WeRead Powered by ReaderPub
Natuurfantazieën cover

Natuurfantazieën

Chapter 22: XX. EENE LINDE.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel korte, afwisselende essays en beschouwingen die nauwkeurige waarnemingen van vogels, bloemen, bomen, zee en landschappen koppelt aan persoonlijke wandel- en tuinervaringen. De teksten reflecteren op seizoenswisselingen, licht- en kleureffecten, praktische tuin- en wandeladviezen en eenvoudige natuurwetenschappelijke observaties, afgewisseld met meditatieve passages over stilte, troost en het herstellen van geestelijke rust in de natuur. Opzet en toon variëren van scherp beschrijvend tot lyrisch en informatief, zodat concrete waarnemingen en kleine anekdotes samen een breed, intiem beeld van het buitenleven en zijn ritmes schetsen.

XX.

EENE LINDE.

„Aldaer dat clare water spranc,”

Daer stont een groene linde,

Daer de nachtegael sat en sanc

..........................”

De iepen hebben gebloeid; men heeft het vermoed aan de lichtbruine, rondom gevleugelde zaden, die als waardelooze dubbeltjes langs de stadsgrachten zwierven. De els, de berk, de populier hebben reeds sinds lang hunne sierlijke kwastjes laten vallen, maar wie het niet wist heeft er niet op gelet. Ook de eik en de beuk hebben gebloeid—in alle stilte. Alleen van den kastanje hebben alle voorbijgangers gezien dat hij bloeide. Thans is de bloeitijd van de linde daar; men ziet het niet, maar men ruikt het.

Laat u toch vooral de kans niet ontsnappen op een wandeling onder de bloeiende linden, hetzij dan ’s avonds, als „de nachtegaal” uit alle macht in zijne laagste takken zingt, hetzij des daags, wanneer de lijster juicht en jubelt in de hoogeren. Vergeet voor een oogenblik alles, en geef u over aan de lucht die u omringt. Laat uw lichaam, laat uw geest zich vermeien: het is de zomer, dien gij inademt, de zomermaand, de Juni. Het is deze Juni, en o wonder! het zijn er eensklaps velen zijner voorgangers, van misschien reeds lang, lang geleden. Droom en mijmer, en vraag hoe ’t komt dat gij zoo onverwachts u weer verplaatst voelt in een schoone wereld, die gij sinds lang vergeten waandet? Ik weet het antwoord wel... Dat is de geheimzinnige weelde der geuren, dat zij ons niet slechts onmiddellijke vreugde bezorgen, maar tegelijk de fijnste snaren van verbeelding en herinnering doen trillen. Droom voort, wij zullen u met rust laten; het is wreed zulk een stemming te storen!...

Ziet, daar is een lindenbloesempje gevallen, een van de duizenden, waarin die geur ontstaat. ’t Is klein en flets van kleur: ’t is in zijn soort al even onaanzienlijk als het vaalbruin vogeltje, waarvan ’t ons ieder jaar op nieuw verwondert, dat zijn kleine keel zooveel muziek kan voortbrengen. Nochtans, het is een aardig bloempje, niet slechts een los bloemdek of éénslachtig katje, zooals de meeste woudboomen er op na plegen te houden: het is een fraai gevormde, geheel volkomen bloem, met kelk en kroontje, met meeldraden en stampertjes, en ten overvloede een paar, naar verhouding, reusachtige schutbladen, die, heel trouw, tot de vruchtjes toe blijven bewaken. ’t Behoefde slechts wat schitterender kleur te hebben: een zacht of helder rood, blauw, geel, paars, oranje, om tot de mooie bloemen gerekend te worden. Maar zou de linde zelve er ons liever om wezen, indien haar groen niet meer het voornaamste aan haar was? Ik kan het niet gelooven. Juist haar groen is zoo verkwikkend. Het is zulk zuiver blauw-maal-geel, zonder inmenging van vreemde tinten; slechts aan de stelen van de jongste bladen schemert er iets roodachtigs doorheen, maar dat zeer goed met het groen harmonieert. Telkens op twee vingers afstand, buigt de tak zich beurtelings rechts of links; daar heeft hij een verdikking, die uitloopt in een hard, reeds bruin geworden randje, en waaruit tegelijk een bladsteel en een nieuwe knop ontsproten. Aan deze slanke stelen plooien zich de hartvormige bladeren. ’t Is of het vulweefsel zich gauwer uitgezet heeft dan de aderen bij konden houden: het voegt zich met eenige ruimte daartusschen. Eéne nerf loopt recht door naar de punt van het blad, en verdeelt dat in twee ongelijke helften. Het adernet is bijna tot in ’t oneindige verdeeld, zooals vooral te zien is aan de achterzijde, die fletser dan de bovenzijde is en eenigszins behaard. De bovenkant is glad als zijde. Zoo goed en zoo kwaad als het gaat, schikken zich de lindebladen naast elkander; elk valt een weinig over zijne buren heen; en uit honderden van zulke takjes te zamen is de schoone ronde kroon gevormd, waaraan eene vrij uitgroeiende linde reeds in de verte is te kennen.

Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk door menschenhand herwaarts overgebracht,—lindenbosschen komen nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden rijp,—is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers, en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes zou verliezen, indien niet rechts of links zoo’n aardig stukje lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde1 vertegenwoordigt zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn, daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom, misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan: de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien, opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden rusten in zijn schaduw!

In de schaduw.—Onlangs sprak ik met een Italiaan. Hij was vol bewondering voor onzen hollandschen tuinbouw, onze bloemheesters, onze bolgewassen. Maar wat hem bevreemdde, wat hij eigenlijk vrij gek vond, was dat hier in het Noorden, „waar men toch al zoo weinig zonneschijn heeft”, zooveel hooge boomen gekweekt worden, „die het beetje, wat er is, nog onderscheppen”. Trouwens, op alle italiaansche prentjes, met de meest beroemde gezichtspunten, ontbreken boomen. „’t Is omdat wij den zonneschijn te lief hebben,” was zijn uitleg daarvan.

Waarlijk, ook ik heb den zonneschijn lief, al is het dan slechts onze noordsche. Maar mij dunkt juist, dat hij dubbel schoon wordt, dubbel schilderachtig en behaaglijk, waar hij op duizenderlei wijzen wordt gebroken en weerkaatst en opgevangen, en bij beetjes doorgelaten door het groene loover, dan waar hij op zijn eigen houtje platweg op de dingen schijnt. Zelfs de somberheid der sparrebosschen heeft haar heerlijkheden, zoolang men omhoog, en af en toe van verre, den vollen glans van het licht ziet; en zich te koesteren in de zonnestralen is des te verkwikkender, wanneer de blik mag rusten op een achtergrond van lommer. Hoe oneindig meer verscheidenheid en rijkdom is er in een landschap met dan zonder boomen!... Ik ben nooit in Italië geweest. ’t Kan zijn dat men daar lichteffekten heeft zoo schoon, dat zij het gemis aan hout vergoeden. Maar intusschen: leve in ons land het bosch, in welken vorm dan ook! Leve de eik, de beuk, de spar, de esch en wat daar verder groene takken omhoog heft! Leve niet het minst de groene linde!


1 Te Dortmund in Westfalen staat,—stond althans voor een paar jaar nog,—een echt middeleeuwsche veemlinde. Midden op het spoorterrein, tusschen talrijke elkaar kruisende rails, (en Dortmund is een punt waar verscheiden mazen van het duitsche spoorwegnet inéénloopen), was een heuvel uitgespaard van een voet of drie in het vierkant; en daarop stond een steenen bank, waarop weleer veemgericht gehouden werd, beschaduwd door een holle, stokoude linde, met nog slechts één levenden tak.