WeRead Powered by ReaderPub
Napoleon cover

Napoleon

Chapter 22: Hoofdstuk XVII. Jena. Berlijn. Eylau.
Open in WeRead

About This Book

The narrative presents a chronological sketch of a prominent revolutionary-era leader, beginning with family origins and youthful years and following a rapid military rise and consolidation of political power. It outlines major campaigns and diplomatic maneuvers across the continent, assessing strategic choices and battlefield episodes. It surveys governing reforms, ceremonial elevation, and personal relationships that shaped public and private life. The account traces subsequent military reversals, abdication, exile, a brief return to power, final defeat and permanent banishment, and closes with reflections on the subject's final years.

Hoofdstuk XVII.

Jena. Berlijn. Eylau.

Zooals we vroeger zagen, zou Haugwitz, de Pruisische gezant aan zijn koning de keuze laten tusschen de bekrachtiging van het met Napoleon gesloten verdrag of oorlog, maar de gezant werd naar Parijs gezonden om nogmaals de onderhandelingen met Napoleon te openen, ten einde gunstiger bepalingen te bedingen. Dit gelukte en op het einde van Februari 1806 werd een tractaat gesloten, waarbij werkelijk minder drukkende voorwaarden werden gesteld, hoewel het hof te Berlijn, in ’t bijzonder de omgeving van de koningin, het volstrekt niet met dezen “bepleisterden vrede,” zooals het tractaat door de diplomaten werd genoemd, eens was.

Dat Napoleon milder was gestemd, vond vooral zijn oorzaak in de hoop, die hij koesterde om een algemeenen vrede te verkrijgen, vooral na het optreden van den nieuwen minister van Buitenlandsche Zaken in Engeland n.l. Fox. Dat deze Napoleon had gewaarschuwd voor den aanslag van een sluipmoordenaar, die zich bij den minister had vervoegd, maar door hem direct was gevangen gezet, maakte natuurlijk op den Keizer een bijzonder goeden indruk. De onderhandelingen waren door den Keizer geopend en niets liet hij onbeproefd om tot den vrede te geraken, al gaf Engeland te kennen, zonder Rusland niets te willen doen. “Ik bied Engeland Hannover aan voor de eer van de kroon, Malta voor de eer der marine en de Kaap de Goede Hoop voor de eer van den handel” liet Napoleon zelfs door Talleyrand aan Engeland zeggen.

Met Rusland was de vrede reeds voorloopig gesloten; alleen de handteekening van Alexander moest nog onder het verdrag worden geplaatst. Alles scheen dus op vrede te wijzen en Napoleon had reeds bevelen gegeven om het Groote Leger terug te voeren naar een reusachtig kamp, dat bij Meudon in gereedheid werd gebracht, toen in begin September de politieke horizon in Europa eensklaps weer werd verduisterd.

Fox, reeds weken ziek, was door de geneesheeren opgegeven; de oorlogspartij in Engeland, onderricht van Ruslands vredesplannen, had dit rijk nadrukkelijk in herinnering gebracht, dat, indien er sprake was van vrede met Frankrijk, deze volgens de bestaande verdragen door de beide mogendheden tegelijk moest worden gesloten; Engeland had bij de loopende onderhandelingen met Napoleon ditzelfde beginsel vastgehouden en dit verlangde zij nu ook van zijn bondgenoot.

Het voorloopige tractaat met Rusland kwam dus ongeteekend terug. Engeland begon de onderhandelingen op de lange baan te schuiven; allerlei geruchten van groote krijgstoerustingen in Pruisen deden tegelijkertijd de ronde; een bevel tot mobilisatie werd gegeven en alles was reeds in volle werking om zich tot den oorlog voor te bereiden. Toch reeds achterdochtig van aard, begon Napoleon aan verraad te denken, gaf dus contra-order en liet zijn leger blijven, waar het was.

Aan den Pruisischen gezant gaf hij op diens vragen onomwonden te kennen, dat er van al de praatjes, die de dagbladen betreffende zijn plannen uitstrooiden, slechts één waar was. Hannover had hij terwille van den vrede inderdaad aan Engeland aangeboden met het plan Pruisen voor dit verlies schadeloos te stellen. Ook was hij bereid zijn leger over den Rijn te doen teruggaan, mits ook Pruisen zich ontwapende, niet vroeger.

Pruisen dacht er niet over. Reeds ontstemd over de tot standbrenging van het Rijnverbond, waarbij Napoleon nooit de meening van Pruisen had gevraagd en over het mislukken van een Noord-Duitsch Verbond, waarvan de Keizer niet veel meer wilde weten, nadat de Rijnconfederatie was gevormd, wilde dit land nu eenmaal den oorlog. Schotschriften bij duizenden werden verspreid, in de dagbladen in Pruisen werd de haat tegen de Franschen aangewakkerd, in ’t bijzonder door de artikelen van von Gentz. Het was een ware oorlogskoorts, zelfs de kazernes waren politieke clubs, waar de officieren zich met groote heftigheid uitlieten over Napoleon, “die niet waardig was korporaal te wezen in ’t Pruisische leger!” Inmiddels was Fox den 13en September overleden. “Was hij blijven leven, de vrede zou tot stand zijn gekomen,” zei Napoleon; thans waren alle kansen daarop verdwenen en de oorlog was aanstaande. De verantwoordelijkheid van het uitbreken van dezen oorlog droeg de keizer van Frankrijk niet; nog was hij niet ontrouw aan hetgeen hij na den vrede van Presburg Europa had toegeroepen: “De militaire glorie heb ik uitgeput.” Europa kon nu eenmaal Frankrijks grootheid en Napoleons invloed niet dulden en het vasteland had den vrede leeren beschouwen als een tijdelijk bestand, waarvan Albion den duur regelde. Thans was het Pruisen, dat den strijd begon en welk land dan ook volgens de meeste historieschrijvers, ook de Duitsche, de verantwoordelijkheid droeg.

Dagelijks trokken nieuwe regimenten onder het zingen van vrijheidsliederen door Berlijn naar de grenzen. Enkele officieren van de garde gingen in hun overmoed zoo ver, dat zij hun sabel scherpten op de trappen van het gezantschapshotel. De koningin kon men telkens in de uniform van haar lijfregiment te paard bij de troepen zien; prins Ludwig zette openlijk tot den oorlog aan. Geheel Berlijn blaakte ten slotte van krijgsvuur en vaderlandsliefde en eischte met het leger samen met luider stem den oorlog.

Wel had de koning getracht den naderenden storm te bezweren en zijn omgeving tot kalmte te stemmen, maar ten slotte was hij bezweken voor den drang van alle zijden op hem uitgeoefend.

Den 18en September vertrokken de koning en de koningin uit Berlijn, zooveel personen met zich meevoerende, dat een ooggetuige het “een ware diplomatieke colonne noemde.” Behalve de troepen waren ongeveer 2000 personen aan het hoofdkwartier verbonden; het was alsof men een “galamanoeuvre” ging bijwonen. Overal werden feesten gegeven en men brandde van verlangen de tegenpartij te vernietigen. Dat de koningin met groot gevolg ook mee ging was natuurlijk tot schade voor de bewegingen, maar het had niet geholpen, haar daarvan te weerhouden.

Weldra volgde Napoleon het voorbeeld van den koning van Pruisen en vertrok, door Joséphine, Jérome en Talleyrand vergezeld, den 25en September uit Parijs naar Maintz, waar hij van zijn vrouw afscheid nam en naar het tooneel van den oorlog vertrok. Alleen de keizerlijke prinsessen met de Cambacérès bleven achter, terwijl aan Junot het bevel over de krijgsmacht in Parijs was opgedragen.


Jérome had toch eindelijk ingezien, dat er met Napoleon niet viel te spelen en het noodzakelijk was, wilde hij niet geheel uit de gratie komen, naar Frankrijk terug te gaan. Het was hem reeds ter oore gekomen, dat hij van het erfrecht was uitgesloten en hierover had hij zich bij Talleyrand beklaagd. Mocht hij nog zonder Miss Patterson in Frankrijk terugkomen, had Napoleon laten weten, dan zou alles vergeven en vergeten zijn. Jérome kwam bovendien in een moeilijke positie, want in alle couranten was het publiek gemaakt, dat het huwelijk niet werd erkend en waardeloos was. Door onverwachte overkomst hoopte Jérome nog, dat Napoleon eenmaal voor ’t feit geplaatst, wel zijn goedkeuring zou verleenen, maar daar was geen sprake van, want alle maatregelen waren genomen om te beletten, dat zijn vrouw in Frankrijk kwam. Zoo zien we Jérome in Parijs terug, terwijl zijn vrouw zich nabij Londen vestigt, waar zij Juli 1805 het leven schenkt aan Jérome Napoleon Bonaparte. Terwijl de Keizer zijn broer weer in genade aanneemt en hem royaal uit de “grande cassette” bedenkt, gaat zijn vrouw naar Amerika terug, onder het genot van een jaargeld, dat de Keizer haar schenkt en dat ook tot 1814 aan haar is uitbetaald.

Hopende, dat Jérome zijn Amerikaansche Miss maar spoedig zal vergeten, zendt Napoleon zijn broer weder naar zee, met de bestemming in de toekomst vloten te dirigeeren. Jérome is echter nog niet veel verbeterd en hangt de groote heer uit, gebruik makende van zijn naam en van de wetenschap, dat hij bij Napoleon goed staat aangeschreven. Eerst belast met het afhalen van vrijgemaakte slaven uit Algiers, zien we hem daarna ingedeeld bij een eskader onder bevel van den vice-admiraal Willaumez, dat gedurende eenige maanden zee moet kiezen om den handel van den vijand afbreuk te doen. Jérome heeft eerst niet veel zin en leidt in Parijs en daarna te Brest een leventje van den vroolijken Frans, totdat Napoleon hem eindelijk dreigt voor schulden te laten gevangen zetten als zijn toelage niet toereikend is, waarop hij als kapitein van een der schepen met het eskader zee kiest. (December 1805). Wel zijn de orders voor de behandeling van Jérome zeer streng, maar Willaumez kan het ook niet best met hem vinden en ondervindt al spoedig, dat Jérome toch niet naar hem luistert.

Reeds in Augustus keert Jérome naar Frankrijk terug en wordt door Napoleon, die het al erg prachtig van hem vindt, dat hij eenige schepen van een Engelsch convooi heeft genomen, uitstekend ontvangen. Intusschen is Napoleon druk bezig geweest om zijn huwelijk met Miss Patterson door den paus nietig te doen verklaren, maar deze vindt tot groote ontstemming van den Keizer, geen termen aan het verlangen van hem te voldoen. Toch moet het geschieden, want een huwelijk met de dochter van den koning van Wurtemburg is in voorbereiding en in afwachting van de nietigverklaring, hetgeen den 6en October 1806 door een doctor in het canonieke recht geschiedt, vergezelt Jérome zijn broer naar Maintz en maakt hij een gedeelte van den a. s. veldtocht mede als commandant van een der legerkorpsen.


Bewonderenswaardig zijn de maatregelen thans in enkele weken door Napoleon getroffen, om zelfs voor een oorlog tegen een nieuwe coalitie gereed te wezen.—De garde infanterie transporteert hij in zes dagen van Parijs naar den Rijn op duizenden karretjes, die ieder tien man kunnen vervoeren. Ieder man is voorzien van drie paar schoenen. De meegevoerde bagage is gering. Twee voertuigen per bataljon, één per escadron transporteeren brood, voldoende voor verscheidene dagen. De voorraad wordt telkens aangevuld.—Overigens leven man en paard van ’t geen het land oplevert, zoogenaamd “van den waard.” Massa’s graan, bergen beschuit werden langs den Rijn bijeengebracht, naar Maintz en van hier, de Main op, naar Würtzburg verscheept en in magazijnen opgeslagen.

Aan Eugène schreef Napoleon uitvoerig wat hij had te doen, als Oostenrijk hem mocht aanvallen. Louis moest tegenover een inval der Engelschen bij Utrecht een leger van ± 20.000 man, Hollanders en Franschen, bijeenbrengen, dan te Wezel een divisie van 10.000 man bijeenbrengen en met deze en de Hollanders te zamen een aanval op Westphalen voorwenden. Eindelijk zou Mortier bij Maintz met Louis bij Wezel verbinding onderhouden en door zijn tegenwoordigheid aldaar de vorsten van het Rijnverbond geruststellen.

Ook de verdediging der kust werd niet vergeten. Hiertoe dienden o. a. Brune met 18000 man bij Boulogne en een afdeeling van circa 6000 nationale gardes bij St. Omer.

Ten slotte hield de Keizer nog de beschikking over bijna 200.000 soldaten, die uit de lijn Bamberg-Bayreuth door de passen van het Thüringerwoud Saksen zouden binnenrukken.—De keurvorst, een verstandig, eerlijk man, was door het hof van Berlijn vrijwel gedwongen geworden voor Pruisen partij te kiezen.

Te Würtzburg hield Napoleon inspectie over zijn korpsen. Nog nooit had hij tegenover de Pruisen in ’t veld gestaan; hun leger had een goeden naam, vooral de ruiterij moest uitstekend wezen, veel beter dan de Fransche; de officieren heetten dapper en volkomen berekend voor hun taak. Deze zwetsten er op los, dat het kraakte.—“Gevormd in de school van den grooten Frits zouden zij aan die Fransche benden, die tot nog toe alleen Oostenrijkers en Russen, dus ongeoefende, laffe soldaten tegenover zich gevonden en daarom bij Ulm en Austerlitz overwonnen hadden, nu eens laten kijken wat de Pruisen waren!”

Napoleon geloofde wel iets van al die geruchten, en niet wetende of hij tegen Pruisen alleen of tegen dit land, vereenigd met Oostenrijk en Rusland zou moeten strijden, maakte hij zijn macht dus zoo sterk mogelijk en marcheerde in een driehoek met de top gericht op den onzekeren vijand, Oostenrijk en met de basis naar den zekeren tegenstander Pruisen. Op deze wijze kon hij in zeer korten tijd het eene onderdeel steun laten verleenen aan het andere, al naarmate dit noodig zou blijken.

Telkens als hij zijn eigen troepen zag, wekte hij ze met enkele hartelijke woorden op om ook hen te wijzen op den gewichtigen strijd, die aanstaande was.

“Ha, mijn oud 44e!” klonk het o.a. tegen dit brave regiment van Augereau. “In jelui gelederen zie ik de meeste chevrons (voor dienstjaren en veldtochten). Jelui drie bataljons tellen bij mij dan ook voor zes.”

“Dit zullen we u voor den vijand bewijzen!” was het antwoord. Tegen het 7e, bijna alle mannen uit Languedoc en de Pyreneën zei hij: “Dit zijn nu de beste loopers van mijn armee; achterblijvers hebben ze nooit, vooral niet als ’t op den vijand in gaat. Maar grooter schreeuwers en brutaler stroopers dan jelui ken ik óók niet!”—“Dat is waar! Dat is waar!” riepen de soldaten in koor, want allen hadden een kip, een gans of een eend op den ransel, gestroopt bij de boeren onderweg.—’t Was een ernstig misbruik, doch magazijnen voerde de Keizer op zijn snelle tochten niet mede, en de soldaat moest toch eten!

Die massa krijgers samen te trekken op één punt, den aanvoer van levensmiddelen, fourage, paarden enz. te regelen vorderde veel arbeid. Een blik op de machine, die dezen verrichtte, op Napoleons generalen staf, mag hier dus een plaats vinden.

Duroc, de hofmaarschalk, was chef van het personeel van het hoofdkwartier en vergezelde evenals de opperstalmeester de Caulaincourt, die voorzien was van de kaarten van het terrein, den Keizer overal. In het rijtuig van dezen kon men liggen. Berthier of Murat zat meestal bij hem; naast het portier reed de Caulaincourt. In lederen tasschen voerden twee garde-jagers te paard kaarten en papieren mede. Een piket jagers vormde de bedekking; daarachter kwamen de stalmeesters met de rijknechts en de bedienden. Voor zijn persoonlijken dienst had de Keizer meestal 9 paarden bij zich. Maakte hij een langen tocht in den zadel, dan stonden om de twee uur afstand versche paarden gereed.

De eigenlijke generale staf stond onder Berthier. Deze had 13 adjudanten en voorts, onder drie afdeelingchefs met vijf adjuncten, 31 officieren van den staf en 30 ingenieurs-geographen. De chef der artillerie, der genie en der intendance hadden eveneens een aantal beambten tot hun dienst. Door zulk een talrijk personeel was Napoleon bij machte officieren met bijzondere opdrachten te belasten en het verband met de onderdeelen zijner armee geheel te verzekeren.

Eenmaal ter plaatse, waar nachtkwartier zou worden gehouden, was de inrichting van het arbeidslokaal de eerste zorg. In ’t midden kwam een tafel met de beste terreinkaart, die er te krijgen was geweest, georiënteerd, de stand der korpsen met de gekleurde spelden er op aangegeven. In de hoeken kwamen de tafels voor de vier secretarissen, de eigenlijke organen voor de bevelgeving. Uit ’t geen de Keizer, heen- en weergaande, hun zeer snel in de pen gaf, moest Berthier de legerbevelen samenstellen.—Dan kwam het slaapvertrek aan de beurt; de mameluk Rustan sliep hier altoos voor de deur; vervolgens de kamer voor de officieren van dienst. De rest van het gevolg moest maar zien, hoe het onder dak kwam. Alleen voor Berthier moest steeds in dezelfde woning als de Keizer een slaapgelegenheid en een bureau gevonden worden. Werd er gebivakkeerd, dan werden vijf tenten opgeslagen, een werk- en een woontent voor den chef, één voor Berthier, twee voor het gevolg.

Jena.

Ging de Keizer in vredestijd zelden na elf uur ter ruste om tegen zeven uur op te staan, te velde veranderde hij dezen regel. Na het middagmaal, dat nooit langer duurde dan een kwartier, want hij at weinig doch schielijk en was zeer matig, ging hij liggen, stond tegen één uur op en begon dan zijn bevelen te geven. Op dit uur waren de rapporten zijner generaals ingekomen; hij kon den toestand van het geheel dus overzien; den volgenden morgen kwamen de nieuwe bevelen dan meestal zoo tijdig bij de bivakkeerende troepen, dat deze terstond in beweging konden worden gezet.

Terwijl de vijand beraadslaagt, marcheert de Fransche armee,” schreef de Keizer den 13en October, den dag, voordat bij Jena èn bij Auerstadt tegelijk de voor Pruisen noodlottige beslissing zou vallen. Te Erfurt, waar zich de koning bevond met zijn hof en zijn leger, in totaal ongeveer even sterk als het Fransche onder bevel van den hertog van Brunswijk, een ouden man, werd in de eerste dagen van October weinig anders gedaan dan beraadslaagd. Zou men door de passen van het Thüringerwoud oprukken tegen den vijand of een positie innemen op den linkeroever van de Saale, tusschen Jena en het defilé van Kösen bij Naumburg, om den vijand daar af te wachten, als hij over Weimar naar Dresden mocht willen marcheeren? Of zou men,—en dit was de vraag des konings, die het bloedvergieten tot het laatste oogenblik wilde voorkomen;—of zou men Napoleon, die scheen te aarzelen en niet aanviel, een voorstel doen om tot een overeenkomst te geraken?

De koningin en prins Ludwig, die met een ongeveer zelfstandig gebleven afdeeling bij Saalfeld stond, pleitten met de geheele oorlogspartij, veelal jonge edelen, voor den aanval; de wil des konings werd ten slotte toch gevolgd. Den 4en October verneemt Napoleon, dat Pruisen niet gesteund wordt en nu richt hij zijn legers alleen tegen Pruisen, terwijl hij zijn hoofdkwartier naar Bamberg verlegt. Hier ontvangt hij den 7en een nota, waarin hem als ultimatum verzocht wordt “tot Duitschlands geruststelling met zijn armee terug te gaan tot achter den Rijn en deze beweging den 8en te doen aanvangen.”—De Keizer werd boos.—“Prins, men daagt ons uit. We zullen zorgen bijtijds present te zijn. Den 8en gaan we niet naar Frankrijk maar naar Saksen,” zeide hij tegen Berthier.

Bevelen tot den opmarsch werden gegeven.

Nu het Pruisisch-Saksische leger zich in de lijn Jena—Weimar—Erfurt—Gotha scheen te bevinden, front naar het Thüringerwoud, besloot hij, met Murat en zijn escadrons aan de spits der middelste colonne, tot een aanval in den rug en op de flanken der tegenpartij.—“Daar lagen de aanvoerlijnen, dus de spieren des legers; deze eenmaal doorgesneden, was dit leger verlamd.”

Hij rukte met zijn hoofdmacht naar Gera, om den vijandelijken linkervleugel heen. Wel stond bij Maagdenburg een Pruisisch reserve-leger van 18000 man, doch hulp verleenen kon dit niet; daarvoor stond het te ver af. Bleef het waar het stond, dan liep het gevaar afzonderlijk te worden verslagen, wat den 17en October bij Halle dan ook is geschied.

Tegenstand ontmoette men voorloopig bijna nergens. Den 9en viel Hof met zijn groote magazijnen zonder slag of stoot in Fransche handen. Den 10en stiet Lannes met de linkervleugelcolonne bij Saalfeld op prins Ludwig en wierp hem uit zijn slecht gekozen stelling krachtig terug. Voor een gewonen generaal aangezien en tevergeefs gesommeerd zich over te geven, werd de prins, wien het aan persoonlijken moed niet ontbrak, zelf hierbij doodgestoken.

Den 13en bereikte Lannes het kort te voren door de Pruisen verlaten Jena, vernam hier, dat de linkeroever van de Saale en de smalle bergpas naar Weimar sterk waren bezet en rapporteerde dit ijlings aan Napoleon. Deze had reeds bevelen gegeven, dat zijn geheele macht den 14en de Saale zou passeeren en aanrukken op Erfurt.—Davoust had Naumburg bereikt.

“Eindelijk is de sluier weggescheurd. De vijand gaat terug op Maagdenburg!” zeide de Keizer bij de ontvangst van Lannes’ eerste, zoo belangrijke rapport.—Naar alle richtingen jagen thans zijn ordonnansofficieren,—“al rijden zij hun paarden dood,” zegt hij;—met het bevel onverwijld op te rukken naar Jena. Davoust en Bernadotte, die reeds naar het noorden zijn doorgemarcheerd, ontvangen order, als zij den 13en kanonvuur hooren, eveneens de Saale te overschrijden, want Lannes meldt thans in een tweede rapport, dat hij ieder oogenblik kan worden aangegrepen, en dat hij wel 50.000 man tegenover zich heeft.—Dan galoppeert Napoleon zelf naar Jena.—De vijand heeft het gewicht dezer plaats zeker ingezien, wil ze heroveren en hem dienzelfden dag dus nog aanvallen, denkt hij.

Prins van Hohenlohe, die den Pruisischen linkervleugel aan de Saale commandeert, heeft dit gewicht echter niet ingezien en is met zijn armee, die de laatste dagen weinig te eten doch voor een vredesleger veel te marcheeren heeft gehad, zelfs teruggegaan in de richting van Weimar. Alleen detachementen voortroepen houden den westelijken uitgang bezet van den langen, nauwen pas langs den voet van den steilen Landgrafenberg, welke den eenigen toegang vormt van Jena naar Weimar.

Moet Lannes den volgenden morgen door deze engte aanvallen, dan zal dit veel bloed vorderen. Maar het geluk dient den Keizer.—Verbitterd dat Pruisen zijn vaderland in dezen oorlog heeft betrokken en dat Jena dientengevolge half in brand staat, nadert hem een Saksisch priester; die wil hem een pad wijzen, steil en zwaar doch beklimbaar en die naar den top van den ontoegankelijk geheeten Landgrafenberg voert.

Terstond wordt verkend en om vier uur staan de Keizer, Lannes en de priester op den top.

Een leger, wel 50.000 man, zooals Lannes heeft geschat, ligt, slechts door een terreinplooi van hen gescheiden, in de vlakte gebivakkeerd. De Keizer meent, dat dit de vijandelijke hoofdmacht is en geeft bevelen. Terstond wordt het steile bergpad bij fakkellicht onder zijn persoonlijk toezicht met bijl en houweel zoover verbreed en verbeterd, dat zelfs de paarden en voertuigen er langs kunnen, en lang vóór het aanbreken van den volgenden dag staan op een klein plateau, dat afdaalt naar de vlakte, de korpsen van Lannes en Soult, de infanterie der garde en de voorste divisie van Augereau, zoo dicht opeen, dat de ransels elkander bijna raken, zoo beperkt is de ruimte. De veldheer zelf bivakkeert midden in een carré zijner garde.

Nog heden wordt dit plateau Napoleonsberg genoemd. Een hoop rotsblokken wijst de plaats aan, waar de Keizer sliep.

Nog lag een dichte nevel over alles, toen zijn leger zich begon te ontwikkelen, om voor de eerstvolgende divisie ruimte te maken; weldra brak de zon door en kon Hohenlohe zien, dat de Keizer, dien hij alleen door den bergpas van ’t Mühlthal had verwacht, met een dichte zwerm tirailleurs voorop, een vechtwijze, bij de Pruisen toen zoo goed als onbekend, snel op hem aanrukte.

Weldra was het gevecht algemeen. In weerwil van het voorbeeld hunner officieren vocht de Pruisische infanterie slecht; de cavalerie maakte het niet veel beter. Bij herhaling bracht een chargeerend regiment, onder luid geschreeuw aangezet, het niet verder dan tot op vijftig pas van de Fransche carré’s. Dan hield het halt. Die Fransche infanterie, onwrikbaar als een levende muur den storm afwachtend, oefende een overweldigenden indruk op de ruiters; ze maakten “keert.” Dit oogenblik verbeidden de carré’s—Aan! Vuur!—Het doodende salvo kraakte, een hoonend gelach volgde en de escadrons spatten uiteen.

De Saksers maakten het heel wat beter; doch toen Ney naderde, toen Murat met zijn cavalerie ten slotte eveneens in het gevecht trad, en de reserves oprukten, was het pleit ook hier weldra beslist. Een wilde aftocht naar Weimar begon. Wel trachtte de dappere generaal Ruchel met zijn korps de krijgskans nog te keeren, maar een kogel velde hem neder.

Om vier was alles afgeloopen. In onbeschrijfelijke wanorde vloden de Pruisen. Geheele batterijen gaven zich over. De weg naar Weimar, het nieuwe Athene met zijn bevolking van geleerden en kunstenaars, was bedekt met vluchtelingen van alle wapens; daar tusschen in Murats kurassiers, met den zwaren pallas alles neerstekende wat hun in den weg kwam.—Het leger van Hohenlohe was vernietigd. Honderden officieren waren, strijdende als helden, aan het hoofd hunner mannen gevallen.—Van het Fransche leger, op het gevechtsveld aanwezig, had weinig meer dan de helft aan den strijd deelgenomen; de garde in ’t geheel niet.

Te Jena ontving Napoleon de tijding van een tweede nog luisterrijker overwinning, dienzelfden dag door Davoust bevochten.—Niet de Pruisische hoofdmacht had hij verslagen, slechts een sterke achterhoede, bij Jena achtergelaten om den aftocht te dekken van het gros. Dit was den 13en van Weimar naar Freiburg op marsch getogen en had dien avond pas Auerstadt bereikt.

Het défilé van Kösen in de rechterflank aan de Saale zou men den volgenden dag wel nemen, dacht men; dit was door de Franschen slechts zwak bezet.

Maar bij Naumburg stond Davoust; ook Bernadotte naderde hier eveneens met zijn korps.—Wel ontving Davoust dienzelfden nacht nog een order uit het bivak bij Jena om naar Apolda te rukken en, bevond Bernadotte zich bij hem, met dezen gezamenlijk, maar aan deze order stoorde de prins van Ponte-Corvo zich niet. Zijn order luidde: naar Naumburg, en als een bekrompen soldaat, niet als een denkend maarschalk van Frankrijk, ging hij derwaarts op weg en liet zijn krijgsmakker den volgenden morgen alleen staan tegenover de overmacht.

In dichten nevel gehuld, begint Davoust den 14en om zes uur door het defilé van Kösen naar Apolda te marcheeren, stuit bij Hassenhausen op de cavalerie van Blücher, die ongeveer op hetzelfde uur is opgebroken en nu ontspint zich daar een gevecht, zoo verwoed en zoo verliesrijk, als nog bijna niet is voorgekomen. Ook hier leggen de logge Pruisische liniën en diepe colonnes het af tegen de zooveel beweeglijker Fransche infanterie, tegen de zwermen vlugge tirailleurs, welke deze legerdrommen met hun vuur van alle zijden verliezen toebrengen. Zij bieden zelf een zeer weinig kwetsbaar doel aan en terwijl zij overal dekking vinden, verdedigen zij Hassenhausen urenlang als helden. Ook hier rennen de Pruisische ruiters, al tellen ze duizenden, al voert Blücher, een tweede Murat, ze zelf aan, zich te pletter tegen die als uit graniet gehouwen carré’s, die de charge bedaard en zwijgend afwachten, hun doodende salvo’s dan op den kortsten afstand afgeven, zich zoodoende vaak door een dam van doode mannen en paarden omsluiten, maar die niet zijn neer te sabelen, omdat ze niet uiteengaan, en die eerst ineenzinken, als het kanon ze te pletter schiet.

In weerwil van Blüchers voorstel om met zijn gansche cavalerie nog één beslissenden aanval te doen en de, door het ongelijke, urenlange gevecht, zwaar geschokte tegenpartij, onder den voet te rijden, geeft de koning, die zich met zijn hof in de nabijheid ophoudt, bevel tot den aftocht naar Weimar, onbewust dat Murat op datzelfde uur alles neersabelt wat de Pruisische uniform draagt en dus zelfs de Hessen niet spaart, die toch strijden aan Frankrijks zijde, maar in kleeding niet van de Pruisen verschillen.—

Als de overblijfselen der twee bij Jena en bij Auerstadt geslagen legers op den weg naar Erfurt op elkander stuiten, ontaardt de terugtocht in een teugelooze vlucht. Moed, gehoorzaamheid, discipline, alles verdwijnt; het komt tot tooneelen, waarvan de later zoo beroemd geworden Pruisische generaal von Gneisenau zeide: “Liever duizendmaal sterven dan nog één zoo’n nacht doorleven.”

Saksen.

De Pruisische generaals, kort te voren nog zoo prat op hun eigen onoverwinnelijkheid schenen eensklaps alle vertrouwen, alle weerstandsvermogen te hebben verloren. Binnen een maand tijd vielen al de groote vestingen van Pruisen tot aan de Oder bijna zonder slag of stoot in de handen der Franschen. Den 7en werd de vrije stad Lübeck, waarheen Blücher geweken was, door Bernadotte met storm genomen en geplunderd, den 8en gaf Maagdenburg zich over. ’t Kwam in één woord tot een reeks van die smadelijke capitulaties, welke den Keizer terecht deden zeggen: “Belegeringsartillerie hebben wij niet noodig; huzaren veroveren hier de vestingen.”

Alle historieschrijvers zijn het erover eens, dat verraad, lafhartigheid en gebrek aan plichtsgevoel de oorzaken waren van de overgave van steden en legerkorpsen.

Tevergeefs vroeg de koning om vrede. Diep terneergeslagen zocht hij met zijn half wanhopig geworden gemalin eindelijk een toevlucht binnen de citadel van Graudentz aan de Weichsel.

Den 25en kwam Napoleon te Potsdam, bezocht het grafgewelf, waar in een eenvoudigen, houten kist zonder eenig versiersel het stoffelijk overschot van den Grooten Frederik rustte, en legde beslag op den koppel met degen, door dien vorst in den Zevenjarigen Oorlog gedragen, alsmede op het groote lint zijner decoraties, op de kist aanwezig.—“Die voorwerpen geef ik aan ’t Hôtel der Invaliden,” zeide hij. “Ik heb ze liever dan twintig millioen francs; en de oude soldaten uit den oorlog in Hannover zullen met vromen eerbied de eereteekenen aanvaarden, die toebehoord hebben aan een der eerste veldheeren, van wie de geschiedenis de herinnering zal bewaren.”

Door Davoust als voorhoedecommandant voorafgegaan, gevolgd door zijn maarschalken in hun rijk met goud bestikten rok, hij zelf in de eenvoudige uniform van kolonel der jagers te paard, trok hij twee dagen later Berlijn binnen. De adel was gevlucht; maar het volk stond van af de Charlottenburgerpoort tot aan het koninklijk paleis in breede rijen, de vensters der huizen waren dicht bezet met dames en heeren uit den rijken burgerstand, begeerig den man te zien, die de vorsten van Europa deed sidderen op hun troon, en zijn soldaten, zijn grenadiers der garde, de reusachtige kurassiers van Hautpoul vooral, die, tot aan den gordel in ’t staal, op hun forsche paarden aan riddergestalten uit de oudheid deden denken.

Geen vleiend gejuich maar ook geen enkele kreet van haat ging op uit dien menschendrom bij ’t zien van al die vreemde soldaten met hun gebronsde gezichten, en kloeken, fieren stap, de half aan flarden geschoten vanen boven hen wapperende in den wind. Doch toen de gevangenen voorbijtrokken, de adellijke garde des konings, enkele dagen te voren nog zoo vol trots en overmoed, te paard de sabel zwaaiende en zwetsende tegen de Franschen, thans met neergeslagen oogen, te voet en ontwapend den overwinnaar volgende op zijn zegetocht, schoten menigeen de tranen in de oogen. Hoe grenzenloos diep was ’t vaderland vernederd!—Doch één gebleven was de natie, één met zijn vorst! Dit schonk nog hoop op een betere toekomst.

Napoleon was edelmoedig te Berlijn. Onverbiddelijk gestreng moest Davoust optreden tegenover iederen aanslag op het eigendom der burgerij. Weldra waren de winkels dus weder geopend en hernam alles ongeveer zijn gewonen loop. Maar de adel moest boeten.—“Deze alleen is de schuld van Duitschlands rampen, die heeft het gewaagd mij uit te dagen tot den strijd en zal ik tuchtigen, tot hij zijn brood moet bedelen in Engeland,” zeide hij.—“U ziet nu eens wat de oorlog beteekent, mevrouw,” had de groot-hertogin van Saksen reeds te Weimar van hem moeten hooren, toen zij, verdacht van aanzetten tot den krijg, haar onderdanen in zijn genade aanbeval. Even ijskoud was zijn antwoord geweest aan den gezant van den bij Auerstadt zwaargekwetsten hertog van Brunswijk, die iets dergelijks kwam verzoeken.—“Zeg uw heer, dat ik hem zal behandelen met al de onderscheiding, waarop hij als een terecht beroemd doch door het ongeluk getroffen legerbevelhebber kan aanspraak maken, maar in een Pruisisch generaal zie ik geen regeerend vorst.”

Weldra ontbood hij Talleyrand bij zich; weder trad de staatsman voor den veldheer in de plaats.—Terwijl een deel van het leger na een korte rust opbrak maar Silezië, een ander naar Posen om front te maken tegen Bennigsen, die met zijn Russen op Warschau aanrukte, vaardigde hij den 21en November te Berlijn een decreet uit tot blokkade van Engeland, het zoogenaamde Continentale Stelsel. Alle briefwisseling, alle gemeenschap, alle handel met dit rijk werd hierbij in zijn staten verboden; iedere Engelschman, aangetroffen in een door Fransche soldaten bezette streek, werd krijgsgevangen gemaakt, alle koloniale waren van Engelschen oorsprong werden verbeurd verklaard.

Deze maatregel, die geheel Europa deed ontstellen en aan den handel voor millioenen schade toebracht, was zijn antwoord op Albions voortdurend streven om, al miste het hiertoe de noodige schepen, de andere mogendheden den handel op Frankrijks havens en de vrije vaart ter zee te beletten.—Op alle gebeurlijkheden voorbereid, vroeg hij Oostenrijk, dat zich in Bohemen op verdachte wijze begon te wapenen, tevens hiervan rekenschap, beduidde het, dat een strijd tusschen hem en Rusland, Oostenrijks belangen niet kon schaden, zette sultan Selim aan tot een oorlog met Rusland, schiep hierdoor tevens een bedreiging voor Oostenrijks belangen in het Oosten, gaf Eugène order het leger in Italië te mobiliseeren en riep een nieuwe lichting,—die van 1807—onder de wapenen. ’t Was een half jaar te vroeg, doch “dan leerden de jongens al vast iets.”—Daarop begon hij Rusland onder handen te nemen.

Reeds was een groot deel zijner armee op weg naar de Weichsel. Versterkingen aan troepen en reusachtige voorraden schoeisel, kapotjassen en ondergoed volgden denzelfden weg.

Eindelijk vertrok hij zelf naar Posen, hier hoopte hij den Rus slag te leveren.

Te Berlijn liet Napoleon een goeden indruk achter. De prins von Hatzfeld, hoofd van ’t civiele bestuur aldaar en door hem in zijn functie gehandhaafd, had den eed van trouw aan hem verbroken, verraad gepleegd en den prins van Hohenlohe per brief ingelicht omtrent de opstelling der Franschen in den omtrek der stad.

Hij had dezen brief in handen gekregen en Berthier bevolen den prins te laten arresteeren en te doen vonnissen, “als een les voor andere adellijke burgemeesters,” die zijn voorbeeld mochten willen volgen. Voor Berthiers vergoelijkende woorden was hij volkomen doof geworden.

Toen hadden Rapp, Caulaincourt en Savary een middel bedacht den prins, met wiens vrouw zij medelijden hadden, te redden. Reeds was de krijgsraad bijeengeroepen en wachtte die nog alleen op den bewusten brief om te handelen, toen mevrouw Hatzfeld, onderricht van het gevaar, dat haar man dreigde, door Duroc geleid, in de vestibule van het paleis voor Napoleon verscheen, op een oogenblik, dat deze terugkeerde van een rit om de stad. Verrast en thans gedwongen haar te ontvangen, verleende hij haar gehoor in zijn kabinet.

Hier bezwoer de prinses hem, dat haar man onschuldig was. Napoleon kreeg medelijden met haar en gaf haar den geduchten brief.—“Onschuldig, mevrouw? Herkent u het schrift van uw man?” Toen de arme alleen met tranen wist te antwoorden vervolgde hij: “Werp dat stuk in ’t vuur, dan heeft de krijgsraad geen bewijzen meer.”

Berlijn had dit vernomen; het was den als zoo bloeddorstig en zoo wreed geschetsten man erkentelijk.

Tegenover den keurvorst van Hessen-Kassel, dien vorstelijken, maar verradelijken handelaar in soldaten, was hij niet zoo genadig geweest.

“Dit keurvorstendom heeft opgehouden te bestaan!” was al wat de generaal Mortier bij ’t binnenrukken van Kassel op zijn last aan den prins had te verstaan mogen geven; Mortier had Kassel bezet en het leger ontbonden. “Dit was een verrader minder in zijn rug” zei Napoleon.


Thans zou het dus gaan tegen de Russen, een winterveldtocht weder.

De indruk, dien de soldaten van Pruisisch-Polen ontvingen, was alles behalve gunstig. Ten oosten van de Oder vonden ze geen straatwegen meer, voortdurend moest door los, mul zand gemarcheerd worden of, als het weder omsloeg door taaien modder. Een groot deel van het land lag braak; reusachtige wouden wisselden af met lage, moerassige terreinen, waarin man en paard vaak reddeloos wegzonken. De weinige bewoners, die zij er aantroffen, waren zoo in-morsig en in-smerig, dat er bijna geen woorden voor waren te vinden. Midden November werd het weer, aanvankelijk zeer mooi, plotseling afschuwelijk; het regende of sneeuwde voortdurend. Bij enkele korpsen begonnen de levensmiddelen schaars te worden. Van een slok wijn was reeds lang geen sprake meer; het bier was ondrinkbaar; de kwartieren waren nauwelijks goed genoeg voor een varken; daarbij werd er geen brood meer verstrekt, en het drinkwater was half slijk. Toch verloren de soldaten hun opgewektheid, hun humor nog niet.—“Wat blief? Noemen de Polen dit een vaderland? Je moet maar durven!” zeiden ze lachend.

Slag bij Eylau.

Na het gevecht bij Golymin (26 December) en bij Pultusk veranderde de stemming echter. Geen scherts was het toen meer, als Napoleon onder het voorbijrijden hoorde zeggen: “Dat ’t in zijn bovenkamers zeker niet pluis was, om hen zonder brood langs zulke wegen te laten marcheeren.”—Aardappelen en sneeuwwater waren reeds het gewone voedsel; het gansche land was letterlijk één reusachtig, ondoorwaadbaar moeras geworden. Wel werd er gevochten doch tot een beslissing kwam het niet; de schier grondelooze wegen beletten elke beweging. Tijdens het gevecht bij Golymin had Napoleon zelf ondervonden wat “dat Poolsche slijk” beteekende; met zijn garde was hij over een afstand van nog geen twee uur gaans in rechte lijn toen een ganschen nacht onderweg geweest. De vuurmonden waren bijna niet meer te bewegen; de troepen hadden bijna niet meer te eten; ook aan schoeisel was groot gebrek en de mannen waren uitgeput van vermoeienis en ellende.—Dit kon zoo niet langer. Van de poorten van Warschau tot bij Dantzig, waar de oude, onversaagde veldmaarschalk von Kalkreuth de vaan van zijn ongelukkigen koning nog altijd hoog hield, werden dus kantonnementen betrokken. Napoleon keerde terug naar Warschau, waar hij vroeger reeds een tijdlang zijn hoofdkwartier had gevestigd.

In zijn verwachtingen was hij teleurgesteld; hij had gemeend, dat zijn komst in Polen de bevolking tot geestdrift opwekken en een reusachtigen opstand tegen Pruisen en Rusland ten gevolge hebben zou. Zelfs had hij den ouden patriot, Kosciusco schriftelijk verzocht zich aan het hoofd der beweging te komen stellen; en nu was er van een opstand zelfs geen sprake geweest! Alleen was een talrijke commissie uit den adel hem te Posen komen smeeken hen te verlossen van het juk der Pruisen en het land zijn onafhankelijkheid terug te geven, hierbij was het gebleven.

Met het voornemen den troon van Sobieski te herstellen en Polen zijn plaats in de rij der staten van Europa terug te geven, had hij Berlijn verlaten; doch in stilte had hij hieraan de voorwaarde verbonden, dat de bevolking eerst zelve het gehate juk zou afschudden. Nu hiervan niets was geschied, nu Kosciusco, die zijn wufte, ijdele en onstandvastige landgenooten van ouds kende, niet aan zijn uitnoodiging had voldaan, beloofde hij zelf ook niets, doch gaf alleen den wensch te kennen, dat Polen weder uit zijn asch mocht verrijzen.—Voor die terughoudendheid had hij gegronde reden. Hij diende rekening te houden met Oostenrijk, dat bij de 3e verdeeling van Polen ook een fermen brok had mede gekregen, en nu het hem in zijn plannen tegen Rusland geen belemmeringen in den weg legde, mocht dit land niet opzettelijk tot openlijke vijandschap worden geprikkeld.

Met zijn prachtige figuur en bonte uniform had Murat, de Franconi der ruiterij, zooals hij wel eens genoemd werd, te Warschau grooten indruk gemaakt. Zelfs was hij hier reeds genoemd als de aanstaande koning van Polen. Wat zou Caroline dan hebben gejuicht, als dit visioen was verwezenlijkt! Zoo ver kwam het dus nog niet. Toch had Napoleon door zijn woorden alle hoop op een dergelijke oplossing echter niet den bodem ingeslagen. Nu nog niet, dan later, werd geredeneerd en in afwachting van dien gulden tijd stroomden nu reeds dichte drommen jonge mannen naar Napoleon om bij hem dienst te nemen tegen den vijand. Generaal Dombrowski, die reeds jaren lang onder zijn vanen streed, vormde ze tot die prachtige onverschrokken Poolsche ruiterregimenten, welke later in Spanje en in Rusland de belangrijkste diensten bewezen hebben en die den Keizer tot zelfs na den slag bij Leipzig getrouw zijn gebleven.

Nog in een anderen zin vond Napoleon zich teleurgesteld. Zijn voorwaarden tot een wapenstilstand had de koning van Pruisen als te bezwarend afgeslagen, dus moest ook in Silezië de strijd worden voortgezet; eindelijk bleef Dantzig met zijn rijken voorraad wijn en graan, evenals verscheidene andere steden langs de Oostzee, voorloopig voor hem een niet bereikbare prooi.

Eenige vergoeding vond hij in het tractaat, dat hij den 11en December sloot met den keurvorst van Saksen. Hij kreeg hierdoor een vijand minder in den rug. Vrede, een koningskroon, een plaats onder de vorsten van het Rijnverbond en een unie met Frankrijk, waren het loon voor den keurvorst, die de huzaren van Murat reeds als overwinnaars in zijn hoofdstad had gezien. Ook de hertog van Saksen-Weimar verzocht thans vrede.

Napoleon deed de troepen de kantonnementen betrekken.


Opmerkelijk is ’t dat, terwijl de Egyptenaren en de Italianen zooals de opperofficieren veelal werden genoemd, die met hem aan de oorlogen in het zuiden hadden deel genomen, en vele anderen ginds allen ziek werden, hij zelf in die dagen (Januari 1807) een uitstekende gezondheid genoot. Zijn ijzeren gestel werd in dezen zwaren veldtocht letterlijk gestaald. Vaak genoeg legde hij te paard in de sneeuw op een dag dertig uur afstand af. Moest Murat met zware koortsen te bed blijven, werd Augereau door rheumatiek gekweld en was Lannes zelfs verplicht tijdelijk het commando over zijn korps over te geven, Napoleon kon Jozef schrijven, “dat zijn gezondheid nog nooit zoo goed was geweest, dat hij zich krachtiger gevoelde dan ooit, voorts dat hij dikker was geworden en ook galanter dan vroeger.” Dat hij de liefde eener vrouw slechts zelden had versmaad, was reeds bekend in Egypte, toen hij daar het hof maakte aan de vrouw van den luitenant Fourès. “Wat wilt ge? Zij was zeventien jaar, ik opperbevelhebber,” zei hij later op St. Helena, toen die minnarij ter sprake kwam. Thans te Warschau had hij door Talleyrands bemiddeling kennis gemaakt met de Poolsche gravin Walewska.

Welken indruk de Poolsche blondine met haar blauwe oogen en melancolieke trekken op den Keizer had gemaakt, blijkt wel uit zijn verzoek aan haar, bij hem te komen. “U alleen heb ik gezien, U alleen bewonderd, U alleen begeer ik” meldt hij o.a. Doen deze woorden ons niet denken aan de brieven uit Italië aan Joséphine geschreven? De rollen waren thans omgekeerd, nu is de jaloezie aan de zijde van haar, die telkens aandringt om de goedkeuring voor haar reis naar Polen; ze wil naar Napoleon gaan, bij hem zijn, ze vertrouwt de zaak niet goed; de gedachten aan een mogelijke scheiding worden weer levendig. Maar Napoleon vindt de afstanden zoo groot, het jaargetijde zoo slecht, de wegen zoo onbegaanbaar en hij weet haar ten slotte te overreden in Parijs te blijven!

Volgens vele schrijvers ondervond Napoleon van Mme Walewska die echte gedeelde liefde, die werkelijke gehechtheid, die hij noch bij Joséphine noch later bij Maria Louise heeft gevonden.

We vinden haar met Napoleon op het slot Finckenstein, altijd in ’t wit, zwart of grijs gekleed. “Zoodra mijn land herboren is zal ik immer rose dragen” geeft zij te kennen en hoewel die hartewensch van haar en haar landgenooten niet wordt vervuld, blijft ze Napoleon trouw; later gaat ze niet mee naar Parijs, al vinden we er haar in ’t begin van 1808. Nooit zal ze den Keizer lastig vallen, ook niet als haar later in 1810 een zoon wordt geboren, waarvan Napoleon de vader is. Als allen den Keizer verlaten, op Elba, zullen we Mme Walewska nogmaals ontmoeten.


Tijdens deze idylle met de mooie Polin te Warschau, vergat hij zijn door slijk en sneeuw ingesloten armee echter niet, al liepen er in Parijs allerlei geruchten over de ellende, welke de soldaten leden. Vooral door het natte weer waren de eerste dagen voor allen natuurlijk zeer taai geweest. Tegen flinke vorst zou het brandhout uit de bosschen op de bivaks als een probaat middel hebben gediend; maar koud was ’t juist niet. ’t Regende bijna alle dagen en juist die nattigheid, die den bodem doorweekte, de wegen grondeloos maakte, het transport belemmerde, in één woord op alles storend werkte, was de oorzaak van ziekten, vooral van dysenterie. Tijdelijk gebrek aan brood en het eten van te veel varkensvleesch werkten ook hiertoe mede. Juist door de zorg voor zijn zieke soldaten heeft de Keizer in dien langen winterveldtocht uitgemunt. Te Warschau, te Thorn en te Posen alleen reeds deed hij zes duizend bedden in gereedheid brengen; in de plaatsen tusschen de Weichsel en de Oder eveneens. Matrassen leverde Berlijn uit wol van ’t kroondomein en het door zijn broeder Jérome bezette Silezië gaf ruimschoots linnen voor hemden. Daru werd chef over de ziekenverpleging en werd hierin bijgestaan door een drom van geneesheeren, ziekenvaders en speciaal voor dit doel bezoldigde roomsche geestelijken. Te Warschau kwam een bakkerij voor 100.000 rations beschuit per dag, te Thorn en andere plaatsen eveneens; en levend vee was er genoeg te vinden. Langs de Oder, de Warthe, de Netze, ja, zelfs langs de Weichsel deed de Keizer wijn aanvoeren, een artikel, zoo noodig om bij de mannen den geest er in te houden en—de gezondheid. Dat de troepen langs de niet toegevroren rivieren het beter hadden dan b.v. die van Davoust en Soult, die meer in ’t binnenland stonden, is te begrijpen; doch honger werd nergens geleden.

De troepen van den onvermoeiden Ney leefden zelfs in een soort van overvloed. Vlak bij het rijke Duitsche land gekantonneerd, gingen die op sleden “den boer op” tot Koningsbergen toe; ’t was liefhebberij te zien hoe goed een echte Duitsche pompernikkel (grof brood) van een pond of wat met een gebraden ganzebout er bij aan zoo’n hongerige Fransche maag bekwam.

Bij een dier tochten in de laatste dagen van Januari 1807 stiet Ney op Bennigsen. Deze had beweerd bij Pultusk overwinnaar te zijn gebleven en had in ’t begin dezer maand het plan gevormd, met zijn macht langs de Oostzeekust marcheerende, den linkervleugel van het Fransche kantonnement, waar Bernadotte stond, aan te vallen, dien vleugel op te rollen en het leger zoodoende van Thorn en van Posen af te dringen.—’t Plan was werkelijk goed, maar ’t moest worden uitgevoerd, en—Bennigsen was nu eenmaal geen groot veldheer.

Door Ney uitvoerig ingelicht, heeft Napoleon het plan weldra doorzien. Den 27en geeft hij Bernadotte dus last, “als hij ’t niet langer kan houden, terug te gaan op Thorn” en zich hieraan vast te bijten. Aan Savary geeft hij het commando van Lannes, die nog altoos ziek is. In de voeding voor enkele dagen wordt voorzien; en den 1en Februari worden de kantonnementen overal verlaten. Bij helder vriezend weder rukt Napoleon naar het noorden, in de richting der Oostzee, “om ’s vijands centrum te doorbreken en de afdeelingen, die niet snel genoeg teruggaan, naar links en naar rechts uiteen te slaan.”—Bennigsen heeft het geluk een Franschen ordonnans-officier met orders in handen te krijgen, ziet hierdoor het dreigende gevaar en maakt rechtsomkeert. Napoleon zet hem na. Kleine achterhoedegevechten zijn hiervan het gevolg, tot Bennigsen bij Eylau ingehaald en den 8en Februari gedwongen wordt front te maken.

Wel heeft Napoleon in den avond voor den slag nauwelijks 49.000 man met 200 vuurmonden te stellen tegenover een groote overmacht, die over 500 kanonnen beschikt, doch in geoefendheid zijn de artilleristen de tegenpartij verreweg de baas; alle kans bestaat tevens, dat Ney en Davoust het slagveld vroegtijdig genoeg bereiken, om de kansen minder ongelijk te maken.

Nauwelijks is de schemering voorbij, of reeds dreunt het kanon. Om 9 uur doet Bennigsen den Franschen rechtervleugel aangrijpen; deze gaat langzaam terug op Eylau. Tegelijkertijd ongeveer begint Augereau zijn beweging; maar de heftige sneeuwstorm, die zijn krijgers in ’t gezicht slaat en hen bijna blind maakt, is oorzaak, dat hij uit de juiste richting geraakt en niet op den linkervleugel maar op ’t centrum der Russen stoot. Half vernietigd door ’t vuur, worden zijn bataljons daarop door de Russische cavalerie vervolgd juist in de richting van ’s Keizers standplaats.

Hier begint onrust te heerschen. Berthier laat de paarden reeds voorbrengen. Bessières, nog meer ontsteld, schreeuwt: “Redt den Keizer!” en roept het escorte garde-jagers naar voren. Alleen Napoleon zelf blijft bedaard. Wrevelig wenkt hij al die toebereidselen terug en laat alleen een bataljon van zijn garde vooruitgaan.—“Wat een moed! Wat een moed!” zegt hij met een blik op de naar zijn standplaats stormende escadrons. Dat zij hem zullen bereiken, ducht hij niet; zijn nooit falende blik heeft hem reeds gezegd, dat de paarden den adem en de geslotenheid zullen missen, noodig om nog tegen den heuvel op te rennen.

Door de langdurige vervolging vermoeid, houden de ruiters bij ’t zien van de infanterie der garde werkelijk hun dieren in en rijden terug.

Eerst de duisternis maakte aan de worsteling te midden van sneeuw en ijs een einde. Bennigsen trok terug; zijn verliezen waren ontzettend. Ook het Fransche leger had zwaar geleden en was zoo uitgeput, dat Murat eerst den 10en tot de vervolging kon overgaan. Het bivakkeerde, waar de duisternis het vond, op het reusachtige lijkenveld, zonder voedsel, zonder dekking, met gesmolten sneeuw tot drank. Toch waren de moed en de opgewektheid bij de mannen nog niet verdwenen.

Ook Napoleon bleef op ’t slagveld. Geheel zonder zorg was hij niet.—“Gisteren is er bij Pruisisch Eylau zeer bloedig gevochten,” schreef hij den volgenden dag aan Duroc. “Wij hebben het veld behouden; aan beide zijden is het verlies aanzienlijk. De groote afstand, die mij van Frankrijk scheidt, maakt dit voor ons toch gevoeliger.—Om gedekt te zijn tegen de kozakken en de Russische lichte troepen en om rustiger winterkwartieren te krijgen, is ’t dus mogelijk, dat ik overga naar den linkeroever van de Weichsel.”

Van dit voornemen kwam hij terug. De armee betrok kantonnementen achter de Passarge, een riviertje, dat uitloopt in ’t Friesche Haff.

In een brief aan Jozef, gaf Napoleon den toestand op het einde van Februari weder.

Veertien dagen lang ben ik niet uit de laarzen geweest. Mijn stafofficieren hebben in geen twee maanden van kleeren kunnen verwisselen. Wij zitten midden in de sneeuw en het slijk, zonder wijn, zonder brandewijn, zonder brood. Vleesch en aardappelen vormen ons maal; dagelijks marcheeren wij; dagelijks zijn wij in ’t vuur en bezitten niets om ons te verkwikken. De gekwetsten moeten vijftig uur ver in open sleden worden vervoerd (na Eylau). Klaag jij dus maar niet, want dit komt niet te pas. In Italië heb je brood en wijn, zelfs beddelakens. Wij voeren den oorlog met alle kracht doch ook met al zijn verschrikkingen en vechten zelfs tegen kalmukken en kozakken, gewapend met pijl en boog.

Vooral de officieren leden veel; zij hadden het slechter dan de soldaten. Hun eenige troost was, dat het bij de tegenpartij nòg veel ellendiger was gesteld, want voor de Russische soldaten zorgde niemand; zij stierven letterlijk van honger. Menige rampzalige kozak kwam, aan wanhoop ten prooi, bij de Fransche voorposten een stuk brood bedelen. Welnu, aardappelen hadden de Fransche schildwachten genoeg; vaak deelden zij hun portie met den vijand.

In die dagen nam het maraudeeren reusachtige afmetingen aan. Onder voorgeven van ziekte verdwenen tijdelijk duizenden soldaten uit de gelederen, staken de Weichsel over, leefden daar in de nabijheid der groote wegen op kosten van “den boer” en keerden onder de wapenen terug, als ’t weder er op los zou gaan. Enkele van die benden fricateurs hadden zich hier en daar in de dorpen zelfs verschanst en waren de schrik van de bevolking. Met de gendarmerie zijner garde zelfs kon Napoleon dien kanker in zijn leger niet de baas worden. De groote afstanden, het klimaat, het jaargetijde, de vele gevechten, kortom alles werkte mede om het kwaad te bevorderen.