen aan, groen geworden gevaarten, welke door de stortzeeën uitgesleten waren.

“Deze hier”, zeide hij, “komt slechts tweemaal per maand bloot. Men gaat er mosselen zoeken....... Ziet gij daarginds die bruine vlek? Men noemt haar de ‘Vaches-Rousses’. Het is de beste plek voor kreeften. Men krijgt die rotsen slechts met de twee groote getijden van het jaar te zien! Maar wij moeten voortmaken. Wij begeven ons naar de rotsen, waarvan de punten zich beginnen te vertoonen”.

Toen Estella de zee inging, was zij buiten zichzelve van vreugde. Zij trok de voeten heel hoog op en zette ze met kracht weer neder, luidkeels lachend over het opspatten van het schuim. Toen zij, vervolgens, water tot aan de knieën voelde, was zij gedwongen tegen de golven te worstelen; en zij vond er vermaak in heel snel voort te loopen, dien weêrstand en dat ruwe aanhoudende geschuivel te voelen, dat haar tegen de beenen drong.

“Wees niet bang”, zeide Hector, “gij zult het water tot aan het middel krijgen, maar de grond wordt daarna weder hooger...... Wij zijn er haast......

Van lieverlede begonnen zij inderdaad weder te stijgen. Zij hadden een kleinen zee-arm doorkruist, en bevonden zich thans op een breede rotsvlakte, welke de zee open gelaten had. Toen de jonge vrouw zich omwendde, slaakte zij een lichten kreet, zoo ver was zij van den oever. Heel in de verte, vlak aan de kust, vertoonde Piriac de enkele vlekken zijner witte huizen en den vierkanten toren zijner kerk, versierd met groene luiken.

Nooit had zij eene dergelijke uitgestrektheid aanschouwd als deze, die in den helderen zonneschijn gestreept was door het goud van het zand, het donkergroen der zeevarend en de vochtige schitterende tinten der rotsen. Het scheen het uiteinde der aarde, het veld van verwoesting waar het niet begon.

Estella en Hector maakten zich gereed voor het eerst hunne netten uit te werpen, toen zich een weeklagende stem deed vernemen. Mijnheer Chabre die midden in den kleinen zee-arm stond vroeg naar den weg.

“Waar moet ik heenloopen!” riep hij. “Is het rechtdoor, zeg?”

Het water steeg hem, tot den gordel; hij durfde geen voet meer verzetten, vol ontzetting bij de gedachte dat hij in een gat kon vallen en verdwijnen.

“Linksaf!” riep Hector hem toe.

Hij gehoorzaamde aanstonds; maar ziende dat hij steeds dieper kwam, bleef hij andermaal verschrikt stilstaan, niet eens meer den moed behoudende op zijne schreden terug te keeren. Hij jammerde slechts.

“Kom mij de hand vatten. Ik verzeker u dat er gaten zijn. Ik voel ze.

“Rechtsaf, mijnheer Chabre, rechtsaf!” riep Hector.

En de arme man vertoonde zulk een gek figuur, daar midden in het water, met zijn net op den schouder, en zijn dasstrik, die nog altijd even keurig zat, dat Estella en Hector onmogelijk een glimlach konden bedwingen. Hij eindigde met zich uit den nood te redden. Maar hij was bij zijne aankomst zeer ontroerd, en zeide op woedende toon:

“Ik kan niet zwemmen, ik!”

Wat hem thans van zorg vervulde, was de vraag hoe men wederkeeren zou. Toen de jonge man hen uitgelegd had dat het er slechts op aankwam zich niet door den vloed op de rotsen te laten overvallen, werd hij opnieuw angstig.

“Gij zult mij waarschuwen niet waar?”

“Wees niet bang, ik sta voor u in”.

Zij begonnen nu alle drie te visschen. Met hunne smalle netten doorzochten zij de golven. Estella ging daarbij met vrouwelijke hartstocht te werk, en zij was het, die de eerste garnalen, die groote roode garnalen ving, die hevig in de diepte van het net rondsprongen. Onder luid geschreeuw riep zij Hector toe haar te komen helpen, want die levende dieren joegen haar schrik aan, maar toen zij eenmaal gezien had, dat zij zich niet meer verroerden, zoodra men hen bij den kop aanvatten, was zij moediger, en durfde zij hen heel goed zelf in het mandje laten vallen, dat zij over den schouder droeg. Nu en dan haalde zij een heel pak zeewier op, en moest zij daarin rondtasten, wanneer een licht gedruisch, als een zacht klapgewiek haar verwittigde, dat er garnalen onder lagen. Omzichtig haalde zij de halmen uit, en wierp ze bij kleine bosjes weg maar half op haar gemak, tegenover die ineengekronkelde raadselachtige bladeren, die even kleverig en slap waren als doode visch. Van tijd tot tijd wierp zij een blik in haar mand, verlangend als zij was dat deze vol zou geraken.

“Het is vreemd”, herhaalde mijnheer Chabre, “ik vang er geen enkele”.

Aangezien hij zich niet tusschen de rotsspleten durfde wagen en buitendien zeer belemmerd werd in zijne bewegingen door zijn hooge laarzen, die vol water waren geraakt, duwde hij zijn net over het zand en ving hij niets dan krabben, vijf, acht, tien krabben tegelijk. Hij was er doodsbang voor en vocht met hen, om ze uit zijn net te verjagen. Bij oogenblikken keerde hij zich om en overtuigde zich vol bezorgdheid of de zee nog wel altijd afnam.

“Zijt gij zeker dat zij zich terugtrekt?” vroeg hij aan Hector.

Deze vergenoegde zich met een hoofdnikje. Wat hem betreft, hij vischte dapper voort, als iemand die de juiste plekken kent. Zoo vaak hij zijn net ophaalde, had hij dan ook handenvol garnalen. Als hij dit aan Estella’s zijde deed, wierp hij zijn vangst in het korfje van de jonge vrouw. En zij lachte dan, gaf een knipoogje in de richting van haar man en bracht haar vinger aan de lippen. Zij zag er allerliefst uit, gekromd over den langen houten stok, of wel het blonde hoofd neerbuigende over het net, geheel opgewonden van nieuwsgierigheid om, te weten wat zij gevangen had. Een zachte bries deed het water verstuiven, dat van het touwwerk afdroop en als een regen wegviel, haar in een waas van dauw hullende, terwijl hare kleeding, die nu eens opfladderde, dan weder om haar heen plakte, de bevalligheid harer fijne vormen deed uitkomen.

Zij hadden aldus sedert bijna twee uren voortgevischt, toen zij ophield om een oogenblik uit te rusten, zij was buiten adem, hare lichtkleurige korte haartjes waren van zweet doortrokken. Om haar heen bleef het eene onmetelijke woestijn, vervuld van altijd voortruischende vrede, alleen scheen de zee van eene siddering bevangen, was het als werd hare murmelende stem luider. De hemel, die in vuurgloed van den laten namiddag gedompeld was, had eene lichtblauwe, bijna grijze kleur verkregen, en in weerwil van die bleeke tinten van dien smelkom, voelde men niets van hitte, steeg er koelte uit het water op, die het schelle van de zon als wegveegde en verzachtte. Wat Estella vermaakte, was, dat zij op al de rotsen eene menigte punten zag, welke zich zwart en heel duidelijk afteekenden. Het waren garnalen-visschers evenals zij, wier gestalte ongelooflijk klein scheen, niet grooter dan een mier, bespottelijkheid van onbeduidendheid in deze onmetelijkheid, wat niet wegnam, dat men elk hunner kon opmerken, de kromming van hun rug, als zij hunne netten voortduwden, of hunne uitgestrekte en bewegelijke armen, die op de hoekige pooten van een vlieg geleken, wanneer zij hun vangst uitzochten, en tegen het zeewier en de krabben vochten.

“Ik verzeker u dat zij op komt zetten!” riep mijnheer Chabre vol zielangst uit. “Kijk slechts! Die rots daarginds lag straks nog bloot”.

“Zeer zeker komt zij opzetten”, eindigde Hector met ongeduld ten antwoord te geven. “Het is juist als zij stijgt dat men de meeste garnalen vangt”.

Maar mijnheer Chabre had het hoofd verloren. De laatste maal dat hij het net optrok, had hij een zonderlinge visch naar omhoog gehaald, een soort zeeduivel, die hem angst aanjoeg met den monsterachtigen kop, en hij had er genoeg van gekregen.

“Laat ons heengaan! laat ons heengaan! herhaalde hij. “Het is altijd dom zich bloot te stellen”.

“Maar men zegt u immers dat men beter visschen kan, als de zee komt opzetten!” antwoordde zijne vrouw.

“En zij zet geducht op!” voegde Hector er halfluidend bij, terwijl zijne oogen ondeugend begonnen te flikkeren.

De golven strekten zich inderdaad verder uit en bespoelden onder luide gedruisch de rotsen. Nu en dan nam het water onverwachts een gansche landtong in. Het was de zegevierende zee, die zich weder voet voor voet meester maakte van het grondgebied waar zij sedert eeuwen met haar schuim overheen zweepte. Estella had een plas ontdekt, beplant met lange grashalmen, even buigzaam als haren, en zij ving er reusachtige garnalen; zij baande zich een spoor door het wier heen, eene open ruimte achter zich latende zooals een maaier dat zou hebben gedaan. Zij spartelde tegen, weigerde zich van daar weg te laten rukken.

“Zooveel te erger voor u!” riep mijnheer Chabre uit, met eene stem vol tranen. “Het is dollemanswerk; wij zullen er nog allen bij omkomen”.

En hij verwijderde zich eerst, vol wanhoop de diepte der gaten peilende, met behulp van den stok van zijn net. Toen hij zich op twee of driehonderd pas afstands van hen bevond, haalde Hector Estella eindelijk over hem te volgen.

“Wij zullen het water tot aan de schouders krijgen”, zeide hij glimlachend. “Een waar bad voor mijnheer Chabre...... Zie eens hoe diep hij reeds wegzinkt”.

Sedert het oogenblik waarop zij zich op weg begeven hadden, droeg de jonge man de half verlegen, half bekommerde uitdrukking van een minnaar, die zich voorgenomen heeft eene liefdesverklaring af te leggen en er den moed niet toe vindt. Bij het werpen der garnalen in Estella’s korfje, had hij wel beproefd hare vingers te ontmoeten. Maar hij was blijkbaar verwoed over zijn gemis aan stoutmoedigheid, en indien mijnheer Chabre verdronken ware, zou hij dat alleraardigst hebben gevonden, want voor het allereerst zat mijnheer Chabre hem in den weg.

“Weet gij wat?” zeide hij eensklaps. “Gij moest op mijn rug klimmen, dan zou ik u dragen. Gij zult anders doornat worden.... Welnu klauter er toch op!”

En hij bukte zich voorover. Zij weigerde, verward en blozend. Maar hij werd ruw tegen haar, en riep haar toe dat hij verantwoordelijk voor hare gezondheid was. Zij gehoorzaamde dus, daarbij de beide handen op de schouders van den jongenman leggend. Stevig als een rots, hief hij zich weder omhoog, als droeg hij slechts een vogel om den hals. Hij verzocht haar zich goed vast te houden en schreed met groote passen door het water heen.

“Het is immers rechtsaf, niet waar mijnheer Hector?” riep mijnheer Chabre, wien de golven reeds in den rug drongen, op klagenden toon uit.

“Ja, rechtsaf, altijd door rechtsaf”.

En terwijl de echtgenoot voor hen uit bleef loopen bibberend van angst en de zee tot onder zijne schouders voelende stijgen, waagde Hector het een der kleine handen te kussen, die zich om zijn hals strengelden. Estella wilde ze terugtrekken, maar hij zeide haar zich niet te verroeren, want dat hij anders voor niets meer instond. En andermaal begon hij hare handen te kussen. Zij waren koel en zout, hij drukte haar de bittere weelde van den oceaan in.

“Ik bid u, laat mij met rust”, herhaalde Estella, den schijn aannemende alsof zij boos was. “Gij maakt waarlijk misbruik van den toestand. Ik spring in het water als gij opnieuw begint”.

Hij begon opnieuw en zij nam volstrekt geen sprong, hij omklemde nog altijd hare enkels en verslond nog steeds, zonder een woord te zeggen, hare handen, het oog gevestigd houdende op hetgeen men nog zien kon van den rug van mijnheer Chabre, het eindje van een tragischen rug, die bij elke schrede, dreigde te verdwijnen.

“Rechtsaf, zegt gij?” smeekte de echtgenoot.

“Linksaf, zoo gij verkiest!”

Mijnheer Chabre sloeg linksaf en slaakte een kreet. Hij was tot aan den hals onder water gekomen, zijn dasstrik verdronk, en Hector, die zich thans geheel op zijn gemak gevoelde, legde zijne bekentenis af.

“Ik heb u lief, mevrouw......”

“Zwijg mijnheer, ik beveel het u”.

“Ik heb u lief ik aanbid u en...... tot hiertoe heeft de eerbied mij het stilzwijgen opgelegd”.

Hij zag haar niet aan, maar ging voort met groote passen door het water te stappen, terwijl de zee hen tot aan de borst steeg.

De gansche toestand kwam haar zoo grappig voor, dat zij niet kon laten luidkeels te lachen.

“Komaan, zwijg liever”, hernam zij op heel natuurlijke toon, hem tevens een tikje op den schouder gevende. Wees verstandig en val vooral niet om!”

Dat tikje vervulde Hector van verrukking: het verdrag was bezegeld, en ziende dat de echtgenoot nog altijd aan zijn wanhoop overgeleverd bleef, riep de jonge man hem vroolijk toe:

“Rechtuit nu!”

Toen zij op het strand aangekomen waren, wilde mijnheer Chabre eene opheldering geven.

“Op mijn woord van eer, ik ben bijna omgekomen!” stotterde hij. “Het is de schuld van mijn laarzen....”

Maar Estella opende haar koft en toonde hem hoe deze vol garnalen was.

“Hoe? Hebt gij dat alles gevangen?” riep hij vol verbazing uit. “Gij kunt prachtig visschen!”

“O!” sprak zij glimlachend, Hector daarbij een blik toewerpend. “Mijnheer heeft geweezen hoe te doen”.

V.

De Chabre’s zouden nog slechts twee dagen te Piriac doorbrengen. Hector scheen geheel verslagen, woedend en toch ootmoedig. Wat mijnheer Chabre betreft hij ging elken ochtend zijne gezondheid na en toonde zich radeloos.

“Gij kunt de kust toch niet verlaten zonder de rotsen van Castelli te hebben gezien”, sprak Hector op zekeren avond. “Wij moeten voor morgen een wandeling op touw zetten”.

En hij lichtte zijn voorstel toe. De rotsen bevonden zich slechts op een kilometer afstands. Zij liepen over een uitgestrektheid van een halve mijl langs de zee, er waren veel grotten en half omgeworpen door de golven. Volgens hem, kon men geen woester schouwspel genieten.

“Welnu, dan zullen wij morgen gaan”, eindigde Estella. “Is de weg daarheen lastig?”

“Neen, er zijn twee of drie doortochten, waar men natte voeten krijgt, dat is alles”.

Mijnheer Chabre wilde echter niet eens meer zijne voeten nat maken. Sedert zijn bad, had hij de garnalenvangst opgegeven, droeg hij de zee een kwaad hart toe. Hij verzette zich dan ook zoo heftig mogelijk tegen het plan van dien wandeltocht. Het was bespottelijk zich aldus bloot te gaan stellen; wat hem betrof, hij zou nooit te midden van die rotsen afdalen, want hij gevoelde geen lust de beenen te breken, door rond te springen als een gems; als het dan volstrekt noodzakelijk was, zou hij hen van de hooge kust af vergezellen, maar daarmede betoonde hij zich nog heel inschikkelijk. In de hoop hem tevreden te stellen, kwam Hector op een plotselingen inval.

“Luister”, zeide hij, “Gij komt langs het wachthuis van Caselli. Welnu! gij kunt daar binnen gaan en schelpvisch koopen bij de lieden van den seinpost.... Zij hebben er altijd prachtige, die zij bijna voor niets afstaan.”

“Dat is nog eens een denkbeeld”, hernam de voormalige graankooper, die weder goed geluimd werd. “Ik zal een mandje meenemen, om er mij nog eens mede vol te proppen”.

En zich met eene geestige bedoeling tot zijne vrouw keerende, voegde hij erbij: “Nu ditmaal zal het misschien helpen!”

Den volgenden dag moest men op laag water wachten, om zich op weg te begeven. Maar aangezien Estella niet gereed was, geraakte men in den late en ging men eerst om vijf uur van huis. Hector beweerde echter dat men niet door den vloed overvallen zou worden. De jonge vrouw droeg slechts linnen laarzen over de bloote voeten. Zij zag er heel aardig uit in een grijs linnen japon, die heel kort was, en door haar werd opgenomen, zoodat men haar fijne enkels gewaar werd. Wat mijnheer Chabre aangaat, hij was keurig gekleed in een witten broek en een jasje van alpaga. Zijn parasol vergezelde hem weer en hij hield een korfje vast, de gewichtige uitdrukking op het gelaat van een Parijsche burger, die zelf zijne inkoopen op de markt gaat doen.

De weg, dien men af te legen had om de eerste rotsen te bereiken, was niet gemakkelijk. Men liep over een met drijfzand overdekt strand, waar de voeten in wegzonken. De voormalige graankoopman hijgde als een trekos.

“Nu! ik laat u aan uw lot over en ga naar boven”, zeide hij ten laatste.

“Heel goed, sla dat pad daarginds in”, gaf Hector ten antwoord. “Verderop, zou de weg voor u versperd zijn.... Wilt gij niet dat ik u helpen zal?”

En ze zagen hem de hoogte beklimmen. Toen hij daar aangekomen was, zette hij zijn parasol op, zwaaide met zijn hand en riep uit:

“Ik ben er, het is hier beter! Maar geen onvoorzichtigheden, hoort gij? Ik blijf u trouwens gadeslaan”.

Hector en Estella drongen te midden der rotsen binnen. De jongeman, die hooge laarzen droeg, sprong van steen tot steen, met heel de krachtige bevalligheid en behendigheid van een bergjager. Vol dapperheid koos Estella dezelfde steenen uit, en antwoordde, zoo vaak hij zich omwendde, teneinde te vragen:

“Wilt gij dat ik u de hand reik?”

“Neen, zeker niet. Gelooft gij mij dan een grootmoedertje?”

“Het is alsof men zich thuis bevindt”, herhaalde Estella vroolijk. “Men zou uwe rotsen in een salon kunnen plaatsen!”

“Wacht maar, wacht maar!” sprak Hector, “Gij zult eens zien”.

Zij bereikten aldus een smallen doortocht een soort spleet, die tusschen twee reusachtige rotsblokken gaapte. In een holte zag men daar een poel, een waterkom, die den weg versperde.

“Nooit kom ik daar doorheen!” riep de jonge vrouw uit.

Hij bood aan haar daar overheen te dragen; maar zij weigerde en schudde langzaam het hoofd; zij wilde niet meer gedragen worden. Hij ging daarop overal naar groote steenen zoeken en poogde een brug te bouwen. De steenen gleden echter uit en zonken in de diepte van ’t water.

“Geef mij de hand, ik zal springen”, eindigde zij te zeggen, ongeduldig wordende.

En zij nam een tekorten sprong, zoodat een harer voeten in de plas terecht kwam. Dat wekte lachlust op en nauwelijks waren zij uit den smallen doortocht gekomen, of zij slaakten een kreet van bewondering.

“Zoo! zijt gij daar!” riep mijnheer Chabre van de hoogte af. “Ik maakte mij al ongerust, ik was u kwijt geraakt...... Maar waarlijk, die afgronden zijn schrikwekkend!”

Hij hield zich, voorzichtigheidshalve, op zes pas afstands van den zoom. Zijn parasol beschutte hem en zijn mand hing aan zijn arm. Hij voegt er bij:

“Gij moet oppassen: de zee klimt al sterk”.

“Wij hebben den tijd, wees maar niet bang”, gaf Hector ten antwoord.

Estella, die zich neder had gezet, vond geen woorden tegenover den eindeloozen horizon. Vlak voor haar verhieven zich drie door de golven afgeronde granieten zuilen, als de reusachtige kolommen van een verwoesten tempel. En daarachter spreidde de volle zee zich uit, bestraald door het gulden licht van het zesde middaguur. Haar tint was koningsblauw, bezaaid met sterretjes. Heel in de verte, tusschen twee pilaren in, wierp een klein zeil een schitterend witte vlek daarop, als de vleugel van een zeemeeuw die over het water heenstrijkt. Reeds zag men uit den bleeken hemel de mist neerdalen van het naderende schemeruur. Nooit nog had Estella zich doordrongen gevoeld van zulk een groote, teedere weelde.

“Kom mede”, voegde Hector haar zachtkens toe, terwijl zijne hand haar aanraakte.

Zij sidderde, en stond op, vervuld van een kwijnend gevoel van overgave.

“Dat is het wachthuis, nietwaar, dat gebouwtje met dien mast?” riep mijnheer Chabre. “Ik ga schelpvisch koopen, en zal u wel inhalen”.

Ten einde, de ontzenuwde loomheid af te schudden, waardoor zij overmeesterd werd, begon Estella nu hard te loopen als kind. Zij sprong over de plassen heen, zij drong voort naar de zee, aangegrepen door den lust den top te beklimmen van eene opeenstapeling van rotsen, welke bij hoog water een eiland vormen moest. En toen zij na met moeite omhoog te zijn geklauterd, te midden van de spleten, de punt daarvan bereikte, en op den hoogsten steen post vatte, was zij blij de gansche tragische vernieling der kust te kunnen overzien. Haar smal profil teekende zich tegen de reine lucht af, hare rokken fladderen als een vlag in den wind.

Bij het neerdalen, boog zij zich heen over al de gaten, die zij op haar weg ontmoette. Tot in de minste holten zag men kleine, rustige, sluimerende meren van volkomen doorschijnend water, welks heldere spiegel aan den hemel weerkaatste. In de diepte vormden smaragdgroene halmen een romantisch woud. Alleen groote, zwarte krabben, sprongen daar als kikvorschen in het rond, en verdwenen weer, zonder het water troebel te maken. De jonge vrouw was in gepeins verzonken, alsof haar blik was binnengedrongen in geheimzinnige landen, groote onbekende en gelukkige streken. Toen zij aan den voet der kusthoogten wedergekeerd waren, bespeurde zij dat haar metgezel zijn zakdoek met krabben had gevuld.

“Dat is voor mijnheer Chabre”, zeide hij. “Ik zal het hem gaan brengen”.

Mijnheer Chabre kwam juist wanhopig aanloopen.

“Zij hebben zelfs geen mossel in het wachthuis”, riep hij. “Ik had wel gelijk, toen ik niet hierheen wilde komen!”

Maar zoodra de jonge man hem van verre de krabben had getoond, kwam hij tot bedaren. Hij stond verstomd van de vlugheid waarmede hij naar boven klauterde, langs een aan hem alleen bekenden weg, tegen een rots aan, die even glad scheen als een muur. Het was nog roekeloozer daar weer af te dalen.

“Het scheen niets te beduiden”, zeide Hector. “Het is zoo goed als een trap; men moet alleen maar de trede vinden”.

Mijnheer Chabre wilde dat men op zijne schreden terug zou keeren, de zee werd onrustbarend. En hij smeekte zijn vrouw althans naar boven te komen, en een gemakkelijk paadje te zoeken. De jonge man begon te lachen en antwoordde dat er geen weg voor dames te vinden was, dat men nu wel tot het eind toe door moest gaan. Zij hadden buitendien de rotsen nog niet gezien.

Mijnheer Chabre was dus wel verplicht over de kusthoogten voort te blijven wandelen. De zon ging onder, zoodat hij zijne parasol sloot en er zich van bediende als van een stok. In de andere hand hield hij zijn korf met krabben.

“Gevoelt gij u vermoeid?” vroeg Hector zachtjes.

“Ja, een weinig”, gaf Estella ten antwoord.

Zij nam zijn arm. Zij was niet afgemat, maar gevoelde zich al meer en meer overmeesterd door eene heerlijke overgave. De ontroering welke haar aangegrepen had, toen zij den jongen man op de helling der rotsen had gezien, deed haar nog innerlijk voortbeven. Zij schreden langzaam over een eindweegs strand heen. Onder hun voeten kraakte de met overblijfselen van schelpen bestrooide bodem, als de paden van een tuin, en zij sprak niet meer. Hij wees haar twee breede spleten aan, het Hol van den Waanzinnigen Monnik en de Grot van de Kat. Zij trad daar binnen sloeg de oogen op en neer en werd door eene kleine rilling bewogen. Toen zij hun tocht vervolgden over mooi, fijn zand, blikten zij elkander aan, nog steeds zwijgend en glimlachend. De zee steeg verder, met korte, ruischende golven, maar zij hoorden haar niet. Mijnheer Chabre begon boven hun hoofd te schreeuwen en zij hoorden hem evenmin.

“Maar het is gekkemanswerk!” herhaalde de voormalige graanhandelaar, onder het zwaaien van zijn parasol en zijn mand met krabben. “Estella!...... mijnheer Hector!...... luistert dan toch! gij zult omsingeld worden. Uwe voeten steken reeds in het water!”

Maar zij gevoelden de frischheid der kleine golven niet eens.

“Nu? wat is er? eindigde de jonge vrouw.

“O, zijt gij het, mijnheer Chabre!” zeide de jonge man. “Het is niets, maak u niet ongerust.... Wij hebben nog slechts de Grot van Mevrouw te bezoeken.

Mijnheer Chabre maakte een wanhopig gebaar en voegde erbij:

“Het is waanzinnig! Gij zult verdrinken”.

Zij luisterden al niet meer. Om aan den toenemenden vloed te ontkomen, liepen zij langs de rotsen voort en bereikten ten laatste de Grot van Mevrouw. Het was een holte gegraven in een blok graniet, dat eene overhellende berg vormde. Het zeer hooge gewelf was afgerond als dat van eene breede kerk. Tijdens stormen had het geschuifel van het water de wanden gepolijst en glansrijk gemaakt als agaatsteen. In den somberen rotskloof trokken rooskleurige en blauwe aderen prachtige en barbaarsche arasbesken, als hadden wilde kunstenaars deze balzaal voor de koninginne der zee versierd. De kiezelsteenen op den grond, die nog nat waren behielden een doorschijnend iets, dat hen deed gelijken op een schat van edelgesteenten. In de diepte was een bank van zand, heel zacht en droog, zoo lichtgeel dat zij bijna wit scheen. Estella had op het zand plaats genomen. Zij bekeek de grot.

“Men zou hier kunnen leven”, prevelde zij.

Maar Hector, die sedert eenige oogenblikken de zee scheen gade te slaan, hield zich plotseling of hij zeer verslagen was.

“Och, lieve hemel! wij zitten gevangen! De golven sluiten ons den weg af...... Wij hebben nog twee uur hier te wachten”.

Hij trad naar buiten en het hoofd opheffende, zocht hij mijnheer Chabre. Mijnheer Chabre bevond zich op de hoogte juist boven de grot, en riep zegevierend uit, zoodra de jonge man aangekondigd had dat zij opgesloten zaten:

“Wat heb ik u gezegd? Maar gij wilt ook nooit naar mij luisteren!...... Bestaat er eenig gevaar?”

“Hoegenaamd geen”, antwoordde Hector. “De zee dringt niet verder dan vijf of zes meter de grot binnen. Maak u maar niet bang, want wij kunnen er in de eerste twee uren niet uitkomen”.

Mijnheer Chabre werd boos. Zou men dan niet kunnen eten? Hij was hongerig, hij! En het was al een heel vervelende grap!

Al brommende, ging hij op het korte gras zitten, en plaatste zijn parasol aan zijn linker- en zijn mandje aan zijn rechterhand.

“Ik zal wachten, er valt niets anders aan te doen!” riep hij. “Keer tot mijne vrouw terug, en zorg dat zij geen kou vat”.

In de grot ging Hector naast Estella zitten. Na een tijdlang gezwegen te hebben durfde hij het wagen hare hand te grijpen en zij trok deze niet terug. Zij staarde voor zich uit. De schemering viel in, een stof van schaduw deed langzaam aan de wegstervende zon verbleeken. Aan den horizon nam de hemel een teerkleur aan, zacht violet getint, en de zee strekte zich, van lieverlede donker wordende, uit, zonder een enkel zeil. Meer en meer drong het water de grot binnen, met zacht gedruisch de doorschijnende kiezelsteentjes voorrollende. Het bracht heel de weelde der zee mede, een streelende stem, een doordringende geur, beladen met verlangens.

“Estella, ik heb u lief”, herhaalde Hector, en hij bedekte hare handen met kussen.

Zij antwoordde niet, zij was als verstikt, zij gevoelde zich als opgeheven door die aanwassende zee. Thans half uitgestrekt op het fijne zand, geleek zij eene dochter der wateren, die overvallen en reeds weerloos zou zijn. En eensklaps drong de stem van mijnheer Chabre vroolijk en luchtig tot hen door.

“Hebt gij geen honger? Ik kom er van om!... Gelukkig heb ik mijn mes bij mij. Ik neem reeds een voorproefje, weet gij, ik eet de krabben op”.

“Ik heb u lief Estella”, herhaalde Hector, die haar in zijne armen gestrengeld hield.

De avond was zeer donker, de witte zee verlichtte den hemel. Aan den ingang der grot, slaakte het water een lange klacht, terwijl onder het gewelf een laatste schemering van daglicht was weggestorven. Een geur van vruchtbaarheid steeg uit de levende golven op. Estella liet langzaam het hoofd op Hector’s schouder neerzinken. En de avondwind nam hunne zuchten mede. Daarboven, bij het licht der sterren, at mijnheer Chabre werktuigelijk zijne schelpvisch op. Hij at er zich ziek aan, en slikte alles, zonder brood naar binnen.


Het was negen maanden na haar terugkeer te Parijs, dat de mooie mevrouw Chabre het levenslicht aan een jongen schonk. Mijnheer Chabre nam verrukt dokter Guiraud ter zijde en herhaalde vol trots:

“Het zijn de krabben, ik durf er de hand voor in het vuur steken!.... Ja, een mand vol krabben, die ik op zekeren avond heb gegeten, o! onder zeer bijzondere omstandigheden...... Maar toch had ik nooit gedacht, dokter, dat schelpvisch zulk eene kracht zou bezitten”.