WeRead Powered by ReaderPub
Napoleon cover

Napoleon

Chapter 19: Hoofdstuk XIV. De Keizerskroon.
Open in WeRead

About This Book

The narrative presents a chronological sketch of a prominent revolutionary-era leader, beginning with family origins and youthful years and following a rapid military rise and consolidation of political power. It outlines major campaigns and diplomatic maneuvers across the continent, assessing strategic choices and battlefield episodes. It surveys governing reforms, ceremonial elevation, and personal relationships that shaped public and private life. The account traces subsequent military reversals, abdication, exile, a brief return to power, final defeat and permanent banishment, and closes with reflections on the subject's final years.

Hoofdstuk XIV.

De Keizerskroon.

Het is zeker, dat Bonaparte nooit zoo’n hoog standpunt heeft ingenomen in de oogen van de natie dan na den vrede van Amiens. Zoowel de boer op het land als de bezitter van goederen, zoowel de niet-beroepssoldaat als de middenklasse in stad en provincie, ja allen, alleen enkele onverzadelijken en ontevredenen uitgezonderd, wenschten den vrede. Bonaparte had hem gebracht en hij verscheen daardoor in de oogen van de natie als de overwinnaar en de vredestichter! Geschikter oogenblik was er dus niet om zijn gezag voor goed te vestigen en Bonaparte was er de man niet naar, dit juiste moment te laten voorbijgaan. Het Consulaat voor het leven werd gevestigd en aan de inrichting van het staatsbestuur, maar ook aan tal van andere maatregelen, als de instelling van het Legioen van Eer en den terugkeer van vele emigranten, was het duidelijk zichtbaar, dat dit alles slechts een overgang was tot nog hoogere macht en titel. De instelling van een hof werd aangekondigd en al wat er geschiedde, duidde op de uitwerking van het monarchale idee.

Dat echter het aanbieden van de keizerlijke waardigheid aan den Eersten Consul een uiting is geweest van de dankbaarheid van het Fransche volk tegenover den man, die na den val van het Schrikbewind en het Directoire welvaart, voorspoed en rust had gebracht, kan niet worden gezegd. Alles werkte er toe mede en reeds maanden waren de gemoederen in Frankrijk op een verandering van den staatsvorm voorbereid.

De ontdekking van de samenzwering van Cadoudal veroorzaakte een bijzonder gunstige stemming van de natie ten opzichte van Bonaparte en hiervan werd door hem gebruik gemaakt om thans de vervulling van een zijner liefste wenschen te verkrijgen. Fouché, de man, dien hij verachtte, doch dien hij noodig had, al wilde hij dit niet erkennen, dreef hem uit eigenbelang letterlijk de trappen van den troon op, zijn omgeving zag er een middel in tot vermeerdering van haar inkomsten en aan de meeste familieleden was het niet onwelkom in de grootheid en de eer van Bonaparte te deelen.

Het voorstel van het Tribunaat om hem als hoofd van de Republiek de keizerskroon te schenken, deze erfelijk te verklaren en het goedkeurend adres in denzelfden zin van het Wetgevend Lichaam, werden gevolgd door de opdracht van den Senaat. (Mei 1804.)

Dat de natie, die eenige jaren te voren het hoofd van haar koning had geëischt, thans eenstemmig dacht met den Senaat, bewees de uitslag van het plebisciet van 1 December 1804. De vraag op Napoleons uitdrukkelijk verlangen daarbij aan haar voorgelegd, was: “of ze de erfelijkheid der keizerlijke waardigheid verlangde in de rechte, natuurlijke, wettige en adoptieve lijn van Napoleon Bonaparte en van Louis Bonaparte, zooals die was geregeld bij besluit van den Senaat van 29 Floréal van het jaar XI.”

Van de ruim drie en een half millioen thans uitgebrachte stemmen waren er nog geen 2600 “tegen.”

Nauwelijks had Napoleon zijn nieuwe waardigheid aanvaard (18 Mei) of hij begon met zijn gewone voortvarendheid te werken aan de inrichting van het bestuur en aan het vaststellen der met deze verbonden waardigheden.

Het eerst dacht hij aan zijn vroegere ambtgenooten. Cambacérès werd aartskanselier, Lebrun aartsthesaurier. Zijn broeder Jozef benoemde hij tot groot-keurvorst, Louis tot connétable. Achttien zijner oude krijgsmakkers, zooals Augereau, Lannes, Massena, Davoust, Murat, Berthier, Bernadotte, Soult, Ney en Bessières werden maarschalk en ontvingen voor ’t meerendeel tevens den titel van prins, hertog of graaf naar de plaatsen, waar zij hadden gezegevierd.

Tot groot-officieren der kroon werden voorts benoemd: tot groot-aalmoezenier zijn oom, de kardinaal Fesch, tot opperkamerheer Talleyrand, tot hofmaarschalk Duroc, tot opperjagermeester Berthier, enz. De titels van Hoogheid, Excellentie, Majesteit en Keizerlijke Hoogheid kwamen weder in gebruik. Het geheele arsenaal van betrekkingen, vormen en ceremoniën van den vroegeren tijd werd tegelijkertijd met den geborduurden rok, den staatsiedegen en den gegalonneerden steek weder te voorschijn gehaald. Het is te begrijpen, dat al die nieuwe baantjes tevens goed werden betaald, zelfs kreeg Talleyrand later jaarlijks 495.000 francs, ja de dotaties gedurende het keizerrijk gegeven aan chefs van korpsen en ministers overtroffen voor enkelen zelfs het bedrag van 1.000.000 francs!

Napoleon I. Keizer der Franschen.

De eenige, die protest indiende tegen den nieuwen toestand, was de broeder van den onthoofden koning, Lodewijk XVI, maar Napoleon nam van dit protest geen notitie en duchtte het zoo weinig, dat hij het in zijn geheel in den Moniteur liet opnemen.

Den 10en Juni 1804 wees het crimineele gerechtshof van de Seine vonnis in de zaak van George Cadoudal. Het veroordeelde hem en negentien van zijn medeplichtigen ter dood; de overigen tot gevangenisstraf, Moreau tot twee jaar detentie. Pichegru had zijn vonnis niet afgewacht maar, heette het, zelfmoord gepleegd en zich in het begin van April in zijn cel opgehangen, hetgeen niet best te verklaren is, want het was hem bekend, dat Bonaparte plannen met hem had in Guyana en hij kon dus begrijpen, dat er voor hem geen doodvonnis was te wachten. Napoleon, zooals hij van nu af aan zou heeten, begon zijn regeering als zoodanig met een daad van grootmoedigheid en genade. Acht van de twintig ter dood veroordeelden, waaronder Lozier, generaal Lajolais, de markies de Rivière en Armand de Polignac kregen gratie. De hechtenis van Moreau werd veranderd in verbanning naar Noord-Amerika. Zijn goederen werden verbeurd verklaard.

Met elf man van zijn bende liet Cadoudal het leven op het schavot. Zijn familie werd na den val van Napoleon door Lodewijk XVIII in den adelstand verheven!!


Wel mag de laatste helft van het jaar 1804 een tijdperk heeten van groote plechtigheden en schitterende feesten. Den 14en Juli, den gedenkdag van Frankrijks vrijmaking, werd de instelling van het Legioen van Eer in de kerk van het hotel der Invaliden plechtig ingewijd. Vier dagen later vertrok de Keizer, vergezeld van een reusachtigen stoet grootwaardigheidsbekleeders en groot-officieren der kroon, waaronder Jozef en Louis, naar het kamp van Boulogne, om de versierselen der Orde daar zelf aan het leger uit te reiken. Meer dan een maand bleef hij aan den oever der zee, voortdurend te midden van zijn soldaten, vervuld met trots over de snelheid, waarmede de toebereidselen tot een overtocht naar Engeland vorderden, terwijl hij door zijn tegenwoordigheid allen tot nog meer inspannning opwekte, en niet schroomde zich als de geringste matroos bloot te stellen aan al de gevaren, die de vaak woelige zee en de nabijheid der Engelsche oorlogsschepen opleverden.

Eenmaal nam hij zelfs deel aan een aanval, door een flottille van kanonneerbooten gewaagd op eenige vijandelijke fregatten, die de Fransche kust te dicht waren genaderd en thans de ondervinding konden opdoen, dat die kleine, vlugge schepen hun reusachtigen romp heel wat schade konden toebrengen, doch zelf door hun laag boord zoo goed als ongedeerd bleven.

Tevens werden toebereidselen gemaakt voor de plechtigheid der ordeverleening zelve, die den 15en Augustus, den verjaardag des Keizers, zou plaats grijpen.—Met den rug naar de zee, op een heuvel, die het omliggende terrein geheel beheerschte, werd een ijzeren zetel geplaatst, die afkomstig heette van koning Dagobert. Achter dezen zetel verhief zich een reusachtige tropee van wapenen en op den vijand veroverde vaandels. Een geweldige kroon van gouden lauwerbladeren, waarboven paardenstaarten en veldteekens der mamelukken golfden, bedekte het geheel. Op het schild en in een helm van Bayard en Duguesclin, de helden uit Frankrijks roemrijk verleden, gedragen door adjudanten-generaal, lagen de uit te reiken eereteekenen.

Voor dezen troon schaarden zich in een halven cirkel al de regimenten, te zamen meer dan tachtigduizend man, die onder maarschalk Soult in het kamp van Boulogne en in dat van Montreuil waren bijeengebracht; de nieuwbenoemde ridders, in pelotons geformeerd, stonden het dichtste bij den Keizer.

Om den indruk te verhoogen was als verzamelpunt gekozen de plek, waar eeuwen te voren Cesars legioenen het strand zouden hebben bereikt, en waar de bouwvallen van een toren, naar hem genoemd, nog zichtbaar waren. Die omgeving, die praal, die pracht, dat grootsche militaire vertoon werkten electriseerend op het licht ontvlambare gemoed der soldaten. De verschijning eener vloot van zeven en veertig oorlogsschepen, die, van Havre komende, bij hooge zee, onder het dreunen van ’t kanon naar de haven van Boulogne zeilde, werkte mede om de plechtigheid nog aangrijpender te maken. Toen de Keizer, na het afnemen van den eed aan de gedecoreerden, zich tot de troepen wendde en met luide, boven alles uit klinkende stem vroeg: “En gij, soldaten, zweert gij de eer van Frankrijks naam, uw vaderland, uw Keizer zelfs met gevaar van uw leven te zullen verdedigen?” klonk uit tachtigduizend kelen een allesoverweldigend: “Dit zweren wij!” boven het loeien van de verbolgen zee uit, terstond gevolgd door een even indrukwekkend: “Leve de Keizer!”

Dit oogenblik moet ook voor den imperator te midden van zijn trouwe krijgers, waarvan velen reeds jaren onder hem dienden, even onvergetelijk zijn geweest als voor allen, die er van getuige waren. Zijn gelaat glansde van voldoening. Zijn oog straalde van trots.

Nog enkele dagen bleef hij in het kamp, inspecteerde de batterijen langs de kust, opgeworpen om de transportvaartuigen te beveiligen tegen een coup de main der vijandelijke vloot, bracht toen een bezoek aan België en de nieuwe departementen langs den linker Rijnoever, vond te Maintz de keizerin, die zich baadde in het genot van schitterende feestelijkheden en openbare huldebetuigingen, bereidde hier de vorming voor van een Duitschen Statenbond en de ontbinding van het eeuwenoude Roomsche Keizerrijk en keerde in het midden van October naar de hoofdstad terug.

Ondanks het vele werk, dat dit alles hem gaf, had hij toch nog tijd gevonden aan Frankrijks wetenschappelijke instellingen te denken en de organisatie van de Polytechnische school, die der school voor burger-ingenieurs en die voor de Studie van het Recht ter hand te nemen en te voltooien.

Nog wachtte den pas benoemden keizer een zeer belangrijke gebeurtenis welke de bevestiging van het keizerrijk moest zijn: de kroning.

Ten einde het indrukwekkende van de plechtigheid te verhoogen en wel wetende dat dergelijke ceremoniën de verbeelding van de natie treffen, wilde Napoleon den paus doen tegenwoordig zijn bij die groote gebeurtenis.

De correspondentie met den paus was begonnen door eene briefwisseling van Joséphine met hem; de onderhandelingen, welke hierop volgden met den Heiligen Stoel, werden gevoerd door den reeds genoemden kardinaal Fesch. Deze “oom Fesch,” evenals meer andere leden zijner naaste familie, in het geheim geen groot vriend van zijn neef Bonaparte, was een ijdel en bekrompen, maar stoutmoedig man. Hij had een eigenaardig leven achter den rug. Tijdens de Republiek had hij den priesterrok uitgetrokken en was zelfs onder la Terreur commissaris van oorlog in Italië geworden. Zijn gedragingen in dien tijd deden niet erg aan den oud-priester denken, want groote rijkdommen wist hij zich toen te verwerven door aankoop van meesterstukken uit de oude Italiaansche school, door de Fransche generaals uit de musea gestolen en vaak voor een appel en een ei aan den sluwen Corsicaan, die een goed kunstkenner was, overgedaan. Na den 18en van Brumaire was hij, die door zijn afzondering en vrome houding vergiffenis van zonden had verworven, weder geestelijke geworden en op voorspraak van zijn neef door den paus tot kardinaal benoemd.—

Met zijn plaatsing in Rome, nog wel ter vervanging van den gematigden en zeer voorzichtigen Cacault was de paus wel niet bijzonder ingenomen, maar, hoewel op diplomatiek gebied een volslagen leek, kon Fesch in handen van Napoleon een zeer bruikbaar werktuig worden voor de taak, welke Napoleon in Rome voor hem bestemd had. De Chateaubriand, die in alles ver boven hem stond, werd hem daar als secretaris toegevoegd.

Na de onderhandelingen had Napoleon in September van uit Keulen schriftelijk den wensch te kennen gegeven van de overkomst. “Die daad zou den zegen des Heeren, die in zijn raadsbesluiten over het lot der volkeren en der huisgezinnen beschikt, op hem en op zijn volk doen nederdalen.”

Met eenige verbazing had men in Rome eerst dit verzoek ontvangen en al was Pius VII een der eersten, die Napoleon met zijn keizerskroon had gelukgewenscht, hij had er wel wat op tegen voor een dergelijk menschelijk motief Rome zoo lang te verlaten. Ook bij het Heilige College vond Napoleons uitnoodiging ernstige tegenkanting. Daar was men de hoofdartikelen van het Concordaat en die inmenging van het wereldlijk gezag in “zoogenaamd” geestelijke belangen nog volstrekt niet vergeten en was de achterdocht tegen den nieuwen monarch zeer levendig.

Zelfs de gezant Cacault, die zooals we zagen te Rome voor Fesch had moeten plaats maken, schudde over al die grootsche plannen het hoofd.—“Zie nu eens aan!” zei hij, “de Keizer acht zich zelf een Karel de Groote. Een zoon van hem zou zoo’n figuur kunnen worden, ja, doch hij zelf zal ten allen tijde een Pepijn de Korte blijven. Met Albion zoo dicht bij de poorten van Parijs is geen Karel de Groote denkbaar. Caprara (de kardinaal) heeft hem het hoofd op hol gebracht. Wat hebben ze mij mijn generaal en mijn Eersten Consul bedorven! Hij luistert niet meer naar mij. Hij heeft mij senator gemaakt—mij dus met stomheid geslagen.”

Toch zwichtte de paus ten slotte voor de bijna brutale betooggronden van Fesch en voor de wel niet eerbiedige, doch tevens bevelende brieven van den Keizer, die zich in een der laatste dezer o, zoo sluw en voorzichtig gestelde epistels “zijn vrome zoon” had genoemd. Noch de lange reis, noch het protest van Lodewijk XVIII of van de te Londen aanwezige, uit Frankrijk gevluchte bisschoppen, weerhield den paus om aan het verzoek te voldoen. Wat den paus er toe bewoog? Zeker niet eigen belang maar alleen het belang van de kerk en de vrees, bij weigering haar bloot te stellen aan onherstelbare slagen. Ook de angst voor bezetting van Rome door Fransche troepen had hem zeker tot toegeven genoopt. In een college van kardinalen werd onder zekere voorwaarden bij groote meerderheid van stemmen het plan goedgekeurd, maar we kunnen ons voorstellen, dat velen onbewimpeld hun afkeuring er over te kennen gaven.

Vooral de vermaarde pamfletschrijver de Maistre viel ’s pausen zwakheid heftig aan en stelde deze nog beneden de misdaden van een Alexander Borgia. Zelfs hoopte hij dat “die goedzak” het onderweg zou afleggen en zijn “afschuwelijke geloofsverzaking” met den dood zou bekoopen.

Doch aan het besluit viel niets meer te veranderen. Alle bijkomende bezwaren waren door Napoleon uit den weg geruimd.

De kosten van de reis zouden door Frankrijk worden gedragen; aan al de eischen van etiquette, voor den Heiligen Stoel altijd een zaak van het allerhoogste gewicht, zou worden voldaan. Ook was door Napoleon uitdrukkelijk bedongen, dat de kroning door hem zelf verricht zou worden.

Vol angst voor allerlei denkbeeldige gevaren, die hem in dat “goddelooze” Frankrijk wachtten, maar tevens innig overtuigd, dat hij dit offer moest brengen ter verhooging van de glorie der kerk, aanvaardde Pius VII, vergezeld van een aantal kardinalen, in de eerste dagen van November 1804 den langen tocht over de bergen. Een massa paternosters voor de dames der hofhouding, een paar antieke vazen voor Joséphine en voor Napoleon twee antieke cameeën, eenig van bewerking en teekening, voorstellende Achilles en Scipio’s zelfbeheersching, bracht hij als geschenken mede. Was zijn angst op de reis over Piacenza, Parma en Turijn reeds eenigermate begonnen te wijken bij het zien van den eerbied, waarmede hij overal werd begroet, te Lyon verdween die volkomen om plaats te maken voor een nameloos gevoel van verrukking.—Zijn oude raadsman Caprara had dus de waarheid gesproken, toen hij beweerde, dat deze reis de kerk tot heil strekken en hem zelf overgroote voldoening schenken zou!—

Te Lyon was de gansche bevolking van Provence, van Dauphiné en Bourgogne samengestroomd om hem, den kerkvorst te zien, te eeren en geknield zijn zegen te ontvangen.

Was dàt nu het volk, dat steeds in opstand heette tegen God en zijn gebod, dat tronen omvergeworpen en een vorigen paus gevangen gezet had!

Den 25en November had in het bosch van Fontainebleau de eerste ontmoeting met Napoleon plaats en hier werd de paus door de keizerin en de leden der keizerlijke familie enz. opgewacht. Drie dagen later zegende de kerkvorst van het balkon der Tuilerieën in ’t bijzijn van Napoleon de buiten geknielde menigte. Welk een schouwspel in de Tuilerieën, waar twaalf jaar geleden de meest gruwelijke tooneelen hadden plaats gehad. Dat alles voor den paus was ingericht op de wijze als in het Vaticaan, een attentie van Napoleon, trof den kerkvorst bijzonder. Welk een ontvangst te Parijs! Het scheen half een droom voor den vromen man, die zelfs te midden van de groote weelde, waarmede Napoleon hem deed omringen, in levenswijze en voeding aan allen, die hem zagen, tot voorbeeld had kunnen strekken. Een paar schoteltjes met in olie toebereide groenten vormden o. a. zijn middagmaal.

Het is te begrijpen, dat de a. s. plechtigheid van de kroning voor tal van familieleden, die daarbij zouden tegenwoordig zijn, reeds weken lang een onderwerp van bespreking vormde en het vooral een zeer gewichtige zaak was, welke rol ieder daarbij zou moeten vervullen. Bij het verdeelen van die rollen tusschen de schoonbroeders en de zusters was in de eerste plaats de vraag besproken, of Joséphine ook zou worden gekroond. Napoleon had met zijn antwoord geaarzeld. De hartstochtelijke drift harer schoonzusters vooral van Murats vrouw Caroline, om bij de plechtigheid een hoofdrol te vervullen, had de jaloezie van Joséphine in zoo hooge mate opgewekt, dat zij, zich niet langer meester, op deze schoonzuster een toespeling maakte, in haar wezen gelijkstaande met de afschuwelijke verdachtmakingen waarvan niet de koningsgezinden alleen zich in dien tijd tegenover Napoleon bezondigden, en die ook later door allerlei letterkundig gespuis zijn gebezigd om den Keizer in de oogen der nakomelingschap te verlagen tot een monster, voor wie zelfs de banden des bloeds niet heilig waren. Lodewijk XVIII vond een beetje cronique-scandaleuse, waarvan zijn gevallen vijand het onderwerp was, zelfs wàt aardig.

Verwoed was Napoleon opgestoven; zijn drift had over zijn liefde gezegevierd; dreigend had hij haar het woord “echtscheiding” toegeslingerd. Hortense en Eugène hadden ridderlijk de partij hunner moeder gekozen, doch de Bonapartes hadden gejuicht over deze nederlaag der gehate Creoolsche, “die haar man geen nakomelingen schonk.” Hierdoor was Napoleon tot bezinning gekomen; hij had de kracht gemist de gezellin zijner jeugdige jaren en haar twee kinderen, die hij zoo bijzonder genegen was, in ballingschap te zenden; een omhelzing was gevolgd en daarbij de belofte, dat Joséphine tegelijk met hem zou gekroond worden.

Schier kinderlijk blij was zij nu terstond voor haar toilet gaan zorgen.


IJdel en wuft, spilziek en lichtzinnig, een echt kind der tropen, doch medelijdend en zielsgoedhartig tevens, werd zij volkomen terecht door de Parijzenaars “de goede keizerin” geheeten en door hen letterlijk op de handen gedragen. Vaak bedrogen, vaak misleid, bleef ze niettemin in haar goeddoen volharden. Zij kon geen tranen zien en vergoot er zelve zooveel! Ook haar hebben de jaloezie en de haat aan al wat met het huis Bonaparte verwant was, niet gespaard. Niet geheel ten onrechte is haar verweten, dat zij als de weduwe de Beauharnais onvoorzichtig is geweest en met den verwaanden cynieken Barras op al te intiemen voet verkeerd heeft, niet ten onrechte ook, dat haar gedrag in de eerste maanden van haar huwelijk tegenover Bonaparte verkeerd was. De tijd echter, waarin die behaagzieke jonge vrouw, de vriendin van mevrouw Tallien, later bijgenaamd Nôtre Dame de Thermidor, leefde, was een tijd van algemeene verdorvenheid van zeden en zeker waar is het, dat uit diezelfde vrouw door haar innige liefde voor Napoleon, een levensgezellin is geboren even vlekkeloos van levenswandel als eenmaal de vrouw van Cesar Augustus. Zelfs de boosaardige steken door Barras in zijn gedenkschriften op haar gericht, zijn niet bij machte geweest dit feit te ontzenuwen. Voor den Keizer is zij een brave, trouwe echtgenoote geweest, die hem aanhing met hart en ziel, die hem daarbij dermate vereerde, dat zij hem nooit anders dan met “U” en “Sire” toesprak.

Dat zij later om staatkundige redenen is verstooten, zij, die zooveel leed gelenigd, zooveel smart verzacht had, hebben velen Napoleon nooit kunnen vergeven.

Men houde ons deze kleine uitweiding ten goede, zij was hier, dachten wij, niet misplaatst.


Joséphine had dus gezegevierd, ze zou worden gekroond, maar voor dit geschiedde, behaalde ze een tweede overwinning. We zagen vroeger, hoe ze bij het huwelijk van Louis en Hortense het verzoek achterwege liet om evenals Murat en Caroline de kerkelijke wijding van haar huwelijk te ontvangen. Thans echter wist ze het zoover te brengen. Nog altijd vreezende voor een scheiding, bang voor de intriges aan het hof en die van Napoleons broers, ook om godsdienstige redenen, vroeg zij een dag voor de kroning een audientie bij den paus. Dezen vertelde ze, dat ze nooit voor een priester gehuwd was en de paus gaf haar daarop ten antwoord, hetgeen zij wel had voorzien, dat hij dan noch den Keizer, noch haar kon zalven overeenkomstig de wetten en hoewel vertoornd op zijn vrouw, was Napoleon wel genoodzaakt toe te geven. Zoo werd het huwelijk den 1en December in het diepste geheim en zonder getuigen door “oom” Fesch nog kerkelijk gewijd. Joséphine zorgde er wel voor van Fesch een certificaat te ontvangen en eenmaal kerkelijk ingezegend, duchtte ze geen echtscheiding meer, want een kerkelijk gesloten huwelijk kon immers niet meer worden ontbonden! We weten, hoe de tijd haar anders leerde.—


2 December 1804 was de groote dag!

Onder klokkengelui stroomde het volk door de met vlaggen getooide stad naar de plaats der plechtigheid, de Nôtre-Dame. Voorafgegaan door den paus kwam Napoleon, gevolgd door de keizerin, de prinsen en prinsessen de kerk binnen, daarop volgden de maarschalken, dragende de kroon, de schepter, degen enz. Met plechtige toespraken werden de verschillende initialen door den paus aan den Keizer overhandigd, daarna zette hij zich zelf de kroon op het hoofd en ontving daarop den pauselijken zegen.

Vervolgens nam Napoleon de kroon en plaatste deze op het hoofd van Joséphine, die met tranen in de vriendelijke oogen voor het altaar geknield lag; het was het meest aangrijpende oogenblik, alleen verstoord door den perfiden glimlach van Talleyrand. Wat moet dit moment voor haar wel geweest zijn, maar ook welk een gebeurtenis in het leven van den Corsicaan, die zoo echt eenvoudig maar begrijpelijk tijdens de ceremonie zijn broer Jozef aanstootende, zeide: “Jozef, als vader ons nu eens zag.

De mooie rede van den kerkvorst, zijn waardige verschijning, verhoogde nog de plechtigheid en toen Napoleon ten slotte den eed had afgelegd, daverde een “Leve de Keizer” door de kathedraal.

De kroning maakte zoowel in als buiten Frankrijk grooten indruk en in zoover had Napoleon dus volkomen zijn doel bereikt.

Pius VII vertrok niet direct na de kroning, maar bleef nog enkele maanden in Frankrijks hoofdstad, het scheen den kerkvorst goed te bevallen en ten onrechte heeft men wel beweerd, dat er niet de noodige egards voor hem werden in acht genomen. Na in April van ’t volgende jaar nog het kind van Louis en Hortense te hebben gedoopt, vertrok hij weder naar Rome, waar hij in Mei aankwam, zoo al niet verheugd over den afloop der onderhandelingen met Napoleon dan toch uiterst voldaan over de hartelijke ontvangst hem allerwege bereid en de groote piëteit, die de Franschen voor hem als hoofd der kerk hadden aan den dag gelegd.

Het kind, dat de paus had gedoopt en welke plechtigheid met groot ceremonieel was gevierd en waarvan aan alle hoven bericht was gezonden, bracht, evenals het eerste kind, in het droevige huwelijksleven van Hortense en Louis een lichtstraaltje; reeds van het begin af was de verhouding slecht geweest. Louis, in den regel afwezig, had reeds in de eerste dagen van hun huwelijk de weinige kieschheid gehad, Hortense in te lichten over het vroegere leven van haar moeder en men zal erkennen, dat deze volstrekt onnoodige mededeelingen niet bevorderlijk waren voor een goede verhouding. Zijn hard en dikwijls onbillijk optreden tegen Hortense hadden bovendien de uitwerking, dat zij in stilte leed en in de afwezigheid van haar man, zonder haar hart uit te storten, in de omgeving van Napoleon en Joséphine eenige vergoeding trachtte te vinden, voor ’t geen ze met Louis samenwonende, volkomen miste. Wel scheen de komst van het eerste kind eenige verandering ten goede te brengen, maar het was van korten duur en de melancolieke man van vroeger, die het nergens kon vinden, telkens voor ziekte naar het Zuiden moest en zich ook op politiek gebied niet bewoog, zooals zijn broers, maakte het leven van Hortense inderdaad ongelukkig. Wel nam hij ten slotte zijn betrekking van divisiegeneraal en lid van den Staatsraad aan, maar noch het een, noch het ander had zijn belangstelling.

Geheel anders Jozef! We weten, hoe deze altijd in oppositie was tegen zijn jongeren broer; wat had het Napoleon een hoofdbreken gekost bij de regeling van het erfrecht, Jozef te voldoen. Nauwelijks was het hem bekend, dat Napoleon het kind van Louis als zijn opvolger wilde aanwijzen of Jozef ging direct aan het werk om voor zijn rechten op te komen en hierin vond hij zoowel bij Lucien als Louis steun, zoodat deze zelfs door hem werd overgehaald de aanwijzing van zijn kind als opvolger te weigeren. Napoleon was geëindigd met Jozef naar Boulogne te zenden, waardoor hij niet in Parijs kon komen en Napoleon de gelegenheid kreeg het erfrecht te regelen op de wijze, zooals hij dat wilde, zonder dat Jozef hem hierin kon weerstreven en tevens aanhangers kon winnen om zich tegen de plannen van zijn broer te verzetten.

Ten slotte was Jozef gezwicht. ’t Was dan ook al te verleidelijk; de waardigheid van Prins met een tractement van één millioen, die van Groot-Keurvorst met 333.333 francs en dan nog als woning een paleis, wie zou er niet wat voor laten loopen, vooral als men dan nog binnen 6 weken twee gratificaties ontvangt uit de “grande-cassette” van 300 en 50.000 francs! ’t Was de moeite waard, doch ’t verzet van Jozef tegen zijn broer eindigde er toch niet mee. Dat zat nu eenmaal in ’t bloed.

Dat Jozef zoo intiem was met Bernadotte, die ook al door zijn toedoen o.a. maarschalk was geworden, hinderde den Keizer geweldig; dat hij zijn huis inrichtte op zoodanige wijze dat daaraan lieden werden verbonden, die Napoleon niet gezind waren, eveneens en toen Napoleon in October 1804 o.a. met Jozef overleg pleegde over de regeling der kroning, kwam het tot een hevige uitbarsting tusschen de broers. Napoleon wist wel waar hem de schoen wrong. Jaloezie tegenover Eugenius de Beauharnais en Hortense speelde een hoofdrol en in het bijzijn van anderen kwam het soms tot heftige scènes, waaruit Napoleons groote genegenheid voor zijn stiefkinderen ten duidelijkste bleek. Ten slotte stelde Napoleon zijn broer voor de keuze òf zich geheel uit het publieke leven terug te trekken, òf te blijven voortgaan hem tegen te werken, òf zich openlijk met hem te verbinden. Napoleon zegt hem openhartig, dat hij het laatste hoopt, maar geeft hem ook duidelijk te verstaan, dat hij het tweede niet zal dulden en dat hij hem dan ook openlijk als vijand zal beschouwen. Jozef onderwerpt zich en kiest het laatste; we zullen zien, dat het meer schijn dan werkelijkheid was.

Van de zijde van Jozef dus verzet, met Lucien was de band reeds geheel verbroken! Zagen we vroeger hoe deze broer in Portugal goede zaken had gemaakt en van het aldaar verkregen geld goede sier maakte in Parijs en zich grandioos inrichtte, een tweede huwelijk van Lucien met Madame Jouberthon was de oorzaak van de verwijdering tusschen hem en Napoleon. Juist in den tijd, dat Napoleon het plan had hem te doen huwen met een Spaansche Infante, weduwe van den vorst van Etrurië, kwam Napoleon tot de ontdekking, dat hij in alle stilte gehuwd was met Mme Jouberthon, een toch al niet te gunstig bekend staande dame en dat niet alleen, maar zelfs was er voor de sluiting van het huwelijk reeds een kind geboren. Het is te begrijpen, dat de huwelijksvoorstellen van Napoleon bij Lucien weinig ingang vonden, maar eveneens, dat zijn broer, alles van het tweede huwelijk hoorende, in woede ontstak. Aanvankelijk van plan ernstige maatregelen te nemen, begreep Napoleon, dat deze toch weinig zouden uitwerken en het wijzer was niets meer te doen, daar noch hij, noch ook zijn moeder eenigen invloed op Lucien zou hebben. Eenmaal voor dit fait-accompli geplaatst, eischte hij echter, dat Luciens vrouw niet den naam van Bonaparte zou dragen. De jongere broer dacht er niet over naar den anderen te luisteren, eischte wel degelijk dien naam voor zijn vrouw op en dat niet alleen, hij wilde ook voor haar een plaats in de familie.

Het slot was, dat Napoleon hem gaf te verstaan, dat dit zoo niet kon gaan en Lucien zich had te onderwerpen. Deze wilde dit niet en op het einde van December 1803 vertrok hij uit Parijs naar Italië, zooals hij aan Jozef schreef “met haat in het hart.” Wel kwam hij het volgend jaar in Parijs terug, wel gaf hij te kennen geen afstand te doen van zijn aanspraken wat het erfrecht betreft, wel deed Napoleon een uiterste concessie door hem te beloven in het erfrecht ook hem een plaats te geven, onder beding dat zijn kinderen uit het tweede huwelijk voor altijd bleven uitgesloten, het baatte alles niets; Lucien eischte opname in de familie en in het erfrecht, Napoleon weigerde beslist. Met Lucien werd gebroken; deze vestigde zich te Rome en de poging van mama om Lucien weder in Napoleons gunst te doen opnemen, nog eenige weken voor de kroning aangewend, had geen resultaat.


Was Lucien dus niet bij de plechtigheid op 2 December tegenwoordig, ook Napoleons jongste broer Jérome ontbrak. Met het oog op het groote verschil in leeftijd, Napoleon was 15 jaar ouder, kunnen we ons begrijpen, dat Napoleon de zorg voor zijn opvoeding geheel op zich moest nemen en tijdens het Consulaat zien we Jérome dan ook in de omgeving van Napoleon en Joséphine; deze vond hem blijkbaar een aardigen jongen, maar verwende hem in den grond en Jérome maakte daar flink gebruik van en leidde een gemakkelijk en lui leventje. Uitgaan en pret maken waren zijn hoofdbezigheden, terwijl het koopen van een reisnecessaire voor de som van 15000(!) francs wel voldoende bewees, dat hem de waarde van het geld niet erg bekend was.

Reeds waren er klachten van de broers ingekomen bij Napoleon over de verkeerde wijze, waarop hij door Joséphine werd opgevoed en zoo werd besloten hem eene opleiding voor zeeofficier te geven. Hij werd naar de vloot gezonden om onder leiding van den admiraal Gautheaume, die zeer strenge instructies van Napoleon kreeg, aan orde en tucht te gewennen. Misschien, dacht Napoleon, zou hij een groote rol ter zee kunnen vervullen evenals zijn broers in het leger en in de politiek! Aanvankelijk ging het goed en kon Gautheaume gunstige rapporten over zijn discipel aan Napoleon zenden. Jérome viel het niet moeilijk aan de nieuwe omgeving te wennen en voelde zich ook ter zee geheel op zijn plaats. Dat hij de ernst van het leven nog niet goed begreep, was met het oog op zijn jeugdigen leeftijd te verklaren en dat hij na zijn aanstelling tot luitenant ter zee, in Parijs teruggekeerd, deze bevordering duchtig vierde, eveneens. Toch schijnt hij het wat al te bont te hebben gemaakt, want Napoleon zond hem spoedig weer naar Nantes met bevel op een der schepen, de Epervier, te embarkeeren. Wel duurde het nog eenigen tijd, voor hij aan den last voldeed en zette hij in Nantes de festijnen van Parijs voort, maar eindelijk zien we hem weer zee kiezen.

Zoo treffen we Jérome op zijn brik de Epervier in het begin van 1803 in de West-Indische wateren aan; zelfs werd hij bij ontstentenis van zijn kapitein door den vlootvoogd tijdelijk met het commando over een der schepen belast, voorwaar voor Jérome, die het schip meer als een plezierjacht, dan als een oorlogsschip beschouwde en op zijn schip nu en dan als huzarenkapitein gekleed ging, een te verantwoordelijke betrekking. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Niettegenstaande de admiraal Villaret hem beval, ook met het oog op den uitgebroken oorlog met Engeland, te vertrekken, haastte Jérome zich niet, bleef lang op Martinique, zond ten slotte de Epervier naar Frankrijk terug, maar ging zelf met enkele vrienden naar... de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, zoodat we hem in Juli van het jaar 1803 in Washington aantreffen. Dit uitstapje kostte geld, maar Jérome wist raad. Hij nam den vertegenwoordiger van Frankrijk aldaar, zekeren Pichon, in den arm en deze moest hem geld geven, wat ook geschiedde. Zoo leefde hij er te Washington en Baltimore lustig op los en dacht niet aan vertrekken, ook niet toen een Fransch schip zich in de haven bevond en de gelegenheid voor vertrek hem dus werd geboden.

In Baltimore had hij kennis gemaakt met de nog jeugdige en mooie Miss Elisabeth Patterson. De jongen, hij was pas negentien jaar, was spoedig doodelijk verliefd en wilde huwen met de schoone Amerikaansche. De consul trachtte hem er van af te brengen en waarschuwde Jérome, dat hij de toestemming van zijn moeder moest hebben en dat dit huwelijk volgens de Fransche wetten ongeldig zou wezen, maar het gelukte noch Pichon, noch anderen hem te bewegen van het huwelijk af te zien. En Miss Patterson zelf? Geen raadgevingen baatten, ook haar tot andere gedachten te brengen. “’t Was beter één uur de vrouw van Jérome Bonaparte te zijn, dan van een ander gedurende het geheele leven,” gaf ze als bescheid. Zoo werd de verbintenis gesloten en zorgde vader Patterson wel, dat het huwelijkscontract de duidelijke bepaling inhield, dat bij scheiding, hetzij door Jérome, hetzij veroorzaakt door de verwanten, de dochter het recht had op het eigendom en het volle genot van een derde der goederen van Jérome en tevens, dat bij afwezigheid van Elisabeth dit aan de erfgenamen kwam!

Napoleon, dit alles vernemende, was ten hoogste ontstemd en wilde natuurlijk het huwelijk niet erkennen. Ook eischte hij onmiddellijken terugkeer naar Frankrijk, doch wel schrijft Jérome een zeer onderworpen brief aan Talleyrand met belofte van terug te komen, maar in een brief aan zijn moeder, waarin hij haar het huwelijk mededeelde, vermeldt hij niets over den terugtocht, noch roert hij daarin het ernstige feit aan, dat hij vrijwel desertie heeft gepleegd. Jérome neemt nu eenmaal alles nog al licht op; hij blijft, viert feest, maakt pret en... schuld.

We kunnen dus niet zeggen, dat de verhouding tusschen Napoleon en zijn broers tijdens de kroningsdagen zoo bijster goed was, aan de eene zijde stil verzet met schijnbare onderwerping, aan den anderen kant volkomen opstand en verwijdering.


Drie dagen later vierde Parijs wederom een luisterrijk feest, doch thans een van zuiver militairen aard. Aan al de regimenten in de hoofdstad in garnizoen en aan al de korpsen daar buiten, door den kolonel en een keurbende zijner soldaten vertegenwoordigd, reikte Napoleon de nieuwe adelaars uit, die kostbare veldteekens, zwaar van zijde, borduursels en goud, de zinnebeelden van eer en trouw, welke binnen weinige jaren zegevierend door Europa zouden gaan om ten slotte in den reuzenslag van Waterloo weg te zinken in een zee van bloed.

Hoofdstuk XV.

Oorlog in Duitschland.

Napoleons geduchte krijgstoerustingen aan ’t Kanaal hadden de onrust in Engeland sterk doen toenemen, doch Pitt was weder in het kabinet getreden. De partij van den vrede had het onderspit gedolven.

Den 5en October had een Engelsch eskader weder het bewijs geleverd, dat zeeroof nog altoos een zijner geliefkoosde middelen was tot vermeerdering van zijn gezag op den oceaan. Vier Spaansche fregatten met een lading van circa zeven millioen gulden aan boord waren zonder oorlogsverklaring buit gemaakt en prijs verklaard, omdat Spanje geweigerd had aan de Fransche schepen den toegang tot zijn havens te verbieden. Uit niets was dus af te leiden, dat Engeland naar vrede verlangde.

Voor de grondvesting zijner dynastie dezen vrede vóór alles wenschende, deed Napoleon in de eerste dagen van Januari 1805 toch nog een poging om tot dezen te geraken. Voor de tweede maal schreef hij een brief aan Engelands koning en bezwoer hem hierin “zelf aan de wereld vrede te schenken en deze zoete voldoening niet over te laten aan een volgend geslacht.” Bovendien wees Napoleon op het hooge punt van welvaart en voorspoed, waarop Engeland stond; een oorlog was zonder nut en “de wereld is toch groot genoeg, dat onze beide volken er kunnen leven.” Het antwoord was koel en ontwijkend. Verschillende teekenen wezen zelfs er op, dat het Pitt was gelukt den Frankrijk vijandigen geest op Europa’s vastland weder tot oorlogswoede te prikkelen. Inmiddels verliep de gunstige periode voor een landing; alles werkte tegen en machteloos tegenover de elementen, die hij niet voor zijn wil kon doen bukken, moest Napoleon toezien, dat het leger aan ’t Kanaal wederom een tijd tot werkeloosheid was gedoemd. Een oogenblik rees in zijn machtig brein het plan op, een legermacht van dertigduizend man om de Kaap de Goede Hoop heen naar Britsch-Indië te voeren, met de Mahratten tot bondgenoot dit land te veroveren en Albion op die wijze te treffen, doch de hierbij te overwinnen bezwaren waren te groot. Ten slotte bedacht hij een middel, dat wel uitvoerbaar was en waar hij terstond een begin mee deed maken.

Bij zijn plan voor een landing op de Engelsche kust hing alles af van tweemaal vier en twintig uur goed weer en van de aanwezigheid eener Fransche vloot in ’t Kanaal, sterk genoeg om het daar onafgebroken kruisende Engelsche eskader van vijftien schepen in toom te houden. Dus ontving de admiraal de Villeneuve, opperbevelhebber over de circa zestig Fransche en andere schepen, in de havens van Brest, van Rochefort, van Le Ferrol en van Cadix verspreid, den last met die vloot in zee te steken en den steven te wenden naar Martinique in West Indië.

Natuurlijk zouden de Engelsche eskaders in den Atlantischen Oceaan hem dan derwaarts volgen.—Hun komst aldaar moest hij echter niet afwachten doch, Martinique verlatende, naar Europa terugkeeren, noordwaarts om Schotland heen naar het Nauw van Calais stevenen en het Kanaal-eskader vernietigen. Dan kon de landing geschieden. Voordat de Engelsche vloot, van Martinique terugkeerende, zijn spoor had gevonden, zou het pleit zijn beslist.—

Aanvankelijk liep alles naar wensch. Alleen had Villeneuve slechts ruim dertig schepen kunnen bijeen brengen; de Spaansche waren niet gereed. Martinique werd bereikt, ook vroegtijdig genoeg weder verlaten, maar nu richtte de admiraal den steven niet naar ’t noorden, naar Schotland, doch naar ’t zuiden, naar Cadix, om hier de bij de uitreis nog niet slagvaardige bodems af te halen. Een kort gevecht voor Ferrol volgde. De vloot leed schade en nu bleef de admiraal te Cadix liggen “timmeren,” zoodat de vijand al den tijd had om eveneens naar Europa terug te keeren. Toen kwam het slechte weder, dat uitzeilen belette en ten slotte werd de vloot in de haven van Cadix geblokkeerd.

Voorloopig zag Napoleon van verdere landingsplannen af.


Opnieuw wijdde hij zijn aandacht aan de stoffelijke en zedelijke belangen van zijn volk. Het Burgerlijk Wetboek kwam gereed, terwijl ook voor het onderwijs maatregelen werden genomen om dit te verbeteren. In zijn jeugd had hij de ondervinding opgedaan van hoe luttele waarde het onderwijs van pastoors en geestelijken op de scholen was; ook had hij de onverdraagzaamheid dier mannen tegenover andersdenkenden leeren kennen. Hierin moest een radicale verandering komen en de eerste schreden hiertoe had hij al gedaan. Het Concordaat had de positie geregeld van de Fransche geestelijken tegenover den staat; zij waren door het land bezoldigde, doch door den paus in hun geestelijk ambt bevestigde dienaren geworden. Staatskerk was die van Rome niet geworden. Aan Pius gaf hij onomwonden te kennen, dat hij van de Roomsch-Katholieke kerk als staatskerk niet wilde weten; ieder geestelijke zou bij schending van de wetten van den staat evenals ieder Fransch burger aan de bestaande rechtbank worden overgegeven; bovendien deelde hij den paus mede, dat er in de rijksscholen wel geestelijken zouden worden toegelaten tot het geven van godsdienstonderricht, maar dat alleen de staat op de scholen gezag moest uitoefenen, terwijl het onderwijs alleen door mannen van het vak mocht gegeven worden. Als een balsem op deze wond beloofde hij den kerkvorst op diens vraag of hij niets zou terugkrijgen van ’t geen hij in grondgebied, o.a. de legatiën en inkomsten had verloren, dat hij in den materieelen toestand van den Heiligen Stoel langzamerhand verbetering zou brengen; ook wilde Napoleon zelfs terstond geldelijke steun verleenen, maar hij gaf daarbij te kennen, dat hij geen verraad kon plegen tegenover een staat, die hem gekozen had tot hoofd.

Dit laatste doelde op het nieuwe koninkrijk, dat uit de Italiaansche republiek was voortgekomen en waarvan hem de kroon in het midden van Maart 1805 was aangeboden. Napoleon had pogingen aangewend om deze kroon aan Jozef te geven, dit zou dan een soort compensatie zijn geweest voor zijn afstand van het erfrecht in Frankrijk, waarvan Napoleon dan hoopte een bepaalde afstandsacte in handen te krijgen; na eerst zoo goed als aangenomen te hebben, had Jozef ten slotte toch bedankt tot groote ontstemming van zijn broeder, die daarna nog een vergeefsche poging had aangewend om de Italiaansche kroon voor een kind van Louis te bestemmen, terwijl het regentschap gedurende de minderjarigheid aan Napoleons beslissing zou zijn gebleven.

Dat de geheele intrige van de aanbieding van dit koningschap over Italië door Napoleon en Talleyrand was op touw gezet en uitgewerkt, vordert zeker geen nader betoog. Europa had deze gedaantewisseling van Noord-Italië verwacht; daar was men hem met plannen maken zelfs reeds voor. Zoo heette het in die dagen reeds, dat hij aan Louis in Holland, aan Jozef in Napels een kroon wilde geven, dat hij zijn oom Fesch tot Paus zou verheffen en Zwitserland en Genua met Frankrijk wilde vereenigen; Spanje heette al bestemd voor een derden broer. Zoo werd de publieke opinie vaak reeds voor hem bewerkt, zonder dat hij hiertoe aanleiding gaf.

Toen alle toebereidselen gemaakt waren en de ijzeren kroon der Lombardische koningen uit de schatkamer van Monza te voorschijn was gebracht, ging Napoleon, vergezeld van Joséphine en een groot deel der hofhouding, den laatsten April op reis naar Italië en gaf ook nu weder een bewijs van zijn belangstelling in al wat de bevolking zelve of het algemeen belang ten goede kon komen. Zoo liet hij o.a. te Lyon den last achter een bewaarplaats te bouwen voor niet verboden handelsartikelen van vreemden oorsprong, een brug over de Saône te hernieuwen, een graanhal te stichten benevens een teekenschool. Acht dagen later hield hij zijn plechtigen intocht in Milaan.

God geeft ze mij. Wee hem die ze aanraakt!” werd het devies der orde van de IJzeren Kroon. ’t Waren de woorden, door hem met luider stem gesproken, terwijl hij zich in de hoofdkerk te Milaan de kroon der Longobarden op de slapen drukte en zich tooide met den koninklijken ring, den mantel en het zwaard. (26 Mei 1805.) Italië werd geschoeid op de leest van het keizerrijk. Beslist was echter nog niet, wat met Italië zou geschieden, wie n.l. Napoleon aldaar zou vervangen.

Terwijl hij zich te Milaan bevond werd er een geregelde correspondentie met Pesaro gevoerd, waar Lucien vertoefde. Reeds vroeger had deze broer een soort poging gewaagd met Napoleon op beteren voet te komen en de gansche familie was in de weer om Lucien weder in genade te doen aannemen, maar Napoleon bleef bij zijn vroegeren eisch, dat Mme Jouberthon niet den naam van Bonaparte mocht dragen, terwijl Lucien wel wilde beloven, dat zijn vrouw niet aan ’t hof zou komen en het ook goedkeurde, dat zij geen titel zou ontvangen, maar de twee dochters uit het eerste huwelijk moesten deel uitmaken van de keizerlijke familie. Hierover loopt in die dagen de briefwisseling van de broers, welke echter het gewenschte resultaat niet heeft.

Vlijmend scherp is Napoleons antwoord aan de familieleden, waarin hij in krasse bewoordingen Luciens gedrag afkeurt en hem verwijt de eer van zijn naam en van zijn familie op te offeren aan een “oneervolle” vrouw. Toch valt de beslissing over Italië nog niet. Nog hoopt hij op onderwerping en dan, zoo had Napoleon beloofd, wachten hem schitterende vooruitzichten. Lucien volhardt en den 7en Juni valt de beslissing over Italië, waar Eugenius de Beauharnais tot onderkoning wordt aangewezen. Ofschoon pas vier en twintig jaar oud, in administratief werk niet thuis en van de politiek nog niet op de hoogte, benoemt Napoleon zijn stiefzoon tot dit belangrijk ambt, maar waar broers renonceeren blijft hem niet veel anders over en Eugenius, die het volkomen vertrouwen van zijn stiefvader genoot en bekend stond als een ridderlijk, trouw soldaat, een der nobelste figuren uit die dagen van intrige en onbetrouwbaarheid, zou onder leiding van Napoleon spoedig de bewijzen geven, dat de keuze van zijn stiefvader niet zoo verkeerd was geweest.

De republiek Genua verzocht nog vóór Napoleons vertrek uit Milaan bij het koninkrijk Italië te worden gevoegd.

De regeling der Italiaansche zaken had tusschen Napoleon en Jozef een groote verkoeling doen ontstaan, terwijl de breuk met Lucien nu volkomen was geworden. Tevergeefs had Jozef bij zijn plannen op zijn zuster Caroline gerekend, deze had zich geheel van de broers afgescheiden, daar er met hen niets was te verkrijgen en zij beter alleen, gesteund door haar man, Murat, die als gouverneur van Parijs in de nabijheid van Napoleon vertoefde, van de goede gelegenheid kon gebruik maken om van broerlief een en ander gedaan te krijgen. Het gevolg was dan ook, dat aan Murat steeds meer waardigheden werden opgedragen en hij o. a. tot prins van het keizerrijk benoemd werd. Ook Caroline ondervond in stoffelijke dingen de groote voordeelen met Napoleon op goeden voet te wezen, zooals bleek uit de groote toelagen, die haar en Murat ten deel vielen en het kostbare geschenk van bijna een millioen francs na de geboorte van een kind aan Caroline bij haar eersten kerkgang gegeven.

Had Elisa reeds vroeger Piombino, in Toskane, van Napoleon gekregen, thans werd haar de kleine republiek Lucca als een prinsdom nog toegewezen, terwijl haar gemaal Bacciochi den titel van prins van Lucca en Piombino ontving. Dat Napoleon zijn zuster, die zich ook aan de politiek begon te geven daardoor uit Parijs verwijderde was zeker ook een hoofdmotief van deze benoeming. Elisa kon nu in haar gebied met de 130.000 inwoners naar hartelust aan de politiek doen en ze liet zich ook niet onbetuigd, terwijl ze wel zorgde, dat haar onbeduidende man tevreden bleef met den titel te voeren, zonder ook maar iets in het bestuur te zeggen te hebben.

Dat de verhouding van Napoleon weer hersteld was en aan Borghese het Fransch burgerrecht was verleend, had Pauline in hoofdzaak te danken aan haar moeder, die nooit ophield in de bres te springen voor die kinderen, welke in ongenade waren gevallen of die naar haar meening door Napoleon niet werden behandeld zooals dat behoorde.

In de eerste maanden na de kroning vinden we de moeder in Parijs, eigenlijk in afwachting van hetgeen Napoleon aan haar zou geven, want zij had noch een titel, noch een of andere bezitting ontvangen en hierover had ze meermalen haar ongenoegen te kennen gegeven en oom Fesch had er vroeger reeds met Napoleon over gecorrespondeerd. Niet alleen kostte het dezen nog al hoofdbreken welken titel aan haar te geven, maar het wekte Napoleons ontstemming ook op, dat zij voor Lucien telkens opnieuw opkwam in plaats van er voor te zorgen, dat Lucien zich onderwierp en het huwelijk verbrak. Ook tegenover Jérome moest zij voor Napoleon partij kiezen. Aan haar wensch werd echter voldaan en behalve den titel van Madame-Mère werd haar een groot jaargeld toegewezen, terwijl ze een mooi kasteel aan de Seine ter bewoning ontving, en haar zoon nog een aardige som voor de meubileering verstrekte. Toch was het er verre van af dat mama zich bijzonder dankbaar toonde; haar wenschen en begeeren reikten veel verder. Ze was te veel Corsicaansche om niet te pogen, dat de Corsicanen in Frankrijk in betrekkingen werden geplaatst, maar zooals we vroeger reeds zeiden, Napoleon dacht er niet over Frankrijk aan de clan over te leveren; zorgvuldig waakte hij ervoor dat de verspreiding der Corsicanen over Frankrijk werd voorkomen en bij de inrichting van de hofhouding van het huis zijner moeder werden wel tal van personen van het oude en nieuwe regime daaraan verbonden, maar aan de enkele Corsicanen in de omgeving van zijn moeder, werden zelfs geen officieele functies gegeven. Het was, vond Napoleon, al mooi genoeg, dat hij zijn broers en zusters zoo bedacht; nog verder te gaan, daar dacht hij niet over en de tijd zou hem leeren, dat hij zelfs met dit te doen, al veel te ver was gegaan en het woord van Stendhal: “Het was gelukkiger voor Napoleon geweest geen familie te hebben gehad” waarheid zou bevatten.

Intusschen meende Oostenrijk, dat zich bij den vrede van Lunéville zooveel van zijn invloed op het lot van Europa had zien ontnemen, in Frankrijks krijgstoerustingen tegen Engeland een geschikte gelegenheid te vinden om weder de tanden te laten zien.

Reeds in Januari was de verhouding tusschen Napoleon en Frans II een korte poos zeer gespannen geweest. Nu de eerste voor het kroningsfeest te Milaan Fransche afdeelingen hierheen had samengetrokken, achtte de laatste dit een aanleiding om zijn leger in Carinthië en Venetië op 40.000 man te brengen. In Juli d. a. v. sloot Frans met Alexander van Rusland een bondgenootschap. Deze zou twee legers, samen 100.000 man, vormen; het eene zou den 20en October bij Braunau aan de Inn staan het andere naar Bohemen marcheeren. Voorts zouden twee sterke landingskorpsen worden gevormd, bestemd zoowel voor Napels als voor Pommeren om hier samen te werken met de Zweden. Ook Engeland en Rusland waren vroeger reeds tot een overeenkomst gekomen om Frankrijk tot zijn oude grenzen terug te brengen. Napoleon was van dit alles wel op de hoogte en schreef o.a. aan Cambacérès in Augustus, dat als Oostenrijk met de ontwapening geen begin maakte Napoleon haar met 200.000 man een duchtig bezoek zou brengen, dat haar lang zou heugen; door Talleyrands bemiddeling werden aan den Oostenrijkschen gezant alle brieven ter inzage gegeven over de geheime bewapening en Napoleon gaf duidelijk te verstaan alles terug te brengen tot op den voet van drie maanden te voren, anders binnen een maand oorlog. “Indien uw meester den oorlog wil, mij best, maar zeg hem dat hij Kerstmis niet te Weenen zal vieren,” zei Napoleon aan den Oostenrijkschen gezant.

Door Engelands millioenen gesteund, stonden in het najaar van 1805 met uitzondering van Turkije weer dezelfde mogendheden tegenover Napoleon als vroeger; hun doel was aan de steeds toenemende veroveringszucht van den Franschen Keizer, getuige Italië en Genua, paal en perk te stellen. Dit verbond, de 3e coalitie genoemd, was de kroon op het werk van Engelands regeering, die niets onbeproefd had gelaten de mogendheden voor het verbond te winnen. Alleen Pruisen, waar de koning binnen twee dagen na mededeeling omtrent het instellen van het keizerrijk reeds antwoord had gezonden aan zijn, “bon frère et ami” bleef voorloopig nog onzijdig. Geheel alleen stond Frankrijk ditmaal niet; in Beieren, Wurtemberg en Baden vond het steun.

Het plan van aartshertog Karel, den opperbevelhebber der Oostenrijkers, was eenvoudig. Terwijl een leger van circa 60.000 man in naam onder aartshertog Ferdinand, feitelijk onder den veldmaarschalk Mack, in Duitschland de komst der Russen afwachtte, wilde hij met een macht van de dubbele sterkte in Tyrol, doch hoofdzakelijk in Italië, aanvallend te werk gaan en hier een beslissende overwinning trachten te behalen.

Napoleon bevond zich sedert den 3en Augustus weder in het kamp van Boulogne, toen hij de tijding ontving, dat de Oostenrijkers, de Inn, de grens van Beieren, den 16en waren overgetrokken. Een korte poos hoopte hij nog, dat het eskader van Villeneuve het Kanaal zou binnenstevenen, de Engelsche vloot vernietigen en hem zoodoende gelegenheid geven zou zijn grootsche landingsplannen toch nog te verwezenlijken.—In de voornemens der bondgenooten zou dit dan natuurlijk een geduchte verandering hebben teweeg gebracht.—Eenmaal echter de zekerheid verkregen hebbende, dat de Villeneuve niet naar ’t noorden maar naar Cadix was gezeild om te “repareeren,” was zijn besluit genomen.

“Ik hef mijn kamp op, laat mijn veldbataljons door mijn derde bataljons vervangen, houd aldus bij Boulogne nog een sterke macht over, sta den 23en September met 200.000 man in Duitschland, met 25000 in Napels, marcheer naar Weenen en steek het zwaard niet op, voordat ik Napels en Venetië in mijn macht en Beierens grondgebied zoodanig vergroot heb, dat er van Oostenrijk niets meer is te vreezen,” zeide hij.

Murat, Bertrand en Savary kregen in opdracht een verkenningsreis te maken langs den Neckar en den linkeroever van den Donau, de dwarswegen tusschen de rivieren onderling en den Rijn hieronder begrepen. In enkele uren dicteerde Napoleon aan Daru het gansche marschbevel van de geweldige macht, die onder den naam van het “Groote Leger” nog verspreid stond langs de kust over een frontlijn van tweehonderd uren gaans en welke den 23en September moest staan in het vak Mannheim—Straatsburg.

De verschillende korpsen wel eens “de zeven stroomen” genoemd, onder bekwame aanvoerders als Davoust, Soult, Lannes, Ney e. a. begaven zich op marsch om het tot in onderdeelen vastgestelde plan van den Keizer na te komen met als einddoel Weenen, waar men den Oostenrijkschen keizer het beloofde bezoek zou brengen.

Zoolang Napoleon niet zelf het commando op zich had genomen zou Murat hem vervangen.

Ten einde de aandacht van het buitenland uitsluitend op Boulogne gevestigd te houden, bleef hij hier nog vertoeven en veranderde oogenschijnlijk niets aan den toestand, doch verbood de dagbladen langs den linker Rijnoever over de troepenbewegingen aldaar te spreken.

Het geheele leger met inbegrip van de hulpkorpsen der bondgenooten (te zamen nog geen 30.000 man) telde ongeveer 219.000 krijgers. “Zeker bestaat er in gansch Europa geen mooiere armee dan die, welke ik thans bezit,” zei Napoleon en hij had gelijk. Een keur van oudgediende soldaten vormde de minderheid ervan; het meerendeel behoorde tot de conscriptie van 1804. Anderhalf jaar lang waren die mannen dus reeds onder de wapenen, uitstekend geoefend, goed georganiseerd en nog niet door de ontberingen, de gevaren en de uitputtende diensten van den oorlog verzwakt.

Jonge uitmuntende generaals voerden hen aan. Van de zeven korpscommandanten waren alleen Augereau en Bernadotte de veertig gepasseerd.

Drie er van, Lannes, Soult en Ney waren zoo oud als de Keizer zelf. Davoust was nog één, Marmont zelfs nog vijf jaar jonger. Van de divisiegeneraals had de helft den veertigjarigen leeftijd nog niet bereikt. Al die mannen, in de volle kracht van het leven, zagen een toekomst vol grootheid en roem tegemoet, waren vol energie en krijgsvuur, kenden den oorlog en Napoleons wijze van aanvoering en waren gewoon zijn bevelen onvoorwaardelijk te gehoorzamen.

Een enkel woord over het ontstaan dezer bevelen, ontleend aan Jomini, den grooten strateeg, die langen tijd Ney’s chef van den staf was, vinde hier zijn plaats.—De eigenlijke chef van zijn generalen staf was Napoleon zelf. Gebogen of liggende over een kaart, waarop de standplaatsen zijner korpsen en de vermoedelijke stellingen der tegenpartij door spelden met koppen van verschillende kleur,—rood en zwart—waren aangegeven, gewapend met een passer, die steeds openstond voor een afstand van zeven of acht uur gaans in rechte lijn, dus, rekening houdende met de krommingen der wegen, voor een marschdag van negen of tien uur, beoordeelde hij in een oogwenk het aantal dagen, voor ieder korps vereischt om op een bepaald tijdstip een zeker punt te bereiken. Terwijl hij spelden in die nieuwe punten stak en de voor elke colonne gevorderde snelheid in verband bracht met het hiervoor zoo mogelijk te stellen uur van afmarsch, dicteerde hij zijn “aanwijzingen.”

Een algemeen legerbevel vaardigde hij zelden uit, want het kon den vijand in handen vallen.—Zijn onderbevelhebbers lichtte hij betreffende zijn operatieplannen meestal niet in, uit vrees, dat het geheim er van in het leger niet zou bewaard blijven.—“Den vijand verrassen in ruimte en tijd” was zijn stelregel.—Iedere korpscommandant kreeg dus meestal alleen kennis van ’t geen hij zelf in verband met den algemeenen toestand had te verrichten en van ’t geen zijn nevenkorpsen zouden doen.

Ongeëvenaard zijn de kracht en de oorspronkelijkheid, door hem hierbij in zijn woorden gelegd. Men voelt als ’t ware de onmogelijkheid om aan zulk een bevel niet te gehoorzamen.—“Niet naar bed, voordat u mij al die détails hebt gemeld,” schrijft hij aan Bernadotte.—“Ik wensch u geluk met uw succes. Maar geen rust nemen nu; den vijand achterna met het staal in de ribben en hem van al zijn verbindingen afgesneden,” krijgt Murat van hem in last.—“Is de vijand niet te Memmingen, dan als de bl... terug tot op onze hoogte,” kan Soult in zijn order lezen, daarna in een tweede: “Ik geef u in overweging uw adjudanten en ordonnansen hun paarden desnoods te laten doodrijden. Verdeel ze in relaisposten langs den weg naar Weissenhorn, maar bericht moet ik zoo snel mogelijk van u krijgen.”

De uitwerking van de bevelen, het regelen van de bijzonderheden en de zorg, dat de orders aan de armee werden bekend gemaakt, dit alles was het werk van den Chef van den Generalen Staf Berthier. Gedurende tal van jaren heeft deze werkzame man onschatbare diensten in deze functie aan Napoleon verleend, daarbij altijd zorgende nooit in de plaats van zijn meester te treden, maar stipt zijn bevelen uit te voeren. Niets was den Chef van den Generalen Staf ooit te veel, geen werk was hem te zwaar en toen Napoleon eens tegen Daru zei, dat hij een werkezel was, gaf deze ten antwoord, dat hij in negen dagen en nachten niet had geslapen, maar dat Berthier hem ver overtrof, want deze had in dertien dagen en nachten geen oog dicht gedaan.


Den 21en September vernam de Senaat door Talleyrand in tegenwoordigheid des Keizers de grieven, welke deze tegen het Kabinet van Weenen had. De Senaat beantwoordde deze mededeeling met het beschikbaar stellen van 30.000 conscrits der lichting van 1806 en met een plan tot reorganisatie der nationale garde. Zoolang het leger zich op vreemd grondgebied bevond, zou deze zorgen voor de handhaving der orde en voor de verdediging van de grenzen en de versterkte plaatsen.

Vergezeld van Joséphine, die hem tot Straatsburg uitgeleide zou doen, vertrok Napoleon den volgenden dag naar den Rijn, terwijl Jozef, die ook naar het leger moest vertrekken, ten slotte, geheel naar zijn zin in Parijs bleef, om tijdens Napoleons afwezigheid in zijn plaats te treden, meer echter in naam, dan in werkelijkheid.

In den loop van September had Mack de rivier de Iller en de positie van Ulm verkend en besloten de komst der Russen niet af te wachten, doch achter die rivier en bij Ulm een verdedigende stelling in te nemen, terwijl hij zijn onderbevelhebbers order had gegeven in die lijn bij hem aan te sluiten.

Deze order zou nimmer tot uitvoering komen. Den 5en October stond zijn leger nog verspreid langs de Iller in Vorarlberg, in Tyrol en bij het meer van Constanz. Van het plan zijner tegenpartij had hij nog geen flauw begrip.

Uit het bevel tot samentrekken tusschen Mannheim en Straatsburg viel reeds af te leiden, wat het plan des Keizers was. Terwijl zijn cavalerie Mack in den waan bracht, dat hij, den Rijn gepasseerd, door de passen van het Schwarzwald vooruitrukte, moest de hoofdmacht de passen van dat zware bergterrein rechts laten liggen, in oostelijke richting marcheeren en daar een rechtsche zwenking verrichten, front naar den Boven-Donau. Bleef Mack dan achter de Iller staan, trok hij niet terug naar Tyrol dan moest die hoofdmacht hem insluiten en tot capitulatie dwingen.

“Wee den Oostenrijkers, als ze mij eenige dagmarschen op hen laten winnen! Dan kom ik met mijn geheele leger tusschen de Lech en de Isar,” zei de Keizer een der laatste dagen van September, toen zijn cavalerie reeds lang op marsch was. En de volgens Napoleon, “zeer middelmatige” Mack liet zijn tegenpartij, onbewust van het dreigende gevaar, dien voorsprong krijgen; steeds nauwer werd de kring, waarin Ney, Lannes en Soult hem sloten; den 15en October vermeesterde Ney de Michelberg ten noorden van Ulm en vijf dagen later capituleerde Mack met het overschot van zijn leger. Zoo had Napoleon in vijftien dagen met een verlies van nog geen 2000 man een leger van bijna 100,000 strijders uiteengeslagen of gevangen genomen.

Onmenschelijk zwaar was de taak van de infanterie geweest. Van den 8en af had het onophoudelijk zoo geweldig geregend, dat de wegen grondeloos waren geworden, de paarden stervende neervielen voor de voertuigen en alleen maraude op groote schaal en een gestadige jacht op het in die streken zeer talrijke wild de soldaten in ’t leven deden blijven.

Napoleon had zich door dit hondenweer niet laten weerhouden en was zelf overal in het dichtste gedrang geweest. Den 15en bij de brug van Elchingen een zwaar gewonden artillerist ziende, die hem niettemin nog salueerde, schonk hij hem zijn eigen kruis van het Legioen van Eer. Een grenadier uit Egypte, die met doorschoten lichaam en naar boven gewend gelaat in den slagregen lag en toch nog: En avant! riep, dekte hij toe met zijn eigen overjas: “Breng mij die terug en het kruis en pensioen zijn je deel,” voegde hij er bij. Een kleine gewonde tamboer, die half bewusteloos in een boerenwoning naast den brandenden kachel lag en begon te mopperen, toen men hem wilde wegjagen, omdat men daar voor den Keizer een onderkomen had gemaakt moest op zijn last met rust worden gelaten. Dus sliepen Napoleon en een tamboer bij één vuur, terwijl een drom van generaals over dien slaap waakten.

Zoo leefde de veldheer met zijn krijgers. Wie zou hem niet hebben gevolgd, overal waar hij voorging?

Dat de Keizer voldaan was over dit begin van den veldtocht laat zich begrijpen. Aan Joséphine schrijft hij den 19en: “Ik heb mijn doel bereikt, ik heb het Oostenrijksche leger vernietigd eenvoudig door marschen. Ik heb 60,000 gevangenen gemaakt, waaronder 30 generaals, 120 kanonnen genomen, terwijl 90 vaandels in onze handen zijn gevallen. Ik ga mij nu op de Russen werpen, ze zijn verloren. Ik ben tevreden over mijn leger...” Dat mocht hij zijn en wat zijn infanterie vermocht zou weldra nog krachtiger blijken, want de veldtocht was niet ten einde; deze begon nu eerst.—“De Russische armee, die door Engelsch goud van de uiterste grenzen der wereld herwaarts is gevoerd, moet hetzelfde lot ondergaan,” had Napoleon in zijn proclamatie aan de troepen gezegd. Een gedeelte van die armee onder Kutusof stond reeds bij Braunau aan de Inn.

Terwijl Massena met zijn kleine macht in Italië den strijd aanbindt met aartshertog Karel, dezen, nu Mack geslagen is, op zijn terugtocht over de Etsch, de Brenta en de Tagliamento nazet en hem eindelijk bij Castel Franco het zwaarste verlies toebrengt, terwijl Marmont eerlang door het bezitten van Leoben het leger van den aartshertog belet iets van belang tegen Napoleons rechterflank te ondernemen, breekt deze van Ulm op. Van de Lech wordt een tijdelijke nieuwe operatiebasis gemaakt en nu begint hij in een zoo breed mogelijk front,—om aan den kost te komen, want magazijnen had hij niet—den zwaren tocht naar het Oosten, dwars door Beieren en Oostenrijk heen, niet langs goede, harde wegen, maar langs zandwegen, mul en slecht, of, zooals de rechtervleugel onder Ney en Marmont langs bergpaden, steil en ongelijk. Het doel is Weenen.


Ging de veldtocht voor de Franschen zeer voorspoedig, ter zee was op den dag na de capitulatie van Ulm een nederlaag geleden zóó groot, dat daarmee voorloopig over de heerschappij ter zee ten voordeele van de Engelschen was beslist. Den 21en October was het admiraal Nelson gelukt de vereenigde Fransche en Spaansche vloot onder de Villeneuve bij Kaap Trafalgar, niet ver van de haven van Cadix, een nederlaag toe te brengen, zoo geducht, dat Frankrijk de gevolgen ervan in jaren niet zou te boven komen. Een zware storm had het overschot der ontredderde schepen ten slotte overvallen. De Villeneuve had zich moeten gevangen geven. Alleen de wetenschap, dat Engelands grootste vlootvoogd te midden van de zegepraal was gesneuveld, kon den Keizer eenigen troost schenken. Aan zijn grootsche plannen tegen Engeland was nu met één slag een einde gemaakt; zijn reusachtige toebereidselen te Boulogne en langs de kust waren vergeefsch geweest.

Zuid-Duitschland.

Dat de Keizer ontstemd was over den geleden nederlaag laat zich begrijpen, maar hij ging in zijn verbittering over dit verlies veel te ver. Aan de couranten liet hij verbieden over Trafalgar te schrijven. Niet aan het beleid van Nelson, aan den storm na den slag was de ondergang van zooveel schepen te wijten, beweerde hij. Tegen de scheepskapiteins, die het gevecht ontweken of door hun verkeerde manoeuvres tot de ramp hadden bijgedragen, deed hij geen vervolging instellen, maar ook weigerde hij halsstarrig eenige belooning toe te kennen aan die honderden andere officieren en schepelingen, die zich als helden hadden gedragen, die de eer der vlag hoog gehouden en hun totaal ontredderde schepen ten slotte nog in een der Spaansche havens gebracht hadden. Een pijnlijk contrast maakte hij zoodoende met de manier, waarop de koning van Spanje aan zijn zeemacht niettemin bewijzen van achting en erkentelijkheid schonk.


Den 13en November wordt Oostenrijks hoofdstad bereikt. Nergens heeft Kutusofs achterhoede ernstigen wederstand geboden; zelfs Braunau met zijn magazijnen vol buskruit en schietvoorraad is zonder slag of stoot door hem ontruimd; alleen zijn de bruggen overal vernield. “De menschen hier hebben geen aanvoerders meer. Een panische schrik heeft zich van hen meester gemaakt,” zei Napoleon terecht. De Russische generaal was in vollen aftocht naar het noorden de Donaubrug bij Krems over, naar Brünn en Olmütz, naar het tweede Russische leger in Moravië.

Den 1en November hadden Lannes en Soult de boorden van de Inn verlaten; in dertien dagen had hun infanterie 32 Duitsche mijlen, in rechte lijn gemeten, afgelegd en Davoust in zestien dagen, dwars door het gebergte, 40 mijlen.

Slechts één verlies was onderweg geleden. Door een minder juist inzicht in den toestand had Napoleon aan Mortier bevel gegeven van af Passau den linker Donauoever te volgen. Den 11en door Kutusof bij Dürrenstein aangegrepen, had dat korps, dat van den rechteroever niet kon worden ondersteund, zwaar geleden; een der divisiën was zoo goed als vernietigd.

Maar Weenen was bereikt!

Dit succes was Napoleon echter niet voldoende. Het Russische leger moest worden verslagen!—Hiertoe moesten de bruggen ten oosten van Weenen over den Donau, die door de Oostenrijkers bezet en wel tot vernieling voorbereid doch niet vernield waren, in zijn bezit komen. Aan Murat, die de voorhoede commandeerde, en aan Lannes had hij hiertoe bevel gegeven. Een zooal niet bloedig, in elk geval langdurig gevecht om ’t bezit er van was dus te verwachten, toen een krijgslist van deze maarschalken—een ongeoorloofde zet—hun dien overgang zonder slag of stoot in handen speelde.

Een paar dagen te voren had keizer Frans, die het overschot van zijn leger onder Kienmayer aan Kutusof had toegevoegd, een adjudant naar Napoleon gezonden om te onderhandelen. Wel was er van deze onderhandelingen niets gekomen, doch het praatje van een wapenstilstand had bij beide partijen toch reeds de ronde gedaan.

Van dit losse gerucht maken Murat en Lannes thans gebruik.

Door slechts enkele Duitsch sprekende officieren vergezeld, hun infanterie een weinig achter zich latende, wandelen zij de voorste Donaubrug op. Wel vallen er enkele schoten, maar op hun roepen, dat er wapenstilstand is, wordt dit vuur gestaakt. Bedaard blijven zij voortgaan, praten met den sergeant, die tijdelijk aan ’t begin van de langste brug het bevel voert en niet durft handelen, bereiken de overzijde, rukken een onderofficier, die de zaak toch niet vertrouwt en de brug in brand wil steken, de lont uit de handen, gaan op een der vuurmonden zitten, welke den overgang in de lengte bestrijken, en maken ten slotte generaal Auersperg, die daar commandeert en in allerijl is gewaarschuwd, zelfs wijs, dat de bruggen aan hen moeten worden overgegeven.

Intusschen zijn Oudinots grenadiers vooruitgegaan; zij beginnen de kanonnen in te sluiten; en als Auersperg ten slotte aan al die mooie praatjes van Murat geloof slaat, zijn troepen verzamelt en afmarcheert, is Napoleon meester van ’t terrein.

Cassatie met eerloosverklaring, gevolgd door sleuren op een horde naar ’t schavot om hier te worden onthoofd, was de straf die de krijgsraad over Auersperg uitsprak. Keizer Frans veranderde ze in levenslange gevangenisstraf.

Een paar dagen later liet Murat zich op zijn beurt door den sluwen Kutusof verschalken. Deze zond n. l. prins Bagration als parlementair naar Hollabrünn deed Murat hier de stellige verzekering geven, dat er te Weenen tusschen de twee keizers een wapenstilstand was gesloten, en deed hem voorstellen het zwaard voorloopig nu ook in de scheede te steken.

Murat stemde toe en onder achterlating eener sterke achterhoede tegenover Hollabrünn trok Kutusof, van ’t terrein gebruik makende, nu met zijn uitgeputte mannen zoover weg in de richting van Znaim, dat van inhalen geen sprake meer was, en hij zich vereenigen kon met het tweede Russische leger, dat hem was te gemoet getrokken en Olmütz reeds naderde.

Toen Napoleon hoorde hoe leelijk zijn zwager zich had laten beetnemen, werd hij boos.—“Hij doet mij de vruchten van den ganschen veldtocht verliezen,” zeide hij. Oogenblikkelijk moest Kutusof met alle kracht worden nagezet.

Thans begon die bij Hollabrünn staan gebleven Russische achterhoede echter een woord mede te spreken. Verwoed werd daar den ganschen dag gevochten; in het geheele stadje bleef geen enkel huis overeind; alles verbrandde, ook honderden zwaar gekwetsten, die dezen helschen oven niet hadden kunnen ontvlieden.

Eenmaal Brünn met geforceerde marschen bereikt, altoos Kutusof achterna, deed Napoleon zijn uitgeputte soldaten halt houden. Door die onafgebroken zware marschen was het aantal achterblijvers en maraudeurs bij de verschillende korpsen reusachtig toegenomen. Van het regiment gardejagers te paard alleen mankeerden niet minder dan vierhonderd ruiters, ruim een derde van de sterkte. Wel sloten die achterblijvers zich in de eerstvolgende dagen grootendeels weder bij hun regimenten aan, doch in de sterktestaten, welke Napoleon ontving, was het cijfer “present onder de wapens” veel te hoog, dus onbetrouwbaar. De regimentscommandanten wisten dit; alleen de omstandigheden, waarin zij verkeerden, vergoelijkten dit misbruik eenigermate. Door de snelle marschen zonder magazijnen of voertuigen kon lang niet altijd in het onderhoud van man en paard worden voorzien; dan moest vaak ver van den marschweg gefourageerd worden op een manier, die vrijwel met stroopen gelijk stond. Oogluikend werd zelfs toegelaten, dat geheele detachementen, in strijd met ’s Keizers bevelen, in den omtrek gingen maraudeeren.—De menschen en paarden moesten toch eten, werd gezegd; maar de krijgstucht leed er onder.—Dit euvel heeft Napoleon nooit kunnen meester worden. Zijn wijze van oorlogvoeren zonder magazijnen of nasleep had les défauts de ses qualités.