WeRead Powered by ReaderPub
Nederland en de Islâm cover

Nederland en de Islâm

Chapter 2: INHOUD.
Open in WeRead

About This Book

The author presents a series of lectures on how a Western colonial state should relate to its Muslim subjects, advocating an ethical policy that fosters the gradual association of indigenous society with the colonizer's civilization rather than exploitative extraction. He argues that long-term stability and retention of overseas territories depend on elevating local populations under steady guidance, criticizes selfish colonial practices as destabilizing, and calls for a shared practical line across political and religious factions. The text examines tensions between missionary aims and administrative realities and offers pragmatic recommendations for governing Muslim communities.

The Project Gutenberg eBook of Nederland en de Islâm

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Nederland en de Islâm

Author: C. Snouck Hurgronje

Release date: May 30, 2017 [eBook #54810]
Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg (This file was produced from images generously
made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NEDERLAND EN DE ISLÂM ***

NEDERLAND EN DE ISLÂM.

NEDERLAND EN DE ISLÂM
2e VERMEERDERDE DRUK
N. V. BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
VOORH. E. J. BRILL LEIDEN
1915

BOEKDRUKKERIJ voorheen E. J. BRILL.—LEIDEN.

VOORREDE.

Bijna vier jaren geleden leidde ik de eerste uitgave van dit thans voor de tweede maal verschijnende werkje met de hieronder volgende woorden bij den lezer in:

“Op uitnoodiging mijner mede-curatoren der Nederlandsch-Indische Bestuursacademie sprak ik in Maart 1911 voor de aan die Academie studeerende ambtenaren de vier voordrachten uit, die hier in druk eenen grooteren kring van lezers aangeboden worden. Deze omstandigheid moge ter verklaring dienen van hetgeen sommigen hier te kort, anderen weder te wijdloopig behandeld mochten vinden”.

“Gerekend is immers op toehoorders, voor wie de Islâm èn door hunne vroegere opleiding, èn door hunne ambtelijke ervaring geen onbekende grootheid was, maar voor wie toch ook weer, daar de gelegenheid tot diepere studie van de Mohammedaansche cultuur hun had ontbroken, eene beknopte herinnering aan het vroeger geleerde of waargenomene niet onwelkom kon zijn. Verder mocht bij hen in den regel bekendheid door eigen aanschouwing met het leven van Indonesische Mohammedanen ondersteld worden. Toch heb ik gemeend voor mijn betoog de aandacht te mogen vragen ook van anderen, die hetzij voor de voornaamste vraagstukken der koloniale politiek, hetzij voor de problemen, die de Islâm aan de Westersche wereld ter oplossing voorlegt, eenige belangstelling over hebben”.

“De richting, waarin ik de oplossing van het Islâm-probleem voor Nederland vond, werd natuurlijk gewezen door het beginsel, dat naar mijne overtuiging in het algemeen de verhouding moet bepalen tusschen moederland en koloniën, tusschen de aan Westersch gezag onderworpen volken en degenen, aan wie de geschiedenis het gezag over hen in handen heeft gegeven. Daar tegenwoordig in ons vaderland alle politieke partijen te dezen aanzien in hoofdzaak ééne lijn trekken, heb ik het onnoodig geacht, daarover opzettelijk uit te weiden. Al mogen de opvattingen in het bijzondere nog verschillen, er is eenheid in het noodigste, namelijk in de erkenning van de ethische koloniale politiek als de eenig mogelijke”.

“Nu zijn mij echter van zeer geachte zijde naar aanleiding mijner voordrachten een paar vragen gesteld, die mij nopen, mijn algemeene uitgangspunt bij het onderzoek der hier door mij behandelde vraagstukken, gelijk bij alle andere, die de koloniale politiek betreffen, wat scherper te formuleeren”.

“De vragen kwamen in hoofdzaak hierop neer, of dan niet het verwerven en behouden van koloniën bovenal voordeelen voor het moederland ten doel moest hebben, en of niet de door mij en anderen bepleite krachtige bevordering van de associatie der Inlandsche maatschappij aan onze beschaving op den duur tot het verlies onzer koloniën zou leiden”.

“Het zij mij vergund, met allen eerbied ook voor opvattingen, die aan de tijden der Compagnie en van het cultuurstelsel doen denken, mijne zienswijze zonder verder betoog apodictisch uit te spreken”.

“De exploitatie-theorie behoort tot een verleden, dat wij niet terugwenschen en dat wij, al wenschten wij het, niet uit den dood kunnen doen verrijzen, zelfs niet in een nieuwen vorm. Zelfs al zou men eenzijdig voordeel voor het moederland als hoogste doelwit van het koloniale bestuur ook in onzen tijd willen laten gelden, dan toch zou een staatsman, die wat ver voor zich uit ziet, dat voordeel nergens anders kunnen ontdekken dan in eene toekomst, waarin de inboorlingen der koloniën door ons op de hoogste plaats gebracht zijn, die hun aanleg hen in staat stelt, in te nemen. Heeft die verheffing der inheemsche bevolking, die zijzelve zoekt en dus ook vinden zal, onder onze krachtige leiding plaats, dan hebben wij de grootst denkbare kans, dat het moederland er in uitbreiding evenveel bij winnen zal als de vroeger overheerschten, nu geassocieerden, in hoogte”.

“Wat de aardbol over een eeuw te zien zal geven, dat laat zich noch van het standpunt der ethische, noch van dat der exploitatie-politiek waarnemen. Vraagt men mij echter, onder welk der beide régimes het verlies van Oostersche wingewesten binnen de honderd jaren waarschijnlijker is, dan zeg ik zonder eenige aarzeling: niets kan zulk verlies zekerder verhaasten dan zelfzuchtige koloniale staatkunde van de soort, die ons uit de annalen der Oost-Indische Compagnie en van het cultuurstelsel van al te nabij bekend is, en welker doodvonnis door het hooggerechtshof der geschiedenis geruimen tijd geleden bekrachtigd werd”.

De redactie van de “Revue du Monde Musulman” liet deze voordrachten voor haar tijdschrift in het Fransch vertalen, en stelde die vertaling ook afzonderlijk verkrijgbaar onder den titel “Politique Musulmane de la Hollande”. Maar ook in ons land hadden zij zich niet te beklagen over gebrek aan belangstelling, en de hoofdgedachten, die eraan ten grondslag lagen, vonden in wijden kring instemming.

Dit laatste was voor den schrijver bijzonder aangenaam, en het alleraangenaamst trof het hem, dat die instemming kwam uit kringen van zeer uiteenloopende staatkundige en godsdienstige richting. Het is werkelijk dringend noodig, dat wij voor de vervulling onzer nationale pedagogische taak jegens de Mohammedaansche onderdanen van den Nederlandschen staat eene gedragslijn vinden, die voor de beweging van die verschillende richtingen ruimte laat. Indien dit onmogelijk bleek, dan waren de dagen van ons bestaan als koloniale mogendheid geteld. Die gemeenschappelijke gedragslijn, de grootst gemeene deeler van aller wenschen, die dan door ieder voor zich met een eigen factor vermenigvuldigd mag worden, is te vinden, wanneer men gezamenlijk ernstig er naar zoeken wil, niet, wanneer ieder, star voor zich uit kijkend, zijn eigen stokpaardje blijft berijden, onder voortdurend aanbotsen tegen de andere ruiters. De grootste voldoening gaven mij de bewijzen van sympathie, die ik uit de kringen van zendelingen en zendingsvrienden mocht ontvangen, omdat, zooals ik in mijne vierde voordracht opmerkte, het besef van de taak, die ons volk ten aanzien der Inlandsche maatschappij te vervullen heeft, dáár het levendigst is. Het spreekt wel van zelf, dat diegenen onder hen, die zelf practisch op dat gebied werkzaam zijn, en aldus ervaring opdoen van allerlei bezwaren, waarover de zendingsvrienden in het moederland vaak luchtig heen redeneeren, meer neiging vertoonen dan deze laatsten om met vollen ernst te luisteren naar voorstellen betreffende een compromis, waartoe het in de werkelijkheid, zooals zij wél weten, toch altijd komen moet. Daarom had de waardeering, die ik juist van hunne zijde ruimschoots mocht ondervinden, voor mij dubbele waarde, en hielp zij mij om de ook niet ontbrekende wanklanken zonder ontmoediging te vernemen. Dit werd mij trouwens in het bijzonder gemakkelijk gemaakt door zulke besprekers, die blijk gaven, dat hun godsdienstig denken door politieke partijschap in bedenkelijke mate geinfecteerd was. Zoo bijv. een schrijver in “Stemmen des Tijds”, die niet alleen dikwijls eene geheel scheeve voorstelling van mijn bedoeling gaf, maar naief genoeg was om te verklaren, dat hij bij eerste lezing mijner voordrachten gemeend had, dat “wij het werk met vereende krachten konden doen”, maar dat hij vervolgens door de debatten in de Tweede Kamer tot een juister inzicht werd gebracht. Duidelijker kan men niet uitkomen voor de verpolitieking zijner inzichten over de groote vraagstukken van “Oost en West”, die ons volk zich ter oplossing voorgelegd ziet.

Wie zich bij de behandeling dier problemen niet weet te verheffen boven het kleinzielige partijleven van onze vaderlandsche politiek, die blijve er af; zijn arbeid, hetzij voor de Christelijke, hetzij voor de nationale zending in onze koloniën, is van tevoren met onvruchtbaarheid geslagen.


Juist toen ik gereed was met het aanbrengen van enkele verbeteringen en aanvullingen voor de tweede uitgave mijner voordrachten, gaven de jongste gebeurtenissen op het groote wereldtooneel mij aanleiding tot het schrijven van een Gidsartikel over de wijze, waarop Duitschland onlangs begonnen is te trachten, het Mohammedaansche fanatisme aan zijne belangen dienstbaar te maken. Het kwam mij voor, dat bedoeld opstel, met een paar kleine toevoegingen, als vijfde hoofdstuk van dit boekje niet misplaatst zou zijn. Mijn ondertitel “Vier Voordrachten, gehouden in de Nederlandsch-Indische Bestuursacademie” moest dan natuurlijk vervallen, maar “Nederland en de Islâm” mocht het geheel ook nu blijven heeten, want ook voor de Nederlandsche Islâmpolitiek is het van hoog belang, zich rekenschap te geven van de wegen, waarin groote mogendheden van Europa het politieke leven van de Mohammedanen pogen te leiden en van de houding, die ons ten aanzien dier pogingen past.


Eerst na het afdrukken van dit hoofdstuk is mijne aandacht gevestigd op eene vergissing, die mij eene uitdrukking van Becker onjuist deed interpreteeren. Bladz. 133, regel 12–14 moet als volgt gelezen worden: Becker heeft tot voor korten tijd deze “Betonung des Kalifats als einen Fehler aus Unkenntnis beurteilt”, enz. Ik had ten onrechte de woorden “aus Unkenntnis” als bepaling van beurteilt in plaats van bepaling van Fehler opgevat.

Sommigen mijner Duitsche vrienden—ik teeken uitdrukkelijk aan, dat anderen mij hunne geheele of gedeeltelijke instemming met mijne uiteenzetting betuigden—hebben de bedoeling van dit artikel misverstaan, en daarin een verholen partijkiezen tegen Duitschland als oorlogvoerende partij willen zien. Dat zulk eene bedoeling mij geheel ten onrechte toegedicht werd, behoef ik aan onbevangen lezers niet uitdrukkelijk te verzekeren. De weinige regels, die (op bladz. 102–3) in het algemeen over dezen ellendigen wereldstrijd handelen, geven duidelijk genoeg te kennen, dat ik te dien aanzien geheel neutraal denk, niet omdat ik burger ben van een neutralen staat, maar omdat ik mij oprecht en van harte onbevoegd verklaar, de eene partij voor meer of minder schuldig te houden aan de ontbranding dan de andere. Overigens heb ik mij streng bepaald tot mijn onderwerp, de bespreking van het gebruik, dat Duitschland in den laatsten tijd tracht te maken van de voor den Islâm vroeger zoo gewichtige ideeën van het chalifaat en van den heiligen oorlog.

De behandeling hiervan lag op mijnen weg, en ik mocht mij daaraan niet onttrekken, zoowel omdat ik mijn leven goeddeels gewijd heb aan de studie van den Islâm, vooral ook in zijne beteekenis voor onze dagen, als ook, omdat elke poging om het bijna gebluschte vuur der middeleeuwsche politieke idealen van den Islâm weer te doen opflikkeren ook voor de Mohammedaansche bevolking der Nederlandsche koloniën gevaarlijk kan worden. Zooals ik bij vele gelegenheden betoogd heb, het panislamisme is niet in staat, aan den Islâm zijne middeleeuwsche positie van eene door de overige wereld gevreesde wereldmacht te hergeven. Maar wat het wel vermag, dat is tijdelijk en plaatselijk beperkte stoornissen te weeg te brengen, ten nadeele van de Mohammedanen zelve en van de Europeesche naties, die Mohammedaansche onderdanen hebben. Zulke stoornissen uit te lokken, het allengs uitstervende Mohammedaansche fanatisme tot ontwaking te prikkelen, dat acht ik misdadig, en mijne Duitsche vakgenooten, die zich over dit vraagstuk uitlieten, dachten er steeds evenzoo over. Dat sommigen hunner in de laatste maanden opeens van meening veranderd zijn, kan niemand meer betreuren dan ik, die aan de Duitsche wetenschap zooveel te danken heb en die in geen vreemd land meer beproefde vrienden heb dan in Duitschland. Ik ben er zeker van, dat wij hier te doen hebben met een voorbijgaand ziekteproces, veroorzaakt door de ook in andere oorlogvoerende landen waar te nemen verstoring van het moreele en intellectueele evenwicht. Zoolang echter het herstel nog niet is ingetreden, behooren wij dat proces nauwlettend gade te slaan, en voor onszelve op voorzorg bedacht te zijn. Niets zou mij aangenamer zijn, dan dat zich spoedig de behoefte aan eene derde uitgave van dit boekje deed gevoelen, en dat dan inmiddels de orkaan, die thans ook op geestelijk gebied aan het woeden is, gestild en zoo een herdruk der bespreking dezer afdwaling overbodig geworden was.

INHOUD.

       Bladz.

Voorrede        V–XII

HOOFDSTUK I.

De verbreiding van den Islâm.
Inzonderheid in den Oost-Indischen Archipel.

De Islâm kwam eerst na volledige ontwikkeling van zijn stelsel in den Archipel 1
Karakter van Mohammeds godsdienst 2
Beteekenis der Hidjrah 3
Gewelddadige islamiseering van Arabië 4
De Islâm wil de geheele wereld aan zich onderwerpen 4
Noch missionaire arbeid noch economische oorzaken bewerkten de macht van den Islâm 5
De godsdienstige factor gaf den stoot en geweld was het voorname middel 7
Het systeem van den Islâm getuigt hiervan 7
Gebied van den Islâm en gebied van den oorlog 8
Nederlandsch-Indië gebied van den Islâm 8
De heilige oorlog 9
De leer van den heiligen oorlog berust niet op misverstand 9
De schriftgeleerden en de volksmassa zijn het hierover eens 11
De andere opvatting is ver in de minderheid 12
Geweld als bekeeringsmiddel in het Christendom en in den Islâm 12
Zachtere methoden van bekeering worden ook toegepast 13
De bekeering uiterst gemakkelijk gemaakt 14
Geene priesterschap noch geordende heidenmissie 15
Leekenpropaganda 15
Moslimsche propaganda vergeleken met Christelijke 16
Aan de geestelijke opvoeding van de massa der Moslims is weinig gedaan 17
Het oude heidendom blijft overal voor een goed deel de cultuur beheerschen 18
In Oost-Indië drong de Islâm vreedzaam binnen 19
De verbreiders kan men niet met Christelijke zendelingen vergelijken 19
De Regeering bevordert de propaganda als Zij Mohammedaansche ambtenaren in heidensche streken invoert 20
Eenmaal gevestigd, breidde de Islâm zich ook in Oost-Indië gewelddadig uit 21
De eerste invoerders waren Indiërs; Arabische invloed begon pas later te werken 21
Samenvatting 22
Het leven overal in slechts geringe mate naar het stelsel hervormd 23
De graad van het in de autoriteiten van den Islâm gestelde vertrouwen beste maatstaf voor de Moslimsche belijdenis 23
De graad van bekendheid met leer en wet vormt geenen maatstaf 24
De Regeering kan Hare taak geheel vervullen zonder schending der godsdienstvrijheid 25

HOOFDSTUK II.

Kenschetsing van het stelsel van den Islâm.

Aanpassing van den Islâm aan de cultuur der door hem veroverde volken 26
De vreemde elementen met behulp van fictie bij de voorschriften van den Profeet ingelijfd 27
De leer van de onfeilbaarheid der Moslimsche gemeente 28
Belangrijke ontwikkeling van het stelsel na de derde eeuw der Hidjrah zoo goed als uitgesloten 28
Het stelsel spitst zich in geloofsleer en wet 30
De dogmatiek na hare vaststelling van ondergeschikt belang voor de practijk 31
Alleen enkele eschatologische voorstellingen verwekken soms beroering 31
Het staatsgezag en de uitlegging der wet bleven niet lang in ééne hand 32
De wet theoretisch erkend, practisch veelszins terzijde gesteld 33
Onderscheid in waardeering van de verschillende deelen der wet 33
De zuiver godsdienstige bestanddeelen 34
Voor de practijk weinig beduidende bestanddeelen 34
Bepalingen, die als moreele voorschriften werken 35
Ontduiking van voorschriften bewijst niet, dat zij kracht van wet hadden 36
Werkelijk geldende hoofdstukken der wet 37
Personen-, huwelijks-, familie- en erfrecht 37
Vrome stichtingen 38
Geloften 39
Voorschriften over de rechtspraak 39
Bepalingen over de verhouding tot niet-Mohammedanen 40
De ontwikkelingsgeschiedenis der wet verzet zich tegen codificatie 40
Qoerân en Soennah 41
Losmaking der wet van hare bronnen 42
De onfeilbare gemeente heeft geen vast orgaan 42
Poging tot codificatie in Algerië 43
De adviezen zijn minder gunstig dan zij schijnen 44
Ten onrechte beroept men zich op voorgangers 45
Codificatie onder niet-Mohammedaansche leiding bovendien verdacht 46
De toepassing der wet volgt methoden, die van de Westersche afwijken 46
Sommige Fransche adviseurs achten codificatie daarenboven ongewenscht 47
Ook in Nederlandsch-Indië werd de wensch naar codificatie vernomen 47
Bij de overige bedenkingen komen nog gemoedsbezwaren 48
Codificatie zou den invloed van volksrecht verminderen 49
Beteekenis der mystiek in den Islâm 49
Hervorming van het stelsel is van de mystiek niet te verwachten 50
De mystieke broederschappen 51

HOOFDSTUK III.

De Nederlandsche Koloniale Regeering en het stelsel van den Islâm.

De Nederlandsche Regeering kan niet buiten Islâmpolitiek 53
Jegens het dogma en de zuivere godsdienstige voorschriften der wet moet zij neutraal zijn 54
Ook ten aanzien der bedevaart zou belemmerend ingrijpen onverstandig zijn 56
Politieke beteekenis van den hadj 58
Economische gevolgen van den hadj 59
Het huwelijks-, familie-, personen- en erfrecht van den Islâm eischt eerbiediging 59
De Regeering houde echter den weg ter evolutie wijd open 61
Codificatie derhalve ongewenscht 62
De instelling der priesterraden op Java en Madoera was eene fout 62
Bemoeienis der Regeering met zulke onderwerpen principieel gewenscht 63
Moskeefondsen 63
Mohammedaansche huwelijken; godsdienstonderwijs 64
Hoe de rechtspraak der priesterraden te verbeteren 65
Waarom wij de aandacht vooral bij Java en Madoera bepalen 66
Uit staatkundig oogpunt belangrijke bestanddeelen 67
De chalief bestuurder der Mohammedanen, geen kerkvorst 68
Geen vorm van panislamisme aannemelijk voor eene Europeesche mogendheid met Mohammedaansche onderdanen 69
Vrijheid van godsdienst voor Mohammedaansche onderdanen met afwijzing van elke vreemde inmenging 70
Wie de geestelijke leidslieden der Indonesische Moslims waren 71
Bestrijding der kunstmatige verlevendiging van eschatologische verwachtingen 72
Vermijding van al hetgeen naar inbreuk op de godsdienstvrijheid zweemt 72
Ongunstige beoordeeling der Nederlandsche Islâmpolitiek in de panislamitische pers 73
Klachten der in Oost-Indië gevestigde Arabieren 74
Ongunstig oordeel van sommige zendingsvrienden over de Islâmpolitiek der Regeering 75
Slotsom 76

HOOFDSTUK IV.

Nederland en zijne Mohammedanen.

De dusver bereikte slotsom leidt niet tot positieve resultaten 78
Opvoeding en onderwijs zijn in staat, de Moslims van het Islâmstelsel te emancipeeren 79
Gunstige voorwaarden voor de werking dier middelen in Oost-Indië, vooral op Java 80
Gebrek aan krachtige leiding van den gunstigen stroom 80
Voorbeelden van betreurenswaardige onbeslistheid 81
In associatie der Inlanders aan onze cultuur ligt de oplossing der Islâmquastie 83
De openbare meening in Nederland behoort in die richting krachtig te spreken 83
De eenigen, die blijk geven het te beseffen, zijn de zendingsvrienden 84
De Moslimsche Inlanders wenschen wel politieke en nationale, geen religieuze associatie 85
Hoe ver kan de associatie gaan? 85
Bezwaar tegen gesubsidieerde Christelijke scholen met gedwongen deelneming aan het godsdienstonderwijs 87
Ons onderwijs en onze opvoeding moeten vooreerst de hoogere klassen der Inlandsche maatschappij in het oog vatten 89
De onlangs opgerichte desascholen 90
Studie van begaafde Inlanders in Nederland 91
Europeesch onderwijs voor Inlanders, die tehuis blijven 91
Opvoeding buiten de school 92
De zending zou hiertoe kunnen medewerken 92
De Inlandsche vrouw en hare opvoeding 93
Aan hooger ontwikkelde Inlanders moet een belangrijk aandeel in den staatsdienst verzekerd worden 94
Kleinmoedige bezwaren tegen de associatie 95
Stuiting der beweging niet mogelijk 96
Samenvatting onzer beschouwingen 96
De associatie der Inlandsche maatschappij aan onze cultuur ontneemt aan het panislamisme alle kracht 99
Andere heilzame gevolgen der associatie 100
Weerlegging der bezwaren tegen nationale associatie 100

HOOFDSTUK V.

Duitschland en de heilige oorlog.

De godsdienstvrijheid volgens Turksche intellectueelen 102
Contrast dier meening met de wet van den Islâm 103
De grondslagen van het program van den heiligen oorlog 104
Middeleeuwsch karakter van dat program 105
Wijziging der beschouwing onder vreemden invloed 106
Chalifaat en Djihâd 108
Het chalifaat der Turksche soeltans 109
Beteekenis van den chaliefentitel voor de Osmanen 110
Panislamitisch streven van Abdoelhamied 111
Geene organisatie van het panislamisme 112
De chalief geen kerkvorst 113
De Turksche omwenteling en het panislamisme 113
Djihâd en heilige oorlog 115
Duitsche vlugschriften over de houding van Turkije. Hugo Grothe 116
Misverstand bij Grothe 116
Betrekkingen tusschen Duitschland en Turkije 117
Duitschland de redder van Turkije 118
De door Grothe gewenschte Djihâd 119
De fetwa over den heiligen oorlog 120
Het manifest van den Soeltan 122
De groote demonstratie 122
Becker’s voorstelling der zaak 123
De aard der Duitsche vriendschap voor Turkije 125
Duitschland en zijne Mohammedanen in Afrika. 126
De thans door Duitschland gewenschte verhouding komt neer op het protectoraat over Turkije 127
Duitsche oordeelen over Turkije en den Islâm voorheen en thans: Marquart, Hartman, Becker 128
Becker’s recente wijziging van inzicht. Bezoeken van Keizer Wilhelm aan Turkije 131
De rede op het graf van Saladijn 132
Oorzaak der poging van Duitschland tot wederopwekking van Moslimsch fanatisme 134
Nederlandsch-Indië en de heilige oorlog 136