IX.
TULPEN.
Meester Linnaeus heeft eens, half als spel der fantazie, half als zeer gewaagde poging om, langs een esthetischen weg, tot eene natuurlijke rangschikking der planten te geraken, een standen-verdeeling van de „Ingezetenen des Plantenrijks” beproefd. In deze teekenachtige indeeling, die op naïeve wijs den stempel van haar tijd draagt, en in onze demokratisch-wetenschappelijke eeuw, om meer dan eene reden, met een glimlach ontvangen zou worden, noemde hij:
„De Palmen, Vorsten, (uitmuntende door hunne ontzaglijke hoogte en ongetakt blijvenden stam, die met altoos groenend loof gekroond is).
„De kruiden des Velds, (een jaarlijksch gewas uitmakende van velerlei gestalte), de Edelen.
„De Boomen, die de bosschen uitmaken, de Staten. (Men vindt ze omringd door hunne dienaars en beschut door een wacht van Soldaten, namelijk die doornachtige gewassen, welke zich dikwijls om de stammen en takken strengelen. Ook ontbreekt het hun niet aan Tafelschuimers, namelijk de woekerplanten.)
„De Grasplanten, het Landvolk (de kracht en steun des Rijks, die, hoe meer zij besnoeid en vertreden worden, des te meer in getal toenemen.)
„De Varens, Werklieden (die ’t zaad op den rug dragen).
„De Mossen, Slaven (met geschubd loof en huikjes op het hoofd; die schraal zijn en honger lijden, moetende zich behelpen op plaatsen, welke voor de anderen ongeschikt zijn.)
„De Wieren, Duikelaars, (bijna ongekleed, zonder optooisel of fraaiheid.)
„De Paddestoelen, het Uitschot des Rijks, (dat zich niet toelegt dan op stelen en rooven. Zij komen in den herfst te voorschijn, dus als ’t ware in den nacht, als de anderen slapen).”
Op dit tooneel nu figureeren de Bolplanten als „Hovelingen, pralende met heerlijke statiekleederen, om tot glorie van het Rijk te strekken.”—Fraai uitgedost zijn zij, dat is zeker, al die schitterende Leliën en Tulpen, Ixia’s en Narcissen, al die prachtige soorten van Gladiolus, Haemanthus, Amaryllis, al die bevallige Scilla’s, Frittellaria’s en Cyclamens. En ondanks hun rijkdom van verscheidenheid, hebben deze allen een sterksprekend gemeenschappelijk karakter.
Is er, wel bekeken, niet iets zeer zonderlings in die schijndoode bollen, waarin het leven van een plant zich tijdelijk terugtrekt, alsof ’t in een zaadkorrel ware? Die zich laat drogen, verzenden, op allerlei wijzen besnoeien; en waaruit dan, met behulp van een weinigje vochtige aarde,—(Hyacinthen en Crocussen groeien reeds alleen in water, en Colchicums hebben zelfs deze laatste voorwaarde niet noodig,)—de bladrozet en bloemsteel ontspruiten, welke daarin maanden lang als kiem, zonder merkbare ontwikkeling, opgesloten lagen!
De bladvorm heeft bij allen een sterken familietrek: lange lint- of zwaardvormige bladeren, met gladde kanten, en overlangsche nerven, zonder eenig spoor van dwars- of schuinsliggende adertjes: in één woord, gras in ’t grof. Hoe al wat bollen draagt ook boven den grond overeenkomst heeft, bewijst het voorbeeld van de uien; het zou mij niet verwonderen, als iemand bij vergissing een tulpenbol en een chalotte omruilde, en het blad van eene zoogenaamde zee-uie zou men gemakkelijk voor een tulpenblad kunnen doen doorgaan.
Wat de bloemen aangaat, deze stemmen allen overeen in onveranderlijke voorliefde voor het getal drie; (ik zou lust hebben ze, in plaats van Hovelingen, Vrijmetselaars te noemen). Ziet de tweemaal-drie blaadjes der Sneeuwklokjes, de zes slippen van een Hyacinthen-nagel, de sierlijke driehoekigheid der groote witte Irissen, die zwanen onder de bloemen! Ook de inwendige organen doen mede aan dien regel van drieën. Overal vindt gij, indien de bloem normaal (niet gevuld) is, drie of zes meeldraden, en drie vruchtbeginseltjes; of één driehoekig, zooals in Tulpen.
De hoorn des overvloeds, verborgen in den onuitputtelijken zak van den Goed-Heilig-Man, strooit tegenwoordig, reeds eer nog de dagen op hun kortst zijn, een schat van vroege tulpen in de huizen uit; en wel van eene soort, die de oude grief,—dat zij „wel pronken, maar niet geuren,”—het volkomenst logenstraft: de welriekende „ducjes” (Duc van Toll.) Het zijn bescheiden tulpjes, althans wat haar omvang aangaat, maar overigens in ’t oogloopend genoeg door hare kleuren: rood, goud, zwart—(de duitsche rijksvlag, of indien ge liever wilt, de belgische, zooals zij b.v. het lachende Spa, op feestelijke dagen, met een stroom van verguldsel, gloeiend, maar juist niet zeer bescheiden pleegt te tooien!). De zes geel-roode bloembladen, duidelijk te onderscheiden in drie buitensten en drie binnensten, houden langen tijd hun puntjes samen toegedraaid; als zij zich tenslotte openen, verschijnt ook het zwarte deel, de zes meeldraden met hunne langwerpige knoppen. In hun midden staat de gerimpelde stempel onmiddellijk, zonder stijl, op het driekantig vruchtbeginseltje, dat dikwijls reeds gedurende den bloei der bloem vrij wat in grootte toeneemt. Ingeval zij dubbel of gevuld zijn, leveren deze bloemen een niet onaardig voorbeeld op van het vergroeien van meeldraden tot bloembladen. Halfwassen blaadjes, verbasterde meeldraden, en dingetjes, waarvan men niet recht weet of men ze tot dezen of tot genen zal rekenen, vindt men daarin dan bij menigte.
Thans is de tijd gekomen, dat zij op den kouden grond bloeien; en een aantal liefhebbers vermeien zich in ’t schouwspel dat „de bollenlanden” rondom Haarlem en elders te zien geven. Veler smaak intusschen voelt zich daartoe in het geheel niet aangetrokken. Zij vinden weinig moois aan „zoo’n bloemenfabriek”, en vergelijken de met vierkante vakken van roode, witte, gele, bonte tulpen prijkende akkers bij het droogveld van een ververij. In zeker opzicht hebben zij daar groot gelijk aan; maar er valt dan ook van een „fabriek” niet anders te verwachten, dan dat zij hare in bewerking zijnde waren zoo doelmatig mogelijk rangschikt, en de orde bij het planten en rooien hooger acht dan de bevalligheid der schikking gedurende den bloei. Mij echter hindert het, als ik diezelfde stijfheid, schrilheid, onbehaaglijkheid die in de schikking op de bollenvelden heerscht, terugvind in parken en tuinen, waar er geene verontschuldigende reden voor bestaat, waar zij louter „voor het mooi” geplant zijn, en waar dus alles moest gedaan worden om ze bevallig te doen uitkomen.
Een zeer dankbare wijze van tulpen te schikken, en ze in hooge mate te „flatteeren”, leerde ik een paar jaar geleden van het toeval. In een rond bloemperk van anderhalven meter middellijn, had een knecht, zonder er veel bij te denken, een mand vol gezonde bollen uitgeplant. Er stonden daarin echter ook—van boven geheel afgestorven—drie planten van de welbekende reusachtige Beerenklauw (Heracleum giganteum). Toen nu in ’t volgend jaar de tulpen—het waren geen zeer vroegen—gingen groeien, begonnen ook de Berenklauwen teekenen van leven te geven, en tegen dat de eersten aan bloeien toe kwamen, waren de bladeren van de laatsten juist groot genoeg om er sierlijk mede af te wisselen, zonder ze te veel te overschaduwen. Telkens kwam er een geknopte bloemsteel tusschen de fraai ingesneden lobben van de bladeren doorkijken; het heldergroene loof der tulpen hing daar onder en daar over heen, terwijl de witte, licht- en donkerroode tulpen zelven er schitterend boven uit staken. Dat sommigen den zonneschijn met wat meer moeite zoeken moesten dan de anderen, deed ze een weinig hooger opschieten; en daardoor werd van zelf reeds de eentonigheid gebroken, aan de meeste bollenperken eigen. Het geheel was in één woord zóó teekenachtig, èn wat lijnen èn wat kleuren aangaat, en het deed zoozeer denken aan de schoonheid die een tulp in haar natuurlijke omgeving—ik meen, in haar vaderland—hoogst waarschijnlijk zal hebben, dat het verdiende als model te worden aangegrepen door elk, wiens smaak een weinig dieper gaat dan de zeer vlakke mode, en die gevoelt dat er in tuinen, zal men er waarlijk wil van hebben, iets anders met de bloemen dient gedaan te worden dan in kweekerijen.