WeRead Powered by ReaderPub
Napoleon cover

Napoleon

Chapter 33: Hoofdstuk XXIX. De keizer verbannen.
Open in WeRead

About This Book

The narrative presents a chronological sketch of a prominent revolutionary-era leader, beginning with family origins and youthful years and following a rapid military rise and consolidation of political power. It outlines major campaigns and diplomatic maneuvers across the continent, assessing strategic choices and battlefield episodes. It surveys governing reforms, ceremonial elevation, and personal relationships that shaped public and private life. The account traces subsequent military reversals, abdication, exile, a brief return to power, final defeat and permanent banishment, and closes with reflections on the subject's final years.

Hoofdstuk XXIX.

De keizer verbannen.

“Met de noodige wilskracht komen wij dit alles te boven,” had Davoust gezegd, doch aan Napoleon werd hiertoe den tijd niet gelaten. Reeds was de mare van zijn nederlaag als een loopend vuurtje verspreid, den 19en had hij zelf aan Jozef er van kennis gegeven. De ministers waren diep terneergeslagen en vreesden het ergste.—Alleen Fouché, die reeds vóór Napoleons vertrek naar het leger door den Keizer van heulen met Metternich was overtuigd en toch zijn plaats niet had verloren, vreesde niets.

Dat het met den Keizer ditmaal voor goed was gedaan, had die verrader direct begrepen. In de eerstvolgende weken zou Wellington de groote man wezen. Aan dezen schreef hij dus; tegelijkertijd riep hij tal van aanhangers der oude constitutie bijeen op een avondvergadering.

Zij verschenen en Fouché schetste hun den toestand. Door eigenliefde, haat of andere redenen verblind, liet de gedachte, dat het vaderland door de troepen der geallieerden eerstdaags opnieuw zou worden overstroomd—Blücher en Wellington naderden snel—deze mannen tamelijk koud. Zij hadden genoeg van Napoleon en waren het eens met Talleyrand: “Alles beter dan de Keizer zelfs de Bourbons.” Dezelfde hartstochten, welke den 30en Maart 1814 tijdens den slag voor Parijs Lafayette hadden geleid tot een poging om de nationale garde in opstand te brengen, beheerschten de gemoederen opnieuw. De Keizer moest vallen! betoogde Fouché. Hij had genoeg op zijn kerfstok om beducht te wezen voor zijn hoofd, als Napoleon met hem begon af te rekenen.1 In den bovenbedoelden ministerraad gaf de Keizer een beeld van den toestand en vroeg de meening der aanwezigen. Carnot vorderde de dictatuur voor hem. Dat geen zwakheid of vleierij dezen patriot bij dit voorstel leidde, was door zijn bekende eerlijkheid en zijn moedige houding onder het keizerrijk voldoende bewezen.—Het vaderland was in gevaar, zeide hij; al de nationale gardes, al de aanhangers van het keizerschap moesten onder de wapenen geroepen, Parijs in staat van verdediging gebracht en tot het uiterste verdedigd worden. In het eerste geval kon men tot achter de Loire teruggaan, om daar den vijand weerstand te bieden tot het leger uit de Vendée benevens de observatiekorpsen uit het oosten en uit het zuiden des lands daar eveneens waren bijeengetrokken.

Fouché bestreed dit plan; zonder de medewerking der kamers kon de Keizer niets beginnen, beweerde hij. De meerderheid verklaarde zich echter voor Carnots voorstel.

Reeds waren de eerste stappen in die richting gedaan, toen de tijding kwam dat de kamer van volksvertegenwoording, eveneens die der Pairs volgens de acte additionnel ingesteld, zich op voorstel van Lafayette permanent hadden verklaard, terwijl elke daad tegen dit besluit zou beschouwd worden als hoogverraad. Tevens werden de ministers uitgenoodigd voor de Kamer te verschijnen tot het geven van inlichtingen en het ontvangen van bevelen. Deze daad, een rechtstreeksche aanval op ’t gezag der kroon, een onmiskenbare schending der kort te voren bezworen grondwet, een uitdaging tot den burgeroorlog, een spelen in de kaart van den vijand, bracht in Napoleons plannen een volslagen omkeer.

Had hij, gebruik makende van de opgewondenheid der Parijsche bevolking, die luide riep om wapens, die zich bij al de toegangen naar de Champs Elysées letterlijk verdrong om hem te zien, die zijn verschijning telkens met een daverend Vive l’Empereur! begroette, die in hem nog altijd den drager van Frankrijks glorie zag, tot een forsche daad willen overgaan, dan zou het hem toen weinig moeite hebben gekost om, evenals in 1799, door een staatsgreep aan de zaak een einde te maken en de Kamer naar huis te jagen; maar van een burgeroorlog gruwde hij. Na eenige uren van besluiteloosheid legde hij zich bij de beslissing der Kamer neder. Hij voelde dat hij het spel had verloren; als een stoïcijn berustte hij in zijn lot.

Eenmaal zoover gekomen ging de Kamer nog een stap verder. Wel ontving ze Lucien, die namens den Keizer naar haar zitting was gegaan, vrij goed, doch Lacoste’s; “Slechts één man staat er tusschen ons en den vrede; gaat hij heen, dan is deze verzekerd,” teekende genoegzaam den geest, die velen bezielde. De Keizer moest heengaan!—“Als hij niet zelf abdiceert, zetten wij hem af!” klonk er zelfs van verschillende kanten.

Den 22en Juni, dus twee dagen na zijn terugkeer op het Elysée, werd in de Kamer een hartstochtelijk ondersteunde en met juichkreten begroette motie voorgesteld om hem tot de abdicatie te dwingen.—“Als hij niet binnen een uur heeft afstand gedaan, stel ik voor hem vervallen te verklaren,” voegde Lafayette er zelfs bij.

Dit onbeschaamde ultimatum wekte ’s Keizers verontwaardiging. Was het zoover gekomen! Hij sloeg een blik om zich heen, zijn ministers zwegen. Alleen Regnault verhief zijn stem om hem te bezweren toe te geven.

Een uur later was de president van de Kamer in ’t bezit van de verklaring, dat hij afstand deed van den troon ten behoeve van zijn zoon, dien hij tevens als Napoleon II uitriep tot Keizer der Franschen.

Nauwelijks was dit nieuws te Parijs bekend, of het volk liep te hoop. Vooral in de voorstad Saint-Honoré was het gedrang ontzettend. Geruchten, dat de Kamers den Keizer aan den vijand wilden uitleveren, deden de ronde. Men wilde weten of dit waar was; men wilde hem zien. Ten slotte werd het misbaar zoo geweldig, dat hij zich verplicht achtte te voorschijn te komen.

Onbeschrijflijk was de uitbarsting van geestdrift, waarmede hij werd ontvangen. De lucht daverde van het gejuich. Aangrijpend, ontzagwekkend was die spontane betuiging van sympathie en genegenheid.

Fouché werd bang, dat Napoleon, ontwarende hoe innig de Parijsche bevolking nog aan hem was gehecht, zich eensklaps aan haar hoofd zou stellen, de dictatuur grijpen, de Kamers uiteenjagen en hem, de ziel van dit kabaal, opknoopen zou. Hij deed hem dus verzoeken Parijs te verlaten. Zijn tegenwoordigheid daar veroorzaakte een voortdurende gisting in de gemoederen en ontstemde de Kamers, beweerde hij.

Napoleon deed, wat hem werd verzocht. Het volk wilde hem echter niet laten vertrekken. In een rijtuig van generaal Bertrand, verdween Napoleon onopgemerkt door de poort der Champs-Elysées, terwijl meer dan tienduizend menschen in de faubourg St. Honoré stonden te wachten en te kijken naar de galakoets met zes paarden bespannen, die op Napoleon scheen te wachten, maar waarin Gourgaud, tot groote teleurstelling van de bevolking, alleen vertrok. De Keizer ging naar Malmaison, waar hij vol liefde en deelneming door Hortense werd ontvangen en waar ook zijn oude moeder hem spoedig kwam troosten. Veel illusies maakte de Keizer zich weldra niet meer, zelfs geloofde hij niet aan de mogelijkheid dat zijn zoon ooit Keizer van Frankrijk zou worden.

Alle hoop op beter tijden was echter nog niet bij hem verdwenen. Wie zal zeggen, wat er in zijn brein omging, als hij, voor zijn gansche omgeving een raadsel van kalmte en lijdzaamheid, rustig in een hoek van een kanapé een luchtig romannetje zat te lezen? Met den vurigen wensch van Fouché en zijn clique om hem zoo spoedig mogelijk uit Frankrijk te zien verdwijnen scheen hij onbekend.—Dat diezelfde Fouché echter nooit den moed zou hebben hem met geweld hiertoe te dwingen, wist hij; met de toebereidselen tot zijn vertrek maakte hij dus geen haast; generaal Becker, lid der Kamer was hem als Commissaris toegevoegd om toezicht op hem te houden.

Verbeidde de Keizer onder dit talmen het oogenblik, waarop in de gemoederen een omkeer, bij de partijen in de Kamer zelve een strooming te zijnen gunste komen zou?—’t Is niet onmogelijk. Vast staat, dat hij, de nadering der Pruisen vernemende, door generaal Becker aan het voorloopige bewind deed verzoeken hem als generaal zonder meer aan het hoofd der troepen te stellen. Dan zou hij den vijand te gemoet gaan, hem verslaan, Parijs bevrijden en, eenmaal zoover, in het ambtelooze leven terugkeeren.—Carnot was met dit voorstel wel ingenomen. Denkt Napoleon, dat wij zoo dom zullen zijn er op in te gaan? vroeg Fouché.

Door toedoen van dezen werd nu een besluit genomen om den Keizer zoo spoedig mogelijk van Malmaison te doen vertrekken naar Rochefort. Hier lagen reeds twee oorlogsschepen zeilklaar om hem over te voeren naar Amerika.—Dan was men hem kwijt, en kon hij geen spaak meer in ’t wiel steken, dacht Fouché. Dat het in zijn bedoeling heeft gelegen Napoleon op reis op de een of andere manier uit den weg te doen ruimen, is nooit gebleken. Voldoende was ’t hem, als de ander het grondgebied van Frankrijk verliet. De vroegere koningsmoorder had zich voorgenomen bij deze nieuwe omwenteling een eerste rol te spelen en Lodewijk XVIII te dwingen zich van zijn hulp en zijn tusschenkomst te bedienen. Hij had Talleyrand in 1814 tot model gekozen. Zijn toeleg is vrijwel gelukt. Zijn brief aan Wellington had vruchten gedragen. Deze had aanvankelijk niet kunnen gelooven, dat Napoleon afstand had gedaan van den troon. Die daad ging boven zijn begrip. Eenmaal hiervan zeker, aarzelde hij echter niet langer doch rukte, reeds door Blücher voorafgegaan, zonder de komst af te wachten van de Russen en Oostenrijkers, die nog bij Laon stonden, naar Parijs. Dat Frankrijk na ’s Keizers abdicatie niet meer in staat was zich te verdedigen, meende hij stellig te weten. Dat er niet zou worden gevochten, wist hij door Fouché.

Napoleon op de Bellerophon.

Den 1en Juli stonden de bondgenooten onder de muren van de hoofdstad. Hoewel Davoust er in geslaagd was een leger van 80.000 oude soldaten,—o. a. de 30.000 man van Grouchy—bij Parijs te verzamelen, hoewel Blücher en Wellington samen slechts 120.000 man hier tegenover konden stellen, de gedachte aan ernstigen weerstand door het voorloopige bewind dus volstrekt niet behoefde te worden losgelaten, ontving de hertog van Auerstadt last een capitulatie te sluiten.—Den 3en Juli kwam deze tot stand. Het leger zou teruggaan tot achter de Loire.—Den 8en Juli d. a. v. hield Lodewijk XVIII, vergezeld van Talleyrand en gesteund door de bajonetten der bondgenooten, zijn tweeden intocht binnen Parijs.

Fouché zegevierde. Hij was aan Lodewijk XVIII voorgesteld en bleef een korte poos de groote man.—Door hem belast met de portefeuille van politie, in die troebele dagen de gewichtigste, heeft hij van zijn listigen zet, die met verraad gelijk stond en zelfs door zijn aanhang aldus werd bestempeld, toch niet lang genoegen gehad. Enkele maanden later werd hij gedwongen zijn ontslag te nemen en vrijwillig in ballingschap te gaan. Tegelijkertijd werd ook Talleyrand, met een hooge waardigheid aan het hof bekleed, uit zijn staatsambt ontslagen en verplicht in het ambtelooze leven terug te treden.—Dit was de dank der royalisten voor ’t geen die twee cynieke figuren voor hen hadden gedaan.

De ironie van het toeval had dus gewild, dat de niet koningsgezinden en de met een herstel der Bourbons in ’t minst niet ingenomen republikeinen en imperialisten den eenigen man terugwezen, die, zelf een kind der omwenteling, bij machte zou zijn geweest Frankrijks eer hoog te houden en den vijand te weerstaan. Thans moesten zij dulden, dat de vreemdeling zich mengde in het inwendige bestuur van hun land. Dit alles geschiedde nog wel na een jarenlange periode van grootheid en roem, zooals Frankrijk die nooit had gekend, een periode, waarin het aan half Europa de wet voorschreef! Welk een les voor iedere natie, die haar zelfstandigheid wenscht te behouden!

Niet lang zou het duren of ook van al het goede door Napoleon tot stand gebracht, zou weinig meer dan de code zijn overgebleven.

Toen Napoleon den 29en Juni vernam, dat de Pruisische cavalerie de omstreken van Malmaison begon onveilig te maken en dat hij blootstond aan een overrompeling, gaf hij eindelijk gevolg aan de vertoogen zijner omgeving en vertrok naar Rochefort. Was hij in Blüchers handen gevallen, dan zou het niet onmogelijk zijn geweest, dat deze de wereld voor goed van hem had bevrijd. Deze bloeddorstige gezindheid van den ouden veldheer was zelfs oorzaak, dat Wellington hem schreef: “De persoon van Napoleon behoort zoomin aan u als aan mij; die behoort aan onze souvereinen. In naam van Europa zullen die over hem beschikken. Mochten zij een beul noodig hebben, dan zal ik hun verzoeken hiervoor een ander te kiezen dan mij. Met het oog op uw grooten naam raad ik u mijn voorbeeld hierin te volgen.

Na een reis van vijf dagen, door een landstreek, welker bewoners hem herhaaldelijk de levendigste bewijzen van genegenheid en van verslagenheid over zijn heengaan hadden gegeven, den 3en Juli te Rochefort gekomen, vond de Keizer hier de Saale en de Medusa zeilklaar liggen. Terstond had hij aan boord kunnen gaan en in zee steken; geen enkel Britsch oorlogsvaartuig was nog te zien; ongehinderd had hij den oceaan kunnen bereiken. Toch vertrok hij niet.—Den volgenden morgen was het te laat; toen vertoonde zich de Engelsche kruiser de “Bellerophon” voor de haven, en was de toegang tot de zee gesloten.

Allerlei voorstellen om onopgemerkt langs dezen bodem heen te komen werden hem nu gedaan. Kapitein Ponet van de Medusa stelde zelfs voor dezen reus met zijn vier en zeventig stukken bij nacht met zijn veel kleiner schip aan te grijpen, om den Keizer dan aan boord van de Saale te doen ontkomen. Jozef, die veel op zijn broeder geleek, wilde zich in zijn plaats laten gevangen nemen; een voor hen te Bordeaux gereed liggend vaartuig zou hem dan naar Amerika overvoeren.—Voor deze zelfopofferende voorstellen evenals voor verschillende andere bedankte de Keizer.

Een kostbare tijd ging op deze wijze verloren. Een vraag, aan den kapitein ter zee Maitland van de Bellerophon gedaan, of hij geen last had hem ongehinderd te laten vertrekken, werd ontkennend beantwoord met de opmerking er bij, dat, indien de Keizer naar Engeland mocht willen oversteken, hij, Maitland, machtiging had zijn bodem hiervoor beschikbaar te stellen. De ontvangst ginds zou dan zeker wezen overeenkomstig zijn rang en stand.

Nog steeds bleef de Keizer, die zich inmiddels aan boord van de Saale had begeven en den 12en op het eiland Aix aan wal was gestapt, besluiteloos. Eindelijk, den 14en Juli, schreef hij aan den prins-regent van Engeland:

Koninklijke Hoogheid, het doelwit van de partijen, die mijn land verdeelen, en van de vijandschap der grootste machten van Europa, ik heb mijn staatkundige loopbaan gesloten; als Themistocles kom ik nederzitten aan den haard der Britsche natie. Ik stel mij onder de bescherming van haar wetten. Ik roep die in van uw Koninklijke Hoogheid, als de machtigste, de standvastigste en de edelmoedigste mijner vijanden.

Met dit schrijven moest generaal Gourgaud zich naar Londen naar den Regent begeven. Graaf de las Cases zou kapitein Maitland tevens meedeelen, dat de Keizer plan had den volgenden morgen bij dezen aan boord te komen.

De generaal vertrok met het Engelsche korvet de Slaney. De Keizer ging den 15en aan boord van de Bellerophon. Generaal Becker was vooraf weggezonden. “Men moest niet kunnen meenen, dat een Franschman hem aan zijn vijanden was komen overleveren,” zei Napoleon.

“Ik kom mij stellen onder de bescherming der wetten van Engeland,” zeide hij, toen hij den voet zette op het dek van den kruiser en door Maitland eerbiedig werd welkom geheeten.

Door tegenwind opgehouden, ankerde men eerst den 24en op de reede van Torbay. Half Engeland liep uit om hem te zien. Hij glimlachte bij ’t aanschouwen van dit huldebetoon, hem door duizenden in roei- en zeilbooten gebracht,—bij de woelige zee een gevaarlijk werk, dat zelfs menschenlevens kostte—maar weldra verdween die glimlach, want Gourgaud kwam onverrichterzake uit Londen terug. De Regent had hem niet willen ontvangen.

Den 30en Juli volgde een ministerieele nota, behelzende, dat het eiland St. Helena in den Zuid-Atlantischen Oceaan den Keizer als generaal Bonaparte tot toekomstig verblijf was aangewezen.

Zelfs in de keuze der personen, die hem derwaarts zouden vergezellen, werd hij niet geheel vrijgelaten. Hoewel velen, waaronder Savary en graaf Lobau, zich aanboden om de ballingschap met hem te deelen, ontvingen alleen de generaals Bertrand en Gourgaud, die reeds jaren lang tot zijn omgeving behoorden, voorts graaf de Montholon en graaf de Las Cases benevens eenige bedienden hiertoe verlof. Oostenrijk, Rusland en Frankrijk zouden ieder een commissaris aanwijzen om te zorgen, dat hij niet ontvluchtte.2 Eindelijk zouden de Keizer en zijn gevolg worden ontwapend, hun koffers en verder eigendom doorzocht en alle voorwerpen van waarde, die bij een ontvluchting konden dienst doen, hem afgenomen worden.3 De Northumberland zou hem naar zijn bestemming brengen.

In waardige taal protesteerde Napoleon tegen deze bejegening. Gevangen genomen had men hem niet. Uit eigen beweging had hij zich aan boord van een Engelsch oorlogsschip begeven en Engelands gastvrijheid ingeroepen; dus had men het recht niet hem te behandelen als een gevangene. “Men veinst de vriendschapshand toe te steken en wanneer die in goed vertrouwen wordt aanvaard door den vijand, offert men hem op,” alzoo de Keizer in een zijner protesten.

Dat zijn protesten hem niets zouden baten, was te voorzien. Van een natie, wier minister-president, lord Liverpool, aan den secretaris van Buitenlandsche zaken, lord Castlereagh, had geschreven, dat de beste oplossing van den toestand zou wezen, indien de koning van Frankrijk hem als een oproermaker deed doodschieten, was geen genade te wachten. Alleen de krachtige oppositie van den Hertog van Sussex behoedde Engeland voor de schanddaad hem aan Lodewijk XVIII uit te leveren, maar het besluit om hem als gevangene naar St. Helena te brengen kon niet worden voorkomen. Engeland was bereid de bewaking van den gevallen vijand op zich te nemen.

Een groot deel der Engelsche natie was het eens met de Engelsche regeering. Twintig jaar lang had zij tegen den Keizer gestreden en was zij zoo goed als al dien tijd van de gemeenschap met het vasteland afgesneden gebleven. Het jongere geslacht zag in hem volstrekt geen grootsche figuur, slechts een vijand van het menschdom.

Albion heeft Napoleon niet aan Frankrijk uitgeleverd om met hem kort recht te maken evenals later met Ney en de Labédoyère; maar wraak genomen heeft het wel, wraak op een wijze, die zelfs thans nog een ieder weldenkend en niet door blinden haat vervoerd mensch, met afkeer en walging vervult, die door alle eeuwen heen een schandvlek zal blijven op Albions historiebladen.

Hoe is Napoleons houding tegenover deze bejegening geweest? Waardig en fier tot het einde toe, zooals dit van een gevallen monarch als hij kon worden verwacht. Toen Hudson Lowe, zijn cipier, hem op zekeren dag dreigde met inhouding zijner levensbehoeften, wees hij naar het Engelsche legerkamp in de nabijheid. “Ziet u dat kamp? Daar liggen soldaten. Ik zal ze gaan opzoeken. “De oudste soldaat van Europa komt u verzoeken om een plaatsje aan uw tafel” zal ik zeggen. Dan ga ik eten bij hen. Met beschaamde kaken droop de ander af.

Niet alleen ’s Keizers aanhangers koesteren eerbied voor de wijze waarop hij zich tegenover zijn cipiers gedroeg. Bij het overlijden van prins Bismarck schreef de Times, het groote Engelsche dagblad, dat zeker niet van Napoleontische neigingen zal worden verdacht in haar nommer van 31 Augustus 1898 o.a. “In meer dan één opzicht geleek Bismarck op Napoleon, maar diens zielegrootheid, welke de rampen des levens met waardigheid doet dragen, bezat hij niet.”

In den namiddag van den 7en Augustus ging Napoleon met hen, die zijn gevangenschap zouden deelen op de Northumberland, in allerijl voor haar nieuwe bestemming in gereedheid gebracht, over. De overigen, die naar Malta gevoerd zouden worden, bleven op de Bellerophon. Het afscheid was hartroerend. Mannen, die in honderd veldslagen de kogels om de ooren hadden hooren fluiten, snikten als kinderen. “Au revoir, Sire, au revoir!” fluisterden zij met een door tranen verstikte stem. Napoleon, die zijn zelfbeheersching volkomen behield, antwoordde slechts met een weemoedigen glimlach.

Den 9en Augustus werd het anker gelicht en ging men onder zeil. “Daags na het vertrek kreeg men, bij het optrekken van den mist, eensklaps de kust van Bretagne in ’t zicht. “Frankrijk! Frankrijk!” klonk het uit honderden monden. De Keizer wandelde op dat oogenblik op het dek. De armen over de borst gekruist, staarde hij met strakken blik op de schoone kust. Een doodelijke bleekheid overtoog zijn gelaat en zijn oogen vulden zich met tranen. “Adieu, terre des braves je te salue! Adieu, France, adieu!” fluisterde hij. De ontroering der Franschen deelde zich zelfs aan de Engelschen mede.

Allen ontblootten het hoofd.

Den 16en October, dus na een reis van negen en zestig dagen wierp de Northumberland het anker uit op de reede van Jamestown en den volgenden dag, ’t was de verjaardag van den slag bij Leipzig, betrad Napoleon den bodem van St. Helena.


1 Een oogenblik is deze werkelijk van plan geweest hem te laten doodschieten. De krijgsraad, die hem zou vonnissen, was reeds aangewezen. Op St. Helena heeft de Keizer bij herhaling zijn spijt te kennen gegeven, dat hij tot dien stap niet was overgegaan.—“Dan was er in elk geval een schelm minder geweest,” zei hij.

2 Veel moeite hebben die heeren zich hiertoe niet gegeven. Den meesten tijd bleven zij rustig te Jamestown en lieten de Engelschen waken. Niet één hunner heeft den Keizer ooit levend gezien. Voor een uitnoodiging om als particulieren bij hem te komen dineeren hadden zij bedankt.

3 Deze bepaling is niet gestreng nagekomen. Napoleon nam circa 400.000 frs. mede.

Hoofdstuk XXX.

St. Helena.

........................................

Des rochers nus, des bois affreux, l’ennui, l’espace

Des voiles s’enfuyant comme l’espoir qui passe,

Toujours le bruit des flots, toujours le bruit des vents!

Adieu tente de pourpre aux panaches mouvants!

Plus de tambours battant aux champs, plus de couronne,

Plus de rois prosternés dans l’ombre avec terreur,

Plus de manteau trainant sureux, plus d’empereur!...

Sur les escarpements, roulant en noirs décombres,

Il marchait seul, rêveur, captif des vaques sombres,

Les aigles, qui passaient, ne le connaissaient pas.

Victor Hugo.

Een afgelegener, ongenaakbaarder, armer, ongezelliger en duurder oord bestaat er op den ganschen aardbol niet. Schrikwekkend is zijn uiterlijk. Toen ik het in den morgen van den 17en October voor de eerste maal voor mij zag, kromp mijn hart ineen. St. Helena ligt 2000 mijlen van Europa, 1200 van de Kaap de Goede Hoop, is van vulkanischen oorsprong, heeft een laag afgekoelde lava tot bodem en wordt in verschillende richtingen door diepe kloven doorsneden. Alleen daar, waar de hand van den mensch tuinaarde heeft aangebracht, zijn sporen van plantengroei. Allerwege dalen lavamuren van het bovenste bergvlak, waarop Longwood ligt, loodrecht af naar de zee. Overal grijnzen kanonnen uit de zwarte rotsmassa u tegen. Een muur en een poortgewelf sluiten de stad Jamestown af van de zee. In 1815 telde het eiland slechts 500 blanken, verder eenige honderden Chineezen en Lascaren. Het garnizoen bestond uit twee regimenten infanterie, een escadron dragonders, een compagnie artillerie en eenige genisten. De vloot telde elf goed bemande schepen.—’t Was er ongezond. Geen inboorling bereikte er ooit den leeftijd van zestig jaar. Dysenterie en leveraandoeningen heerschten er zes maanden van ’t jaar nog heviger dan in Indië.”—Zoo oordeelde de Montholon; Montchenu, de Fransche regeeringscommissaris, eveneens.

Geen tien maanden na zijn komst begon Napoleon, wiens gezondheid toch reeds veel had geleden, de gevolgen van een verblijf in dit moordende klimaat met zijn beurtelings verzengende hitte en scherpe winden reeds te gevoelen. Zware hoofdpijnen, ontsteking van het tandvleesch en een bijna onafgebroken gewaarwording van matheid en algemeene verzwakking openbaarden zich.

Nauwelijks had de Northumberland op de reede van Jamestown het anker laten vallen, of de commandant van dezen bodem, admiraal Cockburn, die met bewaking zou belast blijven, tot een militaire gouverneur op het eiland was aangewezen, begon naar een gepast verblijf voor zijn gevangene te zoeken. Wel wat ruw, kortaf en prikkelbaar, een Engelschman van top tot teen, doch overigens goedhartig van aard, had hij dezen het langdurige verblijf aan boord zoo draaglijk mogelijk trachten te maken. Zelfs had hij den Keizer, die op hooger last door de equipage niet anders dan met “Generaal” mocht worden aangesproken en die ook als een generaal op non-activiteit moest worden behandeld, deze grief bespaard, hem steeds Excellentie genoemd en hem de eereplaats aan tafel afgestaan.

Nog dienzelfden dag verliet de Keizer het fregat en betrok met zijn gevolg voorloopig appartementen bij zekeren Portens, een logementhouder te Jamestown. Had hij Maitland en admiraal Keith door zijn optreden in een oogwenk ingepakt, niet minder had hij de equipage van de Northumberland voor zich weten te winnen. De matrozen zagen hem met leedwezen vertrekken. “Dat hij een kranige kerel was, die zijn hard lot niet verdiende,” was aller meening.

Welk een steeds dreigend gevaar zou de aanwezigheid in Engeland van een man, die zulk een machtige bekoring van zich wist te doen uitgaan, voor dit land zelf en voor Frankrijk zijn geweest! Lord Keith had na de kennismaking immers gezegd, dat “als die verd..... vent een onderhoud met den prins-regent had kunnen krijgen, die twee binnen een half uur de beste maatjes van de wereld zouden geweest zijn!”

Voor een zoo gevaarlijk persoon was natuurlijk alleen St. Helena een geschikt verblijf! De vraag bleef alleen maar, hoe hem onder dak te brengen. Aan een woning te Jamestown zelf kon niet worden gedacht; daar buiten was zeer weinig keuze. In een koele, schaduwrijke vallei stond wel een aardig kasteel, Plantation House, dat als verblijf voor Napoleon uitnemend geschikt zou zijn geweest, maar dit was bestemd voor den nieuwen gouverneur. Het huisje door den admiraal uitgekozen, was echter zóó klein, en lag zóó geheel bloot voor de oogen van het publiek, dat Napoleon om een ander verblijf verzocht. Op een der zuidelijke bergvlakten, dat van Longwood, stond een pachthoeve van de Engelsch-Oost-Indische compagnie, verwaarloosd, vervallen slechts ten deele bewoonbaar en tijdelijk aan een officier van het Engelsche leger in gebruik gegeven. De admiraal bracht hem er heen en vroeg hem, wat hij dacht van deze woning. De Keizer nam er genoegen mee. Zoolang de noodige verbeteringen niet waren aangebracht, zou hij verblijf houden in een klein paviljoen, the Briars, het eigendom van een handelsagent, den heer Balcombe, die zijn huis had in de nabijheid.

Wel was de Keizer nu verplicht een tijdlang in één en hetzelfde vertrek te werken, te eten en te slapen; wel moesten zijn bedienden logeeren in een tent, “maar hij had het recht niet bezwaren in te brengen,” zei hij. “Zijn waardigheid gebood hem te zwijgen.”

Zijn omgeving zweeg echter niet; die klaagde luide en won hiermede, dat het verblijf te Jamestown haar wat aangenamer werd gemaakt.

Wat Napoleon terstond geducht hinderde was het zien van de reeks schildwachten om the Briars, die letten op al zijn bewegingen, en des nachts in een engen kring om zijn verblijf stonden.—Men scheen in Engeland wel zeer bang voor hem, dat men zulk een scherpe bewaking op dat toch reeds schier ongenaakbare eiland noodig vond!

Gedwongen bezigheid te zoeken, zette hij den arbeid voort aan zijn Gedenkschriften door las Cases onder zijn dictée reeds aan boord begonnen. Ook vond hij eenige afleiding in het bijzijn der twee dochtertjes van zijn gastheer, die hem vaak kwamen bezoeken, doch door zijn omgeving nog al “onhebbelijk” werden gevonden.

In November ontving hij de eerste couranten. Op welk een meedoogenlooze wijze de royalisten tegen zijn voormalige officieren en ambtenaren met gevangenis, deportatie en dood optraden, kon hij reeds lezen. Van zijn vrouw ontving hij taal noch teeken. Zijn bloedverwanten, verbannen, gevlucht, verplicht zich te verbergen, hadden nog geen gelegenheid gehad hem iets van zich te doen hooren.

Eindelijk was Longwood gereed! Den 10en December kon hij het betrekken. “Zijn haai,” zooals hij Cockburn wel eens noemde, had gedaan, wat hij kon en met hout, geteerde zeilen en materiaal van allerlei aard een tamelijk bewoonbaar verblijf van één verdieping gelijkvloers doen samenstellen, waarin tevens voldoende ruimte was voor het gevolg. Zoo vonden de familie de Montholon, generaal Gourgaud, dokter O’ Meara en de bedienden daar een verblijf, maar de gansche woning was vochtig, alles beschimmelde binnen een paar dagen en het krioelde er van ratten. Bertrand en zijn vrouw hadden op hun verzoek een woning gekregen aan den rand van het plateau; zij werden dus ’s Keizers buren.

Napoleon op St. Helena.

Zelfs op Longwood was de ruimte, waarover deze voor zich alleen beschikken kon, nog zeer beperkt. Ze bestond n.l. uit twee kamers van veertien bij twaalf voet en van elf voet hoogte, beide verlicht door twee vensters met uitzicht op het Engelsche kamp. In een hoek stond het kleine veldbed met groen zijden gordijnen, dat hij reeds bij Marengo gebruikte. De achterdeur werd verborgen door een vuurscherm; tusschen dit en den haard stond een oude sofa, waarop hij niettemin een groot deel van den dag doorbracht. Bruin doek bedekte de wanden, een half versleten karpet den vloer. Met dit armoedig meubilair vormde een prachtig waschstel met zilveren kan en kom een zonderling contrast.

Een portret van Maria Louise, twee van zijn zoon en een borstbeeld van dezen, een miniatuurportret van Joséphine, het horloge, dat hij als Eerste Consul in Italië op zak had gehad, aan een ketting van haar zijner tweede vrouw, benevens de wekker van Frederik den Grooten, dien hij uit Potsdam had medegenomen, dienden tot versiering. In het andere vertrek vond men een schrijftafel, een paar boekenplanken en een tweede bed; dit gebruikte hij overdag en ook wel ’s nachts, wanneer hij, wat vaak voorkwam, rusteloos en ongedurig was. Zat hij niet in een witte morgenjas en witte pantalon met open hemdkraag en een bontgeruiten doek om het hoofd in zijn slaapkamer op de sofa met een vracht boeken om zich heen, dan vertoonde hij zich meestal in een groenen jachtrok, dien hij liet keeren, toen het stuk oud begon te worden, want Engelsche stof verkoos hij niet te dragen.

Om elf uur ontbeet hij; tegen twee begon hij zich te kleeden; om zeven dineerde hij dan alleen of met het geheele gevolg. Later werd het diner gesteld op twee uur en werd er om tien uur gesoupeerd, een en ander ter wille van mevrouw Montholon of om de doodelijke verveling te verdrijven, die weldra als een worm aan ’t zieleleven van allen begon te knagen.

De las Cases en de Montholon hebben in hun gedenkschriften op deze vreeselijke kwelling gedoeld, doch niemand uit ’s Keizers omgeving heeft die zoo zwaar gevoeld als Gourgaud. De drie andere heeren waren gehuwd of hadden een lid van hun familie bij zich maar hij was alleen, moederziel alleen evenals zijn Keizer, den man, dien hij bijna aanbad en op wiens genegenheid hij zoo jaloersch was als een minnaar op die van zijn meisje.

Geen vriendelijk beeld geeft deze, toen twee en dertigjarige opperofficier in zijn eerst in 1898 openbaar gemaakte gedenkschriften van zich zelf te aanschouwen. Vaak is hij ruw en bruusk op brutaal worden af. “Snuf!” zegt hij zelfs bij zekere gelegenheid als las Cases bezig is den Keizer te vleien. Dat een der andere heeren, Bertrand niet meegerekend, bij Napoleon op hem den voorrang zal hebben duldt hij niet. Vandaar telkens standjes met de Montholon en met de las Cases.

“Wat ben je eigenlijk voor een heerschap? Voordat je hem je diensten kwaamt aanbieden, kende de Keizer je ternauwernood,” duwt hij dezen in een nijdige bui toe, als hij ziet dat de ander, een voormalige refugé, veel meer in Napoleons intimiteit wordt toegelaten dan hij. “Ik ben zijn eerste adjudant, ik heb hem bij Brienne het leven gered. Wat heb jij voor hem gedaan? Op geen enkel slagveld heb ik je ooit gezien. Ik laat me door niemand passeeren.”

Ennui! Tristesse! Bijna op elke bladzijde van zijn dagboek, dat loopt tot den 14en Maart 1818, komen deze uitdrukkingen voor.

Zijn stuursheid, zijn wrevelig humeur en zijn jaloezie op de anderen begonnen Napoleon, die van hem hield en hem vaak zijn Gorko, “zijn zoon” noemde, nu en dan geducht te vervelen. Dan kreeg Gourgaud een vermaning om met de anderen in vrede en vriendschap te leven en niet jaloersch te zijn op de las Cases, die toch zooveel ouder was dan hij en ook moest hij wel begrijpen, dat allen daar waren voor hem en voor hem alleen en dat hij liefst vroolijke, opgeruimde gezichten zag.

In ’t laatst van 1816 volgde er zelfs een uitbarsting. “Met je komst hier, dacht je in mij een kameraad te vinden; van niemand ben ik dit,” duwde Napoleon hem toe. “Op mij krijgt niemand invloed. Jij zoudt hier het middelpunt willen wezen, waaromheen alles zich beweegt. Dit middelpunt ben ik. Sinds wij hier zijn ben jij de oorzaak van al mijn verdriet. Vindt je ’t hier zoo ellendig ga dan heen, maar zoek geen standjes met Montholon.”

Geducht in zijn wiek geschoten zocht Gourgaud troost bij de familie Bertrand, maar deze troost was bitter schraal.

De Keizer is nu eenmaal zoo; zijn karakter veranderen kunnen wij niet. Je plicht doen en je verder aan niets storen, is nog het beste,” zei de hofmaarschalk. “Juist dat karakter van hem is oorzaak, dat hij geen vrienden telt, dat hij zich zooveel vijanden heeft gemaakt, kortom dat wij ons op St. Helena bevinden. Dat is ook de reden waarom zoo min Drouot als de anderen, die op Elba bij hem waren, wij uitgezonderd, hem hierheen hebben willen volgen.

Niemand moet zich voorstellen, dat er tusschen de overige leden van ’s Keizers omgeving een aangename vertrouwelijkheid bestond. Mevrouw Bertrand, een creoolsche met een Engelschen vader, maakte van haar echtgenoot een slaaf en was even veeleischend en grillig als bevallig. Telkens waren er tusschen haar en mevrouw de Montholon kleine oneenigheden. Zoo was ’t ook met de heeren. Intrige, naijver en afgunst speelden zelfs aan dat kleine hof een rol en Napoleon met zijn egoisme scheen dat wedijveren om een gunstbewijs van hem veeleer aan te moedigen dan te bestrijden. Hij zelf kon hierbij slechts winnen, meende hij. De verzekering, dat alleen de personen van zijn omgeving zijn erfgenamen zouden zijn heeft tot dezen naijver stellig bijgedragen.

Voor de buitenwereld bleef dit alles intusschen zorgvuldig verborgen. Voor deze was Longwood een hermetisch gesloten kasteel, waar geen vreemd oog kon rondzien, tenzij de Keizer hiertoe verlof gaf; dan was de hofmaarschalk de tusschenpersoon.

Evenals op St. Cloud werd de etiquette daar onverbiddelijk streng gehandhaafd. Voordat de Keizer hiertoe het teeken gaf, waagde het niemand in zijn bijzijn te gaan zitten, al duurde zulk een sessie een paar uur. Ook als balling wilde hij nog Keizer wezen; een armzalige eisch voor zulk een man; maar toch een die door zijn gevolg tot zijn dood is geëerbiedigd. Een jager in het voorvertrek zorgde, dat nooit iemand ongevraagd bij hem binnentrad. Reed hij uit, dan zag men zes paarden voor zijn rijtuig met een stalmeester in volle uniform naast elk portier.

Hoogstens een half uur duurde het diner. Zilveren servies, zijn eigendom, prijkte in overvloed op tafel. De lakeien waren gedost in een rijke livrei van groen met goud. Steeds bleef voor de keizerin naast hem een stoel open. Slechts bij hooge uitzondering, b.v. toen lady Holland met haar man bij hem kwam dineeren, werd die aan een gast afgestaan.

Meestal at hij smakelijk doch snel van de verschillende gerechten. In den beginne las hij na het dessert vaak een stuk voor uit een Fransch treurspel; later ging hij meestal reeds vroeg naar zijn kamer om daar te lezen of te dicteeren, vaak tot diep in den nacht.

Aan veel lichaamsbeweging gewend, en hetgeen hij in het belang van zijn gezondheid wilde onderhouden, reed hij in den beginne bijna dagelijks te paard; Admiraal Cockburn had opzettelijk voor dit doel drie rijpaarden van de Kaap laten komen. Zoodra hij echter bespeurde, dat, wanneer hij een zekeren kring verliet, een Engelsch officier hem te paard begon te volgen, een maatregel door lord Bathurst voorgeschreven, zag hij van die voor hem zoo noodige beweging af, sloot zich geheel op en kwam bijna niet meer buiten.

Halve dagen bracht hij nu door op zijn canapé, gansche uren in een lauw bad. Dit scheen hem verlichting te schenken voor een in ’t bijzonder in de laatste jaren zijns levens voortdurend heftiger wordende pijn in de maagstreek.—“O, mijn maag! ’t Is alsof ik daar met een mes wordt gestoken,” zeide hij meermalen.—Van geneeskundige hulp wilde hij echter niet weten. “Een dokter wist niets van zijn gestel.” zeide hij.

Het opgewektst, het gelukkigst gevoelde hij zich, als hij boeken ontving uit Europa; dan sloot hij zich met deze op, dagen, weken lang, en rustte niet voordat hij ze alle doorgelezen en aanteekeningen er uit gemaakt had.

Zoo slopen de dagen, de maanden voor den balling en zijn zwaarmoedig gestemde omgeving langzaam voorbij, bijna zonder eenige afwisseling, terwijl een sluier van doodelijke verveling allen langzamerhand begon te omhullen.

Tot nog toe was aller leven nog dragelijk geweest. Verschillende bepalingen, hem ten opzichte van den Keizer en diens gevolg voorgeschreven, had Cockburn op eigen gezag buiten werking gesteld of was ze niet nagekomen. Doch thans (April 1816) verscheen generaal Sir Hudson Lowe als gouverneur op St. Helena, en met hem tegelijk kwam er een geduchte verandering.

Van stonden aan trad een kleingeestig, kwellend en vóór alles totaal overbodig stelsel van bewaken en spionneeren in werking. Door een cynischen Engelschen minister uitgedacht, kreeg dit stelsel tot overmaat van ramp als uitvoerder den laaghartigsten ellendeling, die ooit een generaalsuniform heeft gedragen, een man, die aan volslagen tactloosheid een angst voor het ontsnappen van zijn gevangene paarde, welke vaak aan waanzin grensde, en die de laatste levensjaren van den grooten balling,—al geven wij toe, dat deze een zeer lastig en opvliegend man was—heeft gemaakt tot een hel op aarde. Zijn eigen landgenooten hebben Hudson Lowe verfoeid; zijn vroegere beschermers hebben hem losgelaten, en op den huidigen dag nog zelfs wordt zijn naam door de beschaafde wereld verafschuwd. Toen hij dien man als cipier zond naar St. Helena, wist lord Bathurst wel wat hij deed, om den gevallen vijand zijn fellen haat te doen gevoelen. Dat hij de eer van zijn land hierdoor bevlekte, werd door hem vergeten.

“Wat een boeventronie, maar zijn inborst kan meevallen!” had Napoleon na de eerste kennismaking niet zonder reden gezegd.

Werd de bewaking dus terstond verscherpt, voor Lowe was de Keizer bovendien slechts de generaal Napoleon Bonaparte zonder meer. Alle brieven, gericht “aan den Keizer,” brak hij open. Op een boek over de Honderd Dagen met het opschrift: “Imperatori Napoleoni,” door Hobhouse, den auteur, Napoleon ten geschenke gezonden, legde hij beslag, omdat het kwam van een Engelschman. Zoo ging het ook met een doos Chineesche schaakstukken, waarop een gekroonde N. prijkte. Bij ’s Keizers dood duldde de man zelfs niet, dat op de kist alleen de naam Napoleon werd geplaatst; dus bleef die kist naamloos.

In al die jaren heeft de Keizer Lowe vijfmaal ontmoet en hem dan telkens, in woede ontstoken, overladen met grofheden, waarop de ander zoo wijs was niet te antwoorden.

Ook achtte Lowe het jaargeld, Napoleon aanvankelijk toegelegd, te hoog; hoewel hij zelf 12000 £ ’s jaars trok, vond hij 8000 £ voor hem en zijn gevolg voldoende. Toen deed de Keizer een deel van zijn overcompleet tafelzilver stuk stampen en te Jamestown in ’t openbaar verkoopen, om, al was deze gewelddaad volslagen onnoodig,1 aan Europa konde te doen van de wijze, waarop hij door Engeland werd behandeld. Nu werd Lowe bang voor de publieke opinie en roerde het onderwerp der jaarlijksche toelage dus niet meer aan. Zelfs begon hij plannen te maken om van hout, dat hiertoe uit Europa werd aangevoerd, Napoleon een betere woning te doen bouwen.

Kort na een onderhoud, waarbij Napoleon hem wederom grof bejegend, hem voor een Siciliaanschen sbir uitgemaakt en hem ten slotte verboden had ooit weer voor hem te verschijnen, behalve wanneer hij kwam met het bevel tot zijn terechtstelling, “als wanneer hij alle deuren wijd voor zich geopend zou vinden,” beproefde Lowe nog eenmaal ongeroepen tot zijn gevangene door te dringen.—Hij verkoos dezen dagelijks zelf te zien.—“Ga terug, meneer! Ga terug!” riep de Keizer hem reeds uit de verte toe, greep tevens een geweer, dat aan Bertrand toebehoorde, en dreigde hem dood te schieten, als hij het waagde nog een pas dichterbij te komen.—Verstomd van verbazing en schrik begon Lowe toen langzaam den aftocht.

Een en ander had ten gevolge, dat de Keizer zich ten slotte in ’t geheel niet meer buitenshuis vertoonde, en dat zijn gezondheid sterk achteruit begon te gaan. Dokter O’ Meara, hem aanvankelijk toegevoegd, werd hem door Lowe weder ontnomen, zoogenaamd omdat hij heulde met zijn patiënt (Juli 1818). De rapporten van dezen dokter omtrent de slechte gezondheid werden geloochend; er was niets bijzonders of ongewoons bij Napoleon te constateeren, zoo heette het, en toen de Keizer in begin van 1819 door een lichte beroerte werd getroffen en Bertrand de medische hulp van Dr. Stokoë, dokter van het admiraalschip de “Conqueror” vroeg en deze ook het ernstige van Napoleons toestand constateerde, onderging deze hetzelfde lot van O’ Meara. Ook Stokoë werd naar Engeland teruggezonden, ja zelfs voor het uitbrengen van leugenachtige berichten door de admiraliteit van de rol geschrapt.

Men geloofde de slechte gezondheidstoestand in Europa niet en Gourgaud, die in 1818 van St. Helena was vertrokken, had hieraan veel schuld, want door zijn verhalen aan Engelsche ministers, dat er geen sprake was van ziekte en dat Napoleon comedie speelde, wekte hij den indruk, dat Hudson Lowe gelijk had, dat de Keizer niets mankeerde. Terecht zegt ook Walter Scott, dat Gourgaud door zijn verhalen veel verkeerds voor Napoleon heeft uitgewerkt.

Behalve Gourgaud was reeds vroeger Las Cases van het eiland verwijderd. Wel hoopte deze als beschermer van den Keizer in Europa te kunnen optreden maar door invloed van Hudson Lowe, werd Las Cases met zijn zoon gedurende acht maanden verplicht aan de Kaap te blijven en eenmaal in Europa teruggekeerd, werd er streng toezicht op hem gehouden en beschouwde men hem wegens zijn trouw aan Napoleon als verdacht. Zijn moeite om de mogendheden te bewegen in het lot van zijn Keizer verandering te brengen had geen resultaat.

Een jaar bleef de Keizer zonder geneesheer; pas in 1819 was op herhaalden aandrang zoowel van oom Fesch als van zijn moeder, dokter Antomarchi gezonden en twee jonge geestelijken, alle drie Corsicanen, maar de Keizer vond niet veel steun en hulp bij hen.

Bij al deze kleine en groote kwellingen bleef hij tegenover zijn naaste omgeving zachtmoedig en welwillend. Waren de zenuwgestellen geprikkeld, de gemoederen ontstemd, dan was hij nog steeds de man, die met onuitputtelijk geduld en toegevendheid de partijen weder tot elkander trachtte te brengen. Hij wist dat eenzaamheid en verveling de hoofdoorzaken waren van die prikkelbaarheid en zwartgalligheid.

Opmerkelijk mag het heeten dat vooral in de laatste jaren zijns levens de bijbel zijn lievelingslectuur werd en dat hij juist over dit boek met zijn omgeving het liefste sprak. Ook de werken van Homerus, Virgilius en Euripides vonden in hem een getrouw lezer. Om de verveling te verdrijven, wijdde hij zich zelfs een korte poos aan de studie van het Engelsch; toen hem reeds spoedig bleek, dat hij voor talenstudie uiterst weinig aanleg bezat, gaf hij dit op.

Met zijn gevolg wijdde hij zich zelfs eenige weken aan den akkerbouw. Dan kon men hem met zijn officieren en bedienden, die dit maar een zeer matig genot vonden, reeds bij het krieken van den dag met de spade in de hand aan den arbeid zien.

Dit werken in de open lucht deed zijn gestel blijkbaar goed; zijn zwaarlijvigheid nam een weinig af. Doch ook van deze afleiding had hij weldra genoeg. Het oude leven binnenshuis begon opnieuw. Zijn gezondheid ging hierbij voortdurend meer achteruit zonder dat men de kwaal wist, waaraan hij leed. Algemeen schreef zijn omgeving die inzinking van krachten toe aan Longwoods klimaat. Dat zijn maag vaak voedsel begon te weigeren en dat hij nu en dan een zwartachtige stof begon te braken, zou hiervan eveneens wel het gevolg wezen, dacht men. Hij zelf alleen wist beter; onbevangen sprak hij met zijn omgeving over zijn naderenden dood.

Dat hij dezen niet alleen niet vreesde, maar dat hij zelfs naar dezen verlangde, was reeds gebleken, toen hij de tijding ontving van Murats tragisch einde.—“De Calabriërs zijn menschelijker geweest, dan zij, die mij herwaarts zonden,” riep hij uit.

Ook voor hem zou de tijd spoedig komen. Dezelfde kwaal (maagkanker), die zijn vader en kort te voren zijn zuster Elisa ten grave gesleept had, was reeds te ver gevorderd en nam ten slotte ook hem weg, voor zijn omgeving nog zeer onverwacht.

Hoe weinig geloofde men op St. Helena aan zijn heengaan; nog op den 2en Mei schreef een der regeeringscommissarissen aan prins Metternich over de voorgewende ziekten van den Keizer, waaraan ze al vijf jaar gewoon waren, en, voegt hij er aan toe, ’t kan ons alleen zeggen: “Laten we op onze hoede zijn.” Nog vrees voor ontvluchting van den reeds stervenden Keizer! De doodstrijd was reeds begonnen. Zijn laatste dagen had hij besteed voor het testament, waarin hij zijn trouwe dienaren en soldaten bedacht en dat hij in die laatste uren veel met zijn zoontje bezig was blijkt wel hieruit, dat hij den 2en Mei in een delirium van koorts aan zijn kamerdienaar Marchand nog een toevoegsel van het gereedliggend testament dicteerde, waarin hij aan zijn tienjarigen zoon allerlei vermaakt, zelfs huizen en landgoederen, die niet eens bestonden!

Voorzien van de genademiddelen der Roomsche Kerk blies hij den 5en Mei 1821 in de armen van de Montholon en Bertrand den laatsten adem uit.

Op zijn verzoek werd zijn graf gedolven in de Geraniumvallei onder twee treurwilgen wier wortels werden besproeid door een koel beekje, waar hij vaak zijn dorst had gelescht.

Naar Frankrijk mocht zijn asch niet worden overgebracht. De Heilige Alliantie had op ’t Congres van Aken beslist, dat zijn gevangenis ook zijn laatste rustplaats zou wezen. Op de smeekbede van Madame Mère om over het stoffelijk overschot van haar kind te mogen beschikken werd niet eens geantwoord. Zelfs voor het lijk van den grooten doode scheen men in Europa nog vrees te koesteren.


“Ik wensch, dat mijn asch zal rusten aan den oever van de Seine, te midden van het Fransche volk, dat ik zoo innig heb lief gehad.”

Zoo stond er in zijn testament, een stuk waarin letterlijk allen waren bedacht, die hem in zijn leven eenigen dienst hadden bewezen. Toch zouden twintig jaar verloopen, voordat deze wensch werd vervuld.—De Juli-revolutie van het jaar 1830 had het geslacht der Bourbons opnieuw van den troon geworpen. Louis Philippe, een Orleans, een zoon van den tijdens de Omwenteling onthoofden Philippe Egalité, hield dezen bezet, en het jaar 1840 was reeds begonnen, toen Thiers, de eerste minister, een man, die door zijn geschriften en zijn vroeger leven ver stond verheven boven de vooroordeelen en den geheimen haat der partijen van voorheen, besloot een stap te doen, waarop de Fransche natie reeds tien jaar lang steeds luider en krachtiger aandrong.—Aan Engeland wilde hij ’s Keizers stoffelijk overschot terugvragen, om het op Frankrijks bodem een rustplaats te schenken.

De vraag werd gedaan, Albion niet onwillig bevonden, en in het begin van Juli 1840 aanvaardden het fregat la Belle Poule en de korvet la Favorite met ’s konings zoon, den prins van Joinville, en tal van Napoleons voormalige lotgenooten, waaronder Bertrand, Gourgaud en den jongen de Las Cases aan boord, de reis naar St. Helena.

Hier werd het lijk, dat eerst in een blikken kist met een looden er omheen gesloten en zoodoende geheel van lucht afgesloten was geweest en dus zoo goed als ongeschonden was gebleven, eerbiedig aan zijn tegenwoordige rustplaats ontnomen en met militaire eerbewijzen overgebracht aan boord van het fregat. Na een kortstondig bezoek aan Longwood, dat, verwaarloosd en vervallen, thans als koestal dienst deed, keerden ook Gourgaud, Bertrand en velen, die daar voorheen in ballingschap hadden geleefd, terug.

Daarop werd de reis naar Frankrijk aanvaard. Den laatsten November d.a.v. liet het fregat het anker vallen in de haven van Cherbourg. Van hier zou een flottille het lijk langs de Seine overbrengen naar Parijs. Den 1en December werd Courbevoie bereikt en een stoet gevormd, waarin aan tal van oudgedienden en officieren een plaats was gegeven. Te midden eener tallooze zwijgende en diep ontroerde menigte, toog deze door den triomfboog en de Champs Elysées naar den dom van ’t hotel der Invaliden, een prachtstuk uit de XVIIe eeuw. Onder het machtige koepelgewelf door het gansche hof omgeven wachtte de koning in plechtgewaad. In de verte klonk het luiden der klokken, het dreunen van het kanon.

Daar worden de zware deuren van den dom wijd opengeworpen. De opperceremoniemeester treedt over den drempel. Luide klinkt zijn: L’ Empereur!—Als één man reizen al de hovelingen, dragers van de edelste namen van Frankrijk op. De koning gaat den stoet tot aan den uitgang tegemoet. “Sire, ik breng u het lijk van Napoleon, dat door mij op uw last naar Frankrijk werd teruggevoerd,” zegt de prins van Joinville.—“In naam van Frankrijk wordt het door mij aanvaard,” luidt het antwoord. Aan den trouwen, edelen Bertrand valt de welverdiende onderscheiding ten deel den degen des Keizers op de kist te mogen leggen.

Aanvankelijk in een zijkapel naast het altaar bijgezet, werd het lijk in Mei 1861 overgebracht naar zijn tegenwoordige plaats. Uit een met pilasters gedekt, witmarmeren kuipgewelf, omsloten door een krans van tropeeën, samengesteld uit veroverde vaandels en standaarden, rijst zwaar en forsch en indrukwekkend, zonder eenige uitwendige versiering een sarcophaag op van rood Finsch graniet, een geschenk van keizer Nikolaas van Rusland. Omgeven door de praalgraven van Vauban, Turenne, Jérome, Bertrand en Duroc rust daarin het stoffelijke overschot van hem, die, Franschman van geboorte doch Corsicaan van bloed, vijftien jaar lang bijna onbeperkt over Frankrijk den schepter voerde, van hem, die dit land eenmaal deed baden in een zonneglans van glorie en grootheid, van wien ten platten lande zelfs nu nog steeds vol eerbied en ontzag wordt gesproken als van l’ Homme, van den man, die als veldheer en als bewindvoerder nog nooit zijns gelijke vond, wiens nagedachtenis in Frankrijk ten eeuwigen dage zal voortleven, van de reuzenfiguur

Napoleon.


1 Alleen bij den bankier Laffitte te Parijs had hij vier millioen francs liggen doch hij vreesde, dat, als dit bekend werd, de royalisten daarop beslag zouden leggen.