WeRead Powered by ReaderPub
Natuurfantazieën cover

Natuurfantazieën

Chapter 10: VIII. PALM-PASCHEN.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel korte, afwisselende essays en beschouwingen die nauwkeurige waarnemingen van vogels, bloemen, bomen, zee en landschappen koppelt aan persoonlijke wandel- en tuinervaringen. De teksten reflecteren op seizoenswisselingen, licht- en kleureffecten, praktische tuin- en wandeladviezen en eenvoudige natuurwetenschappelijke observaties, afgewisseld met meditatieve passages over stilte, troost en het herstellen van geestelijke rust in de natuur. Opzet en toon variëren van scherp beschrijvend tot lyrisch en informatief, zodat concrete waarnemingen en kleine anekdotes samen een breed, intiem beeld van het buitenleven en zijn ritmes schetsen.

VIII.

PALM-PASCHEN.

„Pallem-pallem-paschen!...” klinkt het jaarlijks alom in kleine steden en in de achterbuurten van de grooteren, op een voorjaars-zondagmorgen. Indien gij dan toevallig de straat of steeg inslaat, van waar dat geluid komt, dan ontwaart gij een optocht van een stuk of wat kinderen, reeds vroeg in hunne beste pakjes gestoken, en elk gewapend met een bontkleurig gevaarte, iets kleiner dan zij zelven; en als zij zien dat gij daarop het oog laat vallen, dan zingen zij, half fier en half verlegen, met dubbele geestdrift hun „Pallem-pallem-paschen!”... met nog eenige moeielijk verstaanbare klanken er achter.

Hier en daar, voor de snoepwinkeltjes, die „het van dergelijke klanten moeten hebben”, kunt gij u nader met het voorwerp dat zij droegen, bekend maken. ’t Is vervaardigd uit twee of meer stokjes, al naarmate dat het groot en weelderig is,—waaraan een sinaasappel en een paar appelen bevestigd zijn, en verder koekjes, prentjes, suikergoed en papiervlaggetjes, en tusschen alles in, de glinsterende blaadjes van den welbekenden buks- of palmboom.

Iemand die nooit van dit speciaal gebruik van de palmtakjes gehoord had, zou er zich met recht over kunnen verwonderen hoe zij aan dien naam van „palm” gekomen zijn. Zeker is er al zeer weinig overeenkomst tusschen dezen noord-europeeschen heester, en de niet alleen tienmaal grootere, maar daarbij geheel anders gebouwde („een-zaadlobbige”1) reuzen van het zuiden. Maar evenals de voorjaarspaardemarkten aan de Bildt van ouds den naam van „Palmmarkt” dragen, staat de Buxus sempervirens algemeen als palmboom bekend, wegens.... den Palmzondag. Dat troepje feestelijk uitgedoste kinderen is bezig in het klein een eerste tafereel van het Passiespel op te voeren; en de eindeloos herhaalde woorden, die hun vroolijke stemmetjes uitgalmen, vertegenwoordigen het daverend „Hosanna”, dat in zeker onvergetelijk drama zoo kort aan het „Kruist hem” voorafging!

Ik herinner mij een schilderachtig gedichtje van Göthe, waarin verhaald wordt hoe in ’t Vatikaan, te Rome, op Palmzondag, echte palmtakken gebruikt worden, om daar mee te wuiven, wanneer de kardinaals voor ’t altaar buigen en oude psalmen zingen; hoe in andere kerken diezelfde psalmen ook gezongen worden, door priesters met olijventakken in de handen; hoe men zich in ’t gebergte vaak met hulst moet behelpen; en hoe elders in de vlakte ten slotte wilgenteentjes dienst doen.—Ook bij ons in ’t Noorden moest natuurlijk, zoodra het vieren van de palmprocessie ingevoerd werd, een of ander soort van groen voorhanden wezen. Maar welk groen vindt men hier doorgaans in de week vóór Paschen? Zelfs de wilgen zijn dan nauwlijks uitgebot. ’t Moest dus wintergroen zijn. Klimop? is zoo slap. Naaldhout? zoo stekelig. Liguster? laat zoo licht zijn blaadjes vallen. De buksboom met zijn stijve takken bleek weldra het best voor ’t doel geschikt te wezen: het groen is sterk, het blijft lang leven; en, was de struik al niet heel sierlijk, hij was overal gemakkelijk te krijgen. Eenmaal geregeld „palmdienst” doende, kreeg hij den naam van hetgeen hij voorstelde. En daar hij aan zijn kerkelijk gebruik tegelijk zekere wijding ontleende, en bij machte werd geacht „onreine geesten” te verdrijven, werd hij algemeen een lieveling van ’t volk. Palmrandjes zijn van oudsher een geijkt sieraad in kleinere tuinen; en de onaangename geur, dien zij in grootere hoeveelheden verspreiden, verhindert niet dat „palmboompjes” tot de meest algemeene huisplanten behooren. Zoo ziet men ook, het geheele jaar door, palmtakjes boven wijwaterbakjes prijken, als voorbehoedmiddel tegen ’t inslaan van den bliksem.

Den ganschen winter door kroop hier en daar in ’t bosch, in tuinen, en misschien ook in uw bloementafel, een onaanzienlijk plantje, met vrij dunne steeltjes en kleine donkergroene blaadjes, en waarvan de eenige verdienste was,—dat die blaadjes groen bleven. Thans, sinds kort, zijn er jongere, lichtgroenen bijgekomen; en eindelijk ook een paar kleine porseleinblauwe bloemen. Zou het door de gelijkenis van ’t loof met dat van den tot palm gepromoveerden Buxus wezen, dat men aan dit bescheiden plantje den naam van Maagdepalm gegeven heeft? En indien men daarbij bedenkt, hoe goed de ranken van dit kruid zich door hare buigzaamheid tot kransenvlechten leenen, dan is ’t niet vreemd dat het de eer kreeg als zinnebeeld van trouw, ’t zij in vriendschap of liefde, te gelden. Wellicht bracht daar de kleur der bloemen ook het hare aan toe. De blauwe bloem heeft van oudsher iets bij anderen voor. Zou het zijn wijl zij het hemelsblauw schijnt te weerspiegelen, of om haar gelijkenis met menschelijke oogen? Ik durf het niet te zeggen. Doch als gij eene blonde bruid mocht hebben, ga dan den eersten mooien lentezondag de beste, met haar naar het bosch om maagdepalm of vinkoorde te zoeken; en zoo gij die vindt, vlecht er haar dan een krans van. Misschien, zal die haar heil aanbrengen. Maar zeker zal hij mooi staan bij het goud of lichtbruin van haar haren. En zij zou al heel koel of nuffig moeten wezen, als zij niet iets voelde voor die teedere gave.


1 Ik verzoek HH. botanisten zeer vriendelijk, om zoo spoedig mogelijk een paar goede woorden uit te willen vinden, waarmede het karakter van één- en twee-zaadlobbige planten in volwassen toestand uitgedrukt wordt; zoodat men niet telkens, om het sterksprekend onderscheid tusschen deze beide afdeelingen van het plantenrijk aan te duiden, zeer omslachtig tot de ontkiemingsperiode van iederen boom behoeft terug te gaan!