WeRead Powered by ReaderPub
Natuurfantazieën cover

Natuurfantazieën

Chapter 36: XXXV. WINTERVOGELS.
Open in WeRead

About This Book

Een bundel korte, afwisselende essays en beschouwingen die nauwkeurige waarnemingen van vogels, bloemen, bomen, zee en landschappen koppelt aan persoonlijke wandel- en tuinervaringen. De teksten reflecteren op seizoenswisselingen, licht- en kleureffecten, praktische tuin- en wandeladviezen en eenvoudige natuurwetenschappelijke observaties, afgewisseld met meditatieve passages over stilte, troost en het herstellen van geestelijke rust in de natuur. Opzet en toon variëren van scherp beschrijvend tot lyrisch en informatief, zodat concrete waarnemingen en kleine anekdotes samen een breed, intiem beeld van het buitenleven en zijn ritmes schetsen.

XXXV.

WINTERVOGELS.

Het is een algemeen heerschend volksgeloof,—bij den eersten den besten boerenjongen in de eerste de beste provincie kan men er de proef op nemen,—dat de koekoek gedurende den winter een sperwer wordt. Hoe dat denkbeeld in de wereld moge zijn gekomen, er blijkt mijns inziens duidelijk uit, dat men ’s winters hier te lande nooit een koekoek, en zomers slechts zelden een sperwer te zien krijgt. Trouwens, men moet al heel weinig in de natuur rondom zich gekeken hebben, om niet te weten dat ieder seizoen zijne eigene vogels oplevert. Wat den zomer aangaat, twijfelt niemand daaraan. Elk weet bijvoorbeeld, dat de terugkomst van de ooievaars tot de eerste voorjaarsteekenen behoort, en evenzeer dat op zeker punt van het najaar, de zwaluwen „heimwärts”, huiswaarts, trekken, al is die uitdrukking volstrekt niet juist: want onder iemands t’huis, zijn „heim”, zijn vaderland, verstaat men toch doorgaans zijn geboorteplaats, en de zwaluwen, die ’s zomers hier rondvliegen, zijn hier geboren, en gaan slechts in het zuiden overwinteren. Maar als men aan de menschen vraagt, wat een trekvogel is, zullen negen van de tien u antwoorden, dat het een vogel is, die in de lente hier komt en ons in den herfst weer verlaat. Zij vergeten dan, dat met velen juist het omgekeerde plaats grijpt. De zeemeeuwen, die wij onlangs volgden, zijn daarvan het sterkste voorbeeld; en de bonte kraaien verschijnen niet bij troepen in onze velden, voordat het hun in noordelijker streken te koud wordt. Daarbij komt, dat zoogenaamde standvogels, nl. zulken die het heele jaar door hier blijven, in den winter, door den honger gedreven, meer de nabijheid van de menschelijke woningen opzoeken; en op die wijs heeft onze winterfauna zeer opmerkelijke eigenaardigheden.

Als men geregeld alle dagen op hetzelfde uur zaad of kruimels voor een raam strooit, welke vogels komen daar dan meestal op af? De groote menigte der dagelijksche gasten zijn gewone huismusschen, afgewisseld door een paar ringmusschen, (met een wit ringetje om den hals). Zij verzamelen zich reeds vroegtijdig op de welbekende plaats, en hun voetspoor staat daar duizendvoudig in het zand of in de sneeuw afgeteekend. Geen wonder! Hunne pootjes, zooals die van trouwens alle kleine zangvogels, zijn op hun gewone woonplaats, de boomen, ingericht. Zoodra zij zitten gaan, trekken zich door middel van een spier, die strak over de knie- en enkelgewrichten loopt, van zelf de teenen samen: zonder dat zou het hun, (denk ons eens in hunne plaats!) waarlijk vrij moeielijk vallen, zich dag en nacht, wakend en slapend, aan de dunne takjes, waarop zij wonen, vast te houden. Gaan zij nu zitten, zonder dat die teenen iets te omklemmen hebben,—bij voorbeeld op den vlakken grond,—dan dringen daar, zonder bepaalde bedoeling, natuurlijk hunne nageltjes diep in.

Nu en dan mengt zich een roodborstje onder het gezelschap. Zaagt gij er ooit een in het hartje van den zomer? Waar de roodborstjes dan verblijf houden, durf ik niet zeggen, maar stellig niet rondom onze huizen, zooals nu. In Engeland zijn zij in dit seizoen veel menigvuldiger dan hier: Robin Redbreast in de sneeuw tegen een venster pikkend, behoort daar tot de onmisbare figuranten op de kerstmisprentjes. De talrijke verhalen omtrent roodborstjes, die in de kamer vrij rondvliegend, dus volkomen mak, overwinterden en nochtans, als de lente daar was, met ongeduld afscheid namen, wijzen op eene sterksprekende gewoonte van jaarlijksche verhuizing. Voor mij is het altijd een welbekend herfst-signaal, als ik, op den een of anderen Octoberdag, voor ’t eerst de zachte stem van ’t kleine dier weer hoor.

Men heeft opgemerkt dat bij zulke voederingen stukjes vleesch meezen lokken. Dat laat zich zeer wel hooren. Meezen toch zijn, in vrijen staat, bijna uitsluitend vleeschvretende diertjes. Hebt gij wel opgelet, hoe zij zich doorgaans, op de wijze der boomkruipertjes, tegen stammen en op dikke takken ophouden, en daartegen met haar korten dikken snavel voortdurend pikken, als gold het gaatjes in het hout te boren? Het geldt dan echter de in de spleten van de schors verscholen insekten, of voornamelijk hun eieren en larven te bemachtigen. De meezen zijn daarom veel minder schadelijk voor den tuinbouw dan andere kleine vogels: zij reinigen de boomen van duizenden ongewenschte bewoners, en stelen toch geen vruchten.... ’t Is waar, in den vruchtentijd, zijn zij hier niet,—anders durf ik niet zeggen hoe ver haar bescheidenheid gaan zou.—Op deze behoefte aan dierlijk voedsel berust natuurlijk ook de verzekering van alle vogel-opvoedende jongens, „dat je, als je meezen brood wilt geven, het in melk moet weeken”. Ondanks deze goede bedoeling om ’t haar lekker te maken, wensch ik alle kool- en pimpelmeezen toe, dat haar aardige zwarte of blauwe kopjes nooit in handen van die brood-weekende weldoeners mogen vallen.

De tegenvoeters der meezen op het punt van voeding zijn duiven. Dezen toch behooren tot de meest consequente vegetariërs. Nog nooit heeft, voor zoover ik weet, een duif een ander beest vermoord;—hetgeen zeker ook niet strooken zou met hare algemeen bekende reputatie van zachtheid... De keerzij hiervan is, dat zij juist daardoor, in tegenstelling van de meezen, een schrik zijn van den tuinbouw, en als zij niet van oudsher zekeren stralenkrans van dichterlijkheid bezaten, zouden de wilde tortels en de koolduiven, die de hoogste boomen onzer tuinen bevolken, sinds lang gevaar loopen van uitgeroeid te worden. Zij zijn het gansche jaar door hier, maar doen er, geloof ik, wel wijs aan, zich des winters schuil te houden; anders mocht het menigeen in de gedachte komen, eens te berekenen hoeveel boonen, erwten enz, er wel verbruikt worden door de „onnutte” snavels van zoo’n aantal groote vogels. Zij zijn dan, als zij zich bij uitzondering vertoonen, vrij slaperig en langzamer dan ooit in haar bewegingen, loopen waggelend als op winterpootjes, of zitten diep in de veeren gedoken op de zwarte druipende takken van de berken der parken of van de olmen onzer hollandsche grachten. Ik zou evenwel niet denken dat zij gedurende den schralen tijd veel eten.

Zoodra de vorst zoolang heeft aangehouden, dat de Zuiderzee bevroren is, gaat menig kustbewoner, die een geweer hanteeren kan, „een paar uur ver de zee in, om zwanen te jagen”. Hij neemt dan soms een schapenvacht mee, en gaat daaronder liggen, om in de witte wereld door zijne slachtoffers niet zoo licht gezien te worden; en, met of zonder zulke kunstgrepen, brengt hij allicht een paar van die donsrijke dieren te huis, wier witheid dan zelfs door de sneeuw niet te schande gemaakt wordt. Dat zwanen niet bang voor de kou zijn, weet trouwens ieder, die er ooit een paar in een bijt of een wak heeft zien zitten, rustig drijvend op de roode pootjes, rondom welke het water alweer een vliesje begon te krijgen. Zij staken af en toe hun langen hals in de diepte, met even veel gemak alsof het zomer was; en namen geen andere maatregelen tegen de bezwaren van ’t seizoen, dan dat zij zich eens een keer extra de veeren bestreken, na den snavel aan de vetklier gebracht te hebben.

Aan dergelijke wakken vertoont zich ook niet zelden het ijsvogeltje, dat zonderlinge dwergje met zijn hoogen smallen kop, zijn korten staart en vooruitstekende borst, welke allen nog te sterker uitkomen door zijn langen snavel, die reeds aanwijst van welk voedsel hij leeft. Hij is een echte visscher,—de „Martin-pêcheur” der Franschen,—en zit met een geduld, een Leidschen hengelaar waardig, den lieven langen zomer, dag in dag uit hier of daar aan een slootkant; maar uit den aard der zaak komt hij het meest te voorschijn in den winter, als zijn beste plekjes door de vorst zijn bedorven, en hij aan de bijten zijn fortuin moet beproeven. Ongelukkig wordt de mooie blauwe kleur van kop en rug hem dan doorgaans noodlottig, doordien zij den voorbijganger maar al te zeer aantrekt: „l’oiseau bleu” wordt waarlijk zoo dikwijls te vergeefs nagejaagd, dat het bovenmenschelijk zou wezen hem te laten glippen, als de gelegenheid tot vangen zich zoo verlokkelijk aanbiedt!

Kop en snavel daargelaten, doet zijn figuur ons denken aan de uiltjes, die wij thans lichter dan des zomers hier en daar ontmoeten, omdat dan het loof ze veiliger aan onzen blik onttrekt. Meermalen heb ik des winters gemeend eene donkergele kip op een lagen boomtak te zien zitten, en als ik dan naderbij kwam, bleek het een kleine uil te zijn, natuurlijk, omdat het dag was, in een diepen slaap verzonken. Doch de slaap was zoo diep niet, of, het minst dat ik hem aanraakte, schrikte hij op, en vloog bijna zonder gedruisch weg. Men behoeft, om de oorzaak van dat stille vliegen te doorgronden, den bouw van zijne veeren slechts aandachtig te bezien. In plaats van, zooals andere veeren, aan weerszijden vast te zijn, nl. zóó dat de baartjes met fijne tandjes in elkander grijpen, is dit bij uilenveeren slechts aan ééne zijde het geval, waardoor de geheele „pluimagie”,—zooals onze overgrootouders den vederdos noemden,—een zeer los karakter krijgt. Een molenroede met een zeil maakt onder ’t malen veel meer leven dan eene met een leeg hek: een dergelijk verschil heeft hier plaats, en brengt ons tot het voor de hand liggende besluit, dat als de uilen ’s nachts zoo stil niet vliegen konden, zij zeker zooveel muizen niet zouden bemachtigen. Hun rond gezicht doet hen uit alle andere vogels kennen, evenals hun ronde eieren aan een eierenketting dadelijk in ’t oog springen.

Wat nu ten slotte het geloof betreft aan die periodieke verandering van den koekoek in een sperwer en omgekeerd,—het vindt allicht zijn voortduring, zoo niet zijn grond, in de oppervlakkige gelijkenis der beide vogels. Hun grootte, hunne kleur, de gegolfde teekening op borst en buik, doen hen in de verte op elkaar gelijken. Ook hun leefwijze heeft iets van elkander. Doch de rol, die zij in de vogelwereld spelen, verschilt. Is de koekoek een plaag voor vele kleine vogels, door zijne beruchte gewoonte om door hen zijn jongen uit te laten broeden, de sperwer,—een havik in het klein,—is een echte roofvogel en verslindt ze bij menigte. Wie de kleine zangers in zijn buurt wenscht te beschermen, dient den sperwers den oorlog aan te doen, en zoo mogelijk hun nesten te verstoren. In zeker opzicht is dit jammer, want hun huislijk leven is waarlijk recht voorbeeldig. Het is voor vele vogelkenners eene zeer dankbare studie geweest, na te gaan welk deel de beide ouders aan de opkweeking van hun kroost nemen. Bij een groot aantal soorten komt die zorg alleen op het wijfje neer; bij anderen houdt het mannetje de wacht; bij nog weer anderen brengen beiden te zamen den jongen voedsel aan. Bij de sperwers nu geschiedt dit ook, maar alleen de moeder is in staat dat voedsel behoorlijk voor hen toe te bereiden. Men heeft sperwertjes, wier moeder gedood was, van honger zien sterven, ofschoon zij omringd waren door een rijken voorraad van levensmiddelen, die de vader hun toevoerde, doch zonder dat deze in staat was ze voor hen bruikbaar te maken.