XXIX.
ONS WIER-EILAND.
Allen die zeggen—en het meenen, want velen, die het zeggen, meenen ’t daarom niet—dat zij zoo gaarne eens een uitstapje zouden maken buiten het bereik van spoor en stoomboot, („van de gewone touristen-route af”, zooals het doorgaans heet), raad ik onze noord-hollandsche eilanden aan. Texel sluit ik nog uit, want dat bezit een onderzeeschen telegraafkabel; en de industrie der eeuw, vertegenwoordigd door het stoombootje Ada van Holland, brengt u daar, trots weer en wind, zoo kalmpjes heen, dat gij, in de kajuit gezeten, niet merkt dat gij op zee zijt, en van niets droomt dan van een binnenlandsch kanaal. Maar Vlieland, Terschelling, Wieringen...
Wie naar Wieringen gaan wil, mag zich niet al te veel moois voorstellen, maar wel iets zeer eigenaardigs. Mooi is het er, op een mooien zomerdag, in zoover als dan alles mooi is. Het landschap heeft de lieflijkheid van de minst boschrijke gedeelten van het Gooiland; iemand van mijn kennis pleegt het te vergelijken bij de velden van Waterloo, en noemt dan zekere kleine boerderij „La Belle Alliance”. Reeds is het op zich zelf al aardig om, wanneer men pas de groote vlakke polders van Noordholland heeft doorgereden, zich plotseling te bewegen op een golvend terrein, waar de eigendommen niet door rechtlijnige slooten, maar door ongelijke aarden walletjes gescheiden zijn; en waar zoowel de duinflora aan onzen voet, als de oude kerken van het Stroe, Westerland en Hippolitushoef er ons aan herinneren, dat wij hier niet te doen hebben met ingedijkten kleiachtigen grond, maar met een sedert eeuwen boven de Zuiderzee uitstekende duinreeks. Dit toch is de eenige reden van bestaan van het geheele eiland. Zijn bescherming en versterking door menschenhand is betrekkelijk gering. Het rijst uit de zee op, zooals het door de natuur gemaakt is; de vloed spoelt er om heen, en de ebbe verbreedt voor een uur of wat zijn strand; zoo is ’t gegaan sinds honderden van jaren, en nergens stuit men op twijfel aan de veiligheid van dezen toestand.
Dit is dan ook de sterkst sprekende indruk, dien een bezoek van eilandjes als dit op vreemden pleegt te maken: eene soort van verbazing, dat men zich op zulk een beperkt grondgebied midden in zee weet, en zich nochtans zoo rustig en behaaglijk voelt in een kalm-ouderwetsche, landelijke omgeving. Ziet, gij zijt op een eiland, dat zult gij geen oogenblik vergeten. Het kleine ding is slechts een paar uur gaans in omtrek; en zoodra gij op een eenigszins hoog punt staat, ziet gij aan weerszijden de zee. Gij zijt hier onmogelijk anders kunnen komen dan door middel van een zeil- of roeischuit. Gij hebt, zoo al niet met uw handen, dan toch met uw geest, al de kleine zorgen en beredderingen van den overtocht meegemaakt, en zijt geheel doordrongen van ’t bewustzijn, dat een armpje van den oceaan u van het vasteland scheidt. En ten overvloede zijn daar de meeuwen, de strandloopertjes en de kluiten, die krijschend af en toe over u heen vliegend, het u helpen onthouden. En toch, als gij den duinrug houdt en b. v. rondom het hoofddorp, Hippolitushoef, rondwandelt, gevoelt gij u, in den letterlijken zin, zoo hoog en droog verheven boven alle zeegevaren en zeeachtige gewaarwordingen! ’t Is hier volstrekt niet altijd een zilte zeelucht die u te gemoet waait; gij ruikt geen visch, uw kleeren zijn niet klam van zoutdampen, de wegen en huizen zijn hier niet half onder opgestoven zand begraven, zooals maar al te dikwijls op onze zonnig-ijzige zeedorpen! In plaats van de daar heerschende schrale helm- en aardappelenvegetatie ziet gij hier boomen, die werkelijk dien naam verdienen; gij beweegt u te midden van een tamelijk ontwikkelden landbouw. Er loopen, zij het dan meestal aan lange touwen, niet slechts schapen, maar ook runderen in ’t weiland; en zoo er al geen tarwe groeit, er groeit haver en gerst, en de roode klaprozen en blauwe korenbloemen verraden reeds van verre de rogge-akkers. Boerderijen en arbeiderswoningen liggen tegen de hellingen, gedeeltelijk achter struikgewas verscholen. En komt gij aan de hoofdbuurt tusschen heggen en boomgaarden, en loopt gij op het oude vierkante pleintje de zerken van het kerkhof te bezichtigen, of het water van de dorpspomp te proeven... waarlijk, was daar niet zoo’n echt noordhollandsche bevolking, met haar vlasachtig haar, dunne lippen en zeer lichtblauwe oogen, met haar „nou” en „hoor”, en haar ge-looze verleden deelwoorden; en was daar niet de verfkwast, met haar wit en zeegroen en lakmoesblauw, die tot zelfs de boomstammen niet ongemoeid laat,—men zou zich in een zuidoostelijker deel van ons land wanen!
Ik weet niet of gij lust zoudt hebben, voortdurend op Wieringen te blijven. „Op een eiland te zitten”, is op zich zelf voor negen-en-negentig van de honderd menschen een schrikbeeld; en het is niet zoo dadelijk uit te maken of iemands beschaving, ontwikkeling en levensgenot bij zulk eene afzondering op den duur zouden winnen of verliezen. Afgezonderd is Wieringen. Dat ’s lands regeering er ook zoo over denkt, blijkt wel daaruit, dat zij het indertijd ’t geschiktste punt voor eene quarantaineplaats achtte; (de zwarte quarantainegebouwen waren, tot voor een paar jaar, het eerste wat men van den vasten wal af te zien kreeg); en nu die inrichting is opgeheven en de loodsen zijn afgebroken, werd het leeggemaakte plekje aangewezen voor.... een kruitmagazijn! Maar zoo gij er slechts kort vertoeft, raad ik u aan, uw tijd goed tot rondkijken te gebruiken, zoo mogelijk al de vijf dorpen: Westerland, Hippolitushoef, het Stroe, Oosterland en den Oever, te bezoeken, en u een en ander te laten vertellen van de eendenkooi, de rotganzenvangst en de wier-industrie.
Het is voornamelijk als wiereiland, dat ik eigenlijk over Wieringen wou schrijven.
Uit den aard der zaak is Wieringen een land van belofte voor ijverige plantenzoekers. Van de sierlijke akkerwinde af, die hen op den rug van het eiland als oude bekende begroet, tot aan de zeekraal en de zeekool, die hun naam gestand doen, doorloopt de plantengroei hier eene lange reeks van soorten, aan hoogere en lagere standplaatsen eigen, en levert dus, binnen een klein bestek, eene rijke botanische verscheidenheid. Maar bovenal kan men hier kennis aanknoopen met het plaatselijk gewas bij uitnemendheid: het zeegras (Zostera maritima), dat, onder den naam van wier of zeewier, het geheele land door verzonden wordt, om er matrassen en kussens mee te vullen.
Indien wij het eiland naderen langs den geijkten weg—met de postschuit, die tweemaal daags van de Van Ewijck-sluis in den Anna Paulowna-polder afvaart,—landen wij aan de kleine havenplaats, de Houkes. Reeds gedurende de vaart (gesteld dat wij de reis doen in het hartje van den zomer) hebben wij gelegenheid om een handvol van het langs de schuit drijvende zeegras op te visschen. Het bestaat voor ’t grootste deel uit lange groene bladeren van een halven duim breed; somtijds echter komen ons ook dikkere, hardere stengels in handen; deze kan men de bloemstengels noemen, want de langwerpig-ronde knobbels, die men daaraan vindt, vertegenwoordigen de bloeiwijze; en al behoort er eenige oefening toe om die te ontleden, ze bewijzen dadelijk, dat wij niet met een wier, in plantkundigen zin, te doen hebben. De Zostera is geen alge, maar een zichtbaarbloeiende plant.
Zoo wij nu dicht bij ’t eiland komen—en wij moeten er een eind ver langs zeilen—rijst de vraag in ons op, wat toch die rotsachtige massa is, waar wij tegen aankijken, „’t Lijkt de krijtkust van Engeland wel,” oppert iemand van het gezelschap; en een ander wil het zijne weten van „dien hoogen wal met loodrechte spleten”. Om met dit laatste te beginnen, dat is niets anders dan het paalwerk, waarmeê een gedeelte der noord- en oostzijde van het eiland beschermd is, doch in dier voege, dat de zee altijd vrij in en uit kan stroomen. Zooals ik reeds zeide, de menschenhand treedt hier volstrekt niet zoo krachtig ter bescherming op, als aan de kusten van den vasten wal; slechts het in deze eeuw ingedijkte gedeelte van Wieringen, de Waard-Nieuwland, die dan ook geheel polder is, en niet in het eigenlijk karakter van het eiland deelt, is van gewone, sterke dijken voorzien. Het overige wordt beschermd op een zeer eigenaardige wijze. Wat in de verte aan de kust van „Albion” deed denken, is.... een verweerde dijk van louter wier!
Van oudsher opgehoogd, is die wierdijk van onderen verhard en tot eene dichte massa geworden; de wierhoofden, die op sommige punten tot zijn verzwaring aangebracht waren, zijn met hem oud geworden, en dragen hier en daar bedenkelijke sporen van heftige worstelingen met den golfslag. Als reusachtige stukken turf steken zij in zee uit, en daarbij zijn zij trouwens ’t best te vergelijken. Hun overeenkomst met de engelsche krijtrotsen bestaat intusschen slechts in omgekeerde kleurverhoudingen: dààr heeft men te doen met oorspronkelijk wit krijt, dat grootendeels begroeid en bezoedeld is, en daardoor ten slotte slechts enkele helder witte plekken over heeft; hier is het een zwartbruine grondstof, die door verweering en begroeiing, gedeeltelijk lichter gevlekt en wit uitgeslagen is. Welig tiert daarop in Juli en Augustus de moeras-paardestaart, alsof hier en daar een helder groen lapje tapijt over den grauwen muur afhing!
Zoo goed en zoo kwaad als het gaat,—de aanlegplaats aan de Houkes is juist niet van de netst betimmerden, en werd meestal reeds door een ander schip ingenomen,—komen wij aan wal, en bij den eersten stap vermaken wij ons onwillekeurig over de veerkracht van den veenachtigen bodem. De dijk blijkt ons nu vrij hoog te wezen, ook in verhouding tot het land en de huizen aan zijn voet. Hij werd tot nog toe jaarlijks aangehoogd, om hem in goeden staat te houden,—altijd weer met „wier”, (met of zonder verlof der plantkundige wetenschap zullen wij het zoo maar blijven noemen). ’t Is alles wier wat ons omringt; de grond waarop wij staan, het aanspoelsel tegen den wal; en ziet, ginds is men juist bezig een pas gemaaide lading te lossen. De wiermaaiers namelijk varen met zeissen in kleine schuitjes rond, snijden het zoo diep mogelijk af,—want het wortelt in den bodem der zee,—en verzamelen het zoodra het aan de oppervlakte drijft. Een groote hoop versch aangebrachte voorraad ligt op den dijk uit te druipen. Eene kar, met een oud paard bespannen, komt het halen; want de groote zaak is nu het te drogen, te zuiveren, voor den handel geschikt te maken. En droog kan het natuurlijk niet worden, tenzij het van zijn zoutgehalte ontdaan zij.
Gedurende onze wandeling over het eiland kunnen wij de bewerking die het wier ondergaat, grootendeels nagaan. Zij bestaat in hoofdzaak daarin, dat het meermalen in het zoete water der slooten afgespoeld en dan weer op weiland, of op den met gras begroeiden berm van den oostelijken dijk uitgespreid wordt, en af en toe gekeerd en geschud, evenals men met hooi pleegt te doen. Op die wijs is het verscheiden weken onderhanden. Men kan niet zeggen dat de aangename eigenschappen van het landschap daarbij winnen. Een sieraad van de velden is dat laagje grijzend zeegras volstrekt niet; gaandeweg wordt het van groen zwart; de donkerste partijen zijn de besten, want zij zijn het zuiverst. Het ergst echter is de onaangename lucht, die het verspreidt. Ik heb gezegd dat Wieringen niet naar gedroogde visch riekt; maar soms, vooral in droge, warme zomers, riekt het onuitstaanbaar naar half-nat wier. Men doet dan verstandig de plaatsen, waar de wieroogst het meest in vollen gang is, te ontwijken, tenzij men er zijn hart op gezet heeft de zaak zeer van nabij te bekijken.
Wie dat doen wou, zou zich misschien ook verdiepen in de vraag: wat de Wieringers bedoelen, als zij zeggen dat de wiermaaierij achteruitgaat, dat „het vet van den ketel is”, en dat er weinig of niets meer aan te verdienen is, wegens „de hooge pachtgelden” en „de groote concurrentie”. ’t Zal allicht waar zijn, dat er persoonlijk niet zooveel meer op te winnen is als vroeger, toen de geheele wiermaaierij vrij was, terwijl nu het recht daartoe voor betrekkelijk hooge sommen verpacht wordt. Maar dat men nochtans lust heeft die pacht te aanvaarden, is op zichzelf een teeken, dat dit takje van nijverheid niet kwijnt.—Doch ons is het niet om de statistiek, maar slechts om de teekenachtige zijde van den wieroogst te doen; en dus werpen wij alleen nog maar een blik op gindsche kisten met zwart wier, die voor de aflevering gereed staan. Mooi kan men het zeker in geenen deele noemen, maar het is in zijn soort netjes opgedaan. Geen vuil, geen onkruid is er tusschen, zelfs geen vlokjes zaadpluis van het wollegras, dat hier anders op sommige veenachtige plekken veel groeit. Kisten zijn het eigenlijk niet, waarin het verzonden wordt: veel meer zijn het balen, aan alle zijden door een paar planken bij elkaar gehouden. Dit is stellig goedkooper, en waarschijnlijk ook beter dan gesloten kisten, met het oog op gevaar van broeien en verstikken. In een opzettelijk daartoe opgericht gebouwtje, niet ver van de landingsplaats, wordt het wier samengeperst en verpakt; weldra zal het bij een koopman „in drogerijen en verfwaren” terecht komen.... Wie het daar ziet liggen, denke even aan Wieringen!