Hoofdstuk VII.
Naar Egypte.
Tegenover Bonaparte’s invloed had het Directoire het dus nogmaals afgelegd; het schreef toen een brief vol lof en dank, betitelde hem met “generaal-burger,” onthief hem van zijn commando in Italië, benoemde hem tot opperbevelhebber over een nieuw te vormen krijgsmacht, het Leger tegen Engeland, verzocht hem met de afwikkeling zijner zaken in Italië spoed te maken en zich daarna als gevolmachtigde der Republiek te begeven naar het congres te Rastadt. Hier zouden de vredestractaten dan tevens worden uitgewisseld.
De kunst van tusschen de regels door te lezen kende Bonaparte reeds lang. Al die lof was bombast; het Directoire was bang voor hem en voor zijn reusachtige populariteit, wilde hem liefst zoo lang mogelijk van Parijs verwijderd houden en dacht mogelijk tevens, dat op een congres, waar zoo groote en zoo veel belangen in behandeling zouden komen, allicht iets kon voorvallen, waardoor zijn komst te Parijs voorloopig totaal onmogelijk werd gemaakt. Hij antwoordde dus, dat er aan de organisatie der Cisalpijnsche republiek en aan het beheer van Italië en van het leger nog zooveel was te doen, dat hij niet voor midden November naar Rastadt kon vertrekken, dat hij den brigade-generaal Murat dus had vooruitgezonden en tegen het einde dier maand zijn bestemming hoopte te hebben bereikt; dat de vijf door Venetië afgestane schepen ook nog zeilklaar moesten worden gemaakt, en dat hij een zijner ambtenaren naar Malta had gezonden om met het oog op zijn verdere plannen hier poolshoogte te nemen.
In echte, nobele soldatentaal nam hij daarop afscheid van zijn helden, noemde hen de steunpilaren van de vrijheid en van Frankrijks glorie en vertrok 17 November naar Rastadt. Die reis geleek een zegetocht, te Lausanne wachtte hem een deputatie uit het kanton Wallis, dat slechts een aanleiding zocht om het juk van Berns tiranniek beheer af te schudden en allerwege verrieden vlaggentooi, bloemen en luid gejuich de sympathie, die de bevolking voor hem koesterde.
Slechts zes dagen bleef hij te Rastadt, schonk de heeren Treilhard en Bonnier, zijn mede-afgevaardigden, die te midden van dien drom vreemde diplomaten en kleine Duitsche vorsten tot nog toe een pover figuur hadden gemaakt, terstond de plaats, welke hun als vertegenwoordigers eener groote natie toekwam, weigerde den Zweedschen gezant von Fersen te ontvangen, omdat deze voorheen tot de Bourbons in te nauwe betrekking had gestaan, ruimde zonder veel omslag of gepraat1 alle bezwaren op, welke bij de regeling der overgave van Venetië en van Maintz nog werden gemaakt en was den 7en December terug in zijn klein hotel van de rue Chantereine, weldra door den gemeenteraad herdoopt in rue de la Victoire.
Joséphine had hem niet vergezeld en dus niet gedeeld in de hem op zijn doorreis in Frankrijk overal gebrachte hulde. Volgens haar brieven verlangde zij wel hartelijk naar haar dochter en vond zij het in Italië doodelijk vervelend. Toch kwam zij eerst in ’t begin van Januari 1798 thuis. Een uitstapje naar Rome had tijd gevorderd; te Turijn had zij gedineerd bij den Franschen gezant en hier groote bezorgdheid aan den dag gelegd voor een zware cassette vol cameeën, medailles en andere kostbaarheden, daarna was zij met bar weer over den Mont-Cenis naar Lyon gereisd en was hier met pracht en praal ontvangen. Al dien tijd had haar man zich te Parijs niet meer in ’t openbaar vertoond dan noodig was. Drie dagen na zijn terugkeer was hij door het Directoire op het groote plein voor het Luxemburg in tegenwoordigheid van tienduizenden juichende toeschouwers gehuldigd; Talleyrand en Barras hadden de loftrompet over hem gestoken, zijn eenvoud, bescheidenheid, groote burgerdeugden en lust voor de studie als om strijd geprezen. Als een orkaan had de juichkreet “Leve de Republiek! Leve Bonaparte” te Parijs weerklonken bij het zien van dien doodeenvoudig gekleeden generaal met zijn bleekgeel zuidelijk gelaat en zonderling lichtende oogen, van dien half beschroomden man met zijn vreemd klinkenden naam, die plotseling van den achtergrond naar voren getreden na een reeks van glansrijke overwinningen, thans den vrede was komen brengen. Vrede na een jarenlangen bloedigen kamp op leven en dood met het buitenland. Beter nog dan de stedeling begreep de plattelandsbewoner, wat dat woord beteekende. Van dien dag af was Bonaparte voor dezen geworden l’Homme, de incarnatie van rustige kracht, die welvaart zou brengen en voorspoed, en het ongestoorde bezit van het eenmaal rechtmatig verkregen eigendom; jarenlang is hij dit gebleven.
Door Carnots verbanning was er in het Instituut een zetel opengekomen. Deze werd hem thans aangeboden voor de afdeeling werktuigkunde en erkentelijk door hem aanvaard. Vaak vertoonde hij zich na dien in het daarbij behoorende costuum. Verder scheen hij zich bij voorkeur aan alle openbaar huldebetoon te onttrekken; slechts een enkele maal vertoonde hij zich in de comedie en dan nog in een loge grillée, was gansche dagen thuis en lag dan met passer en potlood in de hand uren achtereen gebogen over zijn reusachtige, op den grond uitgespreide kaarten van Engeland en Egypte.
Na Joséphine’s terugkomst, op een luisterrijke partij, door Talleyrand ter harer eer gegeven, gaf hij de daar aanwezige gasten, eenige honderden, weder gelegenheid hem wat meer van nabij te zien. “Mama, ’t is een man!” riep een jonge dame, toen hij in burgerkleeding, met Joséphine, in Grieksch gewaad en gekapt met cameeën, naast zich, de zalen van het hotel Gallifet binnentrad. Hier ontmoette hij ook voor het eerst mevrouw de Stael-Holstein, de echtgenoote van den Zweedschen gezant, een dochter van Necker. Reeds herhaalde malen had zij hem schriftelijk haar sympathie betoond en hem zelfs te verstaan gegeven, dat een vrouw zoo talentvol als zij, beter naast hem had gevoegd dan die weinig ontwikkelde creoolsche; thans liet zij zich door Arnault aan hem voorstellen. Veel genoegen beleefde zij hiervan niet, want Bonaparte had een afkeer van intrigeerende dames en bas-bleus, was van meening, dat een echte vrouw thuis behoort en niet op de publieke tribune en was hard en bits tegenover haar, beantwoordde haar vraag “welke vrouw in zijn oogen de eerste was” met een koel: “Zij die de meeste kinderen heeft gehad” en keerde haar den rug toe.
Dat was de eerste schermutseling geweest tusschen de rijkbegaafde dame uit de groote wereld, die uit haar salon wel over Frankrijk had willen heerschen en van de rol eener Madame de Maintenon wellicht niet afkeerig zou zijn geweest, en een man uit het volk, die in de politiek geen vrouwelijken invloed duldde, die dit beginsel heeft volgehouden tot het einde toe en die later, toen hij haar intrigeeren met de royalisten moede werd, haar onverbiddelijk uit Parijs verbande.
Evenals mevrouw de Rémusat, heeft deze dame, die zelve bals en partijen gaf en haar man half armoede liet lijden, door haar geschrijf heel wat toegebracht om Napoleon in een slecht daglicht te stellen2 en hem in de publieke opinie te schaden. Hoe hij over die “helleveeg” dacht, blijkt o. a. duidelijk uit den brief van 1807 uit Osterode aan Cambacérès.—“Die vrouw zet haar vak van intrigante voort en is ondanks mijn bevelen Parijs weder genaderd. Dat is een ware pest. Spreek er over met den minister van Politie, want ze zal nog maken, dat ik haar door de gendarmerie laat oppakken.”
Telkens vervolgde zij hem met haar brieven,—somtijds zelfs van zes zijdjes,—hij vond die vol pretensies maar zinledig en hol en verkoos haar niet te Parijs toe te laten, waar zij het centrum vormde van allerlei intriges en waar de Conventie reeds last van haar had gehad.
Dat hij, te Parijs teruggekeerd, zoo stil en afgezonderd leefde, slechts enkele generaals, als Kléber en Desaix en eenige geleerden, letterkundigen, enz. als Legouvé, Monge, David, Mehul en Bernardin de Saint-Pierre ontving en zich bij niet één politieke partij aansloot, wekte niet minder verbazing dan dat hij zich uitsluitend met zijn vrouw scheen te bemoeien; dit laatste werd in de kringen van het Directoire zelfs bijna onbehoorlijk gevonden. “Zeer verliefd en zeer jaloersch” heette hij al spoedig.
Joséphine vond deze stille afgezonderde levenswijze alles behalve aangenaam, maar schikte zich in de omstandigheden, richtte zich met al het uit Italië medegebrachte moois zeer kostbaar in, hield in stilte de relatie aan met al de “schuine” vriendinnen en de vrienden van voorheen, doch bracht ze zoo weinig mogelijk in aanraking met haar man, want deze had de gewoonte die beursmannen, woekeraars, legerleveranciers, gescheiden vrouwen en andere dames van verdachte zeden aan te kijken op een wijze, die op een alleronpleizierigste manier zijn grenzenlooze verachting voor hen verried. Zoo lang hij te Parijs vertoefde, vertoonde dat volkje zich dus niet, doch nauwelijks was hij voor een dag of wat op reis of de bende kwam weder opzetten.
Zelfs met Barras werden de banden van voorheen weder vaster gesnoerd en zeker geeft een briefje uit die dagen aan Bottot, Barras secretaris gericht, veel te denken. “Bonaparte is van nacht thuisgekomen.3 Betuig Barras derhalve mijn leedwezen, dat ik niet bij hem kan dineeren. Verzoek hem mij niet te vergeten. Beter dan iemand anders kent gij mijn positie. Adieu, oprechte vriendschap.
La Pagerie-Bonaparte.”
Dan onderhandelde zij over den aankoop van een landgoed ter waarde van drie- of viermaal honderd duizend francs, waar zij met equipage en bedienden haar kennissen zou kunnen ontvangen, wel een aanwijzing, dat Bonaparte al was hij niet rijk, uit Italië meer geld had medegebracht, dan de drie honderd duizend francs, die hij later noemde op St. Helena, want van zijn traktement van veertig duizend francs ’s jaars als legercommandant kon dit alles niet worden bekostigd.
Ook te Parijs, al leefde hij nog zoo afgezonderd, gunden de zaken hem geen oogenblik rust. Telkens riep het Directoire zijn hulp in, vroeg hem om raad of gaf hem opdrachten, o. a. toen in de laatste dagen van December ’97 te Rome voor de Fransche ambassade een opstootje had plaats gegrepen, waarbij o. a. de generaal Duphot was gedood, en waardoor Jozef zich genoopt had gezien zijn standplaats onmiddellijk te verlaten en terug te keeren naar Parijs. In dit voorval waartoe het in stilte misschien wel de hand had geleend,—het overlaadde Jozef immers met tevredenheidsbetuigingen—zag het Directoire thans een welkome aanleiding om zijn reeds lang beraamde plannen ten opzichte van Rome ten uitvoer te leggen, te breken met den paus, diens staten te bezetten en deze half Februari d. a. v. te verklaren tot de Romeinsche republiek.
Deze nieuwe daad van geweld, keurde Bonaparte in stilte af. Door zijn houding bij Tolentino, waar hij in strijd met de bevelen van het Directoire, met den paus had vrede gesloten, door zijn eigenhandig geschreven brieven aan dezen, door het kerkelijk huwelijk van Elisa en Pauline en door het onderhouden van betrekkingen met verschillende Italiaansche prelaten had hij meer dan voldoende bewezen, niet alleen dat hij een aanhanger was der katholieke kerk, maar dat hij groote waarde hechtte aan haar invloed en haar zedelijke kracht. Tevens kende hij de Fransche natie reeds genoeg om te weten, dat hij, die ook maar den schijn aannam van den Heiligen Stoel te beschermen, daarbij terstond een aanhang moest vinden van millioenen katholieken, die thans nog door een kleine partij, die der atheïsten en philosofen werden onderdrukt.
Hoewel hij Berthier te Mantua dus bevelen zond om Rome te bezetten, gelastte hij hem tevens “alle buitensporigheden te onderdrukken en iederen Franschman of Italiaan, die onder het mom van vaderlandsliefde tot oproer mocht willen aanzetten, zonder genade in de doos te stoppen.”
Had hij de handelingen van het Directoire tegenover den Paus afgekeurd, ook tegen de hulp, door de Republiek aan de patriotten in Zwitserland tegenover Bern verleend, was hij gekant, al werden de hiertoe noodige bevelen door hemzelf aan generaal Brune gegeven. Dat het gouvernement door al deze daden van geweld in de publieke opinie zijn eigen graf dolf, begreep hij even goed als dat het zich zonder zijn hulp tegenover het buitenland niet lang op zijn hoog standpunt zou kunnen handhaven, maar dan moest die hulp zich tegenover de natie teekenen door daden, die de verbeeldingskracht prikkelden, en die hem voortdurend op den voorgrond deden blijven. “Blijf ik hier lang werkeloos dan ben ik weg; als ik mij driemaal in de comedie heb vertoond, kijkt niemand meer naar mij om,” zeide hij zelf tegen zijn intieme kennissen.
De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797.
Na die inspectiereis langs het Kanaal begon hij bij het gouvernement derhalve krachtiger aan te dringen op een tocht naar het Oosten, naar Egypte. Onuitvoerbaar was deze volstrekt niet, onder het koningschap was het vraagstuk eener koloniseering van dat land bij herhaling ter sprake gebracht; Leibnitz had die zelfs aan Lodewijk XIV aanbevolen en een paar jaar te voren had de Fransche consul te Alexandrië hierover nog een omvangrijke memorie ingediend. Goed geleid en met bezadigdheid ondernomen, was de kans op welslagen vrij groot. Bonaparte bezat al de gegevens over dit onderwerp maar koesterde in stilte veel grootscher plannen. Egypte veroverd, de Turken uit Europa verdreven, al de Grieken en de christenvolken in Klein-Azië in opstand gebracht, wilde hij Engeland ten slotte aangrijpen in zijn hartader, de koloniën.
Geruimen tijd had het Directoire weinig ooren voor dit plan, dat Frankrijk tijdelijk van een deel zijner beste strijdkrachten zou berooven, terwijl de vrede in Europa nog veraf was, maar toen het benoodigde kapitaal te Bern en te Rome in de schatkist was gevonden en de geldelijke bezwaren dus waren opgeheven, aarzelde het gouvernement niet langer doch teekende den 12en April 1798 een besluit, dat strikt geheim bleef en een expeditie naar Egypte betrof. Bonaparte werd daarbij zoo goed als geheel de vrije hand gelaten; hij mocht zooveel troepen medevoeren als hij noodig achtte, over de te Genua, Civita Vecchia en op Corfu garnizoen houdende divisiën beschikken, Malta en Egypte bezetten, de landengte van Suez doen doorgraven en de Engelschen verjagen uit al hun koloniën; het Directoire was in stilte verheugd een man te zien heengaan, die door menigeen reeds als de toekomstige heerscher over de Republiek werd aangewezen en die door zijn reusachtige populariteit een dagelijks dreigend gevaar was voor hun eigen bestaan.
Van de verleende vrijheid maakte Bonaparte ruimschoots gebruik. Een reeks van geleerden, kunstenaars, letterkundigen en geneesheeren, als Monge Berthollet, Larrey, Desgenettes zouden hem vergezellen. De kundigste generaals als Desaix, Kléber, Davoust en Caffarelli voegde hij zich toe, terwijl Junot, Lannes, Marmont, Berthier, Murat en andere krijgsmakkers uit Italië, allen jonge, energieke, vermetele soldaten, niet werden vergeten.
Te Toulon zou het leger worden samengetrokken. Om Engeland zand in de oogen te strooien, werd alom het praatje verspreid, dat al die krijgstoerustingen waren bestemd voor den linkervleugel van het leger tegen Engeland. Dit was uitgerust in de Middellandsche Zee en zou samenwerken met de troepenmacht, in de havens aan den Oceaan en in ’t Kanaal bijeen te brengen.
Wederom ging Bonaparte ijverig aan den arbeid. Alles regelde hij zelf; met ongelooflijke snelheid zorgde hij voor alle toebereidselen. Te Toulon, Genua, Ajaccio en Civita-Vecchia zouden de troepen scheep gaan. Hij vormde een keurkorps van vijf en twintig honderd ruiters met zadel en tuig, maar onbereden.—“De paarden zouden de Arabieren moeten leveren.”—Ook nam hij een talrijke artillerie mede, doch in ’t geheel slechts 300 paarden om ginds terstond enkele ruiters en vuurmonden tot zijn beschikking te hebben. Caffarelli zou de genie commandeeren. Berthier werd weder chef van den staf; en den 19en Mei 1798 ging het eskader van Toulon onder zeil.
Tegelijkertijd zou Talleyrand naar Constantinopel vertrekken om den sultan van den tocht naar Egypte kennis te geven en te vernemen, wat hij hiervan dacht.
Intusschen was de bestemming der vloot voor Europa nog een raadsel. Waar togen al die generaals, al die geleerden, al die soldaten toch heen? Naar de Zwarte Zee, om de Krim terug te geven aan de Porte? Naar Indië om Tippoo-Sahib te steunen tegen de Engelschen? Naar de landengte van Suez?—De snuggerste bollen vertelden zelfs, dat alles slechts een krijgslist was. Die scheepsmacht zou de straat van Gibraltar forceeren, het Engelsche eskader aanvallen, dat Cadix reeds zoolang blokkeerde, de hier liggende Fransche schepen zoodoende verlossen en met deze en de oceaan-eskaders, koers zetten naar Engeland.
Te Londen heerschte groote ongerustheid. Een ieder dacht, dat een landing het slot zou wezen. Op alle gebeurlijkheden voorbereid, deed minister Pitt ijlings een nieuw eskader uitrusten, versterkte dat vóór Cadix met tien groote schepen en zond Nelson met drie er van af om de bewegingen der Fransche vloot te volgen.
Toen deze admiraal den 20en Juni voor Malta verscheen, kon hij echter alleen te weten komen, dat dit verblijf der Maltezer ridders door den grootmeester dezer orde reeds acht dagen te voren zonder slag of stoot aan Bonaparte overgegeven en thans door Fransche troepen onder Vaubois bezet was.—Heel wat oorlogsvaartuigen, 1200 vuurmonden, 40000 geweren, eenige duizenden kilo’s buskruit en drie millioen francs, de Schat van den Heiligen Johannes, waren hierbij buitgemaakt! Honderden Turksche en Arabische slaven waren van hun boeien bevrijd; de dienstbaarheid was afgeschaft, gelijkheid voor allen afgekondigd, overal de Fransche vlag geheschen. Daarop was de vloot gestevend naar Egypte en had Bonaparte, Lid van het Instituut, opperbevelhebber van het Leger in het Oosten, zooals hij zich nu betitelde, door een proclamatie, geheel berekend om hun haat tegen Engeland bij zijn soldaten nog feller te maken, dit geheim zelf geopenbaard.
“De mamelukken-beys, die in Egypte de baas waren en uitsluitend den handel der Engelschen begunstigden, die de ongelukkige bewoners van de Nijlstreek mishandelden en de Fransche kooplieden knevelden en bestalen, moesten van den aardbodem verdelgd worden, de mahomedaansche eeredienst en de ceremoniën, welke de Koran voorschreef, moesten geëerbiedigd. Vrouwenschennis en plundering, onteerend voor een ieder, die ze bedreef, zouden hun gerechte straf vinden; met deze volken, die voor de soldaten vreemd waren, moest toegevend en welwillend worden omgegaan.”
Den 1en Juli met zonsopgang, dus na 41 dagen varen, kwam de vloot voor Alexandrië.
Hoewel de woelige zee de ontscheping zeer belemmerde, en hierbij zelfs manschappen verdronken, stond het grootste gedeelte van het leger, doch zonder paarden of geschut, reeds den volgenden nacht om drie uur bij helder maanlicht in drie colonnes op het strand geschaard. Om acht uur vielen deze de stad van drie zijden tegelijk aan en maakten zich na een kortstondig gevecht op de omwalling en in de straten er van meester.
Slechts enkele dagen bleef Bonaparte te Alexandrië. In dien tijd vestigde hij er het gezag van Frankrijk, gaf aan zijn onderbevelhebbers een dagorder met den uitdrukkelijken last personen en eigendommen te ontzien en den mahomedaanschen godsdienst te eerbiedigen, regelde den verderen opmarsch van het leger en verzocht admiraal Brueys voorloopig ten anker te gaan op de reede van Aboukir.
In die dagen was Egypte zoo goed als geheel onderworpen aan de tirannie van een reusachtige ruiterschaar, de mamelukken. Door sultan Selim indertijd gevormd om zijn gezag in Egypte staande te houden tegenover de pacha’s, die zich van hem onafhankelijk mochten willen maken, had die cavalerie met haar vier en twintig bey’s zich ten slotte van den sultan vrij verklaard. Ze was samengesteld uit slaven, die in hun prille jeugd in Circassië waren aangekocht, zich door schoonheid onderscheidden en die, onbekend met hun afkomst, naar Egypte overgebracht, fier waren op den hoogen prijs, welke voor hen was betaald. Uitsluitend geoefend in den wapenhandel, waren uit die jongelingen de dapperste en behendigste paardenmannen gegroeid, die men kon bedenken. Iedere bey bezat 600 van die knapen, die ieder weder twee fellahs als bedienden hadden. Van deze bey’s, die elkander herhaaldelijk beoorloogden, was tijdens de landing Mourad-Bey, een even vurig als dapper en onversaagd krijgsman, een der voornaamste.
Caïro, de Heilige Stad, was thans het groote doel der armee.
Dus op marsch door de woestijn! Reeds op den vierdaagschen tocht naar El-Rahmanyeh, waar zij den Nijl eerst wederzagen, deden de ongelukkige soldaten de bittere ondervinding op van wat het zeggen wil in een zware uniform, onder een gloeienden Afrikaanschen hemel door mul woestijnzand te marcheeren, zonder een enkele teug drinkwater, want het brakke vocht uit de bronnen langs den weg mocht dezen naam niet dragen. Daarbij waren zij voortdurend omstuwd door zwermen woestijnroovers, die elken achterblijver zonder genade vermoordden en naakt uitschudden. Niet te verwonderen was ’t dus, dat de mannen, het water van den Nijl eindelijk weder voor zich vindende, een jubelkreet deden hooren, en dat zich honderden zonder onderscheid van rang met kleêren, wapens en al in den stroom wierpen om zich eens naar hartelust te verfrisschen en—te drinken.
Daar aan den Nijl maakten de mamelukken, die gillend en krijschend in dichte zwermen kwamen opzetten, voor de eerste maal kennis met een infanterie, die, in een carré geschaard, met ijzeren koelbloedigheid eerst geweersalvo’s afgaf en dan elken aanvaller, die te dichtbij dorst komen, opving op de punt der bajonet.
Verwoed over deze nederlaag zijner onderbevelhebbers, besloot Mourad-Bey “die ongeloovige honden” nu zelf aan te grijpen,—doch ook hij kwam van een slechte reis thuis. Die infanterie was sterker dan hij had gedacht.—“Die Fransche sultan is een toovenaar,” zeide hij, “die al zijn soldaten vasthoudt aan één dik, wit koord en ze door een ruk hieraan, allen tegelijk heen en weer beweegt. Hij is de “Vader van het Kruis.”
Caïro lag inmiddels nog ver af. De soldaten begonnen te mopperen. Door gebrek aan molens en ovens,—graan was er in overvloed,—kregen zij geen enkelen dag brood; en linzen, duiven en nu en dan een watermeloen waren wel smakelijk, doch voor een gezonde maag een te schrale kost. En waar bleef Caïro nu, waarvan hun zooveel was verteld?—Wel zeker! ’t Bestond niet. Die geleerde lui, die de generaal bij zich had, hadden dezen maar wat wijs gemaakt, en die generaal met zijn houten been (Cafferelli) mocht niet meepraten; die stond nog altoos met zijn ééne been in Frankrijk.
Eindelijk, den 21en Juli, ontwaarde de voorhoede links voor zich uit, aan gene zijde van den Nijl de hooge minarets van de hoofdstad en aan haar rechterhand de piramiden.
Die reusachtige gedenkteekenen ziende, hielden de mannen vol nieuwsgierigheid en bewondering halt. Met een gelaat, dat gloeide van geestdrift, reed Bonaparte in galop vóór langs hun front en strekte den arm uit naar deze geweldige begraafplaatsen der oude Egyptische koningen.—“Bedenkt, dat van den top dier piramiden veertig eeuwen op u neêrzien!” riep hij.
Snel ging het daarop weder den vijand tegemoet; want ginds vooruit, tusschen de piramiden en het dorp Embabeh aan den Nijl, wachtte Mourad-Bey met tienduizend ruiters in de vlakte en met duizenden gewapende fellahs in den dorpsrand. Vuurmonden zonder bespanning, dekten de toegangen.
Bonaparte gaf bevel tot den aanval.
Iedere divisie,—hij had er vijf,—vormde één carré van zes gelederen diepte, met de bagage en de generaals er binnen in, de grenadiers in pelotonscolonne tegen een der flanken, om de aangevallen punten te versterken; de vuurmonden op de hoeken. Van plaats veranderende marcheerden de zijafdeelingen ervan uit de flank. Aangevallen, maakten die levende bastions terstond naar vier zijden front. Moest een positie worden aangegrepen, dan vormden de drie buitenste gelederen in een oogwenk aanvalscolonnes, elke colonne op drie gelederen. De rest, nog altoos in een carré geschaard, hield halt om die colonnes weder op te nemen. Gestrenge bevelen werden gegeven om vooral niet overijld te vuren, den vijand bedaard te laten naderen en hem het salvo eerst toe te slingeren, als hij vlak bij was, voor zulke vurige, strijdlustige soldaten als de Italiaansche cohorten een zware proef.
Na een verkenning met den veldkijker besloot Bonaparte, buiten het bereik van het kanon van Embabeh te blijven, de mamelukken van dit versterkte dorp af te dringen, ze in den Nijl te drijven en het dorp eerst daarna aan te vallen.
Mourad-Bey had dit plan evenwel terstond doorzien. Met acht duizend ruiters wierp hij zich met bijna ongeloofelijke onstuimigheid op de voorste divisie, (Desaix) die, tusschen de palmboomen marcheerende, haar formatie in carré nog niet had volbracht, maar den aanval toch kalm afwachtte en eerst op ’t laatste oogenblik vuur gaf.
Dus afgeslagen, joeg de ruiterdrom thans als een oceaan van steigerende brieschende centauren om de zijden van ’t carré; enkele mannen wierpen zich zelfs als bezetenen op de bajonetten, rukten hun paarden om, vielen er mede tusschen de gelederen, en vormden op die wijze een bres, maar vonden dan de grenadiers, die hen afmaakten. Ook de divisie Reynier, welke Desaix volgde, werd op deze wijze aangegrepen.
De heldenmoed en de doodsverachting der ruiters zwichtten intusschen voor koelbloedigheid, die de soldaten met salvovuur en bajonet er tegenover stelden.—In Embabeh ontstond een paniek. Een laatste poging van Mourad-Bey om de colonnes, die op dit dorp aanrukten, te omsingelen en te vernietigen, mislukte door de snelheid, waarmede de infanterie wéér de carréformatie aannam; thans ontstond een algemeene vlucht. Met het overschot zijner ruiters zocht de Bey een goed heenkomen naar Opper-Egypte; honderden fellahs verdronken in den Nijl bij hun pogingen om Caïro te bereiken. Embabeh werd stormenderhand genomen. Een schat van goud en kostbaarheden viel den soldaten in handen, want de mamelukken hadden de gewoonte al wat zij bezaten in het gevecht mede te voeren.—Ten slotte verschafte een overvloed van levensmiddelen van allerlei aard den krijgslieden gelegenheid zich voor de doorgestane ontberingen eens terdege schadeloos te stellen.
Zoo eindigde de slag bij de Piramiden. Caïro met zijn driehonderd duizend inwoners lag voor Bonaparte open.
Nauwelijks hier gezeteld begon deze ook weder de staatkundige gedragslijn te volgen, welke hem te Alexandrië reeds zooveel succes had bezorgd en waardoor de bevolking zich aan hem begon te hechten. Hij bracht een bezoek aan de voornaamste sheiks, wist door zijn vleiende taal bij hen de hoop op herstel van het gezag der Arabieren in de plaats van dat des sultans te doen herleven, beloofde hun gebruiken en hun godsdienst te eerbiedigen en slaagde er ten slotte in door de sheiks der hoofdmoskee een verklaring te doen afgeven ten gunste der Franschen.
Toen was het pleit gewonnen. Een divan of gemeenteraad, samengesteld uit de voornaamste sheiks en ingezetenen, zou hem inlichten betreffende al de onderdeelen van het bestuur. De kadi’s zouden het recht blijven bedeelen. Hij zelf nam van tijd tot tijd de oostersche kleederdracht aan, woonde in de groote moskee zelfs enkele mahomedaansche godsdienstfeesten vol eerbied bij, en deed hierdoor bij enkelen de meening geboren worden, dat hij tot den Islam wilde overgaan, een daad, die hem bij zijn overheerschend fatalistische denkbeelden waarschijnlijk niet eens moeilijk zou zijn gevallen, als hij zijn staatkunde hiermede had kunnen dienen.
Zijn soldaten vergat hij hierbij niet. Hij deed ovens voor hen bouwen, gaf hun de voormalige woningen der mamelukken in gebruik en rustte zijn cavaleristen uit met hun prachtige paarden.
Wel beval hij hun ten strengste eerbied aan voor de vrouwen, maar overigens liet hij hen genieten van dit nieuwe, vreemdsoortige land met zijn overvloed van voedsel en zijn gezond, zuiver klimaat. Ook aan zijn geleerden dacht hij o. a. door de instelling van het zoo beroemd geworden Egyptische Instituut. Dit kreeg onder meer de opdracht een nauwkeurige beschrijving van het land samen te stellen en een kaart te maken, die afdaalde tot in de kleinste bijzonderheden; voorts moest het onderzoek doen naar de bouwvallen, om voor de geschiedenis nieuwe gezichtspunten en gegevens bijeen te brengen.
Zelf gaf hij de vraagstukken op, welke het Instituut moest uitwerken, zooals het bedenken der beste constructies voor water- en voor windmolens, het zoeken naar middelen om het Nijlwater te zuiveren en tot drinkwater geschikt te maken, het opsporen van terreinen, waar met kans van slagen hop kon verbouwd worden, en dergelijke meer.—“Mocht de fortuin ons ongunstig worden en ons dit heerlijke land weder ontnemen, dan moeten de overwinningen, hier door de wetenschap te behalen, ten minste van blijvenden aard wezen,” was hierbij zijn grondgedachte.
Had de onderwerping van Beneden- en Midden-Egypte weinig moeite gekost, ook die van Opper-Egypte werd na het hardnekkige gevecht bij Salheyeh, waar Mourad-Bey nogmaals werd verslagen, een voldongen feit. Op het kwetsbaarste punt, n.l. aan de zee, de operatiebasis, had de fortuin de Fransche wapenen echter verlaten. Den 2en Augustus was de vloot, die vóór Aboukir ten anker lag, door Nelson aangegrepen en zoo goed als vernietigd. Admiraal Brueys was gedood; slechts een paar schepen waren aan de algemeene vernietiging ontkomen en naar Malta gevlucht.
Met stoïcynsche bedaardheid ontving Bonaparte dit bericht. Geen spier op zijn gelaat vertrok; strak en bleek bleef het als marmer.—“Welaan, dan moeten wij hier ons einde afwachten of van hier terugkeeren, zoo groot als de mannen der oudheid,” zeide hij toen.—“Hierdoor zullen wij verplicht zijn nog grooter daden te verrichten dan in ons voornemen lag,” schreef hij aan den edelen Kléber; deze gaf hem in denzelfden geest antwoord.
De slag was zwaar, doch de moed van die twee groote mannen schraagde het leger en herstelde zijn zedelijke kracht. Zonder hulp van de zeezijde, zonder gemeenschap met Frankrijk, zou het van nu af alleen op zich zelf moeten rekenen en—op zijn generaal.—Aanvulling had het dringend noodig. Welnu, een buitengewoon besluit schonk de mamelukken en de Arabieren het recht onder de Fransche vanen te dienen. De ledige plaatsen werden dus weder bezet; de inboorlingen begonnen zich te schikken naar hun Fransche krijgsmakkers. Zelf voegde Bonaparte zich een escadron mamelukken toe als lijfwacht.—Ingedeeld bij de later gevormde Escadrons van Dienst is dit korps hem tot Waterloo trouw gebleven. Toen is het uiteengesprongen; de ruiters zijn verstrooid. De weinigen, die het leven eraf hadden gebracht, en trachtten over Marseille Egypte weder te bereiken, zijn onderweg door de verwoede bevolking vermoord.
Thans toog Bonaparte aan den arbeid om, eenmaal tot blijven gedwongen, aan de nieuw te stichten volkplanting kracht en leven te schenken. De beginselen der vrijheid en der Europeesche rechtsbegrippen moesten hiertoe aan de bevolking worden ingeprent; dus deed hij de zeer onvoldoende verzekerde eigendommen der fellahs inschrijven als hun persoonlijk bezit, vestigde te Caïro, te Alexandrië en te Damiëtte een rechtbank van koophandel, moedigde den bouw aan van fabrieken, molens en werkplaatsen en wees de gemeenteraden op de weldaden van een goed, gestreng toezicht op de oorzaken van ongezonde toestanden.
Ook naar buiten was hij voortdurend werkzaam ter bevestiging van zijn gezag. Zoo sloot hij een verbond met den bey van Tripoli, met den cherif van Mekka, den pacha van Damascus en dien van Aleppo. Zelfs belastte hij een paar gezanten met brieven voor Tippoo-Sahib, den sultan van Mysore, om hem in zijn verzet tegen de Engelschen te schragen.
Toch waren die buitengewone krachtsontwikkeling en die reusachtige werkzaamheid niet bij machte in den loop der dingen verandering te brengen. Wel had de zeeslag bij Aboukir den lichtglans niet kunnen dooven, welke den tocht naar Egypte nog altijd omgaf, doch de hoop der vijanden van Frankrijk was er door verlevendigd. Talleyrand was niet naar Constantinopel gereisd, waarschijnlijk omdat er met het sluiten van verdragen enz. te Parijs meer te verdienen viel dan met onderhandelingen te Stamboul.
Engelands agenten hadden hier dus vrij spel bij den sultan en deze had de mamelukken niet ongaarne zien verslaan doch wilde Egypte daarom nog niet verliezen. De Fransche vloot vernietigd, dreigde er voor hem van deze zijde geen gevaar meer; een tocht van Bonaparte naar de Dardanellen was niet langer te duchten; het Engelsche goud met volle handen uitgestrooid deed het overige. De sultan verklaarde Frankrijk, zijn ouden bondgenoot, den oorlog.
Agenten van de Porte deden tevens allerwege in Egypte onder het volk een geduchte gisting ontstaan. Den 21en September brak te Caïro een oproer uit, dat aan 300 soldaten het leven kostte; en hoewel Bonaparte voor dezen moord bloedig wraak nam, en vliegende colonnes het land doorkruisten om elk begin van verzet te smoren, kon dit alles niet beletten, dat de rust slechts in schijn werd hersteld. Tegelijkertijd riep een firman des sultans alle geloovigen onder de wapenen. In Syrië werden krijgstoerustingen gemaakt; een expeditie van uit Turkije naar Egypte werd voorbereid; alles wees er in één woord op, dat Bonaparte met zijn leger van nog geen dertig duizend man, aan zijn lot overgelaten, zonder hulpbronnen, een zeer moeilijken tijd te gemoet ging.
Ook als echtgenoot had hij een slag ontvangen, die voor een zoo hartstochtelijk verliefd man als hij, niet zonder duldelooze zielepijn kon worden gedragen. Reeds op zee waren de zinspelingen van Jozef op het zedelijk gedrag van Joséphine in Italië hem weder voor den geest gekomen; achterdocht had zich van hem meester gemaakt; hij had navraag gedaan bij zijn vroegere intieme kameraden, die onbescheiden waren geweest en vooral Junot had den laatsten twijfel bij hem weggenomen. Joséphine had hem bedrogen. Toen hij haar huwde, had hij naar haar verleden niet gevraagd; dit ging hem niet aan, redeneerde hij, doch sinds zij door een eed aan hem was verbonden, behoorde zij hem, hem alleen met lichaam en ziel. Nu zij aan dezen eed ontrouw was geworden, wilde hij ook niet langer met haar verbonden blijven; hij zou zich van haar laten scheiden.
In dezen zin schreef hij 25 Juli aan Jozef. “De laatste sluiers zijn verscheurd; ik heb veel huiselijk leed. Binnen een paar maanden kan ik te Parijs zijn. Bezorg mij daar in den omtrek of in Bourgondië een buiten. Daarin denk ik mij op te sluiten. Ik heb behoefte aan alleen zijn. De grootheid verveelt mij. Op mijn negen en twintigste jaar ben ik hard op weg een egoïst te worden. Jij alleen blijft mij over; verlies ik ook jou vriendschap, verraad jij me ook, dan word ik een menschenhater,” enz...
Wel heeft Jozef dit schrijven nooit ontvangen—de Engelschen onderschepten het—doch het teekende genoegzaam zijn gemoedstoestand in die dagen.
Later begon hij dit alles kalmer in te zien, vooral na de kennismaking met de zeventienjarige mevrouw Fourès, echtgenoote van een jong luitenant der jagers te paard, een voormalige modiste uit Carcassone. Toen Napoleon haar man met brieven naar Frankrijk gezonden had (December) was zij spoedig op zeer intiemen voet met Bonaparte, die zich overal met haar te paard en in een open rijtuig vertoonde. Was de dame, die zich van haar man had laten scheiden, in dien tijd zwanger geworden, dan had Bonaparte Joséphine stellig verstooten en haar gehuwd, want reeds in die jaren was zijn behoefte aan een huisgezin met kinderen groot; ook in dit opzicht was hij een echte zoon van Corsica.
Uiterst kritiek was Bonaparte’s toestand dus in het begin van 1799, doch van versagen was bij hem geen sprake. Voor een Turksche expeditie naar Egypte was het jaargetijde te ongunstig; daar zou de vijand dus zoo spoedig niet opdagen. Dan zou hij naar Syrië trekken, de krijgsmacht aanvallen, welke zich daar vormde en den sultan toonen over welke geduchte krachten hij nog beschikte.
Met 13000 man, in vier divisiën, aangevoerd door Kléber, Reynier, Bon en Lannes, de cavalerie onder Murat, de guides onder Bessières, begon hij den zwaren tocht door de woestijn, nam onderweg het fort El Arych en de stad Gaza, sloeg het beleg voor Jaffa en hield hier den 7en Maart 1799 zijn intocht. Wel scheen het ongeluk hem ook hier te vervolgen, want thans brak onder zijn soldaten de pest uit. De mannen stierven als muizen. Dokter Larrey, de chef van den geneeskundigen dienst, begon zich ongerust te maken, want heel wat lijders bezweken binnen een etmaal, nadat de ziekte hen had aangetast. In het klooster der paters van het Heilige Land alleen telde men er zeven honderd. De soldaten sloeg de angst om ’t hart.
Onverschrokken begaf Bonaparte zich midden tusschen de zieken, sprak hun moed in, raakte verscheidene hunner aan ten bewijze, dat de ziekte niet zoo besmettelijk was, als zij dachten, bleef ruim anderhalf uur in een gebouw, waar de lijders lagen opeengepakt, en de lucht dus was bedorven, en was toen eerst door de artsen te bewegen heen te gaan.—“Het was mijn plicht. Ik ben opperbevelhebber,” gaf hij, buiten gekomen, koeltjes ten antwoord aan de officieren van zijn staf, die hem van de begane onvoorzichtigheid een ernstig verwijt maakten. Ook de doktoren moesten van deze heel wat hooren over hun zwakheid, dat zij hem toegang hadden verleend.—“Net alsof het zoo gemakkelijk gaat hem af te brengen van iets, dat hij zich heeft voorgenomen, of hem af te schrikken door vrees voor gevaar,” was het antwoord, dat zij gaven.
Vrees voor gevaar kende hij niet; die heeft hij ook nooit gekend. Juist deze voor duizenden zoo onverklaarbare, geheimzinnige eigenschap, maakte hem zoo sterk bij al wat hij deed. Verbleeken, sidderen zag men hem nooit. Dat hij in zijn kabinet bij het plotseling vernemen van een zware ramp een kruis sloeg, was uitsluitend een bewijs, dat hij die uit zijn kinderjaren afkomstige gewoonte niet had afgeleerd. Dragomirof, de beroemde Russische veldoverste, heeft Bonaparte zeer juist geschetst als hij zegt, dat deze “niet alleen niet bang was voor zijn eigen dierbare “knoken,” doch zelfs geheel moest hebben vergeten, dat de menschelijke natuur aan zulk een zwakheid kon mank gaan.”—“Die sterksprekende trek van het volkomen ten offer brengen van zijn eigen ik,” gaat Dragomirof voort, “geeft aan de ziel een scherpte van blik, welke haar veroorlooft de uitvoering te wagen van zekere besluiten, waarvan de gedachte alleen reeds voldoende is om de slaap van een gewoon mensch totaal te verstoren, en die gelijkertijd op de massa een onwederstaanbare tooverkracht uitoefent. Die karaktertrek, en die alleen sleept de menigte mede achter elken geestdrijver aan; want wil men de menigte ten verderve leiden, dan moet men vóór alles zelf niet beducht zijn te gronde te gaan.”
Die maakte tevens, dat zijn gemoed gestaald werd en dat hij bij Arcola Louis van een uiterst gevaarlijke zending ongedeerd ziende terugkeeren, hem alleen met een kort verheugd lachje en een “Ik dacht dat je gevallen waart” verwelkomde. Toch had hij Louis bijna zoo lief als een zoon.
Zulk een man, zegt Masson, heeft de hoogste sport beklommen voor een mensch met intellect en gevoel bereikbaar en zoo iemand staat boven de goden der verbeelding.
Begrijpende, dat een langer verblijf te Jaffa zijn mannen noodlottig kon worden, en dat afleiding voor hen het beste geneesmiddel was tegen ziek worden, voerde hij hen door de woestijn naar het sterk bezette Acca of Saint-Jean-d’Acre en vernietigde binnen acht dagen de legermacht, welke de sultan deze vesting te hulp had gezonden. Haar nemen vermocht hij niet, want Sidney Smith, de opvolger van Nelson in de Levant, had hem in volle zee van zijn schepen met belegeringsartillerie beroofd; en met veldgeschut was tegen de zware steenen wallen niets te beginnen.—“Die man heeft mij mijn fortuin doen missen,” heeft Bonaparte, op dezen admiraal doelende, gezegd. “Was Saint-Jean-d’Acre gevallen, dan had ik Damascus en Aleppo genomen; in een oogwenk had ik aan den Euphraat gestaan. De christenen van Syrië van Armenië, de Drusen hadden zich bij mij aangesloten. Ik zou Constantinopel veroverd, Indië vermeesterd hebben en nu keizer zijn van geheel het Oosten.”
Thans werd er van al die visioenen niet één verwezenlijkt. Na een beleg van twee maanden, na een laatste vierdaagsch bombardement, tendeele onderhouden met de volkogels, die Sidney Smith van uit zee naar de Fransche liniën had geschoten en door de soldaten waren opgezocht, hief Bonaparte het beleg op. Zieken, gewonden, alles moest terug naar Jaffa; den 21en Mei was er geen enkele Fransche soldaat meer voor Acre te vinden. Met 500 dooden, waaronder verscheiden officieren van naam, den divisiegeneraal Bon en den generaal der genie Caffarelli, was dat gedenkwaardige beleg betaald. Bonaparte zelf was licht gewond geworden; een paard was onder hem doodgeschoten. Eens, in de loopgraven was hij bijna in stukken gereten door een bom, die vlak naast hem sprong en hem benevens twee soldaten met aarde overdekte.
Ook Jaffa werd verlaten. Al de zieken werden medegevoerd. Niet één bleef in Syrië achter, al heeft de Engelsche kolonel Wilson later beweerd, dat op Bonaparte’s bevel bijna zeshonderd onvervoerbare pestlijders met opium zouden zijn omgebracht. De brave Larrey en Desgenettes, hoofden van den geneeskundigen dienst, wier zelfopoffering nooit genoeg kan worden gewaardeerd, waren er nog al de mannen naar, om, gesteld zelfs, dat het bevel hiertoe gegeven was, dit ten uitvoer te brengen.—“Juist aan generaal Bonaparte hebben die slachtoffers in hoofdzaak hun behoud te danken gehad,” heeft de eerstgenoemde in later jaren in zijn gedenkschriften geschreven.—Om de figuur van Napoleon heeft het spook van den afschuwelijksten laster steeds onverpoosd rondgewaard.
Groote vreugde heerschte er te Caïro, toen de Sultan Kebir den 14en Juni na een marsch van twintig dagen door het gloeiende woestijnzand hier wederkeerde. Zelfs de inlandsche bevolking scheen een wijle haar houding van zwijgende deftigheid te hebben afgelegd, om hem met juichkreten te ontvangen.—Alles scheen er op te wijzen, dat thans een tijdperk van rust was ingetreden, want in Mei reeds was het aan Desaix gelukt Opper-Egypte geheel te bezetten en Mourad-Bey bij herhaling de nederlaag toe te brengen.
De rust zou niet volgen.
Den 15en Juli toch ontving Bonaparte de tijding, dat een groot Turksch eskader met landingstroepen aan boord, drie dagen te voren het anker had laten vallen op de reede van Aboukir en reeds bezig was met ontschepen. De tijding kwam van generaal Marmont, die te Alexandrië commandeerde; aan de juistheid er van viel niet te twijfelen.—De Turksche macht telde ongeveer 18000 man infanterie, ditmaal geen uitgehongerde fellahs maar dappere janitsaren, gewapend met een geweer zonder bajonet, waaruit ze eerst een schot losten om daarna met pistool en sabel op den vijand in te gaan. Engelsche officieren voerden hen aan. Paarden hadden ze bijna niet, slechts driehonderd. De rest zou Mourad-Bey leveren, als hij, met twee- of drie duizend mamelukken uit Boven-Egypte langs den zoom der woestijn trekkende zich te Aboukir met hen had vereenigd.
Nauwelijks waren Bonaparte deze bijzonderheden bekend en wist hij dat de bezetting van Aboukir over de kling was gejaagd, terwijl Marmont zich zonder slag te leveren in Alexandrië had opgesloten, of hij begon met drie divisiën een geforceerden marsch naar de kust. Tevens gaf hij Kléber en Reynier, die in de Nijl delta stonden, last om onverwijld op Aboukir aan te rukken. Zelf stond hij binnen enkele dagen tusschen deze plaats en Alexandrië, gaf Marmont een geduchte schrobbeering, omdat hij de landing niet had belet, en greep den 25en Juli den vijand aan. Deze had zich verschanst op het schiereiland, waarop Aboukir ligt.
’t Was een heet gevecht, een van de merkwaardigste misschien, die er in de krijgsgeschiedenis is opgeteekend, want het gansche Turksche leger, aan drie zijden door de zee, aan de vierde door Bonaparte ingesloten, werd volslagen vernietigd. Wat niet viel door zwaard of kogel, vond den dood in de golven. Mustapha-pacha, de commandeerende generaal, werd na een tweegevecht met Murat gewond en door dezen gevangen genomen; en op den avond van dien dag dreven 12000 Turksche lijken voor Aboukir in zee. De nederlaag van het vorige jaar was glansrijk gewroken. Kléber, die te laat was gekomen om nog aan den strijd te kunnen deelnemen, omarmde zijn genialen veldheer en zei: “Generaal, groot zijt gij als de wereld!”
Een nieuwe aanval van Turksche zijde was nu vooreerst niet weder te duchten. Het Fransche leger telde nog bijna 25000 man; zijn toestand was bevredigend te noemen; in een jaar tijd had het in het veroverde land groote dingen verricht. Met voldoening kon de opperbevelhebber op zijn werk terugzien. Slechts één factor ontbrak hem. Sinds 25 Maart 1799, dus sinds het beleg van Saint-Jean-d’Acre, was hij verstoken van elk bericht uit Frankrijk; Louis in ’t laatste kwartaal van 1798 half ziek naar Europa teruggegaan, was niet weder in Egypte verschenen; geen enkelen brief had hij ontvangen, zelfs niet van zijn familie; de Engelsche kruisers hadden alles aangehouden. Reeds maanden verkeerde hij in onzekerheid, hetgeen er voorviel ginds.
Eindelijk vernam hij de waarheid door Sidney-Smith zelf. Deze had een Franschen parlementair opgepikt, die met den Turkschen vlootvoogd quasi zou onderhandelen, maar die feitelijk voor Bonaparte berichten moest inwinnen omtrent den stand van zaken in Europa. Van dezen officier vernomen hebbende, dat Bonaparte hier omtrent geheel onkundig was, zond hij hem uit ijdelheid een pakje couranten, een relaas behelzende van de rampen, die de Republiek den laatsten tijd hadden getroffen.
Met al dat nieuws bleef Bonaparte een ganschen nacht in zijn kamer alleen. Hij las.—Oostenrijk had aan Frankrijk opnieuw den oorlog verklaard. In Duitschland was Jourdan, in Italië Scherer geslagen; te Rastadt waren de Fransche gevolmachtigden vermoord; alle partijen hadden samengespannen tegen het Directoire; vier nieuwe leden, Siéyès, Roger Ducos, Gohier en de generaal Moulins hadden hierin zitting genomen; alleen Barras was gebleven; al de klassen der dienstplichtigen waren opgeroepen; een gedwongen leening van 30 millioen was uitgeschreven; nieuwe troebelen tusschen de republikeinen en de royalisten waren ontstaan.
Tengevolge van de geldafpersingen der Fransche generaals hadden de Napolitanen naar de wapenen gegrepen; uit verscheidene steden, zelfs uit Rome was de bezetting verdreven. Om kort te gaan, terwijl de oorlog buiten de grenzen tot nog toe ongelukkig was gevoerd, heerschte er in ’t land zelf een jammerlijke verdeeldheid, die de Republiek aan den rand van den afgrond kon voeren. Door de meerderheid der rustige burgers werd reikhalzend uitgezien naar een man, die in dezen Augiasstal den Herculesbezem zwaaien en aan Frankrijk zijn grootheid teruggeven zou.
In dien éénen nacht kwam Bonaparte dit alles en veel meer nog te weten; als altijd nam hij terstond een besluit. Het Directoire had hem bij zijn vertrek de vrijheid gegeven terug te keeren, als hij dit noodig en nuttig oordeelde. Latere bevelen had hij niet ontvangen. De tijd van terugkeeren achtte hij gekomen; terugkeeren zou hij, al doorploegden Engelsche kruisers de Middellandsche Zee in alle richtingen, al ging dat plan dus met groote gevaren gepaard en al liet hij zoodoende een leger in den steek, dat hem overal trouw was gevolgd en alleen door zijn tegenwoordigheid, zijn voorbeeld nog de veerkracht behouden had, noodig voor het verrichten van grootsche daden.
Van een militair standpunt is Bonaparte’s heengaan niet goed te praten, doch het belang van Frankrijk, dat ten ondergang dreigde, heeft bij hem stellig zwaarder gewogen dan dat van een leger, dat door het Directoire reeds ten doode was opgeschreven en voor welks redding alleen Louis ridderlijk een lans had gebroken.
Met Berthier, Lannes, Duroc, Bessières, Eugène, Marmont, Monge, Denou en anderen benevens 400 guides scheepte hij zich den 22en Augustus op een afgelegen punt van de kust in op twee fregatten, kwam, na een kort oponthoud door tegenwind in de haven van Ajaccio, den 9en October onopgemerkt voor de Fransche kust, stapte te Fréjus aan wal, liet zich persoonlijk niet ophouden door de quarantaine-maatregelen, hier genomen wegens de pest in Egypte, doch reisde, overal doch te Lyon in de eerste plaats met klokgelui en schier uitbundige geestdrift verwelkomd, in eens door naar Parijs. Hier kwam hij geheel onverwacht aan in zijn woning.—Twee uur later begaf hij zich naar de Tuilerieën.—“Leve Bonaparte!” riep de wacht, die hem terstond herkende.
Den volgenden morgen gaf hij in de volle vergadering een kort overzicht van zijn verrichtingen ginds. Hij had Kléber met het opperbevel belast en was zelf teruggekeerd om de Republiek, die hij verloren achtte, te hulp te komen. Te Parijs had hij vernomen, dat zijn wapenbroeders deze intusschen reeds hadden gered, en dat o. a. Massena bij Zürich roemrijk had gezegepraald op de Russen. Hierover was hij zeer verheugd.
Het Directoire was niet verheugd. Het had niet verwacht hem ooit levend terug te zien. Reeds herhaalde malen was het gerucht van zijn dood te Parijs verspreid; alleen het kort te voren van hem ontvangen bulletin der overwinning bij Aboukir had bewezen, dat al die berichten leugenachtig waren geweest.