WeRead Powered by ReaderPub
Natuur en Menschen in Indië cover

Natuur en Menschen in Indië

Chapter 32: SUMATRA
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een serie reis- en observatieteksten die landschap, koloniale stadsgezichten en het dagelijks leven in de Oost bespreekt, per hoofdstuk wisselend tussen haven, strand, berggebied en dorpsleven. De schrijver mengt natuurimpressies met etnografische aantekeningen over arbeiders, woonwijzen en sociale gebruiken, beschrijft aankomst bij havens en haveninrichtingen, verhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen, rijst- en voedingsgewoonten en kleinschalige tuin- en huiscultuur. Poëtische landschapsbeschrijvingen worden afgewisseld met concrete waarnemingen van arbeid, infrastructuur en alledaagse scènes.

SUMATRA

Aankomst te Medan

Aan boord van de “Rumphius” al—(en o! hoe heeft het me gespeten, dat de reis niet langer duurde, en ik geen tijd had voor het volle genot van al de mooie dingen in die nieuwe drijvende “rariteit-kamer,” die schilderachtige zeventiend’-eeuwsche figuren langs de wanden, en die prachtige vogels, al dat loover, kruid en gebloemte, en die blazoenkleuren tusschen namen en jaartallen glorend op glas, waarmee Lion Cachet een waardige omgeving heeft gemaakt voor de beeltenis van den grooten natuuronderzoeker, die ook een geschiedschrijver was, den Blinde, die zooveel meer dan eenig ziende zag!) Nu dan, aan boord van de “Rumphius” al krijgt de naar Medan stevenende reiziger een voorgevoel van de belangrijkheid en snelle ontwikkeling der stad en tevens van het voorloopige van sommige Medansche toestanden. In den meest letterlijken en lichamelijken zin krijgt hij dat gevoel: namelijk als het schip begint te slingeren. En dat zit zóó: het verkeer van Medan is in den laatsten tijd verdriedubbeld; de schepen moesten driemaal meer ruimte hebben dan waarmee zij vroeger konden volstaan; en om rustig op het water te liggen, heeft een groot schip een bepaalden diepgang noodig. Maar tegen zulk een diepgang is de ingang der Medansche haven, Belawan, door een zandbank versperd. En daarom moeten schepen breed zijn en plat, en slingeren, Medan en de zandbank ter eer. Niet lang overigens zal het meer behoeven. Een begin is al gemaakt met het groote werk, dat Medan een haven zal verschaffen zóo als de stad die behoeft. Belawan heeft al den trek van het nieuwtijdsche en grootscheepsche in zijn ruimen—en toch reeds te eng blijkenden—aanleg, in zijn gedrang van reizigers en koelies, in zijn hooge en breede viaduct vooral, dat kenteekenende bouwsel van een verkeer, waarbij de ren der donderende treinen den mensch geen plaats meer laat op den beganen grond. Te sterker treft, daarna, de eenzaamheid van de streek, waardoor de lijn naar Medan loopt. Alles moeras-poelen, plassen, laag struikgewas, slingerplanten, een groep hooge boomen, verloren staande hier en ginder. Watervogels reppen zich klapwiekend weg voor den trein. Geen menschelijk wezen is ergens te zien. De spoorbaan is de eenige weg—een eindeloos-lange brug van de haven naar het vasteland. Eindelijk is het bereikt: de grond begint te rijzen. Kleine stations, elk met een groepje huizen erom en er achter, staan op langs de lijn, vestigingen, vroeger van Hollanders, sedert lang al voor Medan verlaten en nu door inlanders en Chineezen bewoond. Zijwegen loopen het land in naar de tabaksondernemingen, tegen den voet van de heuvels gelegen, die, naar het Westen toe, in al hoogere klingen opstijgen naar de blauw tegen de lucht glanzende toppen der Bataksche bergen. Dan komt, blinkend van nieuwheid, het stationsgebouw van Medan.

Geheel anders is de stad dan eenige andere in Indië. Alles er aan is nieuw, frisch, op bedrijvigheid berekend en verkeer. Het is goed te zien dat de bouwers de handen vrij hebben gehad en ruimte naar allen kant, in den letterlijken zin en ook in den overdrachtelijken. Een goede dertig jaar geleden was hier niets dan woud en wildernis, waar een rivier breed doorheen stroomde, en, ergens in de verte, een Maleisch vorstje, niet veel rijker noch beschaafder dan het half-wilde, half-boersche volk, van wier schatting-duiten hij leefde. Het nieuwe bedrijf, dat van die wildernis een voor de wereldmarkt teelende landbouw-streek zou maken, vond nergens hinderende grenzen, noch machtsverhoudingen, sterk genoeg om het te dwingen tot concessies met zijn wezen en behoefte in strijd. Het “paleis” van den Sultan—of beter de paleizen, want hij heeft een nieuw gebouwd voor het oude, waarin hij zich niet thuis voelde, en zijn harem is in een afzonderlijk, groot, getorend en gekoepeld gebouw gevestigd, en ook de “troonopvolger” heeft een eigen, statig verblijf—de paleizen van den Sultan, en de groote school voor zijn en zijner verwanten kinderen, en het rechtsgebouw, waar de rechtspraak in zijn naam over een (al verminderend) aantal onderdanen wordt uitgeoefend, en, ten slotte, de groote, waarlijk prachtige moskee, zijn blijdschap en trots, met haar vijf koepels en slanke minaret, waarvan des avonds het gebed der Moslemin af klinkt: die geheele steenen sultanspracht is, inderdaad, het zegeteeken van den tabaksbouwer.

Uit de grondpacht van de altijd door zich uitbreidende ondernemingen, uit de sommen door de Nederlandsch-Indische regeering uitgekeerd als vergoeding voor rechten, die zonder tabaksteelt en tabakshandel nooit anders dan leege woorden waren geweest, uit de algemeene welvaart door het nieuwe bedrijf ontstaan, is dat alles verrezen. De opvolger der boersche Maleische vorstjes van voorheen zou zich kunnen noemen: Sultan van Deli, bij Tabaks genade. Het geval heeft zijn komiek-in-grooten-stijl:—en zijn zwarigheden....

Medan, dan, is een stad in den Europeeschen stijl van nieuwe steden. Het heeft een winkelwijk, waar aan weerszij van de breede straat groote met spiegelruiten blinkende winkels staan, vol nieuw, duur goed; het heeft een waterleiding, die tot in alle hoeken van de stad een koel, kostelijk-helder water brengt, op de bergen ontsprongen en door een natuurlijken filter van zeventig meter hoog zand gezeefd; het heeft electrisch licht in de huizen en langs de straten; een villa-wijk, waar langs de schaduwige lanen de huizen te midden van grasvelden en bloembedden liggen; een plantsoen; een wijd, door groote en hooge gebouwen omringd plein, waar in het koele van den dag voetbal-spelers en tennissers bij menigten aan het spel zijn. Zelfs de geringe buurten, als die der Chineezen en die der Britsch-Indiërs, hebben lucht en licht en een algemeenen schijn van zindelijkheid, van welvaart zelfs. Het ziet er alles wèl-verzorgd, nauwkeurig-geregeld, goed onderhouden uit.

In die wijde lichte ruimten is het bont van allerlei nationaliteiten. Veel Oostersch volk woelt door elkaar in de Vorstenlanden en meer nog te Soerabaja en in Bandjermasin. Maar hier in Deli zijn voor de tientallen van daar honderdtallen en uit een grooter aantal verder uiteengelegen streken afkomstig. Hier zijn niet enkel Chineezen en kooplieden uit Bombay, maar ook Japanners, Bengaleezen, Sikhs, Arabieren. Zij houden ook goeddeels aan hun eigen dracht en gewoonten vast. Kom in de Chineesche wijk en daar ziet ge de vrouwen loopen in wijde broek en baadje van glimmend-zwart katoen, met een kind op den arm, dat midden op zijn kaal geschoren kopje drie sluike vlokken haar heeft hangen en om zijn hals een tooisel van veelsnoerige goud-en-bonte kettingen. Tegen den avond komen de mannen voor hun deur een pijp opium rooken. Zij zitten in groepjes bijeengehurkt om een dobbelspel, vlak aan de straat. Door de openstaande huisdeur komt het altaar van de goede geesten en de voorvaderen te zien, met veel bloemen en verguldsel opgesmukt. Met de armen op de boomen van het lichte tweewielige wagentje, dat zij, als een paard, trekken, slenteren de hongkong-mannen voorbij, op hun gemak als in de stad waarnaar zij heeten. Het Chineesche element is sterk hier in Medan: zoo groot een bestanddeel van de bevolking maakt het uit, dat men in het openbare leven er rekening mee moet houden, en kennisgevingen, op de muren aangeplakt, in twee talen gesteld zijn: in het Hollandsch en in het Chineesch. Het Chineesche kerkhof beslaat breede strooken lands, vlak langs de stad. Er is een prachtig versierde Chineesche tempel, en de majoor-Chinees, die den drank in pacht heeft, het spel, en tot pas geleden de opium, is verscheiden malen millionair.

De andere nationaliteiten, niet zoo talrijk noch zoo machtig als de Chineezen, houden niettemin evenzeer aan hun eigen trant en gewoonten vast. Japansche vrouwtjes, hier gekomen om op de eenig voor hen mogelijke wijze, en die in hun eigen land niet veracht wordt, een sommetje te verdienen waarop zij, teruggekeerd in Japan, kunnen trouwen en een huishouden opzetten, loopen in sluiken kimono op hoog-gezoolde schoenen; een enkele duwt, moederlijk behoedzaam, een alleraardigst poppetje van een kind, ook in kimono, in een Europeesch kinderwagentje. De Britsch-Indiërs dragen ieder het kostuum van hun eigen streek. Daar zijn Sikhs, met prachtige gestalten en trotsche gezichten, indrukwekkend onder een zorgvuldig-geplooiden witten tulband, hoog als een bisschops-myter. Daar zijn Bengaleezen, zwart als brons, met een vuurrooden lap om de lenden, gemakkelijk gaande naast hun kar, een arm op den schoft van den roomwitten gebulten trekos. Bombay kooplui loopen in geruiten zijden sarong en met goud geborduurd mutsje. Vrouwen vertoonen zich getooid met een fel-gekleurde bloem in de wrong van hun golvend blauw-zwart haar, en, in beide neusvleugels, een door en door gedreven wit-beenen of wit-houten stiftje, dat van verre al zonderling blinkt in het duister van het wel-besneden gezicht. Arabieren, mager en felkijkend als havikken, loopen met naakte voeten in gele en roode sloffen, een soort witten talaar over een bont onderkleed, en een tulband. De Javanen hebben hun sarong op de traditioneele wijze geplooid, en hun vrouwen dragen de kabaja en den karakteristieken haarknoop. En ook het vele volk uit Borneo laat zich herkennen onder Maleiers en Bataks uit.

Dat alles komt hierheen, om den arbeid in de tabakstuinen. De Chineezen zijn de eigenlijke arbeiders, de verbouwers van de plant; de Bengaleezen de hoeders en verzorgers van het trekvee; de statige Sikhs, (wier imposant uiterlijk volslagen gebrek aan moed en kracht schijnt goed te maken) de wachters; de Javanen doen het grondwerk, hun vrouwen het sorteeren van de bladeren in de schuur; de Bandjareezen zijn de timmerlui en huisbouwers. Als een zuigende maalstroom werkt het bedrijf, die van rondom alle wateren zijn kolk in trekt. Onder de Europeanen, onnoodig te zeggen, een overeenkomstige mengeling van nationaliteiten, als blijkt uit de namen op kantoren en winkels; veel Zwitsers en Zuid-Duitschers, veel Schotten en veel Engelschen. De Engelsche invloed doet zich het sterkst voelen. Er is iets Engelsch zelfs in het uiterlijk der stad, met die wijde rechte straten en, binnen banden van asfalt, het prachtig-onderhouden, schitter-groene gras.

Buitengewoon interessant om waar te nemen is die malende rassen-kolk, door een sterk bedrijf in werveling gehouden, en gespijsd, jaar op jaar, met stroomen van honderden uit het westen, van tien duizenden uit het Oosten. Wat daar nog eens uit te voorschijn zal komen, boven en behalve geld?

Tabak in Deli

In ergere mate dan ooit nog sedert het begin van deze reis heb ik hier in Deli het te voelen gekregen, hoe groot een afstand ons Westerlingen scheidt van den Oosterling. Daar ligt voor aller oogen het groote werk van de Delische tabakscultuur. Maar van de tienduizenden die dat werk verrichten zijn voor den Westerling enkel ettelijke Westerlingen de verklaarders. Ook al kende hij de vele talen van die menigten van Oostersche arbeiders, ook al kon hij persoonlijk Battaks, Boyans, Bandjareezen, Javanen, Soendaneezen, Boegis ondervragen, hij zou niet te weten komen hoe zij over dat werk in betrekking tot henzelven oordeelen. Het historisch gewordene wantrouwen van het overwonnen ras is te diep, dan dat het zoo voetstoots een onbaatzuchtige belangstelling in het overwinnende zou kunnen aannemen. Wie van buitenaf in Deli komt, zal het niet anders leeren kennen dan van het standpunt van den Westerling en den werkgever uit: nooit van het standpunt van den Oosterling en den werknemer uit. Mijn voorstelling zal niet anders dan een éenzijdige kunnen wezen; voor meér geef ik ze niet.

Het is overbekend uit hoe klein begin de industrie is ontstaan die op het oogenblik voor de wereldmarkt werkt: de tabaksteelt op de Oostkust van Sumatra. Iedereen heeft het verhaal wel gehoord hoe een jonge man die, op Java zijnde, toevallig had gehoord dat tabak van bijzonder goede hoedanigheid groeide in Deli, op goed geluk daarheen ging, in een Chineesch vaartuigje; hoe hij, met een paar meubels van den schipper geleend zoo goed en kwaad als het ging, een Inlander-woning inrichtte die de Sultan hem in huur afstond; en hoe hij aan het werk ging met Europeesche helpers die het al spoedig opgaven en met Inlandsch werkvolk dat niet graag werken wou. De pionier beproefde de methode die hij op Java had zien slagen: op zijn Vorstenlandsch trachtte hij den arbeid van het volk te koopen door het belang van den vorst. Maar de moeite die voor de beloofde ƒ 0.50 per pikol tabak de Sultan van Deli deed om zijn onderdanen tot planten te brengen was onvoldoende of vergeefs: en de planter moest omzien naar ander werkvolk. Hij dacht er te zullen komen met Javanen, een gezelschap hadji’s te Penang overgebleven.1 Maar de hadji’s wilden veel liever preeken dan planten of plukken. Ten slotte nam hij de proef met Chineezen uit Singapore. Zij bleken onkundig van landbouw-werk: maar de begeerte om geld te verdienen en de leerzaamheid van den Chinees hielpen over dien hinderpaal heen. Een vorm werd gevonden voor de verhouding van werkgever en werknemers: het werk zou verricht worden in contract en betaald volgens een vastgestelde taak,—de aflevering van duizend boomen. Daarmee was ontstaan wat tot zulke reusachtige afmetingen zou opgroeien en beide zooveel goed en zooveel kwaad zou voortbrengen—een industrie in een nieuw land met uit den vreemde binnengebrachte arbeiders, volgens contract werkende.

De pionier had in enkele jaren een reusachtig vermogen gewonnen. Die volgden op den weg door hem gebaand kwamen in groepen. Bij getalen werden maatschappijen opgericht.2 Het werk ging nu in het groot.

De streek waar het werd aangevangen was een wildernis,—oerwoud doorsiepeld van een ontelbare menigte riviertjes en beken, die in vrijwel evenwijdigen loop de Oostelijke hellingen van het Bataksche hoogland afgerend, op den vlakkeren grond gaandeweg vertragen; in poelen en moerassen liggen hun mondingen langs het zeestrand. Er waren duizenden en tienduizenden arbeiders noodig om in die woestenij ruimte te hakken en te graven voor de tabak. Het werd een trek als van een verhuizend volk uit alle omliggende landen waar honger geleden werd naar Deli: uit Britsch-Indië, uit Java, uit Borneo, uit China. Uit Europa ook, uit het ook-hongerige-Europa. Uit Holland, uit Engeland, uit België, Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, uit Polen zelfs (als men af kan gaan op dien naam van Polonia, dien een onderneming kreeg, zooals anderen de namen van Gallia, Helvetia, Hessia) kwamen arbeiders voor het tabaksveld, arbeiders met het hoofd, door de financiers-groepen in de verschillende landen die hun kapitaal in de nieuwe industrie staken, uitgezonden als leiders van de arbeiders met de hand. Tusschen de strandmoerassen en het barre gebergte, omringd door het al verder weggedrongen oerwoud, was iets als een kleine staat ontstaan. En de werkingen daarvan deden zich al spoedig naar alle zijden gelden.

Het eerst wijzigde het gevestigde bestaan zich naar den nieuwen toestand. Door een serie van reorganisaties, die in 1873 begonnen, aanhield tot 1902, werd Deli losgemaakt eerst uit zijn verband met het Sultanaat van Siak, toen uit dat met de residentie Riouw; tot een afzonderlijk gewest gemaakt, kreeg het Medan tot hoofdplaats en de overige tabakvoortbrengende streken als onderafdeelingen. Het Nederlandsche gezag werd er versterkt tegenover dat van den Sultan, die voet voor voet moest wijken. De regeering trok de rechten aan zich over de menschen en over het geld: een nieuwe wet bracht onder Nederlandsch gezag en recht al wie in Nederlandschen staatsdienst of in dienst van Europeanen werkte; een verdrag met den Sultan bracht in de Nederlandsch-Indische schatkist de al aanzienlijker bedragen der in- en uitvoerrechten. Daar behalve de Sultan van Deli, die om zijn vijandschap met dien van Siak belang had bij een leven in vrede en vriendschap met de Hollanders, al de Sumatraansche vorstjes zich tegen die uitbreiding der Hollandsche machtsfeer verzetten en tabak-ondernemingen door gewapende benden werden aangevallen, kwamen troepen, die de nieuwe orde van zaken met den sterken arm doorzetten. De planters werden bevestigd in het pas gewonnen bezit, en nieuw land werd voor hen opengesteld.

Onderwijl hadden zij zich onderling verstaan ter bevordering hunner gemeenschappelijke belangen: de Plantersvereeniging was opgericht. In het jaar volgend op dat der oprichting (1872) kwam de nieuwe organisatie tegenover de regeering te staan in zake de verhouding tusschen de planters en hun werkvolk. De wijze waarop de regeering die wilde regelen oordeelden de planters een voor hen nadeelige. Zij verzetten zich. De strijd was begonnen, waarin de koelie-ordonnanties van 1880, ’91, ’97, 1903 de wapenstilstanden waren en het ontwerp Blommestein met de tegen-actie der planters het laatst-geleden treffen.

De snelle uitbreiding, ook in de ruimte, der nieuwe cultuur, had inmiddels de behoefte doen ontstaan aan middelen van verkeer. Een dochter-maatschappij der Delische, kwam de Deli-spoor tot stand. Zij werd in Holland zuur aangezien. Men vertrouwde haar niet recht. De Hollandsche geldbelegger, de groote zoo goed als de kleine, bewaarde zijn fiducie en zijn dubbeltjes voor Amerikaansche durf-allen en den Russischen Vogel Grijp, die met twee snavels tegelijk kan scheuren en slikt met een dubbele keel. De Deli-spoor zou er niet gekomen zijn zonder de Delische tabakkers. Zij begon te bouwen in 1883. En zulk een volharding, geestkracht en mate van wetenschap stelde zij tegenover aanvankelijk gebrek aan geld en de schijnbaar onverwinlijke moeielijkheden der natuur van het moerassige, zwaar overgroeide land, dat in 1890 de lijn voltooid was, die, 102 K. M. lang, de eiland-haven Belawan met Deli Toewa, Medan en Timbang Langkat verbond; en dat die 102 K. M. lengte gaandeweg uitgroeide tot ruim 262, loopend langs drie en twintig stations en haltes, terwijl rijtuigen, wagens en locomotieven vermeerderd werden tot een aantal, dat in 1911 het transport bewerkstelligde van ruim twee millioen reizigers en ruim 400.000 ton vrachtgoederen.3 Een begin is gemaakt voor een verdere uitbreiding van 123 K. M. lengte naar Assahan en Dollok Merassan, in het Oosten der Bataksche hoogvlakte, waar de nieuw begonnen cultures van rubber, gambier, copra en oliepalm behoefte hebben aan transport voor hun producten, terwijl het plan overwogen wordt voor den bouw van nog eens 200 K. M. spoorlijn het binnenland in. En inmiddels heeft dezelfde maatschappij den heerweg door de lucht gebouwd waarlangs de gedachte gaat en de levende stem. Van de haven tot de hoogvlakte en den heelen wijden ring van ondernemingen langs loopt de telefoon; en het telegraafnet heeft bijna 200 K. M. lengte.

Tegenover dien groei vertoonde zich echter het verval: de onvermijdelijke neven-verschijnselen van een snelle industrieele ontwikkeling vertoonden zich: speculatie, overproductie, instorting. De jaren van 1884 tot ’92 waren de magere die op zoo vele vette volgden, en van die vette vele verslonden. Rijke menschen werden tusschen ochtend en avond arm. Van de tabaksondernemingen ging alles wat buiten het eigenlijke centrum der teelt lag ten gronde. In Padang en Bedagei kon van zeventien ondernemingen maar eén enkele in stand gehouden worden. De ellende werd zoo erg dat een fonds moest opgericht “voor hulp-behoevende Europeanen.” Er was geen geld, er was geen werk, en het scheen haast of het er nooit meer zou komen, na de groote crisis op de tabaksmarkt van ’92, die op een jaar van misoogst, van lage prijzen en van faillissementen volgde. Echter, de tabaksteelt kwam er weer bovenop, en werd krachtiger nog na haar zware ziekte dan zij van tevoren was geweest. Als de landbouw en het zuivelbedrijf in Holland toen deed, als de suikerindustrie op Java al had gedaan, deed zij: zij verbeterde te allen kant haar methodes, zij verbeterde haar gewas, zij verbeterde haar arbeid. In ’88 al had de organisatie der planters, ijverend voor altijd ruimer immigratie van werkvolk uit China, het Immigrantenbureau opgericht, waardoor regeling en nauwkeurige contrôle en een directe snelle correspondentie met het emigratiecentrum Swatow tot stand kwam. De vraag der openbare gezondheid eischte strenge voorzorgen tegenover het vele immigrantenvolk uit voortdurend besmette streken: de planters bouwden een quarantaine-station uit ruime beurs, naar de beste methoden. Daarmee was het niet gedaan. Op de ondernemingen ziek wordend werkvolk had geneeskundige hulp van noode. De bestaande was geheel onvoldoende. Zelfs met de beste zorgen en voorzorgen kon zelfs de meest voorzichtige en behalve voorzichtige meest menschlievende planter het niet bereiken, dat een zieke koelie naar den eisch werd verpleegd in het kleine hospitaal der onderneming, noch voorkomen dat zijn ziekte de oorzaak werd van de ziekte van wie weet hoeveel andere menschen. De verspreide en daarom zwakke krachten werden vereenigd en een centraal ziekenhuis opgericht te Medan, speciaal op de gewoonten van den Oosterling en den aard der tropische ziekten aangelegd. En naast dat huis voor herstellenden werd er een gebouwd voor wie niet meer herstellen zouden: een asyl voor gebrekkige, ziekelijke en oude koelies.

Maar ook daar bleef het niet bij: gedachtig aan het woord dat voorkomen beter is dan genezen, sloegen de planters de handen ineen om een instituut tot stand te brengen waar de oorzaak der ziekten bestudeerd kon worden en proefondervindelijk de middelen tot wering onderzocht. Het Pathologisch Laboratorium verrees.

Tegelijk en op dezelfde wijze—die van wetenschappelijk onderzoek en proefneming—gingen zij aan de verbetering van de geheele cultuur. Er werden proefvelden aangelegd en onder deskundig beheer gesteld. En in het laboratorium begon de arbeid met nieuwe methoden om de ziekten der tabaksplant te genezen, om op haar terende insecten te weren en om de voorwaarden van haar wasdom altijd door te verbeteren. Terwijl hun onvermoeibaar initiatief den toch zoo wijd getrokken en zoovele andere belangen omsluitenden kring van het eigen belang doorbrak met den bouw van een leiding, die de stad Medan zuiver drinkwater bracht uit de heuvels. Medan was in den tusschentijd gegroeid. Het was een stad geworden, éenig in Nederlandsch-Indië, een stad met “Europeeschen” zweem, ruim, regelmatig, zindelijk, met alle gerieven voorzien; en met een gehéél eigenaardig kenmerk: de jeugd van alle Europeesche bewoners. Als bijna al het andere is ook dit—dat er geen oude menschen zijn in Medan noch in Deli—weer een uitwerking van den voorspoed der tabaksindustrie: de menschen kunnen hier in korter tijd dan elders geld genoeg verdienen om verderen arbeid in de tropen onnoodig te maken. En jong nog en voor anderen werkkring bruikbaar gaan zij naar hun geboorteland terug, niet denkend aan “ver-indischen” en blijven. Zooals dat eenzame inlanderhuisje met het van een schipper geleend huisraad, waarin de pionier der Delische tabaksteelt begon met te wonen, het spiegelbeeld was van Deli in 1863, zoo is de volk- en geldrijke stad van jonge menschen Medan het spiegelbeeld van Deli in 1912.

Zoovele en zoodanige dan zijn de uitwerkingen geweest van wat nu haast vijftig jaar geleden begon. Andere staan te wachten. En daaronder zullen er naar alle waarschijnlijkheid wel zijn, die niet toegejuicht zullen worden door wie die vroegere, terecht, toejuichten. Niet alleen de werkers hebben het werk gemaakt: ook het werk maakte de werkers. Zij zijn andere menschen nu, dan zij twintig of zelfs tien jaar geleden waren, de Delische koelies. Zij hebben gehoord van den strijd der arbeiders tegen het kapitaal in Europa; zij hebben eenzelfden strijd in hun eigen land zien beginnen, en bewust of onbewust, hebben zelfs diegenen de gevolgen ervan ondervonden, die niet zelven er aan deelnamen. Voor den Javaan en den Soendanees uit een afgelegen kleine dessa waar geen Europeaan ooit kwam, voor de mannen uit den binnenlanden van Borneo en het Sumatraansche gebergte is het koelieschap in Deli de ingang tot een nieuwe wereld geworden. En de Chinees is tot politiek bewustzijn ontwaakt.—Hoe zal dat alles Deli aandoen? Alleen dáarover is verschil van gevoelen: over de wijze van de inwerking. Niet over de vraag of zich, ja dan neen, eene inwerking zal doen gevoelen. Dat wordt aangenomen voor een zekerheid.


1 Javanen, naar den hadji-titel begeerig doch van den Mekka-tocht afkeerig, gaan naar Penang om zich den schijn te geven van den tocht te hebben volbracht en keeren na enkele weken, als van Mekka komend terug. De bron waaruit schrijfster dezes putte geeft geen zekerheid omtrent de vraag of de planter met zulke namaak-hadji’s te doen had, of met toevallig onder weg opgehouden echte.

2 Het Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging aan den G. G. van Ned. Indië naar aanleiding van het ontwerp van mr. v. Blommestein noemt als het getal der tot 1910 toe opgerichte maatschappijen 125 met een gezamenlijk kapitaal van ruim 104 millioen.

3 Reizigers 2,314,994 in 1911 tegen 823.860 in 1901.

Vrachtgoederen 429,653 ton in 1911 tegen 205.577 ton in 1901.

Rapport van den hoofdadministrateur aan den resident ter Oostkust van Sumatra.

Tabak en Tabakkers

Toen ik voor het eerst een tabaksveld zag, in Mei, was het bloeitijd en oogsttijd tevens. In lange vegen lag het lichtroode waas van den bloesem gespreid over het grove grootbladerige groen van de heuvelvelden. En overal, tusschen de hooge struiken waar zij het blad afplukten, op de fel-zonnige paadjes waarlangs zij de volle manden naar de droogschuur droegen, was het Chineesche koelievolk aan den arbeid. In de schuren, koel en donker voor wie er binnenkwam uit den blakenden zonneschijn, zaten de Javaansche vrouwen het blad te rijgen aan dunne bamboe-stokken. Van de nok der hooge schuur af tot op manshoogte boven den vloer hing het vol van als franje afbengelend gebladerte, frisch groen, verleppend groen, geel, vaal, fijnbruin; en de tabaksreuk maakte de lucht prikkelig.

Ik kwam terug in Juli; toen was de “schuurtijd” begonnen. Het volk, dat over de uitgestrekte velden her en der verspreid had geloopen, was bijeen in het middelpunt der onderneming: de groote fermenteer-schuur; en in de fermenteer-schuur ook was de tabak, die op die velden gegroeid en in al de droogschuren droog geworden was. In rijen van geweldige bergen en mijten, rechtgestapeld als hooischelven, stond de oogst opgetast van het eene eind der haast onafzienbaar-lange schuur tot het andere; en langs de wanden, in een dubbele rij er om heen, zaten vijfhonderd Chineezen het blad te sorteeren op lengte en op kleur; terwijl een menigte vrouwen op den verhoogden vloer in het midden zich heen en weer bewoog tusschen broeiende stapels tabak, die afgebroken en in een andere schikking der bladerbundels weer opgebouwd werden. In een afzonderlijk gedeelte van de schuur zaten de beoordeelaars, Chineesche mannen, Javaansche vrouwen, aan wie de sorteerders van de tabak hun werk kwamen toonen; zonder een woord te spreken, met een tegelijk snel en rustig gebaar, namen zij aan, bezagen en keurden goed of keurden af, naar twee zijden de bundels werpend. En de Chineesche boekhouder achter zijn lessenaar schreef van iederen koelie op wat hem aan loon toekwam. Binnenkort zou de laatste voor het laatste werk zijn uitbetaald, en de tabak, gepakt in de op Borneo gevlochten matten, aan boord gebracht van het stoomschip dat de waar naar de Amsterdamsche veiling brengt.

De tabak die toen in de fermenteer-schuur behandeld werd, was uitgezaaid in December en overgeplant in Februari en Maart. Vijf-en-vijftig dagen had de plant daarna gebruikt om tot vollen wasdom en bloei te komen. De maand Mei was de tijd voor het oogsten geweest. Het had twintig dagen geduurd voor het groene blad in de droogschuren bruin was geworden; twee maanden voor de stapels gefermenteerd waren voor de eerste maal, en nog eens tweemaal zes weken voor het gesorteerd en voor de tweede maal gefermenteerd was. In negen maanden was de kringloop van het bedrijf voltooid geworden. En reeds waren op het veld de arbeiders al weer aan het werk die de velden bereidden voor een nieuwen oogst.

Behalve het persen voor het in balen pakken van de tabak, is al de arbeid aan plant en product in die negen of tien maanden verricht, arbeid met de hand. Het bedrijf is eenvoudig, vergeleken vooral met de suiker. Maar inplaats van de complicaties door machinalen arbeid en door scheikundige onderzoekingen, heeft het niet minder bezwaren van anderen aard, ten deele van de teelt op zichzelve, ten deele van plaatselijke omstandigheden het onvermijdelijke gevolg.

De tabaksteelt eischt, volgens het oordeel der planters, een rusttijd van acht jaar voor den akker na elken oogst. Dat maakt een voortdurend verplaatsen noodig van de woningen voor de assistenten en de koelies en van de schuren voor het drogen van het blad. Drie jaar lang kunnen de gebouwen blijven staan: de grond aan weerszij der “plantwegen” waarop het gewas wordt geteeld, ligt verdeeld in drie strooken, die de eene na de andere beplant worden. Is de oogst van de derde veld-strook afgehaald, dan begint de verhuizing-in-’t groot. Een nieuw stuk wordt in bewerking genomen van grond, die acht jaar lang braak heeft gelegen: en mèt het werk gaan de werkers en het werkgereedschap daarheen. Bij die periodieke verhuizing komt nog een jaarlijksche: in den “schaar-tijd” komen alle assistenten (op één na, die het volk surveilleert, dat bij het veldwerk blijft) te wonen in de huizen gelegen op het “emplacement,” d. w. z. het terrein rondom het administrateurshuis, de fermenteerschuur, het kantoor en het koeliekampement. Die vele verhuizingen (een van de oorzaken die den assistenten het beginnen van een geregeld huishouden en een gezinsleven langen tijd onmogelijk hebben gemaakt) vorderen veel tijd, den arbeid van een groote menigte volk- en hooge uitgaven.

Maar een moeilijkheid, zwaarder dan deze, en dergelijke uit het bedrijf voortkomende, is de bijkomstige, teweeggebracht door de oorspronkelijke gesteldheid der streek, onbewoonbare wildernis als zij was: de ontstentenis van inheemsch werkvolk, en de noodzakelijkheid van te werken met uit den vreemde geïmporteerde arbeiders van verschillende en ten deele onderling vijandige nationaliteiten. Dat was de groote moeilijkheid nu vijftig jaar geleden, en dat is de groote moeilijkheid vandaag nog. En de vrees van velen is dat het de groote moeilijkheid zal blijven, en een nog grootere worden misschien wel!—in de toekomst.

Nemen wij als gemiddelde grootte van een onderneming aan 4000 bouw (waarvan altijd maar ⅛ in bewerking onder het heerschende stelsel van bebouwen), dan is daarvoor noodig, werkende onder een administrateur en van vier tot zes employé’s, een volk van duizend arbeiders, mannen en vrouwen, van wie de helft gezinnen hebben. Van die duizend zijn vijfhonderd Chineezen, mannen alleen. De andere vijfhonderd, allen of zoo goed als allen getrouwd, mannelijke en vrouwelijke arbeiders, zijn, Javanen, Boegineezen, Boyans, Bandjareezen, Bataks, volk van de Westkust van Sumatra, Klingaleezen en Sikhs. Van deze vele rassen heeft elk een eigen soort arbeid, waaraan het zich houdt, zoo goed als eigen gewoonten en zeden die het geëerbiedigd wil zien, en eigen vooroordeelen, die het wonen en werken afzonderlijk van alle anderen tot een noodzakelijkheid maken, om niet te spreken van eigen ondeugden, waarmee rekening gehouden moet worden.

De Chineezen zijn verreweg de beste arbeiders en aan wie het werk dat de meeste zorg vereischt toevertrouwd kan worden. De Chineezen wonen afzonderlijk, zoowel in den tijd van het veldwerk als in den schuurtijd, en gehoorzamen aan eigen opzichters, “tandils,” die weer onder een hoofd-tandil staan. Zij hebben een tempel op de onderneming; en een theater (in den trant van de zeventiend’-eeuwsche theaters van Londen gebouwd) en een speelhuis, alleen voor zichzelven. Maar met die afscheiding naar buiten is het niet gedaan: ze zijn ook onderling gescheiden. Naar Deli komen Chineezen van drieërlei ras: Hailokhong, Teoetjoe (uitgesproken tjautjoe) en Keh. Hailokhong en Teoetjoe zijn echte landbouwers; Keh zijn ambachtslieden; Hailokhong en Teoetjoe zien verachtelijk neer op Keh. Bij die uit verre tijden dateerende verdeeldheid is onlangs de nieuwe gekomen tusschen oud-Chinees en jong-Chinees, keizersgezinde en republikein. Verder zijn allen, zonder onderscheid, hartstochtelijke spelers en is hun eenig spel het dobbelen, zoodat wie als goede vrienden neerzitten rondom het matje waarop de zeshoekige speeltol draait, elkaar misschien als doodsvijanden naar de keel vliegen aan het eind van het spel. De administrateur en zijn assistenten moeten op alles bedacht zijn om moord en doodslag te voorkomen bij nachtelijke opstootjes in het speelhuis.

De Javanen zijn vooral grond-arbeiders, terwijl de vrouwen het lichte werk doen. Zij wonen in een eigen kampong, waar alles op zijn Javaansch is ingericht; hebben als gouvernementsonderdanen geen eigen bestuur, maar wel eigen mandoers en ook eigen velden voor rijstbouw. Zij dobbelen even erg als de Chineezen en zitten nog veel dieper dan dezen in speelschulden. Zij zijn min of meer getrouwd onder elkaar (dikwijls min) en die toestand van labiel evenwicht in het echtelijke veroorzaakt rare duikelingen, vooral als de evenwicht-verstoorders, als nog al eens gebeurt, Chineezen zijn.

De Boyans (lieden van Bawean) zijn huizen-bouwers, en goed voor hun werk, maar al te langzaam. De traagheid maakt dat zij het veld moeten ruimen voor de handiger Bandjareezen. Er zijn er velen op de ondernemingen, boschloopers, houtkappers, timmerlui, die bij het gestadige afbreken en weer opbouwen hun werk hebben. Als reden voor de verhuizing naar Deli geven zij wel eens op: afkeer van de op Borneo gevorderde heerendiensten (die echter volgens officieele gegevens niet zwaar zijn). De aard van hun werk laat hun lange tijden van vrijheid, die zij gebruiken voor de bebouwing van gronden, tegen betaling van een huur in gewas van de onderneming gehuurd. Zij werken onder een eigen mandoer, maar hebben (als gouvernements-onderdanen) geen eigen bestuur.

Bataks werken in menigte op de tabaksvelden. Zij hebben daar eigen dorpen, waarin zij, evenals op de Hoogvlakte, onder een eigen bestuur leven. Hun prachtige bouwstijl heeft al erg geleden onder de verhuizing naar deze nieuwe omgeving, die aan den anderen kant op sommige schadelijke overleveringen, als b.v. het tanden-afvijlen, weer gunstig inwerkt. Eén kwade gewoonte houden zij bijzonder hardnekkig vast: het brandbrieven-schrijven. De administrateur die op een dag aan zijn huis, of aan een tabaks-schuur, een bamboekokertje vindt hangen met een miniatuur houten mes en fakkel als zinnebeelden van doodslag en brandstichting, begrijpt daaruit dat er een Batak op de onderneming is die grieven heeft. Het behoeven geen grieven tegen hem, den administrateur, of zelfs tegen een der employé’s te zijn: ze kunnen evengoed een mandoer, een anderen koelie, een dorpsgenoot van den bedreiger gelden. Maar in elk geval, de administrateur is de bedreigde: hij moet zorgen dat de grief, welke zij dan ook wezen moge, wordt weggenomen.

De Klingaleezen die voor eigen rekening uit Madras en Pondicherry komen, leven in kongsies, onder een eigen hoofd, den kling-tandil. Zij zijn karrevoerders en verzorgers van het vee, en als zoodanig goede werklui. Maar zij geven veel overlast door hun onverbeterlijke drankzucht. De andere Britsch-Indiërs, Bengaleezen en Afghanen, zijn boodschappenloopers en nachtwakers. Een Afghaan, rijzig gebouwd, met felle oogen uit een trotsch-besneden gezicht kijkend, en nog grooter en fierder door den hoogen witten tulband, is een indrukwekkende verschijning, voor wie Inlanders en Chineezen beiden ontzag voelen. Dat komt hem te pas bij zijn nachtwakers-dienst en niet minder bij zijn woekeraars-beroep. Wie zou aan zulk een imposante persoonlijkheid twintig percent interest in de maand durven weigeren? Veel eer dan tegen hèm zal de koelie opstaan tegen den mandoer, die zijn werk afkeurt, of tegen den employé, die hem wegens luiheid doet bestraffen.

Deze en zoodanige dan zijn de arbeiders op de tabaksvelden. En licht in te zien is de moeilijkheid voor de leiders eener onderneming, eene op zich zelf eenvoudige cultuur met hen te drijven, zóo dat het werk zijn geregelden gang gaat en ernstige botsingen daarbij vermeden worden, zoowel tusschen werkgever en werknemer als tusschen de arbeiders onderling.

Van de kwade kansen waaraan de tabakscultuur onderhevig is, kansen van klimaat, markt, werkvolk afhankelijk, krijgt men ten naastenbij een voorstelling uit enkele cijfers door de Plantersvereeniging officieel medegedeeld. Van de 125 maatschappijen, sedert veertig jaar opgericht, die een gezamenlijk kapitaal vertegenwoordigden van 104 millioen, zijn geliquideerd of hebben het werk gestaakt niet minder dan 83, met een kapitaal van 51 millioen. En van de overblijvende 42 zijn er maar 13 met een kapitaal van 23 millioen, welker aandeelen boven pari staan; wel is waar zéér hoog daarboven.

De goede kansen tegenover die kwade staande, komen uit in dien hoogen koers.

De twee tegen elkander afwegend heeft een bekende autoriteit op het gebied van de tabakscultuur in Deli en haar geschiedenis als zijn eind-oordeel uitgesproken: dat er in het geheel bij de tabak tot nog toe meer geld verloren was dan gewonnen.


De geschiedenis van Deli is in het verkleind en in het versneld een herhaling van die van Nederlandsch-Indië; en als voor de kolonie is er voor de streek een tijd geweest, dat vooral zij daarheen gingen, die nergens anders meer terecht konden. Voor Deli is die tijd nog niet sedert zoo lang voorbij; een twaalf, vijftien jaar geleden werd het nog vaak genoeg, en met genoeg reden, gezegd van jonge mannen van beter allooi: “te fatsoenlijk voor Deli.” Dat hoort men niet meer. De wisselwerking van betere omstandigheden en betere menschen, omtrent 1900 begonnen, heeft den toestand gunstig veranderd. Nu het noodlottig trouwverbod, uit een tijd dateerend van primitieve toestanden ter eene en kortzichtig eigenbelang ter andere zij, grootendeels of geheel is opgeheven, dank zij den moed dier eersten, die hun carrière er aan waagden om hun menschenrecht te verdedigen; nu er, ook door hen, die geen administrateur worden, toch weer behoorlijk geld wordt verdiend; nu er goede wegen gekomen zijn, gemakkelijke gemeenschap met Medan, spoorweg, telegraaf, telefoon; en geneeskundige hulp, de beste die in geheel Indië verleend wordt, dadelijk te krijg is: nu komen ook jonge mannen van goede opvoeding en goed gedrag naar Deli, als naar een passenden werkkring. Bij de tabak verdienen zij veel meer dan bij de thee of de koffie; en, daar het getal employé’s op een tabaksonderneming van vier tot zes is, terwijl het gecompliceerde suikerbedrijf het drie- en vierdubbele aantal vordert op een fabriek, hebben “tabaksassistenten” een even veel malen grootere kans op het administrateurschap als “suikeremployé’s.”

Eén nadeel echter—en het is een heel erg—schrikt velen van Deli af: de onveiligheid. Zij is er altijd geweest: van het begin af zijn aanslagen van koelies op Europeanen voorgekomen. Maar betrekkelijk veelvuldiger zijn zij geworden juist in den laatsten tijd, nu de oorzaken van haat der koelies tegen de Europeesche leiders van het bedrijf juist minder zijn geworden.

Middellijk is dit een gevolg, een treurig gevolg, van een goede en verheugelijke zaak: de ontwaking van den Oosterling.

De nieuwe ideeën nemen, het is waar, zonderlinge vormen aan in die voor het overgroote meerendeel nog totaal ongeschoolde hersens. Men kan hooren vertellen, onder Chineezen, dat een onlangs (op de Westkust van Sumatra) ingevoerde belasting der Nederlandsch-Indische regeering moet dienen om aan de Chineesche het “bloed-geld” te betalen voor de slachtoffers der jongstleden troebelen te Soerabaja. En de Maleische krantjes wagen het niet hun abonné’s andere dan overwinningsberichten te brengen omtrent den strijd, dien de Beheerscher der Geloovigen tegen Italië voert. Maar hoe wonderlijk ook vergroeid, het idee is er en zit onverwrikbaar vast, dat de Oosterling, lang geminacht en geknecht, het juk van den Westerling heeft afgeworpen en tegenover hem staat nu als de eene mensch tegenover den andere: gelijken. Zoodat, wie vroeger zwijgend het grievendste onrecht verdragen zou hebben, vandaag zelfs tegen een geringe verongelijking zich met de uiterste heftigheid verzet.

De arbeidsinspectie, ingesteld, om het terloops te vermelden, naar aanleiding van feiten niet in Deli voorgevallen—het waren de koeliemishandelingen in Redjang Lebong, die den stoot gaven tot de oprichting—de arbeidsinspectie, die zelfs van partijdigheid voor de koelies beschuldigd is geworden, maakt eigen richting overbodig, zoo goed als zij op zichzelf ongeoorloofd is. Maar de koelie ziet dat zelden, indien ooit, in. Maar al te dikwijls schrijft hij een uitspraak te zijnen gunste inplaats van aan rechtvaardigheidszin aan angst toe en vindt er op zijn best een aansporing in om een volgend maal liever zichzelven recht te verschaffen dan er op te wachten uit de hand van wie het hem toch moeten geven. Misschien is aan zulke averechtsche voorstellingen ook déze omstandigheid schuld, dat de inspecteerende ambtenaars voor het verkeer met de vele talen sprekende koelies zich van tolken bedienen: over zulk een omweg gaande kan veel verloren raken of verkeerd terecht komen. Slotsom: er is gevaarlijk veel kans dat het zelfbewustzijn van den koelie zal omslaan in overmoed.

Nu de assistent. Meestal is hij een jonge man; de beginnelingen zijn even twintig. Hij heeft nog weinig menschenkennis; ervaring in het leiden van ondergeschikten, zooals hij er nu ten getale van tachtig tegelijk onder zich krijgt, nog in het geheel geen. Hij weet wat zijn werk is: helpen winstmaken, een zoo groot mogelijke winst. Daarvan hangt het af of hij spoedig vooruitkomt. Zijn eigenbelang drijft hem voort. Achter het zijne staat dat van zijn administrateur. Achter dat van den administrateur, dat van den hoofdadministrateur, weer daarachter dat van de directie en de aandeelhouders der Maatschappij, in een volgorde van toenemende kracht en nadruk. Dus voortgedreven komt de assistent te staan tegenover den koelie, de Westersche assistent tegenover den Oosterschen koelie. Er is gevaarlijk veel kans dat de ijver van den employé zal overslaan in dwingelandij.

Vlak naast elkaar liggen de dyamiet-patroon en de lont: de allerkleinste vonk en daar laait en dondert de ontploffing.

Er zijn ondernemingen waar dikwijls, er zijn er andere waar uiterst zelden botsingen tusschen werkvolk en leiders voorkomen. Voor een belangrijk deel zal dat liggen aan den administrateur. Het is voor hem niet gedaan met het verbod van slaan; dat verbod is er een dat iedere administrateur geeft, terwijl hij toch weet dat het niet strikt opgevolgd zal worden. Het denkbeeld van de minderwaardigheid van het gekleurde ras zit er al te diep in bij den blanke dan dat zelfs de humaan-voelende, in wien tegenover een blanken werkman de aandrift tot slaan niet op zou komen, zich tegenover den koelie altijd beheerschen zou. De groote kunst is: het voorkomen van de kans op botsingen. Dat is, natuurlijk, maar binnen bepaalde grenzen mogelijk in welk bedrijf ook; en in een bedrijf waar de ondergeschikte zoo zelfstandig moet handelen als in de tabaksteelt, kunnen die grenzen niet anders dan betrekkelijk nauw zijn. Het goede voorbeeld en wat men opvoeding van den assistent door den administrateur zou mogen noemen, moeten het overige doen.

Degenen die in de preventieve kracht van straffen gelooven, eischen een strengere bestraffing, en vooral een spoedigere, voor koelie-misdrijven. Zij houden vol dat een dag of wat gevangenis en het te werk stellen aan den openbaren weg, het “grassprietjes trekken,” geen straf is die den koelie van dienstweigering of van een aanval op een Europeaan zal weerhouden. Een voorstel is gedaan om tot werk onwilligen van regeeringswege te doen arbeiden aan een werk van openbaar nut, door de regeering ondernomen; dit werk te doen volvoeren voor den kost zonder loon; en uit de loon-waarde, na aftrek van de kosten voor voeding van den koelie, den planter de schade te doen vergoeden, door de dienstweigering geleden. Het is een der vele voorstellen naar aanleiding van het ontwerp-Blommestein geformuleerd, en waarop voor het eerste nog geen beslissing gewacht kan worden.

Die meer dan van het bestraffen der misdrijven verwachten van het wegnemen dier toestanden, waaruit misdrijven voortkomen, dringen aan vooral op het afschaffen van het dobbelspel, dat de koelies demoraliseert en voorbeschikt tot allerlei geweldpleging. De regeering heeft indertijd zulk een verbod overwogen,1 maar is niet overgegaan tot de uitvaardiging er van. Men weet dat in de Straits het verbod een uitwerking heeft gehad, aan de beoogde lijnrecht tegenovergesteld. Er wordt te meer gedobbeld in het geheim, buiten alle contrôle. Zelfs komen uit de gewesten, waar het spelen geoorloofd is, de speellustigen naar de verboden streek, om bijzonder hoog te kunnen dobbelen. Het oordeel van den bekenden Maleiervriend en kenner van Maleische toestanden, Frank Swettenham, luidt, dat men om het dobbelen te beletten, achter iederen Inlander een politieagent zou moeten zetten, en achter dien politieagent een tweeden, om den eerste op de vingers te zien, en zoo voort tot in het oneindige. Wat hij daarmee van Maleiers zeide, kan met gelijk recht gezegd van Chineezen. Waar de zaken zoo liggen, moeten de pogingen, die door weldenkende administrateurs gedaan zijn en nog worden, om het dobbelspel te weren wel vergeefs blijven. Een zeker toezicht oefent de Chineesche “tandil” uit, die de speelpacht (in onderpacht van den majoor-Chinees te Medan) heeft. Dat belet niet, dat er soms gevaarlijke twisten onder de spelers ontstaan, of dat zware verliezen geleden worden. De verbitterde verliezers zijn de volgende dagen in een toestand van ingehouden woede, die bij de geringste aanleiding tot een uitbarsting kan komen. Wie alles goed bedenkt, zal zich niet zoozeer over het voorkomen van botsingen tusschen Europeesche leiders en Oostersch werkvolk verwonderen, als wel over de betrekkelijke zeldzaamheid van zulke botsingen.

De betrekkingen tusschen administrateur en employé’s zijn, als in wezen eveneens die tusschen werkgever en werknemers zijnde, eveneens aan velerlei storing onderhevig en op zichzelven reeds bezwaard met de kwade kansen die elke tegenstelling van belangen medebrengt. En natuurlijk is bij een botsing de zwakkere, de employé, in het nadeel. Maar dezelfde oorzaken die in zooveel andere opzichten een verandering ten goede hebben bewerkt, hebben het ook hier gedaan. De employé van 1911 staat er beter voor dan de employé van 1890 deed. En de toenemende uitbreiding der cultuur, waarvan een toenemende behoefte aan geschikte arbeidskrachten het gevolg is, heeft voor “achter-gevolg” weer een toenemende verbetering van de positie der employé’s, en een vermeerdering van hun middelen van verweer tegen onredelijke eischen of willekeur.

Een grief niet tegen de administratie maar tegen de Directie der maatschappijen is, dat de inkomens en vooral de percentages aan employé’s toegekend, buiten alle verhouding veel lager zijn dan die, toegekend aan de administrateurs.

De administrateurs van hun kant oordeelen hun hoog salaris de niet meer dan redelijke vergoeding voor de verantwoordelijkheid die zij dragen.

Beide eindelijk, althans velen van beide categoriën, voelen als een onrechtmatige beperking van hun persoonlijke vrijheid de bepaling door de maatschappijen gemaakt, dat de beambten een deel van het hun toekomende in de winst op rente moeten laten staan bij hun maatschappij.

Daartegenover stellen de maatschappijen die bepaling voor als genomen enkel in het belang der beambten.


De behoefte aan werkvolk uit den vreemde en de noodzakelijkheid om het door gunstige voorwaarden aan te trekken; de bemoeienis van de regeering sedert ’72; vertoogen, nu en dan, van den kant van China, het vaderland van de meerderheid der koelies; de drang der openbare meening; en, zonder twijfel, ook de eigen menschelijkheid en zin voor recht hebben de planters gebracht tot een arbeiders-politiek, die van Deli een model-industrie-streek heeft gemaakt in meer dan een opzicht; in dat van de hygiëne vooral. Wat den buitenstaander het eerste treft, op de goedgeleide ondernemingen, is het gezonde uiterlijk van het werkvolk.

Te danken is dat aan een beter loon dan òf Javanen òf Chineezen in hun eigen land krijgen; aan een betere huisvesting; aan de wettelijke beperking van den arbeidstijd (tot een maximum van tien uren); aan de verstrekking, in gedeeltelijke voldoening van het loon, van deugdelijke rijst, een marktwaarde hebbende van pl.m. ƒ 13 (van het jaar is het ƒ 13.50), voor ƒ 9.75; aan het geven van velden die de koelies voor eigen gebruik bebouwen; en, vooral, aan den geneeskundigen dienst, dien de planters voor hun volk hebben ingericht.

De afdeeling Sumatra’s Oostkust der Vereeniging tot Bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-Indië heeft daar de publieke aandacht op gevestigd met de brochure, die zij uitgaf naar aanleiding van het ontwerp Blommestein, dat, in het oordeel der artsen, dien gunstigen toestand bedreigde. De hier volgende opgaven zijn grootendeels aan die brochure ontleend. De oorspronkelijke toestand was: iedere onderneming behandelde haar eigen zieken. Uit den aard der zaak was die behandeling onvoldoende. De versnipperde krachten werden vereenigd en een geneeskundige dienst kwam tot stand, die twintig centrale hospitalen bouwde, een centraal pathologisch en bacteriologisch laboratorium, en een quarantaine-station, en een staf aanstelde van twee-en-twintig Europeesche medici en drie dokters-djawa. In vergelijking met de overige bevolking van Nederlandsch-Indië wordt voor de Delische koelies zestig maal meer aan geneeskundige hulp uitgegeven: bijna een millioen jaarlijks (ƒ 900.000) voor ongeveer 120.000 contract-koelies op Deli, tegen ongeveer 5 millioen voor ongeveer 35 millioen inwoners van geheel Nederlandsch-Indië. Het gevolg komt ten duidelijkste uit in de cijfers der sterfte-statistiek, die, in tien jaar tijds van 60 op 1000 tot 15 op 1000 zijn gedaald, cijfers tot nog toe nergens elders op tropische ondernemingen bereikt, terwijl die van veel plaatsen van vijf tot tien maal hooger zijn; en bij een vergelijking met West-Europeesche landen alleen voor de meest gunstig-gestelde klasse van arbeiders cijfers worden gevonden gelijk aan die van sommige Delische maatschappijen. Een niet te berekenen weldaad is vooral voor de Javanen—de Chineezen komen over het algemeen in betere lichamelijke gesteldheid hier aan—de geneeskundige behandeling op Deli. De overgroote meerderheid—de laatste statistiek noemt 85 pct.—lijdt aan mijnwormziekte. Oogziekten, ingewandsaandoeningen en allerlei slepende kwalen die het gevolg zijn van onvoldoende voeding en huisvesting zijn algemeen onder hen, evenals koortsen. Zij worden daarvan genezen, met of zonder eigen goedvinden. Dat klinkt zonderling; maar de Javaan is, ook op dit punt, een groot kind. Veel liever is hij ziek en blijft ziek, zoowat sukkelend en knoeiend met de geneesmiddelen van een doekoen en allerlei talismans, bezweringsformulieren, en tooverkunstjes, dan dat hij naar een hospitaal gaat waar hij aan strenge regels is gebonden en leelijke drankjes misschien moet slikken. En wat Javanen uit kinderachtigheid doen, dat doen Chineezen uit verkeerde zuinigheid. Zij kunnen niet verdienen als zij in het hospitaal liggen. De Deli Spoor kon indertijd, toen zij door een moerasachtige streek een lijn bouwde waar malaria uitbrak, van de Chineesche koelies die het werk aangenomen hadden, het niet gedaan krijgen, dat zij de voor hen beschikbaar gestelde woningen op een afstand van het moeras gelegen, betrokken; ze verloren met heen en weer reizen te veel tijd: liever liepen zij de kans van aan malaria te sterven. Toen het sterftecijfer 50 pct. bereikte verliep het volk. De Deli Spoor begon opnieuw met eigen koelies, die zij inkwartierde in een koortsvrije streek, wien zij belette vóor zonsopgang en na zonsondergang te werken, en voorging met het prophylactisch innemen van kinine; daarmee was aan de sterfte een eind gemaakt. Op geheel dezelfde wijze moeten de Delische planters tegen hun Chineesche koelies optreden: en zij hebben bij hen hetzelfde gelukkige resultaat bereikt. De koelie werkende onder het koelie-contract dat hem te dezen opzichte dwingt2, is onder en door dien dwang in een beteren toestand gekomen dan de naar eigen gebrekkig inzicht levende vrije arbeider ooit bereikt. En dit voordeel voor het individu is tegelijk een voordeel voor de gemeenschap, want doordat de zieke in een hospitaal verpleegd, dus geïsoleerd wordt, houdt het gevaar op, dat hij zijn omgeving besmet—een gevaar dat moeilijk overschat kan worden bij het groote aantal infectieuze ziekten waaraan vooral Javaansche koelies lijden—dysenterie, cholera, mijnwormziekte, om maar de meestvoorkomende te noemen. Het vooroordeel der arbeiders is gaandeweg aan het verdwijnen tegenover de dagelijksche ervaring. Dat zij den algemeenen toestand op de Delische tabaksondernemingen waardeeren, blijkt trouwens uit de cijfers. Volgens de laatstverschenen statistiek zijn er van elke honderd tachtig die na verloop van hun contract het vernieuwen. Zij gaan wel terug naar hun land, omdat zij, de reis vrij hebbend, hun familie op willen zoeken en hun belangen waarnemen in hun geboorteland; maar na afdoening van zaken komen zij weerom. In de laatste jaren—nadat de treurige gevolgen van de inzinking in de jaren 1890 verdwenen, of zoo goed als verdwenen waren—heeft Deli onder werkzoekers zulk een goeden naam gekregen, dat koelieronselaars op Java “voor den overwal” wervend, werkvolk kunnen lokken met de voorstelling van Deli als land van bestemming, wanneer zij inderdaad naar andere streken geëxpedieerd zullen worden, waarheen zij niet wetens en willens zouden gaan. Wat de Chineezen aangaat: de Chineesche regeering, die in 1909 emigratie uit Chineesche havens naar Banka en Billiton heeft verboden3 laat die naar Deli vrij. Het streven van de planters is tegenwoordig, de aanwerving zooveel mogelijk te bevrijden van de misbruiken die haar terecht in discrediet hebben gebracht. Voor de Chineesche koelies is het al, gedeeltelijk, bereikt door dat systeem dat de werving uit de handen der ronselaars neemt en legt in die der koelies zelven, die repatrieërend, familie en kennissen werven, met wie zij dan terugkeeren naar Deli. Er zal nu op Java hetzelfde beproefd worden.

Zoo, ongeveer, doet Deli zich voor aan den buitenstaander die, als Westerling, van Westerlingen-standpunt er naar ziet. Hoe lijkt het den Oosterling? Hoe staat de koelie tegenover de onderneming van Europeesche kapitalisten en planters?

Ik kan het niet zeggen. Maar over de geheele wereld is degeen die werkt in het nadeel tegenover dengeen die bezit, ziet hij dus de dingen van den anderen kant, meet hij dus met een anderen maatstaf. En in een kolonie is de arbeider tweemaal in het nadeel: éénmaal als arbeider en éénmaal als lid van een overwonnen en daarenboven economisch en cultureel nog achterlijk ras. Het oordeel van den koelie over Deli moet dus op hoofdpunten tegenovergesteld zijn aan dat van den Deli-kapitalist of den planter.

Het onweerlegbaar bewijs—als er nog een noodig mocht zijn—dat niettegenstaande alle voordeelen de overgroote meerderheid van de koelies met den toestand niet tevreden is: de poenale sanctie is noodig gebleken om hen aan het werk te houden. Die moet hier doen wat in het van nature armere Europa de wreede honger doet: dwingen. Het lijkt een veel erger teeken, dat koelies de Europeesche employé’s soms aanvallen. Maar wèl bezien is het dat niet. De aanslagen zijn, op het groote aantal koelies gerekend, zeer zeldzaam. En daarbij, hebben zij niet de beteekenis die in Europa de aanslag van een arbeider op een werkgever zou hebben. Onder Europeanen zal men in het algemeen uit de hevigheid van de weerwraak tot de hevigheid van de beleediging kunnen besluiten. Maar met Oosterlingen kan men dat niet, omdat hun inborst de verhoudingen (voor een Westerling de natuurlijke) tusschen oorzaak en gevolg in het psychische verandert.

Zoo moeilijk het voor ons is het gemoedsleven van den Oosterling te begrijpen, zóoveel weten allen die eenigen omgang met hem hebben gehad: dat bepaalde aandoeningen niet dadelijk hem tot handelen brengen, maar lang blijven nawerken en gaandeweg aan intensiteit toenemend, ten slotte, soms zonder oogenschijnlijke aanleiding, uitbarsten in een daad, die geheel en al buiten verhouding staat tot de aanvankelijke oorzaak. Verder: dat onder den invloed van in bepaalde vormen nog voortlevende communistische opvattingen, hij de gemeenschap verantwoordelijk stelt voor het bedrijf van welk ook harer leden. En, eindelijk, dat hij in hartstocht alle bezinning plotseling verliest, “mataglap” wordt, “verduisterd van oogen,” en letterlijk in den blinde naar een slachtoffer slaat. Die dat weet, weet ook, dat het niet een erge verongelijking behoeft te wezen, die met een bloedige wraak gewroken wordt, en dat het evenmin de verongelijker zelf behoeft te zijn die getroffen wordt door de weerwraak. Terwijl, zonderling genoeg, werkelijke hardvochtigheid niet dan hoogst zelden oproer verwekt tegen den hardvochtige.

Veel dat nu geweten noch begrepen wordt, zou voor allen duidelijk worden, wilde iemand den arbeid ondernemen uit de vonnissen der Delische rechtbank de op koelie-delicten betrekkelijke af te zonderen, en uit “het juridisch” in het Hollandsch te vertalen. Althans datgene wat nu in volle onwetendheid misdaan wordt, ware dan te vermijden. Dat is natuurlijk niet meer dan een onderdeel van het geheel waartegen het verzet der koelies gaat. En zoo zijn ook de koelie-aanslagen op dezen of genen mandoer, tandil, employé, administrateur, minder-beduidend dan die gebleken noodwendigheid van de poenale sanctie, als teeken van de stemming der arbeiders, tegenover dezen of genen meerdere niet, maar tegenover het geheele systeem.

Het Delische systeem is, ten slotte, het koloniale systeem in het klein; en de toestanden op Deli op kleinere schaal—en behoudens de verschillen veroorzaakt daardoor dat zooveel koelies niet-Inlanders zijn,—vrijwel dezelfde als die in de geheele kolonie.

Het afloopende systeem van belangen, dat inlandsche vorsten en edelen aan de zijde van den overheerscher brengt tegenover hun eigen landgenooten, wordt herhaald in het systeem, dat met premies op koelie-werving en koelie-arbeid, tandils en mandoers op de hand van den ondernemer brengt. Oneindig veel beter dan onder zijn eigen vorsten vroeger heeft de inlander het nu onder het Nederlandsche gezag; en oneindig veel beter dan als “vrij man” in zijn eigen land heeft Chinees en Javaan het op Deli onder den planter.

Niettemin heeft de Nederlandsche Regeering ten slotte troepen noodig. En niettemin behoeft de planter een bijzondere wet. Waarom anders dan omdat, ondanks alles de Inlander en de koelie het belang niet hebben bij de handhaving van de toegepaste stelsels dat de Nederlandsche Staat en de Deli-Maatschappijen er bij hebben, en dat inziende, zich gaan verzetten?

De gedachte aan mogelijke gevolgen is voelbaar in de moreele atmosfeer van Deli.


1 Mr. H. J. Bool. Arbeidswetgeving in de Residentie Oostkust van Sumatra: blz. 13, noot.

2 Niet met de letter van de wet; maar volgens de uitlegging die zoowel werkgevers als werknemers er altijd aan gegeven hebben. Van Ned.-Indische koelies werken alléén Javanen in contract.

3 Volgens een officieele mededeeling in Engelsche vertaling aangehaald op blz. 45 van het “Rekest en Betoog der Deli Plantersvereeniging aan den G. G. van Ned.-Indië naar aanleiding van het ontwerp Blommestein,” waar tevens vermeld staat “dat de toestanden op Banka door meer toezicht veel verbeterd zijn.”