Hoofdstuk VIII.
Bonaparte wordt Eerste Consul.
Zijn oudste broeders en Joséphine hadden eveneens geruimen tijd in de meening verkeerd, dat hij in Egypte zijn graf had gevonden. Jozef had aansluiting gezocht bij Bernadotte en dezen zijn schoonzuster Désirée ten huwelijk gegeven, mogelijk wel in de hoop, te eeniger tijd met dezen tot minister benoemden generaal zijn slag te kunnen slaan en het vermolmde gouvernement omver te werpen, want Bernadotte was bij het leger zeer gezien en een intrigant van het eerste soort.
Na zijn verkiezing in den Raad van Vijfhonderd, al miste hij hiertoe den wettelijk vastgestelden leeftijd, had Lucien zich op de tribune geducht geweerd, was benoemd tot secretaris en had redevoeringen gehouden, die herinnerden aan de schoonste dagen der Jacobijnsche redenaars. Deze werden echter door hem bestreden, want hij was nu reactionnair, had telkens herhaald, dat een ieder, die de veiligheid der Volksvertegenwoordiging dorst aanranden buiten de wet moest worden gesteld; Lucien was zoodoende voor de Jacobijnen in den Raad van Vijfhonderd en daarbuiten als hun heftigste tegenstander een nachtmerrie geworden.
Steeds partij kiezende tegen het Directoire, had hij onder die bedrijven met Siéyès in stilte betrekkingen aangeknoopt om de grondwet van het jaar III door een geheel nieuwe te vervangen. Jong, onervaren, zoo goed als alle rechtskennis missende, maar grenzenloos brutaal en vermetel, zich zelf een even groot genie op politiek terrein achtende als zijn broer het was in krijgszaken, had hij zich, door de omstandigheden gediend, in nog geen twee jaar een positie veroverd, welke hem voeren kon naar het hoogste gezag.
Of er in de beide Raden dan geen mannen meer zetelden, die tegen hem waren opgewassen? In wetenschap, kennis van zaken en ervaring zeker nog wel, maar tijdens de omwenteling had Frankrijk zijn schranderste redenaars, zijn knapste koppen zien vallen en de overgeblevenen, door een langdurigen worstelstrijd afgemat, misten thans den lust en de energie, veelal ook het talent, om in een helder, zakelijk betoog het bewijs te leveren, dat Lucien een wauwelaar was, die heden afbrak, wat hij gisteren verdedigde en die grondige zakenkennis miste.
Aan “Napolione” van wien in maanden geen tijding was ontvangen en die feitelijk toch de grondlegger was geweest van hun tegenwoordig fortuin, dacht Jozef evenmin als Lucien; beiden werkten uitsluitend aan hun eigen toekomst; alleen Louis was met zijn geest daarginds en eischte tevergeefs, dat Lucien in den Raad een voorstel zou doen om de expeditie hulp te brengen.
Ook Joséphine, die aanvankelijk van plan was geweest haar echtgenoot te volgen naar Caïro, scheen niet langer aan hem te denken; zij was het leventje van voorheen met den zoo “aardigen” Charles en de verdachte kennissen incluis, weder begonnen; alleen had ze Barras, wiens invloed sterk begon te verminderen, losgelaten en steun gezocht bij Gohier. Onder het schrikbewind was Gohier minister van Justitie geweest, had later zijn zetel in het Directoire te danken gehad aan de Jacobijnen, die hem afschilderden als een republikein van de echte soort, vol burgerdeugden en gestrenge zedelijke beginselen. Met haar zwagers had zij gebroken. Vooral met Jozef, die bij het vertrek van haar man door dezen belast was met het beheer van zijn vermogen, die haar zeer kort hield en van haar bij herhaling had moeten hooren, dat hij mooi weer speelde met het geld van zijn broer, stond zij op gespannen voet. Reeds dacht zij aan een scheiding om dan met Charles te kunnen trouwen en was er sprake van een huwelijk tusschen haar dochter en den zoon van Gohier, toen het bericht van Bonaparte’s landing bij Fréjus haar aan een diner bij Gohier trof als een bliksemstraal.
Een korte poos zat zij als verpletterd, toen was zij zich zelve weder meester en begreep, dat alleen een vermetele zet haar kon redden. Bonaparte kwam naar Parijs; ontmoette hij zijn familie voor zij hem gesproken had, werd hij dus ingelicht omtrent haar leven in de laatste anderhalf jaar, dan was zij reddeloos verloren, dan wachtte haar een echtscheiding. Die familie moest zij dus vóór zijn.
“Vrees niet, dat Bonaparte met voor de vrijheid noodlottige bedoelingen naar hier komt; maar wij moeten de handen ineenslaan om te beletten, dat een troep ellendelingen zich van hem meester maakt,” voegde zij Gohier toe en Joséphine was geen uur later zonder kamenier, bagage of geleide met postpaarden op weg naar Lyon, haar man tegemoet.
Maar van Fontainebleau voeren twee wegen naar het zuiden; zij sloeg den verkeerden in, kwam eerst te Lyon tot deze ontdekking, keerde spoorslags naar Parijs, doch vond in haar hotel de kamerdeur op slot. De familie had den tijd gehad den jammerlijk door haar bedrogen echtgenoot in te lichten omtrent haar gedrag.
De wanhoop nabij, gebogen onder een schuldenlast, die liep in de millioenen en onder het bewustzijn, dat de ouderdom snel naderde en dat armoede en gebrek haar wachtten, als hij haar verstiet, viel zij voor die deur op de knieën en smeekte en bad onder tranen om vergiffenis, doch de deur bleef dicht. Uren verliepen. Hortense en Eugène kwamen haar helpen. Eindelijk, eindelijk werd een sleutel omgedraaid in ’t slot, de deur geopend. Met een gelaat, dat doodsbleek en verwrongen nog getuigde van zijn zielestrijd, stond de echtgenoot op den drempel en breidde de armen uit; de herinneringen aan ’t verleden, de tranen van Hortense en Joséphine, zijn liefde voor haar, hadden gezegevierd. Hij had vergiffenis geschonken, niet ten deele doch volkomen, onvoorwaardelijk; naar de medeplichtigen vroeg hij niet. Als een voor altijd gesloten boek schoof hij ’t gebeurde achter zich; hij zelf, redeneerde hij, was de schuld van alles, want hij had zijn vrouw slecht bewaakt. Voortaan zou hij beter oppassen. Toen Lucien hem den volgenden morgen kwam opzoeken, werd hij ontvangen in Joséphine’s slaapkamer; Napoleon lag nog te bed. In de twee volgende dagen betaalde hij al haar schulden, meer dan twee millioen, waaronder 600.000 francs voor toiletartikelen en 225.000 francs voor de buitenplaats Malmaison. De Parijsche groote wereld, die in de laatste tien jaar van nog heel wat sterker stukken was getuige geweest, vond deze verzoening volstrekt niet belachelijk, ze juichte die zelfs toe; in haar oog werd Bonaparte opnieuw de goedhartige man, die hield van huiselijk, gezellig leven, weinig of geen eerzucht kende en, terwijl geheel Parijs van hem was vervuld, ’s avonds met zijn vrouw zat te triktakken, een spel waarin Joséphine uitmuntte.
En deze had een les ontvangen, die zij nimmer zou vergeten. Een licht was haar opgegaan over het gewicht van haar positie naast een echtgenoot, die terstond al haar schulden betaald, haar naast zich een plaats gegeven had en wiens toekomst haar reusachtig toescheen, al begreep zij nog volstrekt niet, waarheen die kon leiden. Slim als een echte vrouw, koos zij een nieuwe gedragslijn, verzoende zich voor het oog met haar zwagers, bleef op goeden voet met het echtpaar Gohier en werd voor haar man die meegaande, zorgzame, lieftallige gade, die steeds op een wenk van hem gereed stond om hem te dienen, hem op te beuren, met hem op reis te gaan, desnoods in ’t holst van den nacht en hem in één woord te omringen met al die kleine attenties, welke men een liefhebbende moeder kan zien schenken aan een nukkig, bedorven kind. Met die onnavolgbare gratie, welke enkele vrouwen is aangeboren en die meer boeit dan schoonheid, ontving zij in haar salon zoowel de mannen der Conventie als Cambacérès, Réal en Monge als de Ségur, de Caulaincourt en andere haar trouw gebleven vertegenwoordigers van den ouden adel; zij bereidde aldus die fusie van standen voor, welke Bonaparte op het oog had; vol tact nam zij bijna dagelijks de honneurs waar van een tafel met meer dan twintig gasten en verving haar man, als deze moede en nurksch, of met andere dingen vervuld, geen lust had in praten, opstond van tafel en heenging. Nooit scheen haar iets te veel; steeds vond Bonaparte haar in een frisch, smaakvol toilet, met een vriendelijk lachje op de lippen, gereed voor al wat hij in zijn nukkige, vaak driftige buien geliefde te bevelen.
Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd.
Haar thans dertigjarigen man, die nooit anders dan op kamers in een logement had gewoond en die als een volbloed Corsicaan een huiselijken haard toch zulk een kostelijk bezit achtte, schonk zij zoodoende een intérieur, waarin hij zich behaaglijk gevoelde, waarin werd gedineerd als hij gereed was met zijn werk, al werd het ook tien uur, waarin alles werd geschikt naar hem en waarin hij steeds een vrouw vond met wie hij vertrouwelijk kon praten over de onderwerpen, die zijn geest vervulden of over de verhoudingen en de toestanden in een wereld, die hij, de man van bijna burgerlijke afkomst, nooit, zij, in zijn oog zooveel hooger staande vrouw van adel, zooveel te beter had gekend en in welker toon, gebruiken en levenswijze hij steeds een opmerkelijke belangstelling verried.
Vollediger en beter nog dan uit de couranten van Sidney Smith kon Bonaparte thans zelf te Parijs nagaan in welk een toestand Frankrijk ondanks de overwinningen van Massena en Brune verkeerde. Wel had het Directoire de Manége club doen sluiten en hadden de Jacobijnen, die al zijn handelingen in heftige taal bestreden, hun verzamelplaats dus verloren, wel had het Directoire Bernadotte vervangen als minister van oorlog en was het dus tegen deze fractie even ruw opgetreden als te voren tegenover de club van Clichy, maar den toestand had het hiermee niet verbeterd. De anarchie was blijven bestaan. Van het oude stelsel, het koningschap, had de natie haar bekomst; 1793 lag haar nog zoo versch in ’t geheugen, dat ze hierom alleen reeds de Jacobijnen terugstiet, doch republikeinsch verlangde ze te blijven, terwille van de vrijheid en de gelijkheid, welke daarmede samenhingen. Dat slappe, vijfhoofdige gouvernement, dat Directoire heette, doch niet dirigeerde, nooit eensgezind was en telkens door kleine veten verried, hoe bedroefd weinig zijn leden als bestuursmannen hadden te beteekenen en hoe grof eigenbelang ook bij hen vaak ging boven dat van het land, moest dus verdwijnen. Geredeneerd was er veel te veel, gehandeld veel te weinig; haar veroveringen op sociaal gebied wenschte de natie te behouden; orde was hiertoe een eerste vereischte; de vrijheid mocht dan later volgen, eerst moest er orde heerschen en de eenige die deze brengen kon, was de man van Arcola, van Rivoli, de man die een tijdlang alleen had gestaan tegenover half Europa, die plotseling uit Egypte was teruggekeerd en op wien gansch Frankrijk thans de oogen gevestigd had.
Bonaparte wist, voelde dit. Hoewel hij dagelijks tal van personen ontving, die hem hulde kwamen bewijzen, over verschillende zaken zijn meening wilden weten of zijn hulp noodig hadden, hoewel zelfs de minister van Oorlog hem kwam verzoeken om raad en inlichtingen, bewaarde hij het zwijgen over zijn eigen zienswijze en voornemens. Alleen luisterde hij scherp naar ’t geen om hem heen voorviel, vernam van Fouché, den minister van politie, wat Parijs zeide en deed, doch begon met te bedanken voor een nieuw legercommando, dat het Directoire hem terstond wilde opdragen.—“Hij was nauwelijks terug, gevoelde zich ziek en wilde eerst uitrusten en op zijn verhaal komen.”
Bij niet ééne partij sloot hij zich aan; dat de royalisten niet op hem behoefden te rekenen, had hij hen op den 18en Fructidor reeds getoond, de ultra’s der voormalige Conventie werden door hem geschuwd evenals de zoogenaamde pourris, een partij van wel bekwame maar totaal in den grond verdorven mannen, zooals Barras, die alleen op het kussen trachtten te komen om hun eerzucht en hun gouddorst te bevredigen. Uit de keuze der mannen, die hij om inlichtingen vroeg, als Cambacérès, Roederer, Réal en anderen, bleek echter weldra, dat hij partij had gekozen voor de gematigden. Hij polste Gohier en Moulins over zijn opname in het Directoire in de plaats van Siéyès, die zich bij velen had verdacht gemaakt, steeds zwanger heette te gaan van omwentelingsplannen en door hem kortaf werd genegeerd, doch vond bij deze Directeurs geen gehoor. Volgens de grondwet van het jaar III was hij te jong en in strijd met deze verkozen zij niet te handelen.
Deze poging om aan ’t bewind te komen mislukte, en nu wendde hij zich tot Barras. Aan dezen had hij groote verplichtingen, door hem was hij reeds te Toulon onderscheiden, op 13 Vendémiaire was hij door hem te paard geholpen en al had Barras kort te voren in een zitting van het Directoire gezegd, dat “de kleine korporaal in Italië aardig zaakjes had gemaakt,” al was dit Bonaparte ter oore gekomen en de toch al niet te beste verstandhouding hierdoor nog meer verkoeld, met Barras, die nog altijd een zekere populariteit genoot en hoofd was van de politie dacht Bonaparte, zou nog wel iets zijn te beginnen. Doch ook hier slaagde hij niet. Barras onderhield reeds in ’t geheim betrekkingen met den pretendent, had van dezen prachtige aanbiedingen ontvangen en stuurde Bonaparte met een kluitje in ’t riet. “Ik ben oud en versleten; u moet terug naar het leger, generaal Hédonville (een braaf en kundig maar weinig bekend officier, zijn beschermeling) moet president worden van de Republiek, anders gaat deze te gronde,” beweerde hij.
Toen wendde Bonaparte zich naar Siéyès, zijn bête noire, zooals Joséphine het uitdrukte en gaf hem kort en bondig te verstaan, dat hij op hem kon rekenen. Reeds in de eerste dagen der omwenteling op den voorgrond getreden, zelfs door Mirabeau gevleid, in het Directoire gebracht, omdat hij als gezant te Berlijn tot de handhaving der neutraliteit van dit kabinet tegenover de Republiek zeer veel zou hebben toegebracht, gematigd republikein, door zijn kennis van menschen en zaken een hoofdlengte uitstekend boven zijn mededirecteurs, was hij nog altijd verstoord, omdat in de grondwet van het jaar III het door hem zelf ontworpen schema van zulk een wet niet was opgenomen.
Niet alleen Roger Ducos maar de meerderheid in den Raad der Ouden, ook veel leden van den Raad van Vijfhonderd, en verder al wat in Frankrijk reikhalzend uitzag naar het herstel van orde en rust telde hij onder zijn aanhang. Benjamin Constant, Talleyrand, die voorzichtigheidshalve reeds zijn ontslag had genomen, zelfs Daunou, de hoofdontwerper der grondwet, steunden hem. Ik heb noodig een man van de daad, een man van het zwaard, dien ik leiden kan, had hij reeds vroeger gezegd; hij had het oog laten vallen op den jeugdigen, talentvollen generaal Joubert, doch deze was bij Novi gesneuveld. Toen had hij Moreau trachten te winnen, maar was afgestuit op diens aangeboren rechtschapenheid en—besluiteloosheid.
Thans zag hij Bonaparte tot hem komen. Te voren hadden Jozef en Cabanis tot een onderhoud den weg gebaand en hoewel hij een voorgevoel had, dat de ander zijn medewerking slechts kwam vragen voor een zekeren tijd en hem dan zou loslaten, gaf hij toe. In den avond van 30 October had het onderhoud plaats. Acht of tien dagen later, werd afgesproken, zou de staatsgreep worden uitgevoerd.
In de nu volgende dagen scheen Bonaparte zeer beducht voor zijn leven en scheen de vrees voor een einde, als Hoche had gevonden, hem te kwellen. Vooral Barras, die, door Réal en Fouché gewaarschuwd voor ’t geen er broeide, nog een poging tot samengaan had gedaan doch was afgewezen, scheen door hem te worden verdacht. Op een banket, hem den 6en November door de Raden aangeboden, gebruikte hij b. v. niets dan een broodje en een halve flesch wijn, die hij door Duroc, zijn adjudant, voor zich had laten halen en verliet daarop met Berthier de feestzaal, om met Siéyès de laatste afspraak te maken. Het leger te Parijs had hij geheel op zijn hand; de generaals eveneens; alleen Jourdan en Augereau aarzelden nog. Bernadotte, de zwager van Jozef was door Désirée, zijn vrouw, tevergeefs aangezocht om met Bonaparte gemeene zaak te maken. Hij haatte Siéyès, was ten opzichte van Bonaparte met hartstochtelijke afgunst vervuld, kon en wilde niet gelooven dat het Directoire zich zonder slag of stoot zou overgeven, meende in geval van weerstand van deze zijde, zelf een groote rol te kunnen spelen en hield zich dus als sluwe Gascogner, die hij was, buiten het spel, om zijn diensten al naar de zaken liepen, zoo duur mogelijk te verkoopen.
Terwijl Berthier, Leclerc, Murat, Duroc, Lavalette, Marmont en Eugène, ieder in zijn eigen kring en bij zijn eigen wapen druk in de weer waren om steeds nog meer aanhangers te werven, had Lucien, sinds 22 October president van den Raad van Vijfhonderd op zich genomen deze heeren tot medewerking over te halen, en was hierin zoo goed geslaagd, dat de groote meerderheid zich vóór den staatsgreep had verklaard.
Den 18en Brumaire (9 November) decreteerde de Raad der Ouden, dat de beide Raden naar St. Cloud zouden worden verplaatst, droeg de uitvoering van dit besluit op aan Bonaparte, en handelde in strijd met zijn bevoegdheid door hem tegelijkertijd het bevel te geven over al de troepen en deed hem, omringd door een schitterenden staf van generaals en hoofdofficieren, als zoodanig den eed afleggen. Tegelijkertijd namen Siéyès en Roger hun ontslag als directeurs en werden hierin op aandrang van Talleyrand door Barras gevolgd. Gohier en Moulins, hiertoe ongenegen bevonden, werden bewaakt door Moreau, opgesloten in hun vertrekken. Groote troepenmassa’s rukten Parijs binnen. Tot zoover ging alles goed; de eerste zet was zonder strijd gewonnen.
Aan het hoofd der garde van de beide Raden rukte Bonaparte den volgenden morgen naar St. Cloud, trad hier den Raad der Ouden binnen om van dezen een decreet te verkrijgen, tot wijziging in den regeeringsvorm nu de meerderheid van het Directoire zijn ontslag had ingediend, leverde een weinig samenhangend betoog, waarbij hij telkens werd in de rede gevallen, maakte, niet gewoon te spreken in dergelijke vergaderingen, hier een alles behalve schitterend figuur, bereikte dan ook zijn doel niet en ging daarop vergezeld van een paar grenadiers, die hij bij de deur achterliet naar de vergaderzaal der Vijfhonderd.
Hier had Lucien het laatste half uur tevergeefs alle krachten ingespannen om de gemoederen bedaard te doen blijven. Er heerschte gisting. Het niet op tijd gereed zijn der zittingzalen had ten gevolge gehad, dat er twee uur lang tusschen de leden der beide Raden druk was gepraat, dat achterdocht omtrent Bonaparte’s plannen de gemoederen had aangegrepen. Dat hij in een nieuw te vormen Directoire zou worden opgenomen, achtten de meesten reeds meer dan voldoende, maar ’t geen den dag te voren was geschied en nu weder dat groote troepenvertoon, scheen te wijzen op verdere plannen, mogelijk op een greep naar de dictatuur, de onbeperkte heerschappij, en van deze wilden de meesten niets weten.
Toen hij met zijn grenadiers aan den ingang verscheen, klonk hem al dadelijk een verwoed: “Weg met den dictator! Weg met de bajonetten!” tegen. Dreigend en tierend drong men op hem aan tot zijn grenadiers hem ten slotte tusschen de menigte uit haalden en naar buiten voerden. Een oogenblik trachtte Lucien het gedrag van zijn broeder te rechtvaardigen, maar vond geen gehoor, want allen brulden en gilden: “Buiten de wet! Stemmen, president! Buiten de wet de generaal!”—Toen gaf hij generaal Frégeville een der invloedrijkste leden en een bondgenoot tevens, een wenk, fluisterde hem iets in, zag hem de zaal verlaten, en begaf zich naar de tribune, rukte zich toga en sjerp van ’t lijf en wierp ze naast zich neder.—“De vrijheid is van hier verdwenen. Verstaanbaar maken kan ik mij niet meer. Als bewijs van rouw legt de president de teekenen af der volksmagistratuur!” dreunde het boven het rumoer uit van zijn lippen.
Langzaam daalde hij de trap af, ging, door zijn vrienden omringd, naar de deur, ontwaarde het piket soldaten, dat Frégeville had ontboden, sprong op een paard en deed den ban slaan.—“Soldaten, de Raad van Vijfhonderd is ontbonden. Zijn president zegt u dit. Een bende moordenaars heeft de zaal overrompeld en tegenover de meerderheid geweld gepleegd. Jaagt die uiteen!
Overdreven, hartstochtelijk klonk die sommatie, maar dat gillende: Buiten de wet! had Robespierre den kop gekost. Lucien had gevoeld, dat het leven van zijn broeder en der Bonaparte’s op het spel stond.
Een kort bevel van Bonaparte volgde; met Murat en Leclerc aan de spits rukte een bataljon grenadiers naar de zaal der Oranjerie, een lange roffel overstemde het gebrul der afgevaardigden. In een ommezien was de zaal ontruimd.
Dienzelfden avond was de meerderheid der Vijfhonderd onder voorzitterschap van Lucien hier weder bijeen, zij verklaarde dat Bonaparte en zijn soldaten zich tegenover het vaderland verdienstelijk hadden gemaakt, dat het Directoire had opgehouden te bestaan, en een en zestig personen ophielden lid te wezen van de volksvertegenwoordiging, schiep een voorloopige consulaire commissie, samengesteld uit Siéyès, Roger-Ducos en Bonaparte, en droeg aan twee commissies ieder van vijf en twintig leden op, de in de grondwet van het jaar III noodig geworden veranderingen voor te bereiden.
De Raad der Ouden, die niet was ontbonden en bij den loop dien de zaken hadden genomen, thans danig in de verlegenheid zat, had Luciens verklaring van zijn gedrag nolens volens aangenomen, en keurde de genomen besluiten goed. De nieuwe Consuls werden beëedigd, de noodige tijdelijke commissies gekozen en de omwenteling van 18 Brumaire was een voldongen feit. De rol door Bonaparte dezen dag gespeeld was vreemd, een ander deed wat hij niet deed, niet kon en wist te doen; Lucien redde ten slotte alles en toonde revolutionnair te zijn gebleven, want toen hij den afgrond voor hem en de zijnen geopend zag, nam hij zijn toevlucht tot geweld.
Parijs, neen gansch Frankrijk juichte. Uit was het met dat “gouvernement van babbelaars en advocaten.” De zorg voor de eer, de grootheid, en de onschendbaarheid van het vaderland was toevertrouwd aan den eenigen man, die getoond had, waartoe hij bij machte was; slechts één naam, die van generaal Bonaparte had van nu af in Frankrijk klank. Door hem zouden rust en orde terugkeeren. Dat hij een soldaat was vol eerzucht, dat hij onverbiddelijke gehoorzaamheid zou eischen, verminderde niets aan het bijna grenzenlooze vertrouwen in hem gesteld. Tien jaar lang had het land gezucht onder de anarchie; op den rand van den ondergang was het geweest, nog stond de buitenlandsche vijand nabij de grenzen. Hij, Bonaparte, zou het terugvoeren naar zijn oude plaats in de eerste rij der groote mogendheden.—
Over deze omwenteling liepen de meeningen tamelijk ver uiteen. Enkele tegenstanders er van noemden ze een brutalen aanslag, die de Republiek in haar vlucht naar de vrijheid vleugellam maakte; anderen achtten ze een even stoute als noodzakelijke daad, die een einde maakte aan onhoudbare toestanden. Wij zien er slechts een der phasen in, welke Frankrijk moest doorloopen, voordat het in de juiste beteekenis van het woord vrij worden kòn, d. w. z. voordat het tot het rechte begrip was gekomen van ’t geen een natie in de moderne samenleving aan zich zelf en aan de haar gestelde wetten is verplicht. Juist die wetten werden den 18en Brumaire door Bonaparte met voeten getreden. Dat er aan deze veel haperde, staat vast; dat de bestaande toestanden onhoudbaar waren geworden, eveneens; doch elke daad van geweld, tegen den hoeksteen van een goed geordenden staat is afkeuringswaardig; en ondanks al het goede, later door hem gewrocht, heeft Napoleon toen aan het nageslacht een verderfelijk voorbeeld gegeven.
Veel is er echter ook tot zijn verontschuldiging te zeggen. In naam der vrijheid had Frankrijk den strijd aangebonden tegen al wat onderdrukking was of dwingelandij, dus tegen toestanden, die in het overige Europa sinds eeuwen heerschten, die ten nauwste waren verbonden met de souvereine rechten der vorsten en door deze dus met de wapenen in de vuist tot het uiterste werden verdedigd. Een bestuur zoo onverbiddelijk gestreng als het Comité de Salut Public, had het tegen die vorsten en tegen de partijen in het binnenland een tijdlang kunnen volhouden, een vijfhoofdig uitvoerend bewind, zoo onsamenhangend, zoo slap en zoo onpractisch als het Directoire niet. In zulke bange dagen, als Frankrijk toen doorleefde, was dit bestuur een onding. Het móést vervangen door dat van één man, geen babbelaar of geleerde met abstracte begrippen, in de studeercel prachtig, in de practijk onbruikbaar, maar een man van de daad, toegerust met een ijzeren wil, een stalen werkkracht en een scherpen blik, een soldaat kortom, die aan grooten persoonlijken moed een organiseerend talent van den eersten rang paarde en van dit alles reeds de bewijzen had geleverd.
Zulk een man wàs Bonaparte. Niet alleen hij, ook Frankrijk wist dit; de volgende vijftien jaren, zou het zich gedwee en gehoorzaam buigen onder den ijzeren man, die slechts één wil kende, den zijnen, die alle gezag in zijn persoon samenbracht, die Frankrijk weder één wilde maken met één bevolking, Franschen en die hiertoe zou vrede sluiten met den paus, de verbannen geestelijken en de émigrés de vrijheid verleenen terug te keeren, die aan den opstand in de Vendée een vreedzaam einde zou maken en dien in Bretagne met de wapenen bedwingen.
L’Homme noemde hem de plattelandsbevolking, wier rechten op hun door wettigen aankoop verkregen nationale goederen, hij handhaafde tot het einde toe; l’Homme zal hij blijven door de eeuwen heen, voor alle Franschen, wier blik niet door partijzucht of kleinzielige nevengedachten is beneveld en die in hem ondanks al zijn gebreken als mensch den genialen heerscher en wetgever willen erkennen. Veel geschiedschrijvers rekenen zijn opperheerschappij begonnen van af den dag zijner benoeming tot eersten Consul; bescheiden sluiten wij ons bij hen aan.
De eerste maal, dat de Consuls vergaderden, moest een president worden gekozen, doch Roger-Ducos voorkwam die keuze. Hij wees Bonaparte den fauteuil aan. “Die komt van rechtswege toe aan u” zei hij, Siéyès keek op zijn neus; hij had verwacht, dat hij dien zou bezetten, dat de regeling der civiele zaken aan hem, die der militaire aan den generaal zou worden overgelaten. Nog meer versteld stond hij, toen die generaal bij de verdere bespreking bleek toegerust “met een logica, even klemmend als scherp,” en dat hij over allerlei staatkundige vraagstukken, geldmiddelen en justitie, ja zelfs over de rechtspraak een gevestigde overtuiging bezat, dat hij een even vaardig administrateur als talentvol veldheer was.
Onder elkander hadden de voormalige directeurs een potje gemaakt om hieruit een douceur te kunnen geven aan de leden, die, niet met fortuin gezegend, hun post mochten neder leggen. Gevraagd wat er met dat geld, eenige honderdduizenden francs, nu gedaan moest worden, antwoordde Bonaparte: “Dat moeten de heeren weten. Heden draag ik van het bestaan van dit fonds officieel nog geen kennis, morgen wel. Dan gaat het in de schatkist.”
Siéyès, in zijn ziel een duitendief, liet zich dit gezegd zijn en hield ijlings met Ducos een verdeeling in verhouding van drie tot één. Dien avond teruggekeerd in zijn salon te midden van een gezelschap afgevaardigden en ministers kon hij den indruk door Bonaparte op hem gemaakt, niet langer verbergen.—“Heeren, gij hebt een meester gekregen. Bonaparte wil, kent en kan alles.”
Vooral dit laatste was waar. Tot dit kunnen werd hij in staat gesteld door het grenzenlooze vertrouwen, dat de natie hem schonk en waaraan het uiting gaf door de schier onbeperkte macht, waarmede ze hem weldra door de grondwet van het jaar VIII zou bekleeden.—Deze macht had hij dringend noodig, wilde hij Frankrijk waarlijk opbeuren uit zijn staat van diep verval, waarvan hieronder enkele staaltjes.
Den 19en Brumaire was er in de schatkist niet eens voldoende geld aanwezig om een koerier te betalen (een paar duizend francs). Een nauwkeurig bijgehouden sterktestaat van de legers bestond niet. Zóóveel veranderingen kwamen er dagelijks voor, dat zoo ’n staat niet bij te houden was, heette het. Soldijstaten waren er evenmin; de soldij werd niet uitbetaald. Bij het leger van Italië hadden enkele korpsen in tien maanden tijd geen sou gezien. Ook de staten van levensmiddelen ontbraken. Gevoed werden de troepen niet; hoe ze aan den kost kwamen, moesten ze maar zelf zien. Waar de soldaat nog wèl vivres ontving, verdween vaak 40% van het verantwoorde bedrag in de zakken der generaals en der korpsstaven. In de andere afdeelingen van bestuur was de toestand niet beter. Gestolen en geroofd werd er overal. ’t Was schelm om schurk in alle rangen. In lompen gehuld, met stukken boomschors vaak tot schoeisel liepen de soldaten te bedelen langs de straat.
Hoewel het begrip, dat Bonaparte voor goed met de leiding der zaken zou belast blijven, bij de natie reeds ontstond, was het toch de bedoeling, dat de commissie van drie consuls slechts tijdelijk zou werkzaam zijn, tot zij een grondwet had samengesteld. Siéyès heette zulk een staatsstuk kant en klaar in portefeuille te hebben en hij had Lucien er allerlei moois van verteld, doch bij slot van rekening bleek nog geen regel er van op papier te staan. Ook was de samenstelling veel te omslachtig; slechts gedeelten er van werden dus gebezigd; met loven en bieden verliepen bijna zes weken en eerst den 15en December was de nieuwe wet gereed, en werd negen dagen later in werking gesteld.
De mode van romeinsche namen en vormen was behouden gebleven; er werd gesproken van consuls, senatoren, tribunen en prefecten. Drie consuls zouden er wezen, gekozen voor tien jaar en terstond herkiesbaar, doch alleen de eerste zou al het gezag in zich vereenigen, de beide anderen slechts een raadgevende stem hebben; die consuls waren Bonaparte, de rechtschapen, kundige minister van Justitie de Cambacérès en Lebrun.
Siéyès had voor een benoeming tot tweeden consul bedankt. Het luie, zwaar bezoldigde baantje1 van opperkeurvorst, uit zijn eigen ontwerp van wet was hem ontgaan; Bonaparte had de pen er door gehaald; nu stelde hij zich tevreden met een hoog jaargeld, het landgoed Crosne en een zetel als senator, een aardige retraite voor dezen vadsigen, doch diepzinnigen denker, die in de dagen van Brumaire nog wel had leeren paardrijden, zeker om naast Bonaparte wat meer figuur te maken.
Was het uitvoerend bewind in de vroegere constituties ondergeschikt geweest aan het wetgevende, in die van het jaar VIII, was het omgekeerde bepaald. Een raad van State, verdeeld in vijf secties, waarvan de leden door de consuls werden benoemd en ontslagen2 stelde de wetsontwerpen samen, een Tribunaat van 100 leden, de schim van een volksvertegenwoordiging, beoordeelde ze; aan een Wetgevend Lichaam van 300 leden was het recht gegeven ze daarna aan te nemen of te verwerpen. Het gouvernement had de vrijheid op de bezwaren of opmerkingen van het Tribunaat al dan niet acht te slaan. Kwam een wetsontwerp na onderzoek der tribunen in het Wetgevend Lichaam, dan werd het hier namens het gouvernement door drie staatsraden verdedigd en kwamen evenveel redenaars uit het Tribunaat het ondersteunen of bestrijden. Geen enkel lid van het Wetgevend Lichaam mocht zich mengen in dit debat. Als één groote nationale jury bepaalde het zich uitsluitend tot stemmen.
Een Senaat van 80 leden, voor hun leven door de Consuls te benoemen, met recht een “College van behoud” genoemd, waakte over de instandhouding der grondwet, oordeelde over alle daden, die met deze in strijd waren, en koos uit de nationale lijsten de leden van het Tribunaat en van het Wetgevend Lichaam.
Kiezers waren alle Franschen, die den leeftijd van een en twintig jaar hadden bereikt en wier namen op de openbare registers stonden ingeschreven. Oogenschijnlijk fraai, was er in het geheele samenstel der volksvertegenwoordiging feitelijk weinig meer dan een schaduw van vrijheid overgebleven; toch werd de nieuwe grondwet met ruim drie millioen stemmen tegen 1567 aangenomen.
Reusachtig was de macht, door haar aan Bonaparte verleend. Hij alleen benoemde de leden der algemeene administratie, de leden der departementale en gemeenteraden, de staatsraden, de gezanten, de rechters voor civiele en voor strafzaken, benevens de officieren van land en zeemacht. Hij voerde het bewind over leger en vloot, teekende, het Wetgevend Lichaam gehoord, de tractaten en de wetten. Letterlijk deed hij dus alles alleen.
Trad hij af, dan was hij verplicht zitting te nemen in den Senaat. Voor de twee andere consuls bestond deze verplichting niet. Zijn traktement bedroeg 500.000, dat van de anderen 250.000 francs per jaar. Een som van 100.000 francs werd besteed om de Tuilerieën, het hun aangewezen verblijf, weder bewoonbaar te maken en te meubelen. Lebrun en Cambacérès zochten echter ieder een woning in de nabijheid.—“Die andere zou ginds toch weldra heer en meester zijn,” dachten ze.
Toen Bonaparte met de Bourrienne voor het eerst na zijn verheffing de ledige zalen van het paleis doorliep, zeide hij: “In de Tuilerieën zijn we. Nu opgepast, dat we er blijven.”
“Geen Jacobijnen, geen gematigden, geen royalisten, slechts Franschen zullen er, hoop ik, van nu af zijn,” waren na den staatsgreep zijn woorden geweest en de allereerste daden van het voorloopig bewind reeds hadden getuigd van dezen niet hoog genoeg te schatten geest van verzoening. Nog voordat het jaar 1800 was aangebroken waren de bannelingen van Fructidor zooals Carnot en Portalis, Barrère, Vadier en tal van anderen teruggeroepen, was de wet op de gijzelaars, welke de rampzalige bewoners der Vendée verantwoordelijk stelde voor hun bloedverwanten, die de wapenen hadden opgevat, evenals de gedwongen progressieve belasting en de requisities in natura, ingetrokken. Dan had Bonaparte zelf de deuren der gevangenis ontsloten voor de honderden geestelijken, die geweigerd hadden den eed af te leggen en voor de duizenden particuliere personen, die zich wegens quasi politieke redenen in hechtenis bevonden, de lijst der émigrés was gesloten, ook de adel van voorheen kon voor openbare betrekkingen worden aangewezen, maar hun vaste goederen, die staatseigendom waren geworden, bleven in het bezit van de personen, die ze hadden gekocht.
In naam van de vrijheid van godsdienst waren de kerken heropend en was last gegeven het lijk van paus Pius VI, sinds zes maanden te Valence, hulde te bewijzen.
Reeds heel wat was hieraan vooraf gegaan. Terstond met ongeëvenaarde werkkracht ingrijpende in al de takken van bestuur, deed hij het vertrouwen binnen enkele dagen dermate wederkeeren, dat de 5% nationale schuld, welke den 8en Brumaire nog 11¼ stond, den 30en reeds was gestegen tot 22 en dat de Parijsche bankiers geen bezwaar maakten het voorloopig bewind voor de eerste behoeften een som te leenen van twaalf millioen. De oprichting van de Fransche Bank zou het crediet en het vertrouwen weldra nog krachtiger komen steunen. Thans kon hij de legers in hun ellende eenigermate hulp bieden. Aan oproerige bewegingen in het zuiden maakte hij een einde. Het westen, waar de royalisten, meenende, dat hij in stilte werkzaam was voor den pretendent, de vaan van het oproer weder hadden ontplooid, bracht hij door krachtige maatregelen tot rust. Een paar hoofden boden hun onderwerping aan (17 Januari 1800), doch zonder genade trad hij op tegen graaf de Frotté, die in Normandië nog altijd de vaan der Bourbons hoog hield en getracht had hem in ’t publiek belachelijk te maken en hem aan te tasten in zijn eer; hij deed hem fusileeren. George Cadoudal week uit naar Engeland.—Ook de rooverbenden op de groote wegen leerden de zwaarte kennen van zijn vuist; ze werden letterlijk uitgeroeid met wortel en tak.
Aangezien er tal van organieke wetten noodig waren om het werk der constitutie te voleindigen, deed Bonaparte die aan het Tribunaat en aan het Wetgevend Lichaam voorleggen. Een der belangrijkste was die, waarbij in elk departement, dat geschoeid werd op de leest der Republiek, onder den naam van prefect, een bestuurder aan het hoofd kreeg, die zijn bevelen rechtstreeks ontving van den minister van Binnenlandsche Zaken en twee raadslichamen naast zich kreeg. Op dezelfde wijze had elk arrondissement een onderprefect, iedere gemeente een maire; terwijl het uitvoerend gezag dus ook hier weder berustte bij één persoon, werden de beraadslagingen gevoerd door meer dan één. Dat al de draden van het bestuur samenkwamen in de hand van den Eersten Consul en deze hierdoor dus een bijna dictatoriaal gezag uitoefende, werd door de republikeinen van 1793 sterk afgekeurd doch mocht na zooveel jaren van anarchie een noodzakelijkheid worden genoemd. Toen het Tribunaat het hem later wat lastig begon te maken en tegen enkele wetten ernstige bedenkingen aanvoerde, vaak met reden, want de persoonlijke vrijheid leed onder deze regeling, zond hij de heeren kortweg naar huis. “Van dit oogenblik af bestaat er geen grondwet meer,” zei hij tegen Chaptal, zijn toenmaligen minister van Binnenlandsche Zaken.
Ieder arrondissement kreeg een rechtbank voor civiele zaken en voor de financiën een afzonderlijken ontvanger. Zeven en twintig rechtbanken voor zaken in appèl waren verdeeld over het geheele gebied, terwijl ieder departement een crimineele rechtbank telde en een ontvanger-generaal. Een hof van Cassatie zorgde voor de handhaving der gelijkvormigheid in de rechtspraak. Dat deze regeling, ondanks al de later gevolgde omwentelingen, met enkele wijzigingen tegenwoordig nog bestaat, is o. i. wel het beste bewijs voor de bekwaamheid der mannen, die ze samenstelden. Dat haar hoofdbeginselen veel oorspronkelijks bevatten, zal niemand beweren, en kan ook niet gezegd worden van het later gevolgde complex van wetten, meer algemeen bekend onder den naam van Code Napoleon, maar de eer van ze te hebben samengebracht, geordend en voor de nieuwe toestanden bruikbaar gemaakt, komt onverdeeld toe aan Bonaparte en de schrandere, geleerde mannen, die hij in zijn Raad van State had gekozen3 en met wie hij als Consul schier dagelijks uren achtereen werkte, wier meening hij vroeg, met wie hij in discussie trad en die hij vaak deed verbaasd staan door den genialen blik, dien hij, de ongeletterde soldaat, telkens verried op een gebied, dat hem zoo goed als volkomen vreemd was en waarop hij alle wetenschappelijke opleiding geheel miste.
Den 1en Januari 1800 zouden de Wetgevende Lichamen voor de eerste maal zitting nemen, de Senaat in het Luxembourg, het Wetgevend lichaam in het Palais Bourbon, het Tribunaat in het Palais Royal.
Een groot aantal hooge, goed bezoldigde betrekkingen, door de nieuwe grondwet geschapen, had de Eerste Consul te vergeven en zoo ergelijk en ontmoedigend waren het gebedel en het gevlei om voor een van deze in aanmerking te worden gebracht, dat de “Moniteur,” een van de dertien groote dagbladen, die Bonaparte om hun inhoud en strekking niet terstond had opgeheven en die weldra de officieele courant zou worden (28 December) deze laagheden brandmerkte:
“Wat een menschen in de weer sinds de grondwet tal van rijk bezoldigde betrekkingen schiep! Wat een troep weinig bekende gezichten, die in allerijl naar voren dringen! Wat een reeks van lang vergeten namen, die zich onder het stof der omwenteling opnieuw beginnen te roeren. Wat een bende fiere republikeinen van het jaar VII, die zich ook zoo klein maken om te kunnen doordringen tot den man, die de macht in handen heeft.—Wat een bedelende Brutussen! Wat een armzalige talentjes omhoog gestoken! Wat een bloedvlekken bemanteld. En dat alles in een ommezien!—We hopen, dat de held der vrijheid, de man, die zijn weg door de omwenteling tot heden slechts teekende door weldaden, op al deze intriges zal nederblikken met de walging, welke ze iederen verheven geest moeten inboezemen; dat hij niet dulden zal, dat een reeks onbekende of geschandvlekte namen door den glans van zijn glorie wordt bestraald.”
Gelukkig voor Frankrijks grootheid was dit beeld niet toepasselijk op allen. Heel wat mannen van rijke ervaring en groot talent als Volney, Monge er Carnot wachtten waardig en kalm af, of het nieuwe gouvernement op hen een beroep zou doen.
Hoofdstuk IX.
Vredesvoorstellen, Marengo.
Terwijl deze groote veranderingen in Frankrijk plaats grepen en de natie opleefde en herademde, in het bewustzijn, dat de orde, de rust, de vrede mogelijk zelfs in ’t verschiet lagen, bevonden zich bijna alle leden van de familie Bonaparte te Parijs. Sinds 1793, het jaar waarin ze berooid en doodarm Corsica waren ontvlucht en naar Toulon geweken, was er in hun levensomstandigheden een groote verbetering ontstaan; ze bezaten thans hotels te Parijs, kasteelen in de omstreken; Jozef en Lucien stonden met het gouvernement op vertrouwelijken voet, gaven diners aan ministers en letterkundigen, heetten beschermers der schoone kunsten, deden aan belletrie en leidden een lui, lekker leventje.
De gedachte, dat zij dit alles enkel en alleen hadden te danken aan den door hen vrijwel geminachten soldaat, hun broeder, kwam niet bij hen op. Hun eigen verdienste, meenden zij, had hen zoo ver vooruitgebracht. Elisa zat met haar oliedommen Bacciochi nog te Ajaccio, Paulette was na haar huwelijk met Leclerc en de geboorte van een zoon, een tijdlang op kostschool geweest (1798) bij mevrouw Campan, want haar echtgenoot had ontdekt, dat zij niet eens lezen en schrijven kende. Louis was in Juli 1799 escadronscommandant geworden; Caroline genoot eveneens van de lessen van mevrouw Campan en moeder Laetitia, nog altoos even zuinig en spaarzaam als voorheen, op het gierige af, had haar koetjes reeds vrijwel op ’t droog en logeerde in ’t laatst van 1799 bij Jozef, die het jaar te voren voor het bagatel van ruim 250.000 francs het uitgestrekte, prachtige landgoed Mortefontaine tot zijn eigendom had weten te maken.
De rol, den 18en Brumaire door Jozef gespeeld, was natuurlijk zeer onbeduidend geweest. Door den Senaat gekozen tot lid van het Wetgevend Lichaam werd hij door Napoleon, die nog altijd een man van talent in hem zag, in Maart 1800 met Roederer en Fleurieu aangewezen om met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika te onderhandelen over den vrede.
Lucien, die den staatsgreep door zijn koelbloedig, vermetel optreden had doen slagen, hierbij de hoofdrol vervuld en een bijna verloren zaak gered had, was door den Senaat gekozen in het Tribunaat maar op dienzelfden datum (24 December) benoemd tot minister van Binnenlandsche Zaken, wel een bewijs dat zijn broer hem ondanks zijn opposant karakter hartelijk dankbaar was voor ’t geen hij als president van den Raad van Vijfhonderd voor hem had verricht, al vond broerlief, dat hem minstens een plaats als consul toekwam. In ’t begin van Januari ontving Louis een brevet als brigadegeneraal. Geen jaar later werd Jérôme luitenant ter zee. Dat Napoleon, bekleed met het hoogste gezag, toen reeds maatregelen trof om aan het hoofd van de vier groote dienstvakken, buitenlandsche zaken, binnenlandsche zaken, leger en vloot, een zijner naaste bloedverwanten te stellen om onder zijn onmiddellijke leiding en bevelen werkzaam te wezen, blijkt o.i. hieruit duidelijk.
Zijn zwagers deelden niet in die gunsten. Bacciochi bleef wat hij was; zelfs Leclerc, die zijn zwager door zijn vele relaties in het leger bij den staatsgreep onschatbare diensten had bewezen, werd als divisiegeneraal ingedeeld bij het Rijnleger, waarschijnlijk om een wakend oog te houden op Moreau, die tot belooning voor zijn houding op 18 Brumaire eerlang met het commando over deze voortreffelijke legermacht van circa 100.000 man zou worden belast en aan wien de Eerste Consul gaarne de hand zijner zuster Caroline had geschonken.
Deze jonge dame met haar glinsterende oogen, prachtig teint, buigzame gestalte en schitterende tanden had echter reeds zelve een keuze gedaan. Terwijl zij met Hortense de Beauharnais nog bij mevrouw Campan op kostschool was, had zij de op Mombello begonnen kennismaking vernieuwd met den generaal Joachim Murat. Zoon van een welgestelden herbergier uit de omstreken van Cahors, in 1767 geboren en aanvankelijk bestemd voor den geestelijken stand, had deze knappe jonkman met zijn koolzwarte oogen en ijzeren gestel op zijn twintigste jaar dienst genomen bij de jagers te paard, daarop een zeer avontuurlijk en lang niet vlekkeloos leven geleid en zich zelfs een korte poos Marat laten noemen (1793) om vooral een bovenste, beste republikein te schijnen; tevens had hij met de gevangenis kennis gemaakt. Weder op vrije voeten en tot ritmeester opgeklommen, had hij in den nacht van 12 op 13 Vendémiaire Barras in ’t bezit gesteld van de noodige vuurmonden, ter verdediging der Tuilerieën en was in Mei 1796 bevorderd tot brigadegeneraal.
Bonaparte was hem niet genegen; hij vond hem een eigenwijze, koppige ophakker, die vroeger met Barras op veel te intiemen voet had gestaan, die tegenover zijn kameraden oneerlijk was en hen verried en die bij een zending uit Italië naar Parijs, Joséphine erg het hof gemaakt en, volgens zijn beweren succes had gehad. Tevergeefs had hij later in Italië, daarop in Egypte bij Salahieh, eindelijk bij Aboukir getracht, de gunst en het vertrouwen van Bonaparte te winnen. Deze erkende zijn verdiensten als uitstekend cavalerie-generaal, maar die onopgehelderde historie met Joséphine was de kwade factor gebleven. Eerst toen deze zelve voor hem de hand vroeg van Caroline om zoodoende met één slag aan alle verdere praatjes den kop in te drukken, liet Bonaparte zich na eenige aarzeling bewegen, tot dit huwelijk zijn toestemming te geven. Den 18en Januari 1800 werd het contract geteekend; den 1en April werd Murat, sinds Brumaire divisie-generaal, benoemd tot luitenant van den opperbevelhebber van het Reserveleger en commandant van deze macht. Joséphine was met dit nieuwe huwelijk oogenschijnlijk zoo ingenomen, dat zij “haar lief broertje” Murat schriftelijk een compliment maakte over zijn keuze van “een zoo uitermate aardig vrouwtje, dat zich zoo uitstekend wist voor te doen.”—
Slimme, sluwe Joséphine! Hoe juist en handig bestuurde zij haar levensbootje bij den aanvang van de nieuwe eeuw. Haar invloed op Bonaparte had zij voor een groot deel althans weten te herwinnen; in den strijd tegen zijn familie had zij gezegevierd; door Caroline en Murat had zij zelfs bondgenooten gekregen in ’t vijandelijk kamp en den toorn der familie Gohier, die zij den 18en Brumaire leelijk had misleid, had zij reeds ten deele doen bedaren. Reeds begon zij zelfs haar salons geleidelijk te zuiveren van eenige verdachte en gecompromitteerde dames, die er te voren dagelijks verschenen; den toegang tot den intiemen kring van Malmaison had zij voor deze gesloten; voor de officieele partijen zond zij haar geen invitatiekaarten meer, nadat Bonaparte eenmaal op een receptie zijn afkeer van die “halfnaakte dames” luid en duidelijk had te kennen gegeven. Met grooten tact hield zij zich bij alle officieele plechtigheden op den achtergrond. Gezeten voor een raam of op een balkon woonden zij en haar dochter die slechts bij uit de verte. Door niets verried zij, dat zij invloed wenschte uit te oefenen op de daden en de politiek van haar man; dien invloed zou deze trouwens niet hebben geduld, dan zou de goede onderlinge verstandhouding met één slag zijn verbroken. “Mij alleen het gezag” was zijn devies. Met zichtbare voldoening liet hij haar echter begaan, toen zij, die eenmaal op intiemen voet had verkeerd met Robespierre’s zuster, die zich een onvervalschte sans-culotte had genoemd, en onder de bloeddorstigste leden der Conventie had verkeerd, niet alleen royalistische neigingen begon te toonen, doch aan haar omgeving zelfs influisterde, dat de herinnering aan den koning en zijn hof haar telkens deed ontroeren en dat zij vurig hoopte, dat haar man de Bourbons weder op den troon brengen zou.—Bonaparte zou dan minstens hertog en pair, en maarschalk of connétable van Frankrijk worden met een hooge positie aan het hof en zij hertogin en schatrijk. Dan kon er van een echtscheiding voor haar nooit meer sprake zijn, meende zij.
Bonaparte liet haar voorloopig in den waan, dat hij de Bourbons nog wel eens een kans zou geven. Zijn belang en zijn staatkunde brachten dit mede; hij moest de onvervalschte royalisten in de Vendée en Bretagne ontzien; hij wist, dat de émigrés, verarmd en vaak broodeloos, vol heimwee uitzagen naar den dag, waarop Frankrijks grenzen voor hen zouden worden opengesteld; thans trof hij in Joséphine een uitnemende bemiddelaarster tusschen die edelen en de leden der Commissie voor de Uitgewekenen; zij pleitte voor de eersten als een advocaat voor zijn cliënt, zij schreef dagelijks smeekbrieven bij tientallen en gevoelde zich overgelukkig als zij tot loon voor ai haar bemoeiingen eindelijk weder een kattebelletje kon verzenden o.a. van den volgenden inhoud: “Mevrouw Bonaparte heeft de eer de heeren Villeneuve met vele groeten te doen weten, dat zij zijn geschrapt.”1
Van heinde en ver, uit alle hoeken van Europa kwamen ze opdagen de Matignons, de Clermont-Tonnerres, de Montmorencys. De hotels der leden van het oude hof werden weder geopend; het quartier Saint-Germain herleefde en Joséphine, de weldoenster, “die haar gunsten met zooveel tact en gratie verleende,” zag haar salons langzamerhand gevuld met de dragers van namen, die Trianon voorheen niet zouden hebben ontsierd; zij vond het een genot met haar dochter te verschijnen op tal van bals, die in de kringen der royalisten werden gegeven.—’t Was het begin der fusie, waarop Bonaparte aanstuurde en die weldra vruchten zou dragen.
Luciens houding en gedragingen als minister van Binnenlandsche zaken maakten Joséphine’s positie in die dagen nog krachtiger. Dat hij ontevreden over den gang van zaken, waardoor niet hij zelf, doch Napoleon op het kussen was gekomen, een samenzwering op touw zette tegen zijn broeder, is niet bewezen; dat hij in ’t begin van 1800 heulde met Bernadotte, diens vijand, echter wel; en Fouché’s dreigend: “Als ik vernam, dat de Minister van Binnenlandsche zaken samenzweerde, liet ik hem in hechtenis nemen,” uitgesproken in tegenwoordigheid van Napoleon en Lucien (April 1800) geeft te denken. Ook Jozef, door wiens invloed zijn zwager Bernadotte kort te voren tot staatsraad was benoemd, onderhield relaties met zijn broeder vijandig gezinde personen, als Benjamin Constant en mevrouw de Stael. Was dit kwade trouw of onnoozelheid? Wie zal ’t zeggen? Aanvankelijk deed hij het voorkomen, alsof hij zich om een openbare betrekking weinig bekreunde en liefst niet in intriges werd betrokken; hij sprak dus weinig, schreef nog minder en scheen de bescheidenheid zelve. Al spoedig kwam de aap uit de mouw. Hij verlangde van zijn broer, dat deze hem aanwees tot zijn opvolger. De macht hiertoe bezat de Eerste Consul echter niet, want deze was slechts voor tien jaar benoemd, doch herkiesbaar. In een brief van 24 Mei begon Jozef dit verlangen reeds om te zetten in een eisch. Zijn eer was er mede gemoeid, schreef hij. Geen andere keuze mocht worden gedaan. Hoe kon het volgens Corsicaansche begrippen anders? Hij was immers het hoofd van de clan!
Bonaparte als Consul.
Jozef bracht het vraagstuk der erfopvolging dus het eerst ter sprake, deed door zijn vriend, den staatsraad Miot de Melito hieromtrent eenige tribunen en senatoren polsen en was zoodoende oorzaak, dat ook anderen zich hiermede begonnen bezig te houden. Door deze werd nu ernstig overwogen, wat er gebeuren moest als Bonaparte, kort te voren naar het leger vertrokken (Mei 1800), op het slagveld of door de hand van een sluipmoordenaar viel; het slot was, dat door hen voor zulk een geval niet Jozef doch de kort te voren uit de ballingschap teruggekeerde Carnot in stilte werd aangewezen. Zoo hadden Fouché en Talleyrand, overigens geslagen vijanden van elkander, in stilte reeds uitgemaakt, dat Bonaparte gevallen, zij met den senator Clément de Ris een driemanschap zouden vormen en de teugels van ’t bewind in handen nemen (Mei 1800).
Terwijl de Eerste Consul dus al dadelijk na den staatsgreep was omringd door een netwerk van intriges, waaraan zelfs zijn broers niet vreemd waren, was hij zelf letterlijk dag en nacht in de weer om Frankrijk een soort van voorloopige organisatie te schenken, het binnenlandsch bestuur een weinig te ordenen, het vertrouwen en de veiligheid bij de natie te doen herleven en eenig geld in de schatkist te brengen.
Voorloopig waren de omstandigheden hem alles behalve gunstig, want wilde hij bij de reusachtige taak, die hij zich zelf op de schouders had gelegd, slagen en de pacificatie en organisatie van het binnenland tot een goed einde brengen, dan was vrede met het buitenland hiertoe de eerste voorwaarde. Reeds in de laatste dagen van December 1799, had hij, brekende met de gebruiken der diplomaten, daarom eigenhandig geschreven aan den koning van Engeland en aan den keizer van het Duitsche Rijk met het dringende verzoek om aan den oorlog een einde te maken; te voren reeds had hij zijn adjudant Duroc, een beschaafd, innemend, schrander officier en een zijner tochtgenooten in Egypte, afgevaardigd naar het hof van Berlijn om koning Frederik Wilhelm te doen begrijpen, dat hij bij een mogelijken vrede als tusschenpersoon zeer welkom zou wezen.
Duroc was zeer hoffelijk ontvangen; de koning een wankelmoedig, doch vredelievend man, die zoo goed als geheel onder den invloed stond van zijn jeugdige, bekoorlijke gemalin, was niet ongenegen bevonden de rol van bemiddelaar te vervullen. Te Berlijn was dus oogenschijnlijk succes verkregen. Bij het Engelsche en het Oostenrijksche kabinet was dit niet het geval geweest. Dit laatste had Italië weder in zijn macht, wenschte het te behouden en wilde dus geen vrede; Engeland verkoos Malta en Egypte onder geen enkel beding aan Frankrijk te laten.
De nieuwe Incometax (een belasting op het inkomen) had de schatkist gevuld met bijna vijfhonderd millioen gulden; de vloot verkeerde in goeden staat. Van een vrede wilde de eerste minister William Pitt, Frankrijks doodsvijand, dus niet alleen niets hooren, doch Engelsch onbeschaamd was zelfs zijn antwoord op Bonaparte’s voorstellen. “De eenige wijziging in Frankrijk, welke Europa zou kunnen geruststellen, was de terugroeping der Bourbons,” schreef hij.
Opnieuw zou de oorlog dus ontbranden. Een nieuwe coalitie ontstond. Door Pruisens invloed bleven Zweden en Denemarken onzijdig. Rusland ging nog verder. Nadat Bonaparte hem negen duizend krijgsgevangenen, voor rekening der Republiek geheel in nieuwe uniformen gestoken, zonder losgeld had teruggezonden, riep keizer Paul I zijn troepen terug uit Duitschland en werd een warm vereerder van zijn voormaligen vijand. Toch was de macht der coalitie nog ontzagwekkend.
Engeland, Oostenrijk, Beieren, de meeste Duitsche vorsten en Turkije bleven over. Aan den Boven-Rijn, met den linkervleugel bij Schaffhausen stonden onder van Kray 120.000 Oostenrijkers. Met 80.000 man was de veldmaarschalk von Melas dwars door Boven-Italië en Piëmont op weg naar de Var, Engeland blokkeerde Malta, trok op Minorca een krijgsmacht samen om Toulon te hernemen, maakte de Middellandsche Zee met zijn schepen onveilig en hield de golf van Genua bezet.
Tegenover Duitschland had Moreau in den Elzas en in Zwitserland circa 120.000 man. In Italië stond de van zijn commando in Zwitserland ontheven generaal Massena met 30.000 krijgers in de lijn Genua—Savona—Col di Tenda, een slecht gevoede en gekleede troep, het jammerlijke overschot van het eenmaal zoo trotsche leger van Italië. De garnizoenstroepen in Toscane, de Romagna en elders niet medegerekend, was dit alles wat Frankrijk in ’t begin van 1800 in eerste linie kon brengen. Wel stonden er in Holland, de Vendée en de vestingen nog enkele afdeelingen doch alleen een geniaal man op ’t gebied van organisatie en legerbeheer zou bij machte zijn uit die ver uiteenliggende elementen een derde bruikbare krijgsmacht te vormen.
Die man was Bonaparte. Toornig over Engelands antwoord op zijn vredesvoorstel, vol vertrouwen op zijn nieuwe staatshoofd, leverde Frankrijk hem binnen enkele weken 100.000 jonge soldaten (conscrits) 40.000 paarden en een talrijke artillerie. Bij honderden keerden de oudgedienden, officieren en manschappen, in de gelederen terug. Weldra zou de Republiek ruim 200.000 goed geoefende krijgers aan haar oostelijke grenzen bijeen hebben.
Reeds den 25en Januari had Berthier, de minister van Oorlog, bevel ontvangen, in de lijn Lyon-Dijon-Châlons s. Marne in alle stilte een derde, een reserve-leger van 60.000 man samen te brengen en het te vereenigen met het leger van Moreau. Gedekt door den Rijn wilde Bonaparte zijn krijgsmacht snel in den omtrek van Schaffhausen bijeentrekken, de rivier hier onverhoeds overgaan, zoodoende reeds dadelijk bij het openen van den veldtocht in von Kray’s rug en linkerflank verschijnen, dien generaal afsnijden van zijn operatielijnen en depôts, hem tegen den Rijn dringen en vernietigen.
Om Europa zand in de oogen te strooien en het doel te verbergen deed Bonaparte in ’t begin van Maart officieel bevel geven tot de samenstelling eener reserve-armee bij Dijon. Werkelijk togen eenige oude officieren, veteranen en recruten derwaarts; ook begon men hier oefeningen te houden, maar alles op zoo onbeduidende schaal en met zoo weinig personeel, dat de Engelsche pers en haar caricatuurteekenaars, die eens waren gaan kijken, zich over Boney (Bonaparte’s scheldnaam) en zijn reserve-armee begonnen vroolijk te maken. “Wou hij met zoo’n zoodje trekbeenen en melkmuilen te velde gaan. ’t Was te belachelijk.” Over de nieuwe Fransche macht maakte Europa zich weldra dan ook volstrekt niet meer bezorgd.
Hiermede had Bonaparte zijn doel bereikt; de tegenpartij was misleid. Intusschen togen uit alle garnizoenen van Frankrijk onafgebroken groote en kleine afdeelingen oude beproefde soldaten onopgemerkt met kleine dagmarschen steeds verder naar ’t zuidoosten, naar Zwitserland, want daar in de bergen, niet bij Dijon doch bij Zürich zou zich de macht verzamelen, bestemd om von Melas te verpletteren. Reeds den 18en Maart zette Bonaparte voor haar een marschweg uit over den Splügen naar Bergamo dus naar Melas’ rug, in ’t begin van April gaf hij Massena den raad uitsluitend defensief op te treden, tot de uit Zwitserland over den St. Gotthard of den Simplon naderende armee in Italië was verschenen; dan moest hij zich over Turijn met deze in verbinding stellen. Melas’ offensief optreden stuurde dit plan echter in de war; hij dreef Massena terug en in weerwil van diens even talentvol als stoutmoedig gedrag was deze half April verplicht zich in Genua op te sluiten. Von Melas begon het beleg. Suchet, Massena’s onderbevelhebber, was op Nizza en de Var teruggeworpen.
Den 24en April wist Bonaparte van dezen toestand weinig meer dan “dat het leger met de Oostenrijkers handgemeen was,” zooals hij schreef aan Carnot en “dat het reserveleger dus geen uur meer te verliezen had, wilde het Massena hulp bieden.” Berthier ontving dus bevel zijn macht van Zürich te verplaatsen naar Genève en van hier over den Simplon of over den grooten St. Bernard Italië binnen te vallen, dan zou von Melas tegen hem moeten front maken. Zoolang Moreau von Kray niet krachtig had aangegrepen en teruggeworpen, viel aan een tocht over de Alpen echter niet te denken; hij ontving dus nogmaals en nu uitdrukkelijk bevel op te rukken. “Door zijn aarzelen bracht hij de veiligheid der Republiek in gevaar. Massena moest geholpen.”
Moreau zag dit eveneens in. Ondanks zijn belangrijk tekort aan paarden en materieel opende hij den 25en April den veldtocht, trok, zijn eigen plan volgende, bij Straatsburg, Oud-Breisach en Bazel den Rijn over, misleidde zoodoende von Kray omtrent zijn werkelijk aanvalspunt, deed generaal Lecourbe, die met zijn macht reeds bij Schaffhausen stond, hier nu eveneens de rivier passeeren, wierp hem op Stokach met zijn rijke magazijnen, greep von Kray zelf aan bij Engen, dwong hem ten slotte na een reeks van groote en kleine gevechten den 10en Mei tot den aftocht naar Ulm, doch kon dit groote succes niet vervolgen, omdat Bonaparte hem uitdrukkelijk bevolen had deze vesting niet te passeeren. Een decreet der Consuls van 5 Mei, hem door Carnot zelf gebracht, beval hem tevens nogmaals circa een vierde zijner sterkte af te geven aan Bonaparte. Onder de bevelen van Moncey ging die afdeeling over den St. Gotthard op weg naar Italië.
“Slaat duchtig los op den eersten den besten, die uit het gareel springt,” schreef Bonaparte, die begin Mei Parijs had verlaten, drie dagen later uit Genève aan de consuls en verried door die woorden alleen reeds hoe goed hij van den toestand te Parijs op de hoogte was en hoe weinig betrouwbaar hij dien toen nog achtte. De voorafgaande weken had hij aan de samenstelling en uitrusting van het reserve-leger schier dag en nacht gewerkt. Thans vond hij de toebereidselen tot den overtocht over de Alpen bijna voltooid; een reusachtige voorraad levensmiddelen en krijgsbehoeften was van uit Genève langs den marschweg bij Villeneuve, St. Moritz, Martigny en St. Peter bijeengebracht; de artilleriemunitie zou door muilezels worden vervoerd. De affuiten waren uit elkander genomen; de vuurmonden geladen op sleden, die later in de passen op last van Marmont, den commandant der artillerie, vervangen werden door in de lengte doorgezaagde en uitgeholde boomstammen. Door generaal Marescot was de bergweg verkend en eenigermate begaanbaar bevonden en in den nacht van den 14en op den 15en Mei begon de tocht; de infanterie zwaar bepakt met mond- en krijgsvoorraad, de cavalerie en de artillerie met de paarden aan de hand, Lannes met de voorhoede aan de spits. Om het gevaar van lawines onderweg te verminderen, werd hoofdzakelijk ’s nachts gemarcheerd. Toen het klooster nabij den top van den pas bereikt was, vonden de soldaten hier brood en wijn, door Bonaparte’s zorg daarheen gebracht en een ware lafenis na een marsch van ruim acht uur bergopwaarts. In twee uur tijds werd daarna het dorp St. Remy bereikt en de gebaande weg weder betreden.
In de vijf volgende dagen en nachten waren de bergpassen van den St. Bernhard onafgebroken vol soldaten en materieel. Den 20en volgde Bonaparte de beweging aan den staart der achterhoede. Tot zoolang was hij te Martigny blijven toezien, dat geen stuk van ’t materieel werd achtergelaten. Van Suchet aan de Var had hij bericht, dat von Melas zijn stellingen bij Nizza nog niet had ontruimd. In zes dagen kon de maarschalk Ivrea, dat Lannes reeds naderde, onmogelijk hebben bereikt. Gevaar voor een aanval van die zijde dreigde voorloopig dus nog niet.—In een grijzen overjas gehuld, gezeten op een muildier en alleen vergezeld door de Bourrienne en Duroc, begon hij den overtocht. Aan het klooster hield hij even halt, schonk den prior een vorstelijke gift voor zijn hulp, beloonde zijn gids Dorsaz, een jongen man uit Wallis, die zijn muildier geleid en hem tegen een leelijken val behoed had, eveneens zoo rijkelijk, dat de man voor zijn verder leven was geborgen. Dienzelfden avond nog bereikte hij Etroubles, daarna Aosta in het dal van dien naam en stond aan den zuidelijken voet der Alpen. Ongevallen waren bijna niet voorgekomen; het was mooi weder gebleven; geen enkele maal had een sneeuwval den marsch der troepen bemoeilijkt. In vijf dagen tijds was de tocht volbracht.
“Een wonderdaad, grooter dan die van Hannibal,” heeft Thiers deze genoemd. Met dien lof stemmen wij niet geheel in. Geniaal was het plan, dat den grondslag er van vormde, doch de te overwinnen materieele bezwaren waren niet zóó groot, als men het heeft doen voorkomen. In de Middeleeuwen en in de XVIe en XVIIe eeuw tijdens de oorlogen in Italië zijn Fransche legermassa’s de Alpen bij herhaling onder veel ongunstiger omstandigheden overgetrokken. Iets nieuws was het dus niet; ieder ander energiek generaal, die over voldoende middelen beschikte, had hetzelfde kunnen doen. En nu de tocht van Hannibal, den held van Carthago? Vijfhonderd uren gaans van zijn land, zonder operatiebasis, zonder de minste kans op hulp, zonder veel meer dan enkele vage gegevens omtrent den geografischen toestand van het bergterrein, dwars door een woeste onbekende streek, ondernam hij het vermetele waagstuk aan de spits eener cavalerie, die wel aan het heete woestijnzand, niet aan de sneeuw in een hooggebergte gewoon was, met een reeks olifanten, die met hun logge lichaam in de breedte heel wat meer ruimte eischten dan een paard of een muilezel en langs een pad, dat voet voor voet met de hand moest worden verbreed om het te kunnen passeeren. Met dezen tocht kan die van Mei 1800 dus niet worden vergeleken, doch al ’t geen Bonaparte in die dagen verrichtte moest tegenover de tijdgenooten ongemeen wonderbaarlijk heeten. De tijden en de toestanden leidden er toe.
Om deze reden zeker achtte het Tribunaat het dus ook geen bezwaar, dat Bonaparte zich aan het hoofd stelde van het reserveleger hoewel de “grondbeginselen der Constitutie van het jaar VIII den Eersten Consul niet veroorloofden het bevel hierover op zich te nemen.” In naam bleef Berthier commandant. Wanneer de Eerste Consul slechts als overwinnaar en vredebode terugkeerde waren de tribunen tevreden.
Reeds te Martigny had hij bericht ontvangen, dat de voorhoede bij het dorpje Bard was gestooten op een sterkte, die door de Oostenrijkers was bezet, de hoofdstraat van genoemd dorpje met haar vuur in de lengte bestreek en zich niet verkoos over te geven. Langs een smal geitenpad waren de infanterie en de cavalerie der voorhoede om de sterkte heen getrokken, maar de artillerie had niet kunnen volgen.
Te Etroubles gekomen, was Bonaparte wel zeer ontstemd, dat deze hem aanvankelijk als zoo onbeduidend geschetste sterkte nog niet was genomen, doch in zijn voornemens bracht die verhindering geen verandering. Marmont deed de dorpstraat met mest bedekken, de raderen der voertuigen en hun rammelende deelen met stroo omwinden en in enkele nachten sleepten de soldaten zelve al de vuurmonden met toebehooren zonder verliezen van beteekenis voorbij het kasteel, terwijl de troepen het geitenpad volgden.
Den 24en nam Lannes Ivrea met storm. Zijn artillerie deed hierbij flink haar plicht. Ook het kasteel van Bard viel weldra (1 Juni.) “Wie had kunnen vermoeden, dat de Franschen den St. Bernhard met vuurmonden passeeren en deze tegen een kasteel richten zouden, dat eigenlijk alleen tegen geweervuur bestand was,” schreven de Oostenrijkers.
Door het kabinet van Weenen en zijn eigen agenten en spionnen omtrent dat schijnleger bij Dijon gerustgesteld, had Melas zijn troepen nog altijd voor Genua, aan de Var in verschillende garnizoenen verspreid staan met Turijn als centraalpunt. Dat Bonaparte de Alpen was gepasseerd en snel op hem aanrukte, wilde hij in ’t eerst niet gelooven. Toen meende hij uit diens bewegingen te moeten afleiden, dat hij naar Turijn wilde, generaal Turreau bij den Mont Cenis te hulp. Eerst toen hij bericht ontving, dat Bonaparte hem had misleid en den 2en Juni, onder luide geestdriftsbetuigingen der bevolking, Milaan was binnengerukt, dat zijn eigen afdeelingen overal waren teruggeslagen, dat Pavia met zijn schat van levensmiddelen, wapens en pontonmaterieel den 3en door Lannes was bezet, begon hij het gevaarvolle van zijn positie in te zien en besloot hij de linie van de Adda los te laten, zijn troepen in allerijl bij Alessandria te verzamelen en door de vlakte van Marengo en over Piacenza naar de Mincio en Mantua af te marcheeren, voordat Bonaparte hem dit beletten kon. Voor dit alles was tijd noodig; hoewel het uitgehongerde Genua zich den 4en Juni aan hem had moeten overgeven na een verdediging, die in de krijgsgeschiedenis altijd een schitterende bladzijde zal blijven vullen; hoewel de insluitingsarmee onder generaal Ott hierdoor terstond in beweging kon worden gezet, kwam deze toch reeds te laat. Den 9en vond Ott bij Montebello den even onverschrokken als talentvollen Lannes tegenover zich en ontving van hem een zoo geducht pak, dat hij met verlies van bijna de helft zijner sterkte ijlings op Alessandria moest teruggaan. Toen von Melas, na een stormachtige zitting van den krijgsraad, in den vroegen morgen van den 14en Juni zelf ten aanval oprukte, het riviertje de Bormida passeerde en zich met volle kracht wierp op de divisiën van Victor en Lannes, die zich met de cavalerie van Murat, front naar het westen, in de uitgestrekte vlakte van Marengo hadden ontwikkeld, waren de wapenen hem aanvankelijk gunstig; reeds meende hij zich van de overwinning verzekerd, toen om vier uur in den namiddag de kans eensklaps keerde.
De generaal Desaix, enkele dagen te voren uit Egypte teruggekeerd, door Bonaparte terstond met een divisie-commando belast, doch tengevolge eener bijzondere opdracht in den voormiddag nog niet aanwezig, was kort te voren, ver voor zijn troepen uit, op het slagveld gekomen. De Franschen, overal teruggeworpen, waren in vollen aftocht; in de verte vormde generaal von Zach, von Melas’ chef van den staf, zijn zegevierende krijgers reeds voor den afmarsch tot een dichte massa. De ruim zeventigjarige opperbevelhebber was naar Alessandria teruggereden om uit te rusten en aan de kabinetten van Europa bulletins te zenden van zijn overwinning.
Op Bonaparte’s vraag hoe Desaix den toestand beoordeelde, haalde deze zijn horloge uit. “Deze slag is verloren, maar ’t is eerst drie uur; dus is er nog tijd genoeg om een tweeden te winnen.”
Dit woord is Bonaparte als uit het hart gegrepen. Terstond geeft hij bevelen. Adjudanten rennen over het slagveld. De teruggaande afdeelingen staken haar beweging, beginnen weder front te maken, in haar verband terug te komen en vormen weldra een dunne lijn tusschen Castel-Ceriolo, den rechtervleugel en San Giuliano, het midden. Hier, door een terreinplooi aan het oog onttrokken, ontwikkelt Desaix intusschen zijn 6000 man, die reeds tien uur hebben gemarcheerd, tot het gevecht; Kellermans cavaleristen komen schuin achter hen; twaalf vuurmonden onder Marmont, al wat er aan artillerie is overgebleven, rijden op vóór het front.
Bonaparte rijdt vlug door de gelederen en electriseert zijn soldaten door zijn taal.—Als het hoofd van von Zachs breede, logge colonne Desaix dicht genoeg is genaderd, dreunt en dondert het eensklaps uit al die kanonnen tegelijk; een dichte hagelbui van schroot giert en huilt over het veld en slaat in de dichte drommen.
Nog zijn de schrik en de verwarring, door dit zware onverwachte vuur teweeggebracht, niet half geweken, als Desaix aan de spits van de 9e halve-brigade verschijnt op den rug van de terreinplooi, die hem en zijn mannen tot nu toe voor den vijand verborgen hield. Een salvo op den kortsten afstand kraakt uit honderden geweren; dan gaat het er op in met ’t blanke staal in de vuist, en wat niet valt of vlucht voor dezen aanval der “Incomparable,” zooals de 9e van dien dag af heeten zal, bezwijkt onder de geduchte sabelhouwen der dragonders van Kellerman, die chargeeren als razenden. In een oogwenk zijn 2000 gevangenen gemaakt. Zelfs von Zach moet zijn degen overgeven.
Thans roffelen de trommen langs het Fransche front. Voorwaarts gaat het, op die dichte massa’s Oostenrijkers in, die, op elkander gedrongen, door eigen dragonders half onder den voet gereden, het hoofd verliezen en niet meer luisteren naar hun officieren. Kaim en Haddick trachten nog, hen in Marengo te doen stand houden. Hun cavalerie tracht te chargeeren, maar moet wijken voor de garde grenadiers te paard onder Bessières en Eugène de Beauharnais. Bij de ruiterij van Ott ontstaat een paniek.—“Naar de bruggen! Naar de bruggen!” gilt alles. De storm naar deze zwakke overgangen begint. Infanteristen, cavaleristen, artilleristen, één kluwen vlucht en stormt er heen, de Franschen hen na, dronken van vreugde en geestdrift, de wapperende vanen hoog in den wind!
Bij de bruggen neemt de verwarring schrikbarend toe. Velen trachten de Bormida te doorwaden; vuurmonden geraken vast in het slijk van den bodem. De paniek wordt algemeen. Menschen, paarden, kanonnen, bagage, alles valt in handen der Franschen. Half wanhopig moet von Melas, die naar het slagveld is teruggekeerd, dit tooneel aanschouwen.
Die dag kostte hem meer dan 10.000 man aan dooden, gekwetsten en gevangenen. De staven zijner korpsen waren zwaar gehavend, een massa officieren gevallen. Bij het appèl ontbraken ook bij het Fransche leger ruim 4300 officieren en soldaten; ook hier waren de staven zeer gedund. Het zwaarste verlies was echter de dood van Desaix; een der eerste vijandelijke kogels had hem getroffen. Zijn adjudant Savary had zijn lijk gevonden en het naar het hoofdkwartier overgebracht.
De Bourrienne kwam zijn chef gelukwenschen: “Wat een prachtige dag!”—“Prachtig zou die geweest zijn, als ik Desaix hedenavond op het slagveld had kunnen omhelzen,” zeide Bonaparte.
Reeds den volgenden morgen kwam de prins van Lichtenstein onderhandelen; weldra werden de voorwaarden eener conventie te Alessandria geteekend.
Twee rivieren, de Chiesa en de Mincio, gaven hierbij de grenzen aan voor een strook onzijdig terrein tusschen de legers. Genua, al de sterkten in Piëmont, Lombardije en de Legatiën gingen in Fransche handen over. Aan von Melas met zijn troepen werd vrije aftocht verleend naar Mantua. Italië was heroverd.
Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800.
Den 17en was Bonaparte, toegejuicht als een vorst, te Milaan terug. De Cisalpijnsche republiek werd hersteld, de Ligurische gereorganiseerd en weder onafhankelijk verklaard. Piëmont, waarvan de koning naar het eiland Sardinië was geweken, ontving een voorloopig bewind. Generaal Jourdan, de vurige republikein, werd als commissaris der Republiek belast met de leiding der zaken en aan Massena, den heldenfiguur van Genua, werd het oppercommando over het leger in Italië opgedragen.
Nog onder den indruk, dien Marengo’s met bloed bedekte vlakte op hem had gemaakt, vurig naar vrede verlangende en begrijpende, dat, al had hij op zijn eerste schrijven niet rechtstreeks antwoord ontvangen, zijn standpunt als overwinnaar hem thans nòg meer recht van spreken gaf, had de Eerste Consul terstond opnieuw aan den keizer van Oostenrijk geschreven:
“Op het slagveld, te midden eener massa gekwetsten, omringd door duizenden lijken, smeek ik Uwe Majesteit gehoor te geven aan de stem der menschelijkheid en niet te dulden, dat twee dappere natiën elkander om hals brengen voor belangen, welke hun vreemd zijn. Omdat ik dichter bij het oorlogstooneel sta dan U, rust op mij de plicht bij Uwe Majesteit hierop aan te dringen. Uw hart kan niet zoo diep zijn getroffen als het mijne, enz.”
’t Was een lange brief; tegelijk met het verdrag van Alessandria werd hij verzonden. Bij later nadenken gevoelde Bonaparte spijt, dat hij zich daarin te veel mensch, te weinig staatsman getoond had.
Te Milaan sprak hij kardinaal Martiniana, een vriend van den nieuwen paus Pius VII2 en verklaarde hem, dat hij met den Heiligen Stoel in vrede leven en dezen zelfs tegen zijn vijanden in bescherming nemen wilde, als de kerkvorst zich voor redeneering vatbaar betoonde en den tegenwoordigen toestand van Frankrijk en dien van de wereld begreep. Den volgenden dag woonde hij een plechtig Te Deum bij in Milaans oude hoofdkerk.—“Wat de godloochenaars te Parijs hiervan zeggen, laat mij koud; ik ga die plechtigheid in volle staatsie bijwonen,” schreef hij aan zijn mede-consuls. Zijn officieren en soldaten, volbloed republikeinen, die van geen kerk of geestelijkheid meer wilden hooren, gaven hun ongenoegen over deze daad wel te kennen, doch hieraan stoorde hij zich niet.
Te Milaan regelde hij ook het feest van den 14en Juli, den verjaardag der omwenteling te Parijs.—“Geen naäpen van vroegere feesten wil ik, ook geen wagenrennen. Deze waren op hun plaats bij de oude Grieken, want zij streden op wagens; voor ons, Franschen, hebben ze geen beteekenis; ook geen zegebogen verlang ik. Mijn zegeboog zie ik in de tevreden gezichten van de bevolking,” schreef hij.
In het laatst van Juni was hij onderweg naar Parijs en passeerde hij den Mont Cenis met het voornemen op dezen bergweg, een der kortste verbindingen tusschen de hoofdstad en Italië, een klooster te doen bouwen in den trant van dat op den St. Bernhard. Dat hij reeds in die dagen verteerd werd door dorst naar grootheid en roem, verried hij aan zijn reisgenooten Duroc en Bessières. “Binnen twee jaar heb ik Caïro, Milaan en Parijs veroverd. Kwam ik morgen te vallen, dan zou mijn naam in een boek over de wereldgeschiedenis nog geen halve pagina vullen,” zei hij onder anderen.
Juichte gansch Frankrijk over een zegepraal, die vrede kon brengen, te Parijs bij Talleyrand en Fouché, bij Carnot en Lafayette, bij Lucien, Jozef en Bernadotte, bij de mannen dus, die over de huid reeds aan ’t onderhandelen waren geweest, voor dat de beer was geschoten, was de vreugde matig. Reeds had het gerucht geloopen, dat Bonaparte den slag en het leven verloren had en er was geïntrigeerd van belang. Bonaparte wist dit echter. Door de tijdige komst van Desaix had de fortuin hem bij Marengo zoo wonderbaarlijk gediend, dat het geloof aan een groote rol op het wereldtooneel, die de Voorzienigheid voor hem had weggelegd, had post gevat in zijn ziel, een ziel die door zijn afstamming en door een langdurig verblijf in Egypte toch reeds eenigermate tot fatalisme overhelde. Zijn uur kon dus nog niet zijn gekomen, dacht hij. Hij wilde dus vergiffenis schenken en vergeten, alleen deed hij Carnot het loodje leggen, ontnam hem de portefeuille van Oorlog en schonk ze aan Clarke.
Door krijgskundigen is hem verweten, dat hij bij den opmarsch tegen von Melas’ verbindingen met de Mincio zijn troepen te veel had versnipperd, dat hij hierdoor bij Marengo verreweg in de minderheid was en dat alleen de tijdige komst van Desaix hem ten slotte de zege had doen behalen. Al is het waar, dat hij aan Desaix op dien dag de overwinning heeft te danken, toch is het verwijt slechts ten deele gegrond, want aangenomen zelfs, dat hij bij Marengo was verslagen, kon de terugtocht over de Po bij Piacenza hem niet worden belet. Binnen vier en twintig uur had hij daar een voldoende macht versche troepen kunnen bijeenbrengen om von Melas met alle kans op succes opnieuw aan te grijpen.
Hulde aan een infanterie, voor ’t meerendeel conscrits, die door haar taaiheid, haar marschvaardigheid en haar volkomen vertrouwen op haar chef dezen in staat stelde, zijn op de kaart ontworpen plannen om te zetten in energieke, snel uitgevoerde daden; alleen deze brengen de beslissing.