Hoofdstuk XVIII.
Friedland. Tilsit. Fontainebleau.
Had de Keizer voldaan aan den wensch van Berthier, dan had hij de Weichsel tusschen zich en den vijand gebracht. Zijn positie tegenover Europa had hem echter eerst Osterode, later (in Mei) het houten kasteel Finckenstein tot hoofdkwartier doen kiezen. Hier dekte hij tegelijkertijd het beleg van Dantzig, dat de maarschalk Lefebvre sinds half Maart had ingesloten en zich eerst in het laatst van Mei overgaf en Lefebvre den titel van hertog van Dantzig deed verwerven.
Het land was toen overal droog en begaanbaar geworden; reeds had de Keizer besloten den 10en Juni opnieuw aanvallend op te treden, toen Bennigsen hem hierin voorkwam. Den 5en Juni begon hij Ney, die ver vooruitgeschoven bij Gutstadt een barakkenkamp had betrokken, te overvleugelen en te dwingen op de bruggenhoofden der Passarge terug te gaan. Tot de ontdekking komende, dat hij hier zoo goed als het geheele Fransche leger tegenover zich had en dat hij dit lang niet in getalsterkte nabijkwam, besloot hij in de richting van Wehlau aan de Pregel te retireeren en hiertoe den loop van de Alle stroomafwaarts te volgen. Terstond scherp nagezet, bereikte hij den 10en Juni een bij Heilsberg aan de Alle in gereedheid gebrachte stelling, sloeg Soult en Murat, die hem het dichtste op de hielen waren, met zwaar verlies terug, doch begon in den nacht van den 12en den afmarsch opnieuw, omdat zijn rechtervleugel daar omgetrokken en zijn positie dus onhoudbaar werd.
In de meening, dat Bennigsen op weg was naar Koningsbergen, bezield met het voornemen hem in een grooten slag te wikkelen, om aldus aan dezen langdurigen veldtocht met één slag een einde te maken, gaf de Keizer nieuwe bevelen, hoofdzakelijk ten doel hebbende zijn hoofdmacht bij Pruisisch-Eylau bijeen te brengen. Tegelijkertijd begon Murat den Pruisischen generaal Lestocq, die aanvankelijk op Bennigsens rechtervleugel had gestaan en dezen ook reeds in Februari bij Eylau had ondersteund, terug te dringen naar bovengenoemde stad en bleef Lannes met zijn schier onvermoeide grenadiers, de divisie Oudinot voorop, Bennigsen dicht op de hielen. Reeds den 13en ’s avonds kon hij zijn Keizer melden, dat de tegenpartij bij Friedland scheen stand te houden.
Omtrent diens bedoelingen verkeerde Napoleon echter nog in onzekerheid; dat die met zijn hoofdmacht stond bij Friedland, geloofde hij dus niet dadelijk; hij zond Lannes daarom aanvankelijk alleen de cavalerie-divisie van Grouchy tot steun, en beval hem Friedland te bezetten.
In den vroegen morgen van den 14en Juni verscheen de spits van Oudinots grenadiers dus bij den Molenvliet, een beekje, dat ten westen van de stad uitloopt in de Alle. Deze maakt op die plaats een scherpe bocht naar het oosten, wendt zich dan weder naar het noorden en doet aldus een driehoek ontstaan, met de stad ongeveer in den top. Op deze ruimte werd Bennigsen thans zelf de oorzaak van zijn ongeluk.
Niet kunnende aannemen, dat de Fransche infanterie in slechts twaalf uur tijd een afstand had afgelegd, die van zijn mannen een etmaal had gevorderd; niet wetende, dat de Keizer met zijn hoofdmacht hem reeds zóó dicht was genaderd, meende hij, dat het korps van Lannes alleen stond. Greep hij dezen aan dan dacht hij, hier een klein succes te kunnen behalen.
Hij begon zijn leger dus over de rivier en door Friedlands straten heen naar de basis van den bovengenoemden driehoek te brengen. Reeds dadelijk stieten zijn voortroepen echter op die van Lannes en op die van Mortier, die intusschen eveneens was genaderd. Zij gingen dus terug.—Uren liet hij onder een staand vuurgevecht nu voorbijgaan, zonder iets van belang te ondernemen.
Tegen den middag bereikte de Keizer het slagveld; om drie uur had hij zijn korpsen verzameld en gaf hij weder een gevechtsbevel uit, duidelijk, zakelijk en als altoos kort, de uitvoering geheel overlatende aan zijn korpscommandanten, in één woord een model van die soort van bevelen.—Om vijf uur zou een salvo uit al zijn vuurmonden het teeken geven voor den aanval.
Reeds heeft Bennigsen, die zijn gevaarlijken toestand inziet, bevel gegeven tot den terugtocht over de Alle, en is met dezen een aanvang gemaakt, als Ney, dicht langs den linkeroever van de Alle marcheerende, op Friedland afkomt en hem dwingt weer front te maken. Wel brengt het kanonvuur, van de overzijde van het water op Ney’s troepen afgegeven, deze in massa tot wijken, doch de artillerie van Victor dooft dit vuur weldra. Diens voorste divisie (Dupont) breekt zich midden door Ney’s wijkende afdeeling baan en werpt de Russen door het brandende Friedland terug op de bruggen. Deze geraken ten deele in brand.
De avond van Friedland.
Bij den rechtervleugel der Russen, die dit ontwaren, ontstaat een paniek; en als ’t dien avond half elf slaat, is Bennigsen, ziek naar lichaam en ziel, met het overschot van zijn leger in vollen aftocht naar den Niemen. Tachtig vuurmonden heeft hij verloren; meer dan twintig duizend zijner soldaten zijn gekwetst, gesneuveld of in de Alle verdronken.
Had de Keizer al zijn cavalerie bij de hand gehad, dan zou er van het leger weinig zijn terecht gekomen; doch Murat stond bij Koningsbergen; en van de escadrons, die aan den slag hadden deelgenomen, was dat zware werk niet meer te eischen. Na een langen nachtmarsch om Friedland te bereiken, waren ze circa zestien uur in gevecht geweest. Een krachtige vervolging bleef dus achterwege. Bennigsen kreeg hierdoor een voorsprong van ruim twaalf uur, die niet meer was in te halen.
De tijding der nederlaag bij Friedland was oorzaak, dat Koningsbergen met zijn ontzaglijken voorraad graan en wijn, met 100.000 even te voren uit Engeland ontvangen geweren en honderden zieken en gewonden, afkomstig uit den slag bij Eylau, zich overgaf.
Het Pruisische hof was reeds vroeger naar Memel gevlucht. De koning had zijn gemalin hier achtergelaten en was alleen doorgereisd naar zijn bondgenoot, die, misleid door Bennigsens beloften, zijn leger naar den Niemen was tegemoet gegaan, in de stellige verwachting het als overwinnaar te begroeten. Thans kon Alexander het den 18en Juni de grensrivier zien overschrijden, verslagen, ontmoedigd, luidkeels om vrede roepende en vragende “waarom het moest vechten voor de Engelschen, die altoos hulp beloofden maar deze niet zonden en die alleen dachten aan ’t inpalmen van koloniën.”
Hij was diep terneergeslagen; en Frederik Wilhelm, die in stilte op zijn hulp had gehoopt om te overwinnen en die daarom Napoleons voorstellen had afgewezen, begreep thans, dat hij het gelag zou moeten betalen. Beide vorsten zagen tevens in, dat breken met Engeland en vrede sluiten met den Keizer voor hen een gebiedende eisch was geworden. Van een en ander was het gevolg dat Napoleon, die Tilsit aan den Niemen den 19en had bereikt, hier reeds zeer spoedig van hen een voorstel ontving tot het sluiten van een wapenstilstand, die weldra door een vrede zou worden gevolgd.
Met groote ingenomenheid, doch voor ’t oog zeer koel, begroette Napoleon dit voorstel. De afgezanten ontving hij zeer hoffelijk; vooral veldmaarschalk von Kalkreuth viel een bijzondere onderscheiding ten deel. Zooals de Keizer het uitdrukte, was hij de eenige vijandelijke officier, die de Fransche gevangenen goed had bejegend. De voorwaarden van de wapenstilstand werden geteekend.
Dit belette niet, dat Napoleon, immer waakzaam, zijn troepen aan den Niemen samentrok, alsof hij den oorlog weldra zou moeten voortzetten; dat hij de reeds naar de Weichsel op marsch zijnde reserve-afdeelingen niet terugzond en aan al zijn korpsen ruimschoots levensmiddelen en krijgsvoorraad deed uitdeelen. Alleen gaf hij order, dat de reeds opgeroepen tweede helft der lichting van 1808 naar heur haardsteden kon terugkeeren.—Dit bevel zou Frankrijk verheugen, meende hij. Eindelijk verzocht hij Talleyrand te Tilsit bij hem te komen.
Deze diplomaat, die in Polen de slijkcampagne had medegemaakt, en bij deze gelegenheid door het omslaan van zijn rijtuig, een boerenkar zonder veeren, met dit slijk eenmaal zelfs in de nauwste aanraking was geweest, en die als een echt edelman van den ouden stempel dergelijke koopjes “ontzettend” vond, was te Dantzig tijdelijk meer veiligheid en rust gaan zoeken.
Het verheugde Napoleon zeer, dat het einde van den veldtocht was genaderd; hij verlangde terug naar Parijs; bijna een jaar was hij nu afwezig. In al dien tijd was het Wetgevend Lichaam niet bijeengekomen. Dagelijks gevoelde hij meer, dat hij te ver weg was van ’t centrum van zijn gezag. In Holland gingen de zaken volstrekt niet naar wensch; Louis dacht meer aan de belangen van zijn eigen land dan aan die van hem; ook over Jozef en den toestand in Napels was hij maar half tevreden. Vol ongeduld verbeidde hij dus den dag, waarop zijn eerste ontmoeting met Alexander zou plaats hebben. Hij wilde een vorst leeren kennen, wiens geest, vormen en begaafdheden hij herhaaldelijk had hooren prijzen en—door wiens hulp het hem misschien doenlijk zou wezen de Engelschen te vernietigen. Bij het begin van dezen veldtocht had hij zich tot taak gesteld hen te beoorlogen op het vaste land. De helft dezer taak had hij thans volbracht, want hij had het vaste land ontwapend en Rusland teruggedrongen tot achter den Niemen. Wilde Alexander nu zijn bondgenoot worden, dan zou hij de Engelschen verslaan door het vasteland, dat dan geheel onder zijn banieren zou geschaard wezen. Eenmaal zoover had hij de wereldheerschappij voor ’t grijpen, dacht hij. Die eerste ontmoeting met zijn jeugdigen tegenstander zou dus beslissend kunnen zijn.
Verlangde Napoleon dus naar de kennismaking, Alexander eveneens; voor het militaire genie van zijn tegenpartij had hij een onbegrensde hoogachting leeren krijgen.
Midden op de grensrivier, den Niemen, op een opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd en vorstelijk gedecoreerd vlot, in het bijzijn van duizenden belangstellenden had de ontmoeting plaats; ze was van weerszijden allerhartelijkst. Alexanders: “Ik haat de Engelschen even innig als u zelf,” had het ijs terstond gebroken. “Dan is de vrede ook gesloten,” was Napoleons antwoord op deze ruiterlijke verklaring geweest.
In de volgende dagen waren de keizers urenlang samen alleen. Napoleon was steeds gastheer; hij overstelpte Alexander letterlijk met beleefdheden, hield hem geregeld bij zich aan tafel, maakte verre tochten te paard met hem, was in één woord de voorkomendheid en hoffelijkheid zelf. Bij die lange gesprekken onder vier oogen opende hij den eerzuchtigen opvolger van Peter den Eersten vooral ten opzichte van diens verhouding tot Turkije een verschiet, zoo glansrijk, dat deze er schier van duizelde, en dat hij zich in zijn sterk geprikkelde fantasie mogelijk nog meer illusies schiep, dan Napoleon onder de gunstigste omstandigheden ooit plan heeft gehad te verwezenlijken, aangenomen, dat hij hiertoe is bereid geweest. De grootheid van anderen bevorderde hij immers dan alleen, als zijn eigen bedoelingen hierdoor werden gebaat.
Niet licht zal men een grooter contrast tusschen twee alleenheerschers vinden dan tusschen Alexander en Napoleon. De eerste, toen acht en twintig jaar, lang en slank, was met zijn open vriendelijk gelaat en uiterst beschaafde, hoffelijke vormen het type van den edelman uit het einde der achttiende eeuw, een thans verdwenen menschensoort. Aan een groote mate van natuurlijkheid paarde hij de achtelooze bevalligheid en de schier vrouwelijke vormen van het slavische ras. De ander, tien jaar ouder en zwaar gebouwd, bijna 1.7 M. lang, met een gelaat dat telkens veranderde van uitdrukking, was het type van een weergaloos soldaat-veldheer, bruusk en driftig en dit telkens door een woord of gebaar verradende, een man, die nooit verborg welk een minachting hij koesterde voor het menschdom in ’t algemeen.
Lanfrey zegt o.i. volkomen terecht van hem: “Uit het tijdperk vol verfijnd beschaafde vormen en verwarde wijsgeerige begrippen, dat hij had doorgeworsteld, had hij de denkbeelden, de vormen en de taal met verbazingwekkend gemak zich eigen gemaakt, maar de oorspronkelijke mensch had bij hem weinig verandering ondergaan. Goedhartig kon hij wezen, katachtig lief in zijn manieren zelfs, maar de onoverwinnelijke achterdocht van den eilander, die tegenover zijn vijanden onafgebroken op zijn hoede is, lag daarachter verscholen. Kenmerkend voor zijn afkomst, was hij op enkele punten evenals zijn landgenooten nog bijgeloovig; vaak kon zijn naaste omgeving hem bij ’t vernemen van een ernstige tijding of van een groote ramp werktuigelijk een kruis zien slaan.”
Bang was hij inmiddels voor niets en voor niemand; wat de wereld zou denken van ’t geen hij verrichtte, liet hem koud, alleen de militaire of staatkundige eischen van het oogenblik gaven bij hem den doorslag.
Eerlijk en bescheiden doch in zichzelf gekeerd, linksch en vaak onhandig, speelde Frederik Wilhelm, die den tweeden ontmoetingsdag reeds door Alexander aan Napoleon voorgesteld en door dezen beleefd doch koel ontvangen was, bij al die gelegenheden een vrijwel treurige rol. Dit werd er niet beter op, toen Napoleon op zijn bewering, dat hij zich te zijnen opzichte niets te verwijten had, hem antwoordde, dat al het gebeurde zijn eigen schuld was, want dat hij hem vaak genoeg vriendschappelijk voor Engelands kuiperijen had gewaarschuwd.
Bij de vredesonderhandelingen bleef de koning beweren, dat Napoleon door het schenden van Anspachs grondgebied van dezen oorlog de schuld droeg en hierdoor was de Keizer nog minder bereid aan zijn wenschen, waarbij het bezit van Maagdenburg voorop stond, tegemoet te komen. Op raad van zijn neef en bondgenoot besloot hij dus eindelijk zijn gemalin te ontbieden, in de hoop, dat haar bevalligheid en haar geest het succes zouden verkrijgen, dat hij met zijn stijfhoofdigheid tevergeefs had gezocht.
Hartstochtelijk verlangend haar doel te bereiken, streefde de koningin met haar krachtig karakter dit echter voorbij. Bij het eerste bezoek, dat Napoleon na haar komst te Tilsit haar bracht, verried zij zich zelve in haar lof over hem, en in haar betuigingen van leedwezen, dat zij hem had miskend, was zij te overdreven, te gekunsteld, in één woord te weinig vrouw om hem te treffen; haar woorden maakten hem zelfs half verlegen met zijn figuur.
Dit deed hem nog meer op zijn hoede zijn dan gewoonlijk. In elk opzicht beleefd en hoffelijk, zorgde hij dus zich geen woord te laten ontvallen, dat hem later tegenover haar binden kon. Hij verzocht haar bij zich aan tafel, ging haar bij haar komst tot aan de deur zijner tijdelijke woning tegemoet, betoonde zich in elk opzicht een hoffelijk gastheer maar ontweek ook aan tafel elk gesprek over de voorwaarden des vredes. Zelfs toen zij, verbitterd over deze houding, hem na een complimentje over een roos, die zij in de ceintuur droeg, deze stoutweg aanbood in ruil voor Maagdenburg, prees hij wel de hand, die hem de roos voorhield, doch liet het hierbij blijven.
Met betraande oogen keerde de vorstin terug naar haar tijdelijke woning.
Den 7en Juli sloot Napoleon vrede met Rusland, den 9en met Pruisen. Dit rijk zou, uit beleefdheid voor den keizer van Rusland, heette het, Oud-Pruisen, Pommeren, Brandenburg en Opper- en Beneden-Silezië blijven omvatten. Posen en Warschau, tot een groothertogdom vereenigd, kwamen aan den koning van Saksen; al de Pruisische provinciën ten westen van de Elbe werden met Hessen-Kassel herschapen in een koninkrijk Westphalen, waarover Jérome zou regeeren. Jozef, Louis en Jérome werden in hun vorstelijke waardigheid door Pruisen en Rusland erkend. Mecklenburg en Oldenburg, aan hun vorsten teruggeschonken, zouden Fransche bezetting houden tot uitvoering van het Continentale Stelsel; eindelijk zou Rusland zijn invloed aanwenden om Frankrijk met Engeland te verzoenen.
Een geheim verdrag behelsde voorts, dat Alexander en Napoleon met elkaar in alles gemeene zaak maken en tegen Engeland de wapens opvatten zouden, als het de bovenstaande voorwaarden niet aannam. Voorts zouden beide monarchen Zweden, Denemarken, Portugal en Oostenrijk gezamenlijk aanmanen om hun havens voor Engeland te sluiten en dit rijk den oorlog te verklaren.—Alexander kreeg het uitzicht op het bezit van Finland, dat aan het Frankrijk vijandige Zweden behoorde, en op een deel der Donau-vorstendommen van Turkije. Frederik Wilhelm betaalde het gelag.
Alleen door zijn hartstocht had Napoleon zich laten leiden, toen hij den Pruisischen staat in stukken scheurde en de helft er van schonk aan zijn genotzuchtigen, zinnelijken broeder, die niet eens de taal verstond van het land, dat hij ging regeeren. Geen staatsmanswijsheid, alleen zijn onbuigzame, koppige wil had zijn hand bestuurd, toen hij met één pennestreek een vorst met onvergankelijke tradities als hoofd eener groote, gezaghebbende mogendheid, van zijn zetel wierp en hem verlaagde tot een vorst van den tweeden rang.
De Pruisische natie had deze verdeeling van grondgebied, deze scheiding van haar vorst niet verlangd. Niet zooals in Italië en in Holland had zij gevraagd om bevrijding van een gehaat slavenjuk, al was de toestand in Pruisen geenszins rooskleurig. Eén gebleven was ze met haar vorst, één met haar schoone vorstin, die tevergeefs getracht had den overwinnaar te vermurwen. Als staatsman beging Napoleon een misslag, toen hij den eenigen vorst, dien hij in gansch Duitschland in geographischen, staatkundigen en militairen zin tot zijn waarachtigen bondgenoot had kunnen maken, vernederde en moreel mishandelde.
Bloedig heeft die misslag zich gewroken. Terstond is die haat der bevolking tegen hem geboren, welke den hertog van Brunswijk Oels zijn huzaren deed kleeden in ’t zwart met den doodskop voor den kolbak, die het aanzijn schonk aan het geduchte geheime genootschap van den Tugendbund, die een krijgsman als Yorck in 1812 voerde tot verraad en die na den veldtocht in Rusland de gansche natie als één man deed opspringen, het geweer grijpen en tot binnen de muren van Parijs vergelding en wraak zoeken voor den hoon, te Tilsit haar aangedaan.
Welk een grootschen, overweldigenden indruk had Napoleon op gansch Europa moeten maken, als hij na Friedland niet Alexander alleen maar ook Frederik Wilhelm grootmoedig de hand toegestoken, dezen niet van de helft van zijn koninkrijk beroofd maar ook zijn vriendschap gezocht had! Mogelijk zouden dan geen Regensburg, geen Aspern, geen Wagram hun bloedige vore door de geschiedbladen dier dagen hebben getrokken.
Hij was reeds bevangen door dien onleschbaren dorst naar veroveringen, naar nòg meer grootheid, nòg meer macht, die de Cambacérès terstond bij hem opmerkte, toen hij den 27en Juli te St. Cloud was teruggekeerd.—“De Keizer is zoo tevreden en gelukkig, dat hij wel erg zal brommen,” had Joséphine vóór zijn komst tegen haar omgeving gezegd;—tot “brommen” op die omgeving had hij trouwens reeds vaak genoeg reden gehad.—Doch de Cambacérès vond méér in hem; die vond hem veranderd, minder openhartig, minder vertrouwelijk met hem dan voorheen. ’t Was alsof hij iets voor hem had te verbergen.
Nauwelijks te Parijs terug, wijdde hij zich weder met onvermoeiden ijver aan het inwendige beheer van zijn rijk. Hij begon met de afschaffing van het Tribunaat, vereenigde het met het Wetgevend Lichaam en bracht hierdoor een ernstige wijziging in de consulaire grondwet van het jaar VIII. Tevens betoonde hij zich hierdoor vrijwel ondankbaar, want aan het Tribunaat toch had hij zijn benoeming tot consul voor het leven te danken gehad. De republikeinen ontvingen de kennisgeving er van volstrekt niet met ingenomenheid, vooral omdat de definitieve instelling van een erfelijken adel slechts enkele dagen aan deze wijziging was voorafgegaan, en zij met het Tribunaat het gansche republikeinsche beginsel zagen wegvallen, om plaats te maken voor het monarchale met al zijn dure en noodelooze eerebaantjes.
Hartelijke toejuiching bij de geheele natie vond daarentegen de onbekrompen wijze, waarop hij de toekomst van zijn oude, trouwe soldaten verzekerde. Millioenen en nog eens millioenen francs schonk hij hun in jaarlijksche toelagen of in giften in eens. Hij bezigde hiervoor een deel van den schat, dien hij uit de oorlogskosten en verbeurdverklaringen van geestelijke en andere goederen in de doode hand in den loop der jaren had samengebracht.
Het Wetboek van Koophandel en dat van de Crimineele Rechtspleging werden afgekondigd, een Rekenkamer ingesteld, en zoowel in Frankrijk zelf als in Italië, Napels, enz. een krachtigen stoot gegeven aan de voortzetting van werken tot openbaar nut. Ook de inrichting van de musea en van het Louvre werd met nieuwen ijver ter hand genomen. De porceleinfabrieken van Sèvres, onder het Directoire haar ondergang nabij, herleefden door zijn toedoen geheel. Den heer Oberkampf, directeur der prachtige fabriek van gedrukt linnen te Jouy, ging hij persoonlijk decoreeren met het ridderkruis van het Legioen van Eer. Het paleis van Versailles werd gerestaureerd. Millioenen besteedde hij aan de leniging van de ellende, door den oorlog in de Vendée ontstaan, millioenen aan den bouw van weeshuizen en toevluchtsoorden voor behoeftigen. Door krachtige, ingrijpende maatregelen trad hij op tegen de bedelarij, in die dagen letterlijk een kanker in geheel Frankrijk. Er was in één woord geen enkel onderdeel van bestuur te noemen, waaraan hij niet in meerdere of mindere mate zijn aandacht wijdde, en het beste bewijs hoezeer het vertrouwen van het publiek in Juli 1807 was toegenomen, was de noteering van de Fransche rente aan de beurs. Deze steeg tot 94%, een voorheen ongekende prijs.
In dat jaar van grootheid en voorspoed, eigenlijk het schoonste van zijn geheele regeering als Keizer, bevond hij zich vaak op het kasteel van Fontainebleau; ook hier deed hij al het vorstelijke bedrijf van vroeger eeuwen met jachtpartijen in costuum, groote feesten en statige recepties herleven. Des avonds kwamen de voornaamste tooneelspelers van Parijs voorstellingen geven; dan waren Corneille, Racine en Molière aan ’t woord. Het laatste republikeinsche tintje was uit zijn omgeving verdwenen.
In den aanvang klein, nam het getal oude, adellijke namen aan het hof weldra sterk toe. Joséphine gevoelde zich gelukkig in dien kring van menschen, die eenmaal de salons van Lodewijk XVI hadden gevuld en over wier houding, gedragingen en manieren een waas van voornaamheid lag, dat veel republikeinen zich trachtten eigen te maken, Napoleon zelf heeft zich hieraan nooit bezondigd. Die bleef wat hij altoos geweest was, vandaag ruw, grof, lomp tot beleedigens toe en niet vragende wie hem hoorde bulderen, morgen zoo beschaafd, beleefd en hoffelijk, dat een ieder hunkerde naar een vriendelijk woord van hem.
“Wat jammer, dat een zoo groot man een zoo slechte opvoeding heeft gekregen,” zei Talleyrand dan ook van hem; doch die had goed praten! Waar had Napoleon, die het ouderlijk huis reeds op zijn negende jaar had verlaten en daarna voor ’t meerendeel slechts lompe, onwetende geestelijken als leidslieden gekregen had, die fijnbeschaafde vormen moeten leeren?
Reeds enkele weken na ’t sluiten van den vrede had Talleyrand zijn ontslag verzocht als minister van Buitenlandsche zaken. Hij hield van zijn gemak; hij was niet zoo heel jong meer en liep mank; al deze factoren, vereenigd met de souvenirs aan logeeren op stroo in een boerenwoning, een slechte tafel en tochten door slijk en sneeuw met de kozakken in de buurt, hadden hem tot dit besluit gebracht.
Aanvankelijk boos, had Napoleon, toen hij volhield, zijn verzoek ingewilligd, hem tot belooning voor zijn diensten benoemd tot vice-grootkeurvorst; tevens had hij den heer de Champigny met zijn portefeuille belast.
Talleyrand stelde zijn ambtenaren aan dezen aldus voor: “U zult over de heeren tevreden zijn. Zij zijn trouw, handig, attent, maar evenals ik zelf niet bijzonder ijverig. Uitgezonderd een paar expéditeurs, die de brieven wel eens wat te vlug sluiten, blijven ze altoos kalm en haasten zich nooit. Zoodra u een tijdlang met den Keizer gewerkt hebt, zal het u duidelijk zijn geworden, dat het vlug sluiten en verzenden der brieven in verband met de groote belangen van Europa niet gewenscht is.”
Tegelijkertijd ontving Berthier zijn benoeming tot vice-connétable; hij legde de portefeuille van Oorlog thans neder; Clarke nam ze over.
In ’t laatst van Augustus eindelijk werd te Parijs het huwelijk ingezegend tusschen Jérome en de dochter van den koning van Wurtemberg, een even bevallig als schrander persoontje, dat aanvankelijk wel eenigszins had opgezien tegen haar eerste reis naar een hof, “waar het nogal ruw scheen toe te gaan” en werwaarts niet één van haar vrienden of familieleden haar vergezelde, doch waar zij door Napoleon terstond zoo allerhartelijkst was ontvangen, dat alle schroom weldra bij haar verdween.—Jérome, die, zooals we zagen, in Napoleon van jongsaf altoos veel meer een vader dan een broer had gezien, heeft reden gehad hem voor die keuze erkentelijk te wezen. Catharine heeft hem later in zijn ongeluk een schitterend bewijs van trouw en aanhankelijkheid gegeven.
De pogingen, door keizer Alexander in het werk gesteld om Engeland met Frankrijk te verzoenen, bleken weldra volslagen nutteloos. Het Continentale Stelsel had de Engelsche natie, die hierdoor groot nadeel leed in haar handel, tot woede geprikkeld. Voor de volvoering zijner krijgszuchtige plannen ontving het nieuwe ministerie Canning dus groote credieten; de zeemacht werd versterkt om al de havens van het vasteland te kunnen blokkeeren; en als eerste nieuwe daad van openbare vijandschap stevende een eskader in ’t begin van September naar de Sont, bombardeerde Kopenhagen drie volle dagen lang en beging hiermede een schanddaad, welke onder geen vorm was te verdedigen en indruischte tegen het volkenrecht, want Denemarken, hoewel een trouw bondgenoot van Frankrijk, was een neutrale mogendheid en had zich tot dusverre buiten alle politieke verwikkelingen weten te houden.
Tegenover het parlement verantwoordde Canning zich met de verzekering, dat er tusschen Denemarken en Frankrijk kort te voren een geheim verdrag was gesloten waarbij de Deensche vloot tot Napoleons beschikking werd gesteld. Uit de allerhoogste kringen te St. Petersburg zou hiervan mededeeling zijn gedaan.
Denemarken, Pruisen en Rusland braken terstond alle betrekkingen met Engeland af en sloten hun havens voor zijn schepen.
Thans was Portugal het eenige rijk, dat nog openlijk met Albion handel dreef. Kon het anders? In den loop der jaren was het zoo goed als een Engelsche kolonie geworden; het leefde schier alleen van ’t geen van die zijde werd ingevoerd. Koningin Marie was nog altoos krankzinnig, de prins-regent, een man, die, laks en vadsig van aard, in zijn verhouding tot Napoleon uit Londen werd geïnspireerd en die het gemakkelijk vond, als men de staatszaken voor hem daar in ’t geheim behandelde.
Door het krachtige optreden van het Noorden tegenover Londen gerugsteund, besloot Napoleon Portugal de tanden te laten zien. Terwijl hij Jozef het vasthouden en approviandeeren der Jonische eilanden, hem bij geheim tractaat te Tilsit afgestaan, en het hernemen van Reggio, waar de Engelschen nog altoos vasten voet hadden, in bijna hartstochtelijke woorden aanbeval, terwijl hij dringende bevelen gaf om in al de havenplaatsen van zijn gebied met kracht te doen doorwerken aan ’t uitrusten van schepen, stelde hij den prins-regent van Portugal kortweg voor het ultimatum: Oorlog met hem of de toepassing van het Continentale Stelsel op al zijn havens.
Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon.
De prins-regent zocht uitvluchten, raadpleegde ter sluiks Londen weder, beweerde, dat hij liefst zijn onzijdigheid wilde handhaven, en zocht in één woord tijd te winnen.—Toen hij ten slotte weigerde aan het gestelde ultimatum te voldoen ging den 17en October een leger van ruim twintig duizend man, dat reeds weken te voren bij Bayonne onder bevel van Junot was samengetrokken, op marsch naar Lissabon. Tusschen Napoleon en Godoy, den Vredevorst, was het overschrijden van het Spaansche grondgebied vooraf geregeld. In ’t laatst van October sloten ze zelfs een geheime overeenkomst, waarbij Portugal tusschen Spanje, Frankrijk en Godoy zou worden verdeeld.
Dit tractaat met den in zijn vaderland zoo gehaten en verachten Godoy, die vóór Jena eveneens tegen Napoleon had willen partij kiezen, is voor dezen de bron geweest eener reeks van groote en kleine rampen, die stellig tot zijn val hebben bijgedragen. Zijn keuze van Junot tot opperbevelhebber was tevens ongelukkig. Hij was wel een dapper soldaat maar bekrompen van geest; en dat Junot te Lissabon een tijdlang gezant was geweest, is als een oorzaak te beschouwen van deze minder gewenschte benoeming.
Junot voerde zijn bijna geheel uit jonge conscrits bestaande korpsen onder gestadige verliezen tengevolge van gebrek, ziekte en vermoeienis en van den dolk der Spanjaarden, wier eigendom zij roofden, naar de grenzen van Portugal, kwam hier tot de ontdekking, dat Godoy, die hulp aan troepen en levensmiddelen in overvloed beloofd had, hem jammerlijk bedroog en den verrader speelde, bereikte met nog geen vierde zijner macht niettemin Lissabon en nam deze stad in zijn bezit. Even te voren was de prins-regent met zijn familie en zijn schatten benevens duizenden rijke Portugeezen scheep gegaan naar Brazilië. In November 1807 verklaarde Napoleon het huis van Braganza kortaf vervallen van den troon en legde Portugal daarna een belasting op van honderd millioen francs.
Altoos bezig, zich nooit meer rust gunnende dan hij strikt noodig had, een voorwerp van de verbazing zijner omgeving, die hem aan den arbeid zag, zich nooit verdiepende in détails, die door anderen konden worden uitgewerkt, het hoofd vol duistere plannen, welke hij nog aan niemand mededeelde, maar waarin Londen en de Spaansche troon de hoofdrol speelden, begaf de Keizer zich half November weder op reis. Thans waren Italië en de militaire werken bij Allessandria, Mantua en Venetië het doel.
Bij deze gelegenheid nam hij Eugène met zekere plechtigheid aan tot zijn zoon en opvolger in Italië, schonk hem den titel van prins van Venetië en had te Mantua voor het eerst na jaren weder een ontmoeting met Lucien. Gaarne had hij gezien, dat deze zich met hem verzoend had, want hoewel Lucien zich te Rome onverzoenlijk had getoond, kon hij dezen broeder, die hem feitelijk den 18en Brumaire door zijn manmoedig optreden den weg naar het oppergezag had gebaand, niet vergeten.
Hij vorderde echter te veel. In ruil voor de kroon van Portugal zou Lucien zijn tweede vrouw Alexandrina de Bleschamps, weduwe Jouberthon, moeten verstooten en hij wilde zijn huiselijk geluk niet opofferen aan het bezit eener kroon onder de heerschappij van zijn broer.
Met bitterheid in ’t hart scheidden de twee broers.
Wel werden er daarna nog pogingen aangewend tot verzoening, wel zou de breuk tusschen hen nog ernstiger worden, maar ze zouden elkaar niet weerzien, voordat de oudste neergeveld door het noodlot bijna door allen verlaten was en de ander hem zijn hulp kwam aanbieden.
Hoofdstuk XIX.
Het drama in Spanje.
“Een opstand van monniken” heeft de Keizer in zijn verholen gramschap het verzet op het Iberische schiereiland in den beginne smalend genoemd; toch is deze uitdrukking onjuist. Aanvankelijk was de geestelijkheid hem zelfs niet ongenegen, omdat ze in hem een bestrijder meende te zien van den zoo gehaten Godoy. Eerst later, toen zij zijn ware bedoelingen, de onderwerping van Spanje, had leeren kennen is ze van houding veranderd en heeft ze door het opzweepen van den geloofshaat der bevolking den strijd tegen de Fransche overheersching ontzettende vormen doen aannemen.
Napoleon leefde nu eenmaal in de waan, dat het godsbestuur hem op deze wereld een grootsche taak had te vervullen gegeven en reeds lang liep hij met plannen rond ook Spanje in zijn systeem op te nemen; dat hij een groote fout beging zich in de familieaangelegenheden der Spaansche Bourbons te mengen is even waar als zijn met Tilsit begane fout, Pruisen zoo diep te vernederen. Wel was het waar, dat Napoleon reeds tijdens den veldtocht in Pruisen voldoende bewijzen van verraad van zijn ouden bondgenoot had ontvangen; de nachtelijke bijeenkomsten van Godoy met de Pruisische en Russische gezanten waren den Keizer niet onbekend gebleven, maar dit verontschuldigt evenmin zijn inmenging in de familiequaesties der Spaansche Bourbons als het verzoek zoowel van Karel IV en diens zoon Ferdinand, den Prins van Asturië, om zich met hun particuliere aangelegenheden te bemoeien en hun scheidsrechter te zijn.
Ferdinand ging hierin zelfs nog verder; die riep zijn bescherming in “tegen een bende doodvijanden” en verzocht zijn aangenomen zoon te mogen worden door een huwelijk met een prinses uit zijn huis.—Deze had dan een dochter van Lucien kunnen wezen.
Dat Talleyrand, wel niet meer in naam doch steeds nog in de daad Napoleons rechterhand in diens aangelegenheden met het buitenland, dezen uit aangeboren zucht tot intrige aanhoudend prikkelde om in Spanje krachtig op te treden, mag hierbij evenmin worden vergeten.
Wetende dat Godoy in stilte tegen hem samenspande en Junots troepen bij hun opmarsch in den steek had gelaten, voor hun verpleging en voeding niet de minste zorg gedragen had, gaf Napoleon aan twee korpsen bevel de Spaansche grenzen te overschrijden, het land ten noorden van de Ebro te bezetten en in Barcelona, Sint-Sebastiaan en Pampeluna garnizoen te leggen. Een derde korps dirigeerde hij naar Cadix en eischte toen (Februari 1808) afstand van het bezette grondgebied in ruil voor Portugal.—Karel IV durfde dezen eisch, toch een aanslag op zijn gebied, niet met klem van de hand te wijzen.
Verontwaardigd over het ellendige bestuur van Godoy, gerugsteund door de bevolking, beducht voor de gevolgen, als Spanje nog verder door Fransche troepen werd bezet, wisten eenige aanzienlijken Ferdinand, ook al een zwak en besluiteloos wezen, te bewegen bij zijn vader aan te dringen op Godoy’s ontslag. Karel weigerde aan dit verzoek te voldoen. Toen een nieuw Fransch leger onder Murat de grenzen overtrok en langzaam Madrid begon te naderen; toen het bericht kwam dat de koning wilde vluchten naar Cadix en dus Aranjuez verlaten had, geraakte de bevolking te Madrid in opstand. Het paleis van Godoy werd bestormd. Terwijl diens rampzalige gemalin, een prinses van Bourbon nog wel, door het grauw werd geëerbiedigd, werd hij zelf, nadat hij zes en dertig uur onder eenige rollen stroomatten op een zolder verscholen had gezeten doch door honger en dorst verplicht was geworden te voorschijn te komen, gepakt en had hij aan een paar gardes te danken dat hij, met wonden overdekt, eindelijk in een kazerne terecht kwam.
Om zijn “dierbaren vriend en gunsteling” het leven te redden, deed Karel IV den 19en Maart afstand van den troon ten behoeve van zijn zoon. Murat stond toen nog maar één dagmarsch van Madrid.
De tijding van dezen troonsafstand was hem maar half aangenaam, want hij had zelf wel koning van Spanje willen worden. Hierover dacht Napoleon echter niet en had reeds lang Louis, Jérome en Jozef gepolst. Had de eerste met het oog op zijn gezondheid altijd aangedrongen om in meer zuidelijke streken geplaatst te worden, nu het er op aankwam bedankte hij voor de eer. Ook Jérome meende niet te moeten aannemen, daar zijn huwelijk met Catherine van Wurtemburg, een protestante, een beletsel zou zijn en hij haar niet wilde opofferen. Dan Jozef! Deze was reeds vóór de andere broers gepolst, maar had bedankt, want slechts een gedeelte van Spanje was aangeboden; nu herhaalde de Keizer het verzoek doch Spanje in haar geheel en Jozef aanvaardde thans de kroon, die eens een Karel V had bezeten!
Den 23en trok Murat de hoofdstad binnen en werd hier door Ferdinand, dien hij niet als koning erkende en dien hij prins van Asturië bleef noemen, zoowel als door de bevolking, die in de Franschen thans de bevrijders zag van Godoy’s tirannie, voorkomend ontvangen. Godoy, die reeds met ketenen beladen per kar van Aranjuez op weg was naar een gevangenis te Madrid, zond hij naar Bayonne.
Intusschen had Karel IV zijn daad herroepen en Napoleon verzocht scheidsrechter tusschen hem en zijn zoon te zijn. Ferdinand verliet Madrid, begaf zich naar Bayonne, waar Napoleon zich reeds bevond, en vond hier zijn ouders, die hem reeds den 20en April hierheen waren voorafgegaan, waar ze door Napoleon met vorstelijken praal werden ontvangen.
Te Madrid waren de broeder van Karel IV, zijn dochter de ex-koningin van Etrurië en zijn jongste zoon Francisco de Paolo, een kind van dertien jaar, achtergebleven.—Misschien hadden de gebeurtenissen een bevredigenden loop genomen, als Murat niet den last had ontvangen ook deze leden der koninklijke familie naar Bayonne te doen geleiden en als de kleine Francisco het paleis had willen verlaten. Den 9en Mei brak er nogmaals een ontzettend oproer uit. Uit alle huizen vielen schoten. Een dragonder van Murats garde, wiens paard door een kogel was neergeveld, zou zelfs voor de oogen zijner kameraden zijn vermoord, als deze niet met de blanke sabel op de menigte waren ingestormd en hem hadden ontzet.
Murat deed geducht wraak nemen. Vooral het escadron Mamelukken der garde hield met kromsabel en donderbus een gruwelijke opruiming.
Toen Karel IV van Napoleon vernam wat er in zijn hoofdstad was geschied, werd hij woedend, ontzag zich niet in ’t bijzijn van Joséphine en de geheele keizerlijke hofhouding zijn zoon toe te roepen: “Ellendeling, je kunt tevreden zijn. Jouw misdadig verzet tegen je vader is oorzaak geweest, dat Madrid thans baadt in bloed. Dit bloed kome over jou hoofd!”—De koningin hief zelfs de hand tegen haar zoon op en overlaadde hem met scheldwoorden.
Denzelfden avond nog,—6 Mei—stond Ferdinand, die op dit alles geen syllabe antwoord had gegeven, de kroon weder af aan zijn vader; nog twee dagen later deed deze met al zijn mannelijke nakomelingen ten gunste van Napoleon afstand van den troon, “om daarover in het belang van Spanje naar goedvinden te beschikken,” en begaf zich met zijn vrouw, zijn dochter en den “vriend” naar Rome. Aan Ferdinand en zijn broertjes werd het kasteel van Valencay, een bezitting van Talleyrand, als verblijf aangewezen.
In ’t midden van Mei riep Napoleon nu een Junta van 150 Spaansche afgevaardigden bijeen om een nieuwe grondwet samen te stellen en den 9en Juli verliet Jozef Bayonne op weg naar Madrid. In ’t begin ging het goed, maar al spoedig hield het enthousiasme van de bevolking op, ja werd hem zelfs de weg versperd door een leger van 40.000 man, meest geregelde troepen, onder den generaal Guesta. Wel werden de troepen teruggedreven en deed Jozef den 20en Juli zijn intocht in Madrid, maar ’t was er alles behalve veilig voor den nieuwen koning, die dan ook elf dagen later voorzichtigheidshalve de stad weder verliet en te Vittoria achter de Ebro een veiliger verblijf zocht.
Was Murat misschien wat teleurgesteld Spanje niet te krijgen, Napoleon wilde toch zijn zwager beloonen voor de uitstekende diensten op militair gebied aan hem verleend en daarom had de Keizer hem de keuze gelaten tusschen Portugal en Napels; Murat koos het laatste en in September zien wij hem zijn intrede in Napels doen, waar hij de schatkist leeg vond en het leger vertrokken.
Jozef had er duchtig huis gehouden en deze, die altijd geld en troepen noodig had in zijn eerste koninkrijk zou nu nog veel erger dingen ondervinden.
Geheel Spanje was in vollen opstand. In de nog niet door de Fransche troepen bezette provinciën als Asturië en Arragon, te Sevilla en te Badajoz had de bevolking naar de wapenen gegrepen; overal hadden zich junta’s gevormd. De reden was, dat den 19en Juli generaal Dupont verplicht geweest was bij Baylen in Andalusië tusschen de Sierra Morena en de Guadalquivir te capituleeren. Al de Spaansche grandes hadden Jozef daarop zelfs zonder afscheid verlaten; Mexico en het geheele vasteland van Zuid-Amerika van Peru tot aan de monden van de Rio de la Plata, de koloniën dus, waarop Napoleon zoo tuk was geweest, hadden hun havens voor Engeland geopend en zich bij de partij van het gevallen koningshuis aangesloten.
Hoe Jozef zelf over zijn toestand dacht, kan blijken uit een fragment van zijn brief van 9 Augustus aan zijn broeder:
“De gansche wereld zonder uitzondering heb ik hier tegen mij. Zelfs de hoogere standen zijn na eenige aarzeling de beweging der volksklasse gevolgd.—Als generaal zou mijn taak draaglijk, zelfs gemakkelijk zijn, want met een korps van uw oude soldaten zou ik de Spanjaarden overwinnen; als koning is mijn rol echter niet vol te houden. Om over mijn onderdanen de baas te worden, zou ik een deel er van moeten verdelgen. Ik verkies dus niet langer te heerschen over een natie, die niet van mij is gediend. Als overwonneling heengaan, wensch ik echter ook niet. Zend mij dus een van uw legers: aan de spits er van keer ik dan terug naar Madrid, en onderhandel hier met de bevolking.—Wenscht gij dit, dan schenk ik haar in uw naam Ferdinand VII als koning; maar ik zelf wensch terug naar Napels, naar een volk, dat door mijn zorgen gelukkig wil wezen. Ik ben uw broeder, uw eigen bloed; en Murat heeft van zijn nieuw rijk nog geen bezit genomen.”
De nederlaag bij Baylen was niet de eenige slag, die de Fransche wapenen in diezelfde dagen trof. Aan de Mondego was een Engelsch leger van 16.000 man onder generaal Arthur Wellesley de Portugeezen te hulp gekomen en door Junot tevergeefs aangevallen. In het daarop gevolgde gevecht bij Vimeira waren de Engelschen overwinnaar gebleven. Van het bij Baylen gebeurde onderricht, beducht voor zijn leger, dat op de positie van Torres Vedras ten noorden van Lissabon was teruggegaan, trof Junot den 30en Augustus bij Cintra met Wellesley een overeenkomst, waarbij werd bepaald, dat zijn troepen met Engelsche schepen naar een Fransche haven zouden worden overgebracht.
De tijding van Duponts nederlaag ontving de Keizer, die Bayonne had verlaten, op den terugweg naar Parijs. Terstond begreep hij dat de terugtocht van zijn macht tot achter de Ebro hiervan het gevolg zou moeten wezen; dat het leger aan gene zijde van de Pyreneën thans te zwak was geworden voor het beoogde doel, de vermeestering van het land, en dat zijn tegenwoordigheid ginds op het gevechtsveld dringend werd vereischt, want het zou gaan om de eer van het groote keizerrijk. Een gedeelte van zijn troepen uit Duitschland zou hij naar Spanje moeten verplaatsen en aan Ruslands wensch ten opzichte van Pruisen, n.l. om de aan deze mogendheid opgelegde oorlogsschatting te verminderen en een deel zijner in Duitschland staande regimenten terug te nemen, leende hij dus thans een meer gewillig oor dan vroeger. Den 8en October sloot hij met Frederik Wilhelm een tractaat o.a. behelzende, dat deze de eerstvolgende tien jaar niet meer dan ruim veertigduizend man onder de wapenen zou houden en geen onderhandelingen met Engeland openen, voordat hij zelf met dit rijk had vrede gesloten. Door dit tractaat kreeg hij (8 October) de vrije beschikking over ruim 150.000 geoefende soldaten, die dwars door Duitschland naar den Rijn zouden terugkeeren. Alleen in Silezië zou hij drie vestingen bezet houden tot de oorlogskosten geheel waren afbetaald.
Met dien dreigenden toestand in Spanje voor oogen trok hij naar Erfurt om keizer Alexander op diens verzoek nogmaals te ontmoeten. De vorsten van het Rijnverbond en een drom andere gekroonde hoofden, vooral uit Duitschland, zouden hier tevens bijeenkomen.
Niet voor zijn genoegen ging de Keizer derwaarts, al omgaven luister en pracht zijn komst, en al schonk het hem voldoening, toen hij, bij een galavoorstelling in den schouwburg met zijn keizerlijken vriend de hofloge binnentredende, al die groote en kleine potentaten van hun zetels zag rijzen en staan blijven, tot hij was gezeten. Geen feestelijkheden en vermaken, de groote politieke vraagstukken van het oogenblik waren het, welke hem naar ’t stille stadje hadden geroepen. Met Alexander wilde hij nogmaals overleggen en—dezen tot geduld aanmanen, nu de Donau-vorstendommen Wallachije en Moldavië hem niet zoo gemakkelijk in den schoot waren gevallen, als zijn weelderige fantasie hem dit te Tilsit had voorgetooverd, en nu ook de zaken in Finland nog niet naar wensch vlotten.
Dagen achtereen beraadslaagden die twee onder vier oogen; het slot er van was, dat, terwijl Alexander zijn vriend de vrije hand liet in het westen van Europa hij zelf naar willekeur in Finland en op het Scandinavische schiereiland zou kunnen handelen. Op het vasteland zou geen mogendheid zonder hun beider toestemming zich mogen wapenen; als bemiddelaars in alle zaken zouden zij zich gezamenlijk tegenover Engeland voordoen, en in geval van oorlog elkander steunen. Den 12en October werd een door beiden onderteekend schrijven gericht aan George III om mede te werken tot herstel van de rust in Europa.
Binnen acht dagen kwam het antwoord. Engelands gedragslijn stond onherroepelijk vast. In geen geval kon het de partij van den koning van Napels, Ferdinand IV, die Sicilië nog altoos bezet hield, of die van het huis van Braganza loslaten.—Deze verklaring maakte iederen verderen stap tot verzoening overbodig.
Den 13en October nam Alexander afscheid van zijn bondgenoot en keerde Napoleon terug naar Parijs.—Het Congres van Erfurt behoorde tot het verledene. Niet alleen was er met Alexander over de politiek gesproken, want in deze dagen leed Napoleon een groot échec met het oog op zijn persoonlijke plannen omtrent een tweede huwelijk, waarop we later terugkomen.
Te St. Cloud terug, ontving hij de bevestiging van het gerucht, dat aartshertog Karel op uitgebreide schaal krijgstoerustingen deed maken. Duizenden artillerie- en treinpaarden werden daar aangekocht, groote militaire magazijnen aangelegd en groote troepenbewegingen verricht.
Om dit alles bekreunde Napoleon zich voorloopig echter niet. Aan de overzijde van den Rijn had Napoleon nog altijd een machtig leger staan, dat telkens versterking ontving, op kosten van de bewoners der bezette streken leefde, en snel was bijeen te trekken. Al zijn aandacht was gevestigd op Spanje. Den 5en November reeds bevond hij zich te Vittoria, nam hier het bevel op zich over een korps, dat rechtstreeks naar Madrid zou marcheeren en den 6en November klonk het Voorwaarts! voor de geheele armee, die, ingedeeld in acht groote korpsen, de Ebro in waaiervorm begon te passeeren.
Enkele dagen later waren de onder Castanos en Palafox verzamelde afdeelingen uiteengeslagen en verstrooid, en was de stad Burgos genomen. Den 30en November werd de nauwe pas van de Somo Sierra onder de oogen des Keizers bestormd en genomen. Den 3en December, dus nog geen maand nadat hij Vittoria had verlaten, was het paleis van Buen-Retiro te Madrid onder zware verliezen vermeesterd en de hoofdstad weder in Fransche handen; Jozef werd in zijn waardigheid hersteld.
Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje.
Plechtig deed deze zijn intocht in Madrid en hield daarbij in een der kerken een rede waarin hij deed uitkomen, dat hij de kroon uit handen van de Cortes te Bayonne had ontvangen. Nu zou alles wel goed gaan als Napoleon hem nu maar de vrije hand liet, zoo dacht de nog altijd eigenzinnige oudste, die zich nu eenmaal boven zijn keizerlijken broeder stelde.
Een beslissing was nochtans nergens verkregen. Waar de troepen in de provinciën binnentrokken, legde de bevolking het hoofd in den schoot; daarbuiten was alles in vollen opstand. Deze was plaatselijk geworden en ontaard in een partijgangers-, een guerillakrijg met al zijn sombere, bloedige gevolgen. Koeriers, alleen reizende militairen, achterblijvers, gekwetsten werden onderweg overvallen en op afschuwelijke wijze afgemaakt; bronnen werden vergiftigd, in één woord al de gruwelen gepleegd, waartoe fanatisme en priesterdwang een domme, onbeschaafde doch hartstochtelijk aan zijn vorstenhuis en zijn land gehechte natie kunnen opzweepen.
De cathechismus, welke aan iederen oprechten Spanjaard in die dagen onderwezen werd, teekent den toestand.
“Wat zijt ge, mijn kind?—Spanjaard bij de genade Gods.—Wie is de vijand van ons geluk?—De keizer der Franschen.—Hoeveel naturen zijn er?—Twee; de menschelijke en de duivelsche.—Hoeveel keizers der Franschen zijn er?—Één echte in drie gedaanten.—Hoe heeten deze?—Napoleon, Murat en Godoy.—Wie is de slechtste?—Ze zijn alle drie even slecht.—Van wie stamt Napoleon af?—Van de zonde.—Murat?—Van Napoleon.—En Godoy?—Van beiden.—Wat is het karakter van den eerste?—Hoogmoed en heerschzucht.—Van den tweede?—Roofzucht en wreedheid.—En van den derde?—Hebzucht, verraad en onwetendheid.—Wat zijn de Franschen?—Voormalige christenen, ketters geworden.—Is het dooden van een Franschman zonde?—Neen, padre; als men één dier honden doodt, verwerft men den hemel.—Welke straf verdient een Spanjaard, die te kort schiet in zijn plicht?—Den dood en de eerloosheid des verraders.—Wie zal ons bevrijden van onze vijanden?—Ons onderling vertrouwen en de wapenen.”
Terwijl zijn onderbevelhebbers streden op zijn flanken, en Saragossa werd ingesloten, wendde Napoleon zich naar het westen, naar Valladolid om het Engelsche leger, dat uit Portugal, onder generaal Moore namelijk, naar Madrid op marsch was, aan te grijpen.
De Sierra de Guaderama moest hierbij gepasseerd; het vroor, dat het kraakte; de wegen waren spiegelglad; vooral de cavalerie kon bijna niet vooruitkomen. In ’t gebergte werden de troepen bovendien overvallen door een sneeuwstorm, die menschen en paarden half blind maakte. Maar de Engelschen, bevreesd te worden afgesneden, waren thans in vollen aftocht naar de haven van La Corunna; hen wilde Napoleon volstrekt inhalen. Hoewel het reeds liep tegen Januari, de dagen kort, en de wegen zeer slecht waren, maakten de soldaten dagelijks nog marschen van tien uren en meer, waarbij de infanterie, want alle bruggen waren door de Engelschen afgebroken, zich vaak vier of vijf keer per dag naakt moest uitkleeden, om met de uniform en de wapens boven het hoofd door het ijskoude water der gezwollen beken te waden.
Op die wijze werd op oudejaarsavond van het jaar 1808 Astorga, in Leon, bereikt, maar in welk een toestand! Alleen de spits der regimenten en een paar honderd ruiters hadden Napoleon tot zoover kunnen volgen. De rest lag langs den weg, uitgeput, doodaf. Drie grenadiers der garde hadden onderweg zelfmoord gepleegd, omdat zij niet verder kònden en niet in ’s vijands handen wilden vallen.
Te Astorga nam de Keizer eensklaps afscheid van zijn getrouwen; onrustbarende berichten over Oostenrijks voortgezette wapening maakten zijn tegenwoordigheid te Parijs noodig; doch eerst verrichtte hij nog een daad van barmhartigheid tegenover ruim duizend Engelsche vrouwen en kinderen, die generaal Moore bij zijn overhaasten aftocht in een schuur buiten de stad met niets dan droge gerst tot voedsel, had achtergelaten. Hij liet ze in de stad onder dak brengen en van voedsel voorzien en deed Moore door een parlementair verwittigen, dat deze huisgezinnen zijner soldaten hem, zoodra het weder dit toeliet, zouden worden teruggegeven. Tevens gaf hij Soult last de vervolging voort te zetten en keerde met zijn garde terug naar Valladolid.
In de bergen van Leon haalde Soult de Engelschen in, dwong hun achterhoede tot wijken en bracht Moore, die door zwaar stormweder belet werd zich in te schepen, bij La Corunna ten slotte een geduchte nederlaag toe, waarbij deze generaal zelf het leven liet.
Terwijl de Engelschen aan de noordwestkust van het schiereiland dus een les ontvingen, die hun lang zou heugen, voldeed Lannes aan den last, hem te Astorga gegeven, om het bevel over de troepen vóór Saragossa op zich te nemen.—Versterkt door het overschot der troepen van Castanos, die bij Tudela de nederlaag hadden geleden, had de geheele krijgszuchtige bevolking van Arragon, in ’t geheel circa 80.000 man, zich binnen de muren dezer goed versterkte stad opgesloten met het vaste voornemen zich te verdedigen tot het uiterste.—Vooral de boeren waren verwoed. Met hun vrouwen, hun kinderen en hun vee stadwaarts getogen, hadden zij in een der stadswijken een huis of onderkomen gekregen onder voorwaarde zich in geen geval over te geven. Hier leefde dat volk in een poel van drek en vuil met het vee samen als beesten in één hok. In deze wijken brak weldra een epidemie uit, waarbij de lijken der gestorvenen onbegraven in de straten en stegen bleven liggen.
Een stad met een bevolking, die in haar fatalisme nog veel van de Arabieren had overgehouden, was met storm niet te nemen. Zoodra de buitenste versterkingen gevallen waren, moesten de huizen dus voet voor voet door mijnen en buskruit worden opgeruimd. Toch verlieten de bewoners ze niet. Terwijl de bijlslagen der sappeurs buiten weergalmden, kon men hen binnen litaniën hooren zingen. Vloog ten slotte een huis in de lucht, dan schaarden de niet gevallen bewoners zich op de puinhoopen om die weder te verdedigen en uit hun met allerlei ontuig geladen donderbussen op de aanvallers te vuren.
Middelerwijl gierden dagelijks honderden granaten over de hoofden der verdedigers.
Vooral de kloosters met hun geweldig dikke muren leverden een ernstig beletsel op; die waren niet te ondermijnen. Men paste dit middel dus alleen toe op een deel van den buitenmuur en maakte hierin een bres; dan moest een gereedstaande stormcolonne de rest doen.
Toch hield de bevolking vol. Geen honger, geen ziekte, geen ijzer of vuur was bij machte die door de monniken met het kruisbeeld in de vuist aangevuurde mannen en vrouwen te bewegen tot de overgave. De edelmoedigheid van Lannes behaalde ten slotte de zege.—Den 20en Maart werd een nonnenklooster genomen; in de kerk werden niet alleen de “zusters” maar meer dan driehonderd vrouwen van allerlei rang en stand gevonden. Half verhongerd, door uitputting den dood nabij, reeds dagen lang van alle zijden ingesloten, hadden zij geen voedsel kunnen machtig worden.
Voor Lannes geleid, zorgde deze terstond, dat de marketentsters haar voor zijn rekening van al het noodige voorzagen; ten slotte liet hij haar zelfs naar de stad terugbrengen. Van de daken, van de torens had de bevolking dit alles met gloeiende blikken gevolgd. Allen stormden thans de vrouwen tegemoet om te vernemen wat er met haar was geschied; en deze—hadden slechts lof voor dien Franschen maarschalk en zijn soldaten. Opgewondenheid en fanatisme verdwenen als met een tooverslag. Dienzelfden avond nog capituleerde Saragossa.
Lannes vertrok toen naar Parijs, waar de Keizer hem had ontboden, vond hem hier niet meer en reisde door naar Augsburg. Soult was intusschen met zijn sterk gedund korps Portugal binnengerukt. Met onverminderde heftigheid duurde de oorlog op het schiereiland voort.